Carbon, Capture and Storage (CCS)
Brontekst
Versie 3573cba951b41979 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1505 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 maart 2025Carbon, Capture and Storage (CCS) gaat over het afvangen, transporterenen opslaan van CO2. Door CO2af te vangen en permanent diep onder dezeebodem geologisch op te slaan, komen deze emissies niet in deatmosfeer. CCS is daarom essentieel voor het behalen van de 2030CO2-reductiedoelstellingen, in het bijzonder voor sectoren waarCO2-emissies moeilijk te vermijden zijn, zoals chemische industrie,raffinaderijen en staalproductie. Dit maakt het op de korte termijnmogelijk uitstoot te verminderen, zelfs wanneer volledige elektrificatie ofandere emissiearme technieken (nog) niet haalbaar zijn. Op de langetermijn is CCS essentieel voor negatieve emissies en daarmee voor hetdoel van klimaatneutraal in 2050.Naast het belang van CCS voor CO2-reductie draagt CCS bij aan hetconcurrentievermogen van de Nederlandse industrie. Voor veel Neder-landse bedrijven betekent de energietransitie een grote uitdaging. Door degevolgen van CO2-uitstoot via CCS te mitigeren zonder direct te hoevenoverstappen op nog dure of onvolwassen technologieën helpt CCS deNederlandse industrie concurrerend te blijven. CCS maakt de overgangnaar een duurzame economie mogelijk, ondersteunt het behalen vanCO2-reductiedoelstellingen en zorgt ervoor dat de Nederlandse industriehaar concurrentievermogen behoudt. De ontwikkeling van CCS draagt ookbij aan de weerbaarheid van Nederland en het behoud van de industrie.Dit maakt CCS een belangrijk instrument voor dit kabinet.De voortgang van CCS in Nederland en EuropaDe Porthos-partijen en de klanten van Porthos hebben eind 2023 hunfinale investeringsbesluit genomen en de bouwwerkzaamheden bijPorthos en bij de klanten van Porthos die hun afvanginstallatie bouwenzijn in volle gang. Porthos blijft daarmee op schema om als eersteCCS-project binnen de Europese Unie in 2026 te starten en de eerste CO2op te slaan in Nederland en daarmee bij te dragen aan de NederlandseCO2-reductie. Ook het Northern Lights project in Noorwegen, waar Yara kst-32813-1505ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15051 Sluiskil CO2 gaat opslaan, is gebouwd en klaar om CO2 te ontvangen. Deeerste Nederlandse CO2-reductie via CCS gaat dus snel plaatsvinden.Inmiddels zijn de voorbereidingen voor onder andere het Aramis projecten het CO2Next project in Nederland in volle gang.Bij de behandeling van de begroting van het Ministerie van Klimaat enGroene Groei van het jaar 2025 is een motie van het lid Erkens c.s.1aangenomen die de regering verzoekt om ervoor te zorgen dat debenodigde infrastructuur zoals, maar niet alleen, de waterstofbackbone,de Delta Rhine Corridor (DRC) en Aramis, zo spoedig mogelijk wordtgerealiseerd en al het mogelijke te doen om deze cruciale randvoor-waarden tijdig te realiseren en versnelling te verwezenlijken, en daarbijook ontbundeling van DRC-projecten te overwegen indien dit de snelheidten goede komt. Ook is de motie Erkens en Vermeer aangenomen die deregering verzoekt alles op alles te zetten om ervoor te zorgen dat Aramistijdig gerealiseerd wordt; door hiervoor een grotere rol te nemen in deopstartfase indien en gebruik te maken van alle juridische mogelijkhedenom Aramis op tijd gereed te hebben.2 Over de DRC is de Tweede Kamerafgelopen december geïnformeerd dat het kabinet er ten behoeve van devoortgang van waterstof en CO2 voor kiest om deze buisleidingen alseerste samen te laten aanleggen en te ontbundelen van de gelijkstroom-kabels.3 Daarmee heeft het kabinet de motie-Erkens c.s. voor wat betreftde DRC uitgevoerd.Dit kabinet zet volop in op het scheppen van de juiste randvoorwaardenvoor CCS in Nederland, waarbij het gaat om de keten van afvang,transport en opslag. Een belangrijk project hierbinnen is het Aramisproject. Aramis is, na Porthos, het tweede project dat in Nederland inontwikkeling is en is in omvang een stuk groter: waar Porthos eentransportcapaciteit heeft van 2,5 megaton CO2 per jaar, heeft Aramis eentransportcapaciteit van 22 megaton CO2 per jaar en levert daarmee eenenorme bijdrage aan de ambitie van grootschalige CO2-opslag in deperiode 2030 tot in elk geval 2050. Er is het kabinet veel aan gelegen omAramis te realiseren. Het kabinet ondersteunt de ontwikkeling vanCCS-projecten en daarmee ook indirect de ontwikkeling van Aramis ondermeer via de SDE++ subsidie. De SDE++ zal tot 2035 openstaan voornieuwe aanvragen in de categorie CCS, waarbij wel wordt geborgd dat ditmeer duurzame oplossingen niet in de weg staat. Daarmee creëert hetkabinet de randvoorwaarden voor partijen om financiële ondersteuning tekunnen aanvragen voor de afvang en permanente geologische opslag vanCO2. In het kader van het creëren van de juiste randvoorwaardenonderzoekt het kabinet op dit moment ook of er een financiële bijdragenodig is om het vollooprisico van het terminal- en transportdeel van deAramis-waardeketen gericht te mitigeren omwille van het 2030klimaatdoel. Het vollooprisico is het risico dat de infrastructuur reedswordt aangelegd terwijl nog niet de volledige gebruikscapaciteit isverkocht. Dit loopt mee in de voorjaarsbesluitvorming van de begrotingvan 2025. Het vorige kabinet heeft een publiek-private taskforce ingestelddie de belangrijkste risico’s van bedrijven in de Aramis-waardeketen inkaart heeft gebracht.4 Op hoofdlijnen zijn de belangrijkste risico’s:(1) risico op vertraging door onvoldoende coördinatie tussen de verschil-lende deelprojecten, (2) risico op vertraging in het vergunningenproces,(3) het vollooprisico en (4) het risico op kostenstijgingen, waardoor deuiteindelijke transport- en opslagtarieven voor een deel van de emittenten1Kamerstuk 36 600 XXIII, nr. 27.2Kamerstuk 32 813, nr. 1481.3Kamerstuk 29 826, nr. 216.4Kamerstuk 32 813, nr. 1375.