KamerkringInloggen
Kamerbrief

Hoofdlijnen van de uitvoeringswetgeving correctief referendum

20 okt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie d9920ff7dc3fea30 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026Nr. 12 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 oktober 2025Tijdens de voortzetting van de behandeling van het voorstel van wet vanhet lid Van Nispen houdende verandering in de Grondwet, strekkende totopneming van bepalingen inzake het correctief referendum (Kamer-stukken 36 468) op 16 januari 2025, gaf mijn ambtsvoorganger aan bereidte zijn een brief te sturen aan uw Kamer met daarin de hoofdlijnen van denog op te stellen uitvoeringswetgeving. Met deze brief informeer ik u,namens het kabinet, over de stand van zaken van de uitvoeringswet-geving en de keuzes die het kabinet hiervoor heeft gemaakt.De uitvoeringswetgeving zal handen en voeten geven aan het in de EersteKamer aanhangige grondwetsvoorstel; hierin worden onder meer deprocedurele voorwaarden om het houden van het referendum af tekunnen dwingen vastgelegd en de voorwaarden waaronder een bindendereferendumuitslag tot stand komt. Conform het grondwetsvoorstel moetdit bij (uitvoerings)wet(geving) worden geregeld. In deze hoofdlijnenbriefwordt ingegaan op acht thema’s die verband houden met de nog op testellen uitvoeringswetgeving. Deze thema’s zijn geselecteerd omdat zijvan wezenlijk belang zijn voor de uiteindelijke werking van het referendu-minstrument (bijvoorbeeld de hoogte van de drempels in de voorfase ende uitkomstdrempel), door politieke partijen nadrukkelijk naar voren zijngebracht tijdens eerdere debatten in de beide Kamers over het grondwets-voorstel (bijvoorbeeld de aanpak van desinformatie en hoeveel uitvoe-ringswetten zullen worden opgesteld) of omdat zij onderwerp van gesprekzijn geweest tussen mijn ministerie en koepelorganisaties, ketenpartnersuit het verkiezingsproces en internationale partners.Vanwege nog te voeren gesprekken, verkenningen en onderzoeken is indeze hoofdlijnenbrief nog niet over alle genoemde thema’s een definitieveen volmaakte keuze gemaakt. Waar dit het geval is, wordt in deze brief een kst-36800-VII-12ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 121 stand van zaken over het desbetreffende thema geschetst. De volgendethema’s komen aan de orde in deze brief:I.Eén wetsvoorstel voor de uitvoeringswetgeving. Het kabinet zalalle vereiste uitvoeringswetgeving in één wetsvoorstel opnemen.Dit betekent dat te zijner tijd één wetsvoorstel over alle uitvoe-ringsaspecten bij de Kamer zal worden ingediend.II.Drempels in de voorfase. Het kabinet gaat in de uitvoeringswet-geving uit van een drempel van 5.000 ondersteuningsverklarin-gen voor een inleidend verzoek en 400.000 ondersteuningsverkla-ringen voor een definitief verzoek voor een correctief referendum.III.Hoogte van de uitkomstdrempel (nationaal en decentraal). Hetkabinet kiest er voor om aan te sluiten bij het advies van deStaatscommissie parlementair stelsel, dat wil zeggen dat wordtvoorgesteld een uitkomstdrempel van 33 1/3% van de stemge-rechtigden te hanteren voor het nationale referendum. Over dehoogte van de uitkomstdrempel voor het decentraal referendumwordt nog nader overlegd door en met de koepelorganisaties.Daarover neemt het kabinet op een later moment een besluit.IV.Referendumcommissie. Na geïnventariseerd te hebben welketaken het kabinet in de uitvoeringswet wil opnemen en bezien tehebben bij welke orgaan elk van deze taken belegd kan worden,heeft het kabinet geconstateerd dat er niet opnieuw eenreferendumcommissie hoeft te worden ingesteld.V.Informatievoorziening en aanpak van desinformatie. Ook bij eenreferendum is er de gebruikelijke campagne van de overheidwaarbij stemgerechtigden worden geïnformeerd over praktischezaken zoals over de dag waarop de stemming plaatsvindt.Daarnaast benadrukt het kabinet het belang van neutrale entoegankelijke informatievoorziening over het onderwerp van eenreferendum, waarbij stemgerechtigden onder meer een beknoptesamenvatting van het wetsvoorstel ontvangen samen met destempas. Hoewel de overheid geen standpunten zal presenteren,wordt een betrouwbare basisinformatie gegarandeerd om hetpublieke debat te versterken en desinformatie tegen te gaan. Terbescherming van het referendumproces tegen ongewenstebeïnvloeding sluit het kabinet aan bij het bestaande desinforma-tiebeleid voor verkiezingen en werkt het aan een integrale,offensieve aanpak.VI.Frequentie referenda en combinatie met andere verkiezingen.Vanwege het uitvoerbaar houden van het verkiezingsproceswordt het advies van de ketenpartners uit het verkiezingsprocesdoor het kabinet overgenomen. Dat wil zeggen dat het in deuitvoeringswetgeving mogelijk wordt gemaakt om stemmingente combineren, waarbij twee uitzonderingen gelden:a.Een nationaal referendum valt niet samen met provincialestaten- en waterschapsverkiezingen.b.Er kunnen ten hoogste vier referenda gelijktijdig plaatsvin-den.VII.Kosten van het referendum. Tijdens de behandeling van hetgrondwetsvoorstel zijn vooralsnog geen concrete voorstellengedaan voor de dekking van de organisatiekosten. De te zijner tijdop te stellen uitvoeringswetgeving zal pas in werking kunnentreden als voorzien is in een adequate financiële dekking.VIII.Evaluatie. Het kabinet is bereid een evaluatiebepaling op tenemen in de uitvoeringswet als de wens daartoe in uw Kamerbreed leeft. Daarbij tekent het kabinet wel aan dat de reikwijdtevan een dergelijke evaluatie vermoedelijk beperkt zal blijven totdie onderdelen van de wet die zich onafhankelijk van eenreferendum laten evalueren. Hierbij kan gedacht worden aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 122 procedures voorafgaand aan een stemming (waaronder dedrempels in de voorfase, de kosten voor gemeenten, enz.).I. Eén wetsvoorstel voor de uitvoeringswetgeving Tijdens de behandeling van het grondwetsvoorstel in de Tweede Kamer isop meerdere momenten aan mijn ambtsvoorganger gevraagd hoeveelwetsvoorstellen voor de uitvoeringswetgeving uw Kamer precies van hetkabinet mag verwachten. Enkele onderdelen van de uitvoeringswetgevingbehoeven op grond van de artikelen 89a en 89d van het grondwets-voorstel namelijk een tweederdemeerderheid (namelijk de hoogte van dedrempels in de voorfase en de uitkomstdrempel). Voor de rest van deuitvoeringswetgeving geldt dit vereiste niet. Artikel 89f bepaalt namelijkdat alles wat verder het referendum betreft bij de wet wordt geregeld.Voor die wetgeving geldt de hoofdregel van artikel 67, tweede lid, van deGrondwet dat besluiten bij (gewone) meerderheid van stemmen wordengenomen. Op basis hiervan zijn er voor wat betreft de uitvoeringswet-geving in de praktijk twee opties mogelijk.De eerste optie is dat alle bepalingen betreffende de uitvoeringswetgevingin één wetsvoorstel