KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beantwoording vragen gesteld tijdens de procedurevergadering over het rapport recidive voorkomen (opgesteld door de rapporteurs van het kennisthema recidive voorkomen)

9 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 16595de125799c66 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2026Nr. 134 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 maart 2026In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid van 22 januari 2026 is gesproken over het rapport recidivevoorkomen (opgesteld door de rapporteurs van het kennisthema recidivevoorkomen). De rapporteurs over recidive hebben vragen gesteld, met hetverzoek deze te beantwoorden. Door middel van deze brief geef ikantwoord op de vragen.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,K.T. van Bruggen kst-36800-VI-134ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1341 Vraag 1:Is de Staatssecretaris voorstander van een wettelijke verplichtingvoor gemeenten om de nazorg en re-integratie van(ex-)gedetineerden uit te voeren? Zo ja, hoe en wanneer wil zij ditregelen? Zo nee, hoe wil zij dan zorgen voor betere informatie-uitwisseling, voldoende financiering en meer gelijkheid tussengemeenten?Antwoord op vraag 1:Nee, momenteel zie ik geen noodzaak om een extra wettelijke verplichtingte regelen voor gemeenten, naast de wettelijke verplichtingen die zij alhebben.In de handreiking bij het bestuurlijk akkoord «Kansen bieden voorre-integratie»,1 getekend door de VNG, de drie Reclasseringsorganisaties2,DJI en de Staatssecretaris van JenV zijn de rollen van de verschillendeorganisaties beschreven, zo ook van gemeenten. Gemeenten hebben eenbelangrijke taak bij het ondersteunen van gedetineerden bij het op ordekrijgen van de basisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting(onderdak), werk en inkomen, schulden en zorg. De wettelijke opdrachtvoor gemeenten is zaken voor haar burgers te regelen als ze dat zelf nietkunnen of een aanvulling te bieden op de eigen inspanningen vanburgers. Gemeenten hebben voor deze ondersteuning al wettelijke takenen instrumenten, onder meer op grond van de Participatiewet, de Wetmaatschappelijke ondersteuning en de Wet gemeentelijke schuldhulpver-lening. In de handreiking Bestuurlijk Akkoord (bijlage II) is dit overzichtelijksamengebracht. Daarom vind ik een extra wettelijke verplichting op ditmoment niet nodig.Een goede informatie-uitwisseling is cruciaal voor ketensamenwerking bijre-integratie. Dit blijkt ook uit het rapport van de Inspectie Justitie enVeiligheid «Samen werken aan een nieuwe start3». De samenwerkingtussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten is de laatstejaren verbeterd, vooral als het gaat om het delen van het detentie- enre-integratieplan met gemeenten en de Reclassering en het delen vangegevens binnen het bestel van de Penitentiaire Beginselenwet(artikelen 18a en 18b). Het optimaal gebruik maken van deze mogelijk-heden en elkaar actief benaderen blijft een belangrijk punt van aandachtin de ketensamenwerking.Voor aanvullende financiering voor projecten voor (ex-)gedetineerdeburgers kunnen gemeenten ondersteuning aanvragen. Het Ministerie vanJustitie en Veiligheid stelt jaarlijks via de Bijdrageregeling Wonen &Werken 4,4 miljoen euro beschikbaar aan gemeenten. De bijdrageregelingis bedoeld als stimulans en niet als volledige dekking van allere-integratiewerkzaamheden. Financiering van andere domeinen verlooptprimair via andere gemeentelijke middelen, zoals hierboven genoemd.Met behulp van het bestuurlijk akkoord en de handreiking wordt gestreefdnaar het meer uniformiseren van re-integratie. Daarbij geldt wel dat eengemeente een zelfstandige overheidslaag is. Zolang de gemeente haarwettelijke taak vervult, is er beleidsruimte om zaken anders te regelen dan1Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Handreiking re-integratie ex-gedetineerden,handreiking, juli 2022. Beschikbaar via: https://vng.nl/sites/default/files/2022-07/Handreiking-re-integratie-ex-gedetineerden.pdf.2Het reclasseringswerk in Nederland wordt uitgevoerd door 3 reclasseringsorganisaties: 3RO.3Inspectie Justitie en Veiligheid, Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni 2023.Beschikbaar via: https://www.inspectie-jenv.nl/documenten/2023/06/26/rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-start.