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15052 te hoog worden voor een sluitende businesscase. Met deze risico’s wordtals volgt omgegaan:(1)Private partijen in de transport- en opslagketen hebben in de tussentijdverschillende overlegstructuren opgezet om de coördinatie overtechnische, commerciële en organisatorische onderwerpen langs deketen te verbeteren;(2)Het vergunningenproces ligt op schema. Om het Aramis initiatiefmogelijk te maken zijn, naast een projectbesluit voor de ruimtelijkeinpassing, circa twintig uitvoeringsvergunningen nodig. Dezevergunningen worden gefaseerd aangevraagd en de Minister vanKlimaat en Groene Groei heeft hierbij de coördinerende bevoegdheid.In de afgelopen tijd is er hard gewerkt aan het tijdig indienen van debenodigde vergunningsaanvragen door de initiatiefnemers en aan hettijdig publiceren van de ontwerp en definitieve besluiten op dezevergunningen. De eerste set met daarin de belangrijkste vergunningenvoor dit project, zoals het projectbesluit en de vergunning voor deNatura 2000 activiteit, worden naar verwachting in april 2025 gepubli-ceerd. Ook de publicatie van alle andere benodigde vergunningen voorhet Aramis initiatief zijn allemaal dit jaar voorzien. Behoudens demogelijkheid van beroep krijgt de initiatiefnemers van Aramis dus nogdit jaar duidelijkheid over de vergunningverlening.(3)Vanuit de overheid wordt gekeken naar de haalbaarheid en wenselijk-heid van mitigatie van het vollooprisico van het terminal- en transport-deel van de Aramis-keten om zo mogelijke vertraging bij het niet tijdigbereiken van het benodigde startvolume op het moment van dedefinitieve investeringsbeslissing, te voorkomen. Hierbij is leidend datprivate partijen waar mogelijk zelf alles in het werk stellen om risico’sen kosten te reduceren. Tevens verkent het kabinet mogelijkheden ommee te profiteren in de baten in het geval er wel degelijk tijdig(gedeeltelijke) volloop plaatsvindt;(4)Tenslotte biedt de overheid de mogelijkheid aan emittenten dievanwege kostenstijgingen niet meer in staat zijn om op basis van hunhuidige SDE++-beschikking hun CCS-project te realiseren om opnieuwSDE++-subsidie aan te vragen. Voorwaarden hiervoor zijn dat deemittent voor het project nog geen onomkeerbare investeringen isaangegaan en dat de oude subsidiebeschikking eerst is ingetrokken.Het kabinet doet hiermee het redelijkerwijs mogelijke om de crucialerandvoorwaarden voor het project Aramis tijdig te realiseren, waarmeeook invulling wordt gegeven aan het Aramis-deel van de motie-Erkensc.s.5 Ook is het kabinet op deze wijze bezig om de motie Erkens enVermeer uit te voeren.6Naast de projecten in vergevorderde stadia zijn er ook meerdere andereprojecten in voorbereiding. Zo heeft Gasunie een CO2-transport projectgenaamd «Delta Schelde CO2nnection (DSC)» in onderzoek: dit is eengrote CO2-transportleiding tussen de industriegebieden van Antwerpen enRotterdam, met vanaf Moerdijk een mogelijke verbinding via de DeltaRhine Corridor (DRC). Dit voorgenomen project kent tevens demogelijkheid om ook CO2-uitstoters vanuit het cluster Zeeland-WestBrabant aan te sluiten. Het project is in november 2024 geselecteerd alsMIEK-project (Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat).Daarnaast is er een ander internationaal project, genaamd «CO2 HighwayEurope» waarin het Noorse energiebedrijf Equinor bezig is met voorberei-dingen voor een CO2-transportleiding door de Noordzee van Frankrijk(Duinkerke) en België (Zeebrugge) naar permanente opslaglocaties inNoorwegen. Deze leiding doorkruist het Nederlandse deel van de5Kamerstuk 36 600 XXIII, nr. 27.6Kamerstuk 32 813, nr. 1481.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15053 Noordzee. Mogelijkheden voor een verbinding met Nederland wordenonderzocht, maar zijn vooralsnog geen onderdeel van het project.De toekomst van CCSIn het commissiedebat Carbon, Capture and Storage (CCS) van26 september 2024 is aan het Kamerlid Kröger (GroenLinks) toegezegdeen brief te sturen over de toekomst van de CCS.7 CCS is met de hiervoorgeschetste ontwikkelingen inmiddels een duidelijk onderdeel gewordenvan het Nederlandse klimaatbeleid. CCS-projecten in Nederland levereneen concrete en significante bijdrage aan de CO2-reductie voor deverduurzaming van de Nederlandse industrie in 2030.8 De verdere uitrolvan de eerste CCS projecten – zoals Yara Sluiskil, Porthos en Aramis – zijntegelijkertijd het heden én de toekomst van CCS in Nederland. Hiermeewordt ook de basis gelegd voor een CO2-transport en -opslaginfra-structuur die meer en meer verbonden wordt aan elkaar. Zo gebruikt hetAramis initiatief een deel van de landzijdige infrastructuur van het Porthosproject en zal ook de CO2-leiding van de Delta Rhine Corridor in deRotterdamse haven uitkomen.De huidige bouw van de basisinfrastructuur van CO2-transport en -opslagis ook essentieel voor de toekomst van CCS. In de toekomst gaat dezeinfrastructuur ook gebruikt worden voor het realiseren van koolstofverwij-dering.9 Volgens het IPCC is er sprake van koolstofverwijdering wanneerdoor menselijke activiteiten CO2 (direct of indirect) aan de atmosfeerwordt onttrokken en langdurig wordt vastgelegd in geologische land- ofoceaanreservoirs of in producten.10 De techniek en de infrastructuur vanCCS zal in de toekomst ook kunnen worden ingezet voor koolstofverwij-dering. Koolstofverwijdering is nodig voor het bereiken van klimaatneu-traliteit in 2050 en netto negatieve emissies daarna. De hoeveelheidkoolstofverwijdering nodig loopt in scenario’s uiteen van circa 10 tot40 megaton CO2per jaar.11 Koolstofverwijdering compenseert in diescenario’s in 2050 restemissies in verschillende sectoren en wordt vrijwelvolledig ingevuld door CO2 permanent geologisch op te slaan (CCS).12 Hetkabinet houdt rekening met een vraag naar koolstofverwijdering van 20tot 25 megaton CO2 in de periode 2040–2050. Dit vergt een enormeopschaling van CCS. Ter referentie, de capaciteit van Porthos is2,5 Megaton per jaar en Aramis – indien volledig ontwikkeld – 22 Megatonper jaar. De opslag van CO2 kan daarbij ook elders in Europa plaatvinden,maar dat vergt wel opschaling van de Europese CCS-markt.De toekomst van CCS is in toenemende mate ook steeds meer Europees.Enerzijds wordt de CCS markt groter. Waar Porthos nog een voorbeeldwas van een CCS project waar zowel de afvang, het transport als ook de7Kamerstuk 32 813, nr. 1421: toezegging TZ202409-087.8Met het Porthos project wordt 2,5 megaton CO2-reductie per jaar vanaf 2026 bereikt. Met hetYara Sluiskil project wordt 0,8 megaton CO2-reductie per jaar vanaf 2026 bereikt. Met de startvan het Aramis project wordt 7,5 megaton CO2-reductie per jaar (het «startvolume») vanaf 2028bereikt. Tezamen is dit 10,8 megaton CO2-reductie per jaar in de Nederlandse industrie. Deoverheid stuurt voor de industrie op 66% emissiereductie, of circa 56,8 megaton, in 2030 tenopzichte van 1990. Hiervan was in 2021 reeds 33,2 megaton gereduceerd. Om het 2030 doel tehalen moet de industrie daarom nog 23,6 megaton CO2-reductie realiseren. 