Prinsjesdagbrief opvolging evaluatie WBSO en tarieven in 2027
Brontekst
Versie 80b1615b49c646ef · officiële bron32 637 Bedrijfslevenbeleid 33 009 Innovatiebeleid Nr. 777 Brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 15 september 2026 Hierbij informeer ik uw Kamer zoals gebruikelijk over de budgettaire kaders en (door)ontwikkeling van de WBSO in het aankomende jaar. Deze Prinsjesdagbrief is gewijd aan de aanpassingen die ik naar aanleiding van de evaluatie beoog en de aanpassingen die zijn aangekondigd in het coalitieakkoord. Ook beantwoord ik met deze brief een tweetal ingediende moties over de WBSO.[voetnoot 1] Omdat de WBSO een fiscale regeling is, stuur ik de brief mede namens Staatssecretaris van Financiën. Deze brief sluit af ik met enkele aankondigingen over de uitvoeringsaspecten van de innovatiebox. De WBSO en innovatiebox vormen tezamen het generieke innovatie-instrumentarium en het fundament voor een succesvol innovatie- en vestigingsklimaatbeleid. De WBSO is een algemene fiscale regeling om R&D te stimuleren, via een afdrachtvermindering in de loonheffingen, zonder onderscheid naar bedrijf, thema of technologie. De WBSO is dan ook bij uitstek het instrument om een bijdrage te leveren aan de beleidsdoelstelling om R&D-uitgaven ter grootte van 3% van het bbp te halen in Nederland. Het doel van de WBSO is om generiek zo veel mogelijk R&D-uitgaven te stimuleren, zonder inhoudelijke sturing. Langs deze lijn scherp ik dan ook de doelstelling van de WBSO aan, zoals aanbevolen in de evaluatie. Zoals de OESO stelt, is een combinatie van generiek en specifiek innovatiebeleid optimaal, omdat beide elkaar versterken.[voetnoot 2] Het Nederlandse innovatie-instrumentarium kent al verschillende thematische instrumenten die complementair zijn aan de WBSO en met het op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) wordt deze beleidsmix verder aangevuld. Het toespitsen van de WBSO ten behoeve van radicale/disruptieve R&D, zoals geopperd in de evaluatie, ligt dan ook niet voor de hand. De WBSO is door de Europese Commissie aangemerkt als een algemene fiscale maatregel en valt daarom nu buiten Europese staatssteunregels, waardoor bedrijven al hun in aanmerking komende loonkosten, andere kosten en uitgaven ieder jaar onder de WBSO mogen brengen. Als thematische sturing in de WBSO wordt geïntroduceerd zal de regeling Europeesrechtelijk als staatsteun worden aangemerkt en als zodanig gerechtvaardigd en getoetst moeten worden. Dit zou waarschijnlijk aanzienlijke beperkingen voor gebruikers met zich mee zou brengen in vergelijking met de WBSO nu, als algemene fiscale maatregel. In deze brief staat opvolging van de WBSO-evaluatie centraal, maar het kabinet heeft met het coalitieakkoord ook een aantal aanpassingen aangekondigd. De administratieve lasten binnen de WBSO moeten verminderd worden en de regeling moet worden verruimd voor kunstmatige intelligentie (hierna: AI). Tegelijkertijd stelt het coalitieakkoord dat het kabinet staat voor stabiel fiscaal beleid. Het is dan ook belangrijk te beginnen met de onderlinge verhouding tussen deze uitgangspunten en het schetsen van de uitruilen die aanpassing van de WBSO met zich meebrengt. Doorontwikkeling zorgt voor een toekomstbestendige regeling maar kan ten koste gaan van stabiliteit en voorspelbaarheid. Door de budgetsystematiek van de regeling liggen stabiel fiscaal beleid en een toekomstbestendige regeling niet per se in elkaars verlengde. De WBSO kent een systematiek waarbij tekorten in of overschotten van het budget twee jaar later verrekend worden. Er zit geen maximum aan het bedrag dat gebruikers kunnen aanvragen, maar als het totaal van de aanvragen het budget voor de WBSO in het afgelopen jaar heeft overschreden, wordt dat tekort verrekend met het aankomende jaar. In dat geval is er dus minder budget beschikbaar en kan het zijn dat, conform dezelfde budgetsystematiek, de tarieven binnen de WBSO naar beneden worden bijgesteld om het budget en het verwachte gebruik te doen uitkomen in het aankomende jaar. Aanpassingen in de WBSO die neerkomen op een verruiming in scope en een groter gebruik, kunnen dus gevolgen hebben voor de tarieven en