KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda Eurogroep en Ecofinraad 13 en 14 mei 2024 (Kamerstuk 21501-07-2035)

10 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8741581448cd7dbd · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202421 501-07Raad voor Economische en Financiële ZakenNr. 2036 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 10 mei 2024 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 2 mei2024 inzake de geannoteerde agenda Eurogroep/Ecofinraad van 13 en14 mei 2024 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2035), de brief van 26 april 2024inzake het verslag Eurogroep/Ecofinraad van 11 en 12 april 2024(Kamerstuk 21 501-07, nr. 2031), de brief van 27 maart 2024 inzake devoorlopige beoordeling betaalverzoek RRF Estland (Kamerstuk 21 501-07,nr. 2024), de brief van 16 april 2024 inzake de tweede en derde aanvul-lende Europese begrotingen (Kamerstuk 21 501-03, nr. 183) en de briefvan 12 april 2024 inzake het overzicht van betalingen RRF eerste kwartaal2024 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2028).De vragen en opmerkingen zijn op 6 mei 2024 aan de Minister vanFinanciën voorgelegd. Bij brief van 10 mei 2024 zijn de vragenbeantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,TielenDe adjunct-griffier van de commissie,Lips kst-21501-07-2036ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20361 Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukken tenaanzien van de Eurogroep en de Ecofinraad. Naar aanleiding hiervanhebben deze leden nog enkele vragen.Allereerst ten aanzien van het pakket btw in het digitale tijdperk. De ledenvan de PVV-fractie merken op dat het kabinet in een eerder stadiumpositief was over het voorstel, maar dat het kabinet ook haar zorgen hadover de stijging van de administratieve en uitvoeringslasten voor hetbedrijfsleven en de Belastingdienst. Tegelijkertijd kon ten tijde van hetBNC-fiche nog niet precies in kaart worden gebracht hoe substantieel dezelasten zijn.De leden van de PVV-fractie vragen het kabinet dan ook of inmiddelsduidelijk is wat de impact van het uiteindelijke akkoord voor het bedrijfs-leven en de Belastingdienst zal zijn. Heeft er reeds een uitvoeringstoetsplaatsgevonden?Ook vragen deze leden wat naar verwachting de gevolgen voor deNederlandse btw-opbrengsten zijn van het voorliggende compromis-voorstel.De Belastingdienst is betrokken bij de beoordeling van het pakket en deeffecten voor de uitvoering. Een uitvoeringstoets heeft nog niet plaatsge-vonden, deze wordt opgesteld bij het wetsvoorstel dat de implementatievan de EU-wetgeving regelt. De Belastingdienst heeft in een eerdere faseeen zogenaamde quickscan uitgevoerd op het richtlijnvoorstel. Hieruitblijkt dat de implementatie van de voorstellen voor de digitale rapportage-verplichtingen pas kan starten nadat het nieuwe btw-systeem opera-tioneel is.Voor het deel van het akkoord dat op de uitbreiding van het één loket-systeem ziet, is bij het initiële voorstel van de Europese Commissie reedsin kaart gebracht dat de maatregel een positief effect zal hebben op deadministratieve lasten van ondernemers. Door de uitbreiding van hetéénloketsysteem kunnen ondernemers immers gemakkelijker hun btwaangeven en afdragen, zonder dat het noodzakelijk is dat zij zich latenregisteren in andere lidstaten.Voor het deel van het akkoord dat betrekking heeft op de platformfictie,kan de platformfictie zowel positieve als negatieve effecten hebben op deadministratieve lasten van platforms. Enerzijds wordt verwacht dat deadministratieve lasten zullen dalen als gevolg van het creëren vanduidelijkheid over de plaats van belastingheffing voor faciliterings-diensten die platforms verrichten. Anderzijds kan ook sprake zijn van eenstijging van administratieve lasten als gevolg van de nieuwebtw-verplichtingen voor deze platforms. De baten en kosten voor hetbedrijfsleven op basis het recente akkoord zijn niet gekwantificeerd.Voor het deel van het akkoord dat op elektronisch factureren en digitalerapportageverplichtingen ziet, zullen de wijzigingen de nodige inspan-ningen van het bedrijfsleven vergen. Het bedrijfsleven zal in aanrakingkomen met de implementatie van e-facturatie, de verkorting van defactuurtermijn en een rapportageverplichting per grensoverschrijdendetransactie. Op de langere termijn zal het akkoord naar verwachting echterpositieve effecten bewerkstelligen. Allereerst voorkomt dit akkoord dat opde langere termijn in de Europese Unie een steeds verder uitdijendediversiteit aan rapportagesystemen worden ingevoerd en dat onder-nemers te maken krijgen met een steeds verder gefragmenteerd stelsel.Bovendien voorziet het akkoord in meer harmonisatie door het hanterenvan een technische facturatiestandaard (de zogeheten EuropeseTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20362 standaard), waarmee belemmeringen worden weggenomen om inNederland en in andere lidstaten handel te drijven.De verwachting is dat het akkoord de btw-inkomsten van Nederland enandere lidstaten zal verhogen, in bijzonder als gevolg van het invoerenvan de digitale rapportageverplichting en elektronisch factureren. In hetinitiële voorstel zijn de opbrengsten geraamd.1 Het akkoord verschilt nietwezenlijk van het initiële voorstel, waardoor naar verwachting degeraamde opbrengst min of meer gelijk blijft. Deze opbrengsten zijnechter in het bijzonder afkomstig uit een betere naleving van debtw-wetgeving en verminderde fraude en daarom niet relevant voor hetinkomstenkader.Voorts, aangaande onderdeel (1) van het pakket, namelijk het in lijnbrengen van binnenlandse systemen met het nieuwe Europese systeem,vragen deze leden welke exacte gevolgen dit heeft voor de autonomie vanNederland. Welke wijzigingen worden er aan Nederlandse systemenaangebracht en welke toekomstige ontwikkelingen verwacht het kabinet?Het eerste onderdeel van het pakket betreft in hoofdlijnen het moderni-seren van het btw-rapportagesysteem en het invoeren van elektronischfactureren. De autonomie van Nederland wordt als gevolg van hetakkoord op dit gebied naar verwachting verruimd. De huidige regels in deBTW-richtlijn 2006 zijn inmiddels sterk verouderd en sluiten niet aan bij dehuidige en toekomstige digitale ontwikkelingen. Om mee te kunnen metde eigentijdse ontwikkelingen, zoals elektronisch factureren, wordtmomenteel van lidstaten verlangd dat zij (periodiek) om derogatiesverzoeken. Voor lidstaten en het bedrijfsleven vormt de huidige richtlijndus een barrière om gebruik te maken van nieuwe digitale ontwikke-lingen. Het akkoord neemt deze barrière weg door deze oude, bestaanderegels te vervangen en te moderniseren. Het akkoord zorgt ervoor datlidstaten in het vervolg vrij zijn, zonder daartoe een derogatieverzoek in tedienen, om hun btw-regels beter aan te laten sluiten bij de digitaleontwikkelingen.Het akkoord leidt ertoe dat Nederland een aantal verouderde regels moetwijzigen, bijvoorbeeld wat betreft facturatie. Momenteel is de papierenfactuur de hoofdregel en een elektronische factuur de uitzondering. Alsgevolg van het akkoord wordt dit omgedraaid. Hiermee wordt voorkomendat btw-facturatieregels een barrière vormen voor verdere digitaliseringvan bedrijfsprocessen en processen van de overheid. Ten opzichte van hetoorspronkelijke voorstel is een aantal versoepelingen aangebracht methet oog op aansluiting bij bestaande bedrijfsprocessen, zoals het behoudvan zelffacturatie, verzamelfacturen en oprekking van de factuurtermijn.In het akkoord is tevens bepaald dat e-facturatie als hoofdregel zalplaatsvinden op basis van de reeds bestaande gemeenschappelijkeEuropese norm van elektronisch factureren. Het doel hiervan is meerledig.Allereerst beoogt het akkoord hiermee samenhang tussen bestaandewetgeving op het gebied van e-facturatie (B2G) te creëren. Daarnaastwordt op deze wijze zoveel als mogelijk interoperabiliteit en convergentieop Europees niveau bevorderd. Uiteraard zijn lidstaten ook vrij om naastdeze Europese norm een nationale norm te hanteren.Het akkoord vervangt ook de verouderde rapportagelijsten voor intracom-munautaire prestaties door een digitaal rapportagesysteem op transactie-niveau. Van ondernemers wordt verlangd dat zij specifieke informatie op1In het BNC-fiche is daarover opgenomen dat de Europese Commissie de btw-opbrengst voorlidstaten in de periode 2023–2032 tussen de € 135 miljard en € 177 miljard raamt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20363 de factuur aan de Belastingdienst verzenden en dat de Belastingdienst deinformatie, voor zover dit informatie is over een grensoverschrijdendetransactie, doorzendt naar een centraal beheerd Europees systeem (VIES).De wijze waarop ondernemers de informatie aan hun belastingdienstenverstrekken, wordt in het akkoord niet geregeld. Dat betekent dat lidstatenbeleidsvrijheid hebben om te bepalen hoe die gegevensverzending zalverlopen.Het akkoord voorziet ook erin dat lidstaten de beleidsvrijheid hebben voorhet invoeren van een rapportagesysteem voor binnenlandse transacties.Lidstaten hebben in principe veel beleidsvrijheid hoe zij de gegevensrap-portage willen laten verlopen, met dien verstande dat zij er wel zorg voormoeten dragen dat de verzending van de factuurgegevens dient tevoldoen aan de Europese standaard. Ook hier geldt dat lidstaten vrij zijnom naast de Europese standaard, andere standaarden toe te staan voorverzending van factuurgegevens.Resumerend bevat het akkoord veel beleidsvrijheid om op nationaalniveau keuzes te maken, zoals het invoeren van een e-facturatie-verplichting voor binnenlandse transacties en de wijze van informatiever-strekking aan Belastingdiensten.Waar het gaat om het richtlijnvoorstel snellere en veiligere verminderingte veel ingehouden bronbelasting («FASTER») gaf het kabinet in hetBNC-fiche enkele aandachtspunten mee, onder andere dat het voorstelcomplex is en zou leiden tot extra regeldruk, maar dat de reikwijdte vanhet voorstel beperkt wordt geacht. De leden van de PVV-fractie vragen hetkabinet wat de impact is van het uiteindelijke akkoord op de uitvoerings-capaciteit van de Belastingdienst en de regeldruk.In het BNC-fiche is ten aanzien van de uitvoeringsaspecten opgenomendat het richtlijnvoorstel nog veel onduidelijkheden bevat waardoor ertevens ten aanzien van de uitvoeringsaspecten veel onduidelijk was.Afhankelijk van de uiteindelijke tekst van de richtlijn en de wijze waaropde richtlijn wordt uitgewerkt in nationale wetgeving, zou de richtlijnkunnen leiden tot een toename van complexiteit in de uitvoering.Inmiddels is meer duidelijk over de vormgeving van de richtlijn. Tijdensde onderhandelingen over de richtlijntekst is tevens uitgebreid aandachtgeweest voor de uitvoeringsaspecten. In het uiteindelijke resultaat is eengoede balans bereikt tussen het bestendig maken van misbruik doormiddel van additionele handhavingsmogelijkheden voor en rapportageaan belastingdiensten, een breder toepassingsbereik voor beleggings-fondsen en uitvoerbaarheid voor Belastingdiensten.De uitvoeringsaspecten en bijbehorende kosten zullen in kaart wordengebracht door middel een uitvoeringstoets die zal worden uitgevoerd opbasis van definitieve Nederlandse wetsteksten.Ook willen deze leden weten hoe het voorliggende voorstel zich verhoudttot nationale initiatieven.Het bestrijden van belastingontwijking en -ontduiking is een speerpuntvan dit kabinet. Het richtlijnvoorstel FASTER ziet voornamelijk opprocedures voor de vermindering van overtollige bronbelasting en heeftgeen invloed op de materiële wettelijke bepalingen van de lidstaten. Hetdoel van het richtlijnvoorstel FASTER is om de procedures voor devermindering van bronbelasting te harmoniseren en bestendiger temaken voor misbruik. Om dit te bewerkstelligen bevat het richtlijnvoorstelFASTER rapportageverplichtingen waarbij informatie gedeeld wordt diemisbruik van de bronbelastingprocedures kan helpen bestrijden. Dit zietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20364 op informatie over de houdsterperiode van de onderliggende effecten eninformatie over financiële regelingen die verband houden met de effectenwaarvoor de belastingplichtige om belastingvermindering verzoekt.Nederland zet zich daarnaast unilateraal in om dividendstripping tegen tegaan. Met ingang van 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werkinggetreden om de aanpak van dividendstripping te versterken, als onderdeelvan de Overige Fiscale Maatregelen 2024.2 In de memorie van toelichtingbij de Overige Fiscale Maatregelen 2024 is een onderzoek naar alterna-tieve maatregelen aangekondigd en is opgemerkt dat dit onderzoek in hetvoorjaar van 2025 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.3Aan de Kamer is toegezegd om ook de aanpak van dividendstripping doorandere EU-landen te betrekken in het voornoemde onderzoek.4 Hetonderhavige richtlijnvoorstel heeft naar verwachting geen invloed op degenoemde Nederlandse maatregelen of op het onderzoek.Tevens vragen deze leden het kabinet welke autoriteit verantwoordelijkwordt voor het certificeren van en het toezichthouden op de gecertifi-ceerde financiële intermediair (GFI). Hoe past deze nieuwe taak in hetbestaande toezichtraamwerk? Hoe worden de toezichtkosten gefinan-cierd?Het kabinet heeft nog niet bepaald welke autoriteit verantwoordelijk wordtvoor het certificeren van financiële intermediairs. Het toezicht zalgebeuren door de Belastingdienst. De GFIs moeten immers rapporterenen verzoeken indienen bij de Belastingdienst. Deze zal hierom moetenbevoegd moeten zijn om de juistheid van de rapportage en verzoeken tebeoordelen. De Belastingdienst is nu ook al verantwoordelijk voor hetbeoordelen van verminderingsverzoeken. De uitvoeringskosten zullen inbeeld worden gebracht door middel van een uitvoeringstoets.Waar komt de verantwoordelijkheid te liggen voor het verstrekken vanelektronische woonplaatsverklaringen?De Belastingdienst is ook nu al verantwoordelijk voor het afgeven vanwoonplaatsverklaringen. Woonplaatsverklaringen worden op dit momentop papier afgegeven. Om over te gaan op elektronische woonplaatsverkla-ringen zal de Belastingdienst enkele processen moeten wijzigen.De leden van de PVV-fractie merken op dat voor Nederland het momentnadert dat het eerste begrotingsplan moet worden ingediend, terwijl ermomenteel nog een demissionair kabinet zit. De Minister gaf eerder opvragen van het lid Mooiman (PVV) aan dat hij desondanks voornemens iseen plan in te dienen. De leden van de PVV-fractie vragen het kabinetwelke impact het indienen van dit plan heeft voor de mogelijkheden vaneen toekomstig kabinet en of het demissionaire kabinet Nederlandhiermee meerjarig vastlegt voor een specifiek begrotingsbeleid. Ookwillen deze leden weten welke mogelijkheden tot uitstel er zijn.Voorts vragen deze leden het kabinet of het kabinet het voorziene procesbij de totstandkoming van het Nederlandse nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn kan toelichten en hoe deKamer hierbij adequaat wordt betrokken. Wordt het plan voorafgaand aan2Stb. 2023, nr. 501.3Kamerstukken II 2023/24, 36 420, nr. 3. p. 10.4Zie o.a. Kamerstukken II 2023/24, 36 420, nr. 6, blz. 7 en Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 120,blz. