KamerkringInloggen
← Onderzoeken

document · 21 mei 2026 · Tweede Kamer

Verslag

Chris Jansen · PVV adjunct-griffier (naam nog niet beschikbaar)

Brontekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 924Wijziging van de Wet op het financieel toezicht,Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wethandhaving consumentenbescherming en deOvergangswet nieuw Burgerlijk Wetboek terimplementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225inzake kredietovereenkomsten voorconsumenten (Implementatiewet herzienerichtlijn consumentenkrediet)Nr. 6 VERSLAGVastgesteld 21 mei 2026 De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidendonderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig engenoegzaam zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbareberaadslaging over dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de vaste commissie,JansenAdjunct-griffier van de commissie,Van der Steur kst-36924-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 61 INLEIDINGDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van hetwetsvoorstel herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en deKamerbrief over de bescherming van de consument bij achteraf betalen.Deze leden onderschrijven het belang van een duidelijk beschermings-kader bij krediet, in het bijzonder bij «koop nu, betaal later»-diensten voorconsumenten. Deze leden hebben nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumenten-krediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van goede consu-mentenbescherming en verantwoord kredietgebruik, zeker nu nieuwebetaalvormen zoals «koop nu, betaal later»-diensten en digitale krediet-producten steeds meer onderdeel uitmaken van het dagelijks betalings-verkeer. Tegelijkertijd achten de leden van de VVD-fractie het van belangdat regelgeving proportioneel en uitvoerbaar blijft, met ruimte voorinnovatie en oog voor een goed functionerend Europees speelveld. Dezeleden hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelter implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelter implementatie van de CCDII-richtlijn. Deze leden achten het positief datstappen worden gezet om de regelgeving rondom consumentenkrediet temoderniseren en beter aan te laten sluiten op de huidige praktijk, waarinnieuwe kredietvormen en online aanbieders een steeds grotere rol spelen.Tegelijkertijd constateren deze leden dat de implementatie lang op zichheeft laten wachten, terwijl de problematiek van schulden en overkredi-tering de afgelopen jaren juist verder is toegenomen.Daarnaast signaleren de leden van de CDA-fractie dat het voorliggendewetsvoorstel nog verschillende lacunes bevat. Daardoor rijst bij dezeleden de vraag of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn omburgers daadwerkelijk en volledig te beschermen tegen problematischeschulden. Die zorg geldt in het bijzonder voor kwetsbare huishoudens enjongeren, voor wie de verleiding van «kopen op de pof» groot is, terwijlde financiële en maatschappelijke gevolgen van schulden vaak nog veelgroter blijken. Juist in een tijd waarin kredietverlening steeds toeganke-lijker, sneller en minder zichtbaar wordt aangeboden, achten deze ledeneen stevige bescherming van consumenten van groot belang.Onderstaande inbreng behandelt, aan de hand van de indeling van dememorie van toelichting, de verschillende vragen die de leden van deCDA-fractie aan de regering hebben over het voorliggende wetsvoorstel.De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel tot implementatie van de herziene richtlijn consumenten-krediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het belang van consumenten-bescherming en het voorkomen van problematische schulden. Tegelij-kertijd achten deze leden het van belang dat de implementatieproportioneel, uitvoerbaar en voorspelbaar blijft voor aanbieders enconsumenten. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 62 De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet.Deze leden achten het van het groot belang dat diensten als «koop nu,betaal later» gereguleerd worden om (jonge) consumenten te beschermentegen overkreditering en schuldgewenning. Deze leden hebben kennisge-nomen van de memorie van toelichting en zijn van mening dat deze inhaar huidige vorm ongestructureerd is en onvoldoende inzicht biedt in degemaakte keuzes en de onderliggende afwegingen, bijvoorbeeld rond deinhoud en gevolgen van de kredietwaardigheidstoetsing en reikwijdte vanhet wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.ALGEMEEN 1. Inleiding De leden van de CDA-fractie constateren dat de oorspronkelijke imple-mentatietermijn van 20 november 2025 inmiddels ruimschoots isoverschreden. Deze leden zijn van mening dat dit onwenselijk is, temeerdaar het hier gaat om regelgeving die direct bijdraagt aan beterebescherming van consumenten en het voorkomen van problematischeschulden. Deze leden benadrukken dat nu maximale inspanning vereist isom verdere vertraging te voorkomen en te waarborgen dat de regelsuiterlijk op 20 november 2026 daadwerkelijk in werking treden.Hoewel deze leden constateren dat er inmiddels voortgang wordtgeboekt, stellen deze leden vast dat de regering eerder onvoldoendevoortvarend heeft gehandeld. Herhaalde oproepen van de leden van deCDA-fractie, zowel via schriftelijke vragen als tijdens debatten, om hetimplementatietraject te versnellen, hebben niet geleid tot het gewensteresultaat. Dit roept bij deze leden vragen op over de prioritering en sturingbinnen de regering.In de beantwoording van schriftelijke vragen uit oktober 2024 gaf deregering nog aan dat het wetsvoorstel in het najaar van 2025 naar deKamer zou worden gestuurd. Deze planning is echter niet gehaald. In deKamerbrief van 2 april 2026 wordt de vertraging verklaard door te wijzenop de omvang en complexiteit van de implementatie van de CCDII. Dezeverklaring voelt te algemeen voor de leden van de CDA-fractie. Deze ledenvragen of de regering concreet kan uiteenzetten wat de belangrijksteoorzaken zijn van de opgelopen vertraging in het implementatietraject.Ook vragen deze leden waarom het niet is gelukt om dit traject teversnellen ondanks de breed erkende noodzaak en het brede politiekedraagvlak voor het voorliggende wetsvoorstel.Deze vertraging leidt er tevens toe dat de parlementaire behandelingonder toenemende tijdsdruk komt te staan, zo merken de leden van deCDA-fractie op. Daarnaast betekent dit dat marktpartijen de implementatievan de richtlijn binnen een zeer korte termijn moeten realiseren. In datlicht vragen deze leden of het implementatierisico voldoende in beeld isgebracht. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten welkerisico’s het voorziet voor zowel de uitvoerbaarheid voor marktpartijen alsde handhaafbaarheid door toezichthouders bij een dergelijke verkorteimplementatieperiode. Ook willen deze leden weten in hoeverre deregering partijen die nu onder tijdsdruk moeten gaan handelen gaatondersteunen.De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de korte implementatie-termijn van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de richtlijn uiterlijk op20 november 2026 moet zijn geïmplementeerd. Tegelijkertijd constaterenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 63 deze leden dat de regering het wetsvoorstel pas laat bij de Kamer heeftingediend, waardoor de feitelijke voorbereidingstijd voor aanbieders,toezichthouders en uitvoerende partijen aanzienlijk korter wordt danoorspronkelijk door de Europese Commissie lijkt te zijn beoogd. Dezeleden vragen de regering hoe zij haar eigen handelen als wetgeverbeoordeelt in het licht van een zorgvuldige implementatie. Acht deregering het redelijk dat ondernemers, aanbieders en consumentenmogelijk de gevolgen dragen van een krap tijdpad dat mede door hettempo van de wetgever is ontstaan?De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de regering zietom een zorgvuldige overgang naar het nieuwe regime te faciliteren. Is deregering bereid om te voorzien in een overgangstermijn, transitieperiodeof tijdelijke terughoudendheid in de handhaving na de invoeringsdatum?Kan de regering daarbij ook ingaan op de mogelijkheid om het uitstel vanzes maanden dat geldt voor aanbieders van kaarten met uitgesteldedebitering breder van toepassing te verklaren op andere aanbieders dieaantoonbaar tijdig stappen zetten om aan de nieuwe regels te voldoen?2. Inhoud richtlijn De leden van de VVD-fractie lezen dat de memorie van toelichtingbeschrijft dat «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgesteldedebitering onder het toepassingsbereik van de wet worden gebrachtomdat zij vergelijkbare risico’s voor consumenten zouden kennen. Daarbijwordt gewezen op het risico van overkreditering en impulsief koopgedrag.Welke concrete empirische gegevens tonen aan dat kaarten met uitge-stelde debitering vergelijkbare risico’s opleveren als «koop nu, betaallater»-diensten, en waarom rechtvaardigt dit een gelijke intensiteit watbetreft regulering?De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering stelt dat regulering van«koop nu, betaal later»-diensten kan leiden tot hogere kosten en mogelijkeen beperkter aanbod, maar acht dit aanvaardbaar gelet op de versterkingvan consumentenbescherming. Daarbij wordt erkend dat kortlopendekredietvormen ook kunnen bijdragen aan budgetbeheer. Hoe weegt deregering het risico dat huishoudens met een smalle beurs door dezeregulering juist minder toegang krijgen tot tijdelijk betalingsgemak enwelke mitigerende maatregelen worden overwogen?De leden van de VVD-fractie constateren dat meerdere Europese lidstatengebruikmaken van de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debiteringuit te zonderen van de richtlijn. Nederland kiest ervoor deze producten welonder het toepassingsbereik te brengen. Kan de regering toelichtenwaarom voor deze strengere implementatie is gekozen? Welke gevolgenverwacht de regering hiervan voor de concurrentiepositie van Neder-landse aanbieders en de werking van de Europese interne markt? Hoeweegt de regering daarbij het feit mee dat producten met uitgesteldedebitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek kennen?Creditcards en andere producten met uitgestelde debitering kennenmaandelijkse volledige aflossing zonder rente en zeer lage wanbetalings-percentages en verschillen daarmee wezenlijk van «koop nu, betaallater»-diensten, zo constateren de leden van de VVD-fractie. Desondanksworden deze producten in de implementatie grotendeels gelijk behandeld.Acht de regering het proportioneel om producten met uitgesteldedebitering onder vrijwel hetzelfde regime te brengen als «koop nu, betaallater»-diensten en hoe wordt voorkomen dat goed functionerendebetaalmiddelen hierdoor minder toegankelijk worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 64 De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat vrijweliedere betaal- of serviceoptie die leidt tot hogere conversie of omzet voorondernemers in zekere zin een financieel voordeel oplevert. Hoe voorkomtde regering dat daarmee een te brede interpretatie van het begrip«financiële beloning» ontstaat?De leden van de VVD-fractie steunen het verbod op «koop nu, betaallater»-diensten voor minderjarigen en onderschrijven het belang vanleeftijdsverificatie. Deze leden vragen wel welke vormen van leeftijdsveri-ficatie volgens de regering als proportioneel en uitvoerbaar wordenbeschouwd. Hoe wordt voorkomen dat hierbij onnodig veel persoonsge-gevens worden verwerkt?De regering geeft aan dat aanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor hetkiezen van een passende methode van leeftijdsverificatie en dat geenspecifieke methode wettelijk wordt voorgeschreven. Tegelijkertijd wordteen delegatiegrondslag opgenomen om later nadere eisen te stellen.Daarom vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen datverschillen in leeftijdsverificatiemethoden leiden tot rechtsongelijkheid ofhandhavingsproblemen en op welk moment de regering het noodzakelijkacht om gebruik te maken van de delegatiegrondslag.Voor andere vormen van consumptief krediet blijft het mogelijk datminderjarigen, met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger ensoms de kantonrechter, krediet aangaan. De regering stelt dat hiervoorgeen aanleiding bestaat voor een totaalverbod. Hoe beoordeelt deregering het risico dat minderjarigen via deze route alsnog schuldenopbouwen en acht de regering het huidige civielrechtelijke beschermings-kader hiervoor voldoende robuust?De leden van de VVD-fractie lezen dat uitsluitend «onder toezicht staandeinstellingen» toegang mogen hebben tot databanken zoals het BKR. Hoevoorkomt de regering dat nieuwe kredietaanbieders of buitenlandsepartijen buiten effectief Nederlands toezicht toch toegang verkrijgen totdeze gevoelige consumentengegevens?De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn en het wetsvoorstel eenuitgebreidere kredietwaardigheidsbeoordeling voorschrijven, waarbij deproportionaliteit wordt gekoppeld aan aard, duur, waarde en risico’s vanhet krediet. Tegelijkertijd blijft sprake van een open norm. Hoe wordt in depraktijk geborgd dat kredietaanbieders de proportionaliteitstoets op eenuniforme en voorspelbare wijze toepassen zodat rechtszekerheid voorzowel aanbieders als consumenten ontstaat?De leden van de VVD-fractie lezen dat wordt erkend dat kredietwaardig-heidsbeoordelingen kunnen leiden tot extra administratieve lasten voorconsumenten, bijvoorbeeld door het aanleveren van financiële gegevens.Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit het doenvermogen niet wezenlijkaantast. Waarop baseert de regering de aanname dat het doenvermogenvan consumenten hierdoor niet significant wordt belast, met name bijlaagdrempelige en kortlopende kredietvormen?Hoewel het wetsvoorstel expliciet spreekt over een proportionelekredietwaardigheidsbeoordeling, signaleren marktpartijen dat in depraktijk alsnog wordt uitgegaan van het verplicht verzamelen en mogelijkverifiëren van inkomens- en uitgavengegevens bij alle transacties,ongeacht bedrag of risico. De leden van de VVD-fractie vragen hoe deregering borgt dat kredietverstrekkers daadwerkelijk ruimte krijgen om dekredietwaardigheidsbeoordeling proportioneel in te richten, en nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 65 verplicht worden tot een uniforme en zware toets bij laag-bedrag enlaag-risico kredieten?De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat perverse prikkels bijkredietverlening moeten worden voorkomen, maar vragen de regeringhoe wordt gewaarborgd dat nieuwe regels over beloningsbeleid nietleiden tot onnodige administratieve lasten of beperking van gezondecommerciële prikkels binnen de sector.De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het principe van maximumhar-monisatie voordelen oplevert voor de uniformering van de interne markt.Echter constateren deze leden ook dat onder andere België en Spanjeadditionele maatregelen nemen bovenop de CCDII. Deze leden vragen hoede regering deze ontwikkelingen duidt in het licht van het uitgangspuntvan maximumharmonisatie. Daarnaast vragen deze leden welke juridischeruimte de CCDII biedt om, bovenop de bestaande lidstaatopties, aanvul-lende nationale maatregelen te treffen. Deze leden vragen of de regeringdeze juridische ruimte inzichtelijk kan maken. Ten slotte vragen deze ledenop dit punt hoe beoordeeld wordt of afwijkingen binnen deproportionaliteits- en harmonisatiekaders van het Unierecht blijven, metname omdat de wet op onderdelen werkt met open normenkaderswaardoor interpretatieruimte ontstaat.De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de samenloopmet aanbieders uit andere Europese lidstaten die weliswaar onder deCCDII vallen, maar gebruikmaken van andere lidstaatopties, bijvoorbeelddoordat zij geen verbod op BNPL voor minderjarigen hanteren. Dezeleden maken zich zorgen dat strengere Nederlandse regelgeving op dezewijze in de praktijk kan worden omzeild doordat aanbieders vanuit eenandere lidstaat, met een vergunning uit dat land, alsnog actief dienstenaanbieden aan Nederlandse consumenten.Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe het bijvoorbeeldwerkt als een 16-jarige online een spijkerbroek door middel van BNPLkoopt via een aanbieder uit respectievelijk Duitsland, België of Frankrijk.Ook vragen deze leden wat de gang van zaken is als een Nederlandse16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel een spijkerbroek kooptmet BNPL. Deze leden vragen of dit valt onder het respectievelijkebuitenlandse regime of onder het Nederlandse regime.De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragsinzichten, zoalstoegelicht in de memorie van toelichting, ten grondslag liggen aan deaanscherping van de precontractuele informatie. Op welke wijze zijninzichten uit de gedragswetenschappen betrokken bij de vormgeving vandeze informatieverplichtingen.Daarnaast vragen deze leden welke onderdelen van het ESIC-formulier deregering aanmerkt als «noodzakelijke informatie» voor consumenten.Deze leden vragen of de regering dit concreet kan specificeren. Daarnaastvragen deze leden hoe deze informatieverplichting specifiek bijBNPL-aanbieders wordt geïmplementeerd. Deze leden vragen op welkewijze wordt gecontroleerd of BNPL-aanbieders daadwerkelijk voldoen aande informatie- en wachttijdvereisten en welke sancties er op niet-nalevingstaan.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de gedragsregels uitCCDII interpreteert met betrekking tot beloningsbeleid. Deze leden vragenwelke vormen van variabele beloning, commerciële targets of provisies deregering verenigbaar acht met de verplichting om in het belang van deconsument te handelen en overkreditering te voorkomen. Breed geldt datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 66 veel van de gedragsregels relatief open normen zijn zoals «eerlijkhandelen», «voldoende toelichting», «passend» en «rekening houden metbelangen van consumenten». Daardoor krijgen toezichthouders enbeleidsmakers aanzienlijke interpretatieruimte. Deze leden vragenwaarom de regering van mening is dat dit passend is bij de voorliggendewetgeving.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan debepalingen in CCDII inzake financiële educatie en financiële geletterdheid.Deze leden vragen of de regering aanvullende nationale initiatievennoodzakelijk acht om consumenten, en in het bijzonder jongeren, beterbewust te maken van de risico’s van consumentenkrediet enBNPL-diensten. Ook vragen deze leden of hierbij bestaande en succesvolleinitiatieven, zoals de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid enSchuldenlabNL, actief worden betrokken.Deze leden lezen daarnaast dat de kredietgever verplicht is om eenredelijke mate van respijt te geven voordat hij overgaat tot het innen vankrediet. Deze leden vragen hoe geborgd wordt dat de maatregelenbeschreven in artikel 7:70 BW ook worden nageleefd. Deze leden vragenwat het toezicht hierop is.