Beleidsreactie bij WODC-onderzoek 'De afweging van slachtoffer en daderbelangen bij langdurig toezicht'
Brontekst
Versie 857ad66cff1af0ca · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 552SlachtofferbeleidNr. 154 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 mei 2026Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «De afweging van slachtoffer- endaderbelangen bij langdurig toezicht. Een juridische verkenning enervaringen in de praktijk» en bijbehorende beleidsreactie aan. Dit rapportis opgesteld door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie-centrum (WODC).1. Aanleiding en doel onderzoek De Wet langdurig toezicht (Wlt) is in 2018 in werking getreden. Het doelvan deze wet is om effectiever en langduriger toezicht te houden opdaders van zedendelicten en zware geweldsmisdrijven wanneer zijre-integreren. Om zicht te krijgen op de manier waarop de Wlt in depraktijk wordt toegepast, is het WODC gevraagd een onderzoekspro-gramma op te stellen voor de evaluatie van de wet.1 Het onderhavigeonderzoek maakt deel uit van dit onderzoeksprogramma.Daarnaast zijn tijdens het wetgevingstraject twee moties aangenomenbetreffende slachtoffers en nabestaanden2:•De motie Van der Steur en Recourt3 verzoekt de regering, bij deuitwerking van het toezicht, ervoor te zorgen dat slachtoffers als zij datwensen door het Openbaar Ministerie (OM) over hun wensen voor deinvulling van het toezicht worden geraadpleegd. Aan deze motie wordtvoldaan doordat intussen de taakoverdracht van het OM naar hetCentraal Justitieel Incassobureau (CJIB) plaatsvindt en grotendeels isafgerond. In deze brief ga ik nader in op deze taakoverdracht.1https://www.wodc.nl/onderzoek-in-uitvoering/wetsevaluaties/evaluatie-wet-langdurig-toezicht2Wanneer in deze brief enkel wordt gesproken over slachtoffers, wordt tevens bedoeldnabestaanden.3Kamerstukken II 2013/14, 33 816, nr. 13. kst-33552-154ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1541 •De motie Van Oosten c.s.4 roept op bij de evaluatie van de Wlt grondigte bezien op welke wijze de belangenafweging die ziet op het recht opeen gezinsleven van de veroordeelde en de rechten en wensen vanslachtoffers, in de juridische praktijk vorm wordt gegeven. Middels ditonderzoek is invulling gegeven aan deze motie.Het overkoepelende doel van het onderzoek is om na te gaan wat derechten, beschermingsbehoeften en belangen van slachtoffers zijn tijdensde laatste fase van de tenuitvoerlegging van de straf en hoe deze – binnenhet kader van de Wlt-modaliteiten – worden afgewogen tegen de rechtenen belangen van de dader. Meer in het bijzonder is gekeken naar devoorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.), de voorwaardelijke beëindigingvan de dwangverpleging van de tbs-maatregel (VB) en de gedrags-beïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM). Aan deze driemodaliteiten kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden waaraande dader zich moet houden tijdens de periode van toezicht. Bij detenuitvoerlegging van deze drie Wlt-modaliteiten bestaat de wettelijkeverplichting om de belangen van slachtoffers, nabestaanden en dadertegen elkaar af te wegen.Er zijn drie onderzoeksdoelen geformuleerd:•Het in kaart brengen en analyseren van de beschermingsbehoeftenvan slachtoffers en nabestaanden bij de uitvoering van langdurigtoezicht;•Het in kaart brengen en analyseren van de rechten en belangen vanslachtoffers, nabestaanden, en daders bij de uitvoering van langdurigtoezicht;•Bepalen van de manier waarop de afweging van rechten, belangen enbeschermingsbehoeften van slachtoffers, nabestaanden en dadersthans wordt vormgegeven in de juridische praktijk bij de uitvoeringvan langdurig toezicht.2. Beperkingen van het onderzoek Ondanks de zorgvuldigheid bij de totstandkoming van dit rapport, issprake van een aantal beperkingen5 ten aanzien van de reikwijdte van deresultaten. Met de onderzoekers wijs ik erop dat slechts een beperkt aantalVB-beslissingen beschikbaar was (in totaal 46 zaken), zodat