KamerkringInloggen
Kamerbrief

De hervorming van de landelijke publieke omroep

4 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 46d7e04fa0f5a884 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 827Toekomst mediabeleidNr. 333 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 april 20251. Een publieke omroep die voor de Nederlandse samenlevingonmisbaar blijft Niet alles is voor iedereen, maar voor iedereen is er van alles. De publiekeomroep zoals wij die in Nederland kennen, vindt zijn kracht in deveelzijdigheid van zijn aanbod. Aanbod dat verschillende achtergronden,overtuigingen en opvattingen over het voetlicht brengt. Aanbod waarinmensen zich soms wel en soms niet herkennen. Aanbod dat verbindt,maar ook af en toe schuurt, een ander gezichtspunt laat zien of een nieuwgeluid laat horen. Die breedte in aanbod maakt dat we onze publiekeomroep met recht «publiek» kunnen noemen; hij is er voor iedereen. Juistdoordat de veelzijdigheid van onze samenleving in het aanbodweerspiegeld wordt. Dat is een verdienste van de creatieve sector, de velemakers en producenten en uiteraard de omroepen in het huidige bestel.De publieke omroep vervult ook op andere manieren een onmisbare rol inonze democratie. Door garant te staan voor een betrouwbare, onafhanke-lijke nieuwsvoorziening, een sterke journalistieke functie en het biedenvan een podium aan verschillende opinies, kunnen burgers zich infor-meren, zich een mening vormen en actief deelnemen aan onzedemocratie. Daarmee is de publieke omroep een onmisbare pijler onderelke democratische rechtsstaat. We moeten voorkomen dat hetmaatschappelijk debat enkel een verkondiging van standpunten wordt;ruimte voor verwondering en oprechte interesse in andermans standpuntzijn nodig en juist daarin speelt de publieke omroep een belangrijke rol.Een stevige en goed vindbare publieke ruimte is, zeker ook digitaal, nodigom het maatschappelijk debat te voeren, om onpartijdige en onafhanke-lijke informatie te verstrekken op basis waarvan mensen zelf een meningkunnen vormen en om verhalen te vertellen die anders niet gezien ofgehoord worden. kst-32827-333ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3331 Om ervoor te zorgen dat de publieke omroep deze functies ook in detoekomst volop kan vervullen, zijn hervormingen nodig. Uitdagingen inhet internationale medialandschap en knelpunten in het huidige bestelmaken dat deze functies onder druk komen te staan. Daarom wil ikbehouden wat onze publieke omroep zo krachtig maakt, en tegelijkertijdveranderen wat noodzakelijk is. Daarbij wil ik staan voor de verbindendeen democratische functie van de publieke omroep. Ik wil ervoor zorgendat de publieke omroep beter kan aansluiten bij de verschillendeperspectieven en behoeften van de samenleving. En ik wil meer gezamen-lijkheid in het bestel brengen, versnippering tegengaan en de governanceverstevigen. Hiervoor zal ik in deze brief verschillende voorstellen doen,die ik in het kader hieronder op hoofdlijnen samenvat.Om zijn verbindende en democratische functie te blijven vervullen,behoudt de publieke omroep een brede taakopdracht; deze wijzigtdan ook niet. De publieke omroep is daarmee niet «aanvullend» opcommerciële media, maar heeft een eigenstandige taak als publiekevoorziening voor de hele samenleving. De publieke omroep moetdaarom de hele samenleving kunnen aanspreken met een breedaanbod, ook in de digitale omgeving. Ik hervorm de publieke omroepdoor het aantal bestuurlijke spelers terug te brengen van 14 naar 6 of7. Er komen omroephuizen die een vaste plek in het bestel hebben.Daarmee stap ik af van de huidige systematiek van erkenning,toetreding en uittreding van omroepen. In plaats daarvan komt ereen stevige en transparante beoordelings- en verantwoordings-cyclus. Omroephuizen krijgen de opdracht mee te bewegen metveranderende geluiden in de samenleving; zo wordt de publiekeomroep opener en responsiever. Het hebben van een vereniging eneen bepaald aantal leden is niet langer verplicht: er komen meerderemanieren waarop een omroephuis maatschappelijke worteling kanvormgeven en aantonen. Ik hervorm ook de huidige NPO-organi-satie: coördinatie blijft noodzakelijk, maar wordt in een nieuw bestellichter en generieker waardoor de positie van de omroephuizensterker wordt. Tot slot hebben alle spelers in het bestel hungovernance op orde, wat ook bijdraagt aan de sociale veiligheid. Hetextern toezicht sluit aan bij dit nieuwe bestel. Door de wettelijkekaders op deze manier in te richten, verwacht ik dat de publiekeomroep beter ingericht is voor de toekomst en zo in staat is de kijkeren luisteraar blijvend te binden en boeien met mooi, relevant endivers aanbod. Met andere woorden: een publieke omroep die voorde Nederlandse samenleving onmisbaar blijft. Bij een verlenging vande huidige erkenningperiode met twee jaar kan bovenstaandehervorming ingaan vanaf 2029.2. Reikwijdte en opbouw brief 2.1 Reikwijdte brief Deze brief gaat hoofdzakelijk over de maatregelen die ik voorstel om delandelijke publieke omroep te hervormen. Ik hecht er echter aan tebenadrukken dat niet alleen de landelijke publieke omroep voor groteuitdagingen staat in het huidige medialandschap. Dat geldt ook voorlokale en regionale publieke omroepen en Nederlandse commerciëlemediapartijen. Zij spelen allen eveneens een waardevolle rol in hetNederlandse media- en informatielandschap. Ook zij moeten zich temidden van kapitaalkrachtige, internationale media-aanbieders en BigTech staande zien te houden in een gedigitaliseerd landschap. Het recentgepubliceerde WRR-rapport Aandacht voor Media gaat nader in op dezeuitdagingen en bevat waardevolle aanbevelingen om het NederlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3332 media-ecosysteem in brede zin te versterken.1 Ook heeft uw Kamer tijdenshet Wetgevingsoverleg Media op 2 december 2024 verschillende motiesaangenomen die raken aan het versterken van het Nederlandse media-landschap en de rol die publiek-private samenwerking hierin kan spelen.2Ik ga uw Kamer voor de zomer van 2025 de kabinetsreactie op hetWRR-rapport sturen en in het najaar informeren over de samenwerkings-agenda journalistiek op regionaal en lokaal niveau. Ik zal in beide brievenop deze moties terugkomen. Specifiek voor publiek-private samenwerkingzal ik daarbij ook het dienstbaarheidsverbod betrekken.3 Ook zal ik voor dezomer uw Kamer informeren over de toegezegde impactanalyse op basiswaarvan ik een besluit zal nemen over de toekomstige rol van reclame bijhet financieren van de landelijke publieke omroep.2.2 Opbouw brief In de rest van mijn brief zal ik mij focussen op de hervorming van delandelijke publieke omroep. Deze brief zal ook nader ingaan op deopenstaande moties en toezeggingen die zijn gedaan op dit punt. Metdeze brief reageer ik tevens op het rapport Eenheid in Veelzijdigheid vanhet Adviescollege Publieke Omroep, ook wel de Commissie Van Geelgenoemd (hierna: Adviescollege).4De brief is als volgt opgebouwd. In paragraaf 3 ga ik in op de uitdagingenen knelpunten waarmee de publieke omroep te maken heeft. Inparagraaf 4 geef ik in drie hoofdlijnen aan hoe ik het bestel wil hervormen,met per hoofdlijn een aantal concrete maatregelen. Naast de inrichtingvan het bestel ga ik in paragraaf 5 in op een viertal andere thema’s diespelen bij de bredere hervorming van de landelijke publieke omroep.Achtereenvolgens gaat dat om de bezuinigingen en duurzame finan-ciering van de publieke omroep, het extern toezicht, journalistiek en hetversterken van de positie van de publieke omroep ten opzichte vandigitale spelers. In paragraaf 6 sta ik stil bij de effecten die ik van devoorgestelde maatregelen verwacht. Tot slot licht ik in paragraaf 7 mijnvervolgstappen toe.3. Probleemanalyse Het is de taak van de wetgever om ervoor te zorgen dat de wettelijkekaders voor het uitvoeren van de publieke mediaopdracht op orde zijn. Depublieke omroep is in een democratie een kostbaar bezit waarvoor deoverheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, zeker gezien hetaantal uitdagingen waarvoor de landelijke publieke omroep staat. Dezeuitdagingen komen voort uit de ontwikkelingen in het internationalemedialandschap en de samenleving en vragen om een aanpassing van deinrichting van het bestel. Meerdere rapporten en adviseurs hebben de1Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2024) Aandacht voor media. Naar nieuwewaarborgen voor hun democratische functies. WRR-rapport 111. Den Haag: WRR.2Kamerstuk, 36 600 VIII, nr. 114; Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 116; Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 130.3Artikel 2.141 van de Mediawet 2008 stelt dat de NPO, de RPO en de publieke media-instellingenmet hun activiteiten niet dienstbaar mogen zijn aan het maken van winst door derden. Ditwordt ook wel het «dienstbaarheidsverbod» genoemd.4Kamerstuk 32 827, nr. 287Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3333 afgelopen jaren op dit punt problemen geconstateerd.5 Ik wil eerststilstaan bij twee algemene uitdagingen waar de publieke omroep mee temaken heeft. Deze algemene uitdagingen zijn een gegeven; het is vooralzaak het publieke bestel zo goed mogelijk toe te rusten om met dezeuitdagingen om te gaan, door de geconstateerde knelpunten op te lossen.Ik ben mij bewust van het feit dat de publieke omroep deze uitdagingenmoet aangaan in een uitdagende financiële context: vanaf 2027 wordt deomroep geconfronteerd met een bezuinigingsopdracht. Later in deze briefzal ik daar nader bij stilstaan.De eerste algemene uitdaging is de ontwikkeling dat het publieke debatzich meer en meer heeft verplaatst naar grote internationale onlineplatformen. Deze platformen hebben het maken van winst als oogmerk enzijn niet primair ingericht op het faciliteren van een publiek debat. Voor desamenleving is het van belang dat er online publieke platformen zijn diehier wel op ingericht zijn, zoals de digitale platformen van de publiekeomroep.De tweede algemene uitdaging die ik zie is dat, in een overvolle digitaleomgeving die steeds meer gedomineerd wordt door internationale,kapitaalkrachtige tech- en mediagiganten, de online zichtbaarheid,vindbaarheid en herkenbaarheid van de publieke omroep onder