10,8 megaton t.o.v.23,6 megaton is zeer significant.9Kamerstuk 32 813, nr. 1500.10Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) Sixth Assessment Report (AR6) WGIII:CDR; Kamerstuk 32 813, nr. 1501, bijlage p. 50.11Kamerstuk 32 813, nr. 1500, bijlage p. 13; PBL (2024) Traject verkenning klimaatneutraal 2050,Klimaatneutraal wegverkeer in 2050; Een verkenning van eindbeelden en paden daar naartoe,Den Haag 2024. PBL Publicatienummer 5223 en TNO-nummer TNO 2024 P10378, 8; Transitienaar duurzaam en gezond voedselsysteem – WUR.12Kamerstuk 32 813, nr. 1501, bijlage, p. 51; Kamerstuk 32 813, nr. 1500, bijlage, p. 37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15054 opslag van CO2 allemaal binnen Nederland plaatsvindt, zal de volgendegeneratie projecten van een grotere en daarmee grensoverschrijdendeschaal zijn. Maar niet alleen de markt groeit. Ook wordt er op EU-niveausteeds meer wet- en regelgeving gemaakt op het gebied van CCS. Eenrecente maatregel is de Net Zero Industry Act13 (NZIA), die op 29 juni 2024in werking is getreden. De NZIA introduceert een rechtstreeks werkendeverplichting op olie- en gasproducenten in de EU gezamenlijk om voor2030 50 megaton CO2 injectiecapaciteit per jaar te realiseren.14 Dezeverplichting wordt berekend naar rato van het aandeel van die entiteitenin de Europese productie tussen 2020 en 2023. De realisatie van deverplichting hoeft niet in dezelfde lidstaat plaats te vinden als waar deolie- of gasproductie plaatsvond.15 Verder wordt er ingezet op hetverzamelen en uitbreiden van informatie over gebieden in Europa waarCO2-opslaglocaties op hun grondgebied mogelijk toegestaan zoudenkunnen worden.Daarnaast is op 6 februari 2024 de Mededeling van de EuropeseCommissie over de EU-strategie voor industrieel koolstofbeheer gepre-senteerd, samen met de mededeling over het Europese Unie-klimaatdoel2040.16 Om het aanbevolen Europese doel voor 2040 en het doel vanklimaatneutraliteit in 2050 te behalen, blijkt uit de modellen van hetimpact assessment dat rond 2040 ongeveer 280 megaton per jaar fossieleen niet-fossiele (biogene) CO2 moet worden afgevangen.17 In 2050 gaat ditomhoog naar 450 megaton CO2 per jaar. Volgens de Europese Commissiezal een deel van deze afgevangen emissies worden hergebruikt voorcarbon capture and utilisation (CCU), en een ander deel zal permanentworden opgeslagen (CCS). De Commissie constateert dat er in 2040jaarlijks ongeveer 250 megaton CO2-injectiecapaciteit beschikbaar zoumoeten zijn binnen de bredere EER.18 Verder voorziet de strategie in deontwikkeling van een «EU-wide investment atlas» voor CO2 opslag om denodige opschaling te stimuleren. In de Kamerbrief van 20 september 2024ter beantwoording van de motie van het lid Postma is de Kamer geïnfor-meerd over de inzet van Nederland als het gaat om CCS in relatie tot deEuropese mededeling Europese Unie-klimaatdoel 2040.19De Europese Commissie heeft aangekondigd in 2026 met voorstellen tekomen voor regelgeving omtrent CO2-transport met als doel debenodigde opschaling van de CO2-infrastructuur te ondersteunen. Hetkabinet houdt de ontwikkelingen in onze buurlanden, vooral op het gebiedvan CO2-transport en met name in Duitsland en België, nauwlettend in degaten. De Europese Commissie voorziet dat zich op de lange termijn inEuropa een netwerk van CO2-leidingen en andere transportmodaliteitengaat ontwikkelingen. In Nederland is infrastructuur in voorbereiding diemede een rol gaat spelen bij de grensoverschrijdende ketens van13Verordening (EU) 2024/1735 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van eenkader van maatregelen ter versterking van het Europese ecosysteem voor de productie vannettonultechnologie en tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1724 (Net Zero Industry Act).14De «injectiecapaciteit» is de jaarlijkse hoeveelheid CO2die geïnjecteerd kan worden in eenoperationele opslaglocatie, met als doel CO2-reductie of koolstofverwijdering.15Conform de CCS-richtlijn hebben lidstaten het recht om CCS op delen van hun grondgebied aldan niet toe te staan, en de gebieden te bepalen waarbinnen opslaglocaties kunnen wordengeselecteerd (Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009betreffende de geologische opslag van kooldioxide).16Kamerstuk 22 112, nr. 3917. De Kamer is separaat geïnformeerd over het standpunt van hetkabinet met betrekking tot de EU-strategie voor industriële koolstofbeheer middels eenBNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 3916).17Europese Commissie, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad,het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s «Naar eenambitieuzer beheer van koolstof in de EU», (COM (2024), 62 final).18Ibid.19Kamerstuk 31 793, nr. 273.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15055 CO2-afvang, -transport en -opslag (Delta Schelde Connectie, Delta RhineCorridor). Voor een goede afstemming over deze grensoverschrijdendeketens vindt overleg met onze buurlanden plaats.Vanuit Europa komt ook financiële ondersteuning via het Innovation funden de Connecting Europe Facility (CEF). Zo hebben in 2024 en 2025 hettransportdeel van Aramis, de CO2Next terminal en ENI respectievelijk124 miljoen euro, 33 miljoen euro en ruim 55 miljoen euro ontvangen vande Connecting Europe Facility.20 Voor het uitvoeren van studies voor deDelta Rhine Corridor CO2-leidingen is ook een CEF subsidie van meer dan9 miljoen euro toegewezen.21 In 2025 hebben TotalEnergies en Shell ookgeld ontvangen van de Innovation fund voor de opslaglocaties die zijsamen met EBN ontwikkelen voor aansluiting bij Aramis. Naast het feitdat deze financiering een financiële opsteker is, is dit ook een sterk signaalvanuit de Europese Commissie dat er Europees draagvlak is voor dezeprojecten. Ook CCS projecten elders in Europa krijgen significante steunvanuit de Europese Commissie. Hiermee onderstreept de EuropeseCommissie zowel beleidsmatig als financieel in toenemende mate hetbelang van CCS.Een marktordening die past bij de marktontwikkelingen van CCSIn het commissiedebat over Carbon, Capture and Storage van26 september 2024 is aan het Kamerlid Postma (NSC) toegezegd in dezebrief ook in te gaan op hoe de marktordening van CCS in de toekomstgeregeld wordt.22 De CCS-markt is geen gereguleerde markt waar éénpartij de transportinfrastructuur beheert op een specifiek onderdeel vande keten (transmissie of distributie), zoals bij de gas- en elektriciteitsmarkthet geval is waar sprake is van vele kleinverbruikers. In plaats daarvan ishet, ook wat betreft de transportinfrastructuur, een open markt waarinmeerdere partijen actief kunnen zijn. Het CCS-beleid in Nederland is eropgericht dat de (Rijks)overheid de gewenste randvoorwaarden creëertwaarbinnen de