worden opgenomen. Dit wetsvoorstel moet dan meteen tweederdemeerderheid worden aangenomen. Voor de behandelingen ook wetstechnisch heeft deze optie voordelen, maar dit betekent ookdat voor de totstandkoming van die onderdelen van de uitvoeringswet-geving die op grond van het grondwetsvoorstel geen tweederdemeer-derheid behoeven, eveneens de eis gaat gelden van een tweederdemeer-derheid. Overigens leidt dat er niet toe dat wijzigingsvoorstellen op eenlater tijdstip eveneens altijd met tweederdemeerderheid moeten wordenaangenomen. In dat geval kan onderscheid worden gemaakt of het eenwijziging betreft van een tweederdedeel of een «gewoon» onderdeel.De tweede optie is dat de uitvoeringswetgeving in twee wetsvoorstellenwordt opgeknipt. Het deel dat een tweederdemeerderheid behoeft en het«gewone» deel. De moeilijkheid met deze optie is dat veel van deonderdelen uit de uitvoeringswetgeving met elkaar samenhangen. Waarje de splitsing maakt tussen het tweederdedeel en het «gewone» deel isdaarom lastig. Zo moet de hoogte van het aantal ondersteuningsverkla-ringen dat nodig is in de voorfase om een referendum te houden in hettweederdedeel, maar strikt genomen de wijze waarop deze ondersteu-ningsverklaringen worden afgelegd niet. Dit terwijl de wijze waarop eenondersteuningsverklaring kan worden afgelegd heel relevant is voor hoehoog de drempel in de praktijk door burgers wordt ervaren. Bovendienheeft het weinig zin als uiteindelijk alleen het «gewone» wetsvoorstel zouworden aangenomen. Dan is er nog steeds geen volledige uitvoeringswet-geving, omdat de drempels uit het tweederdeonderdeel ontbreken.Beide opties kennen dus voor- en nadelen. Alles afwegend komt hetkabinet tot het oordeel dat het beter is om alle uitvoeringswetgeving inéén wetsvoorstel op te nemen. Ik zal te zijner tijd namens het kabinet danook één uitvoeringswet in procedure brengen. Consequentie hiervan iswel dat beide Kamers dit wetsvoorstel dan met een tweederdemeer-derheid dienen aan te nemen wil het voorstel tot wet verheven kunnenworden.II. Drempels in de voorfase Voor het houden van een correctief referendum is het een procedureelvereiste dat daartoe door een aantal stemgerechtigden binnen eenbepaalde tijdsperiode een inleidend verzoek wordt ingediend, datvervolgens binnen een bepaalde tijdsperiode de steun verwerft van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 123 hoger aantal stemgerechtigden via een definitief verzoek. Deze procedurein twee stappen dient verschillende doelen. Het vereiste van een inleidendverzoek beoogt onnodige vertraging van de inwerkingtreding van doorhet parlement aanvaarde wetsvoorstellen te voorkomen. Als de lage(re)drempel van het inleidend verzoek al niet wordt gehaald, is er geenaanleiding om meer tijd uit te trekken om na te gaan of er in de samen-leving voldoende brede steun voor het houden van een referendumbestaat (via het definitieve verzoek). Het wetsvoorstel kan dan na de fasevan het inleidend verzoek worden bekrachtigd en in werking treden. Dehoogte van het definitieve verzoek geeft uitdrukking aan de noodzake-lijkheid van voldoende draagvlak onder de bevolking voor het daadwer-kelijk organiseren van een referendum over het door het parlementaanvaarde wetsvoorstel.Tijdens het plenaire debat over het grondwetsvoorstel in de TweedeKamer heeft mijn ambtsvoorganger over de drempels in de voorfaseaangegeven dat er behoorlijke verschillen zitten tussen de adviezen vande Staatscommissie parlementair stelsel en die van de Afdelingadvisering van de Raad van State. Daarnaast zijn er in het verleden bijeerdere adviezen en (wets)voorstellen inzake het correctief bindendreferendum eveneens behoorlijke verschillen waar te nemen over devoorgestelde hoogte van de drempels (zie Bijlage 1 voor een overzicht).Daarnaast gaf mijn ambtsvoorganger aan dat de hoogte van de drempelsin de voorfase afhankelijk zou moeten zijn van de wijze waarop in devoorfase een verzoek kan worden ondersteund. Een voorbeeld: alsstemgerechtigden worden verplicht om in persoon een referendum-verzoek te ondersteunen, moeten zij daar relatief veel moeite voor doen.Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat de drempel in absolute zin lagerkan worden vastgesteld dan wanneer het indienen van een verzoekelektronisch kan. De hier geschetste overwegingen heeft het kabinetbetrokken bij de keuze voor de drempels.De keuze voor de exacte hoogte van de drempels in de voorfase is perdefinitie arbitrair. Het kabinet heeft bij het vaststellen van de hoogte vande drempels voor zowel het inleidend als het definitief verzoek alsuitgangspunt genomen dat het succesvol aanvragen van een correctiefbindend referendum weliswaar niet te eenvoudig moet zijn, maar door tehoge drempels niet op voorhand praktisch onmogelijk zou moeten zijn.Het gaat uiteindelijk om het vinden van een balans tussen een niet telichtvaardig gebruik van het instrument en het niet illusoir doen laten zijnvan het instrument.De Staatscommissie parlementair stelsel hanteerde eenzelfdeuitgangspunt en kwam in haar advies uit 2018 over het inleidend verzoekuit op 5.000 verzoeken, die persoonlijk op het gemeentehuis moetenworden gedaan binnen vier weken na publicatie in de Staatscourant vanhet besluit dat het wetsvoorstel referendabel is. Een hoger aantalverzoeken werd door de staatscommissie als te defensief beoordeeld.1Het kabinet neemt het advies van de staatscommissie over en meent datde gezochte balans wordt gevonden als voor het inleidend verzoek intotaal 5.000 verzoeken benodigd zijn, die persoonlijk op het gemeentehuismoeten worden gedaan binnen vier weken na publicatie in deStaatscourant. Het kabinet vindt de drempel van 5.000 ondersteuningsver-klaringen passend en haalbaar voor een ingrijpend instrument als het1Staatscommissie parlementair stelsel (2018). Lage drempels, hoge dijken: Democratie enrechtsstaat in balans. Amsterdam: Boom, p. 148.