KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 25 sep 2026 · Tweede Kamer

Lijst van vragen en antwoorden over het Bijlagenboek bij de Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën (Kamerstuk 37020-2)

Brontekst

Feitelijke Kamervragen Miljoenennota bijlagen Vraag 1 Vraag 1 Wat zou het structureel opleveren als het aanvangspunt toptarief (ATT) voor twee, drie of vier jaar wordt bevroren? Antwoord op vraag 1 In de technische invulling van het koopkrachtpakket wordt het aanvangspunt toptarief (ATT) bevroren in 2027 op het niveau van 2026. Dit levert structureel 749 miljoen euro op. Bij het bevriezen van het ATT voor twee jaar wordt het ATT ook in 2028 bevroren, voor drie jaar ook in 2029 bevroren en voor vier jaar ook in 2030 bevroren. Onderstaande tabel geeft de structurele opbrengst weer in de verschillende varianten. Tabel 70 Budgettaire gevolgen bevriezen ATT (in € mln., prijspeil 2026 en inclusief bevriezing ATT in 2027) Struc Bevriezen aanvangspunt toptarief in 2027 en 2028 op niveau 2026 (twee jaar). 1.257 Bevriezen aanvangspunt toptarief in 2027, 2028, 2029 op niveau 2026 (drie jaar). 2.377 Bevriezen aanvangspunt toptarief in 2027, 2028, 2029 en 2030 op niveau 2026 (vier jaar). 3.485 Vraag 2 Vraag 2 Hoeveel mensen kunnen hun hypotheekrenteaftrek niet (volledig) verzilveren vanwege een te lage belastingaanslag? Antwoord op vraag 2 Uit de aangifte inkomstenbelasting over 2024 blijkt dat ruim 4,7 miljoen belastingplichtigen gebruikmaken van de hypotheekrenteaftrek. Voor ongeveer 30.000 belastingplichtigen geldt dat (een deel van) de afgetrokken hypotheekrente zou leiden tot een negatief belastbaar inkomen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een inkomen van 10.000 euro en een renteaftrek van 15.000 euro. Het belastbaar inkomen wordt dan vastgesteld op nihil en een deel ter grootte van 5.000 euro van de betaalde hypotheekrente wordt niet verzilverd. Daarnaast zijn er nog ongeveer 390.000 belastingplichtigen waarvoor geldt dat zij geen voordeel hebben van de hypotheekrenteaftrek als gevolg van niet-verzilverde heffingskortingen. In het eerdergenoemde voorbeeld wordt bij een inkomen van 10.000 euro in veel situaties ook zonder renteaftrek al geen belasting betaald. Door de renteaftrek daalt het belastbare inkomen naar nihil, maar dit leidt dus niet tot een fiscaal voordeel. Zoals het voorbeeld laat zien kan er sprake zijn van overlap tussen de groepen, maar voor minimaal 390.000 personen geldt dus dat zij de aftrek niet volledig kunnen verzilveren vanwege een te lage belastingaanslag. Vraag 3 Vraag 3 Wat zijn de budgettaire gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad over Duitse pensioenen? Antwoord op vraag 3 Naar eerste inschatting leidt de uitspraak tot een derving van € 14 miljoen over de afgelopen jaren tot en met 2025 en tot een jaarlijkse derving van € 15 miljoen per jaar over de komende jaren. Deze derving zal geleidelijk afnemen doordat in Duitsland de werknemerspremies voor het wettelijk oudedagspensioen in toenemende mate aftrekbaar zijn, waardoor de uitkeringen in toenemende mate weer in box 1 belastbaar zullen zijn. Structureel is er daardoor geen derving.   Vraag 4 Vraag 4 Wat is de opbrengst van de vennootschapsbelasting per jaar sinds 1980 in euro's, percentage bbp en percentage van de totale gemaakte winst? Kunnen stijgingen en dalingen uitgesplitst worden naar verschillende oorzaken? Antwoord op vraag 4 Zie onderstaande tabel. De volgende twee ontwikkelingen vallen op: In 2009 was er een sterke daling van de vpb als percentage van het bbp, dit valt te verklaren door de financiële crisis. Door de verliesverrekening bleef de vpb langjarig op een lager niveau. In 2022 en verder stijgt de vpb als percentage van het bbp, vanwege de stijgende conjunctuur. Het lijkt erop dat in de komende jaren het aandeel van de vpb ten opzichte van het bbp niet verder toeneemt. De CBS-statistiek biedt geen winstreeks die betekenisvol aansluit bij de grondslag van de vpb. Dit vraagt specifiek onderzoek, zie bijvoorbeeld figuur 13 in het rapport Onderweg naar balans in de vennootschapsbelasting. Een meer actuele reeks is niet beschikbaar. Tabel 71 De ontvangsten van de vennootschapsbelasting in miljarden euro's en als percentage bbp over de jaren vpb ontvangsten (in miljarden euro's) vpb als % bbp 2002 15,4 3,1% 2003 13,4 2,6% 2004 15,0 2,8% 2005 19,4 3,5% 2006 17,9 3,0% 2007 18,6 3,0% 2008 18,8 2,9% 2009 11,6 1,8% 2010 12,8 2,0% 2011 12,4 1,9% 2012 11,9 1,8% 2013 12,4 1,9% 2014 14,5 2,1% 2015 16,1 2,3% 2016 20,9 2,9% 2017 21,5 2,9% 2018 23,7 3,0% 2019 25,9 3,1% 2020 21,7 2,7% 2021 30,8 3,5% 2022 38,3 3,8% 2023 47,5 4,5% 2024 44,6 4,0% 2025 49,4 4,2% 2026 49,8 4,0% Vraag 5 Vraag 5 Zou het mogelijk zijn om de hypotheekrenteaftrek te schrappen voor buitenlandse woningen? Wat zou dat opleveren? Antwoord op vraag 5 Een buitenlandse woning komt alleen voor hypotheekrenteaftrek in aanmerking als de woning eigendom is van een belastingplichtige en de woning de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat. Dit kan het geval zijn als sprake is van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Van een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is sprake als het inkomen van de belastingplichtige, die inwoner is van een lidstaat van de EU, een lidstaat van de EER, Zwitserland of de BES-eilanden, voor 90% of meer in Nederland is onderworpen aan belastingheffing. In die situatie heeft een belastingplichtige recht op een gelijke behandeling als een binnenlandse belastingplichtige. Waardoor de belastingplichtige recht heeft op persoonsgebonden aftrek, heffingskortingen en hypotheekrenteaftrek. Het is dus – mede vanwege het EU-recht zoals uitgelegd in het arrest van 16 oktober 2008 in de zaak C-527/06, Renneberg, ECLI:EU:C:2008:566 - niet mogelijk om deze belastingplichtigen uit te sluiten van hypotheekrenteaftrek. Overigens is op deze korte termijn niet te achterhalen hoeveel hypotheekrenteaftrek in aanmerking wordt genomen voor buitenlandse woningen. Vraag 6 Vraag 6 Klopt het dat buitenlands vastgoed vaak niet belast is in box 3, ook als opbrengsten niet of bijna niet in het buitenland belast worden (bijv. in Dubai)? Wat valt daartegen te doen? Antwoord op vraag 6 Als een belastingplichtige fiscaal inwoner is van Nederland moet hij zijn wereldinkomen opgeven in zijn belastingaangifte, inclusief inkomen uit vastgoed. Dit geldt ongeacht of dat vastgoed in Nederland of in het buitenland is gelegen. Nederland kent fiscale regelingen die dubbele heffing voorkomen wanneer zowel in Nederland als in het buitenland, waar het vastgoed is gelegen, belasting wordt geheven over dat vastgoed. In veel verdragen is afgesproken dat Nederland een vrijstelling verleent voor het inkomen dat uit het buitenland wordt genoten uit vastgoed. Indien er geen verdrag is gesloten, verleent Nederland alleen een vrijstelling als er in het buitenland daadwerkelijk is geheven over het vastgoed. In de meeste gevallen zal er dus geen inkomstenbelasting in box 3 worden geheven over buitenlands vastgoed. Dat neemt niet weg dat het woonlandbeginsel (situsbeginsel) het uitgangspunt is voor de heffing over vastgoed. Het is daarom internationaal gebruikelijk dat de staat waarin het vastgoed gelegen, primair (of uitsluitend) heffingsbevoegd is om te heffen over (inkomsten uit) vastgoed. Vraag 7 Vraag 7 Hoe komt het dat de financiële doorwerking van het schrappen van de bezuiniging op de AOW (maatregel 60, coalitieakkoord (CA)) niet in de stukken staat? Antwoord op vraag 7 De begrotingshorizon in begrotingswetten loopt tot 2031. De voorgenomen invoeringsdatum van de 1-op-1-koppeling was 2028, maar de budgettaire effecten zouden pas optreden in 2033. Vraag 8 Vraag 8 Klopt het dat de bezuiniging op de AOW (CA maatregel 60) volledig en definitief niet door gaat? Antwoord op vraag 8 Het kabinet heeft de voorgestelde 1-op-1-koppeling van de levensverwachting aan de AOW-leeftijd geschrapt, waardoor de 2/3-koppeling van kracht blijft. Vraag 9 Vraag 9 Kunt u bevestigen dat de bezuiniging op de AOW niet meer in de boeken staat? Antwoord op vraag 9 Zie het antwoord op vraag 8. Vraag 10 Vraag 10 Kunt u bevestigen dat er in geen vorm een bezuiniging resteert op de AOW? Antwoord op vraag 10 Zie het antwoord op vraag 8. Vraag 11 Vraag 11 Welke financiële vormgeving is er gekozen voor het schrappen van de bezuiniging op de AOW (CA maatregel 60)? Op welke manier wordt dit ingevuld en hangen hier nog voorwaarden aan? Wat gebeurt er als deze voorwaarden niet worden gehaald? Antwoord op vraag 11 Zie het antwoord op vraag 8. Vraag 12 Vraag 12 Welk bedrag van de oorspronkelijke bezuiniging op de AOW (CA maatregel 60) resteert? Antwoord op vraag 12 De oorspronkelijke maatregel om de AOW 1-op-1 aan de leeftijdsverwachting te koppelen is volledig geschrapt, dus er resteert geen bedrag. Vraag 13 Vraag 13 Wat klopt er van het lek van RTL dat het schrappen van de bezuiniging op de AOW voor 1 miljard euro is gedekt? Wat gebeurt er met de andere 1,8 miljard euro? Antwoord op vraag 13 Het kabinet heeft de 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting geschrapt. Vraag 14 Vraag 14 Kunt u het oorspronkelijke en actuele budgettair belang van maatregel 60 CA over de AOW weergeven per jaar tot en met het jaar dat het structurele bedrag is behaald? Kunt u hierbij alle tussenliggende jaren duidelijk weergeven? Antwoord op vraag 14 Voor de oorspronkelijke maatregel in het coalitieakkoord om de AOW één op één aan de levensverwachting te koppelen was een besparing van 2,8 miljard euro structureel voorzien. Vraag 15 Vraag 15 Hoeveel mensen zijn er met alleen AOW en met AOW plus 500 euro? Antwoord op vraag 15 Uit het CBS-onderzoek1 naar inkomens van huishoudens in 2022 blijkt dat een relatief kleine groep huishoudens (1,8%, oftewel circa 40 duizend huishoudens) bovenop hun AOW geen of hooguit 250 euro bruto per maand aan aanvullende inkomsten had. Dit betrof vooral alleenstaande AOW’er, even vaak vrouw als man. Een wat grotere groep (7% oftewel ruim 160 duizend huishoudens) moest het in 2022 stellen met maandelijks 250 tot 500 euro bovenop de AOW. Ook dit zijn relatief vaak alleenstaanden, met naar verhouding meer alleenstaande vrouwen dan alleenstaande mannen. Vraag 16 Vraag 16 Hoeveel ouderenkorting ontvangt een alleenstaande met alleen AOW? Antwoord op vraag 16 Een alleenstaande AOW-gerechtigde ontvangt in 2026 een AOW-uitkering van 21.066 euro. Uitgaande van een situatie zonder aanvullend pensioen bedraagt het recht op ouderenkorting 2.067 euro. Dit is de maximale ouderenkorting. De alleenstaande AOW’er heeft daarnaast nog recht op de algemene heffingskorting en de alleenstaande ouderenkorting. Doordat het recht op heffingskortingen hoger is dan de belasting en premies volksverzekeringen in box 1 betaalt deze AOW-gerechtigde per saldo geen inkomstenbelasting. Vraag 17 Vraag 17 Hoeveel stijgt de Aof-premie van 2026 op 2027 en structureel? Kunt u daarbij uitsplitsen welk deel komt door welke maatregel? Hoeveel kost het een gemiddelde werkgever? Hoeveel beslag legt dit in totaal op de loonruimte? Antwoord op vraag 17 De voorgenomen Aof-premietarieven stijgen in 2027 met 0,40 procentpunt ten opzichte van 2026. In de jaren daarna stijgen de tarieven nog ongeveer 0,18 procentpunt. Bij de Miljoenennota 2026 was er nog sprake van een kleine daling in het tarief voor 2027. De verschillende maatregelen die sindsdien zijn genomen staan uitgesplitst in onderstaande tabel. Voor 2027 tellen die maatregelen op tot een 0,53 procentpunt hoger premietarief. Een 0,53 procentpunt hogere premie kost een werkgever ongeveer 230 euro per gemiddelde werknemer. Deze tariefstijging zorgt in 2027 voor ongeveer 2,1 mijlard meer opbrengsten uit de Aof-premie. Of, en in welke mate, dat beslag legt op de loonruimte is op voorhand niet te zeggen, omdat bij CAO-onderhandeling veel meer factoren een rol spelen (die ook per sector kunnen verschillen). In het algemeen stelt het CPB dat op de lange termijn ongeveer driekwart van een premieverhoging wordt afgewenteld op werknemers via een lagere loonstijging. Figuur 6 Vraag 18 Vraag 18 Kunt u de grondslag weergeven van alle werkgeverspremies, voor elk van de werkgeverspremies? Kunt u hierbij binnen de premies ook los specificeren wat de grondslag is voor de lage en hoge tarieven? Antwoord op vraag 18 In onderstaande tabel staan de geraamde grondslagen voor het premieplichtige loon per premie. Deze bedragen zijn gebaseerd op de MEV-raming van het CPB. Voor het Aof en het AWf is ook de verhouding tussen het hoge tarief en het lage tarief opgenomen. Deze zijn gebaseerd op realisatiecijfers van 2024 en 2025. Figuur 7 Vraag 19 Vraag 19 Erkent u dat de rijkste 1% in Nederland in de jaren '80 minder dan 20% van het totale vermogen bezat en dat de rijkste 1% inmiddels een stuk meer dan 20% van het totale vermogen bezit (bron: Toussaint, S. J. (2025). Accounting for Wealth Concentration)? Antwoord op vraag 19 De vermogensstatistiek van het CBS kent een consistente tijdreeks vanaf 2011. Cijfers uit de jaren 80 laten zich dus niet 1-op-1 vergelijken met die uit de periode 2011-2024.  