CCS-markt en -infrastructuur zich kan ontwikkelen. DeCCS-markt is een markt in ontwikkeling. Om de marktontwikkeling tebespoedigen wordt een aantal overheidsmaatregelen genomen. In deopbouwfase van de CCS-markt nemen de staatsdeelnemingen Gasunie,het Havenbedrijf Rotterdam en EBN in een marktconforme rol deel, metals resultaat dat het eerste CO2-opslagproject Porthos ook daadwerkelijkin Nederland gerealiseerd wordt.23De ontwikkelingen van vraag en aanbod, het beleid en publieke financiëleondersteuning nationaal en Europees, de ontwikkeling van transport- enopslaginfrastructuur met deelname van staats- en beleidsdeelneming zijnallemaal factoren die niet onveranderlijk zijn in de tijd. Zoals het vorigekabinet heeft aangegeven, ontwikkelt de marktordening van CCS zich metde markt mee.24 Anno 2025 ziet dit kabinet enerzijds daadwerkelijkedoorontwikkeling van de markt in Europa waarbij meerdere projecten nudaadwerkelijk gerealiseerd worden. Anderzijds lijkt de CCS-markt zich ookte kenmerken door veel industriële partijen die interesse tonen voor CCSen transport- en opslagpartijen projecten in voorbereiding hebben, maarhet tempo waarin deze projecten daadwerkelijke investeringsbesluitennemen vindt in een lager tempo plaats dan verwacht. De combinatie van20Europese Commisie. Persbericht: CEF Energy: CINEA has signed grant agreements with 8awarded projects under the PCI 2023 Call. 12 juni 2024.21Europese Commissie. Persbericht: EU invests over € 1.2 billion in cross-border infrastructurecontributing to build our Energy Union and to boost competitiveness.30 januari 2025.22Kamerstuk 32 813, nr. 1421: toezegging TZ202409-087.23Kamerstuk 32 813, nr. 1298; Kamerstuk 32 813, nr. 1375.24Kamerstuk 32 813, nr. 1298.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15056 marktwerking, participatie van staats- en beleidsdeelnemingen in demarkt en gerichte (financiële) ondersteuning door de overheid, dientnauwgezet te worden afgestemd op het tempo van de marktontwikkeling.In de huidige fase van een markt in opbouw verwacht het kabinet deaankomende jaren vast te houden aan de geschetste marktordeningwaarbij nadrukkelijk ook naar een gerichte en proportionele onder-steuning vanuit de overheid in deze markt gekeken wordt, zoals dat metde Task force voor Aramis is gebeurd. Op de langere termijn wordtkoolstofverwijdering belangrijker. De publieke belangen, de spelers en demanier waarop de business case is opgebouwd verschilt bij koolstofver-wijdering. Het nationale en Europese beleidsinstrumentarium hierop isnog in ontwikkeling. Het is voorstelbaar dat de marktordening van CCSzich op termijn door ontwikkelt naar aanleiding van de beleidsontwik-keling op het gebied van koolstofverwijdering.Aanbevelingen uit het Parlementaire Enquêterapport GroningenTijdens het Commissiedebat van 26 september 2024 is tevens toegezegdaan het Kamerlid Kröger (GroenLinks) om schriftelijk toe te lichten hoe deaanbevelingen uit het Parlementaire Enquêterapport Groningen25 in hetNederlandse CCS-beleid worden toegepast en hoe de publieke belangengoed worden geborgd bij de belangenafweging binnen de overheid en inde publiek-private samenwerking.26 Met name aanbeveling 4 (Zorg dat ervoldoende geld is voor alle toekomstige kosten), aanbeveling 6 (Vergrootde rol van het publieke belang binnen departementen), aanbeveling 8(Geef toekomstige publiek-private samenwerking beter vorm) enaanbeveling 10 (stuur op de ruimtelijke inrichting van de ondergrond) uithet Parlementaire Enquêterapport Groningen zijn relevant voor CCS. Omer voor de zorgen dat er voldoende financiële middelen zijn voortoekomstige kosten (aanbeveling 4), biedt artikel 47 van de Mijnbouwwetde mogelijkheid dat de CO2-opslagvergunninghouder financiële zekerheidmoet stellen aan de Staat der Nederlanden voor o.a. het verwijderen vaneen mijnbouwwerk. Dit artikel wordt toegepast bij het verlenen van deCO2-opslagvergunning. Om de rol van het publieke belang binnen debelangenafweging op het gebied van CCS bij departementen te vergroten(aanbeveling 6) wordt voordat de staats- en beleidsdeelnemingen Gasunieen EBN toestemming krijgen voor activiteiten op het gebied van CCSbeschreven en gewogen welke publieke belangen hiermee wordengediend. Dit is onderdeel van het toetsingskader voor investeringen datvolgt uit de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022. Ook stelt hetkabinet als voorwaarde voor instemming voor de deelname van EBN inCCS-projecten dat bij de samenwerkingsovereenkomst die zij aangaat,EBN opneemt welke publieke belangen hiermee worden gediend en datde overeenkomsten openbaar worden gemaakt, indien mogelijk (aanbe-veling 8). Middels onder meer de Partiële Herziening Noordzee en hetProgramma Energiehoofdinfrastructuur wordt erop gestuurd dat CCS pastbinnen de ruimtelijke inrichting van de ondergrond. Een verderebeschrijving hoe deze aanbevelingen worden toegepast bij CCS staat inbijlage 1.Gelijke toegang tot CCS voor cluster 6-bedrijvenOok is in het commissiedebat over Carbon, Capture and Storage van26 september 2024 is aan het Kamerlid Postma toegezegd in deze brief toe25Parlementaire Enquêtecommissie aardgaswinning Groningen. Groningers boven gas. Februari2023. (Kamerstuk 33 561, nrs. 5 t/m 11)26Kamerstuk 32 813, nr. 1421: toezegging TZ202409-086.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15057 te lichten hoe gelijke toegang tot CCS-infrastructuur voor cluster-6bedrijven is geregeld.27Nederland telt vijf grote industrieclusters. Daarnaast is er het zgn. cluster6, dat negen zeer diverse sectoren bevat met bedrijven met eenCO2-reductieopgave, verspreid door heel Nederland. Ook deze bedrijvenzijn nodig om de energietransitie te realiseren. Alle bedrijven in Nederlandhebben gelijke toegang tot CO2-transport en -opslaginfrastructuur, waar zeook zijn gevestigd. Dit is geborgd in de Mijnbouwwet die bepaalt datopslag- en transportpartijen verplicht zijn op voorwaarden die redelijk,transparant en niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoektCO2 in hun opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door huntransportnetwerk te transporteren. Ook aan cluster 6-bedrijven moet dusgelijke toegang worden verschaft tot gerealiseerdeCO2-opslagvoorkomens en -transportnetwerken.De keuze voor alle bedrijven, inclusief cluster 6-bedrijven, om CCS toe tepassen zal ten eerste afhangen van hun productieproces. De bedrijvenzullen daarvoor afwegen of er CO2 kan worden afgevangen en tegenwelke kosten dat mogelijk is. Cluster 6-bedrijven hebben doorgaanskleinere volumes CO2 die