daarmee het voordeel waar gebruikers op kunnen rekenen. Bedrijven vragen in veel gevallen langjarig WBSO aan en als de tarieven omlaag bijgesteld moeten worden, is de regeling minder stabiel en voorspelbaar. Vermindering van administratieve lasten en een verruiming op het gebied van AI kunnen in de praktijk een versoepeling of verruiming in de scope betekenen en heeft dus een structureel beslag op het budget. Om een dergelijk structureel beslag op te vangen zijn in het coalitieakkoord geen extra middelen gereserveerd, waardoor dit binnen het budget zal moeten gebeuren. In de opvolging van de evaluatie en het coalitieakkoord moet dan ook een balans worden gevonden tussen het borgen van de stabiliteit en het bewaken van de toekomstbestendigheid van de regeling. Dit doe ik in dit geval door enkele beperkte aanpassingen aan te kondigen, met een focus op het verminderen van administratieve lasten en het heroverwegen van de afbakening van programmatuurontwikkeling in relatie tot AI. Naast het streven naar stabiel fiscaal beleid hanteer ik een aantal andere uitgangspunten in de doorontwikkeling van de WBSO, die aansluiten op de bredere beleidsdoelstellingen van het kabinet. Dit betekent dat maatregelen: per saldo niet mogen leiden tot hogere uitvoeringskosten bij RVO of de Belastingdienst; wel mogen leiden tot een grotere nadruk op uitgaan van vertrouwen en daarmee mogelijk een iets verminderde doelmatigheid van de regeling, als dit bijdraagt aan regeldrukreductie; niet mogen leiden tot een (onnodige) toename in complexiteit. Ik ga hieronder in op de uitkomsten en aanbevelingen uit de evaluatie, de verruiming op het gebied van AI c.q. programmatuur zoals benoemd in het coalitieakkoord en het budget voor 2027. Opvolging WBSO-evaluatie Op basis van de evaluatie zijn de afgelopen periode verschillende bevindingen en beleidsopties verder onderzocht, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie. Deze zien grofweg op drie aspecten: De ogenschijnlijk verder uiteenlopende omvang van speur- en ontwikkelingswerk (S&O), de afbakening zoals gehanteerd binnen de WBSO, en de bredere term R&D. Beleidsopties voor het verhogen van de (afgenomen) doeltreffendheid van de regeling. Mogelijkheden voor het verminderen van administratieve lasten. Aanbevelingen uit de evaluatie die gaan over de verhoging van het forfaitair uurloon en de afschaffing van de farmaciebrief binnen de WBSO zijn eerder opgevolgd en zullen verder niet aan bod komen in deze brief. Zie hierover de kabinetsreactie op de evaluatie, de Prinsjesdagbrief van vorig jaar en de toelichting van RVO op de nieuwe situatie voor de farmaciesector.[voetnoot 3] De evaluatie signaleert hiernaast dat de uitdaging voor bedrijven om voldoende technisch talent te vinden een factor is in de doeltreffendheid van de regeling. Het onderwerp talent is inmiddels onderdeel van de opdracht van de ministeriele taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Vervolgonderzoek naar verschil S&O en R&D De evaluatie beveelt aan het ogenschijnlijk groeiende verschil in omvang van speur- en ontwikkelingswerk (S&O - de werkzaamheden die in aanmerking komen voor WBSO) en het algemene begrip R&D nader te onderzoeken. Hierop zijn door het CBS en RVO en door EZK twee nadere onderzoeken uitgevoerd.[voetnoot 4] Het onderzoek door het CBS en RVO beschrijft de definities van S&O en R&D en hoe de omvang hiervan wordt bepaald. Binnen de WBSO wordt bewust een nauwere definitie gehanteerd (S&O), om op een efficiënte manier R&D te stimuleren. Het idee is om een kern van essentiële S&O-activiteiten te stimuleren, waardoor de totale R&D-inzet van bedrijven toeneemt. De evaluatie constateerde echter dat er naast deze bewuste verschillen, ook een groei in R&D te zien is die zich niet vertaalt naar een vergelijkbare trend in S&O. Het tweede onderzoek van EZK duikt cijfermatig in deze groeiende ‘wig’ tussen S&O- en R&D-uitgaven. Daaruit blijkt dat de groeiende wig zichtbaar is in vrijwel alle sectoren in de economie en het sterkst in het grootbedrijf. In de laatste jaren versnelt deze groei. Deze uitkomsten zijn niet toe te wijzen aan puur methodologische oorzaken, maar heeft dus een economische