KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

18 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 0224d224209918d0 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 577Wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagenen van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen, houdendeaanpassingen in de hersteloperatie toeslagenvan bepaalde termijnen, van de peildatum voorbrede ondersteuning voor gedupeerden in hetbuitenland en van de nabestaandenregeling (Wetaanpassing termijnen en nabestaandenregelinghersteloperatie toeslagen)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudblz.I.ALGEMEEN21De termijnen verlengen voor het besluiten op eenaanvraag voor aanvullende compensatie voorwerkelijke schade21.1Voorgestelde aanpassingen van de termijn voorhet besluiten op een aanvraag voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade21.2Mogelijke beleidsalternatieven61.3De positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba(BES)82De termijn verlengen voor het doen van een aanvraagvoor aanvullende compensatie voor de werkelijkeschade voor aanvrager van kinderopvangtoeslag93Aanpassing van de termijn voor het indienen van eenbezwaarschrift94Aanpassing van de regeling voor nabestaanden vanoverleden gedupeerden115Peildatum brede ondersteuning ouders in het buiten-land176Grondslag voor commissies bij de uitvoering van deaanvullende regelingen187Budgettaire aspecten208Uitvoering208.1Dienst Toeslagen208.2Commissie Werkelijke Schade (CWS)218.3Ondersteuningsteam ouders in het buitenland(OTB)229Doenbaarheid van de maatregelen2210EU-aspecten2311Advies en consultatie2311.1Raad voor de rechtspraak2311.2Raad voor de rechtsbijstand24 kst-36577-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 31 11.3Nederlandse Orde van Advocaten2511.4Adviescollege toetsing regeldruk2612Comptabiliteitswet 20162813Evaluatie28II.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING29 I. ALGEMEEN In het onderhavige wetsvoorstel wordt als eerste voorgesteld om debeslistermijn op aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijkeschade van gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag enex-toeslagpartners (hierna: ex-partners) te wijzigen van de huidige zesmaanden na indiening van de aanvraag (met een mogelijke verlengingvan maximaal zes maanden) naar twaalf maanden na indiening van deaanvraag (met een mogelijke verlenging van maximaal twaalf maanden).Als tweede wordt voorgesteld de termijn voor het doen van een aanvraagvoor aanvullende compensatie voor werkelijke schade voor gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht teverlengen van 1 januari 2024 naar 1 januari 2025, of zes maanden naafronding van de integrale beoordeling indien die na 1 juli 2024 onherroe-pelijk vast komt te staan.Als derde wordt voorgesteld om de termijn voor het indienen van eenbezwaarschrift op een beschikking van de Dienst Toeslagen te verlengennaar zestien weken vanaf de dagtekening van die beschikking.Als vierde wordt een aantal wijzigingen voorgesteld met betrekking tot deregeling voor nabestaanden van overleden aanvragers, zodat de regelingdie met het aannemen van het (gewijzigde) amendement van het lidLeijten1 werd aangepast, uitvoerbaar wordt.Als vijfde wordt voorgesteld de peildatum voor brede ondersteuning inhet buitenland met terugwerkende kracht te wijzigen naar 31 december2021 in plaats van 7 juli 2020, zodat de groep gedupeerden die inaanmerking kan komen voor deze ondersteuning wordt uitgebreid.Als zesde wordt voorgesteld de grondslag voor commissies uit te breidenzodat mogelijk wordt gemaakt dat commissies een rol zouden kunnenspelen bij de uitvoering van de aanvullende regelingen.Als zevende wordt voorgesteld de uitvoering van de regeling voor deaanvullende compensatie voor de werkelijke schade voor ex-partners tebeleggen bij de Dienst Toeslagen.Tot slot worden in dit wetsvoorstel enkele technische en redactionelewijzigingen voorgesteld.1 De termijnen verlengen voor het besluiten op een aanvraag vooraanvullende compensatie voor werkelijke schade 1.1 Voorgestelde aanpassingen van de termijn voor het besluiten op eenaanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade Het lukt de Dienst Toeslagen vaak niet om binnen de wettelijke termijn vanzes maanden (met een mogelijke verlenging van zes maanden) tebesluiten op een aanvraag voor aanvullende compensatie van werkelijke1Kamerstukken II 2023/24, 36 352, nr. 19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 32 schade. Waar de wet voorschrijft dat op een aanvraag binnen zesmaanden (met een mogelijke verlenging van zes maanden) wordtbeschikt, wachten ouders momenteel gemiddeld 22 maanden op deafhandeling van hun aanvraag. De rechter heeft in het bredere kader vande hersteloperatie gewezen op de ongewenste effecten daarvan, namelijkdat dit leidt tot een oneerlijke situatie voor mogelijk gedupeerde ouders,veel extra rechtszaken en een fors verhoogde