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20365 indiening bij de Europese Commissie en de Raad ter goedkeuringvoorgelegd aan de Kamer?De lidstaten hebben met elkaar en de Commissie afgesproken om heteerste nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn(«het plan») uiterlijk in te dienen op 20 september 2024, tenzij de lidstaaten de Commissie overeenkomen die termijn met een redelijke periode teverlengen. Dit biedt de mogelijkheid voor het demissionaire kabinet omde Commissie te verzoeken om enige verlenging van die termijn, zodat deindiening beter aansluit bij de Nederlandse begrotingscyclus.Als er geen nieuw kabinet is gevormd wanneer het plan wordt ingediend,dan zal het demissionaire kabinet een «demissionaire variant» van hetplan indienen. Deze zal dan samen met de Miljoenennota (17 september)aangeboden worden aan de Kamer. Dit biedt de Kamer de mogelijkheidom het plan voorafgaand aan indiening met het kabinet te bespreken. Hetkabinet zal de Europese Commissie om uitstel van de deadline vragen alsblijkt dat dit nodig is om uw Kamer voldoende mogelijkheid te geven hetbegrotingsplan te bestuderen.Het demissionaire kabinet begint komende periode met de voorbereidingvoor het indienen van het plan. Hierbij zal zij een demissionaire variantvan het plan voorbereiden. Dit beperkt de mogelijkheden van een nieuwkabinet niet. In de verordening is opgenomen dat lidstaten zodra eennieuwe regering is aangetreden, een nieuw plan kunnen indienen.Ook als een nieuw kabinet is gevormd voordat het plan wordt ingediend,is het belangrijk dat het huidige demissionaire kabinet wel begint met devoorbereidingen voor het plan. Zo kan het nieuwe kabinet bij aantredingzo snel mogelijk aan de slag met de verdere vormgeving van het plan.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda. Deze leden hebben hierover een aantal vragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om eenreactie op de speech van de Franse president Macron, die aangeeft dat dekapitaalmarktunie zo nodig in «enhanced cooperation» verder gebrachtmoet worden. Alhoewel dit in de ogen van deze leden niet ideaal zou zijn,zou dit wel kunnen helpen om politieke druk op voortgang te verhogen,ook bij die lidstaten die dwarsliggen. Neemt Nederland vanuit datpolitieke perspectief een constructieve houding aan ten aanzien van hetFranse pleidooi?Verdere verdieping en integratie van Europese kapitaalmarkten vind ikbelangrijk. Het heeft mijn voorkeur dat dit plaatsvindt met betrokkenheidvan alle EU-lidstaten, zodat de hele EU kan profiteren van de grootstmogelijke gemeenschappelijke kapitaalmarkt. Ook lidstaten met minderdiepe en ontwikkelde nationale markten. Daar blijft mijn inzet op gericht.Dat neemt niet weg dat ik, zoals ik uw Kamer eerder heb gemeld, ookkansen zie om op deelterreinen verdere samenwerking met gelijkge-stemde lidstaten te verkennen en gezamenlijk de Europese discussieverder te brengen op voor Nederland belangrijke prioriteiten.55Kamerstukken II, 2023–24, 22 112, nr. 3931Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20366 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet tevens omeen appreciatie van de suggestie (uit het Letta-rapport) voor een 28eregime op het KMU-terrein.Veel maatregelen die de heer Letta noemt, gaan in dezelfde richting als devisie van het kabinet. In het visiedocument over de kapitaalmarktunienoemt het kabinet ook de mogelijkheid om een 28e regime m.b.t.jaarverslaggeving voor het mkb te verkennen6 al dan niet door hetbekrachtigen van het IFRS for SMEs regime van het InternationaalAccounting Standards Board.7 Dit zou bijvoorbeeld start- en scale-upskunnen helpen om betere toegang tot buitenlandse investeerders teverkrijgen, omdat hun bedrijfsprestaties beter zichtbaar en vergelijkbaarzijn dan als zij nationaal jaarrekeningrecht toepassen. Tegelijkertijd vergtmenig aanbeveling uit het rapport van Letta nog een nadere uitwerkingvoor een goede beoordeling van de beoogde effecten en de toegevoegdewaarde. Dit geldt ook voor zijn aanbeveling met betrekking tot een 28eregime. De impact hiervan kan per rechtsgebied en per doelgroepverschillen en de wenselijkheid, haalbaarheid en behoefte vanuitmarktpartijen dienen nader te worden verkend. Voor een verdereappreciatie van het rapport van Letta verwijs ik naar de brief die deMinister van Economische Zaken en Klimaat op 7 mei jl. hierover aan uwKamer heeft gestuurd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat landen die dwars-liggen bij ambitieuzere voortgang op het KMU-dossier inhoudelijkbeweegt. Of zijn dit naar inschatting van het kabinet vooral politiekeoverwegingen?Het rapport van denktank Instituut voor Publieke Economie noemt datinvloed en bescherming van nationale en sectorale belangen eenbelangrijke factor is bij de onderhandelingen over Commissievoorstellen,die voortgang en ambitieuze resultaten mogelijk belemmeren.8 Dat zie ikook. Het wegnemen van barrières vergt verbetering of aanpassing opverschillende terreinen en rechtsgebieden, bijvoorbeeld financiëlemarkten, fiscaliteit en ondernemingsrecht, en is daarmee complex.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op welke manier eengemeenschappelijke toezichthouder op de kapitaalmarkten (geïnspireerddoor het SSM) onderdeel gaat zijn van een eventueel Commissie-werkprogramma en -actieplan? Maakt Nederland zich hier hard voor?Ik heb geen inzicht in de inhoud van het werkprogramma van de – na deEuropese Parlementsverkiezingen nog te vormen – nieuwe EuropeseCommissie. Zoals in het visiedocument van het kabinet is beschreven, zouer wat het kabinet betreft veel aandacht moeten zijn voor versterking vanhet kapitaalmarkttoezicht. Hierbij kan inspiratie worden opgedaan van hetmodel dat het Single Supervisory Mechanism hanteert voor het toezichtop systeemrelevante banken. Dit is wat mij betreft niet de enige routevoor versterking van de rol van de Europese Autoriteit voor effecten enmarkten (ESMA). De volgende Europese Commissie zou ook kunnenverkennen hoe zogeheten joint supervisory teams of toezichtscollegesverder kunnen worden uitgebreid zodat de expertise die nationaletoezichthouders hebben opgebouwd, goed toegepast kan worden in hetversterkte Europese toezichtraamwerk. Ook voor het draagvlak vind ik hetvan belang dat de effecten van verschillende opties in kaart wordengebracht en uitgewerkt door de Europese Commissie. Zoals in de6Kamerstukken II, 2023–24, 21 501-07, nr. 2011, bijlage7https://www.ifrs.org/issued-standards/ifrs-for-smes/8Kamerstukken II, 2023–24, 22 112, nr. 3931Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20367 geannoteerde agenda genoemd, roep ik in de Eurogroep op totambitieuze nieuwe voorstellen van de nieuwe Commissie. Dat zou in devorm kunnen van een nieuw actieplan waar opvolgend wetgevendevoorstellen uit voorkomen. Momenteel verken ik, zoals uw Kamer eerdergemeld, of ik met gelijkgestemde landen nadere invulling kan geven aande voor Nederland belangrijke prioriteiten, om hiermee het krachtenvelden de nieuwe Europese Commissie te beïnvloeden.9De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet vanmening is dat een Commissie-werkprogramma en een actieplan hetgeenis dat nu nodig is. Maar gaat het niet vooral om een politieke doorbraak?Betekent wéér een actieplan of werkprogramma niet vooral uitstel op eendergelijke politieke doorbraak? Hoe ambitieus een dergelijk programma ofplan ook is, het geeft de exercitie in de ogen van deze leden een ambtelijkkarakter, terwijl politiek handelen (bijvoorbeeld op een top) nodig is.De kapitaalmarktunie is in de afgelopen twaalf maanden, minstens achtkeer geagendeerd en besproken in de Eurogroep. Dit traject, waartoe deEuropese Raad heeft opgeroepen in maart 2023, heeft tot doel hetverkennen van de uitdagingen en het vormgeven van een gedragen visievoor de versterking van de kapitaalmarktunie. Met collegaministers vanFinanciën hebben mijn ambtsvoorganger en ik veelvuldig van gedachtengewisseld over de barrières en kansen voor de kapitaalmarktunie, alsookde noodzaak van verdere actie om privaat kapitaal te mobiliseren tenbehoeve van de transities, het concurrentievermogen, veiligheid, openstrategische autonomie en defensie van de EU. Dit heeft geresulteerd ineen brede, ambitieuze en bovenal breed gedragen verklaring van deEurogroep met een visie en prioriteiten voor de aanstaande Europesebeleidscyclus.10 De Europese Raad heeft deze ambitie bekrachtigd in haarEurozonetop-conclusies van maart 2024.11 Regeringsleiders hebbenbovendien tijdens de buitengewone Europese Raad van april jl. nadereprioritering aangebracht binnen de geïdentificeerde maatregelen, enzullen in juni opnieuw de voortgang bespreken.12 Er is daarmee veelmomentum en politiek commitment gecreëerd om tot voortgang tekomen. Ik blijf mij ervoor inzetten dat dit ook tot doorbraken bij de aanpakvan ingewikkelde barrières leidt. Het is aan de volgende EuropeseCommissie om met deze visie en aanbevelingen van de lidstaten aan deslag te gaan en tot een ambitieus actieplan te komen, of gerichte en goedonderbouwde (wetgevende) voorstellen om tot uitvoering van dezeprioriteiten te komen. Het is vervolgens ook aan de lidstaten in de Raad enhet Europees Parlement om de uitgesproken ambities waar te maken bijde onderhandelingen over deze voorstellen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om eenreactie op het voorstel van adviseur Letta voor een EU-langstermijn-spaarproduct en een gunstige fiscale behandeling hiervoor.Veel maatregelen die Letta noemt gaan in dezelfde richting als de visievan het kabinet. In het visiedocument over de kapitaalmarktunie noemthet kabinet ook de mogelijkheid voor ontwikkeling van een simpelEuropees pensioenspaarproduct ter bevordering van de derde pijler in deEU.13 Dit zou, naast nationale ontwikkeling van (tweede pijler) pensioen-9Kamerstukken II, 2023–24, 22 112, nr. 393110https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2024/03/11/statement-of-the-eurogroup-in-inclusive-format-on-the-future-of-capital-markets-union/11https://www.consilium.europa.eu/media/70855/20240322-euro-summit-statement-en.pdf12https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/04/18/european-council-conclusions-17-and-18-april-2024/13Kamerstukken II, 2023–24, 21 501-07, nr. 2011, bijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20368 stelsels in lidstaten met minder ontwikkelde (en niet kapitaalgedekte)pensioensystemen, door de EU verkend kunnen worden. Bijvoorbeelddoor herziening van het pan-Europese persoonlijke pensioenproduct,zoals Letta ook voorstelt. Het kabinet ziet daarbij ook een mogelijkheidvoor het bieden van nationale fiscale prikkels, zoals Nederland in haartweede en derde pijler reeds doet. Tegelijkertijd vergt menig aanbevelinguit het rapport van Letta nog een nadere uitwerking voor een goedebeoordeling van de beoogde effecten en de toegevoegde waarde. Ditgeldt ook voor zijn aanbeveling met betrekking tot een EU lange termijnspaarproduct. De impact van een dergelijk product hangt erg af van dekenmerken ervan, zowel hoe toegankelijk en eenvoudig het product is, alshoe hoog de kosten zijn en of het fiscaal aantrekkelijk is. De wenselijkheidervan dient daarom nader te worden verkend. Voor een verdere appre-ciatie van het rapport van Letta verwijs ik naar de brief die de Minister vanEconomische Zaken en Klimaat op 7 mei jl. hierover aan uw Kamer heeftgestuurd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen, in het kader van deafgelopen voorjaarsvergadering van het Internationaal Monetair Fonds(IMF), G20 en de Wereldbank, naar de in Washington aangehoordesignalen over het lastige geopolitieke parket waarin de Bretton Woods-instituties zich nu bevinden, omdat China en India grotere invloed willen,maar dit de instituties een richting in kunnen laten bewegen die niet inons belang is.Landen zoals China, en in mindere mate India, zijn ondervertegen-woordigd bij de Bretton Woods instellingen (IMF en Wereldbank) envragen om meer stemgewicht op basis van hun relatieve positie in dewereldeconomie. Goede vertegenwoordiging is een belangrijkevoorwaarde voor de legitimiteit van de internationale financiële instel-lingen waardoor deze efficiënt kunnen functioneren. Nederland vindt hetbelangrijk dat landen die een grotere stem vragen in internationalefinanciële instellingen ook meer verantwoordelijkheid nemen bij deaanpak van mondiale financieel-economische uitdagingen, zoalsschuldenproblematiek.Nederland stond en staat bij het IMF open voor een beperkte verschuivingvan het stemgewicht richting opkomende economieën, mits de last van dequotaverschuiving eerlijk wordt verdeeld over landen die nu oververte-genwoordigd zijn. Bij de Wereldbank wordt regulier gesproken over destemrechten. Bij de International Bank for Reconstruction andDevelopment (IBRD), het loket voor middeninkomenslanden, vindt deeerstvolgende discussie hierover in 2025 plaats. Bij de InternationalDevelopment Association (IDA), het loket voor de armste landen, is in2021 het stemrecht herzien, grotendeels op basis van de bijdragen doordonoren aan IDA. Dit sloot aan bij de Nederlandse inzet. Het BeleidskaderMondiaal Multilateralisme is leidend voor de Nederlandse inzet bij dezediscussies.