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1342 bij de buurgemeente en andere prioriteiten te stellen. Daarom is het niethaalbaar een werkproces te beschrijven dat uniform is ingericht voor allegemeenten. Regionale werkafspraken tussen gemeenten, reclassering enDJI kunnen helpend zijn in hoe deze werkprocessen per gemeente wordeningericht.De uitvoering van het bestuurlijk akkoord behoeft nog steeds aandacht endaarom werk ik samen met DJI, de Reclassering, de VNG en gemeentenaan de verdere verbetering van informatie-uitwisseling en versterking vande ketensamenwerking.Vraag 2:Heeft de Staatssecretaris inzicht in welke gemeenten denazorgtaak momenteel onvoldoende uitvoeren? Zo ja, welkestappen worden gezet om deze gemeenten te ondersteunen? Zonee, is zij bereid dit inzicht alsnog te verkrijgen?Antwoord op vraag 2:Vanwege de hierboven geschetste verantwoordelijkheidsverdeling is ergeen overzicht per gemeente ten aanzien van de uitvoering van denazorgtaak. Mijn ministerie verkrijgt inzicht in de uitvoering doorperiodieke gesprekken met de VNG de G4 (Amsterdam, Rotterdam, DenHaag en Utrecht), DJI en reclassering en op basis van recente onder-zoeken zoals Van Bajes naar Buiten4. Ik acht deze werkwijze passend enhet geeft mij voldoende inzicht in de uitvoering van de nazorgtaak. Ik bendaarom niet voornemens aanvullende stappen te ondernemen.Vraag 3:In hoeverre herkennen gemeenten dat zij vaak pas laat, of zelfspas na vrijlating, worden geïnformeerd over de uitstroom vangedetineerden, vooral bij korte detenties en voorlopige hechtenis,en wat is nodig om deze informatievoorziening structureel teverbeteren?Antwoord op vraag 3:Vanuit gemeenten bezien is het belangrijk dat zij op tijd geïnformeerdworden, zodat zij contact kunnen opnemen met de betrokkene enre-integratieactiviteiten kunnen voorbereiden. Tegelijk hebben gemeentener ook begrip voor dat het niet altijd lukt deze informatie (tijdig) te delen.Het werken aan re-integratie start al meteen bij aanvang in de PI. In hetdetentie- en integratieplan (D&R-plan) van de gedetineerden wordt, opbasis van beschikbare informatie, door DJI alles vastgelegd wat vanbelang is om de gedetineerde zo gericht mogelijk te kunnen begeleiden enondersteunen. De afspraak is dat DJI binnen 10 (werk)dagen de informatieover het traject van de gedetineerde aan de gemeente van herkomststuurt. Hierdoor is de gemeente beter betrokken bij de re-integratie van degedetineerde. Goede betrokkenheid van gemeenten direct bij aanvangdetentie zorgt uiteindelijk ook voor een betere informatiepositie vangemeenten bij uitstroom. In de praktijk worden deze tien (werk)dagen nietaltijd gehaald.Er zijn verschillende situaties denkbaar waardoor gemeenten niet tijdiggeïnformeerd worden. Als een persoon bijvoorbeeld een geldboete nietbetaalt, kan vervangende hechtenis worden toegepast. Als de boete wordtbetaald tijdens detentie, stopt de vervangende hechtenis en kan een4WODC, Universiteit Leiden, Van bajes naar buiten, rapport, 20 juni 2024. Beschikbaar via:https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/tk-bijlage-1-eindrapportage-vanbajesnaarbuitenulwodc2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1343 betrokkene meteen vrijkomen. Ook kan het voorkomen dat een betrokkenein voorlopige hechtenis zit, en de uitspraak onherroepelijk wordt. Deopgelegde straf kan gelijk zijn of korter dan de tijd dat een persoon