drukstaan. De data-gedreven algoritmes van de internationale spelers bepalensteeds meer welke kanalen en welk aanbod gebruikers te zien of te horenkrijgen, waardoor het voor de publieke omroep steeds lastiger wordt defunctie van het faciliteren van het publieke debat te vervullen. De publiekeomroep wordt voor de Nederlandse kijker en luisteraar steeds minderzichtbaar en vindbaar.De knelpunten in de huidige inrichting van het bestel laten zich als volgtsamenvatten:1.In de beoordeling van de landelijke publieke omroep hebben publiekewaarden als «kwaliteit», «verbinding», «betrouwbaarheid»,«onafhankelijkheid» en «impact» op dit moment te weinigaandacht ten opzichte van de waarde van pluriformiteit. Er is nietlanger sprake van schaarste van aanbod, maar van een grote hoeveel-heid aanbod dat online beschikbaar is. Dit aanbod biedt vele perspec-tieven, maar is niet altijd van hoge kwaliteit en/of betrouwbaar. Bij debeoordeling van het bestel en de bijdrage van individuele omroepenmoet gekeken worden naar andere publieke waarden naast de waardevan pluriformiteit.2.Besturing en organisatie in het huidige bestel leiden onvoldoende toteen constructief geheel. Er is een versnipperde verantwoordelijk-heid voor het uitvoeren van de publieke mediaopdracht. Daarbijbestaat er ook een ingebouwde spanning tussen de opdracht vooromroepen om bij te dragen aan de doelen van het geheel en het5De meest recente publicaties hierover zijn:2014: Raad voor Cultuur – De Tijd Staat Open: advies voor een toekomst-bestendig publiekeomroepbestel;2019: Visitatiecommissie landelijke publieke omroep 2013–2017 – Samen Voor Het Publiekbelang;2021: AEF – Verkenning naar legitimatie-criteria voor publieke omroepen;2022: AEF – Koers Kiezen: vijf uitdagingen voor een duurzame Publieke Omroep;2022: Commissariaat voor de Media – Kijk Samen Verder: reflectie op een toekomstbestendigbestel;2022: Raad voor Cultuur – Reflectie op verkennend rapport AEF naar erkennings-criteriaomroepen;2023: Adviescollege Publieke Omroep – Eenheid in Veelzijdigheid: pleidooi voor een weerbaarpubliek omroepbestel;2024: OCW – Ambtelijke verkenning naar rapport Adviescollege Publieke Omroep;2024: WRR – Aandacht voor media. Naar nieuwe waarborgen voor hun democratische functies.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3334 gegeven dat zij tegelijkertijd voornamelijk beoordeeld worden op hunprofilering en merkherkenning. Dit laatste komt deels voort uit denoodzaak om leden te binden om deel uit te mogen blijven maken vanhet bestel.3.Het stromingsbeginsel lijkt als erkenningscriterium niet langerbruikbaar om elke vijf jaar te bepalen welke omroepvereniging wel ofniet onderdeel mag zijn van het bestel.6 Dit komt doordat duurzameverbindingen uit het verleden minder hecht zijn geworden enloyaliteiten steeds sneller worden ingewisseld voor andere. Het is nietmogelijk om nieuwe en bestaande omroepen op dit criterium tebeoordelen. Het huidige omroepbestel kan door de systematiek vanhet verlenen van erkenningen één keer per vijf jaar op basis van eenprofilerende missie onvoldoende flexibel inspelen op de steedsveranderende behoeften in de samenleving.4.Er zijn geen eenduidige, meetbare, vergelijkbare en bruikbareerkenningscriteria vindbaar waarop nieuwe omroepen kunnenworden beoordeeld en worden toegelaten tot het bestel. Dit blijkt uitverschillende pogingen die door de jaren heen zijn gedaan om deze tevinden. Het ontbreekt daardoor tevens aan criteria voor uittreding dieervoor zouden moeten zorgen dat het aantal deelnemers aan hetbestel beheersbaar blijft. De beoordeling van nieuwe en bestaandeomroepen hangt in de praktijk vrijwel uitsluitend af van het ledencrite-rium. Een groeiend gedeelte van de Nederlandse samenleving isechter geen lid van een omroepvereniging waardoor de maatschappe-lijke worteling afneemt. Naast het ontbreken van goede erkenningscri-teria roept dit de vraag op of de optelsom van de huidige omroepver-enigingen in voldoende mate de Nederlandse samenleving kanweerspiegelen.5.Door het toegenomen aantal omroepen en bestuurders gaat steedsmeer tijd en energie op aan de interne beheersing van hetbestel en moet het beschikbare budget over steeds meer partijenworden verdeeld, waardoor de creatieve en innovatieve kracht te veelversnippert en digitale ambities lastiger kunnen worden gerealiseerd.6.Omroepen zijn onvoldoende aangesloten bij de totstandkomingvan besluiten van de NPO als het gaat om de strategie en de program-mering. Het hoge aantal omroepen en de wijze van coördinatiebemoeilijken deze aansluiting, zowel op bestuurlijk als op programma-niveau.Hieronder geef ik aan langs welke hoofdlijnen ik het bestel wil hervormenom bovenstaande knelpunten op te lossen en ervoor te zorgen dat depublieke omroep de genoemde uitdagingen beter het hoofd kan bieden.Het betreft een fundamentele herziening waarbij ik er belang aan hecht ditzorgvuldig en qua uitwerking in een juiste fasering te doen. Daarbij zal ikonder andere kijken naar de impact en uitvoerbaarheid. De uitwerking zaluiteindelijk landen in een wetsvoorstel. Ik hecht er aan de hoofdlijnen numet uw Kamer te delen en hierover in gesprek te gaan.4. Drie hoofdlijnen hervorming bestel Als het gaat over de inrichting van de landelijke publieke omroep stel iklangs drie lijnen een fundamentele hervorming voor. Samen moeten dezedrie lijnen zorgen voor een bestel dat beter uitgerust is voor de uitda-gingen die het huidige digitale medialandschap kenmerkt. Het vaststellen6Artikel 2.24, lid 1.c geeft aan dat een omroepvereniging een vereniging is die «zich volgens destatuten ten doel stelt in het media-aanbod een bepaalde, in de statuten aangeduidemaatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stroming te vertegenwoordigen enzich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levendemaatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3335 van de kaders waarbinnen de publieke omroep moet functioneren is mijnverantwoordelijkheid. Ik wijs uw Kamer erop dat deze maatregelen insamenhang moeten worden bezien. Alleen op deze manier leidt deoptelsom van maatregelen tot het oplossen van de geconstateerdeknelpunten en tot een goed functionerend geheel. Uiteraard zal opdeelonderwerpen veel nog worden uitgewerkt. Ik wil echter eerst dehoofdlijnen van de hervorming uiteenzetten om de richting van dehervorming duidelijk te hebben. Hierbij heb ik dankbaar gebruik gemaaktvan de verschillende rapporten en adviezen die de laatste jaren zijnuitgebracht over dit onderwerp, alsook de ideeën die verschillendepartijen de afgelopen tijd hebben gedeeld over hoe het landelijke bestelbeter kan worden ingericht. Ik heb hierbij onder andere gesproken metNPO, omroepen, een vertegenwoordiging van medewerkers vanomroepen via de Centrale Ondernemingsraad, het Commissariaat voor deMedia (hierna: Commissariaat), de Raad voor Cultuur en commerciëlemediapartijen. Ik zal mijn inzet voor de hervorming kenbaar maken aan dehand van drie hoofdlijnen:–Naar een bestel met meer inhoudelijke flexibiliteit en organisatorischestabiliteit;–Naar een bestel met minder spelers;–Naar een bestel met meer gezamenlijkheid en een daarbij passende rolvoor de NPO-organisatie.4.1. Naar een bestel met meer inhoudelijke flexibiliteit en organisatorischestabiliteit 4.1.1. Rust en stabiliteit in een extern pluriform bestel Ik vind het belangrijk om in een hervormd bestel nog steeds uit te gaanvan een extern pluriform bestel: een bestel bestaande uit meerdereomroeporganisaties (hierna: omroepen), die allemaal een specifiekewaaier aan geluiden en behoeften uit de samenleving vertalen in hunaanbod. Doordat elke omroep maatschappelijk geworteld is bij verschil-lende doelgroepen, leidt deze organisatievorm tot een variatie aanperspectieven, geluiden en stijlen in het aanbod en daarmee tot eenmaatschappelijk relevante aanbodmix. Dit is de reden waarom ik aanexterne pluriformiteit als leidend principe wil vasthouden.Tegelijkertijd leidt de huidige inrichting van het bestel tot veel onrust doorde noodzaak tot profilering van merken omdat omroepen elke vijf jaarpotentieel uit het bestel kunnen vallen, wanneer zij te weinig leden aan deomroep weten te binden. Dit zit op bepaalde punten een constructievebijdrage aan de doelen van het geheel van de publieke omroep in de weg(knelpunt 3). Daarnaast kent de systematiek van het verlenen vanerkenningen op basis van erkenningscriteria vele tekortkomingen(knelpunten 3 en 4). Het stromingsbeginsel sluit vandaag de dagonvoldoende aan bij de veelkleurigheid en veelzijdigheid van de samen-leving. Het hanteren van een verouderd principe kan ertoe leiden datsommige groepen de aansluiting met de publieke omroep missen.Daarmee kan de publieke omroep de opdracht om er te zijn voor alleNederlanders onvoldoende waarmaken. Een bestel gestoeld op externepluriformiteit werkt alleen wanneer dit bestel goed aangesloten kanblijven op ontwikkelingen in de samenleving. Bovendien vind ik hetverlenen van erkenningen aan omroepen op basis van een inhoudelijkemissie en identiteit door de overheid onwenselijk.Om deze redenen kom ik tot de conclusie dat het periodiek laten toetredenvan nieuwe organisaties tot het landelijke bestel niet de manier is omexterne pluriformiteit vorm te geven. Ik wil in het nieuwe bestel dan ookuitgaan van vier of vijf omroephuizen (zie ook paragraaf 4.2.1) naast deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3336 NOS. Ik leg wettelijk vast dat deze omroephuizen een vaste plek hebben inhet landelijke publieke omroepbestel. Dit moet leiden tot meer rust enstabiliteit in het bestel. Er ontstaat meer ruimte om vanuit het eigenprofiel een bijdrage te leveren aan de gezamenlijke doelen en dit maaktoverleg constructiever. Met het loslaten van de procedure van hetverlenen van erkenningen door de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap, speelt de politiek niet langer een rol in het bepalen welkestromingen of geluiden een plek in het bestel krijgen. Dit komt deonafhankelijkheid van de publieke omroep ten goede. In het nieuwe bestelzal er niet langer sprake zijn van erkenningscriteria op basis waarvanomroepen toe- en uittreden; het ledencriterium vervalt daarmee. Met ditlaatste voer ik de motie van het lid