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in welke mate erambtelijke voorgesprekken zijn met de Europese Commissie overbijvoorbeeld de sustainable finance-agenda van het volgende mandaat enzo ja, of Nederland bij die gesprekken inzet op het belang niet alleengroene, maar ook transitionele investeringen (van vervuilend naar mindervervuilend) een centrale plek te geven in de sustainable finance-agenda ineen volgend mandaat.Het Ministerie van Financiën voert met de Europese Commissie en anderelidstaten gesprekken over mogelijke nieuwe Europese prioriteiten op hetgebied van duurzame financiering. In deze gesprekken benadrukt hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 20369 Ministerie van Financiën het belang van de financiering van de duurzaam-heidstransitie. Het huidige duurzame financieringsraamwerk biedt hier aleen basis voor. Zo bevat de duurzame taxonomie bijvoorbeeld doelstel-lingen voor activiteiten waarvoor nog geen volledig duurzame, maar welminder vervuilende alternatieven beschikbaar zijn. Het is van belang omdit transitionele onderdeel van het raamwerk verder uit te bouwen omervoor te zorgen dat er meer van dit type financiering beschikbaar komt.Daarnaast ziet het Ministerie van Financiën kansen om de verschillendevereisten voor de beheersing van aan duurzaamheid gerelateerdefinanciële risico’s verder te harmoniseren, toezichthouders in staat testellen hier beter op te handhaven en meer kennis op te bouwen overbredere milieurisico’s. Ten slotte zou de coherentie en het gebruiksgemakvan de verschillende duurzaamheidsrapportagestandaarden beter kunnen.Vooruitgang op deze drie vlakken kan bijdragen aan de effectiviteit enefficiëntie van het duurzame financieringsraamwerk. Dit draagt niet alleenbij aan de financiering van de duurzaamheidstransitie, maar kan ook hetconcurrentievermogen van de Europese Unie en de Europese financiëlesector verbeteren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om eenreactie op het publieke pleidooi van de Franse president om het EuropeesStabiliteitsmechanisme op defensie te laten richten. Wat zijn hier wat hetkabinet betreft de voor- en nadelen van en vanuit welk oogpunt zal hetkabinet dergelijke voorstellen wegen? Hoe gaat Nederland zich opstellenals zowel Frankrijk als Duitsland zich positief tonen?Het idee om het ESM in te zetten voor defensiedoeleinden is recentmeermaals benoemd, o.a. door Macron en Letta. Het is evident dathierdoor een omvangrijk bedrag beschikbaar zou komen ten behoeve vandefensiedoeleinden. Daar staat tegenover dat het gebruik van het ESMvoor defensiedoeleinden zoals dat door de Franse president en door deheer Letta lijkt beoogd, niet strookt met het doel waartoe het ESM isopgericht, namelijk het verstrekken van stabiliteitssteun als dat onont-beerlijk is om de financiële stabiliteit in de eurozone te waarborgen. Er isop dit moment geen sprake van ernstige financieringsproblemen of dedreiging daarvan in de lidstaten van het ESM. De inzet van het ESM is dusnu niet nodig om de financiële stabiliteit van de eurozone en de lidstatente waarborgen. Het inzetten van het ESM voor defensie zou bovendien definanciële slagkracht van het ESM verkleinen om financiële steun teverlenen in het geval van een nieuwe dreigende financiële crisis in detoekomst. Dat is onwenselijk. Het ESM kan ook alleen steun bieden aanlanden die de euro als munt hebben terwijl de defensie-uitdagingen vooralle landen van de EU gelden. Om deze redenen is het kabinet geenvoorstander van de inzet van het ESM voor defensiedoeleinden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinet twee ofdrie concrete voorbeelden kan noemen van zaken die bereikt of zijnveranderd via de Coalition of Finance Ministers for Climate Action. Dezeleden snappen de opzet van het forum en staan hier constructieftegenover, maar willen graag meer inzicht in wat dit (de internationalebeleidsgemeenschap) in tastbare zin oplevert.De «Coalition of Finance Ministers for Climate Action» (CFMCA) brengt92 landen en 27 partners bij elkaar om klimaatactie te bevorderen enklimaatbeleid te integreren in het werk van Ministers van Financiën. Inoktober 2023 heeft de CFMCA voor het eerst een «Climate ActionStatement»14 gepubliceerd waarin 170+ acties genomen door Ministeries14https://www.financeministersforclimate.org/sites/cape/files/inlinefiles/CFMCA_climate%20action%20statement_1010_DIGITAAL_3.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203610 van Financiën uit 40+ landen worden getoond. Tijdens de 12e ministeriëlebijeenkomst en marge van de IMF/WB Jaarvergadering in oktober 2024 zalhet tweede Climate Action Statement worden gepubliceerd waarin devoortgang van – alsmede additionele – acties zullen worden getoond.Verder heeft de CFMCA aan het begin van 2023 een centraal rapportuitgebracht over «Strengthening the Role of Ministries of Finance inDriving Climate Action: A Framework and Guide for Ministers andMinistries of Finance»15 dat een raamwerk biedt om Ministeries vanFinanciën te ondersteunen bij het versterken van klimaatactie. Dit brengtconcreet in beeld wat de rol van Ministeries van Financiën kan zijn bijklimaatactie, en wat de wereldwijde best practice is op het gebied vanintegreren van klimaatoverwegingen op het domein van ministeries vanFinanciën. Het biedt ook een hulpmiddel om daarmee in de nationalecontext mee aan de slag te gaan. Tot slot, als niet-bindend forum waarinop een open manier uitgewisseld wordt, wordt leden de ruimte gebodenom nieuwe klimaat-gerelateerde onderwerpen te agenderen enbespreken. Hieronder vallen sommige onderwerpen die voor bepaaldelanden een mate van politieke gevoeligheid of uitdagingen met zichbrengen, alsmede nieuwe onderwerpen voor het beleidsterrein vanFinanciën. Via een open dialoog worden Ministeries van Financiën in hetforum bij onderwerpen betrokken zoals biodiversiteit en het concreetafbouwen van fossiele subsidies.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de kabinetsinzet voor de aankomende Eurogroep en de Ecofinraadvan 13 en 14 mei 2024. Deze leden hebben hierover de volgende vragenen opmerkingen.Wat zijn de redenen ervan dat Nederland al jaren niet de doelstelling haaltvan drie procent van het bruto binnenlands product (bbp) die geïnves-teerd zou moeten worden in onderzoek en innovatie? Waarom blijft ditpercentage steken op 2,32 procent in Nederland? Krijgt dit percentage welvoldoende prioriteit? Op welke manier kan de drieprocents-norm eenbetere plek krijgen als treefwaarde in de begroting van het Ministerie vanEconomische Zaken en Klimaat?De doelstelling om in 2030 3% van ons bbp uit te geven aan R&D uitgavenbij gelijkblijvende aandelen publiek en privaat (ongeveer 1% publiek en2% privaat) is een ambitieus doel en vraagt inzet van veel partijen,waaronder de Nederlandse overheid. In de Kamerbrief Innovatie enimpact van de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) enOnderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) van 11 november 2022 istoegelicht dat onze ambitie in lijn is met de Lissabon-doelstelling en datde totale R&D-uitgaven moeten stijgen tot 3% van het bruto binnenlandsproduct (bbp), zonder dat het private aandeel daalt. Verschillende studieswijzen erop dat de sectorstructuur een belangrijke verklaring is voor hetachterblijven van de R&D-intensiteit in Nederland. Dit wordt nog eensversterkt door minder relatieve groei binnen laagproductieve sectoren inNederland.Het kabinet heeft reeds de nodige acties ondernomen, zoals de investe-ringen via het Nationaal Groeifonds, het fonds voor onderzoek enwetenschap à € 500 mln. per jaar voor 10 jaar, het verhogen en indexerenvan het budget voor de WBSO en heeft zich ingezet voor een stabiele envoorspelbare Innovatiebox en bijvoorbeeld een extra structurele inves-tering ter waarde van 200 miljoen euro in onderzoek en onderwijs. Met15https://www.financeministersforclimate.org/sites/cape/files/inline-files/Strengthening%20the%20role%20of%20Ministries%20of%20Finance%20in%20driving%20action_Framework%20and%20guide%20FULL%20REPORT.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203611 het Toekomstfonds investeren we doorlopend in het duurzame verdien-vermogen van de toekomst door investeringen in valorisatie en start- enscale-ups. Tezamen met de kenniswerkersregeling (30%-regeling) is ditgenerieke beleid dat voor verschillende typen bedrijven relevant om teblijven innoveren.Via het missiegedreven innovatiebeleid en het daaraan gekoppeldinnovatie-instrumentarium geeft het kabinet daarenboven richting aanbedrijven en kennisinstellingen welke maatschappelijke vraagstukkenvoor het kabinet prioriteit hebben voor het ontwikkelen van innovaties. Indat kader is eind 2023 het Kennis- en Innovatieconvenant 2024–2027getekend door twaalf bewindspersonen, kennisinstellingen, bedrijfslevenen regionale partners, inclusief de intenties voor hun inzet in gedurendedie jaren. In de uitvoering van de gezamenlijk opgestelde Kennis- enInnovatieagenda’s worden deze intenties omgezet naar praktijk. In 2024investeren deze partijen samen 5,7 miljard euro in het ontwikkelen vandeze innovaties.Om de 3% te behalen zou er meer uitgegeven moeten worden aan R&D,waarvan het merendeel privaat. Dat betekent dat het van belang is nietalleen als overheid te blijven investeren in R&D, maar ook extra investe-ringen in R&D van het bedrijfsleven uit te lokken. Rathenau schrijft «In ditmeest recente TWIN-rapport zien we dat de overheid in 2023 3,0 miljardeuro meer begroot heeft ten opzichte van 2021 (CBS, voorlopige cijfers).De overheid zou dus nog 0,3 miljard euro extra moeten investeren om tevoldoen aan haar bijdrage voor het bereiken van 3,0% van het bbp in2023. Fiscale steun blijft bij deze berekeningen buiten beschouwing.Vanuit het bedrijfsleven, buitenlandse en overige partijen gezamenlijk is in2023 dan nog een extra investering nodig van 7,7 miljard euro tenopzichte van 2021 om 3,0% van het bbp in 2023 te bereiken.»Stabiel en voorspelbaar beleid is bij innovatiebeleid een belangrijkuitgangspunt. Voor innovatieve bedrijven is dit een essentiële voorwaardeis om in Nederland te blijven investeren in R&D, omdat deze investe-ringen voor de lange termijn worden gedaan. Die voorspelbaarheid staatonder druk, onder meer door het op pauze zetten van het NationaalGroeifonds (NGF) en de twijfel of er een volgende tranche van het NGFkomt. Dat maakt het voor de middellange- en lange termijn onzeker voorbedrijven in Nederland welke investeringen het volgende kabinet zal gaandoen in het kader van onderzoek en innovatie. Het is de verwachting datdeze onvoorspelbaarheid ertoe leidt dat bedrijven minder bereid zijn omlangjarig te investeren. Uiteindelijk is het aan het volgende kabinet om deingezette lijn van dit kabinet door te trekken of desgewenst aan te passen.Ten aanzien van investeringen in R&D is het gat tussen de Europese Unieaan de ene kant en Japan, China, en de Verenigde Staten aan de anderekant voornamelijk het gevolg van een verschil in private investeringen inR&D. In de EU ligt het percentage publieke R&D investeringen zelfs lichthoger dan in de andere drie landen. Wat betreft het aanjagen van privateinvesteringen in R&D ziet het kabinet met name een belangrijke rolweggelegd voor het verdiepen van de kapitaalmarktunie. Dat moet ervoorzorgen dat er meer risicodragend kapitaal is om te investeren in innova-tieve projecten en deze op te schalen, en zal daarmee een belangrijkebijdrage kunnen leveren aan het behalen van de 3% R&D doelstellingen.In dit kader ziet het momentum dat zowel in de Eurogroep als in deEuropese Raad in de afgelopen maanden is gecreëerd, inclusief politiekcommitment en ambitie voor verdere ontwikkeling van de kapitaalmark-tunie als een welkome ontwikkeling. Ik blijf mij ervoor inzetten dat dit ooktot doorbraken bij de aanpak van ingewikkelde barrières tot (grensover-schrijdende) kapitaalmarktfinanciering leidt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203612 Welke lessen kan Nederland trekken uit het innovatiebeleid in Oostenrijk,Duitsland en Finland? Is het kabinet bereid om werkbezoeken af te leggennaar deze landen om lering te trekken over het innovatiebeleid in dezelanden? Kan het kabinet daarover de Kamer informeren?Nederland geeft minder uit aan onderzoek en ontwikkeling (R&D) dan deons omringende landen, en loopt achter op het EU-doel om 3% bbp tespenderen aan R&D. Deze uitgaven zijn van belang om als economieconcurrerend te blijven en zo ons verdienvermogen te behouden. In hetantwoord op de voorgaande vraag is aangegeven wat het huidige kabinetheeft gedaan om de uitgaven aan R&D te vergroten. De landen die deafgelopen jaren een hoge arbeidsproductiviteitsgroei hebben weten terealiseren zijn ook de landen zijn met het hoogste aandeel vanR&D-intensieve sectoren. TNO voert momenteel een verkennendonderzoek uit naar het gevoerde R&D-beleid en de mogelijke effectendaarvan op R&D intensiteit in Duitsland, België en Denemarken. De eersteuitkomsten laten zien dat de groei vooral moet komen van al bestaandehoogtechnologische sectoren en het aantrekken van nieuw