een aselectesteekproef niet mogelijk was. In VB-beslissingen is daarnaast beperktgemotiveerd hoe tegemoet wordt gekomen aan slachtofferrechten en-belangen. Ten aanzien van de GVM is door de onderzoekers opgemerktdat pas bij de beslissing tot tenuitvoerlegging de oplegging vanbijzondere voorwaarden aan de orde komt en dat er op dit moment nog teweinig tenuitvoerleggingsbeslissingen beschikbaar zijn om conclusies tekunnen trekken. Hoewel volgens de onderzoekers enige voorzichtigheid isgeboden bij het interpreteren van de analyse, kijk ik met interesse naar deresultaten.Ten slotte, constateer ik zelf nog dat het onderzoek is uitgevoerd terwijl detaakoverdracht van het informeren en raadplegen van slachtoffers in detenuitvoerleggingsfase van het OM naar het CJIB nog gaande is. Hoewelde onderzoekers deze taakoverdracht vermelden in het rapport enconcluderen dat een uitgebreide analyse van de huidige werkwijze tenaanzien van het informeren van slachtoffers niet opportuun is, gaan deconclusies en aanbevelingen uit van de oude situatie en geven daarmeeeen onvolledig beeld van de huidige situatie. In mijn beleidsreactie zal ikdaarop nader ingaan.4Kamerstukken II 2016/17, 33 552, nr. 31.5Zie pagina 16 en 132 e.v. van het rapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1542 3. Conclusies en aanbevelingen De onderzoekers trekken een aantal conclusies, waaronder het feitelijkvaststellen welke rechten slachtoffers hebben tijdens de tenuitvoerleg-gingsfase, welke mensenrechten van de dader een rol spelen en welkeslachtoffer- en delictfactoren van invloed kunnen zijn op beschermingsbe-hoeften in de tenuitvoerleggingsfase. Tevens stellen de onderzoekers vastdat de belangen van slachtoffers, die achter beschermingsbehoeftenkunnen zitten, uiteenlopen en per persoon verschillend zijn en dat hetmaken van de belangenafweging tussen rechten, belangen en bescher-mende maatregelen ten aanzien van slachtoffers, nabestaanden en dadersniet in een rechtsregel is te vatten. Er zijn wel enkele uitgangspunten, teweten: proportionaliteit, subsidiariteit, en maatwerk.Daarnaast wijzen de onderzoekers op de informatiebehoefte alsvoornaamste procedurele behoefte van slachtoffers tijdens de tenuitvoer-leggingsfase, het overbrengen van beschermingsbehoeften doorslachtoffers, de terugkoppeling over de opgelegde bijzonderevoorwaarden, de geringe afdwingbaarheid van slachtofferrechten en overrechtsbijstand in de tenuitvoerleggingsfase. Deze conclusies vormen debasis voor de aanbevelingen van de onderzoekers en worden verderop indeze beleidsreactie geadresseerd.Hieronder geef ik eerst een korte algemene beleidsreactie, waarna ik in gaop de verschillende aanbevelingen.4. Beleidsreactie De inzet vanuit de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2025–20286 is datslachtoffers van strafbare feiten vanuit de overheid erkenning en herstelwordt geboden. Een betrouwbare overheid zorgt ervoor dat aan hetslachtoffer toegekende rechten in de praktijk worden nageleefd en datgewekte verwachtingen niet worden beschaamd. Daarbij is duidelijk envoorspelbaar voor slachtoffers over wat wel en niet kan en wat onzeker is.De autonomie ligt bij het slachtoffer om – wanneer goed geïnformeerd –zelf te beslissen welke rechten het wil uitoefenen en van welke voorzie-ningen het in welke mate gebruik wil maken. Beleidsdoelen voor dekomende jaren zijn onder andere het vergroten van het slachtofferbe-wustzijn van professionals in de strafrechtketen, een duidelijke rechtspo-sitie in het strafproces en betere bescherming en ondersteuning vanslachtoffers waar nodig.Zowel slachtoffers als verdachten en veroordeelden hebben rechten diemoeten worden gerespecteerd. Daar waar de rechten van slachtoffers endaders elkaar kruisen, moet een belangenafweging worden gemaakt. Nietalleen moet voor slachtoffers duidelijk zijn bij welke beslissingen hunbelangen worden meegewogen en op welke wijze dat gebeurt, tevensmoet helder zijn dat dit niet altijd zal leiden tot het voor hen gewensteresultaat. In de communicatie richting slachtoffers is het noodzakelijkhierover realistisch te zijn om extra schade zoals secundaire victimisatieen herhaald slachtofferschap te voorkomen. Met de onderzoekers wijs ikerop dat de oplegging van bijzondere voorwaarden bij de drieWlt-modaliteiten maatwerk vereist, om zo goed mogelijk tegemoet tekomen aan de behoeften van slachtoffers en aan de belangen van allebetrokken partijen.6Kamerstukken II 2024/25, 33 552, nr. 137.