Martens-America (VVD) uit, dieverzoekt het ledencriterium als enige criterium los te laten.7Ik wil dat een nieuw bestel meer openstaat voor de wisselende enontbrekende geluiden en behoeften van de samenleving in het aanbod.Hieronder ga ik daar nader op in.4.1.2 Omroepen vertalen gezamenlijk bestaande geluiden en behoeftenvan de samenleving in het aanbod In het huidige bestel kan een ontbrekend geluid of perspectief alleen viaeen nieuwe omroepvereniging een plek krijgen in het bestel. Ervaringleert dat dit enorm veel tijd en moeite kost, ook omdat het lang duurtvoordat een nieuwe omroepvereniging een significante hoeveelheidaanbod kan produceren. Hiermee verzekert het huidige bestel onvol-doende dat de in de samenleving levende geluiden tijdig en op een goedemanier via de publieke omroep tot uiting kunnen komen.In het nieuwe bestel krijgen de omroepen met een vaste plek in het besteldaarom gezamenlijk de wettelijk vastgelegde opdracht om de in desamenleving levende geluiden, behoeften en perspectieven in het aanbodte vertalen. Dat betekent dus ook dat alle geluiden die in het huidigebestel te horen zijn, ook een plek moeten krijgen in het nieuwe bestel.Hierbij is er zowel ruimte voor zeer profilerend aanbod gericht op eenrelatief beperkte doelgroep alsook voor bredere programmering. De wijzewaarop omroepen dit willen gaan doen, leggen zij vijfjaarlijks vast. Uit ditplan moet blijken dat zij gezamenlijk de huidige en te verwachtenpluriformiteit en behoeften van de samenleving kunnen omvatten. Ditvraagt van omroepen om aan de voorkant meer met elkaar in overleg tetreden over ieders bijdrage aan dit doel.4.1.3 Omroepen vertalen gezamenlijk de veranderende geluiden enbehoeften van de samenleving in het aanbod Omroepen moeten ook flexibel zijn en open staan voor veranderingen dieplaatsvinden in de samenleving. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aanveranderingen in demografische opbouw van de samenleving en de groeiof daling in mensen die zich identificeren met verschillende levensbe-schouwelijke stromingen. In een snel veranderende samenleving is hetcruciaal dat omroepen gevoelig en flexibel blijven voor vernieuwing endat zij maatschappelijk responsief zijn, zoals ook het Adviescollegeopmerkte in zijn rapport Eenheid in Veelzijdigheid.8 Anders verliest ookeen vernieuwd bestel te snel aan relevantie en legitimiteit.Om deze reden wil ik de openheid voor nieuwe geluiden, behoeften enperspectieven op drie manieren wettelijk verankeren. Allereerst krijgen7Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 120.8Kamerstuk 32 827, nr. 287Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3337 omroepen de opdracht proactief nieuwe geluiden, behoeften en perspec-tieven te signaleren en te incorporeren binnen het aanbod dat gemaaktwordt. Ten tweede moeten er manieren zijn voor mensen om zich temelden bij de landelijke publieke omroep als zij menen dat een bepaaldperspectief, geluid of type aanbod onderbelicht blijft in de huidigeprogrammering. Ten derde zal de mate waarin omroepen meebewegenmet de samenleving een beoordelingscriterium zijn voor zowel indivi-duele omroepen als het geheel van de publieke omroep. Op deze manierwil ik verzekeren dat nieuwe of ontbrekende geluiden en perspectievensneller omgezet kunnen worden in aanbod dan nu het geval is. Dat moetimmers het einddoel zijn: een evenwichtig aanbod waarin verschillendegroepen in de samenleving zich kunnen herkennen. De profielen vanomroepen moeten meebewegen met de samenleving en omroepenmoeten zich hierover ook verantwoorden. De huidige omroepver-enigingen hebben hier al (enige) ervaring mee. Zij maken tenslotte niethetzelfde aanbod als veertig of tien jaar geleden.Ik wil hier wel benadrukken dat ik niet streef naar een systematiekwaarmee onomstotelijk zou moeten komen vast te staan dat de landelijkepublieke omroep elke denkbare doorsnede van de samenleving involdoende mate met zijn aanbod bedient. Dit is onhaalbaar, juist omdathet niet mogelijk is de samenleving op te delen in duidelijk afgebakendestromingen (zie ook knelpunt 3). Daarnaast, en nog belangrijker, zou ditook zijn doel voorbijschieten. Het gaat voorbij aan het feit dat kijkers enluisteraars ook andere motieven hebben om aanbod van de publiekeomroep te bekijken en beluisteren, anders dan dat ze «hun» gezichtspuntvertegenwoordigd willen zien. Soms willen mensen juist kennisnemenvan afwijkende perspectieven, iets van de wereld om hen heen leren ofontspannen een Nederlandse dramaserie kijken. Bovendien kijken ofluisteren mensen met verschillende achtergronden soms graag naarhetzelfde type aanbod. Pluriformiteit is een belangrijke publieke waarde,maar moet wel in verhouding gezien worden tot andere, minstens net zobelangrijke waarden in het aanbod van de publieke omroep, zoalsonafhankelijkheid, betrouwbaarheid, verbinding, kwaliteit en impact.4.1.4 Van erkenningscriteria naar een transparante verantwoordings- enbeoordelingssystematiek In een nieuw bestel vervalt de methode van het beoordelen van erken-ningsaanvragen van (aspirant)omroepverenigingen aan de hand van dewettelijk vastgelegde erkenningscriteria. Dat brengt met zich mee dat deomroepen met een vaste plek in het bestel zich adequaat moetenverantwoorden over de uitvoering van de publieke mediaopdracht. In deverantwoording wordt de publieke omroep geacht duidelijke doelstel-lingen voor het geheel en voor individuele omroepen op te stellen. Overhet behalen van deze doelstellingen vindt transparant verantwoordingplaats, die weer gebruikt kan worden om verbeteringen in gang te zetten.De publieke omroep verantwoordt de keuzes die zij maakt in de program-mering en bij de inzet van middelen op genreniveau, onder andere waarhet gaat over uitgaven aan sport, fictie en journalistiek ook vanuit hetoogpunt van doelmatigheid. Ik zal deze systematiek nader uitwerken,inclusief het criterium dat omroepen gezamenlijk in voldoende mate degeluiden en behoeften van de samenleving moeten adresseren. Ik vindhet belangrijk dit criterium in samenhang te bezien met het uitgangspuntdat het aanbod van de publieke omroep ook aan andere publieke waardenmoet voldoen zoals ik hierboven al heb genoemd.Ik wil bij het herijken van de evaluatie- en beoordelingssystematiek ondermeer kijken naar de bestaande verantwoordingsdocumenten en de rol diede externe toezichthouder en de evaluatiecommissie op dit momentspelen. Een zogeheten evaluatiecommissie heeft nu al de wettelijke taakom regelmatig te evalueren op welke wijze uitvoering wordt gegeven aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3338 de publieke mediaopdracht.9 Ik wil bijvoorbeeld kijken op welke wijze dewettelijk vastgelegde opdracht aan de evaluatiecommissie zou moetenworden aangepast in het licht van het nieuwe bestel. Zoals ook toegezegdin mijn recente brief over transparantie bij de uitgaven van de landelijkepublieke omroep, zal ik verder uitwerken op welke wijze ik de verantwoor-dingscyclus wil verbeteren in het hervormde bestel op basis vanbovengenoemde uitgangspunten.10 Daarbij blijft het voor mij van belangdat enerzijds verantwoording helder en transparant gebeurt, en datanderzijds politieke bemoeienis met de inhoud van het media-aanbodaltijd voorkomen moet worden.4.2 Naar een bestel met minder spelers 4.2.1 Van 11 omroepverenigingen naar 4 of 5 omroephuizen Het is noodzakelijk het aantal bestuurlijke spelers in het bestel terug tebrengen. Alleen zo kunnen omroepen met een vaste plek in het bestelconstructief samenwerken. Dit is voor de bestuurbaarheid, slagkracht enefficiëntie van het bestel van groot belang, zeker lettende op de uitda-gingen die het gedigitaliseerde medialandschap met zich meebrengen. Ikwil in het nieuwe bestel dan ook uitgaan van minimaal vier en maximaalvijf omroephuizen die een vaste plek hebben in het bestel, naast de NOS.Het terugbrengen van het aantal omroeporganisaties heeft een aantalvoordelen. Zo zorgt een vermindering van het aantal spelers voor eenstevigere positie van de omroephuizen bij de programmatische enstrategische besluitvorming. Hier ga ik in paragraaf 4.3 nader op in. Peromroephuis is ook een groter programmabudget beschikbaar waardoor erbinnen één omroephuis meer aanbod gemaakt kan worden. Hierdoorkunnen er binnen een omroephuis meer medewerkers vast in dienst zijn.Dit moet leiden tot meer veiligheid en zekerheid voor mensen in dienstvan de publieke omroep. Dit is in lijn met de aanbeveling uit het rapportvan de Onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen (hierna:OGCO-rapport), dat onderzoek deed naar grensoverschrijdend gedragbinnen de landelijke publieke omroep en oproept tot een verminderingvan het aantal tijdelijke- en ZZP contracten.11 Het terugbrengen van hetaantal spelers acht ik voor het slagen van een hervormd bestel van grootbelang.Naast de vier of vijf omroephuizen behoudt de NOS de huidige wettelijkemediaopdracht en zal een eigenstandige taakorganisatie blijven. Voor deNTR geldt dat de meeste van haar wettelijke taken overgaan naar denieuw te vormen omroephuizen, omdat dit nauw aansluit bij de wettelijketaak die omroephuizen krijgen om gezamenlijk aan te sluiten bij debehoeften en geluiden in de samenleving. Gezamenlijk krijgen zij de taakalle onderdelen van de publieke media-opdracht uit te voeren. Ik vind hetdaarbij belangrijk dat een van de specifiek wettelijk vastgelegde taken vande NTR «om aanbod te maken van educatieve aard ten behoeve van dejeugd» goed gewaarborgd blijft binnen het bestel. Ik wil in de nadereuitwerking onderzoeken hoe deze borging het beste verzekerd blijft. Ik wilbenadrukken dat ik hierbij oog heb voor het feit dat dit voor medewerkersbinnen de NTR grote gevolgen kan hebben en ik wil deze uitwerkingzorgvuldig vormgeven.9Artikel 2.184–2.188 van de Mediawet 2008.10Kamerstuk 32 827, nr. 330.11Onderzoekscommissie Gedrag en Cultuur Omroepen: «Niets gezien, niets gehoord en nietsgedaan.» Januari 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3339 Dit betekent dat het landelijke bestel van veertien naar zes of zevenbestuurlijke spelers gaat; een halvering.12 De omroephuizen zullenstichtingen zijn waarbij de huidige omroepverenigingen met (een vaste ofvoorlopige) erkenning de mogelijkheid