MIRT-brief voorjaar 2025
Brontekst
Versie 0ef96eafde4c2a9f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 AVaststelling van de begrotingsstaat van hetMobiliteitsfonds voor het jaar 2025Nr. 63 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 12 juni 2025Hierbij wordt de Kamer, mede namens de Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening (VRO), geïnformeerd over de uitkomsten van deBestuurlijke Overleggen Leefomgeving (BOL’s) voor zover die betrekkinghebben op het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport(MIRT). De Minister van VRO informeert de Kamer met een separate briefover de overige uitkomsten van de BO’s Leefomgeving.Onlangs heeft de Kamer een nadere toelichting ontvangen over degevolgen van de Voorjaarsbesluitvorming voor het Mobiliteitsfonds (MF).1In de Kamerbrief is toegelicht dat IenW te maken heeft met veel verschil-lende uitdagingen, zoals het budgettair kader van het MF dat in detoekomst afneemt, de groeiende mobiliteitsbehoefte, de groeiendeinstandhoudingsopgave en financiële tekorten bij lopende projecten enprogramma’s. Voorts zijn er uitvoeringsbeperkingen, zoals onvoldoendestikstofruimte en de krapte op de arbeidsmarkt (beschikbare arbeids-krachten), waardoor geplande projecten vertragen of niet kunnen starten.Verder heeft het kabinet besloten om de helft (€ 2,1 mld.) van deprijsbijstelling niet uit te keren. De gevolgen hiervan worden in kaartgebracht richting de Ontwerpbegroting 2026.Ondanks de demissionaire status van het kabinet blijft IenW werken aanprojecten die wél maakbaar zijn. Daartoe zijn in de BO’s Leefomgevingmet de regio’s onder meer vruchtbare gesprekken gevoerd over dewoningbouwopgave in het kader van het programma Woningbouw enMobiliteit; dit alles als opmaat om tijdens het BO MIRT 2025 te besluitenover de inzet van de € 2,5 mld. voor de ontsluiting en bereikbaarheid vanzowel grootschalige woningbouwlocaties als daarbuiten. Daarnaast isonlangs de integrale MIRT-verkenning A2/N2, Brainportlijn en Noordwes-1Kamerstuk 36 600 A, nr. 53 kst-36600-A-63ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 631 telijke ontsluiting van de Brainportregio Eindhoven gestart.2 Binnenkortstart de aanbesteding voor de aanleg van Sluis II in het Wilhelminakanaalen met de opwaardering van het spoortraject Den Haag – Rotterdam is eropnieuw een corridor met een tienminutentrein gerealiseerd binnen hetProgramma Hoogfrequent Spoorvervoer. Dit voorjaar heeft het kabinetook besloten om te investeren in de noordelijke provincies door hetbudget voor de Lelylijn anders aan te wenden en in te zetten voor deNedersaksenlijn, de spoorinfrastructuur op en rond Meppel, de N36 en desluis bij Kornwerderzand. Het is positief dat nu een aantal belangrijkeinvesteringen gaan plaatsvinden in deze regio. Ook is buiten zichtbaar datmet volle kracht aan de instandhouding wordt gewerkt en aan derealisatie van vernieuwingsprojecten, zoals de renovatie van de Krammer-sluizen en de bediening en besturing van de Spijkenisserbrug. Bij hetonderhoud aan de weg wordt ingezet op «korte en hevige» uitvoering. Zoblijven we werken aan de bereikbaarheid en het verdienvermogen vanNederland.Deze brief is als volgt opgebouwd:1.Terugmelding BO’s Leefomgeving2.Voortgang MIRT-projecten en -programma’s2.1.Regio Noord2.2.Regio Zuidwest2.3.Regio Oost2.4.Regio Noordwest2.5.Regio Zuid2.6.Nationaal3.Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT4.Slot1. Terugmelding BO’s Leefomgeving Bij het BO Leefomgeving is onder meer gesproken over het programmaWoningbouw en Mobiliteit, de Voorjaarsnota 2025 en de stand van zakenkleine verbeteringen aan het autonetwerk of de doorstroming(€ 280 mln.). Daarnaast heeft de regio de oproep gedaan dat er structureelmeer geld moet komen voor bereikbaarheid in het MF, gezien de groteopgaven waar we voor staan. Hoewel het kabinet demissionair is, dringtde regio aan op voortvarende voortzetting van rijksinfraprojecten zoals deA50 en de Brainportprojecten. Rijk en regio verkennen gezamenlijk demogelijkheden om de uitvoering te versnellen binnen de bestaandekaders, zoals die voor woningbouw en mobiliteit. Een overzicht van degemaakte bestuurlijke afspraken die in het kader van het MIRT zijngemaakt tussen Rijk en regio bij de BOL’s is in de bijlage te vinden.Programma Woningbouw en MobiliteitHet kabinet heeft € 5 mld. beschikbaar gesteld voor het stimuleren van dewoningbouw. Daarnaast is € 2,5 mld. vrijgemaakt in het MF voor deontsluiting en bereikbaarheid van de woningbouwopgave. Over de inzetvan het financieel instrumentarium vanuit de € 5 mld. is de Kamer op19 mei 2025 geïnformeerd.3 Het gaat dan onder meer om de Realisatiesti-mulans en het vervolg van de Woningbouwimpuls en het Gebiedsbudgetvoor grootschalige woningbouw. Dit instrumentarium wordt ingezet insamenhang met de besteding van de € 2,5 mld. in het MF voor debereikbaarheid en ontsluiting van nieuwe woningen.2Kamerstuk 36 600 A, nr. 613Kamerstuk 32 847, nr. 1344Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 632 Voor investeringen uit de € 2,5 mld. wordt in de verdeling van demiddelen een onderscheid gemaakt tussen grootschalige woningbouwlo-caties4 en woningbouwlocaties daarbuiten. Voor beide type locaties geldtdat het moet gaan om nieuwe woningen. Hiermee worden woningenbedoeld waar in 2022 bij de verdeling van € 7,5 mld. voor woningbouw enmobiliteit nog geen bereikbaarheidsafspraken gemaakt zijn. In degrootschalige woningbouwlocaties wordt een geactualiseerde versie vanhet «Afweegkader middellange termijn» uit 2022 gebruikt. De actualisatiericht zich vooral op een drietal zaken:•Versimpeling van het criterium bereikbaarheidswaarde.•Aanpassing van de termijn voor start bouw: woningbouw t/m 2034, inplaats van t/m 2030.•Meer nadruk op uitvoerbaarheid (en realisme) van de afspraken. Erwordt bij ieder ingediend plan een realistische onderbouwinggevraagd van de realisatietermijn van de maatregelen en woningen.Daarnaast wordt specifiek gevraagd naar de vereiste betrokkenheidvan Rijkswaterstaat (RWS) en ProRail, aangezien zij werkzaamheden inhun planningen moeten kunnen inpassen.Het geactualiseerde afweegkader is te vinden in de bijlage. Maatregelendie bekostigd worden uit het gebiedsbudget van het Ministerie van VRO,zullen volgens hetzelfde afweegkader beoordeeld worden.Locaties buiten de grootschalige woningbouwlocaties kunnen aanspraakmaken op middelen uit de regeling Woningbouw op de Korte Termijndoor bovenplanse infrastructuur (WoKT). De focus ligt hierbij op zo snelen zo veel mogelijk bereikbare woningen helpen bouwen door heelNederland. De voorstellen die gemeenten hiervoor indienen, wordenbeoordeeld via «knock-out criteria», namelijk:•Snelheid: Start bouw woningen zo snel mogelijk en in ieder gevalbinnen vijf jaar.