oorzaak. Uit gesprekken met R&D-intensieve bedrijven komt echter niet één duidelijke oorzaak naar voren. Soms is er sprake van een verschil doordat interne tarieven tussen afdelingen worden gehanteerd en deze interne doorbelasting niet meetelt voor het berekende WBSO-uurtarief. Ook kwam naar voren dat programmatuur-projecten (zoals software- of AI-ontwikkeling) toenemen, maar vaak moeilijker volledig aan te vragen zijn binnen de WBSO. Deze bevinding wordt dan ook meegenomen in het traject op het gebied van AI c.q. programmatuur (zie verderop in deze brief). Meerdere bedrijven geven aan ook in algemene zin ‘conservatief’ WBSO aan te vragen, door zich te beperken tot die projecten en werkzaamheden waarvan zeker is dat die passend zijn voor de WBSO. Zo vinden bedrijven een balans tussen een snelle en efficiënte aanvraag en het maximaliseren van de afdrachtvermindering. Doeltreffendheid van de regeling De evaluatie beveelt hiernaast aan om verschillende beleidsopties te verkennen die een bijdrage kunnen leveren aan de doeltreffendheid van de regeling. Eventuele beleidsopties voor een hogere doeltreffendheid moeten, gezien de doelstelling van de WBSO, in lijn zijn met het doel om zoveel mogelijk R&D-uitgaven te stimuleren. Een incrementeel element zoals de evaluatie suggereert, zou extra voordeel betekenen voor bedrijven met aantoonbaar groeiende R&D-uitgaven. Ik heb deze optie verkend, maar er zijn geen bewijzen waaruit blijkt dat een incrementeel element ook daadwerkelijk leidt tot een hogere doeltreffendheid. Er zijn andere landen die een vergelijkbaar element in hun fiscale regeling voor R&D hadden, maar in verschillende landen, zoals Frankrijk, is dit juist afgeschaft. Dit vanwege de complexiteit en het beperkte voordeel dat gegeven kon worden op basis van een dergelijke vormgeving. Ook gezien het uitgangspunt dat aanpassingen niet mogen leiden tot onnodige complexiteit en de focus die het coalitieakkoord legt op andere prioriteiten, kies ik niet voor deze optie. De evaluatie benoemt ook de mogelijkheid om een carry forward te introduceren (voorwaartse verrekening). Niet met het oog op de bredere doeltreffendheid van de regeling, maar specifiek om de verzilveringsuitdagingen weg te nemen waar met name startups last van hebben. Deze situatie doet zich voor als een bedrijf onvoldoende loonheffing afdraagt om de hele toegekende afdrachtvermindering uit de WBSO van af te trekken. Met een carry forward zou een bedrijf het resterende bedrag mee kunnen nemen naar een volgend jaar en dat jaar alsnog in mindering kunnen brengen op de af te dragen loonheffing (als de ruimte er dan wel is). De aangenomen motie van Van Eijk c.s.[voetnoot 5] relateert hieraan. De motie verzoekt een oplossing uit te werken voor de verzilveringsproblemen van start- en scale-ups in de WBSO, bijvoorbeeld door het invoeren van een carry-forwardmogelijkheid. Het Ministerie van Financiën heeft met de Belastingdienst onderzocht of de motie Van Eijk c.s. en dus de carry forward introductie uitvoerbaar is. Uit deze impactscan blijkt dat een carry forward in deze vorm op korte termijn niet uitvoerbaar is. Additionele processen en gegevensuitwisseling zouden nodig zijn bij en tussen de Belastingdienst en RVO. Onduidelijk is nog of een carry forward echt leidt tot méér R&D-uitgaven en daarmee zou bijdragen aan het uiteindelijke doel van de WBSO. Het beslag op het WBSO-budget bij een carry forward van drie jaar wordt geraamd op ca. € 60 miljoen. Dat is exclusief aanvullende uitvoeringskosten. Hoe meer jaren een carry forward beslaat, hoe complexer de uitvoering wordt. Gezien de uitgangspunten van geen toename in uitvoeringskosten of in complexiteit, kies ik er nu niet voor om een carry forward in de afdracht van loonheffing in te voeren. Verminderen administratieve lasten Uit de evaluatie blijkt dat een ruime meerderheid van de gebruikers (82%) vindt dat de administratieve lasten van de WBSO in verhouding staan tot de baten. Ook de uitvoering van de regeling door RVO wordt overwegend als (zeer) goed gewaardeerd, met een score van 8,2 in het meest recente klanttevredenheidsonderzoek. Desondanks zijn er aspecten die nog beter kunnen. Hiernaast