R&D-intensiefbedrijfsleven. Hierbij zijn een consistent innovatiebeleid en langdurigezekerheid van financiering belangrijk voor het stimuleren van bedrijvenom langjarig te investeren.In hoeverre verhoudt zich een algehele openstelling van wetenschappe-lijke onderzoeksresultaten tot het octrooirecht? Deelt het kabinet demening dat het octrooirecht juist leidt tot meer innovatie? Zo nee, is hetkabinet bereid om en maatschappelijke kosten batenanalyse uit te voerenop de voor- en nadelen van het octrooirecht?Het kabinet is van mening dat het octrooirecht en andere intellectueleeigendomsrechten een belangrijk rol vervullen in het aanjagen vanonderzoek en ontwikkeling en een essentieel instrument zijn om kennis tekunnen delen. Daarmee zijn intellectuele eigendomsrechten een essen-tieel instrument om innovatie te bevorderen.De leden van de NSC-fractie constateren dat er al jaren wordt gesprokenover een «kapitaalmarktunie» zonder enig concreet resultaat. Ziet hetkabinet hierin een analogie met de Single European Skies, een Europeesproject voor de eenmaking van het luchtruim, dat al meer dan 15 jaarnergens toe leidt?Versterking van de Europese kapitaalmarkten is hoogst noodzakelijk, maarook een proces van de lange adem, omdat het verbeteringen en aanpas-singen op veel verschillende terreinen en rechtsgebieden vergt, op zowelEuropees als nationaal niveau. Met name op terreinen die raken aannationale of sectorale gevestigde belangen is het bereiken van voortganglastig, omdat de voorstellen van de Europese Commissie regelmatig doorde Raad en het Europees Parlement worden verwaterd. Hierdoor is deimpact op de verdieping en integratie van de kapitaalmarkten mindergroot dan gewenst. Het blijft wenselijk om stap voor stap voortgang teboeken, zoals ook in het afgelopen decennium is gebeurd. Dat er weldegelijk resultaten zijn bereikt is ook de conclusie van denktank Instituutvoor Publieke Economie (IPE).16 Met de twee actieplannen van deEuropese Commissie zijn belangrijke stappen gezet, zoals de versterkingvan de Europese toezichthoudende entiteiten, verbetering van de toegangtot kapitaalmarktfinanciering door introductie en herziening van deprospectusverordening, ontwikkeling van mkb-groeimarkten en professio-16Kamerstukken II, 2023–24, 22 112, nr. 3931Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203613 nalisering van de markt voor crowdfunding.17 Recenter is ook opEU-niveau regelgeving tot stand gekomen voor verdere ontwikkeling vanlangetermijnbeleggingsproducten (ELTIF), bevordering van de totstand-koming van consolidated tapes voor meer transparantie over handel infinanciële instrumenten en het opzetten van een Europees toegangspuntvoor data (ESAP), naast tal van andere wetgevende voorstellen enniet-wetgevende initiatieven voortkomend uit het tweede actieplan.18Kortom, er zijn belangrijke stappen gezet die allemaal bijdragen aan eensterke Europese kapitaalmarkt, maar er is wat het kabinet betreft nogonvoldoende gedaan om de doelstellingen van een daadwerkelijkekapitaalmarktunie te bereiken. Daartoe is de komende jaren nog meeractie nodig, waartoe de Eurogroep en Europese Raad reeds al hebbenopgeroepen.Klopt het dat de kapitaalmarktunie onder andere draait om wederzijdeerkenning van onderpand bij kredieten? Is het niet juist zo dat kredietver-strekking iets is wat vooral effectief is op nationaal en/of regionaal niveau,en waarin de Europese Unie geen wezenlijke rol kan spelen? Welk nutheeft de eventuele harmonisatie van het insolventierecht, dat toch vaak isingericht naar nationale gewoonten en gebruiken?Aanpak van obstakels in het insolventierecht vindt het kabinet van belangom grensoverschrijdende financiering te bevorderen, met name marktfi-nanciering. Hiervan hebben bedrijven, kredietverleners en andereinvesteerders (zoals durfkapitaalinvesteerders of beleggers in (beursgeno-teerde) aandelen of obligaties) profijt. Faillissementsregelgeving ismomenteel veelal nationaal geregeld, vaak met een lange historischegeschiedenis waardoor regels en gebruiken tussen lidstaten aanzienlijkkunnen verschillen. Dit maakt het voor buitenlandse investeerders,evenals buitenlandse banken, ingewikkelder en duurder om grensover-schrijdend bedrijven te financieren, omdat er meer risico’s aan verbondenzijn. Daarmee is het een barrière voor het vrije verkeer van kapitaal in deinterne markt. De EU is, op grond van het Verdrag van de Werking van deEuropese Unie (VWEU), bevoegd om maatregelen te treffen met als doelde totstandkoming en goede werking van die interne markt. Door aanpakvan deze obstakels, via verdere stroomlijning en gerichte verbetering vanhet insolventierecht, kunnen de kapitaalmarkten in de EU beter geïnte-greerd worden. Europese bedrijven profiteren hiervan, omdat zij betertoegang krijgen tot een meer divers en flexibel aanbod van financiering.Bedrijven, investeerders en beleggers hebben lagere transactiekosten,omdat zij minder onderzoek vooraf moeten (laten) doen naar hun rechtenen plichten als schuldeiser. Ze hebben ook betere inprijzing van mogelijkeverliezen, bij een mogelijk faillissement van een buitenlands bedrijfwaarin zij investeren, dat zij financieren of waar zij zaken mee doen. Doormeer diversiteit in het aanbod van financiering, kan bovendien wordenbevorderd dat bedrijven, waaronder het mkb, minder afhankelijk zijn vanbancaire kredietverlening. Dat komt bovendien de stabiliteit van deEuropese economie en financiële systeem ten goede, omdat meergrensoverschrijdend kapitaalbezit, diversificatie van financierings-mogelijkheden, risicospreiding en minder afhankelijkheid van bankenvoor kredietverstrekking, de weerbaarheid en schokbestendigheid van hetfinanciële systeem vergroot, en de reële economie minder gevoelig maaktvoor eventueel bankfalen.1917https://finance.ec.europa.eu/capital-markets-union-and-financial-markets/capital-markets-union/legislative-measures-taken-so-far-build-cmu_en18https://finance.ec.europa.eu/capital-markets-union-and-financial-markets/capital-markets-union/capital-markets-union-2020-action-plan_en19https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/03/19/aanbieding-rapport-beleidsrichtingen-voor-een-weerbare-bankensectorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203614 Kan het kabinet overwegen om de ambtelijke tijd en energie niet meer testeken in de «kapitaalmarktunie», dat vooral een symbolisch Europeesproject is, zonder wezenlijke meerwaarde? Kan het kabinet aangevenhoeveel ambtelijke capaciteit vrijgemaakt kan worden voor nuttigere takendan de kapitaalmarktunie?Ik ben het in het geheel niet eens met deze kwalificatie van de kapitaal-marktunie. Het kabinet vindt versterking van de kapitaalmarktunienoodzakelijk om de grote maatschappelijke uitdagingen waar Nederlanden de EU voor staan, aan te pakken. Alleen met een diepe en geïnte-greerde kapitaalmarkt kunnen de transities naar een duurzame en digitaleeconomie en het Europese bedrijfsleven worden gefinancierd. Een sterkekapitaalmarktunie komt daarmee het concurrentievermogen, de openstrategische autonomie en stabiliteit van de EU-economie ten goede. Hetis ook mede daarom dat het IMF, de ECB, verschillende denktanks en delidstaten oproepen tot verdere actie. Als we er niet of onvoldoende inslagen om privaat kapitaal in de EU te mobiliseren en van buiten de EUaan te trekken, zullen we de financiering van deze uitdagingen meerpubliek moeten opvangen, terwijl de begrotingsruimte van lidstatendaartoe beperkt is. Het niet versterken van de kapitaalmarkten heeft dustot risico dat er een groter beroep wordt gedaan op meer (Europesegemeenschappelijke) publieke financiering. Het is mede daarom dat ik mijer in de EU voor inzet om de kapitaalmarktunie verder te brengen. Zodatwe de grote maatschappelijke uitdagingen vooral privaat kunnenfinancieren en de EU op globale schaal concurrerender wordt.Kapitaal is een van de vier vrijheden van de EU. Zolang de EU bevoegd isom maatregelen te treffen ter bevordering van de interne markt, zal erover de kapitaalmarkten gesproken worden, bijvoorbeeld in het kader vanevaluatie van bestaande Europese regelgeving, en zal Nederland positiemoeten innemen in deze discussies, hetgeen ambtelijke voorbereidingvergt.Welke tegenmaatregelen heeft de Europese Unie inmiddels genomentegen de Inflation Reduction Act van de Verenigde Staten? Hebbenbedrijven inmiddels daadwerkelijk hun activiteiten verplaatst naar deVerenigde Staten, zoals vorig jaar door sommigen werd gevreesd? Zo ja,welke?De IRA is een groot wetgevingspakket van de Verenigde Staten op hetgebied van klimaat en energie en gezondheidszorg. Belangrijksteonderdeel is het investeringspakket van naar schatting $ 369 mld. voorklimaat en energie, uitgesmeerd over 10 jaar.20 Maatregelen die in deVerenigde Staten worden genomen zijn lastig te vergelijken met Europesemaatregelen. Dit komt ook doordat de EU eerder is begonnen metklimaatmaatregelen en gerelateerde subsidies dan de VS, dus veel van dereactie op IRA was er al. Zo gaat 30% van het totale EU-budget van€ 1,8 biljoen naar klimaatgerelateerde projecten, wat neer komt op€ 550 miljard (2021–2027). De EU investeert daarmee meer in klimaatgere-lateerde opgaven dan de VS met de IRA. Doordat de IRA vooral steungeeft via belastingkortingen lijkt de steun wel overzichtelijker en voorspel-baarder voor bedrijven. In de EU zijn de beschikbare financiële middelenmeer versnipperd over lidstaten, fondsen of subsidie-instrumenten.De meest recente maatregelen om de productie van netto-nul-techno-logieën in de EU aan te jagen zijn het Green Deal Industrial Plan (GDIP),Net-Zero Industry Act (NZIA) en het Tijdelijk Crisis en Transitiekader(TCTF). De Net Zero Industry Act (NZIA) – die onlangs is aangenomen –heeft als doel om de productiecapaciteit van netto-nul technologieën in de20Zie ook Kamerstuknr. 21 501-30, nr. 572Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203615 EU te stimuleren en de CCS-markt in de EU aan te jagen. Binnen het TCTFzijn er mogelijkheden om staatssteun te verlenen aan sectoren die cruciaalzijn voor een netto nul economie en om anti-relocatiesteun te geven.Daarbij wordt opgemerkt dat de Nederlandse positie op staatssteun isgebaseerd op minder, maar meer gerichte staatssteun. Ook is in het kadervan de tussentijdse herziening van het Meerjarig Financieel Kader (MFK)het Strategic Technologies for Europe Platform (STEP) opgericht.Omwille van de bedrijfsvertrouwelijkheid doen we geen uitspraken overindividuele bedrijfsgevallen, maar er zijn signalen dat de VS na deinvoering van de IRA aantrekkelijker is geworden voor bedrijven. De keuzevan een bedrijf voor een bepaald land is echter van veel factorenafhankelijk. Dit heeft niet alleen te maken met de financierings-mogelijkheden maar ook met het vestigingsklimaat in bredere zin,waaronder ten aanzien van talent, energieprijzen en (on)voorspelbaarheidvan (fiscaal) beleid.Klopt het dat het gecentraliseerde toezichtsregime op de kapitaalmarktendan vooral betrekking zou moeten hebben op ING, Rabobank enABN Amro, net als bij de bankenunie? Op welke manieren schiet hetnationale toezicht, in Nederland belegd bij De Nederlandsche Bank (DNB)en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), dan momenteel tekort volgenshet kabinet?De Europese Centrale Bank houdt toezicht op de grote, systeemrelevantebanken, ook Nederlandse banken. Mijn inzet om het toezicht te versterkenin het kader van de kapitaalmarktunie ziet op het toezicht op de kapitaal-markten, waaronder op entiteiten zoals handelsplatformen, centraletegenpartijen en centrale effectenbewaarinstellingen. Dit toezicht is nuvooral belegd bij nationale gedragstoezichthouders, zoals de AutoriteitFinanciële Markten (AFM) en beperkt bij de Europese Autoriteit vooreffecten en markten (ESMA). De reden voor mijn pleidooi is niet dat hethuidige nationale toezicht in mijn ogen tekortschiet, maar dat doorEuropese samenwerking en centralisatie, de uitvoering van het toezichtwel verbeterd en efficiënter kan worden. Financiële markten wordenimmers gekenmerkt door hun internationale karakter en internationaalopererende marktpartijen. Door versterkte samenwerking tussen nationaletoezichthouders en een grotere rol voor ESMA, kunnen uitdagingen enrisico’s die zich voordoen bij grensoverschrijdende activiteiten, betergemonitord en geadresseerd worden. Toezichtarbitrage en verschil ininterpretatie tussen nationale toezichthouders kan hiermee bovendienworden vermeden, waarmee het toezicht effectiever wordt. Ook kan hettoezicht op grote pan-Europese entiteiten efficiënter worden ingerichtvoor zowel de toezichthouders als de entiteit zelf, bijvoorbeeld doorcentrale datarapportage en -opslag en het vergroten van de rol van ESMAin het toezicht. In het visiedocument noemt het kabinet onder meer datinspiratie kan worden opgedaan van het model dat het Single SupervisoryMechanism hanteert voor het toezicht op systeemrelevante banken. Maarook kan worden verkend hoe zogeheten joint supervisory teams oftoezichtscolleges verder uitgebreid kunnen worden zodat de expertise dienationale toezichthouders opgebouwd hebben, goed toegepast kunnenworden in het versterkte Europese toezichtraamwerk.Kan het kabinet een maatschappelijke kosten batenanalyse maken vancentralisatie versus decentralisatie? Immers beide zijn kabinetsbeleid,terwijl zij op gespannen voet met elkaar staan. Heeft het kabinet eensluitend afwegingkader hiervoor, niet zijnde het Integraal Afwegingskader(IAK)? Kan het kabinet dit afwegingskader aan de Kamer doen toekomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203616 Europese beleidsvoorstellen, zowel mededelingen als wetgevingsvoor-stellen, worden door het kabinet altijd beoordeeld aan de hand van eenBNC-fiche, waarin ook de effecten op burgers en het bedrijfsleven wordengeapprecieerd. Nieuw voorgesteld nationaal beleid en wetgeving,inclusief