De Staat als procespartij
Brontekst
Versie 0f1bbc57cd54998e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 279Rechtsstaat en RechtsordeNr. 980 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 4 juli 2025Tijdens het debat van 19 januari 2023 over de Staat van de rechtsstaat isin verband met de aanpak kinderopvangtoeslag gesproken over deverbetering van de rechtsstaat. In de motie van de leden Leijten(voormalig lid SP) en Ellian (VVD)1 die tijdens dit debat is ingediend,wordt het kabinet verzocht met een reflectie te komen over de rol van deStaat als procespartij. Met deze brief geef ik uitvoering aan deze motie.Omdat in de overwegingen van de motie wordt gevraagd om eenherbezinning van de Staat als procespartij, heb ik ervoor gekozen in dezebrief vooruit te kijken. Ik betrek bij de reflectie de motie van het lidPouw-Verweij (voormalig lid Ja21) om precedentwerking nooit alsargument te gebruiken om gedupeerden compensatie te onthouden en demotie van de leden Temmink (voormalig lid SP) en Van Nispen (SP) om testoppen met procederen in bestuursrechtelijke zaken die lopen tegenburgers die eerder in het gelijk zijn gesteld.2 Aangezien de motie van deleden Leijten en Ellian zich richt op de rol van de Staat als procespartij zietde reflectie met name op de rol en houding van de rijksoverheid.3De basisprincipes die in deze brief aan de orde komen als het gaat om derol en houding van de rijksoverheid, gelden niet alleen in het contact metburgers, maar ook in het contact met bedrijven of organisaties. Het gaathierbij bijvoorbeeld om een responsieve, de-escalerende en toegankelijkehouding. De rijksoverheid dient zich er steeds van te vergewissen met wiezij contact heeft teneinde haar houding en insteek daarop aan te passen.Doordat de rechtsverhouding en het type geschil tussen de rijksoverheiden bedrijven of organisaties veelal een ander karakter hebben, staan in1Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 761.2Kamerstukken II 2020/21, 28 362, nr. 48 en Kamerstukken II 2023/24, 31 753, nr. 282.3In deze brief wordt het begrip rijksoverheid gebruikt als aanduiding van de rechtspersoon Staatin civielrechtelijke kwesties en de diverse bestuursorganen die vallen onder de rijksoverheid inbestuursrechtelijke aangelegenheden. kst-29279-980ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9801 deze brief de rol en houding van de rijksoverheid ten opzichte van burgerscentraal.Zoals aangegeven in het regeerprogramma en de kabinetsreactie op hetrapport «Blind voor mens en recht» van de Parlementaire Enquêtecom-missie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD)4 is de inzet van het kabineterop gericht om de democratische rechtsstaat langs verschillende lijnen teversterken en de grondrechten van mensen beter te beschermen. In hetrapport «De gebroken belofte van de rechtsstaat»5 van de Staatscom-missie rechtsstaat is hier ook aandacht voor gevraagd. In deze brief zal ikspecifiek ingaan op de rol en de houding van de rijksoverheid alsprocespartij.Rol en houding van de rijksoverheidIk wil voorop stellen dat voor het kabinet de vraag naar de rol en houdingvan de rijksoverheid als procespartij geen op zichzelf staande vraag is.Daarom zal ik, voordat ik specifiek inga op de rol van de rijksoverheid alsprocespartij, eerst het bredere kader schetsen.De rol en houding van de rijksoverheid worden ingegeven door de wijzewaarop de rijksoverheid zich tot haar burgers verhoudt en de waardenwaarop dat is gebaseerd. Daarbij staan de begrippen zorgvuldigheid, fairplay (niet partijdig en zonder vooringenomenheid handelen), rechtsze-kerheid, vertrouwen en rechtsgelijkheid centraal. Een goede uitleg van hethandelen van de rijksoverheid en een responsieve, de-escalerende,toegankelijke houding met oog voor de positie van burgers en het wegenvan alle betrokken belangen, dienen het gedrag van de rijksoverheid tekenmerken. Een dergelijke opstelling draagt bij aan meer begrip vanburgers voor het handelen van de rijksoverheid, de ervaren (procedurele)rechtvaardigheid en het vertrouwen in de rijksoverheid.Het handelen van de rijksoverheid dient het algemeen belang en is eropgericht beleid tot stand te brengen en uit