CBS heeft gegevens vanaf 2006 maar vanwege trendbreuk in de data van 2010 op 2011, acht het CBS de ontwikkeling vanaf 2011 als het meest betrouwbaar. De ontwikkeling van het aandeel van de top 1% wordt dus ook vanaf 2011 getoond tot en met het meest recente jaartal (2024) gaat. Het onderstaande figuur toont deze ontwikkeling. Figuur 8 Ontwikkeling van het aandeel van de top 1% in het vermogen van huishoudens in NL De vermogensstatistiek van het CBS kent geen historische lange tijdreeks. Dus deze dient te worden geconstrueerd door middel van schattingen op basis van de best mogelijke data over vermogen in verschillende periodes. Ook de best mogelijke historische data bevatten veel lacunes, vooral wat betreft vermogen beneden bepaalde ondergrenzen en vermogen dat vrijgesteld bleef van belastingen. Meest recente betrouwbare studies naar de langjarige ontwikkeling van de vermogensverdeling waar ook in recente CPB-rapporten naar wordt verwezen is die van  S. Toussaint, A. de Vicq, M. Moatsos en T. van der Valk: «Household wealth and its distribution in the Netherlands, 1854-2019» uit 2022. Zo is in het onderstaande figuur uit het in juli 2023 verschenen CPB-rapport ‘De Nederlandse economie in historisch perspectief’, gebaseerd op die studie. Er zijn bij deze historische ontwikkelingen diverse noodzakelijke aannames gemaakt over de totale omvang van het vermogen beneden een bepaalde ondergrensgrens en voor diverse vrijstellingen. Deze gegevens zitten niet in de belastingaangiftes en daarmee ook niet in de administratieve data. Figuur 9 Aandeel top 1% in vermogen tussen 1894 en 2019. Dit figuur laat zien dat vanaf begin 1900 het aandeel van de top 1% ver boven de 50% lag, om dan een lange periode te dalen tot en met de jaren ’80 naar circa 20% (met ontbrekende cijfers voor onder andere de periode van de Tweede Wereldoorlog) en sinds de jaren ’90 weer een stijgende ontwikkeling lijkt te vertonen met een piek in 2013. Als we inzoomen op de periode vanaf 2011 zoals in figuur 1, ligt het aandeel van de top 1% in 2024 iets onder het niveau van 2011. De ontwikkeling van de huizenprijzen domineert deze ontwikkeling. Vraag 20 Vraag 20 Erkent u dat de rijkste 5% in Nederland in de jaren '80 minder dan 40% van het totale vermogen bezat en dat de rijkste 5% inmiddels een stuk meer dan 40% van het totale vermogen bezit? Antwoord op vraag 20 Zoals in antwoord op vraag 19 is aangegeven kent de vermogensstatistiek van het CBS kent geen historische lange tijdreeks. Dus deze dient te worden geconstrueerd door middel van schattingen op basis van de best mogelijke data over vermogen in verschillende periodes. Ook de best mogelijke historische data bevatten veel lacunes, vooral wat betreft vermogen beneden bepaalde ondergrenzen en vermogen dat vrijgesteld bleef van belastingen. Er zijn bij deze historische ontwikkelingen diverse noodzakelijke aannames gemaakt over de totale omvang van het vermogen beneden een bepaalde ondergrensgrens en voor diverse vrijstellingen. Deze gegevens zitten niet in de belastingaangiftes en daarmee ook niet in de administratieve data. In de dissertatie van Simon Toussaint ‘Accounting for Wealth Concentration’ wordt een grafiek getoond met de historische ontwikkeling van het aandeel van de top 0,1%, top 1% en 5%. Die grafiek laat zien dat vanaf begin 1900 het aandeel van de top 5% bijna 80% bedroeg lag, om dan een lange periode te dalen tot en met de jaren ’80 naar circa 40% (met ontbrekende cijfers voor onder andere de periode van de Tweede Wereldoorlog) en sinds de jaren ’90 weer een stijgende ontwikkeling lijkt te vertonen met een piek in 2013 (meer dan 55%). In 2019 ligt het aandeel iets onder de 50%. De ontwikkeling van de huizenprijzen domineert deze ontwikkeling. Het CBS publiceert geen top 5% aandelen op basis van de vermogensstatistiek. Vraag 21 Vraag 21 Erkent u dat de rijkste 0,1% in NL in de jaren '80 minder dan 7% van het totale vermogen bezat en dat de rijkste 0,1% inmiddels een stuk meer dan 7% van het totale vermogen bezit? Antwoord op vraag 21 Zoals in antwoord op vraag 19 en 20 is aangegeven kent de vermogensstatistiek van het CBS kent geen historische lange tijdreeks. Dus deze dient te worden geconstrueerd door middel van schattingen op basis van de best mogelijke data over vermogen in verschillende periodes. Ook de best mogelijke historische data bevatten veel lacunes, vooral wat betreft vermogen beneden bepaalde ondergrenzen en vermogen dat vrijgesteld bleef van belastingen. Er zijn bij deze historische ontwikkelingen diverse noodzakelijke aannames gemaakt over de totale omvang van het vermogen beneden een bepaalde ondergrensgrens en voor diverse vrijstellingen. Deze gegevens zitten niet in de belastingaangiftes en daarmee ook niet in de administratieve data. In de dissertatie van Simon Toussaint ‘Accounting for Wealth Concentration’ wordt een grafiek getoond met de historische ontwikkeling van het aandeel van de top 0,1%, top 1% en 5%. Die grafiek laat zien dat vanaf begin 1900 het aandeel van de top 0,1% 25% bedroeg, om dan een lange periode te dalen tot en met de jaren ’80 naar circa 7% (met ontbrekende cijfers voor onder andere de periode van de Tweede Wereldoorlog) en sinds de jaren ’90 weer een stijgende ontwikkeling lijkt te vertonen met een piek in 2013 (bijna 15%). In 2019 ligt het aandeel iets boven de 10%. De ontwikkeling van de huizenprijzen domineert deze ontwikkeling. Vraag 22 Vraag 22 Klopt het dat u bereid was om een belastingderving binnen box 3 (maatregel 15) deels te betalen uit de inkomstenbelasting (maatregel 17) en de zorgtoeslag (maatregel 19 van de op 16 september 2026 gedeelde conceptbegroting)? Waarom moeten werkende mensen hiervoor opnieuw de rekening betalen? Antwoord op vraag 22 De maatregelen waarnaar de vraag verwijst, komen uit tabellen van een conceptbegroting die in augustus in de coalitie is besproken. Op verzoek van een meerderheid van de Kamer zijn deze tabellen op 16 september 2026 gedeeld. Een conceptbegroting is een tussenstap in de besluitvorming en geeft geen kabinetsbeleid weer. In die fase wordt gekeken hoe de begroting binnen de budgettaire kaders sluitend kan worden gemaakt. Daarvoor worden verschillende combinaties van maatregelen doorgerekend en tegen elkaar afgewogen. Dat een maatregel in een concept staat, betekent dus niet dat het kabinet daartoe heeft besloten. De uitkomsten van de besluitvorming zijn verwerkt in de Miljoenennota 2027. Vraag 23 Vraag 23 Is de hele 2,7 miljard euro bezuiniging op de AOW (1-op-1-koppeling) daadwerkelijk uit de boeken? Ook uit de interne tabellen (IBOS) van Financiën en SZW? Antwoord op vraag 23 Zie het antwoord op vraag 8. Vraag 24 Vraag 24 Hoeveel vacatures zijn er en hoeveel werklozen zijn er op dit moment officieel volgens het CBS? Antwoord op vraag 24 Volgens de meest recente beschikbare data stonden er aan het eind van het tweede kwartaal van 2026 374,8 duizend vacatures open. De werkloze beroepsbevolking bedroeg op datzelfde moment 396 duizend personen. Vraag 25 Vraag 25 Klopt uw uitspraak dat er 1,5 miljoen mensen in een uitkering zitten en dat er evenveel vacatures zijn (Het Financieele Dagblad, 18 september 2026)? Antwoord op vraag 25 Recente CBS cijfers geven weer dat in 2026 1,44 miljoen mensen een uitkering ontvingen (excl. AOW). Daarnaast waren er in het tweede kwartaal van 2026 ongeveer 95 openstaande vacatures per 100 werklozen. Vraag 26 Vraag 26 Klopt het dat de inkomstenbelasting volgend jaar met 3,9 miljard euro omhoog gaat en structureel met 7,8 miljard euro (factsheetbundel Belastingplan, pagina 6)? Antwoord op vraag 26 De totale budgettaire gevolgen van alle aanpassingen binnen de inkomstenbelasting (IB) die worden voorgesteld in het wetsvoorstel Belastingplan 2027 leiden binnen de fiscaliteit inderdaad tot een lastenverzwaring van € 3,9 miljard in 2027, oplopend naar € 7,8 miljard structureel. Deze cijfers geven echter niet het volledige beeld, omdat het grootste deel van deze lastenverzwaring een compensatie is voor zorgpremies die lager zijn dan het basispad. Daarnaast heeft het kabinet in de augustusbesluitvorming andere lastenverlichtingen doorgevoerd, zoals de kortingen op de brandstofaccijnzen en de lastenverlichting in de vennootschapsbelasting voor de woningcorporaties. Tot slot ontstaat een deel van de hogere lasten door het invoeren van de vrijheidsbijdrage ten behoeve van de hogere defensie-uitgaven. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze rekening niet wordt doorgeschoven naar toekomstige generaties. Hiertegenover staat een verhoging van de arbeidskorting. Vraag 27 Vraag 27 Klopt de nuance dat je bij deze lastenverzwaring in de inkomstenbelasting ook moet kijken naar dalende zorgpremies? Zo ja, hoe komt die tabel er dan uit te zien in 2027 en structureel? Welk deel van de 3,9 miljard euro lastenverzwaring in 2027 blijft dan staan? En welk deel van de 7,8 miljard euro lastenverzwaring structureel? Antwoord op vraag 27 Bovengenoemde cijfers komen uit de budgettaire effecten van het Belastingplan. Het belastingplan bevat fiscale maatregelen. Dat is geen compleet beeld van alle lasten. De effecten op de zorgpremies en andere premies (zoals premies werknemersverzekeringen) zijn daarin niet opgenomen. Voor een overzicht van de lastenmutaties kan het best gekeken worden naar de beleidsmatige lastenontwikkeling (blo). En daarbij is een belangrijk onderscheid het beleid dat al door voorgaande kabinetten is getroffen en het beleid van dit kabinet. In het antwoord op vraag 142 over de miljoenennota, zijn de tabellen van de blo weergegeven. Dat de inkomstenbelasting stijgt is niet het volledige beeld. Tegenover de verhoging staat namelijk een daling van de zorgpremies ten opzichte van het basispad en een daling van de accijnzen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de lasten voor huishoudens, zie je dat deze door het beleid van dit kabinet volgend jaar niet of amper stijgen. Daarnaast stuurt dit kabinet op koopkracht van huishoudens. Het kabinet heeft met een koopkrachtpakket maatregelen genomen om het beeld te verbeteren. Bij elkaar opgeteld zorgen de aanpassingen in de augustusbesluitvorming voor een lastenverlichting van 3,1 miljard gedurende de kabinetsperiode. Voor werkende is de reparatie het grootst geweest, met het verhogen van de arbeidskorting met bijna €1,4 miljard. Iedereen die werkt profiteert daarvan. Vraag 28 Vraag 28 Kunt u de beleidsmatige lastenontwikkeling (op inkomen en op vermogen) ook weergeven voor de jaren 2028, 2029 en 2030? Inclusief en exclusief basispad? Hoeveel gaan de beleidsmatige lasten op arbeid de komende kabinetsperiode in totaal omhoog (inclusief en exclusief basispad)? En op vermogen? Antwoord op vraag 28 Onderstaande tabellen geven een splitsing weer van de beleidsmatige lastenontwikkeling (blo) naar arbeid en kapitaal Tabel 72 blo effect arbeid-kapitaal-consumptie (in miljard euro), basispad + beleid huidig kabinet (= in standen) blo totaal (min = lastenverlichting) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 arbeid 1,44 7,35 8,99 9,53 9,72 10,14 kapitaal ‒ 0,66 ‒ 0,76 2,46 1,63 1,55 1,70 Tabel 73 blo effect arbeid-kapitaal-consumptie (in miljard euro), beleid huidig kabinet (= in standen) blo effect beleid kabinet (min = lastenverlichting) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 arbeid ‒ 0,15 5,89 8,36 9,28 9,17 9,26 kapitaal ‒ 0,18 ‒ 0,13 ‒ 0,51 ‒ 0,47 ‒ 0,52 ‒ 0,52 Vraag 29 Vraag 29 Als de Wet werkelijk rendement box 3 niet door zou gaan in 2028, hoe hoog moet je het forfait op beleggingen dan zetten om geen geld mis te lopen? Antwoord op vraag 29 Voor de juridische houdbaarheid van een forfaitair rendement is het van belang dat met het forfait de werkelijkheid zo goed mogelijk moet worden benaderd. Het forfait voor overige bezittingen in box 3 (waaronder effecten en onroerende zaken) is daarmee geen vrij instelbare knop die uitsluitend met het oog op een te behalen opbrengst kan worden verhoogd. Het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in box 3 is gebaseerd op langjarige gemiddelde historische marktrendementen. Hiermee wordt geprobeerd een goede forfaitaire benadering te krijgen van het gemiddelde werkelijke rendement dat behaald wordt met overige bezittingen. Het is wel mogelijk om de berekeningswijze van het forfait aan te passen zodat beter wordt aangesloten bij het gemiddelde rendement van overige bezittingen. Daartoe is vorig jaar in het Belastingplan 2026 voorgesteld om bij de berekeningswijze van het forfait ook rekening te houden met huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik van onroerende zaken. Deze voorgestelde wetswijziging is tijdens de behandeling in de Tweede Kamer bij amendement geschrapt. Onderstaande tabel geeft de budgettaire reeks van het verhogen van het forfait op overige bezittingen met 1,78%-punt. Tabel 74 Budgettaire effecten verhogen forfait overige bezittingen box 3 met 1,78%-punt 2027 2028 Forfait verhogen met 1,78%-punt 800 768 Vraag 30 Vraag 30 Klopt het dat in de meest recente CPB-cijfers de hoogste inkomens (0,01%) zijn toegenomen met 70% en de laagste inkomens (99%) met zo'n 4% tot 8% in een periode van acht jaar? Heeft u nog actuelere cijfers? Antwoord op vraag 30 Waarschijnlijk wordt gedoeld op onderstaande figuur uit het CPB-rapport ‘De hoogste bomen van minder wind; belastingdruk op inkomens en vermogen’. Deze figuur is eerder gepubliceerd in het CPB-rapport ‘Inkomens en belastingen aan de top’ dat in 2024 is gepubliceerd. Het CPB geeft de volgende toelichting bij deze figuur. Voor de 0,01% hoogste inkomens zijn de reële inkomens gemiddeld met ruim 70% toegenomen. De inkomens van de laagste 99% zijn gemiddeld tussen de 4 en 8% gestegen’. Het CPB-onderzoek uit 2024 betreft een uitgebreide en de meest actuele studie over topinkomens en hun belastingdruk over de periode 2011 ‒ 2019 op basis van verschillende microdata van het CBS. Daarbij heeft het CPB ook ingehouden winsten van aanmerkelijkbelanghouders toegerekend aan het inkomensconcept. Figuur 10 Inkomensontwikkeling per inkomensgroep (index reele mediane inkomens, 2011 = 100) Vraag 31 Vraag 31 Klopt het dat de afstand in euro's tussen het vermogen van de top 1% en het mediane vermogen fors is toegenomen? Dat het verschil tussen de top 1% en het mediane vermogen in 2006 nog 3,6 miljoen euro bedroeg en in 2024 al zo'n 7,8 miljoen euro? Zo nee, wat zijn dan de juiste cijfers? Antwoord op vraag 31 Er is aangenomen dat er wordt gedoeld op figuur 8 van de bijlage 8 van de Voorjaarsnota 2026. Deze figuren zijn gebaseerd op CBS gegevens en figuur 8 laat de ontwikkeling van het mediane vermogen van verschillende vermogensdecielen zien en die van de top 1% rijkste huishoudens. De figuur laat zien dat het mediane vermogen van de top 1% rijkste huishoudens toenam van € 3,8 miljoen in 2006 naar circa € 8,0 miljoen in 2024. Vraag 32 Vraag 32 Wat waren de vpb-tarieven in Nederland sinds de jaren '80? Antwoord op vraag 32 Onderstaande tabel geeft een overzicht van de tarieven