krijgen zich te clusteren in de vierof vijf omroephuizen. Op deze manier blijft de continuïteit geborgd engaat er geen talent of expertise onnodig verloren. Ik wil de komendeperiode in overleg treden met omroepen over de wijze waarop dezeclustering kan plaatsvinden. Ik wil hierbij ruimte aan omroepen laten omte verkennen of uiteindelijk vier of vijf omroephuizen het meest passendeaantal is, ook lettende op de profielen van de huidige omroepver-enigingen. Hierbij wil ik de omroepverenigingen die deelnemen aan eensamenwerkingsomroep die is ontstaan bij de ingang van de huidigeerkenningperiode, de mogelijkheid bieden zich te clusteren in verschil-lende omroephuizen.13Om daadwerkelijk van het behoud van externe pluriformiteit te kunnenspreken, is het van belang dat het aantal omroephuizen niet te laag is: danontstaat immers het risico dat er te grote entiteiten ontstaan die zich opeen te breed scala aan geluiden en perspectieven moeten richten en quaidentiteit «te grijs» worden. Ook wordt het dan lastiger om het contact ende worteling met onderdelen van de samenleving betekenisvol in tevullen. Ik zie een totaal van vier omroephuizen dan ook als ondergrens.Tegelijkertijd wil ik waken voor versnippering van middelen en expertiseen een te groot aantal bestuurlijke spelers, wat de constructieve samen-werking en effectieve besluitvorming bemoeilijkt. Om deze redenen achtik vier of vijf omroephuizen, de NOS en daarnaast NPO met een aange-paste rol, het meest wenselijk.4.2.2 Omvang omroephuis, programmatisch verwantschap en werkgever-schap Het is in de eerste plaats aan de huidige omroepen om zich te clusteren inminimaal vier of maximaal vijf omroephuizen. Ik geef daarbij een drietalaandachtspunten mee die ik van belang acht voor een omroephuis omgoed te kunnen functioneren. Ten eerste is het belangrijk dat omroep-huizen enigszins vergelijkbaar in grootte zijn als het gaat om termen vanbudget of producerend vermogen. Enig verschil hierin is prima, maaromroephuizen moeten geen orde van grootte van elkaar verschillen. Ditzorgt voor gelijkwaardige posities in het bestel, zodat de individuelespelers goed als geheel kunnen functioneren en er duidelijke doelstel-lingen afgesproken kunnen worden over ieders bijdrage aan de uitvoeringvan de publieke mediaopdracht.Ten tweede is het van belang dat een omroephuis als eenheid kanfunctioneren. Ik geef daarom mee dat een bepaalde mate van program-matische verwantschap binnen het omroephuis wat mij betreft voor dehand ligt. Omdat de omroephuizen in de optelsom in voldoende mate dein de samenleving bestaande opvattingen moeten vertegenwoordigen, ishet van belang dat het duidelijk is welk omroephuis een bepaald spectrumaan geluiden, opvattingen en perspectieven vertegenwoordigt. Een helderspectrum binnen één omroephuis zorgt er ook voor dat omroephuizen tenopzichte van elkaar maximaal onderscheidend kunnen zijn, er zo minmogelijk sprake is van overlap en duidelijk is welk omroephuis eenmogelijk lacune in het aanbod het meest vanzelfsprekend in kan vullen.Het einddoel is voor mij helder: minder organisaties, maar zodanig12Van 11 omroepverenigingen, NOS, NTR en de NPO-organisatie naar 4 of 5 omroephuizen,NOS en daarnaast de NPO-organisatie met een andere rol dan nu het geval is (zie ookparagraaf 4.3).13Dit betreft de samenwerkingsomroepen AVROTROS-PowNed, MAX-WNL en VPRO-Human.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33310 georganiseerd dat er een pluriformer aanbod tot stand komt dan nu hetgeval is. Daarnaast maakt programmatische verwantschap het makkelijkervoor het bestuur van het huis om te sturen op het halen van de gemeen-schappelijk afgesproken doelen.Ten derde is het voor het functioneren van het omroephuis en het geheelvan belang dat het omroephuis de entiteit is die zowel de programma-tische activiteiten uitvoert, bestuurlijk verantwoordelijkheid draagt endaarmee ook normadressaat van de wet is. Dit zal ik wettelijk vastleggen.Het woord omroephuis wordt daarmee synoniem voor het woordomroep: het omroephuis is de omroep. Alleen op deze manier is erdaadwerkelijk sprake van een vermindering van bestuurlijke spelers,wordt de positie van individuele omroephuizen sterker, kan een huis zichtoeleggen op meer aanbod en krijgen medewerkers meer baanzekerheid.Als alle activiteiten blijven plaatsvinden binnen de huidige omroepver-enigingen, lost het introduceren van een omroephuis geen van degeconstateerde knelpunten op. Integendeel, dan wordt het bestel enkelcomplexer gemaakt door het toevoegen van een extra (bestuurs)laag dietussen omroepverenigingen en de coördinatie en bestuurlijke besluit-vorming in zou staan. Dit is een additionele reden waarom ik niet een telaag aantal van drie omroephuizen wil overhouden en in plaats daarvanminimaal vier en maximaal vijf omroephuizen wil.Hoe groter het huis, hoegroter het risico dat een extra onderverdeling alsnog gevormd wordt. Omhet bestel daadwerkelijk slagkrachtiger en efficiënter te maken, is het dusvan belang dat uiteindelijk alle medewerkers in dienst zijn van hetomroephuis. Ik begrijp dat de clustering niet alleen grote gevolgen heeftvoor medewerkers van de NTR, maar ook op de medewerkers van dehuidige omroepverenigingen. Werkgeverschap raakt immers aan deidentiteit van de huidige omroepverenigingen en hun medewerkers. Omdeze reden wil ik vanuit mijn rol deze overgang met de grootst mogelijkezorgvuldigheid vormgeven.Ik heb daarom ook aandacht voor de unieke geluiden die de huidigeomroepverenigingen zullen meenemen naar het omroephuis en hoe dezegeluiden in onderdelen van het aanbod van het omroephuis blijvendoorklinken. Zeker nu het omroephuis de werkgever zal worden vanmedewerkers die voorheen bij verschillende omroepverenigingen zaten.Wat mij betreft zijn omroephuizen ook aanspreekbaar op de mate waarinhet publiek deze specifieke geluiden herkent in aanbod van het huis. Het ishiervoor van belang dat het omroephuis geworteld is bij de groepen diehet omroephuis aanspreekt met het aanbod. Hieronder ga ik daar naderop in.4.2.3 Maatschappelijke worteling en de positie van verenigingen Ik acht maatschappelijke worteling van groot belang voor de publiekeomroep als geheel en de afzonderlijke spelers daarbinnen. In het nieuwebestel is het aantonen van deze worteling dan ook een wettelijke vereiste.In het huidige bestel wordt deze maatschappelijke worteling met namevormgegeven door de verenigingsstructuur die de huidige omroepenkenmerkt. Ik wil omroephuizen meer mogelijkheden bieden ommaatschappelijke worteling vorm te geven. Op deze manier kunnenomroepen de mogelijkheden benutten die het beste aansluiten bij dedoelgroepen van het huis. Het onderhouden van banden met leden viaverenigingen kan een van deze mogelijkheden zijn. Het is echter ookdenkbaar dat een omroephuis andere mogelijkheden benut. Hierbij denkik aan voorbeelden als het instellen van een programmaraad, het aangaanvan samenwerkingen met culturele en maatschappelijke organisaties,publiekspanels en/of debatavonden. Ook online communities kunnen hieronderdeel van zijn, waarbij interactie betekenisvoller ingevuld moetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33311 worden dan enkel clicks en likes. Afhankelijk van de doelgroepen waar hetomroephuis zich op richt, kunnen verschillende (combinaties van)mogelijkheden worden ingezet. Hiermee krijgen omroephuizen meerflexibiliteit om maatschappelijke worteling te borgen en aan te tonen. Eenvorm van maatschappelijke worteling kan pas worden losgelaten als hetomroephuis duidelijk maakt op welke alternatieve manieren het huis dieworteling wil borgen en zo nodig te versterken. Dit leggen huizenvijfjaarlijks vast.Ik wil hierbij nadrukkelijk de mogelijkheid openhouden voor verenigingenom gekoppeld te zijn aan omroephuizen als een manier voor het huis omin contact te staan met (een deel van) hun doelgroepen. Het gaat hier omeen koppeling met verenigingen die hoofdzakelijk of uitsluitend totstatutair doel hebben een bijdrage te leveren aan de uitvoering van depublieke mediaopdracht op landelijk niveau. Als een omroephuis voordeze koppeling met een vereniging of meerdere verenigingen kiest, is ditwat mij betreft niet vrijblijvend. In dit geval moet een omroephuisduidelijk maken hoe het geluid van de gekoppelde verenigingen door zalklinken in onderdelen van het aanbod dat het omroephuis maakt. Bij deverdere uitwerking van de governance van het omroephuis wil ik bezienhoe de koppeling tussen huis en vereniging verder ingericht kan worden.Als omroephuizen (mede) voor de optie van verenigingen kiezen om hunmaatschappelijke worteling te borgen, kunnen de huidige verenigingenom die reden in stand blijven. De twee grootste verschillen met de huidigesituatie zijn ten eerste dat medewerkers in dienst komen van hetomroephuis omdat het huis het aanbod verzorgt. De omroephuizennemen hiermee in wezen de rol van de huidige omroepverenigingen over.Het tweede verschil is dat de omroephuizen gezamenlijk de taak krijgenalle perspectieven, behoeften en geluiden in de samenleving zo goedmogelijk te adresseren en dat hiervoor geen nieuwe omroepen toetreden.4.2.4 Governance van het omroephuis Een goede governance van de omroephuizen is van groot belang voor hetfunctioneren van ons landelijke omroepbestel. Juist omdat ik wilvasthouden aan een extern pluriform model waarbij de verschillendeomroephuizen ieder vanuit een eigen profiel een bijdrage leveren aan deuitvoering van de publieke mediaopdracht, vind ik het belangrijk dat elkomroephuis beschikt over een eigen Raad van Toezicht waarbij de ledenworden benoemd op basis van vooraf vastgestelde openbare profielen.Daarbij zal de maximale zittingstermijn van leden van de Raad vanToezicht wettelijk begrensd worden. De manier waarop leden wordenvoorgedragen, benoemd, geschorst en ontslagen werk ik verder uit. Netzoals dat de zittingstermijn van de leden van de Raden van Toezicht vande omroephuizen begrensd is, zal ik wettelijk vastleggen dat eenzelfdebegrenzing ook geldt voor bestuurders of directeuren van de omroep-huizen. Deze begrenzing geldt ook voor NPO en NOS in het nieuwe bestel.Daarnaast zal een aantal andere wettelijke verplichtingen voor alleomroephuizen gaan gelden. Omroephuizen moeten