•Aantal nieuwe woningen: minimaal 200 nieuwe woningen wordengebouwd.•Maximale percentage Rijksbijdrage: 65% van het financieel tekort.•Rendement: maximale Rijksbijdrage van € 20.000 per woning (incl.btw).De overgebleven voorstellen vanuit de gemeenten worden vervolgensgeprioriteerd op snelheid (zo snel mogelijk start bouw) en op omvang vande Rijksbijdrage per woning (rendement), en wordt gekeken naar deeffecten op de hoofdnetten en regionale spreiding over Nederland. Ookhier wordt expliciet getoetst of het realistisch is dat de plannen binnen degenoemde termijn zullen worden gerealiseerd en wordt specifiekgevraagd naar de benodigde betrokkenheid van RWS en ProRail. Hiermeeis de toezegging aan rapporteur Veltman om de Kamer voor het CD MIRTte informeren over de nieuwe criteria en geactualiseerde afweegkadersvoor de € 2,5 mld. voor de ontsluiting nieuwe woningbouw afgedaan. Inhet komende BO MIRT maken Rijk en regio afspraken over de inzet van de€ 2,5 mld. in zowel grootschalige woningbouwlocaties als daarbuiten.In de bijlage bij deze brief worden de doeltreffendheid, doelmatigheid enevaluatieproces voor de inzet van de € 2,5 mld. toegelicht, aan de handvan het Kader «Beleidskeuzes uitgelegd». De afspraken over de inzet vandeze middelen worden gemonitord en beheerst door het programmaWoningbouw en Mobiliteit, evenals de € 7,5 mld. voor goede bereik-baarheid en ontsluiting van nieuwe woningen waarover in 2022 afsprakenzijn gemaakt. De € 2,5 mld. en de € 7,5 mld. zijn binnen het programmatwee aparte geldstromen die beheerst worden volgens het «Plan van4Dit betreft de bestaande zeventien grootschalige woningbouwgebieden plus de vier kansrijkenieuwe grootschalige woningbouwlocaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 633 aanpak beheersing programma woningbouw en mobiliteit».5 De komendeperiode wordt dit plan geactualiseerd om aan te sluiten op de nieuweafspraken die gemaakt worden en waar mogelijk de administratieve lastente verlichten.Brede welvaart-indicatoren programma Woningbouw en MobiliteitAan rapporteur Veltman is bij het NO MIRT van november 2024 toegezegdconcrete brede welvaart-indicatoren op te stellen, uit te werken en deKamer hierover te informeren tegelijkertijd met de periodieke voortgangs-rapportages van het programma. Bij de verdeling van € 7,5 mld. aanmobiliteitsmaatregelen heeft IenW als doel gesteld om zo veel mogelijkbereikbare woningbouw te realiseren. Hiervoor is een afweegkaderopgesteld. Door de nieuwe woningen zoveel als mogelijk in of tegen debestaande stadskernen bij OV-knooppunten te bouwen, wordt er gezorgdvoor nabijheid van bestaande voorzieningen en werkgelegenheid. Hetcreëren van «nabijheid» voorkomt mobiliteit en daarmee onnodig beslagop de schaarse ruimte en draagt bij aan een prettige leefomgeving enveiligheid. Dit zijn voorbeelden van de effecten op brede welvaart vanuitde afspraken van het programma Woningbouw en Mobiliteit.De bijlage laat een overzicht zien van brede welvaart-indicatoren, zoals heteffect op de bereikbaarheid van banen en voorzieningen. Deze indicatorengeven inzicht in de maatschappelijke effecten van het programma endragen bij aan een breder begrip van de impact van het programmaWoningbouw en Mobiliteit.Uitvoeringsstrategie langjarige infra en woningbouwHet kabinet ziet dat het de laatste jaren steeds moeilijker is om grotestructuurversterkende projecten op te starten. Dit is mede het gevolg vanverschillende factoren: de aanhoudende krappe arbeidsmarkt (zeker bijeen vergrijzende bevolking), schaarse fysieke ruimte, beperkte vergun-ningverlening (onder meer als gevolg van gerechtelijke uitspraken overstikstof en private belangen), netcongestie en dalende Rijksuitgaven voorinfrastructuur binnen het Mobiliteitsfonds in de toekomst.Om de in de Nota Ruimte geschetste ontwikkelrichting te bereiken is eenandere manier van werken nodig om de geschetste structuurversterkendeprojecten uit te voeren en te bekostigen. Het kabinet werkt daarom aaneen ontwikkelstrategie grootschalige infra die de ontwikkeling vanNederland faciliteert. Het gaat hierbij nadrukkelijk om projecten waarovernog geen besluiten zijn genomen en waarover nog moet wordenbesloten.Bij de strategie onderzoekt het kabinet mogelijkheden van alternatievebekostiging. Daarnaast onderzoekt het kabinet realistische begrotingen(o.a. passende en uitvoerbare kasritmes) voor de investeringen. Realismein ambities is van belang om teleurstellingen achteraf te voorkomen.Daarnaast bevat de strategie een overzicht wat naar verwachting nodig isom dergelijke projecten te kunnen starten, inclusief de keuzes enprioriteiten (in de eerdergenoemde factoren) die nodig zijn en eventueelaanvullend beleid dat nodig is. Voor de departementale begrotingsbehan-delingen van het najaar van 2025 stuurt het kabinet de voortgang aan deTweede Kamer.5Kamerstuk 36 200 A, nr. 78Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 634 2. Voortgang MIRT-projecten en -programma’s 2.1. Regio Noord Deltaplan voor Noordelijk NederlandMet de vervolgstappen voor de Lelylijn, Nedersaksenlijn en Bestaandspoor werken Rijk en regio toe naar de realisatie van het gehele Deltaplanvoor Noordelijk Nederland. Met het gezamenlijk vastgestelde DeltaplanPerspectief 2050 als integraal toekomstbeeld wordt gewerkt aan hetverbeteren van de brede welvaart en leefbaarheid van NoordelijkNederland. De agenda voor samenwerking tussen Rijk en regio uit hetperspectief is daarbij een belangrijke leidraad.LelylijnRijk en regio blijven zich inzetten voor de totstandkoming van de Lelylijn.Daarom wordt doorgewerkt met het Masterplan Lelylijn. In het Masterplanworden de financierbaarheid en mogelijke financieringsopties van deLelylijn uitgewerkt, om zo in de toekomst wel de stap naar deMIRT-verkenning te kunnen zetten. Daarnaast wordt gekeken naar viergebiedsverdiepingen en wordt er vooruitgekeken naar de impact van deLelylijn over 100 jaar. Door zowel in als uit te zoomen ontstaat er een beterbeeld van de lokale inpassing van hoogkwalitatieve stationslocaties en destructuurversterkende werking van de Lelylijn voor ruimtelijk-economische ontwikkeling. De Lelylijn wordt verankerd in de NotaRuimte. Het kabinet verkent een uitvoeringsstrategie langjarige infra enwoningbouw, om eventuele