te voeren om Nederland optalloze vlakken sterker en beter te maken voor zijn inwoners. De rijks-overheid weegt daarbij steeds de verschillende, en soms zelfs tegen-strijdige, publieke waarden en belangen, maakt keuzes en handeltdaarnaar. Dat heeft een impact op de levens van mensen. In positieve zin,maar soms ook in negatieve zin.Het is de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid om haar taken op eenjuiste wijze uit te voeren. Het begint met de zorgvuldige totstandkomingvan beleid en de daarbij behorende wetten en regels met ruimte voorconsultatie en participatie van burgers. De rijksoverheid moet hetvertrouwen van burgers verkrijgen en behouden door beleid en wet- enregelgeving te maken die in de praktijk goed werken voor zowel burgers,ondernemers, bedrijven als (uitvoerings)organisaties en die de rechtenvan eenieder eerbiedigen. Ik hecht daarom groot belang aan een tijdige enadequate toepassing van het Beleidskompas6 bij de totstandkoming vannieuw beleid en een kwalitatief hoogwaardige selectieve toetsing vannieuwe wetgeving. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties en ik werken in dat kader aan het versterken van de ex anteconstitutionele toets respectievelijk de algemene wetgevingstoets. Hiertoe4Kamerstukken II 2024/25, 35 867, nr. 13.5https://www.staatscommissierechtsstaat.nl/onderwerpen/rapport.6https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9802 zijn – ter uitvoering van het regeerprogramma – afspraken gemaakt terverdere stroomlijning van de samenwerking.7Burgergericht en proactief handelen bij (het voorkomen van) geschillenBij het handelen van de rijksoverheid is ook de omgang met burgers inindividuele situaties van groot belang. Het project Passend (voorheen:Prettig) contact met de overheid (PCMO) van het Ministerie van Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties en het deelprogramma Burgergerichteoverheid8 waren hier bijvoorbeeld op gericht. De rijksoverheid streefternaar responsief, toegankelijk en benaderbaar te zijn, te de-escaleren enoog te hebben voor de positie van burgers. Door in contact te treden metde burger kan gezamenlijk worden bezien wat het precieze probleem is enof het bezwaar of de klacht op een informele manier afgehandeld kanworden.Het is echter niet altijd mogelijk om geschillen te voorkomen. Zelfs bij metgrote zorgvuldigheid tot stand gekomen beleid en regelgeving, kan deuitvoering ervan toch leiden tot geschillen tussen burgers en de rijks-overheid. Er ligt veelal een belangenafweging aan ten grondslag die nietaltijd in ieders voordeel kan uitpakken. Ook belangen van burgers kunnenimmers uiteenlopen en zelfs tegengesteld zijn. Daarmee kan een keuzevoor het ene belang, indruisen tegen het andere. Ook kunnen er foutenworden gemaakt of kan er in de uitvoering, waar dagelijks veel zakenadequaat worden behandeld, worden ervaren dat beleid ongewenstuitpakt in specifieke situaties.Precedentwerking bij (dreigende) conflictenBij (dreigende) conflicten is het uitgangspunt altijd dat – het liefst proactief– wordt gekeken naar waar een burger recht op heeft. In dit verband wordtterecht in de motie van het lid Pouw-Verweij de regering verzocht om«mogelijke precedentwerking nooit als argument te gebruiken ommensen die gedupeerd zijn door falend overheidsbeleid, de compensatiete onthouden waar ze recht op hebben». Het gelijkheidsbeginsel is eenbelangrijk beginsel dat in artikel 1 van de Grondwet staat. Het gelijkheids-beginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Daarmeeis gegeven dat beslissingen in individuele gevallen, zich ook kunnenuitstrekken over andere (gelijkende) gevallen. Precedentwerking isdaarom relevant om bestuurlijke, financiële en/of beleidsmatige conse-quenties in kaart te brengen van hetgeen waartoe de rijksoverheidgehouden is, maar kan geen reden zijn de betreffende burger of bedrijf teontzeggen waar hij recht op heeft.Met name wanneer de rijksoverheid geen juridische verplichting heeft tothet verstrekken van een vergoeding, is precedentwerking een noodzake-lijke overweging, omdat in het vervolg gelijke gevallen gelijk dienen teworden behandeld. Overgaan tot een juridisch onverplichte vergoeding