alvastzat, waardoor iemand direct kan vrijkomen. Zo zijn er meer situaties tebedenken waarbij er sprake kan zijn van plotselinge vrijlating. In dezegevallen kan niet van te laat informeren worden gesproken, omdat determijnen in het strafrecht zo geregeld zijn dat plotselinge vrijlatingjuridisch gezien mogelijk is.Binnen een werkgroep met ketenpartners, waaronder gemeenten, wordenverbeteringen in de informatievoorziening en gegevensdeling met elkaarbesproken en doorgevoerd. Zo wordt er momenteel gewerkt aan eenverbetering van meldingen rondom voorwaardelijke invrijheidsstellingen.Tevens helpt het inzetten op goed contact tussen DJI en gemeenten om deinformatievoorziening over de uitstroom van gedetineerden te verbeteren.Dit wordt onder meer gedaan door het organiseren vanre-integratiepleinen bij verschillende PI’s.Vraag 4:Kan de Staatssecretaris in kaart brengen welke regels enknelpunten er zijn bij gegevensuitwisseling tussen gemeenten,DJI, reclassering en maatschappelijke organisaties, en welkeoplossingen zij hiervoor ziet?Antwoord op vraag 4:Er vinden verschillende stromen van gegevensuitwisseling plaats tussenDJI en andere organisaties, bijvoorbeeld in het kader van plaatsing in deforensische zorg of het strafproces. Tevens vindt er tussen DJI engemeenten gegevensuitwisseling plaats in het kader van re-integratie.Gezien de scope van dit VKC-verzoek zal in de beantwoording van dezevraag alleen in worden gegaan op de gegevensuitwisseling in het kadervan re-integratie.Zoals genoemd in antwoord 1 werkt mijn ministerie samen met DJI, deReclassering, de VNG en gemeenten aan het verbeteren van informatie-uitwisseling en versterken van de ketensamenwerking. De regelgevingomtrent informatie uitwisseling tussen ketenpartners is niet het knelpunt.De onbekendheid met de informatie-uitwisseling tussen de functiona-rissen onder het Bestuurlijk Akkoord is dat wel. Deze onduidelijkheid kaneventueel worden weggenomen door de huidige «handreiking gegevens-uitwisseling Detentie & Re-integratie» te actualiseren of indien blijkt datdit niet volstaat een convenant op te stellen en deze actief onder deaandacht te brengen van relevante partijen. Hier wordt momenteel aangewerkt.Vraag 5:Welke belemmeringen ervaren DJI, gemeenten en reclassering omvanaf de eerste dag van detentie te werken aan het behoud ofverkrijgen van basisvoorwaarden, zoals werk en huisvesting?Antwoord op vraag 5:Uit onderzoeken blijken verschillende belemmeringen om vanaf de eerstedag van detentie te werken aan het behoud of verkrijgen van de basis-voorwaarden. Zo oordeelt de Inspectie Justitie en Veiligheid (InspectieJenV) in «Samen werken aan een nieuwe start»5, dat de samenwerkingtussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten de laatste5Inspectie JenV, TK-bijlage 1: Rapport Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni2023. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/26/tk-bijlage-1-rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-startTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1344 jaren beter verloopt, mede door het Bestuurlijk Akkoord. Uit hetonderzoek blijkt dat ketenorganisaties elkaar nog intensiever zoudenmoeten betrekken. Ook het WODC concludeert in het onderzoek «Vanbajes naar buiten»6 dat niet altijd al vanaf de aanvang van detentie wordtbegonnen met werken aan de basisvoorwaarden.Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 werk ik samen met DJI, deReclassering, de VNG en gemeenten aan het verbeteren van de ketensa-menwerking, om daarmee het verkrijgen van de basisvoorwaarden teoptimaliseren.Andere belemmeringen die ervaren worden bij het op orde krijgen van debasisvoorwaarden zijn de krapte op de woningmarkt waardoor hetverkrijgen van huisvesting moeilijk is. Daarnaast kan het feit dat iemandgedetineerd is geweest belemmerend kan zijn voor het vinden van werk.Vraag 6:Hoe snel vindt de screening op problemen en basisbehoeften, metname huisvesting, momenteel plaats bij voorlopig gehechten engedetineerden met een straf korter dan drie maanden, en welkeknelpunten doen zich hierbij voor?Antwoord op vraag 6:De casemanager van DJI neemt binnen de eerste 10 (werk)dagen deintake af, waarin de basisvoorwaarden in kaart worden gebracht. Deresultaten worden verwerkt in het D&R-plan. Daarnaast wordt het sociaalnetwerk in kaart gebracht. Vervolgens wordt dit D&R-plan gedeeld met degemeente. Dit gebeurt bij alle instromende gedetineerden ongeacht destrafduur.Knelpunten die zich voordoen zijn onder andere de hoge werkdruk ondercasemanagers7. Om hier meer inzicht in te krijgen wordt momenteel doorDJI een werklastmeting uitgevoerd. Daarnaast is bij vragen overhuisvesting is niet altijd duidelijk of een gedetineerde een woonadresheeft en is ingeschreven in het Basisregistratie Personen (BRP)8. Datmaakt het afstemmen tussen DJI en gemeenten soms lastiger.Vraag 7:Waarop is in het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvestingde aanname gebaseerd dat mensen met een gevangenisstrafkorter dan drie maanden hun woning behouden, en hoe vaakgebeurt dit in de praktijk, gezien signalen dat juist bij kortedetenties huisvesting vaak verloren gaat?Antwoord vraag 7:Het grootste deel van de ex-gedetineerden, ruim twee derde, zit minderdan drie maanden vast. Op grond van de handreiking bij het bestuurlijkakkoord Nazorg ex-gedetineerden wordt verondersteld dat indien degedetineerde voorafgaand aan detentie over woonruimte beschikt, dezebij een straf korter dan drie maanden behouden kan blijven. Bijvoorbeelddoor afspraken over huisbewaring, het doorbetalen van de huur door departner of doorbetaling van de huur met ondersteuning vanuit debijzondere bijstand. Deze veronderstelling is meegenomen in de keuze degroep ex-gedetineerden af te kaderen in het Wetvoorstel Versterking regie6WODC en Universiteit Leiden, Van bajes naar buiten, rapport, 20 juni 2024. Beschikbaar via:https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/06/20/tk-bijlage-1-eindrapportage-vanbajesnaarbuitenulwodc20247Kamerstukken II, 2022–23, 24 587, nr. 797 en Inspectie Justitie en Veiligheid. (2023). Samenwerken aan een nieuwe start. [Rapport]. Rapport Samen werken aan een nieuwe start |Inspectie Justitie en Veiligheid8Inspectie JenV, TK-bijlage 1: Rapport Samen werken aan een nieuwe start, rapport, 26 juni2023. Beschikbaar via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/26/tk-bijlage-1-rapport-samen-werken-aan-een-nieuwe-startTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1345 volkshuisvesting. In de praktijk gebeurt dit niet altijd. Zo vindt niet iederegemeente het wenselijk deze kosten door te betalen.Vraag 8:Welke rol ziet de Staatssecretaris voor gemeenten bij (ex-)gedetineerden zonder duidelijke regiobinding, en hoe wordtvoorkomen dat deze groep tussen gemeenten in valt?Antwoord op vraag 8:In principe keert de gedetineerde terug naar de gemeente van herkomst.Indien de gedetineerde zich in een andere gemeente wil vestigen, neemtde gemeente van herkomst contact op met de gemeente van hervestiging.Hier ligt een rol voor gemeenten. Dit staat ook beschreven in hetBestuurlijk Akkoord.(Ex-)gedetineerden mogen zelf beslissen in welke gemeente zij willenuitstromen. Op grond van de Wet basisregistratie personen is een burgerverplicht aangifte te doen van verblijf en adres, en is een gemeenteverplicht die aangifte te verwerken. Om te voorkomen dat een gedeti-neerde tussen gemeenten invalt wordt in de PI met de gedetineerdebesproken waar de gedetineerde wil uitstromen en wordt er contactgelegd met de betreffende gemeente of Zorg- en Veiligheidshuis.Vraag 9:In hoeverre is het huidige financieringsinstrumentariumvoldoende voor gemeenten om maatwerk te leveren aan(ex-)gedetineerden met complexe problematiek, gezien signalendat begeleiding veel