stichtingen zijnwaarbij de inrichting van het omroephuis doelmatig moet wordenvormgegeven. De omroephuizen zullen uiteraard ook onder de Wetnormering topinkomens (WNT) vallen. Ten aanzien van de inrichting vanhet huis moet er een helder onderscheid zijn tussen het dagelijkse bestuuren het toezichthoudende orgaan zijn en deugdelijk intern toezicht blijft eenwettelijke vereiste. Op presentatoren die programma’s maken voor depublieke omroep – en dus ook binnen de omroephuizen – blijft hetBeloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO) van toepassing.Mocht het in het kader van de hervorming van de landelijke publiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33312 omroep noodzakelijk zijn het BPPO daarvoor opnieuw aan te passen danzal ik de NPO vragen daar voorstellen voor te doen.4.2.5 Sociale veiligheid De bovenstaande maatregelen ter versteviging van de bestuursstructuurzijn ook noodzakelijk in het licht van een sociaal veilige werkomgeving.Het is belangrijk dat de publieke omroep een veilige werkplek is voor allemedewerkers. Situaties die zich in het verleden hebben voorgedaan,waarbij onvoldoende is ingegrepen om onveiligheid tegen te gaan,moeten worden voorkomen. Een veilige werkomgeving is gebaat bij eengedegen bestuursstructuur met een heldere onderverdeling van taken,mandaten, verantwoordelijkheden en een deugdelijke Raad van Toezicht.Een Raad van Toezicht moet in staat zijn om adequaat toe te zien opsociale veiligheid en meldingen tijdig op te volgen. Ook het niet langerlaten toe- en uittreden van omroepen moet leiden tot meer socialeveiligheid voor omroepmedewerkers en minder onzekerheid. Debaanzekerheid wordt vergroot doordat er een beperkt aantal omroep-huizen is die elk over een groter programmabudget zal beschikken. Ookzijn omroephuizen verplicht de gedragscode ter bevordering van goedbestuur en integriteit na te leven. Op basis van afspraken die ik hebgemaakt met de NPO en het Commissariaat, wordt er momenteel gekekennaar de uitbreiding en aanscherping van de gedragscode integriteitpublieke omroep en het toezicht daarop. De uitkomsten hiervan betrek ikbij de verdere uitwerking van de bestuursstructuur.Hiermee geef ik uitvoering aan het voornemen uit mijn eerdere brief aanuw Kamer.14 In deze brief verwees ik naar het rapport van het Advies-college en het OGCO-rapport, die hier aanbevelingen over hebbengedaan. De bovenstaande maatregelen ter versteviging van de bestuurs-structuur zijn noodzakelijk in het licht van een sociaal veilige werkom-geving. Zo wordt wettelijk verzekerd dat omroephuizen een gezondegovernance kennen, dat hierop wordt toegezien en dat de socialeveiligheid verbetert. Ik geef hiermee uitvoering aan de motie van de ledenMartens-America (VVD), Van Zanten (BBB) en Mohandis (GroenLinks-PvdA).15 Tot slot houd ik bij de uitwerking rekening met de acties die reedsin gang zijn gezet om de sociale veiligheid binnen de publieke omroep teverbeteren.4.3 Naar een bestel met meer gezamenlijkheid en een daarbij passende rolvoor de NPO-organisatie 4.3.1 Hervorming NPO, passendere rol en generiekere coördinatie Door omroephuizen een vaste plek in het bestel te geven en het aantalbestuurlijke spelers terug te brengen, wordt een grote stap gezet in hetcreëren van meer rust in het bestel. Daarbij ontstaat meer ruimte vooromroepen om, ieder vanuit het eigen profiel, een bijdrage te leveren aande gezamenlijke doelstellingen. Ook worden besluitvormingsprocessenoverzichtelijker, simpelweg omdat er minder spelers in het bestel zijn enhet beschikbare budget over minder spelers wordt verdeeld. Ik wil naderstilstaan bij de wijze waarop budget wordt verdeeld en de rol diecoördinatie speelt bij de totstandkoming van het aanbod van de landelijkepublieke omroep.Allereerst wil ik opmerken dat de noodzaak voor een coördinerend orgaanbinnen het landelijke bestel in het algemeen niet ter discussie staat. Metmeerdere spelers en schaarste in budget en aandacht van het publiek is14Kamerstuk 32 827, nr. 325.15Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 137.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33313 het noodzakelijk dat uiteindelijk één partij het programmatische overzichtbewaart en een knoop doorhakt over welk type aanbod wordt gemaakt,voor welke platformen en kanalen, en welk geld daarvoor beschikbaar is.Dit blijft relevant, ook nu de lineaire kanalen waarop de beschikbareruimte per definitie begrensd is meer en meer plaatsmaken voor online enon demand distributie. Ook vanuit het oogpunt van doelmatigheid, hetvoorkomen van dubbelingen en het realiseren van de gezamenlijkedoelen, moet de verdeling van budgetten gecoördineerd en in samenhanggebeuren. Ik wil daarom vasthouden aan de verantwoordelijkheid van deNPO als coördinerend orgaan dat over de verdeling van budgetten vooraanbod gaat. Ook wil ik vasthouden aan de faciliterende rol van de NPO.Ik vind het belangrijk dat activiteiten die in de gezamenlijkheid uitgevoerdkunnen worden, in de gezamenlijkheid blijven gebeuren, zoals bijvoor-beeld nu de NPO de ondertiteling bij aanbod verzorgt. Daarnaast blijftNPO verantwoordelijk voor de distributie van aanbod en kanalen en regelthet de technische ondersteuning voor digitale platformen als NPO Start.Bovenstaande taken moeten worden ingevuld door een NPO die op hetgebied van coördinatie anders handelt en zich anders opstelt. Het is nietaltijd nodig om te coördineren op het niveau van individuele programma’szoals dat in de huidige situatie gebeurt. Met de nieuwe inrichting van hetbestel zorg ik ervoor dat de coördinerende functie lichter kan wordeningevuld. Doordat omroepen veel meer in overleg treden over iedersbijdrage aan de totale aanbodmix, wat al een stap naar meer gezamen-lijkheid is, kan er meer ruimte ontstaan voor specialisatie in thema’s en(sub)genres en vermindert de onderlinge concurrentie. Doelen enambities op genre- en kanaalniveau kunnen in gezamenlijkheid wordenopgesteld inclusief ieders bijdrage aan deze doelen. De NPO blijft hierbijverantwoordelijk voor de toekenning van de bijbehorende budgetten. Ikverwacht wel dat de wijze van toekenning in een nieuwe bestel andersgaat plaatsvinden. Ik verwacht dat in veel gevallen budget niet langertoegekend wordt op het niveau van individuele programma’s, maar(langjarig) op thema of (sub)genre. Binnen de gezamenlijk afgesprokenkaders krijgen omroephuizen meer vertrouwen om de creatieve invullingvan het aanbod vorm te geven. De coördinerende rol van de huidigeNPO-organisatie zal hiermee afnemen.Ik wil de komende periode met NPO en omroepen in gesprek over hoegeneriekere coördinatie verder kan worden uitgewerkt. Door de gezamen-lijkheid te benadrukken, wil ik de prikkel van het opzoeken van tegenstel-lingen wegnemen. De omroephuizen en de NPO-organisatie zijn immersgezamenlijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van de publiekemedia-opdracht.4.3.2 Versterken positie omroephuizen in totstandkoming programmeringen strategie Naast het generieker invullen van de coördinerende functie van de NPO,wil ik op een andere manier de positie van omroephuizen in het bestelverder versterken. Door het terugbrengen van het aantal spelers zijn erhogere garantiebudgetten per omroephuis beschikbaar. Daarnaast wil ikde huidige mogelijkheid voor buitenproducenten om programmavoor-stellen te pitchen bij de NPO-organisatie uit de wet halen. Uit het oogpuntvan zuiverheid van rollen en verantwoordelijkheden vind ik het wenselijkals omroephuizen de aangewezen organisaties zijn waar buitenprodu-centen voorstellen kunnen indienen. Nu omroephuizen breder enflexibeler zijn in hun profiel en de opdracht hebben gezamenlijk doelenvoor het geheel en de individuele spelers op te stellen, vervalt de redenvoor de NPO om eventueel een omroeporganisatie aan te wijzen ombepaald aanbod te verzorgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33314 In het huidige bestel gaat het opstellen van het concessiebeleidsplanvooraf aan het indienen van de erkenningsaanvragen van omroepen. Inhet concessiebeleidsplan beschrijft de publieke omroep hoe hij dekomende vijf jaar uitvoering wil geven aan de publieke mediaopdracht. Erwordt in het nieuwe bestel aan omroepen gevraagd vijfjaarlijksgezamenlijk een «aanbodplan» in te dienen. Zoals beschreven bijonderdeel 4.1 moet uit dit plan blijken dat zij gezamenlijk de huidige en dete verwachten pluriformiteit en behoeften van de samenleving kunnenvertalen naar aanbod. Het concessiebeleidsplan wordt vervolgensopgesteld, mede op basis van en in lijn met het aanbodplan van deomroephuizen. Hiermee wordt verzekerd dat de strategische doestellingenvan het geheel goed aansluiten bij de ambities en doelstellingen van deomroephuizen.Daarnaast wil ik in samenspraak met omroepen en de NPO-organisatieverder verkennen op welke manier omroephuizen in een nieuw bestelbeter aangesloten kunnen zijn op de strategische besluitvorming. Daarbijwil ik bijvoorbeeld kijken naar manieren om het opstellen van strategischedocumenten meer een gezamenlijke taak te laten zijn dan nu het gevalis.16 Hierbij staat voorop dat rollen en bevoegdheden helder zijn:uiteindelijk moet voor alle partijen duidelijk zijn wie uiteindelijk besluitenneemt. Voorkomen moet worden dat besluiten niet genomen worden ofdat de optelsom van deelbelangen prevaleert boven die van degezamenlijkheid.5. Overige thema’s van belang bij deze hervorming Hierboven heb ik mijn maatregelen toegelicht als het gaat om dehervorming van de inrichting van het bestel. Er zijn een viertal anderethema’s die niet direct raken aan de inrichting van het bestel, maar waar ikook maatregelen voorstel die samenhangen met de inrichting van hetbestel.5.1. Bezuinigingen en duurzame financiering publieke omroep In het hoofdlijnenakkoord is een structurele bezuiniging op de landelijkepublieke omroep van € 100 miljoen per jaar aangekondigd, die ingaatvanaf 2027. In het debat met uw Kamer over de onderwijsbegroting is hetamendement van de leden Bontenbal (CDA), Bikker (CU), Stoffer (SGP) enEerdmans (JA21) aangenomen, waarin de rijksmediabijdrage voor delandelijke publieke omroep per 2027 met € 50 miljoen extra wordtverlaagd.17 Daarbij wordt de regering gevraagd de mogelijkheden ominkomsten uit (online) reclame bij de landelijk publieke omroep tegenereren, te vergroten, en zo die additionele structurele verlaging op tevangen. Tot slot is als onderdeel van de invulling van de subsidietaak-stelling besloten om de bekostiging van de landelijke publieke omroep per2027 met circa € 7 miljoen te korten. Eventuele frictiekosten die ontstaanals gevolg van de hierboven geschetste bezuiniging en hervormingworden binnen de bestaande middelen gedekt. Indien nodig kan deAlgemene Mediareserve hiervoor worden ingezet.De landelijke publieke omroep ontvangt daarmee vanaf 2027 structureelcirca € 157 miljoen per jaar minder financiering uit de rijksmediabijdrageop een totaal van € 805 miljoen rijksmediabijdrage dat de publiekeomroep in 2025 vanuit OCW ontvangt. De precieze hoogte van derijksmediabijdrage voor de publieke omroep in 2027 hangt af van dehoogte van de indexatie van de komende jaren. De genoemde bedragenhouden hier nog geen rekening mee. Omdat de minimale hoogte van de16Het gaat hier bijvoorbeeld over strategische documenten als het concessiebeleidsplan, debegroting, de terugblik en het interne mediajaarplan.17Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 141.