isdaarmee feitelijk een beleidskeuze die geld kost en die zoals elkebeleidskeuze gewogen moet worden; het gaat immers om algemenemiddelen die maar één keer uitgegeven kunnen worden. Bij de uitkering7Versterking algemene wetgevingstoetsing en constitutionele wetgevingstoetsing in dekabinetsbrede agenda wetgevingskwaliteit, Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VI, nr. 151 enKamerstukken I 2024/25, 31 731, U.8Actieplan Meer vertrouwen, minder onnodige procedures (2024) en https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2022/04/30/deelprogramma-burgergerichte-overheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9803 van vergoedingen is het van belang dat deze procedures eenduidig enniet onnodig ingewikkeld zijn of langer duren dan noodzakelijk.9Rol en houding van de rijksoverheid als procespartij: zorgvuldigen terughoudendAls de poging een (dreigend) geschil informeel op te lossen niet mogelijkis, dient de rijksoverheid terughoudend te zijn met procedures en daaruiterst zorgvuldig mee om te gaan. Wanneer een burger verwikkeld is ineen gerechtelijke procedure met de rijksoverheid kan dat immers veelimpact hebben op zijn of haar leven en gepaard gaan met onzekerheid. Ditgevoel wordt versterkt doordat de rijksoverheid, in de hoedanigheid vanprocespartij, door burgers zal worden ervaren als een sterk bovenge-schikte partij. Juist van de rijksoverheid mag daarom verwacht wordendat zij geen onnodige procedures voert, waar mogelijk de-escalerendoptreedt en oog heeft voor de positie van burgers en het dieperliggendeconflict.Er is een bestaand kader van de Nationale ombudsman voor eenbehoorlijke omgang met schadeclaims in het civiel recht.10 Alhoewel ditkader alleen gericht is op de omgang met schadeclaims en de rijks-overheid op meer gebieden geschillen heeft met burgers, worden deachterliggende uitgangspunten in brede zin nog steeds onderschreven.Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een opstelling die conflictoplossend,coulant, terughoudend met het starten van procedures en proactief is.Daarom heb ik dit kader opnieuw onder de aandacht gebracht bij deverschillende departementen.Wanneer het komt tot een juridische procedure in het civiel- of bestuurs-recht, is de rijksoverheid in de meeste gevallen de verwerende partij. Derijksoverheid entameert zelden zelf procedures tegen burgers.11 Indien ereen rechtszaak tegen de rijksoverheid (de Staat) wordt aangespannen,gaat zij eerst na of het besluit of de eigen handelwijze juist is geweest. Isdit niet het geval, dan wordt bekeken hoe dit (buitengerechtelijk) kanworden opgelost of hersteld. Is de rijksoverheid van mening dat dehandelwijze en/of het besluit juist is en op de juiste wijze tot stand isgekomen, dan ligt het, ook vanuit het algemeen belang en de democra-tische rechtsstaat bezien, in de rede dat zij verweer voert. Een goedfunctionerende rechtsstaat vergt dat de democratisch tot stand gekomengeldende wet- en regelgeving op de juiste wijze wordt uitgevoerd,gehandhaafd en verdedigd. Daar kunnen (andere) burgers de rijks-overheid ook op aanspreken. Daarnaast is de rijksoverheid in sommigegevallen gehouden om bepaalde procedures te voeren, bijvoorbeeldwanneer ze op basis van EU-wetgeving belast is met de terugvorderingvan ongeoorloofde staatssteun en het heffen en innen van douane-rechten.VerjaringIn aansprakelijkheidszaken speelt soms de vraag of het redelijk is dat doorde rijksoverheid in het verweer een beroep op verjaring wordt gedaanwanneer een zaak in juridische zin verjaard is. Verjaring dient in algemenezin het belang van de rechtszekerheid. De samenleving moet er na verloopvan tijd op kunnen vertrouwen verder te kunnen gaan, zonder rekening tehoeven houden met vorderingen uit het (verre) verleden. Zeker deabsolute verjaringstermijn (20 jaar) illustreert een grens tussen wanneer9Zie in dit kader ook Kamerstukken II 2024/25, 36 708, nr. 1.10https://www.nationaleombudsman.nl/uploads/rapport2009-135_1.pdf.11Strafrechtelijke procedures daargelaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9804 een juridische procedure nog wel geschikt is om het verleden te beoor-delen en wanneer dat in de regel niet meer