volgende investeringen in grootschaligestructuurversterkende infrastructuur, zoals de Lelylijn, te kunnen uitvoerenen bekostigen.6NedersaksenlijnHet kabinet heeft een aanvullende reservering van € 1,9 mld. gemaaktvoor de Nedersaksenlijn. Met dit aanvullende bedrag is zicht op finan-ciering om de MIRT-verkenning te starten. Samen met de provinciesGroningen, Drenthe en Overijssel wordt gewerkt aan een startdocumentvoor het starten van deze verkenning. De Tweede Kamer heeft per motieverzocht de MIRT-verkenning uiterlijk met Prinsjesdag te starten.7 Hiervooris het noodzakelijk dat zowel Tweede als Eerste Kamer akkoord zijn met deaanvullende reservering zoals die in de Voorjaarsnota is opgenomen.Met de komst van de Nedersaksenlijn wordt het oostelijke deel vanGroningen en Drenthe per spoor verbonden met Overijssel, de stedenGroningen en Leeuwarden en de plaatsen hier tussenin. Dit geeft eenbelangrijke impuls voor de leefbaarheid, woningbouw, bereikbaarheid vanbanen, onderwijs en voorzieningen en daarmee aan de kansen en bredewelvaart voor de inwoners en bedrijven in dit gebied. Deze onderwerpenkomen expliciet terug in een integraal plan van aanpak voor deMIRT-verkenning.Bestaand spoorOok het belang van een goede bereikbaarheid van Noord-Nederland viahet bestaande spoor vindt het kabinet van groot belang. Om die reden iser, aanvullend op de eerdere € 75 mln. bij de voorjaarsbesluitvorming€ 100 mln. geheralloceerd voor de aanpak van de spoorinfrastructuur op6Kamerstuk 36 600 A, nr. 547Kamerstuk 29 984, nr. 1254Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 635 en rond Meppel. Deze middelen worden gebruikt voor minder versto-ringen en meer en snellere treinen op het traject. Op het BO MIRT 2025worden er met de regio nadere afspraken gemaakt over de invulling vandit budget.PaddepoelsterbrugIn maart 2025 is de bestuursovereenkomst ondertekend tussen IenW ende gemeente Groningen voor de realisatie van de Paddepoelsterbrug.Hierdoor kan begonnen worden met de realisatie en wordt een belangrijkeverbinding in de stad hersteld. De gemeente wordt eigenaar en beheerdervan de brug en wordt verantwoordelijk voor het onderhoud. IenW leverteen vaste bijdrage van € 15,7 mln. voor de bouw en € 2,4 mln. als afkoopvan het beheer en onderhoud. De gemeente levert een bijdrage van€ 2,2 mln. De planning is dat de realisatie in 2026 start en de openstellingin 2027 zal plaatsvinden.Pilot Buitendijkse slibsedimentatie Eems-DollardOp 17 april 2025 is de projectbeslissing ondertekend en daarmee start derealisatiefase van dit project. In de (zuid)westhoek van de Dollard wordenrijshoutendammen in organische vormen en halve maan structurengeplaatst. Met dit project, dat deel uitmaakt van het RijksprogrammaProgrammatische Aanpak Grote Wateren (PAGW), wordt de komende tienjaar onderzocht of het mogelijk is om slib op een natuurlijke manier vastte leggen (slibsedimentatie). Deze overgangen kunnen zich ontwikkelentot nieuwe leefgebieden voor planten en dieren.2.2. Regio Zuidwest PHS Den Haag-RotterdamOp 14 april 2025 is, in aanwezigheid van de Staatssecretaris van IenW envertegenwoordigers uit de regio, de opening verricht van de uitbreidingnaar vier sporen tussen Schiedam-Rotterdam en tevens de afronding vanhet gehele PHS-project Rijswijk-Rotterdam gevierd. Dit is een belangrijkemijlpaal voor het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer en betekentook dat de eerste PHS-corridor volledig is opgeleverd. Voor de reizigerslevert het een beter en frequenter treinproduct op. Dit was eind decembergrotendeels al gerealiseerd toen het deel Rijswijk-Delft Campus in gebruikis gesteld; nu is ook de stop van alle sprinters op Schiedam mogelijkgeworden. Deze PHS-maatregelen zijn ook de basis voor een verdereverbetering in de toekomst die in de MIRT-verkenning Oude lijn wordtonderzocht.Bereikbaarheid Rotterdamse havenHet kabinet heeft zich in het Regeerakkoord het behoud van een goedeleveringszekerheid voor goederen en het bestrijden van de files tot doelgesteld. Door de groeiende filedruk op de A15 en een groeiende contai-neroverslag staat de bereikbaarheid van de Rotterdamse containerhavenechter steeds meer onder druk. De efficiëntie en het rendement van hetlogistieke proces in de Rotterdamse haven en de snelheid van het vervoervan goederen van en naar het achterland komt daarmee in de knel. Ditlevert niet alleen problemen voor de leveringszekerheid op maar doet ookafbreuk aan de Nederlandse logistieke toppositie als toegangspoort naarEuropa voor goederen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 636 Het structureel borgen van deze bereikbaarheid van de containerhavenvan Rotterdam vraagt om een multimodale aanpak waarin de gehelelogistieke keten samenwerkt in het havengebied en het achterland aaneen snelle, efficiënte, gedigitaliseerde en duurzame afhandeling van detransporten. Om dit te bespreken heeft op 10 april 2025 een gesprektussen de bewindspersonen van IenW en het Havenbedrijf Rotterdam,vertegenwoordigers van de logistieke keten, lokaal bestuur, branche-organisaties en andere betrokkenen bij het containervervoer via decorridors plaatsgevonden. Daarbij is afgesproken een gezamenlijkeaanpak te ontwikkelen, die eind 2025 aan de Kamer wordt gezonden.Gebiedsontwikkeling MaasterrasDe gemeente Dordrecht en de ministeries van VRO en IenW hebbenaanvullende afspraken gemaakt over de gebiedsontwikkeling Maasterras.Voor het vernieuwen van de aanlanding van de Stadsbrug Dordrecht zegthet Rijk een aanvullende bijdrage van € 25 mln. toe onder voorwaardevan cofinanciering door de gemeente Dordrecht van eveneens € 25 mln.Deze afspraak is onder voorbehoud van positieve besluitvorming door degemeenteraad over het bestemmingsplan.2.3. Regio Oost PHS NijmegenOp 11 juni 2025 is de starthandeling verricht om de start van groot-schalige werkzaamheden te markeren. Met de verbouwing vergrootProRail o.a. de transfercapaciteit van het station inclusief nieuw perron ensporen met opstelcapaciteit voor reizigersmaterieel. Er komt een grotebrede reizigerstunnel onder de sporen extra en het station krijgt eentweede entree aan de westzijde (achterkant). Ook past ProRail de sporenaan zodat de treinen in de gewenste richting en met de gewenstevertrektijd elke tien minuten kunnen rijden. De planning is om het stationin 2028 klaar te hebben, zodat de treinen per dienstregeling 2029 (ingaandeind 2028) goed over het uur verspreid zijn.2.4. Regio Noordwest A1/A28 knooppunt HoevelakenConform de afspraak in het BO MIRT 2024 