tijd en capaciteit vraagt die niet altijd wordtvergoed?Antwoord op vraag 9:De nazorgtaken voor (ex-)gedetineerden zien op de volgende basisvoor-waarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk eninkomen, schulden en zorg. Deze vallen onder het reguliere takenpakketvan gemeenten en worden uit bestaande geldstromen binnen het sociaaldomein bekostigd. Daarnaast kunnen gemeenten gebruikmaken van de inhet antwoord op vraag 1 genoemde Bijdrageregeling Wonen & Werkenvoor re-integratie. Deze regeling is bedoeld als stimulans en biedt geenvolledige dekking van alle re-integratiewerkzaamheden.Daarnaast is de nieuwe werkwijze ID-kaarten in werking getreden. Deextra kosten als gevolg van die werkwijze worden vergoed door mijnMinisterie.Gemeenten herkennen dat maatwerk voor inwoners met complexeproblematiek veel tijd en capaciteit vraagt en dat dit tot knelpunten kanleiden. Dat beeld is generiek binnen het sociaal domein en niet specifiekvoor de doelgroep (ex-) gedetineerden. Gemeenten hebben wettelijketaken, waaronder het bieden van schuldhulpverlening of maatschappelijkeopvang. Een goede uitvoering van die taken draagt bij aan verminderingvan recidive.Vraag 10:Hoeveel gemeenten hebben in 2024 en 2025 gebruikgemaakt vande Bijdrageregeling Begeleiden (ex-)gedetineerden voor Wonen enWerken, waaraan zijn deze middelen besteed en zijn dezeactiviteiten aantoonbaar effectief? Wordt de regeling jaarlijksvolledig benut?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1346 Antwoord op vraag 10:DJI heeft in 2024 in totaal 52 aanvragen ontvangen van 276 gemeentenvoor in totaal 2.983 (ex-)gedetineerden. In 2025 waren er 54 aanvragennamens 276 gemeenten voor 2.884 (ex-)gedetineerden en voor 2026 zijner 57 aanvragen namens 279 gemeenten voor 2.972 (ex-)gedetineerden.Een gemeente kan een aanvraag indienen namens meerdere gemeentenen het toegekende bedrag onderling verdelen. Het genoemde aantal zietdaarom op het aantal aanvragen en niet op het aantal afzonderlijkegemeenten.De regeling wordt ingezet voor activiteiten gericht op begeleiding naarwerk of opleiding, ondersteuning bij huisvesting en het versterken van desamenwerking tussen betrokken partijen, zoals gemeenten, uitvoeringsor-ganisaties en maatschappelijke instellingen. De activiteiten waaraan degelden worden besteed verschillen per gemeente maar dienen wel tevoldoen aan het doel van de regeling welke verder is uitgewerkt in hetbeleidskader van de bijdrageregeling. In hoeverre de activiteitenaantoonbaar effectief zijn is aan de gemeenten om te bepalen. Wel leggengemeenten verantwoording af over de besteding van de middelen aan hetprojectbureau van DJI.Vanaf 2023 is 2 miljoen euro extra toegevoegd aan de regeling, omdat hetoorspronkelijke budget van de regeling niet toereikend was. Deze komtdaarmee op 4.4 miljoen euro. Dit bedrag wordt tot op heden niet volledigbenut. In 2023 is ongeveer 800.000 euro niet benut, in 2024 ongeveer500.000 euro. Dit kan allerlei oorzaken hebben, zoals dat de regeling nietbij iedere gemeente bekend is. Ook is er bij niet-deelnemende gemeentengemiddeld sprake van weinig terugkerende ex-gedetineerden.Ook zijn erdiverse criteria waar gemeenten aan moeten voldoen voor een aanvraag.Elk jaar wordt de bijdrage regeling actief onder aandacht gebracht onderandere op de sites van de VNG en DJI.Vraag 11:Hoe kan meer uniformiteit worden bereikt in de inzet vangemeenten rond huisvesting voor ex-gedetineerden, en zijn erbewezen werkwijzen die breder toegepast kunnen worden?Antwoord op vraag 11:Meer uniformiteit in de inzet van gemeenten rond huisvesting voorex-gedetineerden wordt getracht te bereiken met het WetsvoorstelVersterking regie volkshuisvesting, dat beoogt landelijke regels te gevenvoor ex-gedetineerden die langer dan drie maanden in detentie hebbengezeten. Volledige uniformiteit is momenteel niet mogelijk en begrensd,omdat gemeenten deels