het geval is. Wanneer geenberoep op verjaring zou kunnen worden gedaan, wordt de rechter in depositie gebracht zich in het heden een oordeel over het verleden temoeten vormen. Hier zitten inherente beperkingen aan, zoals ook uitdiverse recente rechtszaken is gebleken.12 Zo kunnen door tijdsverloopbewijsproblemen ontstaan en getuigenverklaringen minder betrouwbaarworden. Voor een uitgebreide toelichting over beroep op verjaring verwijsik naar de antwoorden op de Kamervragen van het lid Van Nispen uit junien september 2023.13In algemene zin geldt dat per geval wordt beoordeeld of in de betreffendezaak een beroep op verjaring redelijk is. In beginsel wordt geen beroep opverjaring gedaan als a) onrechtmatig handelen van de Staat wordt erkend,voldoende helder is waaruit die onrechtmatigheid bestaat en wat daarvanconcreet de gevolgen zijn (geweest) of b) een beroep op verjaringonredelijk is op basis van de criteria die in de jurisprudentie daarover zijnontwikkeld.Hoger beroepIndien de rijksoverheid in een rechtszaak in eerste aanleg door de rechterin het ongelijk wordt gesteld, wordt de afweging gemaakt of al dan niethoger beroep wordt ingesteld. Hier ziet de rijksoverheid zich veelal voorhet dilemma gesteld een afweging te maken tussen het algemene belangen een individueel belang. Alléén als het algemeen belang vergt dat eenprocedure wordt voortgezet, zal daartoe worden besloten.14 Zo kunnen erin eerste aanleg uitspraken worden gedaan die (rechts-)vragen oproepenen waarbij het, naar het oordeel van de rijksoverheid, van belang is dateen rechter in hoger beroep zich daarover buigt. Dit kan bijvoorbeeld hetgeval zijn wanneer een uitspraak voor brede toepassing (te) onduidelijkgemotiveerd is, er om onduidelijke redenen wordt afgeweken van degangbare lijn in de jurisprudentie, er onduidelijkheid is ontstaan over deuitleg van het overheidsbeleid of doordat de uitspraak fundamentelerechtsvragen oproept.Juist doordat de rijksoverheid partij is, speelt het gelijkheidsbeginseldaarbij een belangrijke rol. De rijksoverheid is immers gehouden andereburgers in dezelfde situatie op dezelfde manier te behandelen. Daardoorkan een uitspraak in een individuele zaak een veel bredere werkinghebben. Het is niet in alle gevallen helder of die bredere werking ook doorde rechter in eerste aanleg is voorzien en gewogen. Het is eveneensmogelijk dat er verschillen zijn in uitspraken van verschillende recht-banken. Het zou onwenselijk zijn dat er regionale verschillen ontstaan,bijvoorbeeld bij de uitleg van een bepaald juridisch begrip. De wet en detoepassing ervan moeten voor iedereen die in gelijke omstandighedenverkeert, hetzelfde zijn. De rijksoverheid moet in dat kader de mogelijkheidhebben om vanuit het belang van de rechtseenheid hoger beroep in testellen.In de motie van de leden Temmink en Van Nispen wordt de regeringverzocht per direct te stoppen met het procederen in bestuursrechtelijkezaken die lopen tegen burgers die eerder in het gelijk zijn gesteld. Hoewelterughoudend wordt omgegaan met het instellen van hoger beroep, kande regering met het oog op bovenstaande zwaarwegende algemenebelangen de motie niet onverkort uitvoeren. In dit kader verwijs ik ook12Zie in dit verband ook: ECLI:NL:GHDHA:2025:353.13Aanhangsel handelingen II 2023/2024, 39; aanhangsel handelingen II 2022/23, 2917.14Opgemerkt wordt dat dit in sommige specifieke gevallen anders kan, bijvoorbeeld wanneer derijksoverheid vanuit haar rol als overheidswerkgever optreedt of in geval van incidenteelhoger beroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9805 naar de recente Kamerbrieven15 van de Staatssecretaris van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties – Herstel Groningen in reactie op de motieBeckerman16 en de motie Beckerman/Bushoff17 die de regering verzoekente zorgen dat er niet langer wordt doorgeprocedeerd tegen gedupeerdenvan de gaswinning in het Groningenveld. In dat geval speelt ook mee dateen bewindspersoon geen afbreuk kan doen aan de wettelijkebevoegdheid van elk zelfstandig bestuursorgaan (in dit geval het InstituutMijnbouwschade Groningen) om in hoger beroep te gaan.Van de rijksoverheid mag worden verwacht dat zij