heeft het Rijk, in samenspraakmet de regio, onderzocht of het mogelijk is om het MIRT-project A1/A28Knooppunt Hoevelaken in kleinere projecten op te delen en te faseren.Hiervoor zijn vier varianten opgesteld die (een deel van) de structurelebereikbaarheidsknelpunten rond het knooppunt Hoevelaken aanpakken.De aanpak van het knooppunt Hoevelaken zelf maakt daar geen onderdeelvan uit, mede omdat dit zeer complexe en daarmee kostbare ingrepenvergt. Daar waar er samenhang is, is in de varianten wel de aanpassingaan de aansluiting A1/A30 Barneveld (voorkeursvariant) opgenomen. Ditproject sluit immers aan op het project A1/A28 Knooppunt Hoevelaken.De vier varianten zijn onderzocht en beoordeeld op de aspectendoorstroming, stikstof, verkeersveiligheid en kosten.8 Rijk en regio hebbende resultaten besproken en onderkennen de meerwaarde van eenopgedeelde en gefaseerde aanpak van het project A1/A28 Knooppunt8Onderliggende rapporten hierover zijn te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/02/17/nrm-quickscan-opknippen-mirt-project-a1-a28-knooppunt-hoevelaken enhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/05/21/knooppunt-a28-a1-hoevelaken-stikstofdepositieberekeningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 637 Hoevelaken in combinatie met het voorkeursalternatief A1/A30 Barneveld.Daarbij concluderen Rijk en regio dat variant vier leidt tot positieveverkeerskundige resultaten, tegen relatief beperkte middelen. In dezevariant wordt de capaciteit op de A1 ten oosten van knooppunt Hoeve-laken in beide richtingen en ten westen van knooppunt Hoevelakenrichting het westen vergroot. Dit in combinatie met maatregelen die dedoorstroming van de A1-A30 aansluiting Barneveld verbeteren én hetverlengen van de spitsstrook op de A28 in knooppunt Hoevelaken.Hiermee wordt het grootste knelpunt, namelijk de A1 tussen knooppuntHoevelaken en aansluiting Barneveld, opgelost. De kosteninschatting vandeze variant bedraagt circa € 475 mln. (met een bandbreedte van 25%).Ter vergelijking: het budget van project Knooppunt Hoevelaken vooraf-gaand aan de herprioritering bedroeg € 1.145 mln. (prijspeil 2022).Deze variant kent echter nog steeds een substantiële stikstofopgave (dehoogst berekende bijdrage is 32 mol/ha/jaar in de directe nabijheid van deA1 op de Veluwe). Rijk en regio werken samen om een oplossing tevinden voor de stikstofopgave. Komende periode werken Rijk en regio aaneen besluit in het BO MIRT 2025 over een plan van aanpak om variant viernader uit te werken tot een (ontwerp)projectbesluit. Daarbij zet het Rijkzich in om de bijbehorende financiering en capaciteit te alloceren. Hierbijblijft zicht op volledige realisatie van het project A1/A28 KnooppuntHoevelaken in lijn met het Ontwerptracébesluit van 2018 en eerdergemaakte bestuurlijke afspraken.Derde perron Amsterdam-ZuidEind 2023 is de Planning- en Studiefase van het project Derde Perrongestart. Om de kosten in het verdere ontwerpproces goed te kunnenbeheersen, is besloten de kostenraming van het project te herijken. Zo ishet vertrekpunt voor deze fase geschoond van de excessieve prijsstij-gingen uit de voorgaande periode. Uit de herijking blijkt dat de project-scope niet meer te realiseren is binnen het huidige projectbudget, deraming bedraagt € 597 mln. tegen een projectbudget van ca. € 459 mln.Dit is de komende periode dan ook onderwerp van gesprek. Het grootstedeel van de stijging – bijna driekwart – is echter toe te schrijven aan deexcessieve kostenstijgingen van materiaal en arbeid.De Planning- en Studiefase wordt vooralsnog volgens planning voort-gezet. In 2027 zijn voor het vervolg van het project richtinggevende keuzesnoodzakelijk inclusief evenwicht in raming en budget. De Kamer zal op datmoment nader worden geïnformeerd of eerder als daar aanleiding toe is.2.5. Regio Zuid Wilhelminakanaal Sluis IIIn november 2024 is de Kamer geïnformeerd over de MIRT-project-beslissing het project Wilhelminakanaal Sluis II. Daarna is door Rijk enregio verder gewerkt aan een Bestuursovereenkomst (BOK). Op 10 maart2025 is het startschot gegeven voor de nieuwbouw van WilhelminakanaalSluis II en is de BOK ondertekend. In de BOK zijn nadere afsprakengemaakt over onder andere 30% cofinanciering van het project doorNoord-Brabant en Tilburg. Dit betekent dat weer een stap gezet is in deopwaardering van het Wilhelminakanaal voor grotere schepen. Deaanbesteding start binnenkort; naar verwachting vindt de gunning aaneen aannemer voor de zomer van 2026 plaats. De voorlopige planningvoor ingebruikname van het Wilhelminakanaal voor klasse IV-schepen isvoorzien in 2029.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 638 Meanderende MaasDe Kamer is eerder geïnformeerd over de ondertekening van de BOKMeanderende Maas en de overgang naar de realisatiefase.9 Destijds wasduidelijk dat de planning- en studiefase tien maanden langer had geduurddan bij aanvang van die fase werd verwacht. Primaire oorzaak hiervoorwas de juridische complexiteit bij het verankeren van de toepasbaarheidvan gebiedseigen grond in het Projectplan Waterwet. Waterschap Aa enMaas, provincie Noord-Brabant en IenW hebben de extra kosten vanongeveer € 3,9 mln. als gevolg van deze vertraging gezamenlijkbekostigd, waarvan circa € 1,5 mln. door IenW aanvullend wordtbijgedragen.Groene Rivier WellVoor het project gebiedsontwikkeling Groene Rivier Well zijn Rijk en regiogekomen tot een gezamenlijke financiële dekking voor de realisatie.Daarvan zal het Rijk maximaal € 38 mln. extra bijdragen (inclusief beheeren onderhoud). De regio heeft € 15 mln. aan aanvullende maatregelengenomen. Door de Groene rivier aan te leggen heeft de rivier na deuitvoering meer ruimte en zal de waterveiligheid op orde zijn. Er is doordeze maatregel ook een kans om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren, denatuur uit te breiden en te voorzien in natuurinclusieve landbouw.2.6. Nationaal Aanpak herstart zeventien gepauzeerde MIRT-projectenIn 2023 heeft IenW moeten besluiten om zeventien MIRT-projecten tepauzeren vanwege de opeenstapeling van financiële, stikstof- enpersonele problematiek, en de middelen hiervoor in te zetten voortegenvallers bij lopende projecten en intensivering op instandhouding.10In juni 2024 heeft de Kamer een eerste aanzet voor een Plan van Aanpakherstart gepauzeerde MIRT-projecten ontvangen.11 Aan de Kamer istoegezegd een analyse op te stellen over welke van de 17 gepauzeerdeprojecten als eerste opgestart kan worden in 2025, evenals een stand vanzaken van de