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33315 rijksmediabijdrage is vastgelegd in de Mediawet 2008, betekent dit dathiervoor een wetswijziging nodig is. Ik ben voornemens deze wetswij-ziging rond het einde van dit jaar of begin 2026 bij uw Kamer in te dienen.Naast de rijksmediabijdrage ontvangt de NPO vanuit OCW in 2025 ook€ 153 miljoen uit Ster-inkomsten. Als reactie op de vraag uit hetamendement van Bontenbal c.s. om de (online) reclameruimte tevergroten, heb ik de toezegging uit mijn Mediabegrotingsbrief 2025herhaald dat ik eerst een impactanalyse ga uitvoeren.18 Met deze analysewil ik inzicht krijgen in de gevolgen van het vergroten van de reclame-ruimte bij de landelijke publieke omroep voor private mediapartijen alsRTL en Talpa. Mede op basis van de uitkomsten van deze impactanalysega ik een besluit nemen over de toekomstige rol van reclame bij hetfinancieren van de landelijke publieke omroep en zal ik reflecteren op deverschillende financieringsmodellen. Ik wil uw Kamer hierover voor dezomer van 2025 informeren.Ik wil benadrukken dat de aanleiding voor de impactanalyse niet alleen devraag uit het amendement is om de wettelijke mogelijkheden voorreclame te verruimen om het mogelijk te maken de additionele kortingvan € 50 miljoen per jaar vanaf 2027 (deels) op te vangen. Ook zonder ditamendement bestond al de noodzaak een besluit te nemen over deduurzaamheid van de financiering van de landelijke publieke omroep ende rol van reclame hierbij. Dit komt omdat er steeds minder lineairetelevisie wordt gekeken. Als gevolg daarvan zullen de opbrengsten van dereclame op de lineaire kanalen structureel dalen. De opbrengsten uitSter-reclame zullen bij ongewijzigd beleid dus afnemen waardoor erminder opbrengsten uit reclamegelden beschikbaar zullen zijn voor hetfinancieren van de landelijke publieke omroep.Ik zal deze constatering betrekken bij het besluit dat ik neem over detoekomstige rol van reclame bij het financieren van de landelijke publiekeomroep. Een stabiele langjarige financieringspositie is van groot belangvoor de landelijke publieke omroep om zijn publieke mediaopdracht naarbehoren te kunnen uitvoeren. Zonder aanpassing van de wettelijke kadersvoor reclame is de besparing vanaf 2027 € 157 miljoen. Afhankelijk vanhet eindelijke besluit over de toekomst van reclame op de landelijkepublieke omroep, kan dit teruglopen naar € 107 miljoen.De NPO en de omroepen zijn onder eindverantwoordelijkheid van de NPOgezamenlijk aan de slag gegaan met het uitwerken van de voorstellenvoor de invulling van de besparingen. Ik wil hierbij wel aangeven dat devoorgestelde hervorming in deze brief niet gaat leiden tot het geheelkunnen oplossen van de hierboven genoemde besparingsopdracht.Hoewel ik verwacht van NPO en omroepen dat zij proberen de program-mering zoveel mogelijk te ontzien, kan dit bedrag niet volledig wordengevonden in organisatorische maatregelen. De bezuinigingen gaan ooktwee jaar eerder in dan het nieuwe bestel dat op zijn vroegst in 2029 kaningaan. Het is daarmee onvermijdelijk dat het aanbod geraakt zal wordendoor deze bezuinigingen. Ik begrijp dat de besparingsopdracht leidt totonzekerheid bij omroepen en medewerkers. Ik word over de voortgangvan het invullen van de bezuinigingen regelmatig geïnformeerd. Ik zal deTweede Kamer in de aankomende mediabegrotingsbrief over dezevoortgang informeren.5.2 Extern toezicht In ons publieke mediabestel is extern toezicht van belang. Het vormt hetsluitstuk in een breder systeem van checks and balances dat waarborgtdat de publieke mediaopdracht uitgevoerd wordt. Goede verantwoording,zelfregulering en intern toezicht zijn in dat systeem andere belangrijkewaarborgen. Als Minister ligt bij mij de stelselverantwoordelijkheid voor18Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 53.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33316 het geheel van het publieke bestel waarbij extern, onafhankelijk toezichtvan groot belang is. Uw Kamer kan mij immers ter verantwoordingroepen over de uitvoering van publieke taken; in dit geval de publiekemediaopdracht. Dat het extern toezicht daar uiteindelijk op toeziet, is duseen belangrijk instrument. Daarbij moet gezegd dat ik wel een bepaaldevolgorde zie in het uitwerken van deze hervorming: de keuzes voor hettoezicht moeten logischerwijs volgen uit de keuzes voor het bestel.Daarom deel ik nu een aantal uitgangspunten met uw Kamer. Ik zal deverdere vormgeving van het toezicht parallel uitwerken aan de inrichtingvan het bestel.Allereerst moet de toezichthouder onafhankelijk kunnen opereren.Onafhankelijk betekent vrij van ongepaste beïnvloeding door zowelparlement en De Minister, als door de sector waar toezicht op gehoudenwordt. Ten tweede is voor toezicht op de audiovisuele mediasectorartikel 7, tweede lid, tweede volzin van de Grondwet van groot belang: hetcensuurverbod. Dat verbod heeft alles te maken met de persvrijheid diewij met elkaar hebben te beschermen. Media-aanbod vooraf aan toezichtonderwerpen is nadrukkelijk verboden. Hieraan wordt niet getornd.Momenteel ligt het externe toezicht op de omroepen bij het Commissa-riaat.19 Een belangrijke gedachte van de hervorming die ik beoog is hetpublieke bestel meer op afstand van parlement en De Minister te plaatsen.Daarvoor is de onafhankelijkheid van de toezichthouder belangrijk.Daarnaast wil ik toezichttaken duidelijk beleggen bij de onafhankelijke,externe toezichthouder: ik wil taken op het vlak van toezicht enhandhaving meer in één hand brengen dan nu het geval is. Ik ben nietvoor het opsplitsen van die taken. Ten derde moet het toezicht uiteraardaansluiten bij de nieuwe inrichting van het bestel en de nieuwe wettelijkeeisen die ik wil stellen aan de partijen binnen dat bestel. Tot slot moet eentoezichthouder voldoende toegerust zijn om zijn taken te kunnenuitvoeren. Het instrumentarium dat een toezichthouder tot zijnbeschikking heeft moet hem in staat stellen zijn taken te vervullen. Eentoezichthouder zonder tanden is immers in niemands belang.In het kader van de hervorming van het landelijke bestel overweeg ik deinstitutionele onafhankelijkheid van de toezichthouder te versterken tenopzichte van de huidige regeling. Op dit moment heb ik als Minister opgrond van de Mediawet 2008 en op grond van de Kaderwet zelfstandigebestuursorganen, als onderdeel van het sturingsinstrumentarium in diewet, een bevoegdheid tot het schorsen en het vernietigen van besluitenvan het Commissariaat. Deze bevoegdheid verhoudt zich wat mij betreftniet goed met de onafhankelijkheid van de toezichthouder. Ik wil verze-keren dat er voor een bewindspersoon geen route bestaat om via detoezichthouder oneigenlijk in te grijpen in de onafhankelijke media.Het rapport van het Adviescollege gaat ook in op het extern toezicht. Indat rapport stelt het Adviescollege voor een Autoriteit Publieke Media(hierna: APM) op te richten, die als onafhankelijke autoriteit boven departijen staat, en zich zou moeten buigen over toetreding, verantwoordingen uittreding.20 Deze autoriteit zou de plaats van het Commissariaat in hetbestel overnemen; overige taken van het Commissariaat zouden volgenshet Adviescollege overgeheveld kunnen worden naar andere markttoe-zichthouders.Ik onderschrijf volledig het belang dat het Adviescollege hecht aanonafhankelijk toezicht, en een onafhankelijke manier van beoordeling vande publieke omroep. Ik ben echter niet overtuigd van de noodzaak eennieuwe autoriteit op te richten. Het Adviescollege beoogt vooral detoetreding buiten de invloed van de politiek te brengen. Dat uitgangspuntonderschrijf ik, maar van toetreding is in het bestel zoals ik dat voor ogen19Het Commissariaat voor de Media is een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan meteigen rechtspersoonlijkheid waarop de Kaderwet ZBO’s van toepassing is.20Kamerstuk 32 827, nr. 287Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33317 heb geen sprake meer. Bovendien miskent dit voorstel de andere takenvan de huidige toezichthouder binnen het mediabestel in den brede. Methet Commissariaat hebben we een onafhankelijke toezichthouder die, netals de APM uit het advies, een zelfstandig bestuursorgaan is en die oponafhankelijke en professionele wijze toezicht kan houden op de media-sector als geheel. Daarnaast vind ik het splitsen van het toezicht voor hetpublieke bestel enerzijds en voor commerciële aanbieders anderzijds nietbijdragen aan effectief, integraal en efficiënt toezicht. Een voorbeeld is dathet Commissariaat momenteel ontwikkelingen in kaart brengt voor hetgehele medialandschap, zoals recentelijk de nieuwsconsumptie vanjongeren. Zulke inzichten dragen bij aan de beleidsontwikkeling op mijnministerie, brengen relevante inzichten aan de sector en stimulereneffectief toezicht. Dit neemt niet weg dat in de aanloop naar hethervormde bestel een majeure inspanning van het Commissariaat wordtgevraagd om zijn rol daarbinnen met verve te kunnen vervullen.Daarnaast zal, zoals in de recente evaluatie van de toezichthouder al naarvoren kwam, het