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1543 Op basis van het verrichte onderzoek komen de onderzoekers tot eenviertal aanbevelingen. Deze aanbevelingen zien kort gezegd op deinformatievoorziening naar slachtoffers over hun rechten en eventuelebeschermingsbehoeften, de belangenafweging bij het al dan nietopleggen van door slachtoffers gewenste bijzondere voorwaarden en opeen uitbreiding van de financiële toevoeging voor rechtsbijstand doorslachtofferadvocaten. Hieronder geef ik mijn reactie op de aanbevelingen.4.1 Informeren en raadplegen slachtoffers De eerste en tweede aanbeveling zien op een betere informatievoor-ziening over de tenuitvoerlegging van de sanctie. Slachtoffers hebbenbehoefte aan het ontvangen van begrijpelijke, correcte, concreteen tijdige informatie. Het moet duidelijk zijn bij welke instantie slacht-offers terecht kunnen en welke beschermingsbehoeften zij kunnendoorgeven, maar ook dat dit geen garantie is dat bijzondere voorwaardenzullen worden opgelegd. De mogelijkheid tot een online portal – zoalsmijnslachtofferzaak.nl – waarin slachtoffers op hun eigen tempo hunbeschermingsbehoeften kunnen doorgeven, zou volgens de onderzoekerseen optie kunnen zijn. De tweede aanbeveling raakt – naast het infor-meren – ook aan het raadplegen van slachtoffers. De onderzoekersbevelen aan om proactief te informeren bij slachtoffers naar huneventuele beschermingsbehoeften.Ik onderschrijf het belang van een goede informatievoorziening naar hetslachtoffer, ook in de fase van de tenuitvoerlegging. Slachtoffers hebben –wanneer zij dat wensen – recht op informatie en op bescherming. Waar debeschermingsbelangen van slachtoffers meewegen in beslissingen overhet toekennen van vrijheden, moeten slachtoffers in de gelegenheidworden gesteld deze beschermingsbehoeften aan te geven. De verant-woordelijkheid voor het informeren van slachtoffers in de fase van detenuitvoerlegging lag tot voor kort bij het OM. Om ervoor te zorgen dathet slachtoffer in de tenuitvoerleggingsfase zo veel mogelijk éénorganisatie als aanspreekpunt heeft, is besloten om de taken van het OMover te dragen aan de Minister. Het CJIB geeft namens de Ministerinvulling aan deze taken. Gezien de omvang van de veranderopgaveworden de taken gefaseerd overgedragen. Een groot deel van detaakoverdracht is afgerond, wat heeft geleid tot het grotendeels invullinggeven aan de aanbevelingen.Het CJIB informeert slachtoffers sinds april 2024 schriftelijk over deonherroepelijke uitspraak in de strafzaak. Afhankelijk van de sanctie diedaarbij eventueel is opgelegd, ontvangt het slachtoffer ook uitleg over debetreffende sanctie en op welke momenten het slachtoffer informatieontvangt in de tenuitvoerlegging. Hiermee wordt invulling gegeven aande aanbeveling, om de algemene informatievoorziening aan slachtofferste verbeteren.Voor zowel de voorwaardelijke invrijheidstelling als de voorwaardelijkebeëindiging van de dwangverpleging geldt dat in de huidige situatie alinvulling wordt gegeven aan de aanbeveling om proactief naar debeschermingsbehoefte van het slachtoffer te vragen. Het CJIB informeertslachtoffers per brief wanneer zij hebben aangegeven op de hoogtegehouden te willen worden, waarbij wordt vermeld dat dit geen garantieis voor oplegging van een bijzondere voorwaarde. Slachtoffers wordengewezen op verschillende opties van beschermende voorwaarden die zijkunnen vragen en op de mogelijkheid van ondersteuning door SHN. Aande uitvraag voor beschermingsbehoeften is een reactietermijn van tweeweken verbonden. Eventueel