implementatie van Europese wetgeving, wordt aan de hand vanhet beleidskompas beoordeeld. Ik zie geen aanleiding om een anderafwegingskader te hanteren, omdat ik belang hecht aan toepassing vandezelfde criteria bij beoordeling van beleid(sinitiatieven).Waarom is de harmonisering van het vennootschapsrecht uit de concept-conclusies gehaald?Uit de vraag is niet duidelijk af te leiden naar welke conceptconclusieswordt verwezen. Bovendien lijkt er te worden gevraagd naar concept-teksten die mogelijk in ambtelijke voorbesprekingen of het Coreper doorlidstaten zijn opgekomen. Om niet verzand te raken in verschillendeconceptteksten, zou ik mij willen concentreren op de tekst die gepubli-ceerd is.Wanneer wordt het minimumtarief van 15 procent in de Europese Unieingevoerd?In 2021 is een internationaal akkoord bereikt over een wereldwijdeminimumbelasting (Pijler 2). Deze regels zijn het resultaat van meerjarigeen intensieve onderhandelingen in het Inclusive Framework («IF»),georganiseerd door de OESO. Dit is historisch een belangrijke gebeurtenisomdat meer dan 135 landen dit akkoord onderschrijven. Het doel van dezePijler 2-regels is tweeledig: het tegengaan van belastingontwijking doorinternationale bedrijven en het uitbannen van schadelijke belastingconcur-rentie tussen landen. De Europese Commissie heeft een richtlijn voorge-steld om deze minimumbelasting in de EU te implementeren (Pijler 2-richtlijn). Op 15 december 2022 hebben de EU-lidstaten unaniem eenakkoord bereikt over dit voorstel. Deze richtlijn is gebaseerd op deOESO-modelregels over de minimumbelasting en komt daarmee (inhoofdzaak) overeen. De EU Pijler 2-richtlijn moest op 31 december 2023 innationale wetgeving zijn omgezet. Om aan deze verplichting te voldoenheeft Nederland een geheel nieuwe belastingwet opgesteld, de Wetminimumbelasting 2024. Vanaf 2024 kent Nederland daarom een nieuwebelasting, de minimumbelasting, die groepen entiteiten met een (wereld-wijde) omzet van ten minste € 750 miljoen dienen te betalen als heteffectieve belastingtarief in een staat lager is dan 15%. Het kan dan gaanom multinationale groepen maar ook om groepen die geheel inNederland zijn gevestigd.Per 1 januari 2024 is Pijler 2 in de Europese Unie ingevoerd, dit is inNederland gebeurd door middel van de Wet Minimumbelasting 2024. Inprincipe is hiermee het minimumtarief van 15 procent in de EuropeseUnie ingevoerd.Op 25 januari 2024 heeft de Europese Commissie een nieuwsberichtgepubliceerd21 waaruit bleek dat negen lidstaten de implementatie van dePijler 2-richtlijn nog niet bij de Europese Commissie hebben gemeld.Vijf lidstaten, waaronder vier uit de hiervoor genoemde groep, makengebruik van artikel 50 Pijler 2-richtlijn.22 In artikel 50 Pijler 2-richtlijn isgeregeld dat een lidstaat toepassing van de Pijler 2-richtlijn deels maguitstellen tot 1 januari 2030 mits er minder dan 12 uiteindelijkemoederen-titeiten van groepen die onder het toepassingsbereik van de Pijler2-richtlijn vallen, zijn gevestigd in de betreffende lidstaat. Ondanks dat in21https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/en/inf_24_28622Commission Notice, Election to delay application of the IIR and UTPR under Article 50 of thePillar Two Directive, OJ C 2023/1536 (12 December 2023).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203617 bepaalde lidstaten gebruik maken van artikel 50 Pijler 2-richtlijn belasting-heffing, wordt in de richtlijn bepaald dat deze bijheffing door middel vande onderbelastewinstmaatregel zal worden geëffectueerd door anderelidstaten waar deze groep is gevestigd.Hoe kan het dat over de btw in het digitale tijdperk zowel het EuropeseParlement als de nationale parlementen geen wezenlijke zeggenschaphebben? Hoe verhoudt dit zich tot het uitgangspunt van nationalesoevereiniteit in het fiscale domein?De nationale parlementen en het Europese Parlement (EP) hebbenwezenlijke zeggenschap. Ik ben het in het geheel niet eens met de onjuistekwalificatie hierover in de vraagstelling. De Raad van de Europese Unie –waarin alle lidstaten vertegenwoordigd zijn, en die elk gecontroleerdworden door de nationale parlementen – vormt samen met het EP dewetgevende macht van de EU. Zowel de Raad als het EP hebbenwezenlijke invloed op het door de Commissie gepubliceerde voorstel. HetEP kan een wetgevingsvoorstel goedkeuren, verwerpen of amenderen endient dit middels een advies kenbaar te maken aan de Raad. De Raad isechter niet wettelijk verplicht om het advies van het parlement te volgen.In artikelen 113 en 115 van het VWEU is vastgelegd dat besluitvorming inbelastingzaken plaatsvindt op basis van unanimiteit, waarbij het EP eenraadgevende rol heeft. In het geval van BTW is een vorm van Europesecoördinatie wenselijk gelet op het vrije verkeer van goederen op deinterne markt. Dat laat onverlet dat elke lidstaat – en dus elk nationaleparlement – met de voorstellen moet instemmen.Na publicatie van het Commissievoorstel «VAT in the digital age» werdzoals gebruikelijk een BNC-fiche (Beoordeling Nieuwe Commissievoor-stellen) opgesteld en gedeeld met de Kamer.23 In het BNC-fiche geeft hetkabinet een eerste oordeel over het voorstel van de Europese Commissie.De Kamer krijgt vervolgens de gelegenheid om hierop te reageren. HetBNC-fiche – inclusief de reactie – vormt vervolgens de inzet voor deNederlandse onderhandelingen in de EU. Daarnaast wordt een update aande Kamer gegeven wanneer een voorstel op de Ecofin wordt geagen-deerd. In het daaraan voorgaande Commissiedebat Ecofin kan de Kamerde Nederlandse inzet wederom beïnvloeden. Op deze wijze is dezeggenschap van het nationale parlement geborgd.Kan het kabinet op dit moment wel of niet instemmen met de wetgevings-trajecten die tijdens deze Ecofinraad aan de orde komen?Kan het kabinet op dit moment wel of niet instemmen met het commissie-voorstel «VAT in the digital age» (VIDA)? Klopt het dat dit nog niet hetrichtlijnvoorstel zelf is dat wordt behandeld, maar een voornemendaartoe? Komt het kabinet hierop nog terug bij de Kamer? Welkebtw-tarieven worden gehanteerd? Leidt dit tot veranderingen inbtw-tarieven, die op dit moment in Nederland worden gehanteerd?Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda, is het kabinet voornemenstijdens de Ecofin van mei 2024 in te stemmen met de laatste compromis-tekst van «VAT in the digital age» van het Belgische voorzitterschap.Indien alle lidstaten kunnen instemmen met de laatste compromistekst,zijn de onderhandelingen afgerond. De Kamer zal derhalve niet opnieuwworden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen. Voorwat betreft de btw-tarieven, kan worden vermeld dat er geen verande-ringen zullen plaatsvinden omdat VIDA hier niet op ziet. Het voorstel zietnamelijk op: (1) Digitale rapportageverplichtingen en e-facturatie: voorgrensoverschrijdende diensten en leveringen moet een gestandaardi-seerde e-factuur worden uitgewisseld en bepaalde data daaruit worden23Kamerstukken II 2022–2023, 22 112, nr. 3602Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203618 gerapporteerd. (2) Platformfictie voor kortlopende accommodatieverhuur-en personenvervoerdiensten aangeboden via platforms: betekent datplatforms voor de heffing van btw de fictieve leverancier worden van diediensten aangeboden via hun platforms. (3) de enkele btw-registratie: zietop hantering van één btw-registratie in de gehele unie. Derhalve zal hetCommissievoorstel niet leiden tot veranderingen in de btw-tarieven, zoalsdie op dit moment in Nederland worden gehanteerd.Kan het kabinet op dit moment wel of niet instemmen met het richtlijn-voorstel snellere en veiligere vermindering te veel ingehouden bronbe-lasting («FASTER»)?Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda, is het kabinet voornemensom in te stemmen met het compromisvoorstel van het Belgisch voorzitter-schap op FASTER. Het kabinet is een voorstander van een versterking enverdieping van de Europese kapitaalmarktunie. Het richtlijnvoorstel neemtdrempels weg voor Nederlandse beleggers, waaronder institutionelebeleggers als pensioenfondsen, om in andere lidstaten te beleggen. Naastde versterking en verdieping van de kapitaalmarktunie heeft het onder-havige voorstel een goede balans bereikt tussen het bestendig maken vande procedures tegen misbruik door middel van additionele handhavings-mogelijkheden voor en rapportage aan belastingdiensten en uitvoer-baarheid voor belastingdiensten.In hoeverre interfereert dit richtlijnvoorstel met de aanpak van belasting-ontduiking en dividendstrippen?Het bestrijden van belastingontwijking en ontduiking is een speerpunt vandit kabinet. Het richtlijnvoorstel FASTER ziet voornamelijk op proceduresvoor de vermindering van overtollige bronbelasting en heeft geen invloedop de materiële wettelijke bepalingen van de lidstaten. Het doel van hetrichtlijnvoorstel FASTER is om de procedures voor de vermindering vanbronbelasting te harmoniseren en bestendiger te maken voor misbruik.Om dit te bewerkstelligen bevat het richtlijnvoorstel FASTER rapportage-verplichtingen waarbij informatie gedeeld moet worden die misbruik vande bronbelastingprocedures moet helpen bestrijden. Dit ziet op informatieover de houdsterperiode van de onderliggende effecten en informatieover financiële regelingen die verband houden met de effecten waarvoorde belastingplichtige om belastingvermindering verzoekt.Nederland zet zich daarnaast unilateraal in om dividendstripping tegen tegaan. Met ingang van 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werkinggetreden om de aanpak van dividendstripping te versterken, als onderdeelvan de Overige Fiscale Maatregelen 2024. In de memorie van toelichtingbij de Overige Fiscale Maatregelen 2024 is een onderzoek naar alterna-tieve maatregelen aangekondigd en is opgemerkt dat dit onderzoek in hetvoorjaar van 2025 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd. Aan de Kamer istoegezegd om ook de aanpak van dividendstripping door andereEU-landen te betrekken in het voornoemde onderzoek. Het onderhavigerichtlijnvoorstel heeft naar verwachting geen invloed op de genoemdeNederlandse maatregelen of op het onderzoek.Immers bronbelasting is in de ogen van deze leden toch ook bedoeld omdit tegen te gaan. In welke gevallen wordt bronbelasting gedefinieerd als«te veel»?Het richtlijnvoorstel spreekt van «te veel ingehouden» of «overtollige»bronbelasting, in het Engels excess withholding tax. Het gaat hierbij omeen ontvanger van een dividend die op basis van een belastingverdragrecht heeft op een lager tarief (dividend)belasting dan het statutaire tarief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203619 In Nederland is het tarief van de dividendbelasting 15%. Wanneerbijvoorbeeld een Nederlands bedrijf een dividend uitkeert aan eeninwoner van een land waarmee Nederland in het verdrag heeftafgesproken om dividenden tegen 10% te belasten, houdt het Neder-landse bedrijf veelal 15% dividendbelasting in op het dividend. Er hadechter maar 10% dividendbelasting ingehouden te hoeven worden, hetverschil – 5% – is te veel ingehouden bronbelasting.In hoeverre sluit deze richtlijn aan bij de bronbelasting op dividenden,royalties en rente in Nederland, die enkele jaren geleden is ingevoerd?Het richtlijnvoorstel FASTER ziet op procedures voor de vermindering vanovertollige bronbelasting en heeft geen invloed op de materiële wettelijkebepalingen van de lidstaten. Het doel van het richtlijnvoorstel FASTER isom de procedures voor de vermindering van bronbelasting te harmoni-seren en bestendiger te maken tegen misbruik. Het richtlijnvoorstelFASTER roept procedures in het leven voor de vermindering vanbronbelasting op dividenden van publiek verhandelde aandelen en,optioneel, op bronbelastingen over rente van obligaties die publiekelijkworden verhandeld. De heffing van bronbelasting op dividenden, royaltiesen rente wordt door het richtlijnvoorstel FASTER niet beperkt.In hoeverre zijn de beoogde implementatiedata haalbaar voor deNederlandse Belastingdienst, Douane en bedrijfsleven?Gedurende de onderhandelingen zijn diverse belangenorganisatiesgeconsulteerd. De belangenorganisaties hebben aangegeven datvoorbereidingstijd essentieel is voor een deugdelijke werking van dewijziging. Uitgangspunt tijdens de onderhandelingen was dan ook steedsvoldoende voorbereidingstijd voor het bedrijfsleven. De laatste compro-mistekst van het Belgische voorzitterschap lijkt daarin te voorzien metaanzienlijk latere inwerkingtredingsdata ten opzichte van het oorspronke-lijke voorstel. Tijdens de onderhandelingen is daarnaast door Nederlandook zelf specifiek bezien welke implementatiedata voor Nederlandhaalbaar zouden zijn, waarbij van belang is dat voor de implementatie vande voorstellen voor de digitale rapportageverplichtingen voldoende tijdbeschikbaar is. De voorgestelde implementatiedata waarbij het invoe-ringsmoment voor de digitale rapportageverplichtingen op 1 juni 2030 isgesteld, voldoen daaraan.Waarom is een aantal Anglosaksische landen, waaronder de VerenigdeStaten, voorstander van de confiscatie van de Russische banktegoeden,terwijl Duitsland en Frankrijk hier tegen zijn?Deelt het kabinet de mening van de tien staatsrechtgeleerden en de Raadvan Europa dat volledige confiscatie van de 260 miljard euro op zijn plaatsis? Zo nee, waarom niet?Hoe kan het dat confiscatie in de Verenigde Staten wel mogelijk blijkt in devorm van REPO? Is de Europese Unie dan niet roomser dan de paus?Waarom zit er een dergelijk groot verschil tussen de woorden en de dadenbij het kabinet als het gaat om de confiscatie van de 260 miljard euro vanRusland? Vindt het kabinet het niet beschamend dat de Europese Unie opdit punt zo ver achter loopt op de Verenigde Staten? Hoe kan het kabineteraan bijdragen dat deze achterstand weer wordt ingelopen?Wat zijn de voor- en nadelen ten opzichte van de optie van nettering? Watverzet zich nog tegen de door de G7 uitgegeven obligatie, die 30 tot40 miljard euro zou kunnen opbrengen?Klopt het dat Nederland in 1945 4.000 hectare grondgebied van Duitslandheeft geconfisqueerd, als compensatie van de geleden oorlogsschade?Waarom zou dit nu niet van toepassing kunnen zijn op Rusland, dat eensoeverein land is binnen gevallen, zonder concrete aanleiding?