eigen regels rondom huisvesting mogentoepassen. Een effectieve werkwijze die breder kan worden toegepast, ishet tijdelijk doorbetalen van de huur tijdens detentie, zodat de woning nietwordt ontruimd. Deze oplossing wordt echter niet overal toegepast,omdat niet elke gemeente het wenselijk vindt deze kosten voor te schietenof door te betalen.Vraag 12:Hoe wordt geborgd dat kennis en expertise over re-integratie enhuisvesting binnen gemeenten behouden blijft, gezien perso-neelswisselingen en de kwetsbaarheid van dit dossier, met namein kleinere gemeenten?Antwoord op vraag 12:De VNG geeft aan dat, net zoals iedere organisatie, een gemeente somsmoeite heeft met het vinden en behouden van voldoende deskundigTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1347 personeel. Details over veel onderwerpen worden ook niet in reguliereopleiding aangeboden maar worden in de praktijk van collega’s geleerd.Specifiek voor kleinere gemeenten geldt dat een ambtenaar een helebrede portefeuille heeft. Een veel gekozen oplossing is om een specialis-tisch onderwerp te beleggen bij een gezamenlijke organisatie, zoalsbijvoorbeeld het Zorg- en Veiligheidshuis. Het is daarnaast een taak vande VNG om (blijvend) te bouwen aan een netwerk van gemeenten,waardoor de uitwisseling van kennis en goede voorbeelden bevorderdwordt.Vraag 13:Welke formele positie en bevoegdheden heeft eenre-integratieofficier die sommige gemeenten kennen momenteelbinnen de samenwerking tussen Dienst Justitiële Inrichtingen,gemeenten en Reclassering Nederland? Wat gaat goed, en tegenwelke knelpunten lopen ze aan? In hoeverre is het mogelijk datde inzet van deze officieren structureel wordt gemaakt en vooralle gemeenten beschikbaar wordt?Antwoord op vraag 13:De functie van De Re-Integratie Officier (RIO) is ontstaan vanuit een pilotvan het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De RIO heeft als doel hetvoorkomen van recidive bij (ex-)gedetineerden van 18 tot 35 jaar door inte zetten op persoonlijke, intensieve en oplossingsgerichte begeleiding.RIO’s zijn werkzaam bij een gemeente of Zorg- en Veiligheidshuis entreden in de nazorg op als vertegenwoordiger van de gemeente. De RIOvervult een centrale rol in domeinoverstijgende samenwerking metandere professionals, om ondersteuning te bieden op bijvoorbeeldhuisvesting en inkomen. RIO’s werken intensief samen met partners alsDJI (casemanagers), de Reclassering, politie en gemeentelijke afdelingen.De RIO heeft een andere taak dan de reclassering.Reclasseringstoezicht is vaak opgelegd via de rechter, en dit is bij RIO’sniet het geval. De Reclassering is in de nazorg verantwoordelijk voor hettoezicht en zorgt voor naleving van de bijzondere voorwaarden zoals eenmeldplicht of een locatieverbod. Ook onderscheidt de RIO zich van dereguliere gemeentelijke nazorg door intensieve begeleiding (mentoring) tebieden aan de (ex-) gedetineerde. In de samenwerking heeft dere-integratieofficier geen formele positie of bevoegdheden.Zowel vanuit (ex-)gedetineerden als de keten wordt de meerwaarde vande re-integratieofficier gezien. In de keten is in de afgelopen jaren debekendheid over de werkwijze van de re-integratieofficier vergroot, mededoor de uitbreiding van het aantal re-integratieofficieren. Op sommigepunten kunnen de samenwerkingsafspraken met ketenpartners nogworden aangescherpt. Hierover is contact met de Reclassering.Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn er onvoldoendemiddelen om de re-integratieofficieren structureel in te zetten in allegemeenten. De beschikbare middelen worden op dit moment ingezet omgemeenten te ondersteunen waar de problematiek het grootst is. Voor degemeenten en Zorg- en Veiligheidshuizen waar de re-integratieofficierenal worden ingezet zijn er de aankomende jaren middelen beschikbaar.Vraag 14:Deelt de Staatssecretaris de constatering van gemeenten datrecidive niet beperkt is tot (ex-)gedetineerden, maar ookvoorkomt bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffenof herhaald justitiecontact zonder detentie?