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de zorg- en respijtver-plichtingen uit CCDII zich verhouden tot de bestaande verplichtingenonder de Wet kwaliteit incassodienstverlening. Deze leden vragen of ersprake is van overlap, aanvullende normering of een verschillendtoetsingskader. Deze leden vragen of de regering kan toelichten welketoezichthouder verantwoordelijk is voor handhaving indien zowelkredietverleningsnormen als incassonormen in het geding zijn.In het verleden is gebleken dat een BNPL-aanbieder feitelijk incassoactivi-teiten verrichtte zonder onder het daarvoor bedoelde toezichtregime tevallen. De leden van de CDA-fractie vragen welke lessen de regering heeftgetrokken uit deze casus. Deze leden vragen of naar aanleiding daarvanaanvullende maatregelen, verduidelijkingen of toezicht instrumentenontwikkeld zijn om herhaling te voorkomen.De leden van de CDA-fractie merken op dat bij BNPL-aanbieders incasso-en aanmaningskosten in korte tijd relatief hoog kunnen oplopen, metname door het wettelijke minimum van 40 euro. Bij kleinere bedragenleidt dit tot een hoge kostenratio. Deze leden wijzen erop dat bij reguliereleningen doorgaans wordt gewerkt met een systematiek van vertragings-rente, die proportioneel als percentage van de openstaande schuldoploopt. De leden vragen in hoeverre het gerechtvaardigd is om bij BNPLin plaats daarvan of hierboven vaste incassokosten in rekening tebrengen. Deze leden vragen of het mogelijk is om primair aan te sluitenbij een systematiek van vertragingsrente in plaats van vaste incassokos-tencomponenten.Daarnaast uiten deze leden de zorg dat het toestaan van incassokosteneen prikkel kan vormen voor aanbieders om krediet te verstrekken aanhoog-risicoklanten, omdat kosten bij wanbetaling kunnen wordendoorbelast. Deze leden vragen of de regering deze zorgen herkent enwelke maatregelen worden overwogen om dit te voorkomen.De leden van de CDA-fractie lezen dat er met het voorliggendewetsvoorstel mede wordt ingezet op vroegsignalering. Deze leden vragenof er een beeld is van hoeveel extra signalen hierdoor naar gemeentenzullen gaan en of er overleg met gemeenten heeft plaatsgevonden over deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 67 eventuele extra werkdruk die dit met zich mee gaat brengen en ofgemeenten dit ook aankunnen/waar kunnen maken.Deze leden vragen of de regering aanbieders van BNPL kan oproepen om,aanvullend op de wettelijke vereisten, een vrijwillig koopstopregister in testellen voor consumenten die zichzelf willen beschermen. Deze ledenvragen of de regering hierover in gesprek is met BNPL-aanbieders en watde actuele stand van zaken is.3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel De leden van D66-fractie steunen het verbod op het aanbieden van uitstelvan betaling aan minderjarigen. Deze leden lezen in de memorie vantoelichting dat aanbieders over adequate processen dienen te beschikkenom de leeftijd van de consument vast te stellen. Welke verificatieme-thoden volstaan als adequaat proces? Hoe wordt voorkomen, enomgegaan met, gevallen waarbij een minderjarige gebruik maakt van eenaccount op naam van een meerderjarige? Kan hier een bepaaldeaansprakelijkheid af worden gedwongen bij de aanbieder?De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 7:68a BW de verplichtingwordt opgenomen voor de kredietgever om consumenten in financiëlemoeilijkheden door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Deze ledenzijn benieuwd of hier verdere eisen aan worden gesteld, dan wel kunnenworden gesteld. Onder welke omstandigheden moet een kredietgeverovergaan tot verwijzing en aan welke eisen dient een dergelijke verwijzingte voldoen?De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe bij de implementatievan de herziene richtlijn consumentenkrediet rekening is gehouden metde samenhang met andere Europese richtlijnen op het terrein van deenergietransitie, waaronder de Energy Efficiency Directive (EED) en deEnergy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze leden wijzen eropdat in Europees verband expliciet wordt opgeroepen juridische obstakelsvoor energieprestatiecontracten weg te nemen teneinde investeringen inwoningverduurzaming mogelijk te maken.Deze leden constateren dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten enenergieprestatiecontracten in Nederland momenteel nauwelijks van degrond komen doordat de AFM dergelijke constructies interpreteert alspersoonsgebonden consumentenkrediet onder de Wet op het financieeltoezicht (Wft). Deze leden vragen of de regering onderschrijft dat hierdooronzekerheid ontstaat voor investeerders, aanbieders en woningeigenaren,waardoor innovatieve verduurzamingsconstructies worden belemmerd.De leden van de D66-fractie wijzen erop dat gebouwgebonden energie-prestatiecontracten zich juist onderscheiden van reguliere consumptievekredietvormen doordat kosten, verantwoordelijkheden en prestatiesgekoppeld zijn aan de woning in plaats van uitsluitend aan de persoonvan de eigenaar. Bij verkoop van de woning gaan de afspraken over op devolgende eigenaar, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een warmteaansluitingof verplichtingen binnen een VvE. Kan de regering reflecteren op dezevergelijking en uiteenzetten in hoeverre deze kenmerken volgens henaanleiding geven tot een andere juridische beoordeling dan regulierconsumentenkrediet?Deze leden vragen de regering voorts of is onderzocht of binnen deimplementatieruimte van Richtlijn (EU) 2023/2225 expliciet kan wordenverduidelijkt dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten, mits voldaanwordt aan vooraf vastgelegde voorwaarden rondom transparantie enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 68 consumentenbescherming, buiten de reikwijdte van de Wft en titel 2A vanBoek 7 van het BW kunnen vallen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht,verzoeken deze leden de regering om uiteen te zetten welke juridischebelemmeringen daarvoor bestaan.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de regering voorkomtdat de implementatie van de herziene richtlijn consumentenkredietonbedoeld leidt tot extra barrières voor verduurzaming van particulierewoningen. Deze leden wijzen erop dat gebouwgebonden verduurzamings-diensten juist kansen kunnen bieden voor huishoudens die onvoldoendemiddelen hebben om zelf grote investeringen in isolatie of warmte-pompen te financieren en daarmee tevens kunnen bijdragen aan hetverminderen van energiearmoede.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op dit punt of de regeringbereid is om gezamenlijk met de ministeries van Klimaat en Groene Groeien Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening nader te bezien of aanvul-lende wettelijke verduidelijking noodzakelijk is om gebouwgebondenfinanciering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te maken.De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van maatregelentegen overkreditering en problematische schulden. Deze leden consta-teren echter dat het wetsvoorstel verschillende kredietvormen onderhetzelfde regime brengt, terwijl de risico’s tussen producten aanzienlijkkunnen verschillen. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgddat onderscheid blijft bestaan tussen langlopende kredieten met eenhoger risicoprofiel en kortlopende betaalfaciliteiten met een beperktrisico? Op welke wijze wordt voorkomen dat de regelgeving disproporti-oneel uitwerkt voor kleine en alledaagse transacties?De leden van de VVD-fractie maken zich dan ook zorgen over de bredereikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat mogelijk ooktelecomdiensten, parkeerapps, mobiliteitsdiensten en andere vormen vandagelijks uitgesteld betalen geraakt kunnen worden door de nieuweregelgeving. Kan de regering verduidelijken welke diensten precies onderhet toepassingsbereik vallen? Hoe wordt voorkomen dat gebruikelijkemaandfacturatie of praktische betaaloplossingen onbedoeld onder zwarekredietregelgeving komen te vallen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstelnieuwe uitzonderingen toevoegt voor «koop nu, betaal later»-diensten.Een eerste uitzondering betreft MKB-ondernemingen die uit wordengezonderd van het toepassingsgebied van de Wft als de leverancier ofdienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betalingverleent. Deze leden vragen of de regering nader kan duiden welkeMKB-ondernemingen nu zelf uitstel van betaling verlenen, op welkeschaal dit gebeurt en of de regering op de hoogte is van misstandenbinnen deze praktijk. Kan deze uitzondering leiden tot een verschuivingvan «koop nu, betaal later»-diensten? Waarom wordt er niet gekozen voorhet harmoniseren door alle aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder de Wft te brengen?De leden van de PVV-fractie constateren dat de Afdeling advisering van deRaad van State opmerkt dat bij onderdelen zoals het verbod op kredietaan minderjarigen onvoldoende blijkt hoe deze zich verhouden tot deCCDII. Kan de regering per onderdeel dat niet direct voortvloeit uit derichtlijn – zoals het specifieke verbod op uitstel van betaling voorminderjarigen – expliciet motiveren waarom dit noodzakelijk wordtgeacht, terwijl de Raad van State vraagtekens zet bij de juridische basishiervan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 69 Naar aanleiding van het verslag van het gesprek dat de wetgevingsrappor-teurs hebben gevoerd met de AFM, merken de leden van de PVV-fractieop dat de regering heeft besloten betaalkaarten met uitgestelde debiteringniet buiten het toepassingsgebied van de richtlijn te plaatsen. Kan deregering toelichten waarom hier niet is gekozen voor de lidstaatoptie omdeze buiten de scope te laten, aangezien de AFM zelf aangeeft dat dezekredietvorm momenteel niet tot veel problemen leidt? Ziet de regering indat dit wederom een verzwaring van de regeldruk is die niet striktnoodzakelijk is vanuit de richtlijn?De leden van de CDA-fractie waarderen dat aanbieders worden verplichtom vroegtijdig betalingsproblemen bij consumenten te signaleren en datdit wordt verankerd in artikel 4:35b Wft. Tegelijkertijd vragen deze ledenhoe deze verplichting in de praktijk concreet wordt ingevuld dooraanbieders.Daarnaast vragen deze leden in hoeverre wordt voorkomen dat dezesignaleringsverplichting verwordt tot louter «afvinkgedrag» dooraanbieders. Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat signalering vanbetalingsproblemen niet slechts formeel wordt ingericht, maar daadwer-kelijk leidt tot tijdige interventie richting consumenten. Ook vragen zij opwelke wijze de toezichthouder toezicht houdt op de effectiviteit van dezeverplichting in plaats van uitsluitend op de procedurele naleving.De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de proportionaliteit vande gekozen reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat deherziene richtlijn beoogt consumenten beter te beschermen tegenproblematische schulden, maar vragen of de gekozen implementatievoldoende onderscheid maakt tussen wezenlijk verschillende vormen vankredietverlening. Doorlopende consumptief kredieten, creditcards, kaartenmet uitgestelde debitering, achteraf-betalingen bij een webshop en kortebetalingstermijnen bij een dienstverlener kennen niet hetzelfde risico-profiel. Kan de regering toelichten of en hoe bij de implementatie perkredietvorm en per maatregel is gewogen of de verplichting proportioneelis?Deze leden vragen in het bijzonder aandacht voor achteraf-betalingsconstructies bij derden. Kan de regering bevestigen of devoorgestelde reikwijdte ook situaties kan raken waarin geen sprake is vaneen klassiek kredietproduct, maar van een praktische betaaltermijn ofbetaalregeling, zoals bij parkeerapps, facturen voor onverzekerde zorg ofandere dienstverlening waarbij betaling achteraf plaatsvindt? Acht deregering het wenselijk dat dergelijke situaties onder hetzelfde regimekunnen vallen als commerciële kredietverlening? Zo nee, hoe wordt dit inde wet of lagere regelgeving uitgesloten?De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat Duitsland kennelijk eenpragmatische benadering hanteert waarbij betalingstermijnen korter dan14 dagen niet als krediet, maar als betaalregeling worden beschouwd. Isde regering bereid een vergelijkbare benadering te hanteren, zodatkortlopende betaaltermijnen met een beperkt risico niet onnodig ondereen zwaar regime komen te vallen terwijl dat in omringende landen niethoeft? Hoe weegt de regering dit in het licht van het gelijke speelveldbinnen de interne markt?Deze leden vragen of de regering voldoende onderscheid maakt tussenBNPL-producten enerzijds en creditcards en andere betaalproductenanderzijds. Kan de regering toelichten waarom producten metaantoonbaar verschillende risicoprofielen op onderdelen toch gelijkworden behandeld? Acht de regering het proportioneel dat betaalpro-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 610 ducten waarbij de consument doorgaans iedere maand volledig afrekentof waarbij reeds bestaande waarborgen gelden onder dezelfde verplich-tingen komen te vallen?De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de wijze waarop dekredietwaardigheidsbeoordeling in het wetsvoorstel wordt ingevuld. Dezeleden juichen toe dat in het wetsvoorstel een proportionaliteitsvereiste isopgenomen, maar vragen of de concrete uitwerking daar voldoende bijaansluit. Kan de regering toelichten hoe het proportionaliteitsvereiste inde praktijk moet worden toegepast bij verschillende kredietbedragen,looptijden en producttypen?Deze leden lezen dat kredietaanbieders inkomsten- en uitgavengegevensmoeten betrekken bij iedere kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze ledenvragen of dit betekent dat bij iedere transactie, ongeacht het bedrag of hetrisico, gegevens over inkomsten en uitgaven moeten worden verzameld.Acht de regering het proportioneel dat een consument voor een beperktebetaalfaciliteit of een kleine aankoop gevoelige financiële gegevens moetdelen, terwijl het risico voor consument en kredietgever beperkt kan zijn?De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is om meerruimte te bieden voor een risicogebaseerde invulling van de kredietwaar-digheidsbeoordeling zonder afbreuk te doen aan effectieve beschermingtegen overkreditering, met name bij kwetsbare consumenten en jongeren.Kan de regering ingaan op een model waarbij voor lage kredietbedrageneen klantverklaring kan volstaan, voor een middencategorie beperkteverificatie kan plaatsvinden, bijvoorbeeld met een recente loonstrook, enpas bij hogere bedragen of verhoogde risico’s een volledige beoordelingop basis van inkomsten- en uitgavengegevens noodzakelijk is? Is deregering bereid een dergelijke differentiatie in te passen?Deze leden vragen voorts of in kaart is gebracht wat het effect is opconsumenten die vanwege privacyzorgen afzien van een aankoop ofbetaalfaciliteit wanneer zij voor relatief beperkte transacties inkomens- enuitgavengegevens moeten delen. Is onderzocht of deze verplichtingenzullen leiden tot minder gebruik van gereguleerde betaalfaciliteiten ofuitwijk naar minder transparante alternatieven?De leden van de JA21-fractie vragen hoe volledig geautomatiseerdebesluitvorming binnen de kredietwaardigheidsbeoordeling wordtbeoordeeld. In hoeverre staat het wetsvoorstel toe dat kredietaanvragenvolledig geautomatiseerd worden goedgekeurd of afgewezen? Welkewaarborgen gelden voor consumenten bij een negatieve uitkomst enwanneer bestaat recht op menselijke tussenkomst, uitleg of herbeoor-deling?Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde kredietwaardigheidsbeoor-deling kan leiden tot meer verzameling en verwerking van gevoeligefinanciële gegevens. Gelet op de recente zorgen over datalekken vragendeze leden welke aanvullende waarborgen gelden voor de beveiliging vandeze gegevens. Hoe voorkomt de regering dat wetgeving die aanbiedersverplicht tot meer gegevensverzameling, tegelijkertijd het risico vergrootdat consumenten slachtoffer worden van datalekken of misbruik vanfinanciële persoonsgegevens?De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Nederlandse invulling van dekredietwaardigheidsbeoordeling zich verhoudt tot de implementatie inomringende landen. Kan de regering toelichten of Nederland op dit puntstrenger implementeert dan Duitsland en België? Is de regering bereid zoTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 611 veel mogelijk aansluiting te zoeken bij ons omringende landen, mede methet oog op het gelijke speelveld en het Nederlandse investeringsklimaat?De leden van de JA21-fractie lezen dat volledige harmonisatie hetuitgangspunt van de richtlijn is en dat lidstaten daar niet van mogenafwijken. In dat kader hebben deze leden een vraag over de uitleg enimplementatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Kan de regeringbevestigen dat artikel 18 van de richtlijn voorschrijft dat een kredietwaar-digheidsbeoordeling louter plaats mag vinden bij het sluiten van dekredietovereenkomst en bij een significante verhoging van het totalekredietbedrag? Zo ja, kan de regering dan verduidelijken of de voorlig-gende wet ruimte biedt om een periodieke herbeoordeling van doorlo-pende kredieten in lagere wetgeving te verankeren?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Wet stelsel kredietregis-tratie gelijktijdig met het voorliggende wetsvoorstel in voorbereiding is.Kan de regering toelichten wat de inhoud van dit voorstel zal zijn, inhoeverre dat wetsvoorstel samenhangt met voorliggend wetsvoorstel enwat de planning van indiening, behandeling en beoogde inwerkingtredingvan het wetsvoorstel is?Deze leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat veel van de detailsvan de wet zullen worden neergelegd in lagere regelgeving. Deze ledenvragen de regering een overzicht te verschaffen van de inhoud van lagereregelgeving en de planning hiervan.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de gekozenreikwijdte van het implementatiewetsvoorstel. Deze leden vragen deregering duidelijker uiteen te zetten wat de exacte reikwijdte van hetwetsvoorstel is. Deze leden vragen de regering om te bevestigen dat deimplementatiewet in de reikwijdte van het kredietbegrip geen explicietmaterieel onderscheid maakt tussen traditioneel consumptief kredietenerzijds en kortlopend renteloos betalingsuitstel anderzijds en dat ook bijrenteloos en kosteloos betalingsuitstel sprake kan zijn van consumenten-krediet wanneer een derde partij de betaling voorschiet, het uitstelfaciliteert of de vordering overneemt en dat het ontbreken van rente ofeen kredietvergoeding op zichzelf onvoldoende is om buiten de reikwijdtevan CCDII te blijven.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar deoverwegingen om kortlopende renteloze betalingsuitstellen binnen dereikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen. In hoeverre signaleert deregering betalingsproblemen bij dergelijke producten die aanleiding zijnom dergelijke producten onder de reikwijdte van de implementatiewet telaten vallen? Kan de regering uitleggen op grond van welke lidstaatoptiedergelijke producten (geheel of gedeeltelijk) buiten de reikwijdte van deimplementatie wet kan laten vallen?De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de afbakeningvan de implementatiewet. Deze leden zijn ervan overtuigd dat reguleringvan «koop nu, betaal later»-diensten zeer noodzakelijk is (inclusiefkredietwaardigheidstoetsing en registratie), omdat bekend is datdergelijke producten leiden tot schuldenproblematiek en schuldge-wenning. Deze leden hebben echter begrepen dat met de implementa-tiewet ook gekozen is om andere producten die gebruikmaken vanautomatische incassomachtiging of het voorschieten van bijvoorbeeldparkeerkosten door een derde partij aan de consument onder dereikwijdte van de implementatiewet vallen. Deze leden vragen in hoeverreer met de implementatie van de richtlijn onderscheid behouden en ofgemaakt is tussen kredietovereenkomsten die aan te merken zijn alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 612 «koop nu, betaal later»-diensten en producten die met een automatischeincassomachtiging worden betaald, zoals parkeerapps of ongecontrac-teerde zorg? In hoeverre geldt er voor deze partijen een vergunningsplichtop grond van artikel 2:60 van de Wft? Acht de regering dit proportioneelen doelmatig?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de regeringinzichtelijk heeft welke betaalvormen en sectoren met voorliggendwetsvoorstel onder de reikwijdte van de CCDII komen te vallen. Inhoeverre acht de regering het proportioneel en wenselijk wanneerproducten als parkeerapps, ongecontracteerde zorg of het automatischopladen van de OV-kaart onder de reikwijdte van het wetsvoorstel(inclusief kredietwaardigheidstoetsing en kredietregistratie) vallen? Wat isde omvang van het aantal dagelijkse betaalmomenten van dit soortproducten? Zijn aanbieders van deze producten geïnformeerd over demogelijke gevolgen van de CCDII voor hun producten? Zo ja, wat was hunreactie? Zo nee, is de regering dit voornemens te gaan doen?