samenspel tussen departement en Commissariaatcruciaal zijn voor de effectiviteit van het toezicht in de nieuwe situatie.21Met de keuze voor een sterkere inrichting van het Commissariaat als enigtoezichthouder op de landelijke publieke omroep, hangt voor mij eenaantal essentiële veranderingen samen. Het duidelijk beleggen vanverantwoordelijkheden en taken, ook op het vlak van toezicht, handhavingen sanctionering, is noodzakelijk. In het huidige bestel heeft de NPO ookbevoegdheden die op het grensvlak van sturing enerzijds en toezicht enhandhaving anderzijds liggen.22 Bevoegdheden om sancties op te leggenwegens niet-naleving van wettelijke eisen horen bij een toezichthouder,niet bij de NPO. Daarmee voorkom ik dat NPO en het Commissariaat doordeels overlappende bevoegdheden in elkaars vaarwater terechtkomen.Hiermee wil ik ook uitvoering geven aan de motie van het lid Mohandis(GroenLinks/PvdA).23Mijn derde punt ziet op de aansluiting van het toezicht op het nieuwebestel. Terecht stipte het Adviescollege aan dat onafhankelijk toezicht opverantwoording enerzijds en toetreding en uittreding anderzijds noodza-kelijk is. Op het punt van verantwoording heb ik eerder in deze briefaangegeven dat ik voorstander ben van een transparanteverantwoordings- en beoordelingssystematiek waarin een evaluatiecom-missie een rol heeft. Een evaluatie hoort ook consequenties te hebben.Daar hoort wat mij betreft ook een rol voor de toezichthouder bij die ikgedetailleerder zal uitwerken parallel aan het vormgeven van deverantwoordings- en beoordelingssystematiek zelf.In het bestel zoals ik dat voor ogen heb, is van toetreding en uittredinggeen sprake meer. Dat brengt wel de vraag met zich mee welkewaarborgen op dat punt nodig zijn om in een uiterste geval toch in tekunnen grijpen. In het huidige bestel is voor dit soort situaties geregelddat, op basis van een beperkt aantal wettelijke gronden, de Minister kanbesluiten een erkenning in te trekken. Daar zal in het nieuwe bestel geensprake meer van zijn omdat omroephuizen een vaste plek in het bestelhebben waarmee deze mogelijkheid vervalt. Het Commissariaat heeft opgrond van de Mediawet 2008 een aanwijzingsbevoegdheid wanneer ersprake is van wanbeheer. Ik ga onderzoeken of deze aanwijzingsbe-voegdheid ook in het bestel zoals ik dat voor ogen heb, voldoendemogelijkheden biedt én met voldoende waarborgen omkleed is, om in eenuiterste geval te kunnen ingrijpen bij omroepen. Ik wil daarbij ook de21Kamerstuk 25 268, nr. 228.22Bijvoorbeeld artikel 2.154 van de Mediawet 2008.23Kamerstuk 32 827, nr. 276.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33318 vraag betrekken wat de reikwijdte van het toezicht en de sanctiemogelijk-heden moeten zijn als het gaat om de naleving van de publieke mediaop-dracht.Daarnaast zal de toezichthouder moeten kunnen toezien op een aantalnieuwe taken van de spelers in het bestel. Dat gaat onder andere over deonderlinge samenwerking bij de uitvoering van de bij hen gezamenlijkberustende publieke media-opdracht en de verantwoordelijkheid omnieuwe geluiden een plek te geven in het bestel. Daarnaast heb ik eerderin deze brief aangegeven wat ik op het gebied van governance en goedbestuur van de omroephuizen, en de koppeling van verenigingen daaraan,wil regelen. Daar hoort ook goed toezicht op gehouden te worden. Ik gadaarom regelen dat het Commissariaat kan ingrijpen wanneer het aan dejuiste inrichting van de governance van de omroephuizen ontbreekt. Hettoezicht volgt daarbij op de uitwerking van het nieuwe wettelijke kader.Deze keuzes moeten wat mij betreft leiden tot een Commissariaat «mettanden». Uiteraard ben en blijf ik met het Commissariaat in gesprek overal deze maatregelen opdat we, binnen de kaders van de mediavrijheid, hettoezicht op een nieuw bestel zo onafhankelijk en effectief mogelijkinrichten.5.3 Journalistiek Zoals ik al in de inleiding van deze brief heb aangegeven, is het journalis-tieke aanbod van de publieke omroep een belangrijk onderdeel van depublieke taak. Betrouwbare informatie is in een democratische rechtsstaatvan wezenlijk belang. Er is de laatste jaren veel discussie over journa-listiek, hoe deze tot stand komt, wie het nieuws brengt en of het teeenzijdig is. Deze discussie raakt aan de taak van (de journalistiek van) depublieke omroepen. Daarom vind ik het nodig deze functie in het bestel teverstevigen. Ik ben hierover in gesprek gegaan met de NPO, deOmbudsman Publieke Omroepen, de Nederlandse Vereniging vanJournalisten (NVJ), de Raad voor de Journalistiek en het Commissariaat.Ik constateer dat het systeem van zelfregulering ten aanzien van journalis-tieke kwaliteit in algemene zin goed functioneert. Tegelijkertijd constateerik dat er maatregelen getroffen kunnen worden om de weerbaarheid,onafhankelijkheid en betrouwbaarheid van dit systeem als geheel teverstevigen. Ik doe hiervoor twee voorstellen: ik wil de Ombudsman beterpositioneren en ik wil aanvullende eisen aan het redactiestatuut te stellen.Deze twee maatregelen licht ik hieronder toe.De Ombudsman onderzoekt op basis van klachten of uit eigen bewegingof de journalistieke redacties van de publieke omroepen zich houden aande Journalistieke Code (hierna: Code).24 De Ombudsman kan zijn werkgoed doen maar het feit dat de Ombudsman benoemd wordt door deRaad van Bestuur van de NPO en het budget via de NPO loopt, draagt nietbij aan heldere checks and balances. Een geheel onafhankelijke positievan de Ombudsman moet dit verhelpen. Ik wil daarom ervoor zorgen dater een onafhankelijke stichting Ombudsman wordt opgericht. Dezestichting wordt in de wet opgenomen, waarbij de taken en bevoegdhedenvan de Ombudsman concreter dan nu worden beschreven. De benoe-mingsprocedure zal ik daarbij verder uitwerken. Belangrijkste element isdat geborgd wordt dat er draagvlak is bij alle omroepen voor de inhoudvan de Code en voor de Ombudsman als gezaghebbend (zelfregulerend)orgaan. De Ombudsman behoudt de huidige taken om klachten inbehandeling te nemen, daarover uitspraak te doen, de betreffenderedacties hierop aan te spreken en ongevraagd te kunnen adviseren. Als24Dit betreft een code opgesteld door de landelijke publieke omroepen die geldt voor hetjournalistiek handelen van de landelijke publieke omroepen voor aanbod op het gebied vannieuws, informatie en educatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33319 nieuwe taak wil ik introduceren dat de Ombudsman verplicht wordtjaarlijks een verslag over de naleving van de Code te publiceren. Deomroepen zullen worden verplicht jaarlijks in hun jaarverslag te rappor-teren over hoe zij de code hebben nageleefd en waarom ze er eventueelvan zijn afgeweken volgens het principe «pas toe of leg uit.» Met dezemaatregelen wordt de Ombudsman versterkt en kan zo zijn positie alsgezaghebbend orgaan van zelfregulering beter uitoefenen. Deze maatre-gelen vinden plaats binnen de beschikbare middelen.Mijn tweede maatregel betreft het redactiestatuut. Het Commissariaatheeft onderzoek gedaan naar redactiestatuten van omroepen.25 Op basisvan dit onderzoek constateerde het Commissariaat dat de bepaling in deMediawet 2008 over het redactiestatuut ruimte laat voor interpretatie.Daarom zal ik als maatregel concreter uitwerken aan welke eisen hetstatuut minimaal moet voldoen, om zo een onafhankelijke redactie tekunnen borgen die de kwaliteitsstandaarden naleeft die in de Code zijnopgenomen. Op deze manier krijgt het Commissariaat een concreettoezichtkader en kan het toetsen of de redactiestatuten daaraan voldoenen of hier in de praktijk ook daadwerkelijk invulling aan wordt gegeven.De maatregelen ter versterking van de positie van de Ombudsman en teruitbreiding en concretisering van de eisen voor het redactiestatuut zal ikde komende tijd verder uitwerken in overleg met alle betrokkenen.Met betrekking tot journalistiek heeft mijn ambtsvoorganger tweeadditionele voorstellen gedaan. Het ging hier om het voorstel het nalevenvan de Code als toetredingseis voor omroepen te introduceren én hetnaleven van Code als een zelfstandig vereiste in de Mediawet 2008 teverankeren. Dat zou handvatten bieden om effectief handhavend op tetreden en in het uiterste geval een omroep uit het bestel te zetten.Aangezien ik in een hervormd bestel niet langer uit wil gaan van het toe-en uittreden van organisaties, is het onderschrijven van de Code voortoetreding tot het bestel niet langer aan de orde. Met betrekking tot detweede toezegging, het naleven door omroepen als zelfstandig vereisteopnemen in de Mediawet 2008, wil ik het volgende opmerken.Ik vind het goed dat de sector zelf zeggenschap heeft over wat kwalitatiefgoede journalistiek is. Zoals de Mediawet 2008 ook aangeeft in het artikelover de publieke mediaopdracht: «publiek media-aanbod moet voldoenaan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen die binnen desector gehanteerd worden». Dat zijn de omroepen zelf, en nu ook hetCollege van Hoofdredacteuren, de Ombudsman en de Raad voorJournalistiek.26 In gesprekken met de sector hebben zij ook gewezen opde waarde van zelfregulering. Die waarde zie ik ook. Op dit moment ziethet Commissariaat toe op de naleving van de publieke mediaopdrachtwaar ook de journalistieke en professionele kwaliteitseisen onder vallen.27Tegelijkertijd wil ik bezien wat de voorgestelde inrichting van het bestelvraagt aan checks and balances ten aanzien van de borging van kwalita-tieve journalistiek en de rol die de Code hierbij moet hebben. Metbetrekking tot extern toezicht heb ik in de paragraaf hierboven alaangegeven dat ik wil onderzoeken welke waarborgen nodig zijn om ineen uiterste geval toch in te kunnen grijpen bij omroephuizen nu zij eenvaste plek zullen hebben in het bestel. Ik wil hier in het kader vanjournalistiek ook de vraag betrekken wat de reikwijdte van het toezichtmoet zijn als het gaat om de borging van kwalitatief hoogstaande25Commissariaat voor de Media, 2021: «Het redactiestatuut bij aanbieders van audiovisuelemediadiensten.»26In januari 2025 hebben de omroepen op eigen initiatief dit College opgericht. Dit College ziethet vooral als zijn rol om te wijzen op het belang van onafhankelijke journalistiek en plurifor-miteit in de media.27Artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder e Mediawet 2008.