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1348 Antwoord op vraag 14:Ja, deze constatering deel ik. Recidive komt voor onder zowelex-gedetineerden als bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijkestraffen of herhaald justitiecontact zonder detentie. Het WODC monitortde recidivecijfers op verschillende groepen.9Vraag 15:In hoeverre zijn gemeenten juridisch, organisatorisch en finan-cieel toegerust om recidive te voorkomen bij deze bredere groep,die wel een beroep doet op gemeentelijke voorzieningen zoalsschuldhulpverlening, Wmo en maatschappelijke opvang?Antwoord op vraag 15:Gemeenten hebben wettelijke taken, waaronder het bieden van schuld-hulpverlening of maatschappelijke opvang. Hier draagt een goedeuitvoering van die taken bij aan vermindering van recidive. De VNG geeftaan dat gemeenten zich vooral zorgen maken over de groep die het loketvan de gemeente niet weet te vinden. Die groep is breder dan de groepdie uit detentie terugkeert.Vraag 16:Welke knelpunten ervaren gemeenten bij het vroegtijdig signa-leren en aanpakken van recidiverisico’s buiten detentie, metname in de samenwerking en gegevensdeling met justitiëlepartners?Antwoord op vraag 16:Hierover is navraag gedaan bij de VNG. De VNG geeft aan dat zij nietbekend is met de knelpunten waarover wordt gesproken in de vraag. Hierzou een uitvraag aan (individuele) gemeentes voor nodig zijn.Vraag 17:Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de samenhang tussenrecidivebeleid en andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoalszorg, veiligheid, wonen en bestaanszekerheid, en belemmertverkokering een effectieve aanpak?Antwoord op vraag 17:Het landelijk re-integratiebeleid bevordert ook samenhang tussen anderebeleidsterreinen. Er wordt namelijk ingezet op het op orde krijgen van debasisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak),werk en inkomen, schuldenaanpak, en zorg. Deze basisvoorwaardenliggen op verschillende beleidsterreinen. Ook vanuit gemeenten wordtingezet op deze basisvoorwaarden. Zoals hierboven genoemd zijngemeenten een zelfstandige overheidslaag, die over het algemeen geenverantwoording hoeven af te leggen aan andere overheden. De lokaleinvulling van de samenhang tussen re-integratiebeleid en anderegemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg, veiligheid, wonen en bestaans-zekerheid, is aan gemeenten zelf.Vraag 18:Is de Staatssecretaris bereid recidivepreventie expliciet breder tedefiniëren dan detentie, en samen met gemeenten te werken aaneen integrale aanpak waarin ook deze groepen structureelworden meegenomen?9Zie ook: Gepubliceerde recidivestudies | WODC - Wetenschappelijk Onderzoek- en DatacentrumTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 1349 Antwoord op vraag 18:Ja, momenteel wordt recidivepreventie al breder gedefinieerd dandetentie. Recidive komt voor onder zowel ex-gedetineerden als bijmensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffen of herhaald justitie-contact zonder detentie. En het WODC monitort de recidivecijfers opverschillende groepen.De inzet op re-integratie richt zich op het op orde krijgen van de basisvoor-waarden en de versterking van de ketensamenwerking vanuit hetBestuurlijk Akkoord. Hier wordt aan gewerkt met verschillende ministeriesen ketenpartners, waaronder gemeenten. Het Bestuurlijk Akkoord richtzich op personen die in detentie hebben gezeten. Op dit moment zijn ergeen signalen die maken dat ik aanleiding zie om de doelgroep in hetBestuurlijk Akkoord breder te definiëren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 13410

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 025d307aa13e815a

14 okt 2026 · 18307f54595cb8f4

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.