buiten de termijn ontvangen beschermings-behoeften worden alsnog doorgegeven aan het OM zodat deze meege-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1544 wogen kunnen worden, mits het besluit op dat moment nog niet isgenomen. De aanbeveling om duidelijk aan te geven wat slachtofferskunnen doen als zij een overtreding van de opgelegde bijzonderevoorwaarde(n) constateren, wordt op dit moment door het CJIB verwerktin de brieven. Per 1 januari 2026 is de laatste tranche van de Wet straffenen beschermen geïmplementeerd, waarmee ook bij beslissingen overre-integratieverlof de slachtofferbelangen worden meegewogen op basisvan actuele slachtofferinformatie.Wanneer bij een tbs-verlengingszitting de voorwaardelijke beëindigingvan de dwangverpleging aan de orde is, raadpleegt het CJIB slachtoffersook over het gebruik van het beperkte spreekrecht. Na afloop van eentbs-verlengingszitting informeert het OM het slachtoffer over de uitkomsten de eventueel opgelegde bijzondere voorwaarden.Bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling informeert het CJIB hetslachtoffer vervolgens over het besluit van het OM om wel of geenvoorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen en over de eventuelebijzondere voorwaarden die zijn opgelegd. Tevens ontvangt het slacht-offer een brief over het einde van de detentie waarin opnieuw deeventuele bijzondere voorwaarden worden genoemd. Om een rauwelijkseconfrontatie te voorkomen, vindt deze communicatie plaats voorafgaandaan de daadwerkelijke invrijheidstelling. Mij zijn geen signalen bekend datdit in de praktijk structureel niet goed loopt.Als bij de beslissing om de GVM ten uitvoer te leggen bijzonderevoorwaarden worden opgelegd, informeert het OM het slachtoffer daar nuover. Hoewel nog niet gerealiseerd, zal ook het informeren en raadplegenvan slachtoffers over de GVM in de taakoverdracht worden meegenomenen worden belegd bij het CJIB.Door de onderzoekers wordt MijnSlachtofferzaak (MSz) genoemd om deinformatievoorziening aan slachtoffers te verbeteren. MSz is eenketenbreed slachtofferportaal van de politie, het OM, SHN, het Schade-fonds Geweldsmisdrijven (SGM) en het CJIB. Het doel van MSz is datslachtoffers op ieder moment overzichtelijk via één digitale inganginformatie kunnen vinden over de voortgang van hun zaak. Om dedienstverlening aan slachtoffers via MSz verder te verbeteren wordt dekomende jaren gewerkt aan de doorontwikkeling van Msz. Daarbij staathet slachtoffer centraal. Doel is dat MSz een grotere rol gaat spelen in hetdigitaal informeren van slachtoffers en het ontwikkelen van meerinteractiemogelijkheden voor slachtoffers, bijvoorbeeld om hun bescher-mingsbehoefte door te geven. Dit sluit aan bij de aanbeveling ombeschermingsbehoeften online door te kunnen geven. Het is overigens almogelijk om beschermingsbehoeften via de website van het CJIB door tegeven. De onderzoekers benoemen in hun aanbeveling dat door eenonline portaal slachtoffers op hun eigen tempo hun beschermingsbe-hoeften kunnen doorgeven. Het proactief uitvragen ervan is echter altijdgekoppeld aan de tijdlijn van een te nemen besluit over het verlenen vanvrijheden aan de veroordeelde.4.2 Belangenafweging inzichtelijk maken De derde aanbeveling ziet op het expliciet maken van de belangenaf-weging tussen rechten, beschermingsbehoeften en belangen vanslachtoffers en daders door een uitgebreide(r) motivering door de rechter,bijvoorbeeld door redenen te geven voor het wel of niet of in gewijzigdevorm opleggen van de door slachtoffers gewenste bijzonderevoorwaarden.Het recht op informatie is een fundamenteel slachtofferrecht. Het hebbenvan informatie kan slachtoffers het gevoel geven meer grip te hebben opde situatie en op het proces. Dit kan bijdragen aan procedurele rechtvaar-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1545 digheid. Het belang van expliciet en begrijpelijk motiveren voor slacht-offers wordt ook door de Rechtspraak onderschreven. Afgesproken is datintern aandacht wordt