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om duidelijk temaken in hoeverre de gekozen reikwijdte, waarbij ook renteloze enkosteloze betalingsuitstellen onder de reikwijdte van de CCDII komen tevallen, overeenkomt met de gekozen reikwijdte van de door ons omlig-gende landen. In hoeverre kunnen Nederlandse consumenten en/ofNederlandse bedrijven de bepalingen uit de wet omzeilen door goederenaan te schaffen in andere lidstaten of hun bedrijfsactiviteiten teverplaatsen naar andere lidstaten?Artikel 2:81 van de Wft introduceert een verplichting voor aanbieders omeen kredietbemiddelaar aan te melden bij de AFM, zo constateren dezeleden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering eennadere duiding, dan wel een voorbeeld, te geven van situaties wanneerdeze verplichting van toepassing is.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kanuitleggen, bijvoorbeeld aan de hand van een voorbeeld, wat devoorwaarde uit de richtlijn betekent dat er ook sprake is van bemiddelenin krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar economischvoordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geenvergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichtingdat een tweetal uitzonderingen worden toegevoegd aan artikel 1:20,eerste lid, onderdeel e, van de Wft. Deze leden vragen of deze uitzonde-ringen de bedoelde bedrijven voldoende duidelijkheid biedt over of hundiensten voldoen aan de uitzondering? Is hierover overleg gepleegd methet midden- en kleinbedrijf? Kan de regering nader uiteenzetten voor watvoor soort diensten de uitzondering is bedoeld, dan wel kan de regeringhier voorbeelden bij geven?Deze leden vragen aanvullend ook hoe de situatie voor deze bedrijvenwas onder de oude richtlijn. Hoe verandert de situatie als gevolg van deimplementatiewet van de nieuwe richtlijn?De leden van de ChristenUnie-fractie achten het verstandig dat deregering een bepaling voorstelt om een verbod op om kredietovereen-komsten met een minderjarige consument aan te gaan. Deze leden vragende regering naar de huidige wettelijke situatie rond het aangaan van eenkredietovereenkomst met een minderjarige. Was dit in alle gevallenvolstrekt legaal of via andere bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek inbeginsel nietig?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 613 In de memorie van toelichting wordt door de leden van de ChristenUnie-fractie en uitgebreide uitleg van de vereisten en overwegingen over degemaakte keuzes rond kredietregistratie gemist. Deze leden vragen deregering om dit alsnog toe te lichten.Voorts vragen deze leden naar het verwachte effect van voorliggendwetsvoorstel. Deze leden verwachten een verschuiving van veel kortlo-pende kredietfaciliteiten (zoals «koop nu, betaal later») naar doorlopendekredietfaciliteiten. Is dit ook de verwachting van de regering? Kan deregering dit nader toelichten of onderbouwen?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te bevestigendat een consument onder de huidige leennormen meerdere kortlopendekredietfaciliteiten naast elkaar kan aanhouden en benutten zolang detoetslasten binnen de toepasselijke normen blijven? Is de aanname vandeze leden dan terecht dat voorliggend wetsvoorstel een stapeling vankredietruimte mogelijkerwijs maar beperkt voorkomt?De leden van de ChristenUnie-fractie achten het huidig systeem vankredietregistratie niet optimaal. Registratie van betaalfaciliteiten signaleertnamelijk daadwerkelijke betalingsproblemen niet eerder omdat negatievesignalen pas ontstaan nadat een consument al betalingsachterstandenheeft opgebouwd. Deze leden zien graag een reactie van de regering opdeze stellingname.De leden van de ChristenUnie-fractie zien, naast registratie van verschil-lende openstaande kredieten, een meerwaarde in een systeem dat actueleproblematische betalingsachterstanden signaleert op basis waarvankredietaanbieders zien of iemand een betalingsachterstand heeft («ja» of«nee») zodat zij kunnen beoordelen of zij een consument een kredietkunnen verstrekken. Hoe ziet de regering dit? Is de regering bereid om eendergelijk systeem vlot te trekken? Zo nee, waarom niet?De leden van de ChristenUnie-fractie zien het risico dat met de implemen-tatie van voorliggend wetsvoorstel wat zal leiden tot een enorme toenameaan kredietregistraties en A-coderingen, ook voor relatief lage vorde-ringen die een consument te laat heeft betaald. Wanneer een consumenteen bestelling bij een kledingwinkel ter waarde van 100 euro te laat heeftbetaald, staat de consument voor vijf jaar geregistreerd bij BKR. Dezeconsument zou dan vijf jaar lang geen hypotheek kunnen afsluiten. Deleden van de ChristenUnie-fractie zien dit als een onaanvaardbaardisproportioneel gevolg. Hoe ziet de regering dit? Acht de regering het,net als de leden van de ChristenUnie-fractie, noodzakelijk dat de huidigehandelingspraktijk van BKR wordt aangepast als gevolg van het voorlig-gende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat artikel 4:34 van deWft wordt aangevuld met een uitzondering op de verplichting van dekredietwaardigheidsbeoordeling. De leden van de ChristenUnie-fractieachten de frase op pagina 11 van de memorie van toelichting onduidelijk.Kan de regering deze tekst verhelderen?De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie vantoelichting een uiteenzetting van wat de nieuwe kredietwaardigheidsbe-oordeling inhoudt, wat de overwegingen zijn voor de keuzes die deregering heeft gemaakt en wat de gevolgen van de kredietwaardigheids-beoordelingen zijn voor zowel consumenten als bedrijven. Deze ledenvragen de regering om dit alsnog (uitgebreid) toe te lichten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 614 Met artikel 4:35b van de Wft worden aanbieders verplicht om betalings-problemen bij een consument vroegtijdig te signaleren. De leden van deChristenUnie-fractie vragen de regering nader toe te lichten waarheenaanbieders deze signalen moeten zenden en of de ontvangende partij(en)voorbereid zijn op mogelijke toestroom van dergelijke signalen.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een nieuwe definitiekomt van gebundelde verkoop en koppelverkoop. Kan de regeringduidelijk uiteenzetten wat er materieel gaat veranderen met de koppelver-koopbepaling ten opzichte van de huidige wetgeving? Wat was eerst weltoegestaan en straks niet meer?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre, danwel in welke vormen ongevraagde kredietverlening nu voorkomt, met hetoog op het expliciete verbod uit artikel 7:58a BW.Het voorliggende wetsvoorstel introduceert bredere reclameregels tenaanzien van kredietovereenkomsten met consumenten. De leden van deChristenUnie-fractie juichen dit toe. Echter wordt uit de memorie vantoelichting geenszins duidelijk wat deze bredere reclameregels behelzen.Kan de regering dit toelichten?De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over degewijzigde bepaling ten aanzien van geoorloofde debetstand. Wat is nu determijn waarbinnen het opgenomen bedrag moet worden terugbetaaldvoordat een procedure van incasso of invordering wordt gestart? Of wasdit in de huidige wetgeving niet geregeld? De wet introduceert eenverplichting om een «ruime» termijn te hanteren. Wat is volgens deregering «ruim»? Deze leden vragen de regering of de wetgever hier eenopen norm laat of dit wel nader invult?4. Mate van harmonisatie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of er naderin kan worden gegaan op de keuze om kaarten met uitgestelde debiteringonder het toepassingsbereik van de richtlijn te scharen. Wat zijn degevolgen voor de Nederlandse consument op dit punt? Is er bijvoorbeeldsprake van hogere kosten voor consumenten die dergelijke kaartenaanhouden? Waarom is er gekozen om juist op dit punt geen gebruik temaken van de uitzondering, daar waar voor MKB-aanbieders van «koopnu, betaal later»-diensten juist wel een uitzondering wordt gemaakt? Kande regering toelichten in hoeverre kaarten met uitgestelde betaling eensoortgelijke of andere werking hebben op consumentengedrag dan «koopnu, betaal later»-diensten zoals Klarna? Met name als het gaat om debeschikbaarheid onder jongeren?De leden van de PVV-fractie vragen waarom aan de AFM een nieuwe«productinterventiebevoegdheid» wordt toegekend die verder gaat danwat de CCDII minimaal vereist. In hoeverre leidt dit type bevoegdhedentot rechtsonzekerheid bij bedrijven en een verstikkend werkklimaat?De leden van de CDA-fractie lezen dat kaarten met uitgestelde betalingenonder het toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. Deze ledenvragen of dit betekent dat alle kaarten met een bepaalde vorm vanuitgestelde betaling hieronder komen te vallen of dat er uitzonderingenzijn.De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering gebruikmaakt van delidstaatoptie om de richtlijnbepalingen ten aanzien van standaardinfor-matie, reclame en precontractuele informatie niet van toepassing te latenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 615 zijn op bepaalde kredietovereenkomsten, zijnde kredietovereenkomstenvan minder dan 200 euro, zonder rente en korter lopend dan driemaanden. BNPL-diensten vallen de facto onder deze uitzonderingscate-gorie. Deze leden vragen of de regering inhoudelijk inzichtelijk kan maken,bij voorkeur in tabelvorm, welke informatieverplichtingen in deze situatiesnog wel van toepassing blijven en welke verplichtingen door het gebruikvan deze lidstaatoptie komen te vervallen.Deze leden vragen daarnaast of de regering kan verduidelijken of dezeinformatieverplichtingen op transactieniveau of op accountniveau gelden.Met andere woorden: wordt de betreffende informatie bij iedere afzonder-lijke transactie verstrekt of uitsluitend bij het aanmaken van een accountof het aangaan van een eerste kredietrelatie met de aanbieder.Daarnaast lezen deze leden dat de regering stelt dat het verstrekken vanprecontractuele informatie niet het belangrijkste element ter voorkomingvan overkreditering is. Deze leden ontvangen graag een toelichting op degrondslag van deze uitspraak, alsmede welke elementen volgens deregering wel als de belangrijkste worden beschouwd en welke maatre-gelen vervolgens specifiek op die belangrijkste elementen wordengenomen.