sluit de vermindering van administratieve lasten aan op de bredere inzet van het kabinet om regeldruk voor bedrijven te verminderen. Om de WBSO ook op dit punt verder te kunnen verbeteren zijn er verschillende individuele en groepsgesprekken met bedrijven gevoerd over de administratieve lasten van de WBSO en waar de knelpunten zich daadwerkelijk voordoen. Uit deze gesprekken komt vooral het onderbouwen van kosten en uitgaven in het kader van een WBSO-aanvraag en controle naar voren als knelpunt, en dan met name de benodigde onderbouwing waaruit blijkt dat kosten specifiek voor S&O-projecten zijn en niet breder worden ingezet. Dit kan zowel bij een aanvraag leiden tot veel extra vragen, als bij controles leiden tot veel discussie. De urenregistratie is in enkele gevallen genoemd als knelpunt, vooral dat het lastig blijft om alle R&D-medewerkers dit consistent te laten doen. De WBSO-urenregistratie is bij de meeste bedrijven echter geïntegreerd met de bredere bedrijfsadministratie en medewerkers zijn gewend aan deze werkwijze. Tot slot is vaker benoemd dat er verschillen kunnen zitten in de beoordeling van WBSO-aanvragen door RVO-adviseurs, ook als het gaat om de voortzetting van een eerder ingediend project, en dat de controles in sommige gevallen ervaren worden als wantrouwend en daardoor onprettig. Andere ondernemers geven aan dat zij juist erg geholpen zijn door een controlebezoek. Gezien de uitgangspunten voor doorontwikkeling van de WBSO en de bovenstaande bevindingen, kom ik tot de volgende set aan maatregelen: Om administratieve lasten te verminderen kijk ik naar de benodigde onderbouwing van kosten en uitgaven voor het aanvragen van WBSO voor S&O-projecten. Ik verken in het bijzonder welke aanpassingen nodig zijn in de wet of lagere regelgeving om ervoor te zorgen dat vaker verdeelsleutels gebruikt mogen worden bij het onderbouwen van kosten. Met RVO onderzoek ik in hoeverre we binnen de bestaande wet- en regelgeving tot een gewijzigde en meer eenduidige lijn voor prototypes binnen de WBSO kunnen komen. Het bouwen van prototypes met gebruikerswaarde (commerciële waarde) wordt nu niet tot S&O gerekend. In de praktijk komen bouw- en testwerkzaamheden met betrekking tot prototypes met enige gebruikerswaarde, en de daaraan gerelateerde kosten en uitgaven, veelal niet in aanmerking. Samen met RVO wordt verkend hoe we een meer consistent beoordelingsproces kunnen inrichten, dit is een continu ontwikkelproces. Hierbij zal o.a. aandacht zijn voor de lengte van vragenbrieven bij projecten die al eerder zijn ingediend en de voorspelbaarheid van beoordelingen bij wisseling van adviseurs. RVO werkt continu aan de doorontwikkeling van het aanvraagformulier. Er wordt onder andere meer ruimte toegevoegd per 2027 om projecten duidelijker te kunnen beschrijven, met als doel dat minder bijlagen en vragen nodig zijn tijdens het aanvraagproces. Verkenning van manieren om ook controles voorspelbaarder te maken, bijvoorbeeld door het delen van een voorbeeldformat voor de benodigde projectadministratie. Traject op het gebied van AI/programmatuur Het coalitieakkoord kondigt een verruiming van de WBSO aan voor AI. Er is daarop een aanvullend traject gestart om, samen met RVO, experts en bedrijven, in kaart te brengen wat huidige knelpunten zijn om voor AI-gerelateerde projecten WBSO aan te vragen. Dit betekent niet dat er op dit moment geen AI-projecten aangevraagd kunnen worden. Projecten gerelateerd aan AI zijn de afgelopen 5 jaar zelfs toegenomen met 77% binnen de WBSO. Ook belangrijk om te benadrukken is dat een verruiming uitsluitend voor AI, waarbij dit soort projecten anders behandeld worden, niet mogelijk is binnen de WBSO. Het generieke karakter van de regeling moet behouden blijven om buiten het staatssteunkader te blijven. Het traject wordt daarom wat breder ingestoken op de snelle ontwikkelingen in het digitale domein en de vraag of de WBSO nog goed aansluit op deze praktijk. Er volgen verschillende gesprekken over de afbakening van programmatuurontwikkeling en of daarmee die werkzaamheden gestimuleerd worden waar sprake is van technische nieuwheid, technische knelpunten en technische onzekerheid