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203620 Deelt het kabinet de mening dat het eigendomsrecht, zoals vastgelegd inartikel 14 van de Grondwet en artikel 1, eerste Protocol van het EVRM,geen absoluut recht is, maar een relatief recht, dat in bijzondere gevalleningetrokken kan worden? Deelt het kabinet de mening dat de Russischeinvasie in Oekraïne een bijzondere situatie is, die aanleiding kan zijn voorbijzondere maatregelen?Het kabinet zet in EU-verband in op snelle aanname van het voorstel tenaanzien van de bijzondere rente-inkomsten van de geïmmobiliseerdeRussische Centrale banktegoeden voor Oekraïne. Daarnaast onderzoekthet kabinet wat de mogelijkheden en juridische en financieel-economischerisico’s zijn om de onderliggende tegoeden geïmmobiliseerde RussischeCentrale banktegoeden in te zetten voor Oekraïne. Dit dient zorgvuldigafgewogen te worden.Hierover wordt ook internationaal, en op verschillende multilateraleniveaus, nagedacht. Daarbij spreekt het kabinet ook met de VS. Confis-catie van de Russische banktegoeden is één van de mogelijkheden. Hierkleven verschillende juridische en financieel-economische risico’s aan, diedoor verschillende landen anders gewogen worden. Er is nog geeninternationale consensus over de haalbaarheid van deze maatregel.Conform moties Krul c.s., Dobbe c.s. en Brekelmans c.s.24 zet het kabinetzich in om de ambitie in de EU te verhogen om aanvullende maatregelente onderzoeken, ook ten aanzien van de onderliggende tegoeden.Het is correct dat het eigendomsrecht niet absoluut is en aan beperkingenonderhevig kan zijn. Of en in hoeverre de Russische agressie tegenOekraïne relevant is voor de toepasselijkheid van dergelijke beperkingenis niet in algemene zin aan te geven, maar hangt af van alle omstandig-heden van het geval, zoals de vraag wiens eigendomsrecht wordt beperkten op welke grond.Wat zijn de verschillen tussen de huidige en beoogde nieuwe begrotings-regels in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP)? Klopt het datuitgaven in het kader van milieu en duurzaamheid buiten de kadersmogen worden geplaatst? Leidt dit niet tot bijzonder gecompliceerdediscussies over wat een duurzaamheidsinvestering is? Ligt het niet veelmeer voor de hand om de begrotingstekortnorm onderhevig te laten zijnaan de conjunctuur en/of calamiteiten zoals de coronacrisis?In het Stabiliteits- en Groeipact geldt er geen uitzondering voor investe-ringen op het gebied van duurzaamheid in de begrotingsinspanning dielidstaten moeten leveren. Het kabinet is altijd tegen een dergelijkeuitzondering geweest. Het kabinet is van mening dat het raamwerk eenvoldoende prikkel bevat om hervormingen en investeringen door tevoeren, doordat lidstaten in aanmerking kunnen komen voor een langereaanpassingsperiode (van vier naar zeven jaar) onder de voorwaarde dat zijbepaalde investeringen en hervormingen opnemen in hun plan.Ik verwijs u graag naar de Kamerbrieven over het raadsakkoord25 en hettriloogakkoord26 van februari jl., die uitgebreid ingaan op de werking vanhet nieuwe raamwerk en de verschillen met de oude regels.Kan het kabinet aangeven wat de stand van zaken is met betrekking deuitvoering van de aangenomen motie-Van Hijum/Heinen (Kamerstukken21 501-07-2013), die vraagt om een stevige rol van nationale begrotings-24Zie Kamerstukken II 21 501-20, nr. 1959, Kamerstuk 36 410 V, nr. 65 en Kamerstuk 21 501-20,nr. 203425Kamerstukken II 2023–2024, 21 501-07, nr. 200426Kamerstukken II 2023–2024, 21 501-07, nr. 2009Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203621 autoriteiten en scherpe naleving van afgesproken regels? Hoe is of wordtdit verzoek door het kabinet uitgevoerd?Op welke manier wordt een stevige positie van onafhankelijke nationalebegrotingsautoriteiten geregeld bij het opstellen van nationale «uitgaven-paden» en bij de monitoring en naleving van de afspraken die moetenleiden tot begrotingsdiscipline in alle lidstaten?Het kabinet is altijd al voorstander geweest van een grotere rol vooronafhankelijke nationale begrotingscomités, omdat dit kan bijdragen aanhet nationaal eigenaarschap van lidstaten. In de herziene wetgeving isafgesproken dat bij indiening van het plan de lidstaat de nationaleonafhankelijke begrotingsautoriteit kan verzoeken een advies uit tebrengen over de macro-economische ramingen en aannames die tengrondslag liggen aan het uitgavenpad. Dit wordt verplicht vanaf 2032,mits de onafhankelijke begrotingsautoriteiten voldoende capaciteithebben opgebouwd om deze taak te volbrengen. Daarnaast kan delidstaat nationale onafhankelijke begrotingsautoriteiten verzoeken om eenbeoordeling van de naleving van het uitgavenpad. Ook kan de lidstaat deonafhankelijke begrotingsautoriteit verzoeken de factoren te analyserendie ten grondslag liggen aan een afwijking van het netto-uitgavenpad.Deze analyse is niet-bindend en vormt een aanvulling op de door deCommissie verstrekte analyse.Het kabinet had graag voor onafhankelijke begrotingsautoriteiten een nogsterkere rol met een minder vrijblijvend karakter in de wetgeving gezien.Dit kon helaas niet op voldoende draagvlak rekenen onder de lidstaten.Wel zal het kabinet in het opstellen van het plan (dit najaar) en in deuitvoering van het plan (vanaf volgend jaar) aandacht blijven vragen voorvoldoende betrokkenheid van de nationale onafhankelijke begrotingsauto-riteiten en naleving van de regels.Op welke manier wordt een onafhankelijke beoordeling geregeld, van denaleving van de regels door het European Fiscal Board, als basis voormogelijke handhaving?In het nieuwe raamwerk is de adviserende rol van het Europees Begro-tingscomité (European Fiscal Board; EFB) versterkt. Daartoe wordt de EFBbinnen de verordeningen een onafhankelijk, permanent onderdeelgemaakt van het Europese begrotingsraamwerk. Daarnaast krijgt de EFBeen rol bij de verlenging van de algemene ontsnappingsclausule door hetschrijven van een opinie en in de nieuwe werkgroep over de methodo-logie van de schuldhoudbaarheidsanalyse. Ook heeft de EFB een meeropen mandaat, waarbij de EFB op verzoek van de Commissie en de Raadadvies kan geven over de implementatie van de regels in aanvulling op detaken die de EFB reeds had.Welk beleid volgt er voor het Nederlandse Ministerie van Financiën uit decoalitie van Ministers van Financiën voor Klimaatactie?De CFMCA is een niet-bindend forum waarin 92 landen bij elkaar komenom informatie en ervaringen op het gebied van klimaatactie doorMinisteries van Financiën te delen. Het non-normatieve karakter zorgtervoor dat CFMCA een veilige plek biedt om van elkaar te leren en kennisuit te wisselen met elkaar, waaronder over uitdagingen en «goodpractices». Het Nederlandse Ministerie van Financiën maakt hier gebruikvan en deelt zowel voorbeelden uit de Nederlandse context, alsook benuthet forum om van andere landen in verschillende regio’s te leren oprelevante beleidsthema’s.Klopt het dat er (op 31 december 2023) 1927 onderzoeken lopen naarfraude met het coronaherstelfonds? Hoe kan het dat dit een dergelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203622 enorme omvang heeft aangenomen? Welk gedeelte van deze onderzoekenheeft betrekking op Nederland?Het Europees openbaar ministerie (EOM) heeft volgens haar jaarverslagover 2023 op 31 december 2023 1927 actieve onderzoeken lopen.27 Ditaantal betreft het totaal aantal onderzoeken van diverse EU fondsen.Daarvan hadden bijvoorbeeld 319 onderzoeken betrekking op landbouw-middelen, 313 onderzoeken op cohesiemiddelen en 233 onderzoeken opHerstel- en Veerkracht Faciliteit (HVF)-middelen. Het EOM geeft in ditjaarverslag aan dat onderzoeken waar HVF-middelen bij betrokken zijn in2023 15% van de onderzochte gevallen en 25% van de geschatte schadebij deze onderzoeken betreffen. Wanneer het aantal onderzoeken wordtafgezet tegen de omvang van de betreffende fondsen, lijkt het aantalonderzoeken naar gebruik van HVF-middelen niet onevenredig groot. Detotale landbouw- en visserijmiddelen voor de periode 2021–2027bedragen (in lopende prijzen) 386 miljard euro, de cohesiemiddelen(exclusief Europees Sociaal Fonds) 274 miljard euro, en het subsidiedeelvan de HVF-middelen 338 miljard euro. Uit het jaarverslag van het EOMblijkt dat er op 31 december 2023 geen onderzoeken in Nederland liependie betrekking hebben op HVF-middelen.Deelt het kabinet de menig dat fraude met EU-middelen het draagvlakvoor de Europese Unie ondermijnt? Deelt het kabinet de mening dat ditbijdraagt aan de beeldvorming van de Europese Unie als transferunie,waarmee een oneindige geldstroom ontstaat van Noord naar Zuid binnende Europese Unie? Wat gaat het kabinet eraan doen om dit soort fraudevoortaan tegen te gaan?Zoals aangegeven in de beantwoording van schriftelijke vragen van NSCacht het kabinet een correcte besteding van Europese middelen essentieelvoor het behoud van draagvlak in alle lidstaten. Zoals daarbij ookaangegeven zou het kabinet vanzelfsprekend bij voorkeur voor alleEuropese fondsen en nationale middelen vast kunnen stellen dat helemaalgeen fraude optreedt. Het voorkomen dat fraude optreedt is echter nietaltijd mogelijk. Daarom is het van groot belang dat als fraude optreedt ditgedetecteerd en gecorrigeerd wordt. De aangehaalde nieuwsberichtengingen over de detectie van mogelijke fraude.Zoals aangegeven vormt het komende jaarverslag van de EuropeseCommissie over de bescherming van de financiële belangen van deEuropese Unie en de bestrijding van fraude in 2023 in mijn ogen een goedaanknopingspunt om het voorkomen en bestrijden van fraude bij de HVFen de andere EU-fondsen in EU-verband te bespreken. Daarnaast zalNederland bij besprekingen over de voortgang van de HVF in deEcofinraad en zijn ambtelijke voorportalen aandacht blijven vragen voorhet belang van een effectieve fraudebestrijding. Ik zal dit bij deaanstaande Ecofinraad van mei inbrengen.Ik herken op geen enkele manier de in de vraag opgeroepen beeld-vorming. De Europese Unie brengt Nederland grote voordelen, zowel intermen van welvaart als anderszins. Het Europese herstelfonds is eentijdelijk instrument in reactie op een buitengewone grote crisis in devolksgezondheid en de economie, die een grote bijdrage heeft geleverdaan het behoud van financiële en economische stabiliteit. De nieuwsbe-richten tonen bovendien de toegevoegde waarde van Europese samen-werking in het Europees openbaar ministerie.Kan het kabinet een nadere toelichting geven op de antwoorden op devragen van de leden Van Hijum en Kahraman (Aanhangsel Handelingen II2023/24, nr. 1645) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van27https://www.eppo.europa.eu/sites/default/files/2024-02/EPPO_Annual_Report_2023.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203623 Financiën over de fraudezaak betreffende het Europees corona-herstelfonds? Uit de beantwoording blijkt in de ogen van de leden van deNSC-fractie bijzonder weinig urgentie wat deze fraude betreft. In hetantwoord op vraag 8 klinkt in de ogen van deze leden zelfs een bepaaldezelfgenoegzaamheid door wat betreft de aanpak van deze fraude. Kan hetkabinet in Brussel aandringen op een stevigere aanpak van deze fraude,dan wel duidelijkere regels, zodat dergelijke fraude niet meer kan voorkomen?Het kabinet heeft de nieuwsberichten in een bredere context geplaatst,opdat een completer beeld ontstaat van de omvang van de fraudeproble-matiek binnen de HVF en andere EU-fondsen. Zoals aangeven in hetantwoord op voorgaande vraag, zal Nederland aandacht vragen voor hetbelang van effectieve fraudebestrijding in de Ecofinraad en zijn ambtelijkevoorportalen. Het komende jaarverslag van de Europese Commissie overde bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie en debestrijding van fraude in 2023 vormt in mijn ogen een goed aankno-pingspunt om het voorkomen en bestrijden van fraude bij de HVF en deandere EU-fondsen in EU-verband nader te beoordelen en bespreken.