na afvang per vrachtwagen of binnenvaartschipkunnen worden getransporteerd voor opslag onder de Noordzee of in hetbuitenland. Afhankelijk van de vraag of transport per pijpleiding eenefficiënte oplossing kan bieden, wat mede afhankelijk is van de locatie vanhet bedrijf en van de verdere ontwikkeling van de CO2-infrastructuur, zalook transport per pijpleiding in de toekomst mogelijk beschikbaar kunnenkomen.Uitvoering van de motie-TeunissenIn het tweeminutendebat CCS van 19 december 2024 de motie van hetKamerlid Teunissen (PvdD) aangenomen. Deze motie verzoekt de regeringom 1) het onderzoek hoe bij CCS-projecten meer baten naar de Staatvoortvloeien, uiterlijk in het eerste kwartaal van 2025 met de Kamer tedelen en 2) te waarborgen dat de risico’s en kosten van mogelijke lekkageof andere milieurisico’s niet door de belastingbetaler worden gedragen.28Het rapport van de Algemene Rekenkamer Over winsten onder water 29geeft het advies om te onderzoeken hoe in de toekomst meer baten vanCCS-projecten naar de Staat kunnen vloeien. In haar bestuurlijke reactieheeft het vorige kabinet op een aantal punten aangegeven te onderzoekenhoe er meer baten naar de Staat kunnen vloeien. Dit betreft geen separaat(extern) onderzoek, maar een inventarisatie van de mogelijkheden en hetonderzoeken van mogelijke aanpassingen van het bestaande beleidsin-strumentarium zoals de SDE++subsidie.Er wordt op een aantal manieren geborgd dat er baten van CCS naar deStaat vloeien. Zo zijn de commerciële afspraken die de CO2-transport en-opslag consortia nu maken met hun klanten gunstiger dan de casus diede Algemene Rekenkamer onderzocht. Bij de casus Porthos was hettoentertijd niet mogelijk om de kostenstijging door te berekenen aan deklanten van Porthos omdat dit niet in lijn zou zijn met de commerciëleafspraken zoals deze tussen de partijen zijn gemaakt. De commerciëleafspraken van de navolgende CCS-projecten bevatten inmiddels commer-ciële voorwaarden die de problemen zoals deze zich bij Porthos27Kamerstuk 32 813, nr. 1421: toezegging TZ202409-087.28Kamerstuk 32 813, nr. 1461.29Algemene Rekenkamer; CO2-opslag onder de Noordzee: over winsten onder water. Maart 2024(Kamerstuk 32 813, nr. 1371); De Minister van Economische Zaken en Klimaat, Reactie Ministervan EZK op het rapport CO2-opslag onder de Noordzee. Maart 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15058 voordeden, moeten voorkomen. Betere voorwaarden vertalen zich weernaar meer baten voor de staats- en beleidsdeelnemingen die in deconsortia deelnemen. Ook werken de departementen Klimaat en GroeneGroei en Financiën vroegtijdiger en intensiever samen om vanuit eencompleet beeld van alle kosten en baten een belangenafweging inCCS-projecten te maken. Naar de toekomst toe bieden een eventueleaanpassing van de SDE++ en een eventuele afdracht bij nieuweCO2-opslagvergunningen mogelijkheden om de baten voor de Staat tevergroten wanneer de marktomstandigheden dit toestaan. Verder geldtdat alle ondernemingen in Nederland, en dus ook de partijen die de CO2transporteren en -opslaan, vennootschapsbelasting betalen over hunwinst. In Bijlage 2 treft u een totaaloverzicht aan van het interneonderzoek naar de wenselijkheid en manieren waarop baten van CCS(beter) aan de Staat zouden kunnen toekomen. Daarbij wil ik opmerkendat er op dit moment in de meeste gevallen nog subsidie nodig is om deCCS-markt van de grond te krijgen.In antwoord op het deel van de motie-Teunissen dat ziet op hetwaarborgen dat de risico’s en kosten van mogelijke lekkage of anderemilieurisico’s niet door de belastingbetaler worden gedragen, is hetbelangrijk te benadrukken dat de Mijnbouwwet reeds de waarborgenbevat om te voorkomen dat risico’s en kosten van mogelijke lekkage ofandere milieurisico’s door de belastingbetaler worden gedragen. Teneerste is voor het opslaan van CO2 in de diepe ondergrond eenvergunning nodig. Een vergunning kan onder meer worden geweigerd opgrond van technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager, of demanier waarop de aanvrager voornemens is het opslaan van CO2teverrichten, zoals de daarbij te gebruiken technieken of een gebrek aanefficiëntie en verantwoordelijkheidszin. Een vergunning wordt geweigerdindien bij opslag onder de voorgestelde exploitatievoorwaarden eensignificant risico van lekkage bestaat of significante milieu of gezond-heidsrisico’s bestaan of indien niet aan de gestelde eisen van veiligheidkan worden voldaan. Hier wordt dus bij de vergunningverlening opgetoetst en de vergunning bevat diverse bepalingen die een veilige enverantwoorde opslag moeten waarborgen, zoals omtrent geschiktheid vande opslaglocatie, risicobeheer, monitoring en corrigerende maatregelen.Ten tweede zijn er diverse verplichtingen voor de vergunninghouderopgenomen in de wet- en regelgeving of de vergunningsvoorwaarden,om te waarborgen dat de vergunningsvoorwaarden worden nageleefd enrisico’s en kosten van mogelijke lekkage of andere milieurisico’s door devergunninghouder worden gedragen. Zo moet de vergunninghouderfinanciële zekerheid (kunnen) stellen voor het verwijderen van eenmijnbouwwerk en moet de vergunninghouder voor aanvang van deopslagactiviteiten financiële zekerheid stellen voor kosten van eeneventuele lekkage, voor uitvoering van het risicobeheerplan, voor hetnemen van corrigerende maatregelen, voor uitvoering van het monito-ringsplan, voor uitvoering van het afsluitingsplan en de financiële bijdragevoor kosten van beheer en monitoring in de periode na intrekking van devergunning. Het bedrag dat aan financiële zekerheid moet worden gesteldwordt vastgelegd in de vergunning. De CO2-opslagvergunninghoudermoet jaarlijks het bewijs verstrekken dat financiële zekerheid is gesteld enaangehouden. De vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken indiende gestelde financiële zekerheid onvoldoende blijkt te zijn.Daarnaast kan de vergunning worden gewijzigd of ingetrokken indien, inhet onwaarschijnlijke geval zich lekkages of significante onregelmatig-heden voordoen, blijkt dat de vergunningsvoorwaarden niet wordennageleefd of dat er risico is op lekkages of significante onregelmatighedenof indien dit noodzakelijk blijkt op basis van de meest recente weten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15059 schappelijke bevindingen en technologische vooruitgang. Indiengedurende de exploitatiefase van de CO2-opslaglocatie de vergunningwordt ingetrokken omdat de vergunninghouder niet meer aan zijnverplichtingen kan voldoen, zal waarschijnlijk eerst een opvolger wordengezocht die de exploitatie kan overnemen. De verplichtingen komen dante rusten op de nieuwe CO2-opslagvergunninghouder. Als er geen partijwordt gevonden die de exploitatie kan voortzetten dan zal het bevoegdgezag het opslagvoorkomen moeten afsluiten en de injectiefaciliteiten enbijbehorende bovengrondse faciliteiten opruimen. In dat geval kunnen dekosten worden verhaald op de voormalig vergunninghouder door hetaanspreken van de door deze gestelde financiële zekerheid. De boven-staande wettelijk bepalingen waarborgen dat de risico’s en kosten vanmogelijke lekkage of andere milieurisico’s niet door de belastingbetaler zalworden gedragen.In deze brief zijn de ontwikkelingen van CCS geschetst inclusief eendoorkijk naar de toekomstige ontwikkelingen. Tevens zijn met deze briefverscheidene moties en toezeggingen uitgevoerd.30 Het kabinet zal deKamer vanzelfsprekend blijven informeren over ontwikkelingen van CCSen de keuzes die daarin gemaakt worden.