terughoudendheidbetracht bij het instellen van hoger beroep en bij haar afweging extrarekening houdt met de impact ervan op burgers. In dat kader wordtmomenteel gewerkt aan een afwegingskader voor het instellen van hogerberoep in het bestuursrecht. De insteek is dat kan worden gekomen toteen afwegingskader dat kan worden gebruikt door departementen,uitvoeringsorganisaties en decentrale overheden. Bij het opstellen van hetafwegingskader zal het eerder genoemde kader van de Nationaleombudsman voor een behoorlijke omgang met schadeclaims in het civielrecht worden betrokken. Ten behoeve van het afwegingskader voor hetinstellen van hoger beroep in het bestuursrecht is aan het WODC opdrachtgegeven een aantal kennistafels te organiseren met deskundigen uit dewetenschap, praktijk en rechtspraak. Dit heeft geleid tot hetWODC-onderzoek getiteld «Een afwegingskader voor procedeergedragdoor overheden in het bestuursrecht? Kennistafels behoorlijk procedeer-gedrag».18 In de bijlage bij deze brief treft u een korte beleidsreactie aanop dit rapport.Evenwichtige rolverdeling en burgergerichte benadering in hetbestuursrechtDit laat onverlet dat het kabinet de overwegingen uit de motie van deleden Temmink en Van Nispen met betrekking tot de evenwichtigerolverdeling, tussen enerzijds de rijksoverheid en anderzijds burgers,steunt en daaraan met haar beleid ook uitvoering wil geven. In ditverband wijs ik bijvoorbeeld op de verdere ontwikkeling van de Algemenewet bestuursrecht (Awb) door het Ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en mijn ministerie. Aan de Awb ligt het uitgangspuntten grondslag dat het bestuur rekening moet houden met de belangen enzienswijzen van burgers. Met dat doel bevat de Awb waarborgen voor dezogeheten ongelijkheidscompensatie van burgers ten opzichte van derijksoverheid. We zien dit terug in verschillende verplichtingen van hetbestuur.De wijzigingen in het conceptwetsvoorstel voor de Wet versterkingwaarborgfunctie Awb19 hebben tot doel de waarborgfunctie van de Awbte versterken. Het conceptwetsvoorstel bevat daartoe verschillendevoorstellen die beogen de dienstverlening door de overheid te verbeteren,het maatwerk en de menselijke maat in het bestuursrecht te versterken enlaagdrempelige geschilbeslechting te bevorderen. Ik wijs in dit verband opde introductie van de plicht aan bestuursorganen burgers centraal testellen (het dienstbaarheidsbeginsel), de voorgestelde invoering van deburgerlus (om de ongelijke positie van burgers in het bestuursprocesrechtten opzichte van de overheid te compenseren) en diverse belangrijkeaanpassingen om informele beslechting van geschillen over overheids-15Kamerstukken II 2024/25, 36 566, nr. 25; Kamerstukken II 2024/25, 33 529, nr. 1274.16Kamerstukken II 2024/245, 36 566, nr. 16.17Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VII, nr. 97.18https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/3430.19https://www.internetconsultatie.nl/waarborgfunctieawb/b1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9806 handelen te bevorderen. De consultatiereacties en uitvoeringstoetsen bijdit conceptwetsvoorstel worden momenteel beoordeeld en verwerkt.Daarbij zullen verschillende aanbevelingen van de Parlementaire enquêteFraudebeleid en Dienstverlening en de Staatscommissie rechtsstaatworden betrokken.Tot slotDe rijksoverheid dient zorg te dragen voor kwalitatief hoogwaardig beleiden wetgeving en een burgergerichte, responsieve en dienstbare houding.Het kabinet heeft hiertoe belangrijke stappen gezet en blijft hieropinzetten. Het handelen van de rijksoverheid heeft impact op het leven vanburgers en dat verdient voortdurende aandacht.