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben ten aanzien van de Eurogroep vragenen opmerkingen over de Eurozone concurrentiekracht en het adresserenvan de kenniskloof.Met interesse hebben de leden van de D66-fractie vernomen dat deMinisters van gedachten zullen wisselen over hoe het concurrentiever-mogen van Europa te vergroten, en dat daarbij ook gesproken wordt overhet vergroten van de productiviteit. Kan het kabinet aangeven hoe hetkabinet concreet aan de slag gaat met het handelingsperspectief, zoals datwordt geschetst in de annotatie op de agenda? Wat betreft deR&D-uitgaven begrijpen deze leden dat Nederland met 2,3 procentR&D-investeringen onder het OECD-gemiddelde zit. Kan het kabinet eenactueel overzicht geven van het uitgaven aan Research en Development(R&D) (zowel totale uitgaven als ten opzichte van het bruto binnenlandsproduct (bbp)) en aangeven hoe zich dit verhoudt tot de doelstellingen?Graag ontvangen deze leden ook een uitgesplitst overzicht van deuitgaven die privaat worden gedaan en die publiek worden gedaan. Hoekan het kabinet als Europa, maar ook als Nederland, private investeringenin R&D beter aanjagen?Het Rathenau Instituut voert regelmatig onderzoeks-analyses uit op hetterrein van wetenschap, onderzoek en innovatie. Voor een actueeloverzicht van de uitgaven aan R&D verwijs ik naar het rapport.28In de beantwoording op de vraag die gesteld is door de NSC-fractie, isuiteengezet welke maatregelen het kabinet reeds genomen heeft tenaanzien van R&D.Tevens wordt hierin uiteengezet op welke manier de kapitaalmarktuniekan bijdragen aan het aanjagen van private R&D uitgaven.Stabiel en voorspelbaar beleid is bij innovatiebeleid een belangrijkuitgangspunt. Voor innovatieve bedrijven is dit een essentiële voorwaardeis om in Nederland te blijven investeren in R&D omdat deze investeringenvoor de lange termijn worden gedaan. Die voorspelbaarheid staat welonder druk, onder meer door het op pauze zetten van het NationaalGroeifonds (NGF) en de twijfel of er een volgende tranche van het NGFkomt. Dat maakt het voor de middellange- en lange termijn onzeker voor28Op naar drie procent | Rathenau InstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203624 bedrijven in Nederland welke investeringen het volgende kabinet zal gaandoen in het kader van onderzoek en innovatie. Het is de verwachting datdeze onvoorspelbaarheid ertoe leidt dat bedrijven minder bereid zijn omlangjarig te investeren. Uiteindelijk is het aan het volgende Kabinet om deingezette lijn van dit Kabinet door te trekken of desgewenst aan te passen.Onderschrijft het kabinet dat de aansluiting tussen hoger onderwijs en hetbedrijfsleven achterblijft en wat wil het kabinet concreet doen om inNederland deze aansluiting te verbeteren? Deze leden wijzen in dit kaderook op de conclusies uit het recent verschenen ¨Letta-rapport¨. Deze ledenbegrijpen dat de Europese Unie achterloopt op de Verenigde Staten alshet gaat om het aanjagen van onderzoek en innovatie onder andere opICT en digitalisering en dat ICT-patenten hierin een belangrijke rol spelen.Kan het kabinet aangeven waarom het achterblijven van patenten precieseen probleem is of kan zijn voor de Europese economie en productiviteit?Een aantal lidstaten lopen hier in positieve zin wel in voorop, constaterendeze leden. Hoe kan ervoor worden gezorgd dat de rest van Europa zichhieraan kan optrekken? Klopt het beeld dat geld nu niet altijd effectief isgealloceerd, waardoor de productiviteitsgroei van sleutelsectorenachterblijft in Europa? Graag ontvangen deze leden een toelichting waardit voor Nederland geldt. Wat kan er op Europees en op Nederlandsniveau gedaan worden om dit te verbeteren?Het is van groot belang dat het onderwijs goed aansluit bij de behoeftevan de arbeidsmarkt en werkgevers. In Nederland zijn hogescholen enuniversiteiten aan zet om de inhoud van het onderwijsaanbod vorm tegeven. Het vormgeven van het onderwijsaanbod gaat doorgaans inafstemming met relevante werkgevers. Op deze manier wordt ingespeeldop de actuele behoeften van de arbeidsmarkt.Patenten zijn het resultaat van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteitenvan bedrijven en kennisinstellingen. Aantallen verleende patenten zijndaarmee een indicator van activiteiten op dit terrein. Wel is het zo dat ersectorale verschillen zijn. Niet iedere sector is even octrooi-intensief.Naast het stimuleren van onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten zorgthet kabinet voor een robuust en toegankelijk intellectueel eigendoms-systeem. Op Europees niveau zijn in dit verband te noemen de totstand-koming van het unitair octrooi en het eengemaakt octrooigerecht. Opnationaal niveau werken we aan de modernisering van de Rijksoctrooiwet.Voor de efficiënte allocatie van middelen is een volledig werkende internemarkt cruciaal. Er zijn echter nog steeds barrières, o.a. op de kapitaal-markten, die ervoor zorgen dat middelen niet altijd vloeien naar daar waarde meeste productiviteitswinst te behalen valt. Dit kan ook het geval zijnvoor sleutelsectoren.Ten aanzien van de Ecofinraad en het Richtlijnvoorstel snellere enveiligere vermindering teveel ingehouden bronbelasting («FASTER»)hebben de leden van de D66-fractie de volgende vragen en opmerkingen.De leden van de D66-fractie zijn positief dat een akkoord op FASTERdichtbij is, een mooie stap in het versterken van de kapitaalunie. Waaromworden FASTER-procedures optioneel voor lidstaten die een kleinereaandelenbeurs en een goedwerkend systeem hebben? Leidt dit nietalsnog tot een ongelijk systeem wat met het voorliggende voorstel juistwordt tegengegaan?De lidstaten die verplicht de FASTER procedures gaan toepassenvertegenwoordigen iets meer dan 96% van de marktkapitalisatie van deEuropese Unie. Lidstaten met een zeer lage marktkapitalisatieratio kunnende procedures optioneel toepassen. Een aantal lidstaten heeft hieromTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203625 verzocht, omdat zij een zeer beperkt aantal beursgenoteerde bedrijvenhebben, om de eigen procedures toe te kunnen blijven passen.Voor deze lidstaten is de afweging dat de wijziging in de ICT niet opweegttegen het aantal verzoeken dat zij binnenkrijgen. Hierbij is optioneletoepassing enkel mogelijk wanneer er sprake is van een «goedwerkend»systeem. Dit betekent dat beleggers dezelfde toegang tot de proceduresmoeten hebben als onder de FASTER procedures en geen additioneleinformatie gevraagd mag worden. Tevens geldt het enkel voor lidstatenmet een vrijstelling aan de bron. Dit betekent dat het bedrijf dat hetdividend uitkeert direct het juiste percentage dividendbelasting inhoudt.Het kabinet is geen voorstander van optionele toepassing maar dit is eringekomen om kleinere lidstaten tegemoet te komen en een akkoord tebereiken. De FASTER procedures beogen, onder andere, het terugvragenvan dividendbelasting voor beleggers te versimpelen en drempels weg tenemen om in verschillende lidstaten te beleggen omdat de proceduresoveral gelijk zijn. Mocht het blijken dat beleggers minder beleggen inlidstaten die de FASTER procedures niet hebben ingevoerd, beweegt ditmogelijk deze lidstaten om de procedures alsnog in te voeren.Hoe wordt Europees (centraal) toezicht gehouden op het tegengaanmisbruik en het uniform uitvoeren van de procedures?Lidstaten hebben eigen keuzemogelijkheden in hoe zij misbruik tegenwillen gaan. De keuze blijft aan de lidstaat om bepaalde verzoeken van deprocedure uit te zonderen en om bepaalde verzoeken te weigerenwanneer deze in strijd is met objectieve risicocriteria van de lidstaat.Centraal toezicht op het tegengaan van misbruik zal dus niet plaatsvinden,dit blijft een nationale competentie.De Europese Commissie evalueert iedere vijf jaar de werking van derichtlijn. De effectiviteit van de richtlijn hangt samen met de uniformetoepassing van de procedures. Tijdens de vijfjaarlijkse evaluatie zal deeffectiviteit van het richtlijnvoorstel bekeken worden. Er is geen sprakevan tussentijds toezicht.Kan het kabinet aangeven wat de impact van het akkoord is op deuitvoeringscapaciteit van de Belastingdienst en de regeldruk? Komthiervoor een uitvoeringstoets?In het BNC-fiche is ten aanzien van de uitvoeringsaspecten opgenomendat het richtlijnvoorstel nog veel onduidelijkheden bevat waardoor ertevens ten aanzien van de uitvoeringsaspecten veel onduidelijk was.Afhankelijk van de uiteindelijke tekst van de richtlijn en de wijze waaropde richtlijn wordt uitgewerkt in nationale wetgeving, zou de richtlijnkunnen leiden tot een toename van complexiteit in de uitvoering.Inmiddels is meer duidelijk over de vormgeving van de richtlijn. Tijdensde onderhandelingen over de richtlijntekst is tevens uitgebreid aandachtgeweest voor de uitvoeringsaspecten. In het uiteindelijke resultaat is eengoede balans bereikt tussen het bestendig maken van misbruik doormiddel van additionele handhavingsmogelijkheden voor en rapportageaan belastingdiensten, een breder toepassingsbereik voor beleggings-fondsen en uitvoerbaarheid voor Belastingdiensten. De uitvoeringsa-specten en bijbehorende kosten zullen in kaart worden gebracht doormiddel een uitvoeringstoets die zal worden uitgevoerd op basis vandefinitieve Nederlandse wetstekstenHoe verhoudt het voorliggende voorstel zich tot nationale Nederlandseinitiatieven om dividendstripping tegen te gaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203626 Het bestrijden van belastingontwijking en ontduiking is een speerpunt vandit kabinet. Het richtlijnvoorstel FASTER ziet voornamelijk op proceduresvoor de vermindering van overtollige bronbelasting en heeft geen invloedop de materiële wettelijke bepalingen van de lidstaten. Het doel van hetrichtlijnvoorstel FASTER is om de procedures voor de vermindering vanbronbelasting te harmoniseren en bestendiger te maken voor misbruik.Om dit te bewerkstelligen bevat het richtlijnvoorstel FASTER rapportage-verplichtingen waarbij informatie gedeeld moet worden die misbruik vande bronbelastingprocedures moet helpen bestrijden. Dit ziet op informatieover de houdsterperiode van de onderliggende effecten en informatieover financiële regelingen die verband houden met de effecten waarvoorde belastingplichtige om belastingvermindering verzoekt.Nederland zet zich daarnaast unilateraal in om dividendstripping tegen tegaan. Met ingang van 1 januari 2024 is een aantal maatregelen in werkinggetreden om de aanpak van dividendstripping te versterken, als onderdeelvan de Overige Fiscale Maatregelen 2024. In de memorie van toelichtingbij de Overige Fiscale Maatregelen 2024 is een onderzoek naar alterna-tieve maatregelen aangekondigd en is opgemerkt dat dit onderzoek in hetvoorjaar van 2025 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd.Aan de Kamer is toegezegd om ook de aanpak van dividendstripping doorandere EU-landen te betrekken in het voornoemde onderzoek.Het onderhavige richtlijnvoorstel heeft naar verwachting geen invloed opde genoemde Nederlandse maatregelen of op het onderzoek.Ten aanzien van de economische en financiële impact van de Russischeagressieoorlog tegen Oekraïne hebben de leden van de D66-fractie devolgende vragen en opmerkingen.De leden van de D66-fractie begrijpen dat er gesproken wordt over hetafromen van rente-inkomsten uit geïmmobiliseerde tegoeden van deRussische centrale bank. Graag ontvangen deze leden een appreciatie vanhet kabinet hierop. Wat wordt de inzet van Nederland hierin?In verslagen van de Europese Raad en Raad van Buitenlandse Zakenwordt uw Kamer regelmatig op de hoogte gehouden over de Nederlandseinzet en stand van de discussie in de EU. Het kabinet verwelkomt hetvoorstel ten aanzien van het gebruik van de bijzondere rente-inkomstenvan de geïmmobiliseerde Russische Centrale banktegoeden voor Oekraïneen moedigt aan tot een spoedige aanname.Ten aanzien van de conclusies over uitdaging voor houdbaarheidbegroting door vergrijzing hebben deze leden de volgende vragen enopmerkingen.De leden van de D66-fractie onderschrijven de aanbevelingen van de Raadom kosten van vergrijzing te beperken door het voeren van prudentbegrotingsbeleid, het stimuleren van arbeidsproductiviteit en hethervormen van het pensioenstelsel en de gezondheidszorg. Deze ledenzien het risico dat de rekening anders doorgeschoven wordt naar eenvolgende generatie wanneer er nu geen keuzes worden gemaakt. Welkeaanbevelingen van de Raad voor het stimuleren van arbeidsproductiviteitvindt het kabinet bruikbaar voor Nederland?Graag ontvangen deze leden voorts een appreciatie van het kabinet op devoorstellen van de Raad over de hervormingen van het zorgstelsel. Welkeconcrete voorstellen voor hervormingen van het gezondheidsstelsel doetde Raad, anders dan de adviezen die de Technische Werkgroep macrobe-heersing zorguitgaven al heeft gedaan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203627 In de Raadsconclusies benadrukt de Raad het belang van het verhogenvan de productiviteit en het aanpassen van het pensioen- en zorgstelselnaar de uitdagingen van een vergrijzende samenleving. De Raad spreektin het algemeen over deze hervormingen en doet in de Raadsconclusiesgeen specifieke aanbevelingen op het terrein van zorg of productiviteit.Wel spoort de Raad de lidstaten aan om de landspecifieke aanbevelingen(LSA’s) uit te voeren, ook in de context van het Herstel- en Veerkrachtplan(HVP).In de LSA’s voor Nederland op basis van het Europees Semester 2023doet de Raad geen aanbevelingen voor de hervorming van het gezond-heidsstelsel. Wat betreft de arbeidsproductiviteit benoemt de Raad datproductiviteitsinvesteringen kunnen bijdragen aan het aanpakken vanarbeidsmarktkrapte.29 De Raad doet hier verder geen specifieke aanbe-veling op. Tevens onderstreept de Raad dat de hoge mate van flexibelewerkgelegenheid verstorend kan werken voor de arbeidsproductiviteit. DeRaad beveelt aan om prikkels te verminderen die het gebruik van flexibeleof tijdelijke contracten stimuleren. In het in 2023 aangekondigde arbeids-marktpakket neemt het kabinet meerdere maatregelen om de kloof tussenflex en vast te verkleinen zoals: verminderen van schijnzelfstandigheiddoor invoering van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstan-digen, het bieden van meer roosterzekerheid, het aanpassen van deketenbepaling, en ook het invoeren van een crisisregeling personeels-behoud.30 Het kabinet heeft op 26 april 2024 uw Kamer het NationaalHervormingsprogramma (NHP) aangeboden.31 In dit programmarapporteert het kabinet in brede zin over de voortgang en implementatievan de voorgenomen hervormingen en investeringen, in reactie op hetlandenrapport en de LSA’s van het voorgaande jaar. Middels het NHPinformeert het kabinet tevens over de voortgang van het NederlandseHVP.