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.T.M. Hermans30Kamerstuk 36 600 XXIII, nr. 27; Kamerstuk 32 813, nr. 1461; Kamerstuk 32 813, nr. 1421:toezegging TZ202409–087; Kamerstuk 32 813, nr. 1421: toezegging TZ202409–086.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150510 – aanbevelingen uit het Parlementaire Enquêterapport Groningenrelevant op het gebied van CCSAanbeveling 4: Zorg dat er voldoende geld is voor alle toekom-stige kostenIn de brief is in reactie op de motie van lid Teunissen beschreven hoegeborgd is dat de risico’s en kosten van mogelijke lekkage of anderemilieurisico’s niet door de belastingbetaler worden gedragen. Hiermee isantwoord gegeven op de vraag hoe de (financiële) risico’s zijn afgedektvoor deze onderwerpen en hoe op dit punt er dus voldoende geld isgeborgd voor deze toekomstige kosten.De zorg voor voldoende financiële middelen, zoals faillissementen, isgeregeld in de Mijnbouwwet. Artikel 47 van de Mijnbouwwet biedt demogelijkheid om te bepalen dat de CO2-opslagvergunninghouderfinanciële zekerheid moet stellen aan de Staat der Nederlanden voor hetverwijderen van een mijnbouwwerk. Van deze mogelijkheid is in de reedsverleende CO2-opslagvergunningen ook gebruik gemaakt. Op grond vanartikel 27, tweede lid, van de Mijnbouwwet kan een CO2-opslagver-gunning worden geweigerd indien onvoldoende verzekerd is dat deaanvrager zal voldoen aan de verplichting om een dergelijke financiëlezekerheid te stellen.De verplichting voor de CO2-vergunninghouder om na exploitatie deinjectiefaciliteiten en bijbehorende bovengrondse voorzieningen teverwijderen is opgenomen in artikel 31i van de Mijnbouwwet. Op grondvan artikel 31d, eerste lid, onderdeel n, van de Mijnbouwwet wordt in devergunning het bedrag aan financiële zekerheid (of een gelijkwaardigevoorziening) vastgelegd dat de vergunninghouder moet stellen voordatmet de opslag van CO2wordt aangevangen. Op grond van artikel 31g,eerste lid, onderdeel c, van de Mijnbouwwet moet de CO2-opslag-vergunninghouder jaarlijks het bewijs verstrekken dat financiële zekerheidis gesteld en aangehouden. Op grond van artikel 31h, eerste lid, aanhef enonder d, van de Mijnbouwwet kan de Minister de vergunning wijzigen ofintrekken indien de gestelde financiële zekerheid onvoldoende blijkt tezijn.In geval van faillissement van de vergunninghouder tijdens exploitatievan de CO2-opslaglocatie zal waarschijnlijk eerst een opvolger wordengezocht die de exploitatie kan overnemen. De opruimverplichting komtdan te rusten op de nieuwe CO2-opslagvergunninghouder. Als er geenpartij wordt gevonden die de exploitatie kan voortzetten dan zal hetbevoegd gezag het opslagvoorkomen moeten afsluiten en de injectiefacili-teiten en bijbehorende bovengrondse faciliteiten moeten opruimen (zieartikel 31l, tweede lid, van de Mijnbouwwet). In dat geval kan het bevoegdgezag de kosten van het opruimen verhalen op de failliete partij door hetaanspreken van de gestelde financiële zekerheid (zie artikel 31l, vierde lid,van de Mijnbouwwet). De gestelde financiële zekerheid kan bijvoorbeeldin de vorm van een bankgarantie. Voor deze financiële zekerheid geldt datdeze vooraf dient te zijn goedgekeurd door de Minister van Klimaat enGroene Groei, zodat beoordeeld kan worden of de benodigde zekerhedenzijn geborgd.In geval van faillissement van de vergunninghouder na exploitatie entijdens de fase dat het mijnbouwwerk wordt opgeruimd, kunnen de kostenvan het afronden van de opruimwerkzaamheden eveneens wordenverhaald op de failliete partij door het aanspreken van de (resterende)gestelde financiële zekerheid.Bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150511 Aanbeveling 6: Vergroot de rol van het publieke belang binnendepartementenOp dit moment is EBN als beleidsdeelneming betrokken bij alle initia-tieven voor CO2-transport en -opslagprojecten op de Noordzee. Hierondervallen het Porthos Project, de Aramis transportleiding en deelname (40%)in de pre-FEED (Front-end Engineering Design)31 en FEED-studies vanmeerdere opslagcomplexen. Door deze deelname krijgt EBN eenaanzienlijk belang wat ervoor zorgt dat EBN bij de (privaat) geïnitieerdeprojecten in besluitvorming en governance voldoende invloed heeft.Door deelname van EBN krijgt de Staat meer operationele en kwalitatiefbetere gegevens dan de gegevens die jaarlijks (achteraf) aan de toezicht-houder worden verstrekt. Verder kan EBN haar eigen kennis en ervaringvan de ondergrond, van de huidige operaties op zee en de ervaring uitPorthos en Aramis (proactief) inzetten voor een veilige en (kosten)effi-ciënte CO2-opslag. Ook wordt een bijdrage geleverd aan meerderepublieke belangen, waarbij in het bijzonder aandacht is voor het tijdigrealiseren van de klimaatdoelstellingen, het vergroten van de mogelijk-heden voor de industrie voor het halen van CO2-reductiedoelstellingen ende uiteindelijke verantwoordelijkheid van de Staat voor de afgeslotenopslagvelden op de lange termijn. De wenselijkheid van EBN-deelname isal eerder besproken in eerdere Kamerbrieven van 5 juli 2021 en 3 oktober2023.32 De onderstaande publieke belangen zijn in deze brieven genoemd:A.Tijdigheid CCS-ontwikkelingB.Ruimtelijke inpassing (zie ook aanbeveling 10)C.VeiligheidD.Voorkomen over subsidiëringE.Non-discriminatoire toegangF.Stimuleren hergebruik van infrastructuurOmdat CCS geen wettelijke taak van EBN is, wordt voor elk project eenafzonderlijk instemmingsbesluit genomen om te waarborgen dat dedeelname binnen de wettelijke kaders en het publieke belang past. Depublieke belangen worden dus aan de voorkant van de projectengewogen. Verder zijn er