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe deze uitzondering opde reclamevoorschriften zich verhoudt tot de breed aangenomen motievan het Lid Welzijn (Kamerstuk 24 515, nr. 810), waarin juist wordtopgeroepen om reclame voor BNPL-diensten te verbieden. Deze ledenvragen waarom er desondanks voor wordt gekozen om BNPL (deels) uit tezonderen van de reclamevoorschriften. Deze leden vragen hoe deregering deze keuze weegt in het licht van de duidelijke wens van deKamer om reclame voor deze diensten juist te beperken of te verbieden.Voorts vragen deze leden of de regering alsnog wil inzetten op een(verdergaand) verbod op reclame voor BNPL-diensten mogelijk is. Zo nee,waarom niet.De leden van de CDA-fractie lezen dat gebruik is gemaakt van delidstaatoptie om micro-, kleine en middelgrote bemiddelaars die alsnevenactiviteit bemiddelen in krediet, vrij te stellen van de vergunnings-of registratieplicht. Deze leden vragen allereerst wat de precieze definitieis van «micro, kleine en middelgrote bemiddelaars» in dit kader.Daarnaast constateren deze leden dat (web)winkels die BNPL-dienstenaanbieden via een derde partij op deze wijze buiten de registratieplichtkunnen vallen. Deze leden vragen wat de verwachte impact zou zijn indiendeze bemiddelaars wél onder een registratieplicht zouden vallen.De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dateen dergelijke verplichting leidt tot een afname van het aanbod vanBNPL-diensten in de winkelstraat. Ook vragen deze leden hoe de regeringdit effect weegt ten opzichte van het belang van consumentenbe-scherming en toezicht op deze vorm van kredietverlening.De leden van de CDA-fractie waarderen dat het instrumentarium van deAFM wordt uitgebreid met betrekking tot productinterventie. Tegelijkertijdlezen deze leden dat, alvorens direct ingrijpen mogelijk is, eerst hetoverige handhavingsinstrumentarium moet worden doorlopen. Dezeaanvullende waarborg lijkt op gespannen voet te staan met de benodigdesnelheid van optreden. Deze leden vragen hoe de regering borgt dat deAFM, indien nodig, tijdig en doelgericht kan ingrijpen. Daarnaast vragendeze leden of de regering bereid is om te bezien of het handhavingsinstru-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 616 mentarium zodanig kan worden ingericht dat de AFM in urgente situatiessneller kan handelen, zonder onnodige procedurele vertragingen.De leden van de JA21-fractie constateren dat CCDII-lidstaten ruimte biedtom bepaalde kredietvormen uit te zonderen of lichter te behandelen. Dezeleden vragen waarom Nederland niet kiest voor een ruimere benuttingvan die mogelijkheden, bijvoorbeeld voor creditcards of andere vormenvan kredietverlening waarbij het risico op problematische schuldenbeperkter of anders van aard is. Kan de regering toelichten waarom zij opdeze punten niet aansluit bij lidstaten die wel gebruikmaken van dergelijkeuitzonderingen? Ziet de regering het risico dat Nederland door eenstrengere implementatie afwijkt van andere lidstaten, met mogelijkegevolgen voor het vestigingsklimaat en de beschikbaarheid van betaalpro-ducten voor Nederlandse consumenten?Deze leden vragen of de regering heeft onderzocht welke onbedoeldeneveneffecten kunnen ontstaan als relatief laagrisico-betaalproductenonder een zwaarder regime worden gebracht. Bestaat het risico dataanbieders bepaalde producten staken, kosten doorberekenen aanconsumenten of de toegang tot betaalfaciliteiten beperken? Is in kaartgebracht of consumenten daardoor zullen uitwijken naar mindergereguleerde of minder transparante vormen van krediet?De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat het noodzakelijk is omhet onwenselijk onderscheid tussen wanneer een consument iets van eenplatform zelf koopt of via een aangesloten partij op te heffen. Deze ledenvragen de regering welke keuzes omliggende landen hier maken? Makendeze landen ook deze keuze? Kan de regering toelichten waarom hier doorde Richtlijn de mogelijkheid is geboden om hier onderscheid te kunnenmaken?De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de keuze om creditcardsonder het toepassingsbereik van de richtlijn te laten vallen. Welke keuzemaken de ons omringende landen? Kunnen Nederlandse consumentendan een creditcard krijgen via een andere lidstaat om de wettelijkevoorwaarden te kunnen omzeilen? Zo ja, wat zijn hiervan de mogelijkegevolgen en risico’s?De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen niet goed waarom kaartenmet uitgestelde debitering via een lidstaatoptie onder toepassingsbereikvan de Richtlijn kunnen worden gebracht. Deze leden achten het gezien deargumenten van de regering (onvoldoende en ongelijke consumentenbe-scherming en een ongelijk speelveld) onwenselijk wanneer hieroverbinnen de Unie verschillen ontstaan. Hoe ziet de regering dit?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de exacteinvulling van de wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering. Klopthet dat de wet (en/of lagere regelgeving) voorschrijft dat aanbieders vankaarten met uitgestelde debitering jaarlijks een controle moeten doen opkredietwaardigheid? In hoeverre acht de regering dit proportioneel geziende huidige beperkte omvang van consumenten die betalingsachter-standen oplopen via hun kaart met uitgestelde debitering?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er gebruik gemaakt wordtvan een lidstaatoptie om enkele precontractuele informatieverplichtingenniet van toepassing te verklaren op kaarten met uitgestelde debitering,«koop nu, betaal later»-diensten en kleine kredieten tot 200 euro. De ledenvan de ChristenUnie-fractie vragen de regering om deze keuze nader temotiveren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 617 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorbeelden teschetsen van micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die alsnevenactiviteit krediet aanbieden waarvoor de regering regelt dat zij eenuitzondering krijgen van de verplichting om een vergunning aan te vragenbij de AFM? Wat is de schaal van een middelgrote aanbieder? Wat is eennevenactiviteit? Hoe klein moet deze nevenactiviteit zijn om tot nevenacti-viteit te behoren?De uitwerking van de nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaatsin lagere regelgeving, zo lezen de leden van de ChristenUnie-fractie. Inwelke regelgeving wordt dit uitgewerkt? Wat voor soort zaken wordenneergelegd in de lagere regelgeving om de productinterventiebe-voegdheid nader in te vullen en waarom heeft de regering gekozen ditniet op wetsniveau te doen?5. Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationalerecht De leden van de D66-fractie begrijpen dat andere Europese landen ervoorkiezen om minder aanvullende maatregelen te treffen. Verwacht deregering dat dit negatieve effecten heeft voor de uitvoering van demaatregelen in Nederland?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat er eindelijk eenwettelijk verbod komt op uitstel van betalingen voor jongeren. Deze ledenvragen de regering hoe de regering effectief het verbod zal handhaven enhoe de sanctionering eruit ziet voor overtreders.De leden van de CDA-fractie stellen vast dat aanbieders op grond van derichtlijn verplicht zijn deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie(in Nederland het BKR). De nadere voorwaarden voor registratie in hetBKR worden echter geregeld in het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie,dat nog in behandeling moet worden genomen in het parlement. In datlicht vragen deze leden wat de voorgenomen inzet van de regering is tenaanzien van BKR-registraties in het kader van de implementatie van deCCDII. Deze leden vragen wanneer krediet precies wordt geregistreerd enof hierbij een minumumdrempelwaarde geldt en zo ja, welke. Daarnaastvragen deze leden hoe lang deze kredieten geregistreerd blijven. Ookvragen deze leden of bij deze registratie gekeken wordt naar het effect vanstapeling van verschillende kleine kredieten. Als laatste vragen deze ledenof elke vorm van krediet ongeacht de hoogte van het krediet wordtgetoetst.Naast mogelijke onduidelijkheid voor kredietnemers voorzien de ledenvan de CDA-fractie ook implementatieproblemen voor kredietverstrekkersindien deze parameters bij inwerkingtreding van de CCDII nog nietvolledig zijn uitgekristalliseerd. Deze leden vragen op welke wijze dezesamenloop tussen beide trajecten wordt gemitigeerd en hoe geborgdwordt dat dit niet leidt tot uitvoeringsproblemen of inconsistenties in depraktijk.De leden van de CDA-fractie staan achter een verbod op BNPL-dienstenaan minderjarigen. Alleen wanneer er sprake is van toestemming van dewettelijke vertegenwoordiger (ouders, voogd) is er een uitzondering. Dezeleden vragen echter op welke wijze wordt geborgd dat een dergelijketoestemmingsverklaring daadwerkelijk ondubbelzinnig, expliciet enverifieerbaar door de ouder zelf wordt afgegeven en niet kan wordenomzeild of gefingeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 618 Deze leden benadrukken dat een wettelijk verbod op BNPL voor minderja-rigen uiteindelijk staat of valt met effectieve handhaving en naleving in depraktijk. Hoewel verankering in de Wft en het BW hierbij een belangrijkebasis vormt, achten deze leden het van belang dat ook de platforms zelfeen actieve en controleerbare rol vervullen in de naleving. Deze ledenvragen op welke wijze hier concreet op ingezet wordt. Deze leden vragenook welke eisen gesteld worden aan de verificatie van ouderlijketoestemming en hoe gecontroleerd wordt dat aanbieders deze verplich-tingen niet slechts formeel, maar ook materieel naleven.