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de agenda voor de Eurogroep Ecofinraad van 13 en 14 mei 2024.De Minister schrijft het volgende over de verplichtingen van Italië in decontext van het HVF: «Italië heeft op 4 maart een aanvraag bij deCommissie ingediend voor een aanpassing van het oorspronkelijke HVPdat middels een uitvoeringsbesluit van de Raad op 30 april 2021 isgoedgekeurd. Het land maakt gebruik van de mogelijkheid die deHVF-verordening biedt om het HVP aan te passen als een deel van eenplan niet kan worden uitgevoerd op grond van objectieve omstandig-heden. Deze omstandigheden hebben in het geval van Italië betrekking ophet feit dat er een beter alternatief voor voorhanden bleek voor hetbehalen van een specifieke beleidsmaatregel en op ontwikkelingen in demarkt waardoor er onvoldoende vraag is om een mijlpaal te behalen.»Deze leden hebben hierover de volgende vragen. Hoe wordt het beterealternatief vastgesteld? Betekent dit strikt genomen dat er voor Nederlandook opties zouden zijn om bijvoorbeeld een alternatieve aanpak/beleids-maatregel te onderzoeken rond eventuele restricties op contant geld?Lidstaten kunnen op grond van de HFV-verordening een voorstel doenvoor aanpassing van hun HVP wanneer dat plan, met inbegrip van dedesbetreffende mijlpalen en streefdoelen, voor de betrokken lidstaat op292023 European Semester: Country Specific Recommendation / Commission Recommendation– Netherlands30Kamerbrief over voortgang uitwerking arbeidsmarktpakket | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl31Nationaal Hervormingsprogramma 2024 | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203628 grond van objectieve omstandigheden deels of in zijn geheel niet langerte verwezenlijken is. De Commissie heeft in een mededeling metrichtsnoeren voor herstel- en veerkrachtplannen in het kader vanREPowerEU verdere invulling gegeven aan deze bepaling.32 Objectieveomstandigheden kunnen ertoe leiden dat een maatregel niet langerhaalbaar is met het geraamde kosten- of efficiëntieniveau, of dat een beteralternatief wordt gevonden waarmee beter kan worden voldaan aandezelfde doelstellingen van de HVF-verordening of de elf beoordelingscri-teria van diezelfde verordening. In dergelijke gevallen moet de lidstaataangevenwelke objectieve elementen ten grondslag liggen aan de onverwachteinefficiënties die voortvloeien uit de uitvoering van de oorspronkelijkemaatregel zoals oorspronkelijk gepland, en aantonen dat het voorgesteldealternatief beter geschikt is om de beoogde doelstellingen van diemaatregel te verwezenlijken. De lidstaat zou bijvoorbeeld kunnenaantonen dat de alternatieve maatregel kostenefficiënter is of meerbijdraagt tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van dehervorming of investering.Op basis van de huidige inzichten zie ik geen alternatief dat beter geschiktis om de doelstelling van de maatregel, namelijk versterking van het kadervoor de bestrijding van witwaspraktijken, te bereiken. Ook kan in deNederlandse situatie geen invulling worden gegeven aan «objectieveelementen die ten grondslag liggen aan de onverwachte inefficiënties dievoortvloeien uit de uitvoering van de oorspronkelijke maatregel zoalsoorspronkelijk gepland». Bovendien is het niet mogelijk om van te vorenmet zekerheid te kunnen inschatten of een wijzigingsverzoek succesvol zalzijn. Daarom heb ik de Kamer geadviseerd de maatregel alsnog door tevoeren, om zo de kans op het voorkomen van een korting te vergroten.Deze leden hebben ook vragen over het agendapunt kapitaalmarktunie.De Minister schrijft dat het kabinet het wenselijk acht om pensioenkapitaalverder te mobiliseren via nationale wetgeving. Kan het kabinet uitleggenwat de Minister daarmee concreet bedoelt? Moet de Europese Unie wathet kabinet betreft daar een leidende rol in nemen en zo ja, hoe?In het visiedocument over de kapitaalmarktunie noemt het kabinet dat hetwenselijk is als er in de EU meer langetermijnkapitaal wordt opgebouwd,en dat bevordering van pensioensparen door ontwikkeling van nationalepensioensystemen hiervoor van belang is.33 Lidstaten met minderontwikkelde, beperkt of niet kapitaalgedekte pensioenstelsels zoudenbijvoorbeeld zelf met nationale acties, de toegang tot pensioensystemenvoor hun burgers kunnen verbeteren. Afhankelijk van de wijze waarop desociale zekerheid in een lidstaat geregeld is, kan dit in de vorm vannationale wetgeving, of door een samenwerking met (vertegenwoordigersvan) werkgevers en werknemers. Denktank New Financial toont aan datjuist pensioenvermogen de verdieping van de kapitaalmarkten ten goedekomt, omdat het productief ingezet kan worden voor investeringen inbedrijven in de reële economie, of de transities naar een duurzame endigitale economie.34 In haar rapport suggereert deze denktank onder meerdat landen zelf best practices kunnen implementeren, zoals automatischedeelname, fiscale prikkels, pensioenvolgsystemen zoals mijnpensi-oenoverzicht en een collectieve aanpak om de uitvoeringskosten tebeheersen. Het Nederlandse pensioensysteem kent deze kenmerken al enwordt, evenals dat van Denemarken en Zweden, als best practicebestempeld in het rapport. Gezamenlijk zijn deze drie lidstaten verant-32https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52023XC030333Kamerstukken II, 2023–24, 21 501-07, nr. 2011, bijlage34https://newfinancial.org/report-building-eu-capital-markets-from-the-bottom-up/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203629 woordelijk voor meer dan de helft van het EU pensioenvermogen, terwijlhun bijdrage aan het EU bbp minder dan 10% is. Bovendien is de druk opnationale begrotingen door vergrijzing minder groot bij een (gedeeltelijk)kapitaalgedekt pensioenstelsel, in vergelijking met een (volledig)omslagstelsel. De Europese Commissie kan wat het kabinet betreftlandenspecifieke aanbevelingen doen aan lidstaten met minder ontwik-kelde pensioensystemen, of het uitwisselen van best practices faciliteren,om deze nationale («bottom-up») acties te bevorderen.De Minister schrijft dat Oekraïne in 2024 37 miljard dollar zal nodighebben voor begrotingssteun. De door de Europese Unie ingesteldeOekraïne-faciliteit en het IMF-programma maken daarvan een belangrijkdeel uit.Kan het kabinet aangeven of er nog aanvullende programma’s wordenopgestart om de 37 miljard kapitaalbehoefte voor 2024 in te vullen? Zo jawelke?Op dit moment ligt de nadruk op de uitvoering van de recent afgesprokensteunpakketten. Het kabinet verwelkomt het Amerikaanse steunpakket terwaarde van USD 61 miljard dat op 20 april jl. door het Huis van Afgevaar-digden is goedgekeurd waarmee een verdere bijdrage wordt geleverd aanhet dichten van het financieringsgat van Oekraïne. Het kabinet zaltoekomstige updates van de Oekraïense economische situatie, die doorinternationale instellingen zoals IMF en de Wereldbank worden opgesteld,nauw monitoren.Vragen en opmerkingen van de leden van de Volt-fractieDe leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda en hebben daarover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de Volt fractie onderschrijven het belang van eeninnovatie-unie waarin onder andere het doel wordt gesteld dat drieprocent van het bbp in onderzoek en ontwikkeling zou moeten wordengeïnvesteerd, waarvan twee procent uit de private sector zou moetenkomen. Deze leden zien echter dat dit streefdoel niet wordt gehaald en datde innovatiekloof met de Verenigde Staten aanzienlijk is en hebbendaarover de volgende vragen. Kan het kabinet aangeven welke mogelijkerisico’s er zijn als deze kloof niet wordt verkleind en welke maatregelen deEuropese Unie op korte termijn kan nemen om de innovatiekloof met deVerenigde Staten te verkleinen? Kan de Minister voorsorterend op dekabinetsappreciatie van het Rapport van Letta inzicht bieden in wat deMinister vindt van Letta’s pleidooi voor het toevoegen van een«vijfde vrijheid»?Innovatie kan een rol spelen in het verhogen van de productiviteitsgroei.Het achterblijven van productiviteitsgroei op de lange termijn kan impacthebben op de mate waarin verschillende maatschappelijke uitdagingen,waaronder ten aanzien van vergrijzing, de klimaattransitie en geopolitiekeuitdagingen, het hoofd geboden kunnen worden.Zoals uiteengezet in de beantwoording op de vraag van de NSC-fractie,neemt het kabinet reeds maatregelen om investeringen in R&D testimuleren, zowel op nationaal niveau als op Europees (verdiepenkapitaalmarktunie) niveau. Het kaderprogramma voor Onderzoek &Innovatie van de Europese Unie is cruciaal om op onderzoek & innovatiete concurreren met de rest van de wereld waaronder met de VS.Letta stelt in zijn rapport voor de bestaande vier vrijheden op de internemarkt uit te breiden met een vijfde vrijheid. Deze vijfde vrijheid moetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203630 verschillende gebieden omvatten waaronder onderzoek, innovatie,gegevens, competenties, kennis en onderwijs. Vrij verkeer hiervan zoubestaande versnipperde kennis, fragmentatie en ongelijkheden omzettenin kansen voor groei, innovatie en inclusiviteit. Het kabinet steunt hetversterken van en investeren in onderwijs, onderzoek en innovatie enEuropese kennisecosystemen en waardeert het creatieve idee van een5de vrijheid. Het kabinet verwelkomt een concrete uitwerking hiervan.Onderwijs is een nationale competentie en de inrichting van het curri-culum ligt bij de lidstatenDe leden van de Volt-fractie onderschrijven het belang van een vervol-maakte kapitaalmarktunie om het Europese innovatiepotentieel tebenutten, maar zien ook dat er veel verschillende zienswijzen en barrièreszijn met betrekking tot de kapitaalmarktunie. Deze leden zien dat erbarrières zijn met betrekking tot gecentraliseerd toezicht en belastingcon-vergentie. Kan het kabinet aangeven welke barrières, afgezien van hetverbeteren van de financiële geletterdheid, momenteel wel opportuun zijnom weg te nemen en welke maatregelen er op korte termijn genomenkunnen worden om vooruitgang te boeken in het tot stand brengen vaneen geïntegreerde kapitaalmarktunie?De lidstaten hebben in de verklaring van de Eurogroep en conclusies vande Europese Raad, commitment en richting gegeven aan de aanpak vanverschillende barrières.35 Ik vind het van belang dat op al deze terreinenvoortgang wordt geboekt, van het verdiepen van de markt door privaatkapitaal te mobiliseren tot het aanpakken van de fragmentatie doorverdere verbetering van de regelgeving en versterking van het toezicht.Dit zal een proces van de lange adem blijven, en ik vind het positief dat ermomenteel in de EU politiek momentum is om verdere stappen te zetten.Daarbij blijf ik mij ervoor inzetten dat er naar een zo hoog mogelijkeambitie wordt gestreefd.Deze leden zien dat harmonisering een uitdaging is. Letta haalt daaromhet zogenoemde «28e rechtsregime» aan.Kan het kabinet een appreciatie geven van de nut en haalbaarheid van een28e rechtsregime en aangeven hoe opportuun het kabinet dit acht?Veel maatregelen die Letta noemt gaan in dezelfde richting als de visievan het kabinet. In het visiedocument over de kapitaalmarktunie noemthet kabinet ook de mogelijkheid om een 28e regime voor jaarverslag-geving voor het mkb te verkennen.36 Al dan niet door het bekrachtigenvan het IFRS for SMEs regime van het Internationaal AccountingStandards Board.37 Dit zou bijvoorbeeld start- en scale-ups kunnen helpenom betere toegang tot buitenlandse investeerders te verkrijgen, omdathun bedrijfsprestaties beter zichtbaar en vergelijkbaar zijn, dan als zijnationaal jaarrekeningrecht toepassen. Tegelijkertijd vergt menigaanbeveling uit het rapport van Letta nog een nadere uitwerking voor eengoede beoordeling van de beoogde effecten en de toegevoegde waarde.Dit geldt ook voor zijn aanbeveling met betrekking tot een 28e regime. Deimpact hiervan kan per rechtsgebied en per doelgroep verschillen en dewenselijkheid, haalbaarheid en behoefte vanuit marktpartijen dienennader te worden verkend. Voor een verdere appreciatie van het rapport35https://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2024/03/11/statement-of-the-eurogroup-in-inclusive-format-on-the-future-of-capital-markets-union/ en https://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2024/04/18/european-council-conclusions-17-and-18-april-2024/36Kamerstukken II, 2023–24, 21 501-07, nr. 2011, bijlage37https://www.ifrs.org/issued-standards/ifrs-for-smes/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203631 van Letta verwijs ik naar de brief die de Minister van Economische Zakenen Klimaat op 7 mei jl. hierover aan uw Kamer heeft gestuurd.De leden van de Volt-fractie hebben tot slot vragen over de hervormingvan het Stabiliteits- en Groeipact. De deadline voor de indiening van hetNederlandse begrotingsplan is op 20 september 2024. In dit plan moeteen gestructureerd samenwerkingsmechanisme ervoor zorgen datverschillende partijen in staat worden gesteld om een bijdrage te leverenaan het Nederlandse begrotingsplan. Deze leden achten het van belangdat het maatschappelijk middenveld, de sociale partners, regionaleautoriteiten en andere relevante belanghebbenden in staat wordengesteld om een bijdrage te leveren aan het Nederlandse begrotingsplanen zijn benieuwd hoe het kabinet dit zal gaan vormgeven, vooral in hetlicht van de krappe deadline. Kan het kabinet ook aangeven wat de rol vande Kamer is? Wordt het plan voorafgaand aan de indiening voorgelegdaan de Kamer?Als er geen nieuw kabinet is gevormd wanneer het plan wordt ingediend,dan zal het demissionaire kabinet een «demissionaire variant» van hetplan indienen. Dit beperkt de mogelijkheden van een nieuw kabinet niet.In de verordening is opgenomen dat lidstaten zodra een nieuwe regeringis aangetreden, een nieuw plan kunnen indienen.Mocht het demissionaire kabinet een Miljoenennota presenteren opPrinsjesdag dit jaar (17 september), dan zal de Kamer hierbij ook het planontvangen. Hiermee heeft de Kamer de mogelijkheid om het planvoorafgaand aan indiening met het kabinet te bespreken. Indiening bij deCommissie kan dan enkele weken later gebeuren.Ook als een nieuw kabinet is gevormd voordat het plan wordt ingediend,is het belangrijk dat het huidige demissionaire kabinet wel begint met devoorbereidingen voor het plan. Zo kan het nieuwe kabinet bij aantredingzo snel mogelijk aan de slag met de verdere vormgeving van het plan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-07, nr. 203632

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f77e60c5d9b417a0

14 okt 2026 · 35dcf941f960a45e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.