gepauzeerde projecten waarbij ingegaan wordt op demogelijkheid tot het faseren of opknippen van projecten. Ter invulling vandeze toezeggingen is een aanpak herstart opgesteld, die een bijlage bijdeze brief is.Met het toezenden van de «Update Integrale Mobiliteitsanalyse» is deKamer geïnformeerd over de impact van het pauzeren van de zeventienprojecten op de doorstroming en verkeersveiligheid.12 De opgave van dezeventien gepauzeerde projecten blijft urgent. Nut en noodzaak van dezeprojecten staan niet ter discussie. Daarom maakt IenW geen onderscheidin urgentie voor herstart.Voor de mogelijkheden van een herstart kijkt IenW naar de kansen die erzijn ten aanzien van de randvoorwaarden stikstof, financiën en capaciteit.In het licht van de beperkingen is het de ambitie van IenW ieder jaar ééngepauzeerd project op te starten, mits voldaan kan worden aan dezerandvoorwaarden. In lijn met de motie van de leden Grinwis en Vedder9Kamerstuk 36 600 A, nr. 1610Kamerstuk 36 200 A, nr. 7811Bijlage 2024D26244 bij Kamerstuk 36 410 A, nr. 6112Bijlage 2023D49872 bij Kamerstuk 36 410 A, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 639 verkent IenW per gepauzeerd project de mogelijkheid projecten in fasenop te knippen.13In de BO’s MIRT, ten eerste van 2025, overleggen Rijk en regio over degepauzeerde projecten en eventuele kansen die er zijn ten aanzien vanstikstof, financiën en capaciteit. Conform de motie Krul wordt de Kamer inde MIRT-brief najaar 2025 geïnformeerd over de stand van zaken.14Kleine verbeteringen autonetwerk of doorstromingVorig jaar heeft IenW besloten om € 280 mln. te reserveren voor hetuitvoeren van kleine maatregelen, gericht op het verbeteren van hetautonetwerk of de doorstroming van automobiliteit op het nationalenetwerk. Het doel is om snel concrete maatregelen te nemen waar deweggebruiker positief effect van ervaart. De regio’s hebben inmiddelsmaatregelen voorgesteld bij IenW, zoals het verbeteren van de afritten enkruispunten/rotondes rond de snelwegen en aangrenzende wegen. Dezevoorstellen zijn door IenW beoordeeld aan de hand van het vastgesteldebeoordelingskader (o.a. gericht op het snel en kosteneffectief bereiken vanverbetering van de doorstroming). Rijk en regio hebben afgesproken datde regio de komende periode de kansrijke maatregelen verder uitwerkt,zodat in het BO MIRT 2025 definitieve besluitvorming kan plaatsvindenover de inzet van de € 280 mln. aan Rijksmiddelen voor deze kansrijkemaatregelen.Verkeersveiligheidsaanpak Rijks-N-wegenEr is € 200 mln. beschikbaar gesteld voor het verbeteren van de verkeers-veiligheid van Rijks-N-wegen.15 Hiermee worden maatregelen getroffen intwee verschillende tranches. De Kamer wordt hierover jaarlijks geïnfor-meerd.Naar verwachting is eind dit jaar de helft van de maatregelen uit de eerstetranche uitgevoerd en zijn de resterende maatregelen in opdrachtgegeven of vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst met regionalepartijen. Dit jaar nog wordt bijvoorbeeld de moeilijk overrijdbarerijrichtingscheiding gerealiseerd op grote delen van de N57 en N59. In hetnajaar van 2025 worden met het groot onderhoudsmoment op de N99diverse verkeersveiligheidsmaatregelen getroffen, zoals aanpassingen bijde rotonde met het defensieterrein, bermmaatregelen, aanpassingen inhet profiel en het terugbrengen van de snelheid naar 80 km/uur. Demaatregelen op de N33 worden meegenomen met het groot onderhoud in2025/2026. Voor enkele projecten start de realisatie vanaf 2026. Voor deongelijkvloerse turborotonde op de N9 ter hoogte van de Kogendijk isrecent een samenwerkingsovereenkomst gesloten en de verwachterealisatietermijn is 2026/2027. Zoals eerder aan de Kamer gemeld, geldtdat de aanpak op de N18 wordt geoptimaliseerd.16 Dit betekent dat descope van het project wordt vergroot. Daardoor wordt de realisatietermijnverschoven naar 2027.De tweede tranche bevat meer complexe en grootschalige maatregelen,die een lange proceduretijd kennen en meer tijd vragen. Het gaat om deN14, N44, N36, N50 Kampen–Ramspol, N59 en de N915. RWS werktmomenteel aan de planuitwerking van de verkeersveiligheidsmaatregelenin de tweede tranche.13Kamerstuk 31 305, nr. 49214Kamerstuk 29 385, nr. 13215Kamerstuk 29 398, nr. 101416Kamerstuk 36 600 A, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6310 Voor de N36 en N50 Kampen–Ramspol geldt dat de kosten voor derijbaanscheiding hoger uitvallen nu deze verder zijn uitgewerkt. Conformde motie van het lid Veltman is de opgave voor de N36 meegenomen inde bredere afweging voor het MF. Hiermee wordt de motie deels alsafgedaan beschouwd. Met de Voorjaarsbesluitvorming 2025 is het budgetvoor de N36 opgehoogd met € 115 mln. Met de motie van het lidVeltman17 en de motie van het lid Pierik18 wordt verzocht te onderzoekenhoe en op welke manier op de N50 (Kampen–Ramspol) en de gehele N36(Wierden–Ommen) de rijbanen veiliger gemaakt kunnen worden.Momenteel wordt bekeken wat voor gevolgen de motie Pierik en het extrabudget voor de N36 voor de uitgangspunten van het project hebben. Voorde N50 blijft het budget ongemoeid, dus daar zal bekeken moeten wordenhoe met het beschikbare budget een verkeersveilige oplossing gereali-seerd kan worden.Vanuit het programma «Meer Veilig» staan de laatste maatregelen vooreen veilige berminrichting op Rijks-N-wegen gepland in 2025 en 2026.19Voortgang aanpak spits spreiden en -mijdenOm files op de weg en drukte in de treinen voor reizigers te beperken,werkt IenW samen met andere overheden en maatschappelijke partnersaan de aanpak spitsspreiden en -mijden. In aanvulling op de reserveringvan € 16 mln. waar de Kamer eind 2024 over is geïnformeerd, is in deVoorjaarsnota 2025 een aanvullende meerjarige investering van in totaal€ 50 mln. afgesproken.20 De Kamer wordt dit najaar geïnformeerd over deaanpak. Vanuit de verantwoordelijkheid als werkgever is IenW gestart meteen pilot om het mijden van de spits door ambtenaren extra te stimuleren.Innovatieagenda Bronaanpak Spoortrillingen (IBS)Met de Innovatieagenda Bronaanpak Spoortrillingen (IBS) wordt gewerktaan meer effectieve maatregelen tegen hinder door spoortrillingen. DeIBS wordt uitgevoerd door ProRail en wordt in 2025 afgerond. Enkeledeelprojecten vragen meer tijd en zullen later worden afgerond. Op3 november 2025 vindt het slotsymposium plaats. De bijgevoegdevoortgangsrapportage (zie bijlage) beschrijft de voortgang in 2024. IenWwerkt daarnaast verder aan de ontwikkeling van een landelijke aanpak vanspoortrillingen. Hierover zal de Kamer op een later moment wordengeïnformeerd.3. Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT Aanpak instandhoudingsopgaveDe afgelopen periode is in een aantal aangenomen moties en toezeg-gingen in debatten ingegaan op het aanbesteden van de infraprojectenvan RWS. Daarbij zijn vragen gesteld over het aanbestedingsproces, demeerjarenplanning van projecten die eraan komen en de efficiënte inzetvan middelen. Deze vragen hangen samen met de enorme omvang vande infrastructurele instandhoudingsopgave, die onder de uitdagendeomstandigheden van dit moment, zoals toegenomen kosten en deschaarste aan personeel, voortvarend moet worden aangepakt. In dezebrief wordt ingegaan op de manier waarop RWS invulling aan de opgave17Kamerstuk 36 600 A, nr. 3018Kamerstuk 29 398, nr. 116819Kamerstuk 34 775, nr. 6420Kamerstuk 31 305, nr. 483Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6311 geeft, waarmee ook invulling wordt gegeven aan de moties en toezeg-gingen over dit onderwerp.Aanbesteden van infraprojectenRWS besteedt de uitvoering van projecten aan. Per project wordenafwegingen gemaakt over hoe wordt aanbesteed binnen de ruimte die deaanbestedingsregels bieden. Ontwikkelingen, zoals meer focus opinstandhouding, de toegenomen krapte op de arbeidsmarkt, toegenomenkosten in de afgelopen jaren, en meer aandacht voor risicoverdelingvragen om extra aandacht in de marktbenadering. Zo heeft RWS voor deintensivering van de instandhouding voor tunnels, bruggen, viaducten ensluizen gekozen voor langjarige programmatische samenwerking metmarktpartijen in portfoliocontracten. Hiervoor wordt gebruik gemaakt vaneen uitzondering in de aanbestedingswet, die gebruikt mag worden alseen langere contractduur dan de gebruikelijke vier jaar kan wordengemotiveerd. Met deze portfolioaanpak kunnen leereffecten en innovatiesover projecten heen worden benut en wordt aan marktpartijen meerzekerheid op langere termijn geboden. Ook probeert RWS efficiencyvoor-delen te realiseren door technisch soortgelijke objecten op deze maniergebundeld aan te besteden, waardoor minder capaciteit nodig is voor hetdoorlopen van tenders, zoals de motie van de leden Heutink c.s.21 vraagt.Zo besparen zowel de opdrachtgever als de marktpartijen die inschrijventijd en kosten, ook in de waterveiligheidssector. Hiermee is invullinggegeven aan de toezegging over dit onderwerp aan het lid Grinwis bij hetCD Water van 18 november 2024.RWS onderzoekt voortdurend hoe de mogelijkheden van de aanbeste-dingswet worden benut en maakt gebruik van bijzondere aanbestedings-procedures, zoals de Concurrentiegerichte Dialoog of het Innovatiepart-nerschap, die alleen in specifieke gevallen mogen worden toegepast.Momenteel wordt verkend of het op voorhand opnemen van specifiekeclausules voor innovatie meer ruimte biedt in de uitvoering en vantoegevoegde waarde kan zijn voor de contracten van RWS.RWS voert continu de dialoog met de markt om zelf ook te blijven lerenhoe de beoogde langjarige samenwerking met de markt en de gekozencontractvorm daarbij uitpakken en daarop weer te kunnen acteren opbasis van de mogelijkheden die de aanbestedingswet biedt. Ook wordtgemonitord of er aanknopingspunten zijn rondom de actuele herzieningvan de Europese Aanbestedingsrichtlijnen voor verbeteringen inaanbestedingsregelgeving die de samenwerking met de markt endaarmee de productie van RWS bevorderen. Hiermee is de motie van deleden Heutink c.s. beantwoord.22Meerjarig inzicht in projectenDe motie van de leden Veltman c.s. vraagt naar versneld inzicht in de staatvan de infrastructuur, doelen voor wat betreft het onderhoud de«dealflow» richting marktpartijen, en een plan voor een evenwichtigeverdeling van risico’s bij de uitvoering van weg- en waterbouwpro-jecten.23Jaarlijks ontvangt de Kamer de rapportage «Staat van de Infrastructuur»,waarin de Kamer wordt geïnformeerd over de actuele technische staatvan het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwater-systeem. RWS voert de instandhoudingsopgave uit op basis van de21Kamerstuk 36 600 A, nr. 2722Kamerstuk 36 600 A, nr. 2823Kamerstuk 36 600 A, nr. 29Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6312 minimale kwaliteitseisen zoals beschreven door het basiskwaliteitsniveau(BKN). Vastgesteld is waar een weg, vaarweg, spoorweg of waterwerk inde basis aan moet voldoen om de gebruikers en belanghebbenden goedte kunnen blijven bedienen. Een robuust mobiliteitssysteem met basalevoorzieningen passend bij de functie van de verschillende netwerken. Inandere woorden: waarvoor ze bedoeld zijn, nu en in de toekomst. Sinds2024 beschikt RWS over een langjarig vooruitzicht met budget. Er wordteen programmeringsproces doorlopen waarin op basis van functionele,technische en omgevingseisen wordt bepaald welke maatregelenwanneer moeten worden genomen. Daarnaast wordt beoordeeld of dezefinancieel gedekt kunnen worden en of de beschikbare capaciteitaanwezig is. De beschikbare middelen worden in het programmerings-proces zodanig afgewogen dat een geprioriteerd, maakbaar meerjarigprogramma tot stand komt.Voor de eerste vier jaar staat dit meerjarenprogramma goeddeels vast;hoe verder weg in de tijd, hoe flexibeler de programmering nog is. Ommarktpartijen te informeren over de projecten die eraan komen, publiceertRWS ten minste twee keer per jaar een inkoopplanning.24 Hierin wordtanderhalf jaar vooruit aangegeven welke projecten, inclusief de geschattefinanciële omvang, eraan komen en welke contractvorm wordt voorzien.De infrasector heeft RWS laten weten voornamelijk behoefte te hebbenaan inzicht voor de komende vijf jaar. Daarom werkt RWS aan hetverrijken van de inkoopplanning om tot een meerjarig inzichtelijkedealflow te komen, waarbij tot 8 jaar vooruit wordt gekeken, te beginnenmet de Vernieuwingsopgave. Dit gebeurt in nauwe samenwerking metmarktpartijen binnen de «Taskforce Infra», met als streven dat in 2025 demeerjarige dealflow inzichtelijk is voor de vernieuwingsopgaven en in2026 voor de totale meerjarige opgave, inclusief onderhoud en nieuweontwikkelingen.Complexe weg- en waterbouwprojecten vragen om een passenderisicoverdeling per project. RWS vertaalt dit naar een passendecontractvorm waarin de wijze van samenwerken met de markt en hetgekozen prijsmechanisme bepalend zijn om te komen tot een risicover-deling tussen overheid en markt die voor beide acceptabel is. Hiertoedeelt RWS projecten in naar categorieën van eenvoudig tot beleidsrijk encomplex. Dat leidt ertoe dat voor de meest risicovolle projecten eenandere