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 124 correctief bindend referendum.2 Qua omvang is de hier voorgesteldedrempel lager dan die in de Wet raadgevend referendum (2015–2018).3Het verschil is wel dat de ondersteuningsverklaringen onder de Wetraadgevend referendum niet fysiek op het gemeentehuis hoefden teworden gezet.Voor het definitief verzoek kiest het kabinet voor een drempel van 400.000ondersteuningsverklaringen die binnen een termijn van acht wekenmoeten worden afgelegd. Deze ondersteuningsverklaringen kunnen inbeginsel op digitale wijze worden ingediend. Dit aantal komt overeen methet advies van de Staatscommissie parlementair stelsel. In eerderevoorstellen zijn hogere getalseisen gesteld (zie Bijlage 1). De staatscom-missie geeft echter aan dat vanuit het oogpunt van benodigd draagvlakhogere eisen niet nodig zijn om te laten blijken dat er voldoendedraagvlak is voor het houden van een referendum. Het kabinet sluit zichhierbij aan.III. Hoogte van de uitkomstdrempel (nationaal en decentraal) Het grondwetsvoorstel gaat uit van een uitkomstdrempel. Een uitkomst-drempel houdt in de basis in dat de uitslag van het referendum niet wordtbepaald door de meerderheid van het op dat moment opgekomen aantalkiezers.4 Het gaat er bij de uitkomstdrempel om dat de («winnende»)meerderheid ook een van tevoren bepaald aantal stemmen moet weten tevergaren, c.q. een bepaald percentage moet weten te bereiken van hendie gerechtigd waren aan de stemming deel te nemen.In artikel 89d van het grondwetsvoorstel is opgenomen dat: «indien bij hetreferendum een meerderheid zich tegen het voorstel van wet uitspreekten deze meerderheid een bij de wet te bepalen representatief en haalbaardeel omvat van hen die gerechtigd waren aan het referendum deel tenemen, vervalt het voorstel van rechtswege». De precieze hoogte van deuitkomstdrempel (het aantal stemgerechtigden dat «tegen» hetwetsvoorstel dient te stemmen voor een bindende uitslag) is niet in hetgrondwetsvoorstel zelf vastgelegd. Dit aantal moet nog wordenvastgelegd in de uitvoeringswet.Tijdens de eerste lezing van het grondwetsvoorstel is een clausuleringaangebracht in de ruimte die de gewone wetgever heeft ten aanzien vande hoogte van de uitkomstdrempel: het moet gaan om een «representatiefen haalbaar deel van hen die gerechtigd waren aan het referendum deelte nemen». Voor de hoogte van de uitkomstdrempel geldt verder alsbijzondere eis dat een wetsvoorstel waarin dit wordt geregeld met tenminste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen in het parlementmoet worden aanvaard. De gewone (nationale) wetgever moet daarnaastbeslissen over de hoogte van de uitkomstdrempel op zowel nationaal alsop decentraal niveau (zie artikelen 89d, 128a en 133a van het grondwets-voorstel).2Ter illustratie: voor het referendum over het EU-Oekraïne Associatieverdrag in 2016 zijnuiteindelijk 13.480 ondersteuningsverklaringen geldig verklaard door de Kiesraad. Voor hetreferendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 in 2018 zijn 17.162ondersteuningsverklaringen geldig verklaard door de Kiesraad.3In de Wet raadgevend referendum was de eis gesteld op 10.000 door middelen van lijsten teverzamelen en in te leveren handtekeningen.4In de vervallen Wet raadgevend referendum (Wrr) werd uitgegaan van een opkomstdrempel.De uitslag van een referendum onder de Wrr gold als een raadgevende uitspraak tot afwijzing,indien een meerderheid zich in afwijzende zin uitsprak en de opkomst bij het referendum tenminste dertig procent van het totale aantal kiesgerechtigden bedroeg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 125 Uitkomstdrempel nationaal referendumTijdens de plenaire behandeling van het grondwetsvoorstel in tweedelezing in de Tweede Kamer heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dathet kabinet wat betreft de hoogte van de uitkomstdrempel met name kijktnaar de concrete adviezen van de Staatscommissie parlementair stelsel,de Afdeling advisering van de Raad van State en de position papers die inde eerste lezing door drie wetenschappers zijn uitgebracht. De adviezenzijn op het punt van de hoogte van de uitkomstdrempel niet geheeleenduidig. Zo gaat de staatscommissie uit van 33 1/3% van het electoraaten de Afdeling advisering van een meerderheid van de bij de laatsteverkiezingen opgekomen kiezers (na de verkiezing van de Tweede Kamerin 2023 zou dit neerkomen op: 38,75% + 1). De drie wetenschappershanteren andere percentages. In het verleden zijn weer andere percen-tages voorgesteld (zie Bijlage 1 voor een overzicht).Het belangrijkste richtsnoer voor het kabinet is dat de hoogte van deuitkomstdrempel een haalbaar en representatief deel van de stemgerech-tigden dient te omvatten. Dit vereiste volgt als gezegd rechtstreeks uit hetgrondwetsvoorstel. De begrippen haalbaar en representatief laten enigeruimte voor interpretatie. Haalbaar kan bijvoorbeeld duiden op deomvang van een drempel die bij eerdere nationale adviserende referendazou hebben geleid tot een geldige uitslag. Het kan ook duiden op eendrempel die bij toekomstige referenda redelijkerwijs gehaald zou moetenkunnen worden. Beide voorbeelden kunnen ook tegelijk gelden.Voor het kabinet speelt naast het punt van praktische haalbaarheid op deachtergrond ook politieke doenlijkheid een rol van betekenis. Er wordt alruim een eeuw in het parlement gesproken over het introduceren van hetreferendum.5 Vandaag de dag wordt er door politieke partijen nog altijdzeer verschillend gedacht over dit instrument. Een eerder, nagenoeggelijkluidend, grondwetsvoorstel kreeg in juli 2022 tijdens de tweedelezing geen steun van een tweederdemeerderheid in uw Kamer.6 Na deeventuele inwerkingtreding van de voorliggende grondwetswijziging zalde uitvoeringswet, met daarin de uitkomstdrempel, met een tweederde-meerderheid moeten worden aanvaard. Mocht de gewone wetgever hierniet uit komen, dan zal de grondwettelijke bepaling over het referendumeen lege huls blijven.Tegen deze achtergrond, en na bestudering van de verschillende adviezen,komt het kabinet tot de conclusie om een uitkomstdrempel van 33 1/3% destemgerechtigden te hanteren voor het nationale referendum. Met dekeuze voor een percentage van 33 1/3% sluit het kabinet aan bij het adviesen de argumentatie van de Staatscommissie parlementair stelsel. Destaatscommissie heeft bij het vaststellen van de drempel het evenwichtgezocht tussen twee uitgangspunten: 1) dat het referendum in de praktijkhaalbaar moet zijn; 2) dat het corrigeren van een parlementaire meerder-heidsbeslissing alleen te aanvaarden is als een substantieel deel van debevolking zich uitspreekt en het instrument niet te lichtvaardig gebruiktmoet worden.De volgende ijkpunten spelen verder een rol in de overweging van deprecieze hoogte:5Al in 1903 stelde Pieter Jelles Troelstra, samen met andere sociaaldemocratische TweedeKamerleden, voor om het facultatief correctief referendum in de Nederlandse rechtsorde teintroduceren. Burgers zouden met deze referendumvariant een stemming kunnen afdwingenover een door de Staten-Generaal aangenomen wetsvoorstel.6Handelingen II 5 juli 2022, 100e vergadering, item 7, p. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 126 –Vergelijking met uitkomstdrempels in andere landen laat zien dat in hetgeval van reguliere wetgeving een percentage van 25% of 30% wordtgehanteerd, en bij constitutionele vraagstukken doorgaans een hogereuitkomstdrempel.–Onderzoek laat zien dat de representativiteit van de uitslag van eenreferendum niet aantoonbaar toeneemt wanneer de opkomst hogeruitvalt dan circa 25%. Vanuit dit specifieke, geïsoleerde oogpunt bezienis er geen reden voor een drempel die heel veel hoger is.