in de vennootschapsbelasting vanaf 1980. Het opstaptarief is het tarief dat geldt voor belastbare winsten tot aan de grens van het opstaptarief. Het algemene tarief is van toepassing op het deel van de belastbare winst hoger dan de grens van het opstaptarief. Tabel 75 Jaar Algemene tarief Opstaptarief Grens opstaptarief 1980 48,0% n.v.t. n.v.t. 1981 48,0% n.v.t. n.v.t. 1982 48,0% n.v.t. n.v.t. 1983 48,0% n.v.t. n.v.t. 1984 43,0% n.v.t. n.v.t. 1985 43,0% n.v.t. n.v.t. 1986 42,0% n.v.t. n.v.t. 1987 42,0% n.v.t. n.v.t. 1988 42,0% n.v.t. n.v.t. 1988 35,0% 40,0% f 113.445 1989 35,0% 40,0% f 113.445 1990 35,0% 40,0% f 113.445 1991 35,0% 40,0% f 113.445 1992 35,0% 40,0% f 113.445 1993 35,0% 40,0% f 113.445 1994 35,0% 40,0% f 113.445 1994 35,0% 40,0% f 45.378 1995 35,0% 40,0% f 45.378 1996 35,0% 37,0% f 45.378 1997 35,0% 36,0% f 45.378 1998 35,0% 35,0% f 45.378 1999 35,0% 35,0% f 50.000 2000 35,0% 30,0% f 50.000 2001 35,0% 30,0% € 22.689 2002 34,5% 29,0% € 22.689 2003 34,5% 29,0% € 22.689 2004 34,5% 29,0% € 22.689 2005 31,5% 27,0% € 22.689 2006 29,6% 25,5% € 22.689 2007* 25,5% 20,0% € 25.000 2008 25,5% 20,0% € 275.000 2009 25,5% 20,0% € 200.000 2010 25,5% 20,0% € 200.000 2011 25,0% 20,0% € 200.000 2012 25,0% 20,0% € 200.000 2013 25,0% 20,0% € 200.000 2014 25,0% 20,0% € 200.000 2015 25,0% 20,0% € 200.000 2016 25,0% 20,0% € 200.000 2017 25,0% 20,0% € 200.000 2018 25,0% 20,0% € 200.000 2019 25,0% 19,0% € 200.000 2020 25,0% 16,5% € 200.000 2021 25,0% 15,0% € 245.000 2022 25,8% 15,0% € 395.000 2023 25,8% 19,0% € 200.000 2024 25,8% 19,0% € 200.000 2023 25,8% 19,0% € 200.000 2024 25,8% 19,0% € 200.000 2025 25,8% 19,0% € 200.000 2026 25,8% 19,0% € 200.000 *In 2007 was er een extra schijf van 23,5% voor belastbare winsten tussen de € 25.000 en € 60.000. Tot aan € 25.000 gold een tarief van 20%, vanaf € 60.000 was het tarief 25,5%. Vraag 33 Vraag 33 Kunt u een overzicht maken van de tarieven in de inkomstenbelasting tussen 1964 en 2001? Kunt u daarbij ook aangeven wat de grondslag van de inkomstenbelasting was? Antwoord op vraag 33 Het belastbare inkomen in de wet IB 1964 is het in kalenderjaar genoten inkomen verminderd met de te verrekenen verliezen. Het inkomen is het onzuivere inkomen verminderd met de in artikel 3 lid 3 van de Wet IB 1964 genoemde aftrekposten. Het onzuivere inkomen bestaat uit de winst uit onderneming, zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen en van de winst uit aanmerkelijk belang. De belastbare som is, voor binnenlandse belastingplichtigen, het belastbare inkomen verminderd met de belastingvrije som. De belastingvrije som is afhankelijk van de tariefgroep waarin een belastingplichtige valt. De gehanteerde tarieven vanaf 1964 tot 2001 zijn niet voor al die betreffende jaren gedigitaliseerd. Het is dus niet mogelijk om hier op deze korte termijn een tabel voor op te stellen, omdat daar uitgebreid archiefonderzoek voor nodig is. Vraag 34 Vraag 34 Wat waren de tarieven van het eigenwoningforfait in de laatste decennia? Antwoord op vraag 34 Het standaardpercentage van het eigenwoningforfait (EWF) was de afgelopen jaren als volgt: Tabel 76 Standaardpercentage EWF periode 2011 t/m 2018 Eigenwoningforfait 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 Standaardtarief 0,55% 0,60% 0,60% 0,70% 0,75% 0,75% 0,75% 0,70% Tabel 77 Standaardpercentage EWF periode 2019 t/m 2026 Eigenwoningforfait 2019 2020 2021 2022 2023 2024 2025 2026 Standaardtarief 0,65% 0,60% 0,50% 0,45% 0,35% 0,35% 0,35% 0,35% Veranderingen in het standaardpercentage volgen uit de wettelijke systematiek voor indexatie. Daarnaast is in de jaren 2020, 2021 en 2023 een aanvullende beleidsmatige verlaging van ‒ 0,05% doorgevoerd. Vraag 35 Vraag 35 Klopt het dat de grondprijs een toenemend deel is van de totale woningprijs? Klopt het dat dit 30 jaar geleden zo’n 20% was en inmiddels zo’n 60%? Kunt u de ontwikkeling weergeven in een grafiek? Antwoord op vraag 35 De grondquote (het aandeel van de grondkosten binnen de totale verkoopwaarde) varieert in de praktijk sterk per segment, woningtype en regio. Het onderscheid tussen nieuwbouw en bestaande bouw is hierbij belangrijk. De gemiddelde grondquote van nieuwbouwwoningen in Nederland ligt landelijk gezien tussen de 15 en 30% totale vrij op naam prijs (zie: Tweede Kamer, 2024-2025, 32 847, nr. 1351). De grondquote voor bestaande woningen was in 1995 gemiddeld zo’n 20% en is inmiddels gestegen naar gemiddeld zo’n 60% (IBO Op grond kun je bouwen, 2024). Vraag 36 Vraag 36 Klopt het dat inkomsten uit vermogen tot 2001 progressief werden belast, met een toptarief van 60% (en daarvoor zelfs 70%)? Antwoord op vraag 36 Volgens het systeem van de Wet IB 1964 werden inkomsten uit vermogen samen met het overige inkomen in de belastingheffing betrokken naar (in beginsel) het progressieve tarief (met in 2000 een toptarief van 60%). Vermogensinkomsten werden gedefinieerd als alle – niet als winst uit onderneming, winst uit aanmerkelijk belang of inkomsten uit arbeid aan te merken – voordelen die worden getrokken uit onroerende en roerende zaken en uit rechten die niet op zaken betrekking hebben. De vermogensbelasting vormde een aanvulling op de inkomstenbelasting, in die zin dat de vermogensbelasting een extra last oplegde ter zake van de additionele draagkracht die het bezit van vermogen geeft. Die vermogensbelasting werd geheven via de Wet op de vermogensbelasting 1964. In artikel 14 van die wet werd onder andere het tarief van de vermogensbelasting geregeld. Het tarief van de vermogensbelasting was destijds proportioneel (dat wil zeggen vlak), voor zover het de vrijgestelde bedragen overschreed (in 2000 was de belastingvrije som 200.000 gulden voor een ongehuwde en 250.000 gulden voor een gehuwde). De vermogensbelasting bedroeg op 1 januari 2000 7 promille voor elk bedrag van 1000 gulden dat in de belastbare som is begrepen. Dit is dus een proportioneel tarief van 0,7%. Aanvullend regelde artikel 14 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 dat de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen tezamen met de vermogensbelasting niet meer dan 68% van het belastbare inkomen kunnen bedragen. Vraag 37 Vraag 37 Kunt u de beleidsmatige lastenverzwaring van 5,8 miljard euro op arbeid in 2027 verder uitsplitsen op maatregelniveau? Antwoord op vraag 37 De beleidsmatige lastenontwikkeling (blo)op arbeid in 2027 komt voort uit een groot aantal maatregelen, van zowel huidige als voorgaande kabinetten. Onderstaande tabel splitst het totale effect uit van deze maatregelen naar de verschillende belastingsoorten. Tabel 78 Beleidsmatige lastenontwikkeling arbeid 2027 (in miljard euro), basispad + beleid huidig kabinet (= mutatie) Belastingsoort Blo arbeid2027 Loonheffing 3,7 Premie AOF 1,5 Premie Whk 0,4 Overig 0,3 Bij de loonheffing zijn er meerdere maatregelen met zowel lastenverlichting als lastenverzwaring. De verhoging van de arbeidskorting zorgt voor een lastenverlichting, daartegenover staan o.a. de compenserende lastenverzwaring zorg en de vrijheidsbijdrage. De vrijheidsbijdrage en de compenserende lastenverzwaring zorgen ook voor een lastenverzwaring bij de premie AOF. De premie AOF stijgt in 2027 met 0,4 procentpunt. De premie Whk wordt vastgesteld door het UWV op basis van de verwachte uitgaven uit het fonds. Vraag 38 Vraag 38 Hoe verhoudt de 5,8 miljard euro beleidsmatige lastenverzwaring op arbeid zich tot de 3,9 miljard euro lastenverzwaring in de inkomstenbelasting (2027)? Antwoord op vraag 38 De maatregelen uit het Belastingplan voor 2027 hebben voor 3,8 miljard euro betrekking op inkomensbeleid. In het Belastingplan missen een aantal factoren die wel meetellen voor de getoonde beleidsmatige lastenontwikkeling: De beleidsmatige lastenontwikkeling kijkt niet alleen naar maatregelen zoals opgenomen in het Belastingplan 2027, maar ook naar eerder bepaalde maatregelen die nog beleidsmatig effect hebben in 2027. Daarnaast zitten in het belastingplan geen premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, deze tellen wel mee voor de beleidsmatige lasten op arbeid. Vraag 39 Vraag 39 Wat is de collectievelastendruk op arbeid als % van het bbp in 2026? Wat zijn de percentages in de komende vijf jaar? Antwoord op vraag 39 Onderstaande tabel laat de collectievelastendruk op de grondslag arbeid als percentage van het BBP zien tussen 2026 en 2031. Dit is een raming. Tabel 79 Collectievelastendruk op grondslag arbeid als percentage van het BBP 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Arbeid 18% 19% 20% 20% 20% 20% Vraag 40 Vraag 40 Wat is de collectievelastendruk op kapitaal als % van het bbp in 2026? Wat zijn de percentages in de komende vijf jaar? Antwoord op vraag 40 Onderstaande tabel laat de collectievelastendruk op de grondslag kapitaal als percentage van het BBP zien tussen 2026 en 2031. Dit is een raming. Tabel 80 Collectievelastendruk op grondslag kapitaal als percentage van het BBP 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Kapitaal 7% 6% 6% 6% 6% 6% Vraag 41 Vraag 41 Kunt u een grafiek delen met de actuele vermogensverdeling in Nederland voor verschillende vermogensonderdelen (box 2, box 3, etc.) per percentiel? Antwoord op vraag 41 Bijlage 8 ‘Vermogensverdeling in beeld’ van de Voorjaarsnota 2026 schetst verschillende perspectieven op de spreiding van vermogen in Nederland in actuele figuren en tabellen. Figuur 6 in de bijlage geeft de verdeling van bezittingen en schulden van huishoudens naar vermogensdeciel.  Vraag 42 Vraag 42 Erkent u dat kinderen met een koopwoning een geraamde erfenis zullen ontvangen van 463.000 euro indien zij ouders met een koopwoning hebben en slechts 38.000 euro indien zij ouders met een huurwoning hebben (Brounen, D., Kok, N., & Wogh, J. (2026, 25 juni), Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis, ESB)? Zo niet, wat zijn uw eigen cijfers? Antwoord op vraag 42 Het ESB artikel waar in de vragen naar wordt verwezen heeft een aantal gemiddelden berekend. Zo is berekend dat de gemiddelde waarde van een koopwoning van kinderen wiens ouders 75 jaar en ouder zijn en tevens eigenwoningbezitter, € 450.000 bedraagt. En dat de netto waarde van het vermogen van hun ouders als dat toegerekend wordt aan (uitsluitend) deze kinderen gemiddeld € 463.000 bedraagt. De spreiding rond deze gemiddelden is enorm, dat laat het ESB artikel niet zien.  Verder wil zo’n toerekening ook niet zeggen dat deze kinderen daadwerkelijk gemiddeld € 463.000 gaan erven. Hetzelfde geldt voor kinderen met een huurwoning. In het ESB artikel is berekend dat ouders van 75 jaar en ouder en eigenwoningbezitter zijn en kinderen hebben met een huurwoning, een gemiddeld netto vermogen hebben die overeenkomt met € 368.000 per kind. En dat ouders van 75 jaar en ouder met een huurwoning en die ook kinderen met een huurwoning hebben, een gemiddeld netto vermogen hebben dat overeenkomt met € 18.000 euro per kind. Ook hier is de spreiding enorm. Er kunnen geen algemene uitspraken worden gedaan over hoeveel kinderen - met hetzij een huurwoning of koopwoning en met ouders die hetzij een huurwoning hebben of een koopwoning - in de toekomst aan erfenissen van hun ouders zullen ontvangen. Vraag 43 Vraag 43 Erkent u dat kinderen met een huurwoning een geraamde erfenis zullen ontvangen van 368.000 euro indien zij ouders met een koopwoning hebben en slechts 18.000 euro indien zij ouders met een huurwoning hebben? Zo niet, wat zijn uw eigen cijfers (Brounen, D., Kok, N., & Wogh, J. (2026, 25 juni), Vermogensbezit zal steeds meer bepaald worden door erfenis, ESB)? Antwoord op vraag 43 Zie antwoord op vraag 42. Vraag 44 Vraag 44 Wat is het effectieve belastingtarief van de rijkste 1%, 0,1% en 0,01% in Nederland? (Op basis van de meest actuele cijfers) Antwoord op vraag 44 Het CPB heeft in zijn studie ‘Inkomens en belastingen aan de top’ uit 2025 de belastingdruk op het inkomen geanalyseerd naar inkomensgroepen waaronder het hoogste 1%, 0,1% en 0,01% inkomen. Onderstaande tabel laat de gemiddelde belastingdruk op het inkomen in de periode 2011 t/m 2019 zien en de samenstelling daarvan. Bij het bepalen van de belastingdruk heeft CPB ingehouden winsten van aanmerkelijkbelanghouders ook meegeteld als inkomen. Over dat inkomen is vennootschapsbelasting betaald, maar nog geen inkomstenbelasting (box 2) omdat het niet tot het fiscale inkomen wordt gerekend. Box 2-heffing vindt plaats bij daadwerkelijke uitkering van winst of vervreemding van aandelen (vermogenswinstbelasting). Door ingehouden winsten wel in de grondslag mee te nemen, valt de belastingdruk van de top 1%, 0,1% en 0,01% inkomens lager uit dan die op alle andere inkomens. Figuur 11 Samenstelling belastingdruk 2011 - 2019 Donkerblauw = box 1 Lichtblauw = box 2 Donkerroze = box 3 Lichtroze = vennootschapsbelasting Beige = sociale premies Vraag 45 Vraag 45 Klopt het dat het totaal aantal mensen in armoede volgend jaar 460.000 blijft? Klopt het dat het aantal kinderen in armoede volgend jaar met 2.000 afneemt? Klopt het daarom ook dat het aantal volwassenen in armoede met 2.000 toeneemt? Antwoord op vraag 45 Het klopt dat in de MEV 2027 zoals gepubliceerd door het CPB het aantal personen in armoede in 2027 naar verwachting uitkomt op ongeveer 460.000, en dat dit in 2026 ook zo was. Het klopt ook dat het aantal kinderen in armoede naar verwachting daalt van afgerond 76.000 naar afgerond 74.000. Het aantal kinderen in armoede telt ook mee voor het aantal personen in armoede. Een daling van het aantal kinderen in armoede leidt ceteris paribus dus ook tot een daling van het aantal personen in armoede. Het is echter gebruikelijk om het aantal personen in armoede af te ronden op tienduizenden personen, en het aantal kinderen in armoede af te ronden op duizenden kinderen. Op basis van de MEV 2027 is er onafgerond sprake van een daling van het aantal kinderen in armoede, en een beperkte stijging van het aantal personen in armoede (enkele honderden personen). De beperkte stijging van het aantal personen in armoede wordt door de afronding echter niet zichtbaar. De reden hiervoor is dat dit onafgeronde cijfers de suggestie zouden wekken van een precisie die geen recht doet aan de werkelijkheid. Vraag 46 Vraag 46 Welke "opmerkelijke belastingconstructies"  uit de Voorjaarsnota 2026 heeft u inmiddels aangepakt? Waarom heeft u ervoor gekozen om niks met de rest te doen? Antwoord op vraag 46 In de bijlage 7 van de Voorjaarsnota 2026 wordt een stand van zaken gegeven van de aanpak van belastingconstructies. Te zien is dat de aanpak van vijf beschreven constructies openstonden op moment van publicatie van de Voorjaarsnota en dat de overige drie constructies zijn aangepakt. Zeven constructies die ten tijde van de Voorjaarsnota 2025 al waren aangepakt (bij Belastingplan 2025, Belastingplan 2024, Eindejaarsregeling 2024, Fiscale Verzamelwet 2025 dan wel in de uitvoering opgelost) zijn in de Voorjaarsnota 2026 niet meer gepubliceerd. Tabel 81 Stand van zaken aanpak belastingconstructies Voorjaarsnota 2026 «Nieuwe» belastingconstructies Stand van zaken aanpak Papieren constructies Openstaand: mogelijke aanpak is beschreven1 Leningen met onzakelijke voorwaarden of een zogenoemde onzakelijke lening Openstaand: aanpak wordt onderzocht Eerder in deze bijlage beschreven constructies Stand van zaken aanpak Samenwerkingsverbanden IB-ondernemer met eigen bv Openstaand: aanpak wordt onderzocht Dividendstripping Openstaand: Naar verwachting dit voorjaar internetconsultatie van vier mogelijke maatregelen. Daarna weging of en zo ja welke aanvullende maatregelen worden voorgesteld. Opknipgedrag bij vastgoed-bv’s om maximaal te profiteren van renteaftrek Openstaand: De antifragmentatiemaatregel in Belastingplan 2025 is bij amendement geschrapt. Naar aanleiding van de motie Van Eijk/Vermeer wordt op dit moment in kaart gebracht welke antimisbruikmaatregelen andere EU-landen hebben geïmplementeerd om belastingconstructies waarbij misbruik wordt gemaakt van de generieke renteaftrekbeperking te bestrijden. 