meerdere stappen tijdens de levensduur van eenproject waarvoor EBN een instemmingsbesluit moet vragen, zoals depre-FEED, FEED en deelname. EBN heeft instemming voor deelname aanprojecten om het publieke belang te borgen en niet om de commerciëlebelangen bij projectontwikkeling te borgen. Het initiatief en de verant-woordelijkheid voor realisatie van de werkzaamheden of (eind)resultatenligt bij de initiatiefnemers van het project, en niet bij EBN. Ook voordeelname van de Staatsdeelneming Gasunie bij CO2-transportprojectengeldt dat de publieke belangen van tevoren worden beschreven engewogen. Voordat Gasunie aandeelhoudersgoedkeuring krijgt van deMinister van Financiën voor investeringen in CO2-transportinfrastructuur,vindt er ambtelijk afstemming plaats met vertegenwoordigers van deMinister van Klimaat en Groene Groei waarbij de publieke belangen dieworden gediend met deelname van Gasunie worden beschreven engewogen, conform de Nota Deelnemingenbeleid Rijksoverheid 2022 enhet daaruit voortvloeiende Handboek Investeringen.33Hiernaast stelt het kabinet als voorwaarde voor instemming voor dedeelname van EBN in CCS-projecten dat EBN, conform de aanbevelingenvan de Parlementaire Enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen en31FEED = Front End Engineering and Design.32Kamerstuk 32 813, nr. 758; Kamerstuk 32 813, nr. 1298.33Handboeken | Staatsdeelnemingen | Rijksoverheid.nl (www.rijksoverheid.nl/ onderwerpen/staatsdeelnemingen/dashboard-staatsdeelnemingen/handboeken)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150512 de kabinetsreactie daarop, in de samenwerkingsovereenkomsten die EBNaangaat in het kader van de opslagprojecten opneemt welke publiekebelangen EBN hiermee dient en dat zij samenwerkingsovereenkomstenopenbaar maakt indien mogelijk.Aanbeveling 8: Geef toekomstige publiek-private samenwer-kingen beter vorm.EBN neemt deel aan opslagprojecten zolang dit noodzakelijk is voor deborging van publieke belangen. Om dit proces te ondersteunen, heeft EBNhaar strategie aangescherpt, waarbij publieke belangen een centralere rolhebben gekregen. Daarnaast wordt een overzicht gepubliceerd van allebestaande overeenkomsten en worden alle nieuwe overeenkomsten actiefopenbaar gemaakt, indien dit mogelijk is. Ook heeft EBN een verklaringmaatschappelijk verantwoord ondernemen uitgebracht en wordt hettoetsingskader voor investeringsvoorstellen herzien. Dit toetsingskader zalbeter vastleggen hoe publieke belangen worden meegewogen bij debeoordeling van projecten.Aangezien verdere betrokkenheid na de pre-FEED-fase een nieuw besluitvereist, moeten samenwerkingsovereenkomsten expliciet voorzien in eenexit-strategie. Deze strategie moet vastleggen onder welke voorwaardenen op welke wijze EBN zich kan terugtrekken uit een project na afrondingvan de pre-FEED-fase of een kleiner aandeel zal hebben in het vervolg vanhet opslagproject. Deze exit-strategie zal in overleg met het Ministerie vanKlimaat en Groene Groei worden afgestemd om zowel het publiekebelang als de continuïteit van de projecten te waarborgen.Aanbeveling 10: Stuur op de ruimtelijke inrichting van deondergrondMomenteel wordt er gewerkt aan de Partiële Herziening ProgrammaNoordzee welke eind 2025 gepland staat voor oplevering. Dit Programmabeschrijft het kader voor de ruimtelijke ordening die uit de verschillendeinhoudelijke beleidsvoornemens voortvloeit en presenteert een richtingvoor ruimtelijke inrichting van de Noordzee. Op land wordtCO2-transportinfrastructuur meegenomen in de ruimtelijke planning vanhet Programma energiehoofdinfrastructuur. Door het beleid op ruimtelijkordening en door deelname van EBN wordt de ruimtelijke inrichting vande ondergrond, fasering en afstemming met andere functies metruimtebeslag gewaarborgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150513 Uitvoering van de motie-TeunissenIn het rapport van de Algemene Rekenkamer over CCS «over winstenonder water» heeft de Algemene Rekenkamer aangegeven dat er meerbaten naar de staat zouden kunnen vloeien dan in de onderzochte casusPorthos het geval is. In de bestuurlijke reactie heeft het vorige kabinetaangegeven de aanbevelingen van mogelijke heffingen op basis van deMijnbouwwet en een aanpassing van de SDE++ voor meer baten (c.q.minder uitgaven) aan de Staat te onderzoeken. Ook heeft het vorigekabinet aangegeven te onderzoeken hoe de departementen in samen-werking tussen aandeelhouder en beleidsdepartement ervoor kunnenzorgen dat er vooraf een compleet beeld wordt gevormd van alle kostenen baten van CCS voor het Rijk. De uitkomsten van het interne onderzoekhiernaar volgen hier. Voorts wordt ook ingegaan op de mogelijkheden dieer zijn voor meer baten via de deelname van staats- en beleidsdeelne-mingen in CCS-projecten die volgen op het Porthos project.MijnbouwwetDe Algemene Rekenkamer heeft de mogelijkheid geschetst om op basisvan de Mijnbouwwet een afdracht op te nemen in deCO2-opslagvergunning. In het geval van het Porthos-project is van dezemogelijkheid bewust geen gebruik gemaakt, omdat de ontwikkeling vanhet project en het op gang brengen van de markt prioriteit kregen. Eenafdracht werkt kostenverhogend, wat zou leiden tot een hogere SDE++-subsidie indien deze afdracht zou zijn opgenomen in de SDE++ regeling.Het vorige kabinet heeft in de bestuurlijke reactie op het rapport van deAlgemene Rekenkamer aangegeven een afdracht op basis van deMijnbouwwet een mogelijkheid is die open wordt gehouden voor detoekomst.Voor olie- en gaswinning is een aantal specifieke afdrachten in deMijnbouwwet opgenomen. Zo moeten bedrijven oppervlakterecht betalen,waardoor er een prikkel bestaat om niet onnodig areaal onbenut te laten.Daarnaast is er een grondslag voor cijns opgenomen, zodat er in het gevalvan hoge gasprijzen extra inkomsten naar de Staat kunnen vloeien naastde al geldende vennootschapsbelasting, het winstaandeel en de gasbatendie via EBN naar de Staat vloeien. Bij de winning van zout of aardwarmteis ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid bij de vergunningver-lening een afdracht in de vergunning op te nemen. De grondslag voor demogelijkheid voor afdrachten is er niet op gericht om vermedenETS-kosten te kunnen afromen, zoals de Rekenkamer suggereerde. Deafdracht wordt namelijk neergelegd bij de exploitant van de opslagver-gunninghouder. Deze partij weet bij het aanvragen van de opslagver-gunning vaak nog niet welke partij CO2 zal leveren, en wat de ETS-prijsvoor CO2 zal zijn in de toekomst. Daarnaast verschillen ook de kosten perbedrijf. Nader onderzoek betekent