–De opkomst bij andere verkiezingen (gemeenteraden, provincialestaten, Europees Parlement, waterschappen) is steevast lager dan bijverkiezingen van de Tweede Kamer. Dat geldt – zeker op nationaalniveau – ook voor referenda.–Omdat het referendum de uitkomst van parlementaire besluitvormingkan terugdraaien, kan de norm voor een uitkomstdrempel ook afgeleidworden uit de electorale basis van de beide Kamers. Een middelingtussen de meerderheid (50% + 1) van de opgekomen kiezers bij delaatstgehouden TK-verkiezing (2023: 77,75%) en de meerderheid(50%+1) van de opkomst bij de laatstgehouden verkiezingen voorprovinciale staten (2023: 58,64%) suggereert dan een uitkomstdrempelvan boven de 30%.–Hoe hoger de uitkomstdrempel wordt gesteld, hoe hoger de opkomstmoet zijn om die drempel te kunnen behalen. Bij een lage opkomstneemt de kans toe dat de vereiste drempel niet wordt gehaald. Of hetzou zo moeten zijn dat de opgekomen kiezers in overgrote meerder-heid dezelfde keuze maken. Mocht er sprake zijn van een nagenoeggelijk aantal voor- en tegenstanders, dan geldt dat naarmate deuitkomstdrempel hoger wordt, een hogere opkomst nodig is om eenreferendum «succesvol» te laten zijn. Een uitkomstdrempel van eenderde deel van de kiesgerechtigde bevolking (33 1/3%, wat in 2023staat voor circa 4,49 miljoen kiezers) vereist een niet onrealistisch hogeopkomst, aldus de staatscommissie.–Een uitkomstdrempel van 33 1/3% van de kiesgerechtigde bevolkingkan worden beschouwd als een weliswaar haalbare maar zeker nieteenvoudig te nemen horde. De ervaring met de drie laatstgehoudennationale referenda in Nederland laat zien dat alleen hetEU-referendum in 2005 de uitkomstdrempel zou hebben gehaald. Detwee andere – het Oekraïne-referendum en het referendum over deWet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 – zouden diedrempel (met een «winnend» kamp van respectievelijk 2,5 miljoen en3,3 miljoen kiezers) niet hebben gehaald. Kortom: een drempel van 331/3% voldoet aan de eis van haalbaarheid.Uitkomstdrempel decentraal referendumOp grond van artikelen 128a, tweede lid en 133a, tweede lid van hetgrondwetsvoorstel dient de wetgever ook te beslissen over de hoogte vande uitkomstdrempel voor het facultatieve correctief referendum bijprovincies, gemeenten, Caribische openbare lichamen en waterschappen.Alle overige zaken die dit referendum betreffen, dienen de verschillendebestuursniveaus op basis van het grondwetsvoorstel zelf te regelen ineigen verordeningen. Kortom: in de uitvoeringswet moet een percentageworden opgenomen over de hoogte van de uitkomstdrempel op decen-traal niveau. Het grondwetsvoorstel schrijft ook hier voor dat hetpercentage «een bij de wet te bepalen representatief en haalbaar deelomvat van hen die gerechtigd waren aan het referendum deel te nemen».De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), enkele provincies ende Unie van Waterschappen (UvW) hebben in het kader van de Uitvoe-ringstoets Decentrale Overheden (UDO) meegedacht over een wenselijkehoogte van de drempel op decentraal niveau. Er zijn verschillendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 127 argumenten gewisseld voor en tegen het hanteren van dezelfde uitkomst-drempel voor alle bestuursniveaus. Argumenten voor zijn onder anderedat een even hoge uitkomstdrempel zorgt voor uniformiteit en voorduidelijkheid bij kiezers. Meer principieel wordt gesteld: waarom zou jelandelijk iets pas kunnen wegstemmen bij percentage x en decentraal bijy? Als uitgangspunt zou je er evenveel moeite voor moeten doen om eenvoorstel nationaal en decentraal weg te kunnen stemmen. Hier wordttegenin gebracht dat het decentrale referendum een instrument is datafgestemd dient te zijn op het decentrale niveau. Haalbaarheid enrepresentativiteit kunnen verschillen op decentraal niveau ten opzichtevan het nationale niveau.De VNG heeft in mei 2025 een enquête uitgezet onder bestuurders enraadsleden over diverse aspecten van het correctief bindend referendum.Over onder andere de hoogte van de uitkomstdrempel voor het decentraalreferendum wordt door raadsleden, wethouders, raadsgriffiers enburgemeesters verschillend gedacht. De VNG wil eerst over de uitkomstenvan deze enquête in gesprek met de eigen achterban en heeft het kabinetverzocht om nog geen inhoudelijk standpunt in te nemen ten aanzien vande (hoogte van de) uitkomstdrempel op decentraal niveau. Het kabinetrespecteert dit verzoek en wacht eerst af welk standpunt de VNG inneemt,alvorens een keuze te maken over de hoogte van de uitkomstdrempelvoor het decentraal referendum.IV. Referendumcommissie Onder de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet en de Wetraadgevend referendum bestond er een zogenoemde referendumcom-missie.7 Aan dit zelfstandig bestuursorgaan waren enkele takenaangaande het referendum opgedragen. Daarentegen bestond er onderde Tijdelijke referendumwet geen referendumcommissie. Ook in de eerderaangekondigde initiatief-uitvoeringswet was geen referendumcommissievoorzien.8 Het instellen van een referendumcommissie is dan ook eenpolitieke keuze en niet voorwaardelijk om een vrije en eerlijke referendum-procedure te kunnen waarborgen.Het voorgaande laat onverlet dat er in een referendumprocedure takenzijn waarvan algemeen wordt aangenomen dat deze beter bij eenonafhankelijke organisatie belegd kunnen worden. Het kabinet overweegtom taken ten aanzien van het referendum die in het verleden al eens bijde Kiesraad belegd zijn geweest, zoals het vaststellen dat aan devoorwaarden voor het houden van een referendum is voldaan en hetvaststellen van de uitslag van het referendum, opnieuw bij de Kiesraad tebeleggen. De onafhankelijke oordeelsvorming was (en is) bij deze taken,die overigens ook een specifieke deskundigheid vereisen, zo belangrijk,dat de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen hiertoe ook ruimte biedt.9Van taken die in het verleden bij de Referendumcommissie belegd zijn, zalvooreerst beslist moeten worden of deze opnieuw uitgevoerd moetenworden. Daarna kan voor elke uit te voeren taak worden bezien bij welkorgaan deze belegd kan worden.7Art. 24 lid 1 Wet raadplegend referendum Europese Grondwet en art. 87 lid 1 Wet raadgevendreferendum.8Kamerstukken II 2022/23, 36 160, nr. 8, p. 3.9Art. 3 lid 1 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 128 Vaststellen subsidieregelingOnder de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet en de Wetraadgevend referendum is ervoor gekozen de referendumcommissie tebelasten met het vaststellen van een subsidieregeling.10 Het kabinet is nietvoornemens dit voorbeeld in de uitvoeringswet te volgen. Voor door deregering in te dienen voorstellen van wet geldt het uitgangspunt dat geenregelgevende bevoegdheid aan een zelfstandig bestuursorgaan wordttoegekend.11 Eerder heeft ook de Afdeling advisering van de Raad vanState