samenwerkingsvorm en een ander prijsmechanisme gelden danvoor bijvoorbeeld regulier onderhoudswerk. In de continue dialoog tussenRWS en de markt is dit een belangrijk gespreksonderwerp. Daarnaastwordt voorafgaand aan aanbesteding in marktconsultaties getoetst of debeoogde contractvorm en aanpak ook naar inzicht van marktpartijen debest passende is. Tegelijkertijd werkt RWS aan de standaardisering vancontractvoorwaarden voor vergelijkbare opgaven om te zorgen vooreenvoud en eenduidigheid, conform de toezegging aan het lid Grinwis bijhet CD water 2024.Het streven is dat de Kamer voorafgaand aan het CD MIRT nog hetmeerjarenplan instandhouding ontvangt waarin de opgave en aanpaknader worden toegelicht. Dit ter opvolging van de toezegging uit het CDStrategische Keuzes Bereikbaarheid om de Kamer nader te informerenover de meerjarige opgave en aanpak.24https://open.rijkswaterstaat.nl/overige-publicaties/2025/inkoopplanning-rijkswaterstaat-maart/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6313 MIRT-investeringen per provincieAan het lid Pierik is tijdens het NO MIRT van 2024 toegezegd deverhouding tussen Randstad en regio bij de investeringen van deafgelopen vijf jaar tot heden te onderzoeken. Dit overzicht is voorafgaandaan het CD Strategische Keuzes Bereikbaarheid aan de Kamer gestuurd.25Tijdens dit debat is door het lid Pierik verzocht om een verdieping met dedaadwerkelijke geïnvesteerde bedragen per provincie aan de Kamer toe testuren. In de bijlage is het toegezegde overzicht te vinden. Wat het kabinetbetreft is daarbij sprake van een billijke regionale spreiding.Dubbelspoor Zwolle – DeventerAan het lid De Hoop is toegezegd in gesprek te gaan met de provincieOverijssel, gemeenten Zwolle, Olst-Wijhe en Deventer en de regioStedendriehoek over spoorverdubbeling tussen Zwolle en Deventer. Zoalstoegezegd is IenW in gesprek gegaan met deze partijen over de spoorver-dubbeling tussen Zwolle en Deventer. Op basis van eerder onderzoekblijkt dit, naast jaarlijks behoorlijke exploitatiekosten en de kosten voorbeheer, onderhoud en vervanging, flinke investeringen te vragen;schattingen lopen uiteen van € 310 tot € 620 mln. De baten wordenbeperkt ingeschat. Rijk en regio leggen daarom op dit moment meerprioriteit bij andere (spoorse) projecten.Eén van deze projecten is een vierde perron voor station Deventer, datreeds door ProRail wordt onderzocht in het kader van de robuusteinpassing van de Berlijntrein. Een andere maatregel in dit onderzoek metpotentieel veel baten, ook buiten de regio, is een snelheidsverhogingtussen Amersfoort en Apeldoorn. Ook wordt nog gekeken naar eensnelheidsverhoging tussen Hengelo en de grens en het aanpassen vanstation Oldenzaal. Het onderzoek zal binnenkort door ProRail wordenafgerond. Daarna zal IenW de resultaten hiervan bespreken met deregionale partijen om te zien of en welke maatregelen tot uitvoeringgebracht kunnen worden binnen het beschikbare budget van ca. € 30 mln.Basiskwaliteitsniveau FietsAan de Kamer is per brief toegezegd om deze te informeren over de standvan zaken van het basiskwaliteitsniveau fiets.26 De uitwerking hiervan is involle gang, maar er is meer tijd nodig dan eerder voorzien. Het dossier isingewikkeld door de versnippering van fietstoegankelijke infrastructuur ophet IenW areaal. De fietstoegankelijke infrastructuur op grond van IenWomvat circa 2.500 kilometer aan wegen en overige paden die door fietsersworden gebruikt en bevinden zich voornamelijk langs weg- en vaarwegen.In het najaar van 2025 wordt de Kamer opnieuw geïnformeerd over devoortgang.Beleidsevaluatie Klimaatneutrale en Circulaire InfraprojectenAan de Kamer is toegezegd de uitkomsten van een beleidsevaluatie vande strategie Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten met de Kamer tedelen (zie bijlage). Hierin is gekeken naar het ambitiebereik, de implemen-tatie binnen IenW (inclusief RWS) en ProRail, de samenwerking met demedeoverheden en de door de markt ervaren doorwerking richting degrond, weg en waterbouw. Duidelijk is dat klimaatneutraliteit in 2030ambitieus is. Uit de evaluatie blijkt dat IenW in de uitvoering maximaal40% CO2-uitstoot kan vermijden in 2030. IenW kiest voor een reëel25Kamerstuk 36 600 A, nr. 5726Kamerstuk 36 410 A, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6314 tijdspad. Een tijdspad dat past bij de marktontwikkeling en de Europeseregelgeving. Zo bevorderen we een gelijk speelveld en geven weuitvoering aan staande afspraken uit bijvoorbeeld het convenant Schoonen Emissieloos Bouwen.Effecten samenwerking RWS met markt- en kennispartijenBij de procesevaluatie met betrekking tot de vuurtoren Lange Jaap is aande Kamer toegezegd om te rapporteren over de effecten van de samen-werking van RWS met markt- en kennispartijen.27 Met de onderstaandetoelichting wordt aan deze toezegging invulling gegeven.Er zijn verschillende vormen van samenwerking met kennispartijen,gericht op het vergroten van deskundigheid, delen van kennis, en detoepassing daarvan in de praktijk bij RWS. Hieronder is een aantalbelangrijke samenwerkingsinitiatieven toegelicht.•In het «NWO Sublime Project» participeert RWS met universiteitenvoor de circulariteit en eindelevensduurproblematiek van stalenbruggen.•Met het Centrum voor Ondergronds Bouwen gebeurt dit op het vlakvan tunnelrenovaties en tunnelveiligheid.•In samenwerking TU Delft en Deltares is een samenwerkingsverbandop het gebied van rivierkunde opgezet en worden studenten opgeleidtot rivierdeskundige, waarbij een deel van hen instroomt bij RWS.•In een onderzoeksprogramma over de rivieren van morgen brengeneen aantal promovendi de gevolgen van klimaatverandering op derivierfuncties waterveiligheid, natuur en bevaarbaarheid in kaart. Deinzichten die gedurende de onderzoeken beschikbaar zijn gekomen,zijn direct in de lopende projecten en beheer- en beleidsvraagstukkenmeegenomen.