gevraagd voor de inhoud van het rapport en devoor de Rechtspraak relevante conclusies. Na bestudering zal deRechtspraak het rapport en de daaruit vloeiende aanbeveling nader internbespreken en bezien of verdere afstemming nodig is. Ik houd hierovercontact met de Rechtspraak en zal uw Kamer over de uitkomst naderinformeren.In dit verband stellen de onderzoekers tevens voor om te overwegen of debeslissingen van het Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheids-stelling (CVv.i.) over de verlening van een voorwaardelijke invrijheids-stelling openbaar kunnen worden gemaakt. Het doel van deze aanbe-veling lijkt te zijn dat slachtoffers meer inzicht krijgen in de motiveringachter de beslissing over het al dan niet (deels) opleggen van bescher-mende voorwaarden. Ik kan mij voorstellen dat bij slachtoffers eendergelijke behoefte bestaat in situaties waarin gevraagde beschermings-behoeften niet of gedeeltelijk zijn opgelegd. De aanbeveling omv.i.-beslissingen openbaar te maken zal ik echter niet onverkortovernemen, omdat in de taakoverdracht reeds is geregeld dat slachtoffersworden geïnformeerd over de v.i.-beslissing en de opgelegdevoorwaarden. Ik ga met betrokken partijen in gesprek om te bezien of ermogelijkheden zijn om ervoor te zorgen dat slachtoffers – indien gewenst– meer inzicht in de gemaakte belangenafweging kunnen krijgen wanneereen voorwaardelijke invrijheidsstelling is verleend. Uw Kamer wordt overde uitkomst geïnformeerd.4.3 Uitbreiding financiële toevoeging In de vierde en laatste aanbeveling wordt door de onderzoekers aandachtgevraagd voor een uitbreiding van de financiële toevoeging voorslachtofferadvocaten tijdens de tenuitvoerleggingsfase. Slachtoffers vanstrafbare feiten hebben het recht te worden bijgestaan bij het uitoefenenvan hun rechten. Ik onderschrijf het belang dat slachtoffers ook tijdens detenuitvoerleggingsfase kosteloze juridische ondersteuning kunnen krijgenbij de uitoefening van hun rechten, als zij dat wensen. Dit kan eraanbijdragen dat slachtoffers hun beschermingsbehoeften goed naar vorenkunnen brengen. Ook kan het zorgen voor een nog betere informatievoor-ziening over procedures, de inhoud van beslissingen en meer duide-lijkheid voor het slachtoffer over zijn rechten. In de wet is op dit momentnog niet expliciet vastgelegd dat het slachtoffer zich kan laten bijstaan inprocedures in de tenuitvoerleggingfase waar hij een verklaring kanafleggen. Om dit te verduidelijken, zal ik een voorstel doen via de tweedeaanvullingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.De Raad voor Rechtsbijstand voert hierop al wel begunstigend beleid,waardoor slachtofferadvocaten een financiële toevoeging kunnen krijgenop de momenten in de tenuitvoerleggingsfase waarop het slachtoffer eenverklaring kan afleggen. De bijstand door een advocaat is voor slacht-offers van gewelds- en zedenmisdrijven die onder artikel 44 lid 4 Wet opde rechtsbijstand vallen dan kosteloos.7 Ik ben in gesprek met de Raadvoor Rechtsbijstand over het nader vastleggen en publiceren van hetbeleid over een financiële toevoeging op de genoemde momenten in detenuitvoerleggingsfase, zodat dit nog beter kenbaar is. Het slachtofferwordt in de brieven van het CJIB ook actief gewezen op de mogelijkheidvan ondersteuning door SHN.7In art. 44 lid 4 Wrb is geregeld dat rechtsbijstand bij seksuele misdrijven en geweldsmisdrijvenkosteloos is als het slachtoffer overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmis-drijven in aanmerking komt voor een uitkering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1546 5. Ten slotte Ik zal mij blijven inzetten voor de naleving van slachtofferrechten doorprofessionals in de strafrechtketen, het behartigen van slachtofferbe-langen en duidelijkheid over hoe deze worden afgewogen tegen derechten en belangen van de dader.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,K.T. van BruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1547
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.