al opgemerkt dat het toekennen van regelgevende bevoegdheid aaneen zelfstandig bestuursorgaan in zijn algemeenheid niet de voorkeurverdient.12 Daar is immers geen democratische controle op mogelijk,zoals wanneer een subsidieregeling in een algemene maatregel vanbestuur wordt vastgelegd.Maar de vraag welk orgaan de bevoegdheid zal hebben een subsidiere-geling vast te stellen is prematuur. Daaraan gaat immers de vraag voorafof een subsidieregeling noodzakelijk is. Het kabinet beantwoordt dielaatste vraag ontkennend. Het feit dat er in de voorfase voldoende steun isverworven voor het houden van een referendum illustreert volgens hetkabinet dat er op dat moment al een begin is van een maatschappelijkdebat. Het is te verwachten dat dit debat zich verbreedt als eenmaalvaststaat dat het referendum daadwerkelijk gehouden zal worden, omdater dan ook in de media meer berichtgeving over het onderwerp van hetreferendum zal verschijnen, zoals in de aanloop naar verkiezingen deaandacht voor politieke thema’s in de media toeneemt. Onder dezeomstandigheden komt het verlenen van subsidie in hoge mate neer ophet subsidiëren van referendumcampagnes van zowel voor- als tegen-standers. Daar ziet het kabinet geen directe noodzaak toe. Hier komt bijdat subsidieverlening ook de uitvoeringskosten van de uitvoeringswetzouden laten toenemen.Naam referendabele wetHet kabinet is van plan om in navolging van de Tijdelijke referendumweten de Wet raadplegend referendum Europese Grondwet,13 in de uitvoe-ringswet vast te leggen dat op het stembiljet de benaming van de aan hetreferendum onderworpen wetsvoorstel wordt vermeld en stemgerech-tigden de keuze wordt geboden om zich vóór of tégen deze wet uit tespreken. Het kabinet volgt daarmee de keuze die de initiatiefnemerseerder ook voor ogen stond.14 De in de Wet raadgevend referendumbestaande bevoegdheid om een wet op het stembiljet op een andere wijzeaan te duiden leidt tot het risico dat onduidelijkheid kan ontstaan overwelke wet het referendum gaat, maakt het voor geïnteresseerdenmoeilijker achterliggende stukken over die wet te vinden (zoals deparlementaire behandeling) en brengt bovendien het risico met zich meedat er discussie kan ontstaan over de neutraliteit of volledigheid van denieuw gekozen naam.10Art. 26 lid 2 Wet raadplegend referendum Europese Grondwet en art. 90 lid 3 Wet raadgevendreferendum.11Aanwijzing 5.10 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.12Kamerstukken II 2005/06, 30 372, nr. 7, p. 5.13Art. 115 Tijdelijke referendumwet en art. 10 Wet raadplegend referendum Europese Grondwet.14Kamerstukken II 2022/23, 36 160, nr. 8, p. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 129 Datum van de stemmingHet kabinet denkt erover om de Kiesraad de bevoegdheid te geven bij hetcorrectief referendum een datum te laten kiezen waarop de stemmingplaatsvindt. Onder de Tijdelijke referendumwet was het aan de regeringom, binnen door de wet gegeven kaders, de dag van de stemming vast testellen.15 Onder de Wet raadgevend referendum was deze taakopgedragen aan de referendumcommissie.16 In beide gevallen bestondhet nadeel dat op het moment dat bekend werd dát er een referendumzou plaatsvinden nooit officieel bekend kan zijn op welke datum.Belanghebbenden kregen daarover pas later duidelijkheid; binnen eenweek. Door de Kiesraad ook de bevoegdheid te geven om de datum voorde stemming van het referendum te bepalen, zou het niet langeruitgesloten zijn dat beide besluiten op dezelfde dag genomen worden.Een mogelijkheid die overigens ook in het oorspronkelijke voorstel voorde Wet raadgevend referendum besloten lag,17 maar in de toelichtingdaarbij nergens is benoemd of onderbouwd. Een verplichting om beidebesluiten op dezelfde dag te nemen zou te ver gaan. De keuze om, binnende kaders van de wet, een datum te kiezen voor het referendum moetzorgvuldig gemaakt kunnen worden en afgestemd met vertegenwoor-digers van degenen die bij de organisatie van het referendum betrokkenzijn, zoals de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken(NVVB).Voorlichting over het aan een referendum onderworpen voorstel van wetMocht de mogelijkheid om een bindend correctief referendum te houdenover voorstellen van wet worden geïntroduceerd, dan is niet op voorhandte voorspellen hoe vaak het tot een referendum zal komen. Gelet op hetincidentele karakter van het referendum, ligt het daarom niet voor dehand om voor deze taak een nieuw zelfstandig bestuursorgaan in testellen. Geven van voorlichting is bovendien naar zijn aard geen taak vooreen zelfstandig bestuursorgaan.18 Een orgaan dat in allerijl medewerkersmoet vinden zodra vaststaat dat er een referendum plaatsvindt, heeftonvoldoende gelegenheid om expertise op te bouwen en zal daarvoorwaarschijnlijk afhankelijk blijven van derden. Hoe breder de voorlich-tingstaak wordt opgevat, hoe sterker dit effect zich waarschijnlijk zalvoordoen. Voorstellen van wet kunnen immers betrekking hebben op zeeruiteenlopende en complexe onderwerpen, waarbij in het geven vanvoorlichting steeds een evenwicht bewaard moet zien te worden tussenenerzijds toegankelijkheid en begrijpelijkheid van de materie en anderzijds(juridische) correctheid en volledigheid. Hoe breder de voorlichtingstaakwordt opgevat, des te groter het risico dat de wijze waarop de taak wordtuitgeoefend op enig moment tot voorwerp van kritiek verwordt. Alleen alom die reden kan deze taak ook niet worden belegd bij het centraalstembureau voor het houden van referenda. Om gezaghebbend te zijn,moet het centraal stembureau onafhankelijk en onpartijdig zijn. Daarbijpast het niet een taak aan het centraal stembureau op te dragen die, aldan niet terecht, kan leiden tot een discussie over diens onpartijdigheid.De inhoudelijke voorlichting over het aan het referendum onderwerpenvoorstel van wet kan derhalve niet aan het centraal stembureau wordenopgedragen. Een en ander nog los van de vraag of een dergelijke keuze inlijn met artikel 3 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zou zijn.Het voorgaande laat overigens onverlet dat het kabinet de wenselijkheid15Art. 110 Tijdelijke referendumwet.16Art. 55 lid 1 Wet raadgevend referendum.17Vgl. 44 lid 1 en art. 55 lid 1 Wet raadgevend referendum zoals opgenomen in Kamerstukken II2005/06, 30 372, nr. 2, p. 10 en 12.18Art. 3 Kaderwet ZBO’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1210 van betrouwbare, neutrale en feitelijke voorlichting aan stemgerechtigdenover het aan het referendum onderworpen voorstel van wet onderkent.Zoals in de volgende paragraaf zal worden aangegeven, ziet het kabinetde wijze waarop daarin onder de Tijdelijke referendumwet was voorzien,als voorbeeld voor de in het vooruitzicht gestelde uitvoeringswet.V. Informatievoorziening en aanpak van desinformatie Informatievoorziening over het