in dit geval het opnieuw bezien of degrondslag of de marktomstandigheden zodanig zijn veranderd dat hetopnemen van een afdracht bij nieuwe CO2-opslagvergunningen wel aande orde is. Op dit moment zal een afdracht in de CO2-opslagvergunningde ontwikkeling van de CO2-opslagprojecten en ontwikkelingen van debeginnende CCS-markt afremmen.Anno 2025 staat de CCS-markt in Nederland nog aan het begin. Na destart van Aramis kunnen er vervolgens meer opslaglocaties wordenaangesloten op de transportinfrastructuur. Ook komen er parallel mogelijkandere concepten tot ontwikkeling. In de toekomstige situatie waarbijAramis van start is, wordt opnieuw bezien of de introductie van deafdracht bij opslagvergunning aan de orde is.Bijlage 2:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150514 SDE++Met de SDE++ kunnen emittenten de onrendabele top van CCS tenopzichte van de ETS-prijs vergoed krijgen. De reguliere SDE++ werkt zodat in jaren waarin de ETS-prijs onder de kostprijs van CCS ligt,emittenten het verschil gesubsidieerd krijgen. In jaren dat de ETS-prijsboven de kostprijs van CCS ligt, wordt geen subsidie uitgekeerd. Deonrendabele top van CCS zal naarmate het ETS-plafond lager wordt en deETS-prijs stijgt voor veel van de SDE++-categorieën verdwijnen. Hierdoorbestaat het risico dat CCS-projecten over de gehele subsidieperiodebezien meer dan de onrendabele top gesubsidieerd krijgen.Aangezien een vergelijkbaar vraagstuk bij de stimulering van zon-PV enwindenergie aan de orde is, geldt sinds de 2024 SDE++-ronde voor dezetechnieken dat subsidie in jaren van lage marktprijzen wordt verrekendmet inkomsten in jaren van hoge marktprijzen. Het kabinet gaat onder-zoeken of het wenselijk en mogelijk is om hetzelfde mechanisme opnieuwe SDE++-beschikkingen voor CCS toe te passen. Voor CCS zou ditmechanisme inhouden dat in jaren waarin de ETS-prijs (een bepaaldemate) hoger is dan de kostprijs van CCS, dit verschil wordt verrekend metde subsidie die is uitgekeerd in jaren dat de ETS-prijs onder de kostprijsvan CCS lag.Zie figuur 1 hieronder voor een schematische weergave. Zoals in deKamerbrief over de toekomst van de SDE++ is aangegeven informeert hetkabinet de Kamer in het najaar van 2025 over de mogelijkheid enwenselijkheid van het al dan niet toepassen van dit mechanisme opnieuwe beschikkingen in de SDE++.34Compleet beeld van alle kosten en baten van CCS voor het RijkDe door de Algemene Rekenkamer onderzochte casus Porthos was eenfirst-of-it’s-kind project waar de eerste lessen en adviezen uit zijngekomen. Dit geldt ook voor de analyse van het totaal aan kosten enbaten voor de Staat. Naar aanleiding van het adviesrapport van deAlgemene Rekenkamer is de afstemming over CCS-projecten tussen hetbeleidsdepartement en de aandeelhouders van de verschillende beleid- enstaatsdeelnemingen vervroegd en geïntensiveerd.Het Aramis project bevindt zich nu in een fase waarin de verschillendeaspecten van kosten- en baten spelen nog voordat er aandeelhouders-34Kamerstuk 31 239 nr. 403.Figuur 1:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150515 goedkeuring aan de beleids- en staatsdeelnemingen moet wordengegeven. Dit geeft de gelegenheid om de kosten van de SDE++, deeventuele kosten van het mitigeren van een vollooprisico en de investe-ringen en baten bij beleids- en staatsdeelnemingen in samenhang tebezien. Het beleidsdepartement en de aandeelhouders bekijken dezeverschillende kosten dan ook integraal bij onder meer de besluitvormingover het Klimaatfonds.Meer baten naar de Staat via staats- en beleidsdeelnemingenDe Algemene Rekenkamer heeft terecht geconstateerd dat het Porthos-project niet voldoet aan de rendementsindicatoren van staatsdeelne-mingen voor dit soort projecten. De belangrijkste oorzaak hiervan is devertraging van het project en de hoge inflatie. Hierdoor zijn de kosten voorhet project substantieel gestegen. Het was toentertijd niet mogelijk om dekostenstijging door te berekenen aan de klanten van Porthos omdat ditniet in lijn zou zijn met de commerciële afspraken zoals deze tussen departijen zijn gemaakt. Deze kostenstijging is vervolgens geabsorbeerd inhet rendement van de staats- en beleidsdeelnemingen die initiatiefnemerzijn van het Porthos project.Er is een reëel scenario dat het rendement van het Porthos-projectverbetert, wanneer additionele CCS-projecten op de Porthos-infrastructuur aansluiten. De vooruitzichten hierop zijn gunstig. Ook zijn erverschillen tussen het Porthos en navolgende projecten die reden gevenom aan te nemen dat de verwachte rendementen voor de initiatiefnemersvan CO2-transport en -opslagprojecten beter zijn dan het rendement in decasus die de Algemene Rekenkamer heeft onderzocht. Een voldoenderendement is voor de Minister van Klimaat en Groene Groei en deMinister van Financiën ook een voorwaarde voor de aandeelhoudersgoed-keuring van navolgende CCS-projecten.De redenen waarom volgende projecten verschillen van het Porthos-project zijn onder meer: 1) de commerciële contracten verschillen van hetPorthos project; 2) de extreme inflatie waarmee Porthos geconfronteerdwerd, is casus specifiek, 3) bij verschillende onderdelen van de Aramisketen wordt samengewerkt met een commerciële partijen, zoals EBN dattezamen met een commerciële partij CO2-opslagen ontwikkelt. Het isaannemelijk dat het investeringsvoorstel voor volgende CCS-projecteneen hoger rendement met zich meebrengt en daarbovenop is het eenvereiste voor aandeelhoudersgoedkeuring door de Staat. Op deze wijzewordt via de deelname van staats- en beleidsdeelnemingen ook geborgddat er meer baten naar de Staat vloeien dan in de door de Rekenkameronderzochte casus.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 150516
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe een brief te sturen over de toekomst van de CCS en daarin toe te lichten hoe de aanbevelingen uit het enqueterapport Groningen over publiek
De minister zegt toe een brief te sturen over de toekomst van de CCS en daarin toe te lichten hoe de aanbevelingen uit het enqueterapport Groningen over publiek-private samenwerking en het borgen van publieke belangen gewaarborgd worden.
- De minister zegt toe in de brief over de toekomst van de CCS in te gaan op de gelijke toegang tot CCS voor cluster 6 bedrijven en hoe de marktordening van CCS i
De minister zegt toe in de brief over de toekomst van de CCS in te gaan op de gelijke toegang tot CCS voor cluster 6 bedrijven en hoe de marktordening van CCS in de toekomst goed geregeld wordt.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.