waar de WBSO op gebaseerd is. Budget voor 2027 De basis van het WBSO-budget betreft momenteel € 1.701 miljoen. Hier komt in 2027 ca. € 67 miljoen aan indexatie bij. Over 2025 was sprake van onderuitputting, waardoor bij het budget van 2027 € 200 miljoen wordt toegevoegd. Het budget voor 2027 komt daarmee op € 1.968 miljoen. Zoals eerder toegelicht, zijn er voor de opvolging van de evaluatie of de verruiming op het gebied van AI c.q. programmatuur geen additionele middelen beschikbaar. De middelen die nu beschikbaar zijn vanwege reguliere indexatie en de eerdere onderuitputting, beoog ik dan ook in te zetten voor deze (structurele) aanpassingen. Belangrijk om hierbij te benadrukken is dat de indexatie normaliter het dekken van prijsstijgingen in S&O-kosten dient en dat de onderuitputting een incidentele dekkingsbron is. Het is niet goed te voorspellen in welke mate de beoogde aanpassingen zullen leiden tot een groter gebruik en een structureel groter beslag op het budget. Naar verwachting zal dit, met name voor het AI c.q. programmatuur-traject, aanzienlijk zijn. Ook het toestaan van verdeelsleutels bij het onderbouwen van kosten en uitgaven in het kader van een WBSO-aanvraag en controle zal groter gebruik en een structureel beslag tot gevolg hebben, aangezien het de mogelijkheid biedt kosten aan te vragen die eerder werden uitgesloten. Het extra beslag op het budget wordt pas duidelijk nadat de aanpassingen zijn doorgevoerd. Omdat het aanzienlijke aanpassingen betreft, bestaat de kans dat de parameters van de WBSO op de langere termijn aangepast moeten worden. Het doorvoeren van de veranderingen zal een aanzienlijke doorlooptijd vergen. Gezien het huidige overschot, de jaarlijkse indexatie en de langere doorlooptijd van de aanpassingen, is bijstelling van de tarieven op korte termijn naar verwachting niet nodig. Het is ook te verwachten dat een toekomstig tekort ruim van te voren aan te zien komen is, zodat eventueel passende maatregelen kunnen worden genomen ten behoeve van de voorspelbaarheid voor gebruikers van de WBSO. 2026 2027 Schijf 1 36% 36% Starterstarief schijf 1 50% 50% Schijfgrens € 391.020 € 391.020 Schijf 2 16% 16% Als bijstelling op de langere termijn wel nodig blijkt, biedt de evaluatie handvatten om dit te doen op een manier waarop de doeltreffendheid (in termen van bang for the buck) zo hoog mogelijk blijft. In het amendement van o.a. Kamerlid Inge van Dijk uit 2024,[voetnoot 6] waarmee het WBSO-budget met € 100 miljoen is opgehoogd, is dit uitgangspunt ook benoemd. Het amendement stelt dat als uit de evaluatie een doelmatigere besteding van de additionele middelen zou blijken, de regeling in opvolgende Belastingplannen langs die lijnen wordt aangepast. De evaluatie meet een groter effect op additionele uitgaven bij bedrijven met hogere R&D-uitgaven, die uitkomen in de tweede schijf. In lijn met deze bevindingen en de 3%-doelstelling, zou bij een verwacht tekort het tarief van de eerste schijf naar beneden gebracht moeten worden, bijvoorbeeld naar het niveau van voor het genoemde amendement, en het tarief van de tweede schijf gehandhaafd. Als de noodzaak hiertoe ontstaat, informeer ik uw Kamer hierover zoals altijd in de Prinsjesdagbrief. Indexering van de schijfgrens De aangenomen motie van lid Van Dijk c.s. verzoekt een voorstel te doen voor structurele indexering van de schijfgrens, binnen de budgettaire kaders van de WBSO.[voetnoot 7] De schijfgrens kan momenteel al jaarlijks door de Minister van Economische Zaken en Klimaat worden verhoogd of verlaagd. Bij een overschot aan budget uit een voorgaand jaar, kan de schijfgrens dan ook makkelijk worden verhoogd in het aankomende jaar. Voor indexering van de schijfgrens kan aangesloten worden bij de systematiek die wordt gebruikt voor indexering van het budget van de WBSO. Ik stel voor deze werkwijze te handhaven om flexibiliteit in de regeling en sturing op allocatie van het budget te behouden. Als de schijfgrens standaard geïndexeerd wordt terwijl er tegelijkertijd een tekort van het voorgaande jaar verrekend moet worden, kan dit betekenen dat de tarieven omlaag gebracht moeten worden - wat wederom nadelig zou zijn voor de