referendumprocesAls de mogelijkheid om op nationaal niveau een bindend correctiefreferendum te houden in Nederland wordt gerealiseerd, dan moetenburgers blijvend worden geïnformeerd over het bestaan van dezemogelijkheid en over de wijze waarop het houden van een dergelijkreferendum kan worden afgedwongen. Het betreft een feitelijkehandeling. Om die te kunnen verrichten is geen wettelijke grondslagnodig. Onder eerdere referendumwetten voorzag het centraal stembureauvoor het houden van een referendum, oftewel de Kiesraad, hierin.Daartegen bestaat geen bezwaar, omdat het algemene en generieketechnische en praktische informatie over de referendumprocedure betreft.Informatievoorziening over een aan referendum onderworpen voorstelvan wetStaat eenmaal vast dat er een referendum zal worden gehouden, dan rijstde vraag welke voorlichting daarover gegeven moet worden en door wie.Bij verkiezingen geldt dat burgemeesters stemgerechtigden informerenover de dag, de tijden, en de locaties waarop zij hun stem kunnenuitbrengen.19 Daarnaast informeren zij de in hun gemeente woonachtigestemgerechtigden over de kandidaten waarop gestemd kan worden.20Ook mijn ministerie voert doorgaans een zogenoemde opkomstbevorde-rende campagne. Burgemeesters hoeven stemgerechtigden niet teinformeren over de standpunten van kandidaten. Het is primair aan dekandidaten en aan de politieke verenigingen waarvan de aanduidingboven een lijst staat om campagne te voeren en stemgerechtigden teinformeren over de standpunten waar zij voor staan respectievelijkwaarvoor «hun» kandidaten staan. Elke partij voert campagne voor de«eigen» lijst. Binnen de context van een referendum, zou dit eropneerkomen dat burgemeesters stemgerechtigden alleen informeren overde vraag die zij op het stembiljet zullen aantreffen zonder daarbij contextaan te bieden. Het zou dan aan de voor- en tegenstanders zijn, om metkracht van argumenten stemgerechtigden te informeren en te motiverenom bij de stemming een standpunt in te nemen. Precies zoals dit bijverkiezingen doorgaans ook het geval is.Hoewel dit een legitiem standpunt is en het in de praktijk ook aan degroepen voor- en tegenstanders is om te proberen mensen te overtuigenvan hun standpunt, is het kabinet de opvatting toegedaan dat toch niethelemaal kan worden afgezien van het van overheidswege voorzien inalgemene, neutrale en feitelijke voorlichting. Voorstellen van wet kunnenzeer omvangrijk zijn. Campagnes tenderen er dan toe zich toe te spitsenop slechts enkele thema’s en het is niet onbegrijpelijk dat die thema’s danmeer aandacht krijgen in de massamedia. Van stemgerechtigden wordtechter gevraagd om zich uit te spreken over het gehele voorstel van wet.En hoewel het kabinet erop rekent dat ook de pers in dit opzicht haarmaatschappelijke functie zal vervullen, vindt het kabinet het belangrijk datin de aanloop naar een referendum gewaarborgd is dat er voor een ieder19Art. J 4 lid 1 Kieswet.20Art. J 9 Kieswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1211 toegankelijke betrouwbare, algemene en neutrale informatie over het aanhet referendum onderworpen voorstel beschikbaar is. Niet alleen naarinhoud, maar ook naar leesvorm. Het kabinet acht het ook een taak van deoverheid om daaraan bij te dragen.In de Tijdelijke referendumwet en de Wet raadplegend referendumEuropese Grondwet was voorgeschreven dat iedere stemgerechtigdethuis een samenvatting van de aan het referendum onderworpen wetontving.21 Het kabinet vindt het belangrijk dat burgers weten waar hetreferendum inhoudelijk over gaat. Een toegankelijk geschreven documentmet een beknopte samenvatting van de inhoud van het voorstel, kan daareen belangrijke bijdrage aan leveren. Het kabinet heeft daarom hetvoornemen om, net als onder de Tijdelijke referendumwet het geval was,in de uitvoeringswet vast te leggen dat een samenvatting van de feitelijkeinhoud van het aan het referendum onderworpen voorstel zal wordengemaakt. Deze samenvatting kan vervolgens tezamen met de stempasonder stemgerechtigden worden verspreid. Ook kan desgewenstoverwogen worden om deze samenvatting aan te vullen met deuitkomsten van de eerder gehouden stemmingen over het voorstel vanwet in de beide Kamers der Staten-Generaal. Het inzicht hoe de verschil-lende fracties, of bij hoofdelijke stemming Kamerleden, hebben gestemdkan stemgerechtigden mogelijk helpen om tot een oordeel te komen. Hetbetreft bovendien feitelijke informatie die eenvoudig is te vergaren enverifiëren.Onder de Wet raadgevend referendum was de referendumcommissie eenruimere opdracht tot het verschaffen van informatie toebedeeld.22 Hetkabinet is ook bekend met de praktijk in andere landen waar stemgerech-tigden soms een uitgebreider palet aan informatie wordt aangeboden. Zoontvangen stemgerechtigden in Zwitserland per stemming een informa-tieboekje met daarin een beschrijving van de implicaties van het voorlig-gende voorstel. En in Ierland deelt de referendumcommissie niet alleenactief informatie over het voorstel van wet via eigen publicaties en via demedia, maar ook over de achtergrond daarvan en over de in het debatgewisselde argumenten. Er zijn dus verschillende modaliteiten denkbaarwaarin van overheidswege voorlichting kan worden gegeven, elk metvoor- en nadelen. Eerder in deze hoofdlijnenbrief is er al op gewezen dateen brede taakopvatting van voorlichting een orgaan vatbaarder maaktvoor kritiek (en voor het maken van fouten). Stel bijvoorbeeld dat menertoe overgaat om naast de samenvatting ook de argumenten voor- entegen de wet weer te geven. Zullen die argumenten op een juiste enneutrale manier worden weergegeven? Mogen de argumenten daarbijworden gewogen, of moeten ook (evident) onjuiste argumenten alsfeitelijk gebezigd deel uitmaken van de voorlichting aan stemgerech-tigden? Moet men zich beperken tot de argumenten die in het debat zijngewisseld, of mag men daar ook andere, bijvoorbeeld wetenschappelijke,argumenten bij betrekken? Hoe moet men omgaan met argumenten diegebruikt zijn om argumenten voor- of tegen te nuanceren of zelfs teweerleggen? Gelet op het voorgaande geeft het kabinet er de voorkeuraan de inhoudelijke voorlichting van overheidswege over het voorstel vanwet waarover een referendum wordt gehouden te beperken tot eenneutrale samenvatting van de inhoud daarvan. In het maatschappelijkdebat zullen voor- en tegenstanders vervolgens hun argumentenwisselen. Daarnaast kunnen stemgerechtigden zich op verschillendemanieren informeren over het voorstel. Niet in de laatste plaats doorkennis te nemen van wat tijdens de parlementaire behandeling van het21Art. 114 lid 2 Tijdelijke referendumwet en art. 9 lid 2 Wet raadplegend referendum EuropeseGrondwet.22Art. 90 lid 1 Wet raadgevend referendum.