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,T.H.D. StruyckenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9807 – CONCLUSIES EN BELEIDSREACTIE WODC-RAPPORT «EENAFWEGINGSKADER VOOR PROCEDEERGEDRAG DOOROVERHEDEN IN HET BESTUURSRECHT? KENNISTAFELSBEHOORLIJK PROCEDEERGEDRAG»Belangrijkste conclusies WODC-rapportHet onderzoek leert dat er behoefte is aan een instrumentarium om hetprocedeergedrag van de overheid in het bestuursrecht te helpenverbeteren. Als burgers ervaren dat de overheid moeite doet zo burgerge-richt mogelijk te procederen, draagt dat bij aan het wederzijds vertrouwenen het functioneren van een democratische rechtsstaat.Het onderzoek beveelt ontwikkeling van de volgende instrumenten aan:1.Een afwegingskader voor het instellen van hoger beroep;2.Een richtlijn met gedragsnormen voor burgergericht procederen in(hoger) beroep;3.Handvatten voor het vormgeven van een ontwikkeltraject in overheids-organisaties ten behoeve van een meer burgergerichte behandelingvan bezwaar.BeleidsreactieAd 1. Afwegingskader voor het instellen van hoger beroepHet afwegingskader voor het instellen van hoger beroep is de belang-rijkste aanbeveling uit het rapport. Conform het rapport wordt, in overlegmet andere departementen, decentrale overheden en uitvoeringsorgani-saties, gestart met het in samenwerking met deze partijen ontwikkelenvan een niet-bindend (beleidsregel) afwegingskader voor het instellen vanhoger beroep in het bestuursrecht. Hoger beroep kan een grote impacthebben op burgers. Niet alleen kost het burgers tijd, geld en energie, ookkunnen burgers lange tijd in onzekerheid verkeren over de uitkomst vande zaak. Een afwegingskader voor het instellen van hoger beroep kaneraan bijdragen dat overheden extra rekening houden met deze impact enterughoudendheid betrachten om in hoger beroep te gaan.In het WODC-rapport worden enkele belangen en procedurelewaarborgen genoemd, die als bouwstenen kunnen dienen voor het teontwikkelen model-afwegingskader. Vanuit het oogpunt van het bestuurs-orgaan gaat het bijvoorbeeld om de mate van onzekerheid door deuitspraak, impact op beleid en/of uitvoering en financiële gevolgen.Daarnaast dient de overheid de impact voor burgers mee te wegen. Hetgaat hierbij bijvoorbeeld om zekerheid, hoger beroep leidt voor lange tijdtot onzekerheid bij burgers over hun rechten en plichten, en de omvangvan de financiële belangen van de betrokken individuele burgers. Bijprocedurele waarborgen gaat het bijvoorbeeld om het inwinnen vanjuridisch advies en het voorleggen van een voorstel aan het bestuur.Ad 2. Richtlijn met gedragsnormen burgergericht procederen in (hoger)beroepUit het onderzoek blijkt dat er bij de deelnemers consensus is over een setaan gedragsnormen die altijd zouden moeten worden nageleefd dooroverheden en procesvertegenwoordigers in (hoger) beroep. Genoemdwordt een warme overdracht tussen bezwaarbehandelaar en procesverte-genwoordiger in beroep,20 het tijdig verzamelen en indienen van20Het betreft hier een ieder die namens de overheid optreedt (advocaten, medewerkers enjuristen al dan niet in dienst van de overheid).BIJLAGETweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9808 processtukken, het opstellen van een gemotiveerd verweerschrift enhoger beroepschrift, het verkrijgen van mandaat, het verschijnen terzitting, een professionele houding tijdens de zitting en het geven van eenmondelinge uitleg aan belanghebbende(n) bij het instellen van (hoger)beroep. Bij de uitwerking van het afwegingskader voor het instellen vanhoger beroep zal worden bezien of het passend/wenselijk is deze normenop te nemen in het afwegingskader.Ad 3. Handvatten vormgeven voor een meer burgergerichte behandelingvan bezwaar in overheidsorganisatiesDeze aanbeveling beoogt «de informele aanpak» meer te bestendigen oporganisatieniveau. De informele aanpak is ontwikkeld in het programma«Passend Contact met de Overheid» (PCMO) van het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In december 2024 heeft uwKamer, met de voortgangsbrief versterking toegang tot het recht, het«Actieplan Meer vertrouwen, minder onnodige procedures» ontvangen.21Het actieplan geeft al deels gevolg aan deze aanbeveling met de nieuwe«Kennisbank informele aanpak» die informatie bevat over onder andereimplementatie van de informele aanpak in de organisatie, instructies hoeintervisie en feedback te borgen in de organisatie en best practises.2221Kamerstukken II 2024–205, 29 279, nr. 920.22https://www.divosa.nl/publicaties/kennisbank-informele-aanpak-persoonlijk-snel-en-oplossingsgericht-werken-bij-bezwaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 279, nr. 9809
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.