stabiliteit van de regeling. Omdat de schijfgrens het afgelopen jaar is geïndexeerd en er met de aanpak beschreven in deze brief aanzienlijke verruiming van de scope van de regeling aankomt, handhaaf ik komend jaar de schijfgrens en zal ik indexering van de schijfgrens volgend jaar heroverwegen. Indexering van de schijfgrens heeft een beperkt effect op de totale effectiviteit van de regeling, waardoor ik de andere aanpassingen uit deze brief nu zwaarder laat wegen. Vervolgstappen De aangekondigde aanpassingen in deze brief hebben verschillende doorlooptijden, afhankelijk van de benodigde juridische aanpassing. Aanpassingen van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) kunnen waarschijnlijk per 2029 doorgevoerd worden, aanpassingen in de Regeling S&O-afdrachtvermindering hebben naar verwachting een kortere doorlooptijd waarmee ingang per 2028 mogelijk zou zijn. Ik onderzoek de komende maanden verder waar de aanpassingen op het gebied van administratieve lasten en AI c.q. programmatuur doorgevoerd moeten worden om de beoogde doelen te bereiken. Over de afbakening van programmatuur zullen ook dit najaar nog verschillende gesprekken met bedrijven en experts plaatsvinden om oplossingsrichtingen te toetsen. Aan verbetering van het beoordelingsproces wordt met RVO doorlopend gewerkt en deze acties zullen in 2027 opgevolgd worden. Innovatiebox Naar aanleiding van een toezegging van mijn ambtsvoorganger is een traject gestart inzake de uitvoeringsaspecten van de innovatiebox.[voetnoot 8] In dit kader zullen (potentiële) innovatieboxgebruikers en hun adviseurs worden geconsulteerd om te onderzoeken of en, zo ja, hoe de toegang tot de regeling kan worden verbeterd. Deze consultatie zal naar verwachting in oktober worden gestart. Verder zal op de internetpagina’s van de Belastingdienst en RVO meer informatie beschikbaar komen over de aanvraagprocedure van een vaststellingsovereenkomst en de optimale voorbereiding van een vooroverleg met de Belastingdienst hieromtrent. Ten slotte wordt in het Belastingplan 2027 een maatregel voorgesteld die tot doel heeft om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het mkb. Hiertoe wordt voorgesteld om de zogeheten forfaitaire regeling in de innovatiebox per 1 januari 2027 te verruimen. Deze regeling biedt belastingplichtigen de mogelijkheid om de voordelen waarover de innovatiebox kan worden toegepast op forfaitaire wijze te bepalen. Dit is eenvoudiger dan de voordeelberekening in het reguliere regime van de innovatiebox. Dit verlaagt de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de uitvoeringskosten bij de Belastingdienst. De minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 77; Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 85. OECD (2020), “The effects of R&D tax incentives and their role in the innovation policy mix: Findings from the OECD microBeRD project, 2016-19”, OECD Science, Technology and Industry Policy Papers, No. 92, OECD Publishing, Paris. Zie voor meer informatie: WBSO: WBSO: Gevolgen vervallen farmaciebrief | RVO.nl. Zie bijlage voor: De Jong, G. en T. Span (2026), De groeiende wig tussen R&D en S&O: Analyse van de divergentie tussen twee concepten van onderzoek en ontwikkeling; en https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2026/35/verschillen-tussen-research-development-en-speur-en-ontwikkelingswerk. Ook in opvolging van de motie Van Eijk c.s. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 602, nr. 68. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 85. Kamerstukken II 2025/26, 32 637, nr. 714.
Gerelateerde bronnen
- De Kamer wordt met Prinsjesdag 2026 geïnformeerd over de mogelijkheden voor het verlagen van de administratieve lasten voor de wet bevordering speur- en ontwikk
De Kamer wordt met Prinsjesdag 2026 geïnformeerd over de mogelijkheden voor het verlagen van de administratieve lasten voor de wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (wbso).
- De minister stuurt de regeling over de versimpeling van de innovatiebox naar de Kamer.
De minister stuurt de regeling over de versimpeling van de innovatiebox naar de Kamer.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.