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1212 voorstel is gewisseld; zowel schriftelijk als in vergaderingen. HetNederlandse wetgevingsproces is in dit opzicht zeer transparant.DesinformatieAlle democratische processen zijn kwetsbaar voor (heimelijke) beïnvloe-dingspoging, zoals de vele voorbeelden in landen om ons heen laten zien.Over het algemeen verschillen de mogelijkheden voor beïnvloeding bijeen referendum niet wezenlijk van die bij reguliere verkiezingen. Tochlijken referenda gevoeliger voor desinformatiecampagnes. Bij eenreferendum is er meestal maar één vraag met in de kern twee keuzes:vóór of tegen. Mits de uitslag geldig is, resulteert dit in een duidelijke«winnaar». Ook zijn de gevolgen van de uitslag beter voorspelbaar. Als«tegen» wint, betekent dit onvermijdelijk dat het aan het referendumonderworpen wetsvoorstel vervalt. Hierdoor kan de potentiële opbrengstvan een ongewenste beïnvloedingscampagne hoger zijn dan bij eenverkiezing waar meerdere partijen meedoen, verschillende beleidsvraag-stukken aan de orde zijn en de gevolgen van een verkiezingswinst voortoekomstig beleid moeilijker te voorspellen zijn.Kiezers dienen zich in een eerlijk en transparant referendumproces vrij enonbelemmerd te kunnen informeren, zonder ongewenste beïnvloeding,zoals desinformatie. Tijdens het debat in eerste lezing in de Eerste Kameris daarom expliciet gevraagd om in de toelichting bij de uitvoeringswet-geving nader in te gaan op de aanpak van desinformatie in de context vanreferenda.Zoals ik eerder heb aangegeven, is het tegengaan van desinformatie eenbelangrijk thema in het verdere proces van doordenken, inrichten enaankleden van het referenduminstrument. Via vragenlijsten en aanvul-lende gesprekken met een aantal landen is informatie verzameld over deaanpak van desinformatie bij referenda in andere Europese landen.Daarbij is niet alleen gekeken naar de wijze van informatieverstrekking,maar ook naar de regelgeving rond campagneregels en desinformatie-beleid bij referenda. Uit deze ervaringen blijkt dat veel landen eenvergelijkbare aanpak hanteren als bij reguliere verkiezingen, omdat hetrisico op desinformatie bij referenda als vergelijkbaar wordt ingeschat.Aanpak van desinformatieIk onderschrijf de conclusie dat voor referenda aansluiting moet wordengezocht bij het bestaande beleid rond het tegengaan van desinformatie bijverkiezingen.Het kabinet neemt, overeenkomstig de aanpak bij verkiezingen, maatre-gelen om referenda weerbaar te maken tegen ongewenste beïnvloedingen inmenging. Deze maatregelen worden toegepast gedurende het geheleproces: tijdens de campagne, de stemming en de vaststelling van deuitslag, alsook in het publieke debat.Voor wat betreft het extra risico op desinformatiecampagnes rond eenreferendum krijgt het adresseren van dit risico vorm in het kader van derijksbrede aanpak van desinformatie. Zoals ook aangegeven in mijnrecente brief waarin ik inga op het tegengaan van risico’s op buitenlandsebeïnvloeding van het verkiezingsproces,23 werk ik aan een offensieveaanpak van desinformatie.Zo wil ik, met het oog op de geopolitieke ontwikkelingen en de reëledreiging tegen de nationale veiligheid, eerder en beter zicht krijgen op deverspreiding van desinformatie en Foreign Information Manipulation andInterference (FIMI) gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces23Kamerstukken II 2024/25, 36 552, nr. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1213 en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond deverkiezingen.24Deze aanpak gaat ook gelden voor referenda zodra dieworden georganiseerd. Hiervoor worden waar nodig nieuwe bevoegd-heden of wettelijke grondslagen gecreëerd. Dit vraagt een zorgvuldigeafweging. Ik start de voorbereidingen voor het introduceren van nieuwebevoegdheden en het creëren van grondslagen. Uw Kamer zal daarover inhet najaar nader worden geïnformeerd.Met betrekking tot de aanpak wil ik nog enkele uitgangspunten benoemendie zullen worden opgenomen in het plan tegen desinformatie:–Desinformatie dient niet los te worden gezien van het brederespectrum aan informatievoorziening dat tijdens referenda wordtingezet. Een gedegen en transparante informatievoorziening versterktnamelijk tevens de bestrijding van desinformatie.–Het beleid gericht op het beperken van de effecten en verspreiding vandesinformatie is continu in ontwikkeling. Ik werk aan een brederinstrumentarium ter ondersteuning van de weerbaarheid van hetpublieke debat bij verkiezingen en referenda. Onderdeel daarvan is eenoffensieve aanpak ten aanzien van desinformatie.–Op basis van bovenstaande uitgangspunten, werk ik de komendeperiode het plan nader uit.VI. Frequentie referenda en combinatie met andere verkiezingen Daar waar het mogelijk is zullen stemmingen worden gecombineerd.Hierbij is de aanbeveling om twee uitzonderingen op te nemen:–Een nationaal referendum valt niet samen met provinciale staten- enwaterschapsverkiezingen.–Er kunnen ten hoogste vier referenda gelijktijdig plaatsvinden.Het samengaan van verkiezingen en referenda is een belangrijke kwestiebinnen de uitvoeringswetgeving en ook al tijdens debatten over degrondwetgeving vaker aan de orde gekomen. De mogelijkheid omverkiezingen en referenda te combineren kan voordelen opleveren intermen van kostenbesparing en efficiëntie, maar roept tegelijkertijdvragen op over de uitvoerbaarheid en de belasting voor gemeenten enandere betrokkenen. Daarnaast kan een referendum een verkiezings-uitslag beïnvloeden doordat het onderwerp van het referendum deverkiezingsthema’s vernauwd.Uit gesprekken met de NVVB en de Kiesraad blijkt dat zij positief staantegenover de combinatie van referenda en een verkiezing, mits het aantalreferenda dat op één dag naast een verkiezing plaatsvindt, beperkt blijft.Zij waarschuwen wel voor de logistieke uitdagingen die hierbij komenkijken. Daar tegenover staat dat gemeenten zich beter kunnen voorbe-reiden en profiteren van de bestaande infrastructuur voor verkiezingen.Ook biedt het de mogelijkheid om bij hogere opkomst de legitimiteit vanreferenda te versterken.De NVVB wijst op een maximum van drie à vier referenda per dag naasteen verkiezing. Daarbij is het belangrijk op te merken dat de uitslagen nietallemaal tegelijkertijd kunnen worden vastgesteld. De NVVB raadtdaarnaast aan om geen referenda te plannen op de dagen van provincialestaten- of waterschapsverkiezingen, omdat dit de uitvoering te zwaar zoumaken. Het gebruik van verschillende stembiljetten per stembureau kanvoor problemen zorgen en het werk voor de stembureauleden te zwaarmaken.24Kamerstukken II 2024/25, 36 552, nr. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1214 Ten aanzien van het moment dat een stemming voor een referendummoet plaatsvinden, wordt gedacht aan een zelfde soort tijdsbepaling als inde Wet raadgevend referendum. Daarin stond dat de stemming moetplaatsvinden op een woensdag, tussen de 85e dag en zes maanden na dedagtekening van het besluit tot het houden van een referendum. Daarbijwordt de periode van 1 juli t/m 31 augustus uitgesloten van deze termijn.Gevolg hiervan is dat er in de praktijk waarschijnlijk maximaal vierlogische momenten per jaar zijn waarop een referendum georganiseerdkan worden.Er is ook gekeken of het instellen van vaste jaarlijkse referendummo-menten nodig is. Vaste momenten kennen het voordeel van voorspel-baarheid. De NVVB, VNG en de Kiesraad zijn voorstander van vastemomenten. De NVVB pleit voor maximaal twee vaste dagen per jaar voorreferenda, waarvan één samenvalt met een landelijke verkiezing, maarniet met provinciale staten- of waterschapsverkiezingen. Dit maakt deorganisatie eenvoudiger en vermindert de belasting voor gemeenten. Hetkabinet kiest echter niet voor het instellen van vaste referendummo-menten vanwege zwaarwegende nadelen. De flexibiliteit van hetinplannen wordt beperkt, terwijl de bovenvermelde tijdsbepaling al eenredelijk voorspelbare structuur biedt. Daarnaast kan wetgeving bij vastetijdsmomenten vertraagd worden als er op het referendummoment moetworden gewacht. Daarnaast moeten er op vaste momenten in het jaarveel organisatorische inspanningen worden verricht, ook als er geenreferendum plaatsvindt. Hierbij kan men denken aan de reservering vanlocaties en het zoeken naar stembureaumedewerkers.VII. Kosten van het referendum Met de organisatie van een referendum gaan kosten gepaard. De kostenvan het organiseren van een referendum zijn onder te verdelen inenerzijds structurele kosten en anderzijds organisatiekosten voor wanneerdaadwerkelijk een referendum moet worden georganiseerd. Het regeer-programma voorziet slechts in een beperkte structurele bijdrage van € 2mln. vanaf 2025 ter dekking van de structurele kosten van eenreferendum. Tijdens de behandeling van het grondwetsvoorstel zijnvooralsnog geen concrete voorstellen gedaan voor de dekking van deorganisatiekosten. De te zijner tijd op te stellen uitvoeringswet zal pas inwerking kunnen treden als voorzien is in een adequate financiële dekking.Inmiddels is duidelijk dat de kosten per referendum aanzienlijk hogerzullen uitvallen dan die van de raadgevende referenda in 2016 en 2018.Wanneer een referendum georganiseerd moet worden zonder dat ergelijktijdig een andere verkiezing plaatsvindt, is momenteel de inschattingdat de organisatiekosten circa € 50–70 mln. bedragen. Wanneer gelijk-tijdig een andere verkiezing plaatsvindt, is de inschatting dat de organisa-tiekosten circa € 15–25 mln. bedragen. De stijging ten opzichte van deeerdere raadgevende referenda heeft onder meer te maken met aanpas-singen in het verkiezingsproces die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd,en met prijzen die over de gehele linie zijn gestegen. Daarnaast zijn dedaadwerkelijke kosten ook nog afhankelijk van de nog te maken keuzes inde uitvoeringswet.VIII. Evaluatie In de beantwoording van de in het tweede verslag aan het kabinetgestelde vragen ben ik ingegaan op de mogelijkheid van een evaluatiebe-paling in de uitvoeringswet. Daar heb ik aangegeven dat ik ook zonderevaluatiebepaling voornemens ben om elk nationaal gehouden correctiefreferendum te evalueren. Dat is bij verkiezingen ook gebruikelijk, zonderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1215 dat de Kieswet daartoe verplicht. Bij zo’n evaluatie kunnen tevens deprocedures voorafgaand aan de stemming worden betrokken. Eendergelijke evaluatiebepaling veronderstelt echter dat er een referendumheeft plaatsgevonden en uiteraard zal niet elke poging een correctiefreferendum af te dwingen slagen. Daarom ben ik bereid een evaluatiebe-paling op te nemen in de uitvoeringswet als de wens daartoe in uw Kamerbreder leeft. Al teken ik daarbij aan dat de reikwijdte van een dergelijkeevaluatie vermoedelijk beperkt zal blijven tot die onderdelen van de wetdie zich onafhankelijk van een referendum laten evalueren.Tot slotMet deze hoofdlijnenbrief heb ik op uw verzoek inzicht willen geven in deverschillende keuzes die het kabinet voornemens is te maken over denadere uitwerking van het referendum en die grotendeels zullen landen inde nog op te stellen uitvoeringswet. Op basis van voortschrijdend inzichtis mijn streven om in 2027 een voorstel voor de uitvoeringswet bij uwKamer in te dienen. Of deze planning in de praktijk haalbaar is, hangt welmede af van de voortgang van de aanstaande kabinetsformatie eneventuele keuzes die hierover door een nieuw kabinet worden gemaakt.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,F. RijkaartTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1216 OVERZICHT HISTORISCHE VOORSTELLEN INZAKE DE HOOGTEVAN DE DREMPELS IN DE VOORFASE EN DE GELDIGHEIDS-DREMPEL BIJ CORRECTIEVE BINDENDE REFERENDABenodigd aantal ondersteu-ningsverklaringen voorinleidend en definitiefverzoekHoogte geldigheidsdrempelStaatscommissie van adviesinzake de relatie kiezers-beleidsvorming (1985)Inleidend verzoek: 10.000Definitief verzoek: 300.000Uitkomstdrempel: 30% van destemgerechtigdenTweede externe commissievraagpunten staatkundige,bestuurlijke en staatsrechte-lijke vernieuwing (1993)Inleidend verzoek: 20.000Definitief verzoek: 300.000Uitkomstdrempel: 30% van destemgerechtigdenWetsvoorstel Opneming in deGrondwet van bepalingeninzake het correctiefreferendum (Kamerstukken 25153) (1996)Inleidend verzoek: 40.000Definitief verzoek: 600.000Uitkomstdrempel: 30% vanhet totaal aantal kiesgerechtig-denWetsvoorstel Opneming in deGrondwet van bepalingeninzake het correctiefreferendum (Kamerstukken 27033) (2000)Inleidend verzoek: 40.000Definitief verzoek: 600.000Uitkomstdrempel: 30% vanhet totaal aantal kiesgerechtig-denInitiatiefvoorstel-Fokke,Voortman en Schouwcorrectief referendum(Kamerstukken 30 173) (2005)Inleidend verzoek: bij de wette bepalen aantal kiesge-rechtigdenDefinitief verzoek: bij de wette bepalen aantal kiesge-rechtigdenUitkomstdrempel: een bij dewet te bepalen deel van hendie gerechtigd waren aan hetreferendum deel te nemenStaatscommissie parlemen-tair stelsel (2018)Inleidend verzoek: 5.000Definitief verzoek: 400.000Uitkomstdrempel: 33 1/3% vanhet electoraatInitiatiefvoorstel-Van RaakOpneming in de Grondwetvan bepalingen inzake hetcorrectief referendum(Kamerstukken 35 129) (2019)Inleidend verzoek: bij de wette bepalen aantal kiesge-rechtigdenDefinitief verzoek: bij de wette bepalen aantal kiesge-rechtigdenUitkomstdrempel: eenmeerderheid die ten minstegelijk is aan een meerderheidvan het aantal bij de meestrecente verkiezingen van deTweede Kamer uitgebrachtestemmen BIJLAGE 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1217

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a6bb63a4be70892d

14 okt 2026 · a43883b4aad8a4be

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.