2 De Kamer wordt hier voor 1 juli over geïnformeerd. Lucratiefbelangregeling3 Aangepakt met een wetsvoorstel in het Belastingplan 2026. Inwerking maatregel uitgesteld naar 2028. Vruchtensappen met «een vleugje zuivel» Is aangepakt met een wetsvoorstel in Belastingplan 2026 Estate planning: in het zicht van het overlijden van een van de echtgenoten de gerechtigdheid tot het vermogen van de huwelijksgemeenschap wijzigen Is aangepakt met een wetsvoorstel maatregel in Belastingplan 2026 Onbelaste toegang tot lijfrentekapitaal Is aangepakt met een wetsvoorstel in Fiscale verzamelwet 2026 Met de beschrijving van deze maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan de toezegging van voormalig staatssecretaris van Financiën Heijnen om opties in kaart te brengen om papieren schenkingen tegen te gaan (Kamerstukken II 2025/26, 33836, nr. 288). Kamerstukken II 2024/25 36 602, nr. 104 De lucratiefbelangregeling is op zichzelf geen belastingconstructie maar levert wel een ongelijke belastingdruk op inkomen uit arbeid voor werkenden. De meest actuele stand van zaken is als volgt: in het voorjaar van 2026 zijn vier aanvullende maatregelen tegen dividendstripping (constructie 4) openbaar geconsulteerd door middel van een internetconsultatie. Naar aanleiding van enkele reacties op deze internetconsultatie, zullen er nadere consultatiegesprekken plaatsvinden met respondenten. Nadat een weging heeft plaatsgevonden van alle inbreng, zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd of, en zo ja, welke maatregelen worden omgezet in wetgeving. Naar verwachting wordt deze brief eind dit jaar verstuurd. Over opknipgedrag bij vastgoed bv’s (constructie 5) heeft de Kamer op 8 juni jl. een brief van de staatssecretaris van Financiën ontvangen. In die brief is uitgebreid ingegaan op drie beleidsopties en is geconcludeerd dat elke onderzochte beleidsoptie voor- en nadelen kent. Omdat het Omnibusvoorstel wijzigingen inhoudt ten aanzien van de earningsstrippingmaatregel, acht het kabinet het niet opportuun om op dit moment een beleidsrichting te kiezen. Van constructies 2 (onzakelijke leningen) en 3 (samenwerkingsverbanden) wordt op dit moment de aanpak nog onderzocht. Ten slotte is de aanpak van papieren constructies (constructie 1) uitgebreid beschreven in de Voorjaarsnota 2026. Hier heeft geen besluitvorming over plaatsgevonden. Het doel van het jaarlijks presenteren van de lijst met belastingconstructies is concreet en transparant te maken hoe het belastingstelsel in de praktijk kan uitpakken. Deze transparantie vindt het kabinet een groot goed. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele beleidsopties om constructies zo gericht en efficiënt mogelijk aan te pakken. Het daadwerkelijk aanpakken van een constructie vergt altijd een politieke weging, omdat het dichtzetten van een constructie ook neveneffecten met zich mee kunnen brengen. Het kabinet let in elk geval bij de aanpak op proportionaliteit, juridische houdbaarheid en de uitvoerbaarheid van een mogelijke aanpak. Oplossingsrichtingen zijn niet altijd eenvoudig en vereisen vaak nader onderzoek en vergen daarmee soms een lange adem. Vraag 47 Vraag 47 Klopt het dat de hoogste 10% inkomens wel 4x tot 5x zoveel budgettair voordeel hebben van accijnsverlaging dan de 10% laagste inkomens? Zo nee, wat is dan de juiste factor? Antwoord op vraag 47 Het budgettaire voordeel van de accijnsverlaging is afhankelijk van het aantal gereden kilometers per brandstofauto van een huishouden. Huishoudens zonder brandstofauto profiteren dus per definitie niet van deze maatregel. Het gaat in het vervolg van dit antwoord dan ook om gemiddelden per inkomensdeciel. Het autobezit en aantal gereden kilometers hangt volgens het onderzoek van het CPB uit 2025 samen met een hoger inkomen: van gemiddeld 0,4 auto’s en 5.000 kilometers onder lage inkomens tot 2,1 auto’s en 20.000 kilometers onder hoge inkomens. Hoge inkomens rijden gemiddeld genomen dus 4 keer zoveel kilometers als lagere inkomens. Uit gegevens van het CBS uit 2019 is dit uit te splitsen naar type brandstof: de hoogste 10% inkomens rijden 4,2 keer zo veel kilometers met benzine als de 10% laagste inkomens, 5,5 keer zoveel met diesel en 0,8 keer zoveel met LPG. Doordat de hoogste 10% inkomens rond de 4 à 5 keer zoveel kilometers rijden met benzine- en dieselauto’s komt het budgettaire voordeel van de accijnsverlaging gemiddeld genomen ook 4 à 5x keer meer terecht bij de hoogste 10% inkomens t.o.v. de laagste 10% inkomens. Een belangrijke kanttekening is dat hierbij is gekeken naar het gemiddelde per inkomensdeciel, waarbij dus ook de huishoudens zijn meegenomen die geen auto hebben en ook niet worden geraakt door de hogere brandstofprijzen en de voorgestelde accijnsverlaging. Wanneer alleen wordt gekeken naar huishoudens met auto zijn de verschillen minder groot. Volgens onderzoek van het CPB ligt het aantal gereden kilometers bij huishoudens met auto in het laagste inkomensdeciel bijvoorbeeld tussen de 10.000 ‒ 15.000 kilometers per jaar. Hierbij merkt het CPB op dat de spreiding in kilometrage groter binnen inkomensgroepen is dan tussen de verschillende inkomensgroepen. De inkomenseffecten van de accijnsverlaging in 2022 zijn door het CPB nader onderzocht en weergegeven in onderstaande figuur. De boxplot geeft een overzicht van de spreiding van inkomenseffecten binnen elke inkomensdeciel. De box (het donkerblauwe vlak) zelf toont de middelste 50% van de inkomenseffecten binnen een inkomensdeciel, de roze lijn binnen de box als mediaan (de ene 50% heeft een lager inkomenseffect, de andere 50% heeft een hoger inkomenseffect). De horizontale lijnen strekken zich uit tot 90% van alle huishoudens binnen een inkomensdeciel. De 10% daarbuiten wordt niet weergegeven. De figuur laat zien dat binnen ieder inkomensdeciel veel spreiding bestaat, omdat het inkomenseffect van de accijnsverlaging sterk afhankelijk is van of een huishouden een auto heeft en hoeveel kilometer per jaar wordt gereden. Huishoudens die veel kilometers afleggen profiteren het meest van een accijnsverlaging en die komen in iedere inkomensgroep voor. Het gemiddelde inkomenseffect relatief ten opzichte van het besteedbare inkomen schommelt in iedere inkomensdeciel daardoor ook rond de 0,25%. Figuur 12 Inkomenseffecten accijnsverlaging 2022 Vraag 48 Vraag 48 Klopt het nog steeds dat de beleidsmatige lasten op arbeid de komende kabinetsperiode stijgen met 13,7 miljard euro en op vermogen/winst met 2,7 miljard euro? Zo nee, wat zijn de actuele bedragen? Antwoord op vraag 48 Nee dit klopt niet, de lasten op arbeid stijgen gedurende deze kabinetsperiode met 10,1 miljard euro. De lasten op kapitaal stijgen met 1,7 miljard euro. In totaal is de beleidsmatige lastenstijging 17,1 miljard euro tot en met 2031. Dit zijn beleidsmatige keuzes gemaakt door zowel het huidige kabinet als voorgaande kabinetten die nog effect hebben in 2027. Vraag 49 Vraag 49 Klopt het dat u de hypotheekrenteaftrek verhoogt met 0,6% ten opzichte van 2026? Klopt het dat het budgettair beslag hiervan 183 miljoen euro is? Zo nee, wat is dan het juiste bedrag? Antwoord op vraag 49 Het belastingplan 2027 zorgt voor een verhoging van het aftrektarief van 0,57 procentpunt, namelijk van 37,59% naar 38,16%. Dit betekent dat het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek toeneemt met 173 miljoen euro. Afgezet tegen het aftrektarief van 2026 (37,56%) neemt het budgettair belang van de hypotheekrenteaftrek toe met 182 miljoen euro. Vraag 50 Vraag 50 Wat is het aandeel van de vpb als percentage van de totale belastingontvangsten in 2000? Wat is het aandeel nu? Wat is het aandeel de komende vijf jaar? Antwoord op vraag 50 Onderstaande tabel geeft dit aandeel weer vanaf 2003. Tabel 82 Vpb als aandeel van de totale belasting- en premieinkomsten in 2003, 2026 en de komende vijf jaar 2003 2026 2027 2028 2029 2030 2031 vpb als % van totale ontvangsten 8,0% 11,0% 10,7% 10,4% 10,2% 10,1% 9,9% Vraag 51 Vraag 51 Wat is de omvang van de collectieve sector in % van het bbp in Nederland. Kunt u dit vergelijken met landen als Frankrijk, Italië, België, Zweden, Finland en Duitsland? Antwoord op vraag 51 Onderstaande tabel toont de omvang van de collectieve sector, gedefinieerd als de totale overheidsuitgaven als percentage van het bbp. Tabel 83 Totale overheidsuitgaven (% bbp) Land 2025 België 54,20% Duitsland 50,50% Frankrijk 57,20% Italië 51,20% Nederland 44,90% Finland 57,70% Zweden 49,90% Vraag 52 Vraag 52 Hoe heeft de omvang van de Nederlandse collectieve sector (in % van het bbp) zich ontwikkeld in de laatste 100 jaar? Antwoord op vraag 52 De onderstaande figuur toont hoe de omvang van de Nederlandse collectieve sector zich in de laatste 100 jaar heeft ontwikkeld. De omvang van de Nederlandse collectieve sector wordt uitgedrukt als de bruto collectie uitgaven in percentage van het bbp. Figuur 13 Ontwikkeling bruto collectieve uitgaven (1925-2025, % bbp) Bron: CPB Vraag 53 Vraag 53 Per wanneer is het mogelijk om een extra schijf in box 3 toe te voegen? Hoeveel levert een toptarief van 40% op bij verschillende inkomensgrenzen (zeg: 30.000 euro, 50.000 euro & 70.000 euro)? Antwoord op vraag 53 Naar verwachting is invoering van een progressief tarief in het huidige forfaitaire box 3 stelsel mogelijk per 2029, mits deze maatregel uiterlijk op 31 december 2027 is aangenomen door de Eerste Kamer. Op deze korte termijn is het niet mogelijk om een raming te leveren. Vraag 54 Vraag 54 Klopt het dat de motie-Stultiens over de verruiming van de hypotheekrenteaftrek ongedaan maken (Kamerstuk 36 915, nr. 4) niet wordt uitgevoerd maar wel technisch mogelijk is (door te draaien aan het eigenwoningforfait)? Waarom weigert u de motie uit te voeren? Antwoord op vraag 54 De motie Stultiens uit dit voorjaar verzoekt het kabinet de verruiming van de hypotheekrenteaftrek ongedaan te maken, bijvoorbeeld door het maximale aftrekpercentage te verlagen. Wettelijk is het aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek gekoppeld aan het tarief tweede schijf. Aanpassing van dit tarief heeft forse budgettaire gevolgen, omdat het geldt voor een grondslag die veel groter is dan alleen de hypotheekrenteaftrek. Een aanpassing van het maximale aftrektarief werkt namelijk door naar alle aftrekposten, waaronder de MKB-winstvrijstelling en de giftenaftrek. In augustus heeft het kabinet breed de koopkrachtinstrumenten gewogen om te komen tot een evenwichtig koopkrachtbeeld. Het kabinet heeft gekozen voor een technische invulling van het koopkrachtpakket, met daarin een verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van de tarieven in de IB. Het kabinet streeft naar een breed draagvlak en gaat graag het gesprek aan met de Kamer over de definitieve invulling. Vraag 55 Vraag 55 Hoe heeft u opvolging gegeven aan de motie-Stultiens die vraagt om aanvullend beleid om de kabinetsdoelen wél te halen? (Kamerstuk 36 945, nr. 8)? Antwoord op vraag 55 De Miljoenennota 2027 bevat de plannen van het kabinet voor het aankomende jaar. Bijvoorbeeld op woningbouw, infrastructuur en klimaat. Al voor het zomerreces heeft de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur de kabinetsplannen op het gebied van stikstof gepresenteerd in de Kamerbrief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw, natuur en stikstof» (Kamerstuk 36 800-XIV, nr. 87). In de individuele ontwerpbegrotingen gaan vakministers in op de doelen op hun specifieke beleidsterrein en het beleid dat voor het behalen van de doelen wordt ingezet. Vraag 56 Vraag 56 Hoeveel wordt verwacht dat de zorgpremies de komende jaren gaan dalen? In hoeverre wordt de lastenverzwaring in de inkomstenbelasting gecompenseerd door dalende zorgpremies? Antwoord op vraag 56 De netto Zvw-uitgaven groeien de komende jaren van 69,6 miljard in 2027 naar 75,3 miljard in 2030. De netto zorguitgaven worden grotendeels betaald via de zorgpremie en de inkomensafhankelijke bijdragen, die zullen daardoor meestijgen met de ontwikkeling van de uitgaven. Door de maatregelen van het kabinet is deze groei afgeremd. Vraag 57 Vraag 57 Wat zijn de parameters van de huurtoeslag in 2027? Antwoord op vraag 57 