•In maart 2024 heeft RWS een marktconsultatie met betrekking tot destrategische verkeer- en vervoersmodellen georganiseerd. Met dezekennisuitwisseling worden de modellen verbeterd.Informatievoorziening Vuurtoren Westhoofd en problematiekSlijkgatDe motie van het lid Grinwis c.s. verzoekt de regering een onafhankelijkeevaluatie uit te voeren naar het sluiten van de nautische post VuurtorenWesthoofd.28 Het besluit is ondertussen met betrokken partijen geëva-lueerd; de rapportage is bij deze Kamerbrief bijgevoegd. In deze evaluatieis ook de problematiek omtrent het Slijkgat meegenomen, zoals istoegezegd bij het CD Tuinbouw, Visserij en Biotechnologie van 8 februari2024.De belangrijkste conclusie is dat er vertrouwen bestaat dat de betrokkenomgevingspartijen en RWS de benodigde zaken op de juiste manier zullenafronden. Er is echter consensus dat het proces rondom de beëindigingvan de dienstverlening beter had gekund. Goede afstemming en helderecommunicatie over dergelijke besluiten is noodzakelijk. Op basis van deaanbevelingen heeft Rijkwaterstaat een actielijst opgesteld. Een belangrijkdeel van de acties loopt reeds en een deel is ook reeds uitgevoerd. Hetgaat om onder andere het voortzetten van het maandelijks peilen enbaggeren van het Slijkgat, het afstemmen van beleid en verantwoordelijk-heden tussen betrokken overheidsinstanties en het verbeteren van decommunicatie voor vaarweggebruikers met duidelijke en makkelijkvindbare informatie. Met het uitvoeren van deze acties wordt verwacht dat27Kamerstuk 35 925 XII, nr. 11128Kamerstuk 36 410 XII, nr. 48Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6315 de verloren functies van de Vuurtoren Westhoofd voldoende wordeningevuld en dat de beschikbaarheid van het Slijkgat wordt geborgd voorde vaarweggebruikers. De invulling en voortgang van deze acties wordenafgestemd met betrokken omgevingspartijen en vaarweggebruikers.Gemeentelijke parkeertarievenDe motie van het lid Veltman verzoekt de regering gemeentelijkeparkeertarieven voor bezoekers en bewoners in kaart te brengen, deze tevergelijken met het buitenland en hierover in gesprek te gaan metgemeenten.29 Informatie over gemeentelijke parkeertarieven is ruimbeschikbaar in publiek toegankelijke bronnen. Data wordt verzameld,gepubliceerd en gevisualiseerd door onder anderen de RijksdienstWegverkeer, het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de LagereOverheden en de Vereniging Eigen Huis. Uit deze bronnen blijkt datparkeertarieven sterk variëren binnen en tussen gemeenten, zowel voorbezoekers als bewoners. Er is sprake van tariefdifferentiatie, onder meerop basis van seizoenen, zones en gebruiksduur. In grote Nederlandsesteden zijn de tarieven voor bezoekers relatief hoog ten opzichte van hetbuitenland. Dit blijkt uit een internationale vergelijking (Global ParkingIndex) en uit gepubliceerde cijfers van een veelgebruikte Europeseparkeerapp.De zorgen over de hoogte van parkeertarieven en het verdwijnen vanparkeerplaatsen is gedeeld met de gemeenten. Dit onderwerp isbesproken met onder meer de VNG tijdens het BO Mobiliteit van mei2025, zoals toegezegd aan de leden Peter de Groot en Veltman.30 Hier isdoor de betrokken partijen onderstreept dat de verantwoordelijkheid voorhet parkeerbeleid, inclusief de tarifering en het aantal plekken, bijgemeenten ligt. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie en detoezegging aan de Kamer.4. Slot Over de uitkomsten van het volgende BO MIRT wordt de Kamer zoalsgebruikelijk per brief geïnformeerd, in aanloop naar het volgendeNotaoverleg MIRT.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat a.i.,S.Th.M. Hermans29Kamerstuk 36 600 XII, nr. 3930Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 676Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 6316
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe de verhouding tussen Randstad en regio bij de MIRT-investeringen van de afgelopen 5 jaar tot heden te onderzoeken, en stuurt de Kamer hier
De minister zegt toe de verhouding tussen Randstad en regio bij de MIRT-investeringen van de afgelopen 5 jaar tot heden te onderzoeken, en stuurt de Kamer hier voor het Kerstreces een brief over.
- De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer voor het commissiedebat MIRT informeren over de uitkomsten van zijn gesprekken met de regio over de aa
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zal de Kamer voor het commissiedebat MIRT informeren over de uitkomsten van zijn gesprekken met de regio over de aanpak van het knooppunt Hoevelaken.
- De minister zal de problematiek van het Slijkgat voorleggen aan de minister van IenW en de minister van IenW verzoeken om de Kamer te informeren over mogelijke
De minister zal de problematiek van het Slijkgat voorleggen aan de minister van IenW en de minister van IenW verzoeken om de Kamer te informeren over mogelijke oplossingen.
- De minister van IenW zal de Kamer voor de zomer schriftelijk informeren over de stand van zaken van het gepauzeerde MIRT-project knooppunt Hoevelaken.
De minister van IenW zal de Kamer voor de zomer schriftelijk informeren over de stand van zaken van het gepauzeerde MIRT-project knooppunt Hoevelaken.
- De minister zegt toe concrete, brede welvaart indicatoren voor het programma Woningbouw en Mobiliteit op te stellen en deze in het voorjaar van 2025 verder uit
De minister zegt toe concrete, brede welvaart indicatoren voor het programma Woningbouw en Mobiliteit op te stellen en deze in het voorjaar van 2025 verder uit te werken en de Kamer hierover te informeren.
- De minister van IenW zal de Kamer voor het commissiedebat MIRT informeren over de stand van zaken van de gepauzeerde MIRT-projecten en daarbij ingaan op de moge
De minister van IenW zal de Kamer voor het commissiedebat MIRT informeren over de stand van zaken van de gepauzeerde MIRT-projecten en daarbij ingaan op de mogelijkheid tot het faseren of opknippen van projecten.
- De minister en staatssecretaris van IenW zeggen aan de rapporteur Woningbouw en mobiliteit toe, de Kamer in de MIRT-brief voor het volgende commissiedebat MIRT
De minister en staatssecretaris van IenW zeggen aan de rapporteur Woningbouw en mobiliteit toe, de Kamer in de MIRT-brief voor het volgende commissiedebat MIRT (woensdag 2 juli) te informeren over de nieuwe criteria en geactualiseerde afwegingskaders voor de extra 2,5 miljard ontsluiting nieuwe woni
- De Kamer zal voor het commissiedebat MIRT (2 juli 2025) van de minister van IenW een overzicht ontvangen met de daadwerkelijk geïnvesteerde bedragen per provinc
De Kamer zal voor het commissiedebat MIRT (2 juli 2025) van de minister van IenW een overzicht ontvangen met de daadwerkelijk geïnvesteerde bedragen per provincie.
- De staatssecretaris zegt toe de Kamer voor de zomer van 2025 te informeren over de mogelijkheden om de knelpunten bij station Deventer op te lossen en te komen
De staatssecretaris zegt toe de Kamer voor de zomer van 2025 te informeren over de mogelijkheden om de knelpunten bij station Deventer op te lossen en te komen tot een dubbelspoor op het traject Deventer-Zwolle
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.