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er nog recenter onderzoekbeschikbaar is over hoeveel transacties er zijn gedaan via rekeningen opnaam van een minderjarige aan BNPL-aanbieders dan het onderzoek uit2023 wat genoemd wordt in de memorie van toelichting? Is bekend of degedragscode materieel effect heeft gehad? Aanvullend vragen deze ledenof er ook cijfers beschikbaar zijn over het gebruik door minderjarigen van«koop nu, betaal later»-diensten via platforms die uitgestelde betalingaanbieden?De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat een overeenkomst diegesloten is met een minderjarige die niet voldoet aan artikel 7:75, vierdelid, van het BW vernietigbaar is. Deze leden vragen in hoeverre dezevernietigbaarheid ook geldt voor de andere wettelijke voorwaarden dieaan kredietovereenkomsten worden gesteld, bijvoorbeeld rond krediet-waardigheidsbeoordelingen?6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat de kredietwaardigheidstoets verderwordt uitgebreid. Deze leden begrijpen het belang van een zorgvuldigetoetsing, maar vragen tegelijkertijd aandacht voor proportionaliteit enprivacy. Kan de regering verduidelijken of bij iedere kleine transactieinkomens- en uitgavengegevens moeten worden verzameld? Hoeverhoudt dit zich tot het principe van dataminimalisatie en het beperkenvan administratieve lasten voor consumenten en ondernemers? Is deregering bereid om ruimte te bieden voor een risico-gebaseerde enproportionele benadering bij laag-risico kredieten?In diverse position papers wordt breed gewaarschuwd dat standaardexterne verificatie van financiële gegevens leidt tot grootschaligeverwerking van gevoelige persoonsgegevens, terwijl het merendeel vandeze kredieten probleemloos wordt terugbetaald. Dit raakt volgens deleden van de VVD-fractie aan het AVG-beginsel van dataminimalisatie.Hoe verhoudt de verplichte gegevensverzameling en -verificatie zich tothet beginsel van dataminimalisatie onder de AVG en is overwogen deAutoriteit Persoonsgegevens hierover expliciet te betrekken?De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel toestaat datbijzondere categorieën van persoonsgegevens tijdelijk worden verwerktom deze te «lakken» voordat zij worden gebruikt voor de kredietwaardig-heidsbeoordeling. Dit wordt gerechtvaardigd vanuit een zwaarwegendalgemeen belang. Hoe wordt voorkomen dat deze tijdelijke verwerking inde praktijk leidt tot ruimere gegevensverzameling dan strikt noodzakelijken hoe wordt hier effectief toezicht op gehouden?De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde gegevensverza-meling zich verhoudt tot het beginsel van gegevensminimalisatie onderde AVG. Kan de regering toelichten welke gegevens minimaal noodza-kelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en welke gegevensaanbieders juist niet zouden moeten opvragen? Hoe wordt voorkomen datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 619 aanbieders uit toezichtsvrees meer persoonsgegevens verzamelen dannoodzakelijk?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatiebekend is over het aantal transacties en de omvang daarvan van de 10aanbieders van krediet in de subcategorie «koop nu, betaal later»-diensten? Voorts vragen deze leden of het doel van deze implementa-tiewet is om de omvang hiervan terug te dringen?De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat aanbieders die bekend staanom hun «koop nu, betaal later»-diensten andere wegen zoeken om hunproducten aan de man te brengen, waaronder kaarten met uitgesteldedebitering (ofwel creditcards). Deze leden vragen de regering uiteen tezetten in hoeverre de kosten en de wettelijke vereisten overeenkomen danwel verschillen voor het te laat betalen van het tegoed op de creditcardten opzichte van de kosten voor het te laat betalen van de «koop nu,betaal later»-vordering?De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat consumenten gebruikmaken van het leasen van witgoed. Deze leden achten dat onverstandigen onwenselijk. Hoe beschouwt de regering dit? Wat is de verwachtingvan de regering over het gebruik van deze huur- en leasingsovereen-komsten nu zij onder toepassingsgebied van de richtlijn worden gebracht?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat huur- ofleasingsovereenkomsten zonder optie tot koop al onder toepassingsbereikvan de richtlijn waren gebracht? Deze leden vragen aanvullend wat deredenering is achter het onderscheid tussen een optie met of zonderkoop?Wat zijn de huidige wettelijke vereisten aan aanbieders van autolease enop welke belangrijke punten gaat de wetgeving voor hen veranderen?Nieuwe en bestaande aanbieders van krediet worden met de implementa-tiewet verplicht een mate van respijt aan te houden alvorens eentenuitvoerleggingsprocedure te beginnen. De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd wat de huidige wettelijke bepalingen hieromtrentzijn? Zijn bestaande aanbieders nu in het geheel niet wettelijk verplichteen mate van respijt aan te houden? Welke eisen worden gesteld aan deze«mate van respijt»?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of aanbieders voor elketransactie die via «koop nu, betaal later»-diensten worden gedaan eentoets moet doen bij BKR en het krediet moet registreren bij BKR?Deze leden missen in de memorie van toelichting een naderebeschouwing op de rol van BKR in het licht van dit wetsvoorstel. Zeverzoeken de regering de rol van het BKR nader toe te lichten. Wat is detotale verwachte toename van het gebruik van BKR? In hoeverre is BKRhierop voorbereid en in staat om aan de verwachte vraagtoename tekunnen voldoen?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt datonder de huidige Wft conform artikel 4:32, eerste lid, en artikel 11, vierdlid, van de BGfo kredietaanbieders enkel verplicht zijn deel te nemen aaneen stelsel van kredietregistratie? Klopt het dat de wet Stichting BKR nietbij naam aanwijst, noch een wettelijke taak toekent? Deze leden vragen deregering om een nadere beschouwing van de taak en rol van StichtingBKR in het licht van voorliggend wetsvoorstel. Klopt het tevens dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 620 Hoge Raad in 2021 expliciet heeft geoordeeld dat registratie door BKRberust op zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijkeplicht?7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat voor mkb-ondernemingenverschillende uitzonderingen en lichtere regimes worden gehanteerd, metname bij bemiddeling in krediet als nevenactiviteit. Tegelijkertijd wordengrote online aanbieders strenger gereguleerd. Hoe wordt voorkomen datde grens tussen mkb en grootbedrijf leidt tot strategisch gedrag ofontwijkconstructies?Deze leden lezen voorts dat de AFM met het voorliggende wetsvoorsteleen nieuwe productinterventiebevoegdheid krijgt om kredietproducten ofmarktpraktijken te verbieden of te beperken. De regering benadrukt datdeze bevoegdheid terughoudend zal worden ingezet. Welke concretewaarborgen bestaan er om te voorkomen dat deze bevoegdheid leidt totrechtsonzekerheid of een rem op innovatie?De AFM heeft aangegeven dat de verwachte toezichtpopulatie aanzienlijkgroter is dan waarmee in het kostenkader rekening is gehouden, zoconstateren de leden van de VVD-fractie. Dit kan gevolgen hebben voor deuitvoerbaarheid van het toezicht. Hoe borgt de regering dat de AFM overvoldoende capaciteit beschikt zonder dat dit leidt tot onevenredigekostenstijgingen voor marktpartijen?De leden van de VVD-fractie lezen dat kredietgevers consumenten metfinanciële moeilijkheden vroegtijdig moeten opsporen en ondersteunen,maar dat hiervoor geen aanvullende wettelijke grondslag voor verwerkingvan persoonsgegevens noodzakelijk wordt geacht. Kan de regering nadertoelichten op welke bestaande wettelijke grondslag kredietgevers dezepersoonsgegevens verwerken?De leden van de PVV-fractie wijzen op de nalevingskosten voor nieuweaanbieders, die volgens de regering kunnen oplopen tot 368.986 euro peraanbieder. Is de regering niet bang dat door deze enorme kostenstijginghet aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verschralen ofonbetaalbaar wordt voor de gewone burger?Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de nieuwe processen voorkredietwaardigheidsbeoordeling – inclusief de complexe regels rondomhet lakken van persoonsgegevens – leiden tot extra kosten die uiteindelijkdoor de consument betaald moeten worden.8. Uitvoering De leden van de VVD-fractie begrijpen het belang van kredietregistratie tervoorkoming van overkreditering. Tegelijkertijd constateren deze leden datde uitbreiding van verplichte BKR-raadplegingen naar grote aantallenkleine transacties aanzienlijke gevolgen kan hebben voor betaalprocessenen systemen. Kan de regering aangeven of het BKR technisch enoperationeel volledig gereed is voor real-time raadplegingen op groteschaal? Welke risico’s ziet de regering voor vertragingen of verstoringenin betaalprocessen? Acht de regering een gefaseerde invoering ofovergangsperiode wenselijk om uitvoeringsproblemen te voorkomen?De leden van de PVV-fractie benadrukken dat iedere burger die hande-lingsbekwaam is (18 jaar en ouder) zelfstandig over zijn financiën moetkunnen beschikken. Kan de regering garanderen dat de voorgesteldeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 621 verplichtingen voor leeftijdsverificatie de toegang tot kredietmogelijk-heden, zoals «koop nu, betaal later» oftwel BNPL, voor volwassen burgersop geen enkele wijze zal belemmeren of vertragen?Met betrekking tot de rol van retailers (niet-MKB) die bemiddelen inBNPL-diensten, heeft de AFM aangegeven dat de verantwoordelijkheidvoor het toezicht in eerste instantie bij de BNPL-aanbieders moet komente liggen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe de regering in de lagereregelgeving gaat waarborgen dat retailers niet worden opgezadeld metdisproportionele administratieve lasten of directe toezichtverplichtingenvan de AFM?De leden van de JA21-fractie vragen of de AFM in staat is om binnen ditkorte tijdsbestek alle noodzakelijke vergunningsaanvragen zorgvuldig tebehandelen. Hoeveel nieuwe of gewijzigde vergunningsaanvragenverwacht de regering als gevolg van dit wetsvoorstel, hoeveel capaciteit isdaarvoor beschikbaar bij de AFM en wat gebeurt er met aanbieders dietijdig een aanvraag indienen maar op de invoeringsdatum nog geenbesluit hebben ontvangen?Deze leden vragen voorts of de systemen voor kredietregistratie tijdiggereed zijn voor de verwachte toename van realtime raadplegingen. Isonderzocht of de systemen van BKR de extra belasting vanaf 20 november2026 aankan? Is hiervoor een stresstest uitgevoerd, en zo ja, wat warendaarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn sancties niet harmoni-seert, maar wel voorschrijft dat sancties doeltreffend, evenredig enafschrikkend moeten zijn. De richtlijn geeft aan dat geldboetes verplichtworden ingevoerd. Hoe wordt gewaarborgd dat sancties proportioneelblijven, met name voor kleinere aanbieders en bemiddelaars?Deze leden lezen dat de regering kiest voor een combinatie van civielrech-telijke en bestuursrechtelijke handhaving, waarbij de AFM ook via de Wethandhaving consumentenbescherming kan optreden. Leidt deze dubbelehandhavingsstructuur niet tot overlap of onduidelijkheid voor marktpar-tijen en hoe wordt dit in de praktijk voorkomen?De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de proportionaliteit bijhet verifiëren van informatie. De AFM geeft aan dat de richtlijn bepaalt datingewonnen informatie ook gecheckt moet worden, wat spanningoplevert met dataminimalisatie. Kan de regering bevestigen dat in delagere regelgeving wordt vastgelegd dat de proportionaliteitstoets alleengeldt voor het inwinnen van informatie en niet voor het verplichtverifiëren van álle opgevraagde informatie, om zo onnodige bureaucreatieen privacyinbreuken te voorkomen?De leden van de CDA-fractie vragen of het uitgangspunt dat de krediet-waardigheidstoets proportioneel moet zijn aan aard, duur, omvang enrisico van het krediet ook geldt voor de mate waarin door consumentenopgegeven financiële gegevens moeten worden geverifieerd metonafhankelijk controleerbare documenten. Deze leden vragen of verificatievan gegevens meer risicogestuurd kan plaatsvinden, bijvoorbeeld opbasis van signalen van betalingsachterstanden, waarbij een balans wordtgezocht tussen verantwoorde kredietverstrekking, dataminimalisatie enbeperking van administratieve lasten. Deze leden vragen of de AFMhiermee rekening dient te houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 622 Ook vragen deze leden of de huidige vrijstelling voor bemiddeling ingoederenkrediet als nevenactiviteit gehandhaafd wordt, ook voorondernemingen die kwalificeren als grootbedrijf. Zo nee, waarom niet.Deze leden vragen ook of deze ondernemingen dan ook in aanmerkingvoor het verlichte registratieregime van artikel 2:81, vierde lid,van de Wftkomen.10. Evaluatie De leden van de CDA-fractie constateren dat in de evaluatieparagraafgeen expliciete aandacht wordt besteed aan de effecten van consumen-tenkrediet, en in het bijzonder BNPL-diensten, op het ontstaan vanproblematische schulden bij kwetsbare groepen.Deze leden vragen of de regering bereid is om deze effecten van consu-mentenkrediet en BNPL expliciet en structureel mee te nemen in demonitoring en evaluatie van de wet. Deze leden vragen of de regering kantoezeggen dat hierbij wordt gewerkt met concrete en toetsbare indica-toren, zoals het aantal gebruikers met betalingsachterstanden, het aandeeljongeren en andere kwetsbare groepen met consumentenkrediet en BNPLgerelateerde schulden, het aantal doorverwijzingen naar schuldhulpver-lening en het aandeel incassotrajecten dat voortvloeit uit consumenten-krediet.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast onder welke omstandig-heden de regering voornemens is gebruik te maken van de delegatie-grondslag in het geval dat blijkt dat de huidige eisen ten aanzien vanleeftijdsverificatie onvoldoende effectief zijn. Deze leden vragen welkeconcrete en bindende voorschriften de regering op basis van dezedelegatiegrondslag kan vaststellen. Deze leden vragen of de regeringdaarbij kan specificeren aan welk typen maatregelen wordt gedacht,bijvoorbeeld ten aanzien van verificatiemethoden of technischestandaarden.Voorts vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om dergelijkevoorschriften reeds in de wet zelf op te nemen, in plaats van te wachtenop mogelijke nadere regelgeving. Deze leden vragen welke afweging deregering hierbij heeft gemaakt en of de regering het risico aanvaardbaaracht dat in de tussentijd onvoldoende effectieve leeftijdsverificatieplaatsvindt.11. Advies en consultatie De leden van de PVV-fractie constateren dat de AFM nauw betrokken is bijhet opstellen van de concepten voor de relevante lagere regelgeving. Kande regering toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over devoortgang van deze lagere regelgeving, aangezien de AFM aangeeft datdeze cruciaal is voor de inrichting van het toezicht en IT-aanpassingen bijaanbieders?Er lopen initiatieven voor woningeigenaren die de energieprestatie vanhun woning willen verbeteren. Woningeigenaren met een slechtenergielabel kunnen met gebouwgebonden financiering en ontzorging inde vorm van een gebouwgebonden energieprestatiecontract hun labelverbeteren. Belanghebbenden geven aan dat door deze contractvormvanwege de interpretatie van de Wft door de AFM e.e.a. nog niet van degrond komt. De AFM ziet deze innovatieve contractvormen als eenpersoonsgebonden krediet binnen de reikwijdte van de Wft en herkentniet dat dergelijke gebouwgebonden contractvormen andere eigen-schappen en zekerheden hebben. De initiatiefnemers geven aan dat alleenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 623 een verduidelijking van de Wft de huidige belemmeringen kan wegnemenen de zekerheid kan bieden die nodig is. De leden van de CDA-fractievragen of de regering deze discussie herkent en hoe de regering dezeweegt in het kader van het doel van het voorliggende wetsvoorstel.12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens De leden van de D66-fractie lezen dat de kredietwaardigheidsbeoordelingevenredig moet zijn naar aard, duur, waarde en risico’s van het krediet endat verdere invulling door middel van een gedragscode wordt bevorderd.Kan de regering de huidige stand van zaken en planning van dezegedragscode schetsen?De Autoriteit Persoonsgegevens heeft gewezen op de ingrijpende risico’svan het gebruik van volledige rekeningafschriften en heeft alternatievengesuggereerd, zoals gestandaardiseerde rapportages. De regering geeftaan dat deze alternatieven technisch nog niet haalbaar zijn. Welke stappenzet de regering om dergelijke privacyvriendelijkere alternatieven alsnog teontwikkelen en op termijn verplicht te stellen, zo vragen de leden van deVVD-fractie.13. Overgangsrecht en inwerkingtreding De leden van de D66-fractie lezen dat de deadline voor implementatie20 november 2026 is. Wat is er ondertussen gedaan, en wordt er gedaan,om BNPL-aanbieders ondertussen aan te sporen om consumenten tebeschermen in lijn met de CCDII? Is de Gedragscode BNPL daarvoorvoldoende?Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een overgangstermijn vanzes maanden gehanteerd vanwege de impact op bestaande bedrijfsmo-dellen en de benodigde aanpassingen. Tegelijkertijd geldt voor anderenieuw gereguleerde kredietvormen deze overgangstermijn niet consta-teren de leden van de VVD-fractie. Waarom is uitsluitend voor kaarten metuitgestelde debitering een overgangstermijn opgenomen en acht deregering deze termijn voldoende om ingrijpende aanpassingen insystemen en processen te realiseren?De leden van de VVD-fractie constateren dat nadere regelgeving nog nietvolledig is uitgewerkt, terwijl de implementatiedeadline snel nadert.Ondernemers moeten systemen, processen en klantreizen aanpassen entesten. Kan de regering toelichten hoe zij de uitvoerbaarheid binnen debeschikbare termijn beoordeelt? Is de regering bereid te kijken naar eengefaseerde invoering, overgangsperiode of terughoudendheid in dehandhaving om onnodige uitvoeringsproblemen te voorkomen?De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de invoeringsdatumsamenvalt met de aanloop naar de feestdagen en daarmee met eenpiekperiode voor online retail en digitaal betalingsverkeer. Welke risico’sziet de regering op verstoringen in het online betalingsverkeer als gevolgvan een abrupte invoering? Is in kaart gebracht welke gevolgen dit kanhebben voor consumenten, webwinkels en betaaldienstverleners indiensystemen, vergunningverlening of kredietwaardigheidsprocessen op datmoment nog niet volledig zijn ingericht?Deze leden vragen tevens hoe aanbieders zich tijdig kunnen voorbereidenzolang onderdelen van het regime nog nader moeten worden uitgewerktbij algemene maatregel van bestuur. Kan de regering garanderen dat allelagere regelgeving, soft law via de toezichthouder en technische uitvoe-ringsvereisten ruim voor de invoeringsdatum beschikbaar zijn? Zo nee,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 624 acht de regering het dan verantwoord om aanbieders wel volledig aan denieuwe verplichtingen te houden vanaf 20 november 2026?De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie vantoelichting een erkenning van het feit dat veel cruciale informatie voorzowel toezichthouder als aanbieders om te kunnen voldoen aan de wetwordt neergelegd in lagere regelgeving. Deze lagere regelgeving is op ditmoment grotendeels nog onbekend. Deze leden vragen de regering omeen reflectie hieromtrent. Wanneer verwacht de regering de lagereregelgeving te kunnen vaststellen? Is er dan voldoende tijd over voorimplementatie in processen en systemen? Hoe denkt de regering degevolgen van te late vaststelling van lagere regelgeving en onvoldoendetijd voor adequate implementatie te kunnen mitigeren? Tot slot vragen deleden van de ChristenUnie-fractie hoe de Kamer nog democratischinvloed kan uitoefenen op de inhoud van de lagere regelgeving.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Kan de regering middels een tabel uiteenzetten welke aanvullendeverplichtingen wel en niet van toepassing zijn op het aan de Nederlandseconsument aanbieden van «koop nu, betaal later»-diensten door zowel ineen andere lidstaat gevestigde aanbieders als buiten de Europese Uniegevestigde aanbieders? Zijn er juridische voordelen voor aanbieders van«koop nu, betaal later»-diensten om zich te vestigen in een lidstaat metminder regels en van daaruit Nederlandse consumenten te bedienen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 924, nr. 625

Versie 7a1d6875056f358a21acc1c624891edcd273b3d9176ccb577aa2a8893116632e · Officiële bron.

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.