De huurtoeslagparameters voor het toeslagjaar 2027 zijn op dit moment nog niet bekend. Deze worden dit najaar vastgesteld en gepubliceerd in de Staatscourant. vraag 58 Vraag 58 Wat zijn de parameters van de zorgtoeslag in 2027? Antwoord op vraag 58 In de onderstaande tabel zijn de parameters van de zorgtoeslag weergegeven voor 2027. Tabel 84 Parameters zorgtoeslag 2027 Parameter Bedrag/percentage Standaardpremie 2.277 euro Drempelinkomen 30.910 euro Normpercentage (alleenstaande) 1,930% Normpercentage (met partner) 4,307% Afbouwpercentage 13,76% Vermogensgrens (alleenstaande) 119.122 euro Vermogensgrens (met partner) 158.748 euro Maximale zorgtoeslag (alleenstaande) 1.680 euro Maximale zorgtoeslag (met partner) 3.223 euro Maximum inkomen (alleenstaande) 42.951 euro Maximum inkomen (met partner) 54.160 euro Vraag 59 Vraag 59 Wat zijn de inkomenseffecten per deciel als de AOW volledig gefiscaliseerd wordt? Antwoord op vraag 59 Deze vraag is niet makkelijk te beantwoorden. In het interdepartementaal beleidsonderzoek oudedagsvoorziening ouderen worden verschillende varianten uitgewerkt van de beleidsoptie fiscaliseren van de AOW. Dit onderzoek wordt voor het eind van het jaar naar uw Kamer gestuurd. Vraag 60 Vraag 60 Kunt u in tabel «3.1.2 Ontwikkeling inkomsten 2025-2031»bij het onderdeel «wv belastingen» onderscheid maken tussen gezinnen en bedrijven, incl. het budgettair belang? Antwoord op vraag 60 Het is niet mogelijk om de belastingmix te onderscheiden tussen huishoudens en bedrijven. Op macro-economsich niveau is het niet eenduidig vast te stellen welk deel van de lasten neerslaat bij burgers en welk deel bij bedrijven. De uitsplitsing zou hierdoor geen accuraat beeld geven. Een degelijke splitsing is wel gemaakt voor de beleidsmatige ontwikkelingen. Omdat daar uitsluitend gekeken wordt naar het ex-ante beleid, kan vooraf specifiek per belastingmaatregel vastgesteld worden of de lasten primair betaald worden door huishoudens of bedrijven. Omdat de genoemde tabel echter de totale macro-economische belastingontvangsten weerspiegelt en niet de individuele maatregelen, is het niet mogelijk een degelijke splitsing met voldoende kwaliteit en betrouwbaarheid te maken. vraag 61 Vraag 61 Waarom is er niet voor gekozen om de hogere Whk te compenseren met een lagere Aof? Antwoord op vraag 61 De meevaller die is ontstaan door de hoger vastgestelde premie Werkhervattingskas is ingezet voor het koopkrachtpakket. Met het koopkrachtpakket wordt de arbeidskorting verhoogd en de tarieven in de eerste en tweede schijf verlaagd. Vraag 62 Vraag 62 Welke kostenstijging ligt ten grondslag aan de hogere Whk-premie van 0,15%-punt? Welk deel zit in de WGA en welk deel in de ZW? Welke ontwikkeling ligt hieraan ten grondslag? Antwoord op vraag 62 In onderstaande tabel staat de uitsplitsing van de Whk-premiestijging naar het deel dat wordt veroorzaakt door de WGA-component en het deel dat wordt veroorzaakt door de ZW-component. De Whk-premie wordt door UWV zelfstandig vastgesteld. UWV ligt de premieontwikkeling toe in de publicatie Gedifferentieerde premies WGA en Ziektewet 2027. In die publicatie legt UWV uit dat het WGA-deel van de premie met 0,05 procentpunt omlaag gaat doordat de premieplichtige loonsom in 2027 toeneemt. Daar staat tegenover dat de premie 0,16 procentpunt stijgt vanwege hogere WGA-uitkeringslasten. Een hoger uitkeringsvolume zorgt voor 0,15 procentpunt van die stijging, terwijl de premie 0,01 omhoog moet omdat de gemiddelde uitkeringshoogte toeneemt. Voor het ZW-deel van de Whk-premie geldt dat het tarief met 0,02 procentpunt omlaag gaat doordat de loonsom volgend jaar toeneemt. Tegelijkertijd stijgt het tarief met 0,06 procentpunt doordat de ZW-uitkeringslasten volgend jaar stijgen. Figuur 14 Vraag 63 Vraag 63 Waarom is de Staatsbalans zo beperkt uitgewerkt in bijlage 6 bij de Miljoenennota in weerwil van de aangenomen motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 945, nr. 22) en in weerwil van de reactie van de Algemene Rekenkamer op de destijds uitgebreidere pilot Staatsbalans in de Miljoenennota 2020, namelijk dat deze niet voldoende inzicht bood? Hoe kan de Kamer op basis van deze Staatsbalans bijvoorbeeld bepalen welke risico’s de Staat loopt op de ontwikkeling van het vermogen de komende jaren, bijvoorbeeld gelet op de staat van veel sluizen en bruggen? Antwoord op vraag 63 De overheids- en de staatsbalans worden momenteel opgesteld door het CBS. Door beperkte beschikbaarheid van data kon bij de Miljoenennota 2027 enkel de financiële staatsbalans gepubliceerd worden. De niet-financiële activa ontbreken hierin, omdat momenteel deze informatie alleen beschikbaar is voor de overheid als geheel, maar niet is uitgesplitst voor de sector rijksoverheid. Het kabinet is met het CBS in gesprek op welke manier deze informatie in de toekomst wel beschikbaar kan komen. De huidige vorm van de overheidsbalans is een momentopname die geen inzicht geeft in de ontwikkeling voor de komende jaren. Informatie over de risico’s voor de Staat worden via andere manieren gecommuniceerd, bijvoorbeeld via de rapportage «Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat» wanneer het infrastructuur betreft. Vraag 64 Vraag 64 Hoeveel van de voor woningbouw bestemde middelen is in 2024, 2025 en naar huidige verwachting in 2026 niet tot besteding gekomen? Welk deel daarvan en hoeveel is doorgeschoven, welk deel is vrijgevallen en welk deel is ingezet ter dekking van andere uitgaven? Antwoord op vraag 64 In 2024 is sprake geweest van 104 miljoen euro onderuitputting op artikel 3 (woningmarkt) van de BZK- begroting, exclusief de huurtoeslag. In 2025 is er sprake geweest van 272 miljoen euro onderuitputting op artikel 1. (volkshuisvesting) van de VRO-begroting, exclusief de huurtoeslag. Er wordt niet specifiek bijgehouden welke middelen zijn doorgeschoven of zijn ingezet als dekking voor andere uitgaven. Vraag 65 Vraag 65 Kan een actueel, geconsolideerd overzicht worden gegeven van alle middelen op de VRO-begroting, de IenW-begroting, de begroting Mobiliteitsfonds en de aanvullende post die in 2027 tot en met 2031 zijn bestemd voor de ontsluiting van woningbouwlocaties? Antwoord op vraag 65 Het kabinet Rutte IV heeft 7,5 miljard euro beschikbaar gesteld voor de ontsluiting van woningbouwlocaties. Het kabinet Schoof heeft daar nog 2,5 miljard euro aan toegevoegd. Deze middelen worden ingezet onder het programma Woningbouw en Mobiliteit. Deze middelen zijn volledig verdeeld over een groot aantal projecten en budgetplaatsen. Voor een deel zijn deze middelen inmiddels ook al uitgekeerd aan de uitvoerders van de projecten.   Over de voortgang inclusief de financiën van het programma Woningbouw en Mobiliteit wordt jaarlijks een uitgebreide voortgangsrapportage opgesteld. Deze rapportage wordt jaarlijks met de brief over de uitkomsten van de bestuurlijke overleggen MIRT naar de Tweede Kamer gestuurd. De eerstkomende versie wordt in de eerste helft van november voorzien. Bij miljoenennota 2027 is er 1,1 miljard euro toegevoegd aan het Mobiliteitsfonds voor beheer en onderhoud van infrastructuur en ontsluiting woningbouw. Deze middelen zijn onderdeel van de herprioriteringsopgave van IenW, hierover wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd. Vraag 66 Vraag 66 Kan per woningbouwregeling worden aangegeven hoeveel woningen met de beschikbare middelen moeten worden gerealiseerd, hoeveel projecten inmiddels een beschikking hebben ontvangen, hoeveel woningen feitelijk in aanbouw zijn en welk deel van de middelen nog op de aanvullende post staat? Antwoord op vraag 66 Vanuit het CA Schoof is nog circa 4,3 miljard euro aan woningbouwmiddelen beschikbaar op de begroting van VRO voor de periode 2026 tot en met 2032. De Realisatiestimulans is hiervan de belangrijkste post. Op basis van het resterende budget van 1,5 miljard euro tot en met 2030 zullen gemeenten voor circa 202.000 woningen een bijdrage van 7.000 per woning ontvangen. Vanuit CA Jetten is een budget van 2,28 miljard euro beschikbaar voor de periode 2031 tot en met 2036. Gemeenten zullen voor circa 310.000 woningen een bijdrage van 7.000 per woning ontvangen. Momenteel wordt voor de andere regelingen nog uitgewerkt hoeveel woningen gebouwd kunnen worden. Gezamenlijk dragen deze regelingen bij aan het doel van 100.000 woningen per jaar tot en met 2035. Tot en met Q2 2026 hebben in totaal circa 1.400 projecten een beschikking ontvangen. Het gaat om projecten met een bijdrage uit de Woningbouwimpuls, Startbouwimpuls, Stimuleringsregeling flex- en transformatiewoningen, Regeling huisvesting aandachtsgroepen, het Volkshuisvestingsfonds en het Gebiedsbudget. In de Kamerbrief voortgang financiële regelingen december 2025 staat dat van in totaal ruim 46.800 woningen de bouw is gestart. Deze cijfers zijn gebaseerd op de SiSa-verantwoording tot en met 2024. Eind 2026 volgt weer een nieuwe kamerbrief over de voortgang van de financiële regelingen waarin de cijfers worden geüpdatet met de SiSa-verantwoording over 2025. Alle resterende woningbouwmiddelen zijn inmiddels vanaf de Aanvullende Post overgeboekt naar de VRO-begroting. Vraag 67 Vraag 67 Welk deel en hoeveel van de beschikbare en nieuw toegevoegde infrastructuurmiddelen is expliciet gekoppeld aan woningbouwlocaties? Hoeveel woningen kunnen volgens de onderliggende projectramingen zonder deze infrastructuur niet of pas later worden gerealiseerd? Antwoord op vraag 67 Momenteel is IenW bezig met de herprioriteringsopgave op de fondsen. De nieuw toegevoegde middelen worden hierin meegenomen. Uw Kamer wordt in het najaar hierover geïnformeerd. Vraag 68 Vraag 68 Kunt u een overzicht geven van de beginstand van de bezuinigingen op AOW (maatregel 60 CA), WIA (maatregel 54 CA), WW (maatregel 57 CA) en het maximumdagloon (maatregel 56 CA) zoals aangekondigd bij het coalitieakkoord en op dit moment? Kunt u daarbij ook de mutaties weergeven? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag ingaat) weergeven. Antwoord op vraag 68 Tabel 85 Bezuinigingen Coalitieakkoord In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in. CA 54: WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) 6 14 13 17 ‒ 56 ‒ 210 ‒ 1.229 2082 CA 56. Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 10 ‒ 673 ‒ 687 ‒ 706 ‒ 824 2082 CA 57. Hervorming WW 5 ‒ 549 ‒ 1.034 ‒ 1.371 ‒ 1.377 2032 CA 60. AOW 1-op-1 koppeling ‒ 2.772 2060 Tabel 86 Mutaties als gevolg van Prinsjesdagbesluitvorming In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in. CA 54: WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) Schrappen CA 56. Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 ‒ 10 673 687 706 824 2082 Uitstel WW-duurvertkorting CA 57. Hervorming WW ‒ 5 5 684 515 Schrappen CA 60. AOW 1-op-1 koppeling 2.772 2060 Tabel 87 Eindstand na Prinsjesdagbesluitvorming In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in. CA 54: WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) 6 14 13 17 ‒ 56 ‒ 210 ‒ 1.229 2082 CA 56. Verlagen maximumdagloon met 20% per 2029 CA 57. Hervorming WW (incl. Duurverkorting 18 maanden en overige maatregelen) 10 5 ‒ 1.011 ‒ 1.868 ‒ 1.796 2032 CA 60. AOW 1-op-1 koppeling Vraag 69 Vraag 69 Kunt u een overzicht geven van alle bezuinigingen op de AOW, WIA, WW, het vervallen van de compensatieregeling transitievergoeding en het afschaffen van de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, die zowel zijn aangekondigd in het coalitieakkoord en de financiële bijlage, maar die ook in het basispad stonden? Kunt u dat weergeven in een tabel waar ook in is vermeld uit welk moment de maatregelen stammen? Kunt u vervolgens in een volgende tabel ook laten zien welke mutaties er tussentijds zijn geweest en wat de eindstand is per onderwerp? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag in gaat) weergeven. Antwoord op vraag 69 Tabel 88 Bezuinigingen AOW, WIA, WW, CRTV, AO-tegemoetkoming In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) Komt uit 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten Regeerakkoord Schoof 1 ‒ 310 ‒ 317 ‒ 320 ‒ 324 ‒ 359 2060 AOW 1-op-1-koppeling aan levensverwachting Coalitieakkoord Jetten ‒ 2.772 2060 IVA afschaffen (incl. taakherschikking) Coalitieakkoord Jetten 6 14 13 17 ‒ 56 ‒ 210 ‒ 1.229 2082 WW-duurverkorting naar 12 maanden* Regeerakkoord Schoof en Coalitieakkoord Jetten 5 5 ‒ 679 ‒ 1.526 ‒ 1.868 ‒ 1.796 2032 Vervallen compensatieregeling transitievergoeding** Regeerakkoord Schoof en Coalitieakkoord Jetten 3 ‒ 482 ‒ 756 ‒ 792 ‒ 831 ‒ 870 ‒ 870 2031 Verlagen maximumdagloon met 20% Coalitieakkoord Jetten 10 ‒ 673 ‒ 687 ‒ 706 ‒ 824 2082 Tabel 89 Mutaties als gevolg van Prinsjesdagbesluitvorming In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) Wat is er gebeurd 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten Uitgesteld met één jaar ‒ 1 310 2 AOW 1-op-1-koppeling aan levensverwachting Vervallen 2.772 2060 IVA afschaffen (incl. taakherschikking) N.v.t. WW-duurverkorting naar 12 maanden* Duurverkorting uitgesteld met één jaar (excl. overige maatregelen) ‒ 5 5 684 515 Vervallen compensatieregeling transitievergoeding** Uitgesteld met één jaar 91 573 200 Verlagen maximumdagloon met 20% Vervallen ‒ 10 673 687 706 824 2082 Tabel 90 Eindstand na Prinsjesdagbesluitvorming In miljoenen euro (+ is saldoverslechterend) Wat is er gebeurd 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc. in Afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten Uitgesteld 1 ‒ 315 ‒ 320 ‒ 324 ‒ 359 2060 AOW 1-op-1-koppeling aan levensverwachting Vervallen IVA afschaffen (incl. taakherschikking) N.v.t. 6 14 13 17 ‒ 56 ‒ 210 ‒ 1.229 2082 WW-duurverkorting naar 12 maanden* Duurverkorting uitgesteld met één jaar (excl. overige maatregelen) 10 5 ‒ 1.011 ‒ 1.868 ‒ 1.796 2033 Vervallen compensatieregeling transitievergoeding** Uitgesteld ‒ 506 ‒ 792 ‒ 831 ‒ 870 ‒ 870 2031 Verlagen maximumdagloon met 20% Vervallen *Incl. duurverkorting naar 18 maanden van Kabinet Schoof en vertraagde opbouw van WW-rechten, aanscherping voorwaarden voor instroom (referte-eis) en verhoging uitkering van 75% naar 80% in de eerste twee maanden.. **Twee maatregelen rond compensatieregeling transitievergoeding zijn samengevoegd: vervallen (CA) en beperken (Schoof). Vraag 70 Vraag 70 Kunt u aangeven wanneer de maatregelen rondom het verkorten van de WW-duur, het aanscherpen van de referte-eis, het vertragen van de opbouw en het verhogen van de hoogte aan het begin van de uitkering ingaan? Per wanneer is uiterlijk per onderdeel een wetswijziging nodig? Antwoord op vraag 70 Momenteel is beoogde ingangsdatum van de WW-duurverkorting 1 januari 2029. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2028 plaats moet vinden. De beoogde ingangsdatum van het aanscherpen van de referte-eis, het vertragen van de opbouw en het verhogen van de hoogte aan het begin van de uitkering is 1 januari 2030. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2029 plaats moet vinden. Vraag 71 Vraag 71 Kunt u in een tabel weergeven wat de beginstand van de bezuiniging op de WW was (maatregel 57 CA) en wat de stand nu is? Kunt u daarbij duidelijk aangeven welke mutatie er tussentijds is geweest? Kunt u daarbij ook separaat het budgettair belang van de losse maatregelen weergeven, namelijk: verkorten van de WW-duur, het aanscherpen van de referte-eis, het vertragen van de opbouw en het verhogen van de hoogte aan het begin van de uitkering? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag ingaat) weergeven. Antwoord op vraag 71 In onderstaande tabel is de reeks opgenomen van de maatregel uit het Kabinet Schoof, het WW-pakket zoals dat was opgenomen in het coalitieakkoord, de prijsbijstelling van het pakket uit het coalitieakkoord, het effect van het uitstel van de duurverkorting met 1 jaar en de reeks zoals deze in de Miljoenennota 2027 is opgenomen. De verschillende maatregelen uit het pakket werken op elkaar in, waardoor interactie-effecten ontstaan. Dit betekent dat het individuele effect van één van de maatregelen niet simpel geïsoleerd kan worden op korte termijn. Tabel 91 Beginstand WW, mutaties en stand Miljoenennota 2027 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc. Struc in. Kabinet Schoof: duurverkorting 18 maanden (prijspeil 2026) 5 ‒ 130 ‒ 492 ‒ 497 ‒ 419 2033 Pakket Coalitieakkoord Jetten (prijspeil 2025) 5 ‒ 526 ‒ 991 ‒ 1.314 ‒ 1.320 2033 Prijsbijstelling 2026 ‒ 23 ‒ 43 ‒ 57 ‒ 57 2033 Effect uitstel duurverkorting 18 en 12 maanden ‒ 5 5 684 515 ‒ ‒ 2033 Stand Miljoenennota 2027 ‒ 10 5 ‒ 1.011 ‒ 1.868 ‒ 1.796 2033 Vraag 72 Vraag 72 Hoe ver bent u met het maken van een wet voor het verkorten van de WW-duur naar 12 maanden? Antwoord op vraag 72 De beoogde ingangsdatum van de WW-duurverkorting is 1-1-2029. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2028 plaats moet vinden. Hiermee is er nog ruim de tijd om deze wetswijziging voor te bereiden. Vraag 73 Vraag 73 Hoe ver bent u met het maken van een wet voor het aanscherpen van de referte-eis? Antwoord op vraag 73 De beoogde ingangsdatum van het aanscherpen van de referte-eis in de WW is 1-1-2030. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2029 plaats moet vinden. Hiermee is er nog ruim de tijd om deze wetswijziging voor te bereiden. Vraag 74 Vraag 74 Hoe ver bent u met het maken van een wet voor het vertragen van de opbouw van WW-rechten? Antwoord op vraag 74 De beoogde ingangsdatum van het vertragen van de opbouw van WW-rechten is 1-1-2030. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2029 plaats moet vinden. Hiermee is er nog ruim de tijd om deze wetswijziging voor te bereiden. Vraag 75 Vraag 75 Hoe ver bent u met het maken van een wet voor het verhogen van de uitkering aan het begin van de WW? Antwoord op vraag 75 De beoogde ingangsdatum van het verhogen van de uitkering aan het begin de WW is 1-1-2030. Dit betekent dat de wetsbehandeling door beide Kamers uiterlijk in 2029 plaats moet vinden. Hiermee is er nog ruim de tijd om deze wetswijziging voor te bereiden. Vraag 76 Vraag 76 Kunt u aangeven wanneer de maatregelen rondom het afschaffen van de IVA en de taakherschikking bij UWV ingaan? Per wanneer is uiterlijk per onderdeel een wetswijziging nodig? Antwoord op vraag 76 Het kabinet wil de werking van de WIA verbeteren en de regeling weer uitvoerbaar maken. Daarom gaat het kabinet graag hierover in gesprek met sociale partners. In het coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de IVA af te schaffen en werk te maken van taakherschikking bij sociaal-medische beoordelingen van het UWV. De beoogde datum voor inwerkingtreding van deze maatregel is 1 januari 2030. De wetswijziging moet uiterlijk 1 januari 2029 door beide Kamers zijn. De IVA afschaffen is een grote wijziging voor de uitvoering waarvoor we rekenen met een jaar benodigde tijd voor implementatie. In de laatste voortgangsbrief mismatch sociaal-medisch beoordelen van 23 juni 2026 is opgenomen dat UWV en SZW aan de slag gaan om verdergaande taakdelegatie en taakherschikking zo snel mogelijk in te voeren. Taken die niet wettelijk zijn voorbehouden aan de verzekeringsarts kunnen naar verwachting worden herschikt zonder wijziging van wet- en regelgeving. Wettelijke taken die nu voorbehouden zijn aan de verzekeringsarts kunnen alleen worden herschikt door middel van wijziging van betreffende wet- en regelgeving. De gewenste richting van het wijzigen van wet- en regelgeving wordt nog nader onderzocht, de Kamer wordt daarover op een later moment nader geïnformeerd. Vraag 77 Vraag 77 Kunt u in een tabel weergeven wat de beginstand van de bezuiniging op de WIA was (maatregel 54 CA) en wat de stand nu is? Kunt u daarbij duidelijk aangeven welke mutatie er tussentijds is geweest? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag ingaat) weergeven. Antwoord op vraag 77 De reeks voor maatregel 54 uit het CA: IVA afschaffen (inclusief taakherschikking en herbeoordelingen) is beleidsinhoudelijk niet gewijzigd. In onderstaande tabel is de reeks opgenomen in het actuele prijspeil. De reeks is structureel in 2082. Tabel 92 Coalitieakkoord maatregel 54: IVA afschaffen (inclusief taakherschikking) 2.026 2.027 2.028 2.029 2.030 2.031 Struc IVA afschaffen 0,2 3 13 17 ‒ 56 ‒ 199 ‒ 1.229 Vraag 78 Vraag 78 Welk budgettair belang is er gemoeid met de taakherschikking UWV (onderdeel van CA maatregel 54)? Wat is de actuele stand daarvan? Antwoord op vraag 78 In het coalitieakkoord is structureel 9 miljoen euro gereserveerd voor taakherschikking door het UWV, dit structurele bedrag is ongewijzigd. Tabel 93 Taakherschikking UWV (onderdeel Coalitieakkoord maatregel 54: IVA afschaffing) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc Taakherschikking 0,2 1 13 12 12 20 9 Vraag 79 Vraag 79 Kunt u het budgettair belang weergeven van de doorwerking van de WW-maatregelen op de WIA? Om welke effecten gaat het? Is het budgettair belang hiervan opgenomen in de reeksen over de WW (zoals gepresenteerd in de financiële bijlage van het coalitieakkoord en in het antwoord op feitelijke vraag 194 behorend bij de Voorjaarsnota 2026 (Kamerstuk  36 915, nr. 3))? Antwoord op vraag 79 Het kabinet heeft een pakket aan WW-maatregelen samengesteld. Maatregelen in de WW werken door in de loongerelateerde uitkeringen van de WIA. In onderstaande tabel staat het budgettaire effect van de WW-maatregelen op de WIA. Het effect van de WW-maatregelen op de WIA wordt in de gepresenteerde budgettaire effecten meegenomen, dit geldt ook voor de beantwoording van vraag 194 bij de Voorjaarsnota 2026. Tabel 94 Budgettaire effect van de WW-maatregelen op de WIA 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc. Kabinet Schoof: duurverkorting 18 maanden (prijspeil 2026) ‒ 17 ‒ 68 ‒ 67 ‒ 55 Pakket Coalitieakkoord Jetten (prijspeil 2026) ‒ 41 ‒ 53 ‒ 68 ‒ 76 Effect uitstel duurverkorting 18 en 12 maanden 58 53 ‒ ‒ Stand Miljoenennota 2027 0 ‒ 68 ‒ 135 ‒ 131 Vraag 80 Vraag 80 Wat is het budgettair belang van het aanscherpen van de referte-eis in de WW en in de WIA? Kunt u dit separaat weergeven? Antwoord op vraag 80 Het kabinet heeft een pakket aan WW-maatregelen samengesteld. Maatregelen in de WW werken door in de loongerelateerde uitkeringen van de WIA. De verschillende maatregelen werken op elkaar in, waardoor interactie-effecten ontstaan. Dit betekent dat het individuele effect van een van de maatregelen niet simpel geïsoleerd kan worden. Binnen de beantwoordingstermijn was het niet mogelijk om deze effecten te ramen. Vraag 81 Vraag 81 Wat is het budgettair belang van het vertragen van de opbouw in de WW en in de WIA? Kunt u dit separaat weergeven? Antwoord op vraag 81 Het kabinet heeft een pakket aan WW-maatregelen samengesteld. Maatregelen in de WW werken door in de loongerelateerde uitkeringen van de WIA. De verschillende maatregelen werken op elkaar in, waardoor interactie-effecten ontstaan. Dit betekent dat het individuele effect van een van de maatregelen niet simpel geïsoleerd kan worden. Binnen de beantwoordingstermijn was het niet mogelijk om deze effecten te ramen. Vraag 82 Wat is het budgettair belang van het verkorten van de duur in de WW en in de WIA? Kunt u dit separaat weergeven? Antwoord op vraag 82 Het kabinet heeft een pakket aan WW-maatregelen samengesteld. Maatregelen in de WW werken door in de loongerelateerde uitkeringen van de WIA. De verschillende maatregelen werken op elkaar in, waardoor interactie-effecten ontstaan. Dit betekent dat het individuele effect van een van de maatregelen niet simpel geïsoleerd kan worden. Binnen de beantwoordingstermijn was het niet mogelijk om deze effecten te ramen. Vraag 83 Heeft het schrappen van de AOW-maatregel (CA maatregel 60) gevolgen voor het budgettair belang van de WIA-maatregel (CA maatregel 54)? Antwoord op vraag 83 Het schrappen van de 1-op-1-koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting per 2033 heeft geen budgettaire gevolgen voor de CA-maatregel afschaffen IVA. Vraag 84 Hoe hoog is de gemiddelde uitkering in de WIA? Kunt u dit zowel bruto als netto weergeven? Wat is daarin het effect van het niet hebben van arbeidskorting? Kunt u dat los weergeven? En vervolgens ook los weergeven hoe veel het kabinet daarbovenop doet met het verhogen van de arbeidskorting? Antwoord op vraag 84 Een gemiddelde WGA-uitkering bedraagt op basis van voorlopige inzichten 24.102 euro in 2026 en een gemiddelde IVA-uitkering bedraagt 31.043 euro in 2026. Ter illustratie is in onderstaande tabel een bruto-netto berekening gemaakt om het netto inkomen af te leiden dat hoort bij deze inkomensniveaus voor uitkeringsgerechtigden (zonder arbeidskorting), en welk bedrag aan arbeidskorting een werkende zou krijgen bij deze inkomensniveaus in 2026. Als technische invulling van de koopkrachtmiddelen voor 2027 bestaat het voornemen om de arbeidskorting in 2027 generiek te verhogen met 173 euro. Tabel 95 Netto inkomen en misgelopen arbeidskorting bij verschillende inkomensniveaus (WGA en IVA), x 1.000 euro WGA IVA Bruto inkomen 24,1 31 Netto inkomen (bij bruto inkomensniveau) 18.6 23.0 Arbeidskorting werkende met vergelijkbaar bruto inkomen 4,8 5,4 Vraag 85 Kunt u bevestigen dat het verlagen van het maximum dagloon definitief niet doorgaat? Kunt u dat separaat bevestigen voor alle regelingen die het betreft, in ieder geval IVA, WGA, WAO, WW, ZW, WAZO, WIEG en WBO? Kunt u dat bevestigen als het gaat om nieuwe gevallen en voor bestaande gevallen? Antwoord op vraag 85 De in het coalitieakkoord opgenomen maatregel om het maximumdagloon met 20% te verlagen, wordt geschrapt. Dit geldt voor alle regelingen die het betrof, dus de IVA-, WGA-, WAO-, WW-, ZW-, WAZO-, WIEG- en WBO-uitkeringen. Dit geldt voor zowel nieuwe als bestaande gevallen. Vraag 86 Kunt u uitsplitsen hoe de oorspronkelijke maatregel om het max dagloon met 20% te verlagen neersloeg bij de verschillende uitkeringen, in ieder geval IVA, WGA, WAO, WW, ZW, WAZO, WIEG en WBO? Antwoord op vraag 86 Onderstaande tabel laat de uitsplitsing zien van de maatregel zoals opgenomen in het coalitieakkoord. Tabel 96 Coalitieakkoord maatregel 56: Maximumdagloon verlagen met 20% In miljoenen euro (+ is saldo verslechterend 2027 2028 2029 2030 2031 WAO ‒ 7 ‒ 6 ‒ 5 IVA ‒ 188 ‒ 196 ‒ 203 WGA ‒ 146 ‒ 148 ‒ 151 WW ‒ 175 ‒ 174 ‒ 178 ZW ‒ 35 ‒ 35 ‒ 36 WAZO ‒ 47 ‒ 50 ‒ 52 WIEG ‒ 15 ‒ 16 ‒ 16 WBO ‒ 31 ‒ 33 ‒ 35 Totaal ‒ 644 ‒ 658 ‒ 676 Vraag 87 Kunt u een overzicht geven van wat er op de compensatieregeling transitievergoeding is aangekondigd met het coalitieakkoord en reeds in het basispad zat? Kunt u vervolgens ook de mutaties weergeven en de eindstand? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag ingaat) weergeven. Antwoord op vraag 87 Hieronder zijn de gevraagde reeksen weergegeven voor de compensatieregeling transitievergoeding (CRTV), inclusief korte toelichtingen per reeks. Aangezien de maatregelen op verschillende momenten zijn genomen en mutaties op verschillende momenten zijn doorgevoerd, staan de reeksen in verschillende prijspeilen en begrotingsstanden. Tabel 97 Maatregelen compensatieregeling transitievergoeding en eindstand In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 struc. Struc in Kabinet schoof: beperken CRTV tot kleine werkgevers per 1/7/2026 ‒ 58 ‒ 353 ‒ 355 ‒ 360 ‒ 360 ‒ 362 ‒ 380 2065 CA: vervallen CRTV per 1/1/2028 ‒ 2 ‒ 141 ‒ 216 ‒ 222 ‒ 229 ‒ 262 2065 Samenvoegen wetsvoorstellen: vervallen CRTV per 1/1/2027 91 94 ‒ 51 ‒ ‒ ‒ ‒ ‒ Uitstel vervallen CRTV met één jaar (1-1-2028) ‒ 479 251 ‒ ‒ ‒ ‒ ‒ Vervallen CRTV per 1-1-2028 ‒ ‒ ‒ 506 ‒ 792 ‒ 831 ‒ 870 ‒ 870 2031 Eindstand 687 720 251 0 0 0 0 Kabinet schoof: beperken CRTV tot kleine werkgevers per 1/7/2026: In het hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof was de maatregel opgenomen om de CRTV te beperken tot kleine werkgevers. Deze maatregel moest per 1/7/2026 ingaan. CA: vervallen CRTV per 1/1/2028: In het coalitieakkoord van kabinet Jetten was de maatregel opgenomen om de CRTV ook voor kleine werkgevers te laten vervallen per 1/1/2028. Samenvoegen wetsvoorstellen: vervallen CRTV per 1/1/2027: Gezien de samenloop van bovengenoemde maatregelen, is besloten om met een Nota van Wijziging te regelen dat de gehele CRTV per 1 januari 2027 zou vervallen. Dit betekende uitstel van het beperken van de CRTV tot kleine werkgevers en het naar voren halen van het geheel vervallen van de CRTV. Uitstel vervallen CRTV met één jaar (1/1/2028): In de Miljoenennota 2027 is de maatregel opgenomen om het vervallen van de gehele CRTV met één jaar uit te stellen naar 2028. Vervallen CRTV per 1-1-2028: Deze reeks betreft de actuele geraamde opbrengst van het vervallen van de CRTV per 1/1/2028. Eindstand: Dit betreft de geraamde kosten van de CRTV zoals deze op dit moment in de begroting zijn opgenomen. Vraag 88 Kunt u een overzicht geven van wat er op de tegemoetkoming arbeidsongeschikten is aangekondigd met het coalitieakkoord en reeds in het basispad zat? Kunt u vervolgens ook de mutaties weergeven en de eindstand? Graag bij al deze vragen zowel de bedragen per jaar tot en met 2031 en structureel (en wanneer het structurele bedrag in gaat) weergeven. Antwoord op vraag 88 In het hoofdlijnenakkoord van het kabinet Schoof is de maatregel afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten opgenomen per 1 januari 2027 met een structurele opbrengst van 308 miljoen euro (prijspeil 2024). Bij de voorjaarsbesluitvorming 2026 is besloten om de maatregel 1 jaar uit te stellen tot 1 januari 2028. Bij de augustusbesluitvorming 2026 is besloten om de maatregel nog 1 jaar uit te stellen tot 1 januari 2029. In onderstaande tabel is de reeks in actueel prijspeil (2026) weergegeven na 1 jaar uitstel en na 2 jaar uitstel. Tabel 98 Geraamde opbrengst afschaffen tegemoetkoming arbeidsongeschikten na 1 en 2 jaar uitstel 2026 2027 2028 2029 2030 2031 Struc Reeks na 1 jaar uitstel 1 ‒ 310 ‒ 317 ‒ 320 ‒ 324 ‒ 359 Reeks na 2 jaar uitstel 1 ‒ 315 ‒ 320 ‒ 324 ‒ 359 Vraag 89 Welke bedragen staan nu in de boeken om toe te groeien naar bijna gratis kinderopvang? Antwoord op vraag 89 De geraamde vehoging voor 2027 betreft 365 miljoen euro. De netto meeruitgaven aan financiering voor kinderopvang worden geraamd op totaal circa 3,7 miljard euro structureel, hiervan resteert nog voor de jaren 2028 en 2029 2,4 miljard structureel. Vraag 90 Wat voor gevolgen heeft het minder stijl afbouwen van kindgebonden budget voor elke inkomensgroep? Hoeveel kindgebonden budget zouden zij normaal gesproken ontvangen en met hoeveel neemt dit toe als gevolg van deze maatregel? Antwoord op vraag 90 De minister van Werk en Participatie heeft uw Kamer op 18 september verzocht het wetsvoorstel tot wijziging van de wet kindgebonden budget (i.v.m. extra knikpunt) aan te houden. Het voornemen is om het wetsvoorstel, en de twee nota’s van wijziging hierop, in te trekken. Voor het einde van 2026 wordt uw Kamer geïnformeerd over de contouren van een nieuw, breed gedragen wetsvoorstel. Vraag 91 Hoeveel personen komen minder in aanmerking voor het kindgebonden budget als gevolg van de verlaging van het tweede knikpunt kindgebonden budget en hoeveel lopen zij als gevolg hiervan mis? Antwoord op vraag 91 Zie antwoord op vraag 90. Vraag 92 Wat voor financiële gevolgen heeft de maatregel van de kinderopvangtoeslag voor elke inkomensgroep? Hoeveel zouden zij normaal gesproken ontvangen en met hoeveel neemt dit af als gevolg van deze maatregel? Antwoord op vraag 92 Het kabinet is voornemens om de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag in 2027 te verhogen. Voor 2027 was er 715 miljoen gereserveerd voor de volgende stap van het ingroeipad. Er is besloten om dit bedrag met 350 miljoen euro te verlagen naar 365 miljoen euro. De precieze gevolgen van deze maatregelen voor een individueel huishouden zijn sterk afhankelijk van de exacte situatie. Hieronder staan de gevolgen voor de hoogte van de eigen bijdrage voor kinderopvang voor vijf voorbeeldhuishoudens beschreven. Alle rekenvoorbeelden gaan uit van twee jonge kinderen die twee dagen per week naar de dagopvang gaan tegen het mediane tarief. Het enige waarop de rekenvoorbeelden verschillen is de hoogte van het toetsingsinkomen. Een huishouden met een laag toetsingsinkomen (gedefinieerd als: had in 2024 al recht op een vergoedingspercentage van 96%) wordt niet geraakt deze maatregel. Dit huishouden heeft in 2026 recht op 96% en zal ook in 2027 recht hebben op 96%. Hetzelfde geldt voor huishoudens met een modaal toetsingsinkomen. Een huishouden met dubbelmodaal toetsingsinkomen betaalt in 2027 27.256 euro aan kinderopvang. Daar staat 23.250 euro aan kinderopvangtoeslag tegenover. De eigen bijdrage is 4.007 euro. Zonder deze maatregel was de eigen bijdrage 2.799 euro. Het verschil bedraagt 1.208 euro. Een huishouden met een hoog toetsingsinkomen (gedefinieerd als: de laagste inkomenscategorie met recht op een vergoedingspercentage van 33,3% in 2024) betaalt in 2027 ook 27.256 euro aan kinderopvang. Daar staat 17.981 euro aan kinderopvangtoeslag tegenover. De eigen bijdrage is 9.275 euro. Zonder deze maatregel was de eigen bijdrage 8.067 euro. Het verschil bedraagt 1.208 euro. Een huishouden met een toetsingsinkomen in de hoogste inkomenscategorie (een toetsingsinkomen hoger dan 243.876 euro in 2027) betaalt in 2027 eveneens 27.256 euro aan kinderopvang. Daar staat 14.478 euro aan kinderopvangtoeslag tegenover. De eigen bijdrage is 12.778 euro. Zonder deze maatregel was de eigen bijdrage 12.035 euro. Het verschil bedraagt 743 euro. Vraag 93 Waar waren de LPO-middelen die worden ingezet op pagina 244 voor bedoeld? Antwoord op vraag 93 Deze middelen waren bedoeld voor het compenseren van loon- en prijsontwikkeling. Vraag 94 Wat zijn de cumulatieve intensiveringen op sociale verzekeringen deze kabinetsperiode als gevolg van de Prinsjesdagbesluitvorming? Wat zijn de cumulatieve ombuigingen binnen de kabinetsperiode op sociale verzekeringen als gevolg van het coalitieakkoord? Wat is het verschil tussen deze intensiveringen enerzijds en ombuigingen anderzijds? In andere woorden: welk bedrag aan bezuinigingen blijft onderaan de streep binnen deze kabinetsperiode staan? Kunt u dit verschil uitdrukken in miljoenen en als percentage van de cumulatieve uitgaven aan sociale verzekeringen in de kabinetsperiode? Antwoord op vraag 94 Intensiveringen en ombuigingen op sociale verzekeringen betreffen enkel de mutaties op Hoofdstuk 40. Sociale Verzekeringen. Dit apart uitsplitsen geeft dus een incompleet beeld van de gehele SZW-begroting, alsmede de ombuigingen als gevolg van het coalitieakkoord en de intensiveringen als gevolg Prinsjesdagbesluitvorming. Voor een totaal overzicht van alle ombuigingen uit het coalitieakkoord, de mutaties als gevolg van Prinsjesdagbesluitvorming en de eindstand; zie antwoord op vraag 69. Vraag 95 Klopt het dat binnen de kabinetsperiode cumulatief meer geld wordt uitgegeven aan sociale verzekeringen dan was begroot bij de vorige Nota over de toestand van 's rijks financiën? Antwoord op vraag 95 Dat klopt. Dit komt door de maatregelen die zijn genomen om een aantal ombuigingsmaatregelen op het gebied van sociale verzekeringen uit te stellen of te verzachten. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 69. Vraag 96 Hoe kan het dat het UWV minder middelen voor de uitvoering nodig had? Welke ontwikkeling ligt hieraan ten grondslag? Hoe verhoudt dit zich tot de capaciteitstekorten en problemen bij het UWV? Hoe verhoudt dit zich tot eerdere tegenvallers op UWV-regelingen? Hoe verhoudt dit zich tot taakstellingen op het apparaat en het UWV? Antwoord op vraag 96 In de voorjaarsnota 2026 is het uitvoeringsbudget opwaarts bijgesteld als gevolg van de verwerking van de uitvoeringsinformatie en macro-economische ramingen van het CPB. UWV kan deze middelen in 2026 niet meer besteden, omdat er bij verschillende organisatieonderdelen incidentele meevallers zijn, onder andere door het achterblijven van de capaciteit. Ook heeft UWV in 2026 al efficiency-maatregelen genomen om de oplopende taakstellingen mee in te vullen. Deze maatregelen leveren in 2026 meer op dan nodig om de taakstelling in te vullen. Tot slot zijn er incidentele meevallers doordat uitvoeringstoetsen lager zijn uitgevallen dan verwacht. Vraag 97 Waarom worden niet alle middelen die het UWV niet nodig heeft gehad voor de uitvoering doorgeschoven naar latere jaren? Wordt er per saldo bespaard op het UWV? Antwoord op vraag 97 UWV beschikt over een egalisatiereserve waarmee budget dat in 2026 overblijft kan worden meegenomen naar latere jaren, tot een maximum van 5% van de gemiddelde uitvoeringsbudgetten van de afgelopen 3 jaar. De onderuitputting in 2026 was groter dan de ruimte in de egalisatiereserve en is om die reden deels afgeroomd. Vraag 98 Wat is het effect van het inhouden van de prijsindexatie tranches 2027 en 2028 voor de overheids- en onderwijssector? Antwoord op vraag 98 Het effect van het inhouden van tranches 2027 en 2028 van de prijsbijstelling op coalitieakkoordmiddelen is nog niet vast te stellen, zie ook het antwoord op vraag 2 van de vragen over de Miljoenennota. De verdeling van de loon- en prijsbijstelling over de begrotingen is onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming. Het is aan de betreffende departementen om de doorverdeling van de loon- en prijsbijstelling op hun begrotingen verder uit te werken. Vraag 99 Wat betekent het inhouden van de prijsbijstelling voor het voortgezet onderwijs, mbo, hbo en universiteiten? Wordt de volledige prijsindexatie ingehouden of slechts een deel? Antwoord op vraag 99 In de Miljoenennota 2027 is het besluit opgenomen om rijksbreed de loon- en prijsbijstelling tranche 2027 en tranche 2028 over de intensiveringen uit het Coalitieakkoord (CA) in te houden. Door de inhouding van de prijsbijstellingstranches 2027 en 2028 krijgt OCW komend voorjaar minder middelen voor de indexatie van de CA-intensiveringen dan anders het geval zou zijn geweest. Mogelijk moeten de onderwijssectoren hierdoor prijsstijgingen deels inpassen in het huidige budget. De verdeling van de resterende prijsbijstelling is onderdeel van de voorjaarsbesluitvorming. Het is nu dan ook niet te zeggen wat het effect van het inhouden van de prijsbijstelling is voor het voortgezet onderwijs, mbo, hbo en universiteiten. OCW zal in ieder geval rekening houden met wettelijke verplichtingen. Vraag 100 Met welk percentage prijsindexatie wordt voor 2027 en 2028 gerekend? Hoeveel verschilt dit van het totale percentage prijsindexatie? Antwoord op vraag 100 Bij de berekening van de loon- en prijsontwikkeling (LPO) worden verschillende prijspercentages gebruikt, op basis van de macro-economische raming van het CPB. Voorbeelden hiervan zijn de prijsontwikkeling van materiële consumptieve overheidsuitgaven en prijsontwikkeling van overheidsinvesteringen. In de Miljoenennota is besloten om de loon- en prijsbijstellingstranches 2027 en 2028 over Coalitieakkoord (CA) middelen in te houden. Daartoe worden de prijscodes in 2027 en 2028 als 0% verondersteld. Vraag 101 Heeft het inhouden van de loonbijstelling effect op de lonen van medewerkers in de overheidssectoren en het onderwijs? Antwoord op vraag 101 In de Miljoenennota is afgesproken om de loon- en prijsbijstellingstranches 2027 en 2028 over Coalitieakkoord (CA) middelen in te houden. Door de inhouding van de loonbijstellingstranches 2027 en 2028 krijgen departementen komend voorjaar minder middelen voor de loonindexatie van de CA-intensiveringen dan anders het geval zou zijn geweest. Ten opzichte van de totaal uit te keren loonbijstelling is deze besparing daardoor relatief beperkt. Het is aan de verschillende sectoren om te bepalen of zij deze maatregel laten doorwerken in een lagere loonruimte, of bijvoorbeeld in minder personeel. Hierdoor is het effect op de lonen op dit moment nog niet vast te stellen. Deze keuze wordt de komende tijd verder uitgewerkt. Vraag 102 Wat betekent het materieel dat dat er in 2027 e.v. een korting op de lonen bij de overheid en het onderwijs komt? Antwoord op vraag 102 Zie het antwoord op vraag 101. Vraag 103 Kan een overzicht worden gegeven van alle door deze loonbijstelling geraakte sectoren? Antwoord op vraag 103 Zie het antwoord op vraag 2 van de vragen over de Miljoenennota. Vraag 104 Wat is de reden dat het inhouden van de loonbijstelling voor tranche 2027/2028 ook effect heeft op de jaren daarna? Antwoord op vraag 104 Loonbijstelling wordt uitgekeerd in structurele meerjarige tranches. Daarmee wordt ieder voorjaar de gehele begroting geïndexeerd naar het prijspeil van het lopende jaar. Vraag 105 Met welk percentage worden de lonen, door het inhouden van de loonbijstelling, gekort in de overheidssectoren en het onderwijs? Antwoord op vraag 105 Zie het antwoord op vraag 101. Vraag 106 Leidt deze bezuiniging tot een lagere kabinetsbijdrage in de arbeidsvoorwaarden voor de politie, defensie, onderwijs en zorg? Zo ja, hoeveel bedraagt die lagere kabinetsbijdrage per sector? Antwoord op vraag 106 Zie het antwoord op vraag 101. Vraag 107 Komt deze korting op de loonbijstelling bovenop de al eerder ingeboekte ‘Inhouden restant ILO tranche 2029’ uit de Miljoenennota van 2025? Antwoord op vraag 107 Ja. Vraag 108 Wat waren de cumulatieve structurele ombuigingen uit het coalitieakkoord op de sociale zekerheid? Welke bedrag aan structurele bezuinigingen is bij de augustusbesluitvorming geschrapt? Kunt u dit ook als aandeel van de oorspronkelijke ombuigingen uitdrukken? Antwoord op vraag 108 Dit is in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 99 Cumulatieve ombuigingen uit het Coalitieakkoord Jetten (structureel) In miljoenen euro's (+ = saldoverslechtering) struc. Maatregelen coalitieakkoord WIA: IVA afschaffen (incl. taakherschikking UWV) ‒ 1.229 Vervallen compensatieregeling transitievergoeding* ‒ 870 Verlagen maximumdagloon met 20% ‒ 824 Duurverkorting WW naar 12 maanden** ‒ 1.172 Overige WW-maatregelen*** ‒ 623 Korting re-integratiemiddelen ‒ 100 1-op-1 koppeling AOW-leeftijd aan levensverwachting ‒ 2.772 Subtotaal coalitieakkoord (A) ‒ 7.590 Schrappen ombuigingen bij augustusbesluitvorming Schrappen verlaging maximumdagloon met 20% 824 Schrappen 1-op-1 koppeling AOW-leeftijd aan levensverwachting 2.772 Subtotaal geschrapte ombuigen bij augustusbesluitvorming (B) 3.596 Aandeel geschrapte ombuigingen van oorspronkelijke ombuigingen uit CA (B/A) 47% *Twee maatregelen rond compensatieregeling transitievergoeding zijn samengevoegd: vervallen (CA) en beperken (Schoof). **Incl. duurverkorting naar 18 maanden van Kabinet Schoof. ***Betreft vertraagde opbouw van WW-rechten, aanscherping voorwaarden voor instroom (referte-eis) en verhoging uitkering van 75% naar 80% in de eerste twee maanden. Vraag 109 Met welk bedrag lopen de jaarlijkse uitgaven aan de WW, AOW en WIA tussen nu en 2040 in totaal op in constante prijzen? Met welk bedrag lopen de uitgaven aan de WW, AOW en WIA tussen nu en 2040 in totaal op indien geen structurele bezuinigingen of ombuigingen worden ingeboekt? Kunt u dit grafisch weergeven? Klopt het dat de nog ingeboekte structurele ombuigingen een minderheid van de oplopende kosten dekken? Antwoord op vraag 109 Omdat de begrotingshorizon tot en met 2031 loopt, is er geen raming beschikbaar na dit jaar. De ontwikkeling van de AOW-, WIA- en WW-uitgaven is als volgt: Tabel 100 Ontwikkeling WW-, WIA- en AOW-uitgaven (constante prijzen) (x € mln.) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 WW 4.466 4.589 5.036 5.393 4.372 3.544 WIA 13.452 14.264 15.069 15.548 15.932 16.217 AOW 58.413 59.748 60.230 61.513 62.911 64.339 Indien er geen structurele bezuinigingen of ombuigingen op de WW (WW-duurverkorting naar 12 maanden, vertraagde opbouw, aanscherpen referte-eis en verhoging van uitkering van 75% naar 80% in eerste twee maanden) en de WIA (IVA afschaffen) worden ingeboekt, zijn de uitgaven onderstaande tabel weergegeven. Dit is exclusief interactie-effecten met andere sociale uitkeringen. Voor de AOW zijn er geen ombuigingen ingeboekt. Tabel 101 Ontwikkeling WW-, WIA- en AOW-uitgaven exclusief ombuigingen (constante prijzen) (x € mln.) 2026 2027 2028 2029 2030 2031 WW 4.466 4.589 5.036 5.393 5.459 5.530 WIA 13.452 14.264 15.069 15.589 16.060 16.500 AOW 58.413 59.748 60.230 61.513 62.911 64.339 Het klopt dat de ingeboekte structurele ombuigingen een minderheid van de oplopende kosten dekken. Vraag 110 Welke opties van het IBO WIA staan in de planning? Antwoord op vraag 110 Het kabinet wil de werking van de WIA verbeteren en de regeling weer uitvoerbaar maken. Daarom gaat het kabinet graag hierover in gesprek met sociale partners. In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet een aantal maatregelen wil nemen om de WIA beter uitvoerbaar te maken. Het kabinet heeft het voornemen om per 1 januari 2030 de IVA af te schaffen, te investeren in taakherschikking en voorwaarden stellen aan herbeoordelingen. Deze maatregelen leveren een structurele besparing op van 1.229 miljoen euro. Daarnaast zet het kabinet in op meer handhaving op preventie door de Arbeidsinspectie en betere samenwerking tussen verzekerings- en bedrijfsarts. Vraag 111 Klopt het dat het UWV werkt met één budget voor re-integratie voor alle regelingen? Antwoord op vraag 111 Nee. UWV beschikt over één re-integratiebudget voor de inzet van trajecten en van voorzieningen voor de re-integratieondersteuning van gedeeltelijk arbeidsgeschikten (bestaande uit WIA/WAO/WAZ/Wajong/ZW/WW 35-min gerechtigden). Daarnaast beschikt UWV over een apart budget voor de inkoop van trajecten voor WW’ers met een kwetsbare arbeidsmarktpositie. Deze budgetten worden door UWV verantwoord via de reguliere rapportages. Vraag 112 Klopt het dat de bezuiniging op re-integratiemiddelen WW ook neer kunnen slaan bij de re-integratie voor de WIA of ZW? Antwoord op vraag 112 Ja. In het coalitieakkoord is vanaf 2028 een ombuiging van 100 miljoen euro opgenomen. Het kabinet werkt de komende maanden aan de invulling van deze bezuiniging. Deze kan (volledig of gedeeltelijk) op het re-integratiebudget voor deels arbeidsgeschikten (WIA/WAO/WAZ/ZW/WW 35 min) neerslaan. Vraag 113 Kunt u een inschatting geven waar de bezuiniging op de re-integratiemiddelen van 100 miljoen euro concreet neerslaat binnen het UWV? Antwoord op vraag 113 In het coalitieakkoord is vanaf 2028 een ombuiging van 100 miljoen euro opgenomen. Het kabinet werkt de komende maanden aan de invulling van deze bezuiniging. Vraag 114 Hoe lang is de gemiddelde verblijfsduur in de WW? Hoe snel zijn mensen gemiddeld weer aan het werk of is er om andere reden uitstroom? Antwoord op vraag 114 De gemiddelde uitkeringsduur bedroeg 26 weken in 2025. Onderstaande tabel geeft het totaal beëindigde WW-uitkeringen van 2025 uitgesplitst naar reden van beëindiging. Tabel 102 Redenen uitstroom WW Totaal beëindigde WW-uitkeringen 2025 273.603 w.v. Redenen gerelateerd aan werk1 123.455 w.v. Maximum duur uitkering 105.300 w.v. AOW-leeftijd bereikt 4.314 w.v. Ziektewet-uitkering 18.783 w.v. Nul-uitkering a.g.v. maatregel 1.408 w.v. Detentie 116 w.v. Afwijzingen2 14.012 w.v. Overlijden 270 w.v. Overige niet genoemde redenen 5.945 Voor een nadere specificatie hiervan, zie pagina 38 van de kwantitatieve informatie UWV 2025, bijlage bij het jaarverslag UWV 2025. Het gaat hier om uitkeringen die in eerste instantie toegekend maar bij herziening alsnog afgewezen zijn. Vraag 115 Kan per departementale begroting en per fonds worden aangegeven welk deel en hoeveel van de aanvullende onderuitputting in 2027 en 2028 moet worden gerealiseerd, op welke begrotingsartikelen deze naar verwachting neerslaat en welk deel betrekking heeft op (woning)investeringsmiddelen? Antwoord op vraag 115 De aanvullende onderuitputting kent geen concrete invulling, omdat vooraf niet aan te wijzen is waar op de begroting de onderbesteding plaats zal vinden. Gaandeweg het jaar wordt deze ingevuld. De invulling kan bestaan uit onderuitputting of andere meevallers van alle begrotingen. Indien de aanvullende onderuitputting in 2027 en 2028 niet (volledig) wordt gerealiseerd, wordt dit van de prijsbijstelling tranches ingehouden. Vraag 116 Valt het uit te sluiten dat de aanvullende onderuitputting gevolgen heeft voor middelen voor woningbouw, woningbouwimpulsen, grootschalige woningbouwgebieden, ontsluitende infrastructuur, woningverduurzaming, betaalbaarheid en huisvesting van aandachtsgroepen? Zo nee, welke bedragen kunnen per regeling worden geraakt? Antwoord op vraag 116 Indien de ingeboekte aanvullende onderuitputting in 2027 en 2028 niet (volledig) wordt gerealiseerd, wordt dit van de nieuwe prijsbijstelling tranches ingehouden. De hoogte en verdeling van de prijsbijstelling wordt bekend in het desbetreffende voorjaar. Het is nu nog niet uit te sluiten of bepaalde sectoren geraakt kunnen worden, en zo ja, voor welk bedrag. Vraag 117 Op grond waarvan veronderstelt u dat de aanvullende onderuitputting kan worden gerealiseerd zonder aanpassing van beleidsdoelstellingen? Wanneer wordt onderuitputting feitelijk een beleidsmatige bezuiniging? Antwoord op vraag 117 Het kabinet houdt, net als afgelopen jaren, rekening met onderuitputting (o.a. door beperkingen in de uitvoeringscapaciteit, personeelstekorten en lange leveringstermijnen). Het bedrag is gebaseerd op de onderuitputting van de afgelopen jaren. Gedurende het jaar zal duidelijk worden waar deze onderuitputting precies plaatsvindt. Ook het CPB verwacht in 2027 hoge onderuitputting (5,6 miljard euro meer dan het Kabinet). Departementen ontvangen een deel van de middelen die niet besteed zijn in het volgende jaar (1% eindejaarsmarge). Begrotingsfondsen zoals het Defensiematerieelbegrotingsfonds, het Deltafonds en het Mobiliteitsfonds kennen een 100%-eindejaarsmarge. Vraag 118 Welke inhoudelijk invulling wordt voorzien voor beheersmaatregelen SZW? Antwoord op vraag 118 Het kabinet beraadt zich op manieren om de sociale zekerheid te hervormen. Besluitvorming over de inhoudelijke invulling van deze reeks is voorzien bij een later begrotingsmoment, hiervoor is gekozen in afwachting van de gesprekken over een sociaal akkoord. Dit is in lijn met het besluit om een aantal andere ombuigingen op de SZW-begroting naar achteren te schuiven en later definitief in te vullen. Vraag 119 Kunt u uitsluiten dat de beheersmaatregelen SZW leiden tot bezuinigingen op de WIA? Antwoord op vraag 119 Zie het antwoord op vraag 118. Vraag 120 Kunt u uitsluiten dat de beheersmaatregelen SZW leiden tot bezuinigingen op de sociale zekerheid? Antwoord op vraag 120 Zie het antwoord op vraag 118. Vraag 121 Kunt u per post op de aanvullende post met betrekking tot Sociale Zaken en Werkgelegenheid een toelichting geven waar de middelen voor zijn voorzien? Kunt u hierbij vermelden welke middelen nog vrij besteedbaar zijn (niet juridisch verplicht of beleidsmatig gereserveerd)? Antwoord op vraag 121 In principe zijn alle middelen op de aanvullende post met betrekking tot Sociale Zaken en Werkgelegenheid beleidsmatig gereserveerd. De mutaties op de aanvullende post zijn weergegeven in de verticale toelichting van de Aanvullende Post. Coalitieakkoord Rutte IV Envelop arbeidsmarkt, armoede en schulden Deze envelop uit het Coalitieakkoord Rutte IV is bedoeld voor het hervormen van de arbeidsmarkt, re-integratie en het aanpakken van armoede en schulden. Loondoorbetaling bij ziekte Bij deze post uit het Coalitieakkoord Rutte IV is de inzet primair gericht op herstel en terugkeer van de werknemer. Kinderopvang werkenden (uitvoeringskosten) In het Coalitieakkoord Rutte IV is afgesproken om toe te werken naar een nieuw financieringsstelsel van kinderopvang. De middelen op deze post zijn gereserveerd voor de implementatie hiervan. Overige reserveringen kabinet Schoof I Groepen in de knel Vanuit de enveloppe groepen in de knel zijn middelen op de Aanvullende Post gereserveerd voor verschillende beleidsopties bij onderwerpen zoals OCTAS, Participatiewet, Toeslagenwet, Caribisch Nederland en werkende armen. Caribisch Nederland Tijdens de koopkrachtbesluitvorming is vanaf 2025 9 miljoen euro gereserveerd ter verbetering van de koopkracht voor Caribisch Nederland. Kinderopvang reservering uitvoeringskosten Er zijn uitvoeringskosten gereserveerd voor de stelselherziening van de kinderopvang in 2027. Coalitieakkoord Jetten Versterking van gezinnen Het kindgebonden budget en de kinderbijslag worden samengevoegd in één regeling en uitgevoerd door SVB. Om meer zekerheid voor ouders te creëren verhogen we het vaste bedrag euro en wordt het variabele bedrag verlaagd, zodat alle gezinnen erop vooruitgaan. De kindbedragen worden maandelijks uitgekeerd. Leven lang ontwikkelen Voor Leven lang ontwikkelen komt structureel geld beschikbaar. Hiertoe worden in overleg met sociale partners gerichte maatregelen uitgewerkt. Aanpak armoede en problematische schulden Er wordt toegewerkt naar harmonisering van inkomensondersteunende (lokale) overheidsregelingen, zodat deze begrijpelijker worden en minder verschillen tussen gemeenten. Hiervoor is een envelop beschikbaar gesteld voor versterking van de bestrijding van armoede en het verder brengen van een effectieve aanpak en preventie van problematische schulden. Commissie sociaal minimum BES Er is een envelop beschikbaar gesteld voor armoedeproblematiek in Caribisch Nederland en de verdere implementatie van de aanbevelingen van de Commissie Sociaal Minimum Caribisch Nederland. Overige reserveringen kabinet Jetten Reservering oploop uitvoeringstegenvaller WIA Een deel van de bijstelling van het budget voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is vanaf 2029 gereserveerd op de Aanvullende Post (152 miljoen euro in 2029, oplopend naar 506 miljoen euro in 2031). Het kabinet beraadt zich op manieren om de instroom in de WIA te beheersen, mede in overleg met sociale partners. Beheersmaatregelen SZW Voor de jaren vanaf 2029 zal nader worden gewogen hoe invulling wordt gegeven aan de beheersing van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vraag 122 Wat is de reservering oploop uitvoeringstegenvaller WIA en hoe verhoudt deze zich tot de beheersmaatregelen SZW? Hoe zijn beide bedragen geprikt? Antwoord op vraag 122 Een deel van de bijstelling van het budget voor de WIA wordt vanaf 2029 gereserveerd op de Aanvullende Post (152 miljoen euro in 2029, oplopend naar 506 miljoen euro in 2031). De bedragen betreffen de toename van de WIA-tegenvaller uit de Voorjaarsnota vanaf 2029 ten opzichte van de bijstelling in 2028. De reeks voor de beheersmaatregelen geeft de helft van deze toename weer. Besluitvorming over de inhoudelijke invulling van deze reeks is voorzien bij een later begrotingsmoment. Dit is in lijn met het besluit om een aantal andere ombuigingen op de SZW-begroting naar achteren te schuiven en later definitief in te vullen. Vraag 123 Kunt u de mutaties op de aanvullende post weergeven voor SZW? Antwoord op vraag 123 De mutaties op de aanvullende post zijn weergegeven in de verticale toelichting van de Aanvullende Post. Vraag 124 Waar zijn de Leven lang ontwikkelen-middelen op de aanvullende post voor bedoeld? Zijn deze middelen al geschrapt bij de WW? Klopt het dat het feit dat deze middelen op de aanvullende post staan betekent dat deze op dit moment nog niet ter besteding komen? Antwoord op vraag 124 Op de Aanvullende Post zijn vanuit het coalitieakkoord middelen gereserveerd voor Leven lang ontwikkelen (LLO). De betreffende middelen voor LLO staan vanaf 2028 op de aanvullende post, in 2027 waren er geen middelen gereserveerd voor LLO. De middelen kunnen vanaf 2028 worden besteed zodra het kabinet heeft besloten tot inhoudelijke invulling en de budgettaire nota, waarin de middelen worden overgeheveld naar de juiste begrotingsposten, is goedgekeurd door beide Kamers. In het coalitieakkoord is naast de intensivering in LLO een ombuiging afgesproken op de re-integratiemiddelen. Deze ombuiging is voorlopig geboekt op de re-integratiemiddelen op artikel 3 van de SZW-begroting. Het kabinet werkt de komende maanden aan de invulling van deze bezuiniging.

Versie 9770c084-308d-474e-be74-9c8feb855154 · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 57f63f8798f85bbd

13 okt 2026 · 94c5cd3be0722b5a

Context en discussie

Jouw reactie

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.