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33320 journalistiek bij de publieke omroep zoals dat is omschreven in depublieke mediaopdracht.5.4 Versterken positie publieke omroep ten opzichte van digitale spelers(vindbaarheid, zichtbaarheid en herkenbaarheid) 5.4.1 Wettelijk borgen gegarandeerde zichtbaarheid (prominentie) De voorgestelde wijzigingen moeten de publieke omroep beter wortelenin de maatschappij en moeten de huidige bestuurlijke moeilijkhedenwegnemen. Het is echter ook van belang te kijken naar de zichtbaarheid,vindbaarheid en herkenbaarheid van de publieke omroep in de digitaleomgeving. In het huidige digitale tijdperk, met een steeds ruimermedia-aanbod en een meer versnipperd internationaal medialandschap, ishet steeds lastiger voor de publieke omroep om zijn aanbod en dienstenbij het publiek te krijgen. Om deze reden zal ik de komende tijd demogelijkheden tot het introduceren van zogeheten prominentiemaatre-gelen binnen het huidige wettelijke kader verder onderzoeken. Dit is ookbenoemd in het regeerprogramma. Ook de WRR pleit in zijn recenterapport voor prominentiemaatregelen voor aanbod van publiek belang.28Vanuit het onderzoek wil ik bekijken wat de reikwijdte van wettelijkgeborgde prominentie zou moeten zijn en welke diensten en welk aanboddaarvoor in aanmerking zouden moeten komen. Bij de gesprekkenhiervoor zal ik zowel publieke als private mediaorganisaties betrekken, enook het Commissariaat. De ervaringen die reeds zijn opgedaan door eenklein aantal andere EU-lidstaten die recentelijk (in concept) prominentie-maatregelen hebben geïntroduceerd, vormen voor dit onderzoek eengoed startpunt. In de kabinetsreactie op het WRR-rapport zal ik naderingaan op dit onderwerp.5.4.2 Rol van gatekeepers Daarnaast wil ik kijken naar de rol van (internationale) gatekeepers entelevisiefabrikanten die een belangrijke rol spelen in de distributie vanNederlands aanbod en diensten. Ik denk hierbij aan partijen als Google enMeta maar ook aan televisiefabrikanten als Samsung en LG. Ik zal naaraanleiding van ontvangen signalen daarbij kijken of de onderhandelings-positie van Nederlandse mediaorganisaties onder druk staat wat betreftcontractuele voorwaarden die deze partijen stellen en hoe zij de positio-nering van Nederlands aanbod en diensten beïnvloeden. Ook hierover zalik het gesprek voeren met zowel publieke als private partijen om teonderzoeken of wettelijke interventies op dit terrein opportuun zijn.6. Effecten van maatregelen: samenvatting en conclusies Uiteindelijk draait de kern van de hervorming om het volgende: kijkers enluisteraars moeten, ook in een digitale omgeving, kunnen rekenen op eenNederlandse publieke omroep die kwalitatief, betrouwbaar en pluriformaanbod brengt op een manier die aansluit bij hun mediagedrag. Deze taakis in eerste instantie aan de publieke omroep zelf. Omroepen, makers,producenten en NPO dienen gezamenlijk deze taak te vervullen en zichdaarbij voortdurend af te vragen welke aanpassingen in het aanbod,kanalen en distributiestrategie nodig zijn om deze belangrijke taak tevervullen. Zij hebben de benodigde kennis, ervaring en expertise om dezestrategieën vorm te geven en te implementeren. Het is bovendien voor deonafhankelijkheid van de publieke omroep van groot belang dat depolitiek niet in het programmeerproces en de strategievorming treedt.28Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2024) Aandacht voor media. Naar nieuwewaarborgen voor hun democratische functies. WRR-rapport 111. Den Haag: WRR.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33321 Met de maatregelen die ik hierboven uiteengezet heb, draagt dewetgever bij aan het goed kunnen uitvoeren van deze taak door hetop orde brengen van de randvoorwaarden daarvoor. De voorge-stelde maatregelen lossen de huidige knelpunten zoals uiteengezetin paragraaf 3 op. In het bestel en de bijbehorende beoordelingssys-tematiek komt, naast pluriformiteit, meer aandacht voor anderepublieke waarden (knelpunt 1). Ik zorg voor meer rust en stabiliteit inhet bestel door het aantal bestuurlijke spelers te verminderen enomroephuizen een vaste plek te geven in het bestel. Omroepenkrijgen daarbij nadrukkelijker de opdracht een bijdrage te leverenaan de doelen van het geheel (knelpunt 2). Het systeem vanerkenningscriteria wordt losgelaten, omroepen krijgen in plaatsdaarvan de opdracht maatschappelijk geworteld te zijn engezamenlijk de in de samenleving levende behoeften en perspec-tieven in aanbod te vertalen (knelpunt 3 en 4). Ik bevorder deslagkracht van omroepen door het aantal omroeporganisaties terugte brengen (knelpunt 5). Ten slotte maak ik de rol van de NPO kleineren versterk ik de invloed van omroepen op de programmatische enstrategische besluitvorming (knelpunt 6). Deze maatregelen leidengezamenlijk tot een efficiënter bestel dat beter is uitgerust om deuitdagingen in het digitale landschap het hoofd te bieden. Samenmet het versterken van de journalistieke functie (paragraaf 5.3) enhet onderzoeken van prominentiemaatregelen en de rol vangatekeepers (paragraaf 5.4) wordt de publieke omroep beterzichtbaar, vindbaar en herkenbaar (uitdaging 2) en kan hij beter zijnfunctie van een publieke ruimte vervullen (uitdaging 1).Op deze manier geeft deze hervorming ook uitvoering aan de motie vanhet lid Ceder (CU) die verzoekt in samenspraak met de NPO, omroepen enhet Commissariaat een strategie uit te werken hoe de NPO het beste kaninspelen op de genoemde technologische ontwikkelingen als kunstmatigeintelligentie om de publieke mediaopdracht zo goed mogelijk uit tevoeren.297. Vervolgstappen Ik ga graag met uw Kamer in gesprek over de in deze brief gedanevoorstellen. Zoals ik aan het begin van de brief schreef, vergt een aantalthema’s nog nadere uitwerking in de volgende fase. Het gaat bijvoorbeeldover het proces om te komen tot omroephuizen, de governance binnenomroephuizen, het verbeteren van de verantwoordings- en beoordelings-systematiek en de rolverdeling tussen NPO en omroepen. Ik ga over dezeonderwerpen graag met NPO, omroepen, het Commissariaat en de Raadvoor Cultuur nader in gesprek. Ik blijf daarnaast in gesprek met commer-ciële partijen over samenwerking tussen publieke en private partijen en deoverige thema’s binnen deze hervorming die hen raken. Hiermee geef ikook uitvoering aan de motie van het lid Van der Velde (PVV).30Uiteindelijk zullen deze voorstellen hun beslag krijgen in een wetsvoorstelom de Mediawet 2008 aan te passen. Daaropvolgend zullen ookprocessen binnen de landelijke publieke omroep moeten wordenaangepast. Het gaat hierbij namelijk om een verregaande aanpassing vande Mediawet 2008. Ik verwacht dat het voorstel mogelijk met de EuropeseCommissie moet worden besproken omdat de nieuwe inrichting van hetbestel wellicht raakt aan de Europese staatssteunregels. Tegelijkertijd is deplanning voor het indienen van het wetsvoorstel krap. De huidigewettelijke systematiek vraagt dat ongeveer twee jaar voor de start van eennieuwe erkenningperiode de nieuwe kaders voor NPO en omroepen29Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 126.30Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 116.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33322 duidelijk zijn, zodat zij zich hier op kunnen voorbereiden. Bij de verdereuitwerking van het wetsvoorstel wil ik kijken wat hiervoor het tijdpadprecies is en hoe zich dit verhoudt tot het gegeven dat de ingang van eennieuw bestel gekoppeld is aan de start van een nieuwe erkenningperiode.Hoe dan ook vraagt dit van mij dat ik voor deze hervorming in het vroegevoorjaar van 2026 een wetsvoorstel in internetconsultatie kan brengen.Wellicht ten overvloede vermeld ik dat bovenstaand proces afhankelijk isvan het aannemen van het wetsvoorstel om de huidige erkenningperiodemet twee jaar te verlengen.31 Als dit voorstel niet of niet tijdig wordtaangenomen, betekent dit dat een hervorming van het bestel pas in kangaan na een volledig nieuwe erkenningsperiode van vijf jaar, dus in 2032.Dit zou ook betekenen dat er een nieuwe ronde plaatsvindt van hetverlenen van erkenningen conform de huidige systematiek. Hierbij speeltook de problematiek rondom de samenwerkingsomroepen zoals eerderaan de Kamer gemeld.32 Volgens de huidige regels moeten omroepenuiterlijk 1 februari 2026 hun erkenningaanvragen indienen bij hetCommissariaat. Daarnaast moet vast komen te staan dat omroepen dieeen aanvraag indienen het benodigde ledenaantal halen. Aangezien dehuidige Mediawet 2008 nog steeds van kracht is, had ik geen anderemogelijkheid dan de peildatum voor het tellen van de leden nu al vast testellen op 28 februari 2026. Als het wetsvoorstel om de huidige erkenning-periode te verlengen niet (tijdig) wordt aangenomen, betekent dit namelijkdat omroepen zich moeten voorbereiden op deze ledentelling en dat eenaantal omroepen campagnes zullen opstarten. Dit is, gelet op devoorstellen in deze brief, verspilling van tijd en middelen.8. Tot slot In deze brief heb ik verschillende maatregelen voorgesteld die delandelijke publieke omroep beter laat aansluiten bij het veranderdemedialandschap en de veranderde samenleving. Een aantal van dezemaatregelen grijpt fundamenteel in op de wijze waarop de landelijkepublieke omroep is georganiseerd en heeft verstrekkende gevolgen voorde mensen en organisaties die daar nu deel van uitmaken. Daar ben ik mijterdege van bewust. Maar als we willen dat de publieke omroep eenonmisbare rol blijft spelen in de Nederlandse samenleving moeten webehouden wat waardevol is en durven veranderen wat noodzakelijk is.Met deze brief heb ik een koers uitgezet om dit te bewerkstelligen.Ik ga de komende tijd graag verder in gesprek met uw Kamer, de NPO,omroepen, het Commissariaat, de Raad voor Cultuur en commerciëlepartijen om deze hervorming nader uit te werken.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins31Kamerstuk 36 674, nr. 2.32Kamerstuk 32 827, nr. 240; Kamerstuk 32 827, nr. 299.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 33323

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · df6c564b363647d5

14 okt 2026 · 7e7db59086f0cbfb

13 okt 2026 · b83d7b079ddb4acc

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.