druk op zowel de uitvoeringals de rechtspraak.2 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad vanState heeft op 23 augustus 2023 een uitspraak gedaan waarin zij consta-teert dat de termijnen in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) ook in detoekomst niet zullen worden gehaald en dat de hersteloperatie verderonder druk komt te staan door het instellen van talloze beroepen tegenhet niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling concludeert dat niet debestuursrechter, maar alleen de wetgever een collectieve oplossing kanbieden voor onrealistische beslistermijnen bij de hersteloperatietoeslagen.3De huidige wettelijke beslistermijn op aanvragen voor aanvullendecompensatie van werkelijke schade komt voort uit de beleidsbesluitenwaarin de hersteloperatie in eerste instantie is vormgegeven. Deze zijnvervolgens door de wetgever gecodificeerd in de Wht. Die beslistermijnblijkt ondanks diverse versnellingsmaatregelen in de praktijk niethaalbaar, waardoor ouders er niet op kunnen rekenen. Dit leidt totonzekerheid, die wordt versterkt doordat de behandelvolgorde vanaanvragen sterk beïnvloed kan worden door het al dan niet instellen vaneen beroep tegen het niet tijdig beslissen. Degenen die zo’n beroepinstellen gaan als gevolg van gerechtelijke uitspraken vóór op personendie al (veel) langer geleden een aanvraag hebben ingediend. Dat betekentdat andere ouders, die er niet voor kiezen om via de rechter een tijdigebeslissing af te dwingen, (nog) langer moeten wachten. Deze dynamiekleidt ertoe dat het recht van de een om binnen redelijke termijn eenbeslissing te krijgen direct ten koste gaat van het recht van de ander ombinnen redelijke termijn een beslissing te krijgen. Hoe meer dit gebeurt,des te minder transparant de behandelvolgorde wordt, en hoe meer ereen prikkel kan ontstaan voor anderen om ook een beroep niet tijdigbeslissen in te stellen. Hierdoor ontstaat een vicieuze cirkel.Om dit tegen te gaan zet het kabinet in op versnelling van de afhandelingvan aanvragen. Zo is ten eerste een pilot gedaan met een forfaitaireschaderoute, voor ouders die hun schade op grofmazige wijze berekendwillen hebben.4 Deze route biedt een mogelijk aanvulling op hetmaatwerkproces bij de Commissie aanvullende schadevergoedingwerkelijke schade (hierna Commissie Werkelijke Schade: CWS). De CWSblijft beschikbaar voor ouders die ervoor kiezen om een individuele, meergedetailleerde schadeberekening te ontvangen.5 Om daar eveneensversnelling te bewerkstelligen zijn er aanpassingen in gang gezet in destructuur, de samenstelling en de interne werkwijze van de CWS.6 In deaangepaste structuur worden de (ambtelijk) schadejuristen aangestuurddoor een operationeel directeur, verantwoordelijk voor het opstellen vande berekeningen terwijl de commissieleden een toetsende en kaderstel-lende rol vervullen. Deze taakverdeling moet zorgen voor een efficiënterewerkwijze en er, samen met de verhoogde beschikbaarheid van decommissieleden, toe leiden dat meer ouders sneller kunnen wordengeholpen. Ten derde zet het kabinet in op de Regieroute Vaststellingsover-2Rechtbank Midden-Nederland 14 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1702.3ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.4Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1165; Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1235.5Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1165; Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1235.6Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1282.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 33 eenkomst (VSO), waarin via maatwerk op basis van het schadekader vande CWS gewerkt wordt aan de afhandeling van aanvragen van aanvul-lende compensatie van werkelijke schade.Hoewel deze verschillende maatregelen de overschrijdingen van dewettelijke beslistermijn dempen, leiden ze er in de praktijk helaas niet toedat deze termijn daadwerkelijk wordt gehaald.De keuze voor een aanpassing van de beslistermijnenAls de wettelijke termijn blijft zoals deze nu is, is deze korter dan determijn die in de uitvoeringspraktijk haalbaar is – zelfs met de maximaleinspanningen die het kabinet doet en al heeft gedaan om ouders zo snelmogelijk duidelijkheid te geven. Zonder aanpassing blijven ouders in desituatie dat ze min of meer gedwongen worden om naar de rechter tegaan om door het instellen van een beroep niet tijdig beslissen eenbeslissing af te dwingen. Ook blijft in dat scenario de onduidelijkheidvoortbestaan over wanneer ouders aan de beurt zijn. Kijkend naar hetaantal aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade zaldie onzekerheid en onduidelijkheid een grote groep ouders raken. Immers,nog een aanzienlijke groep ouders wacht op de integrale beoordeling enkan daarna de keuze maken om een aanvraag in te dienen voor decompensatie van aanvullende werkelijke schade. Dat doet momenteel zo’n25% van de ouders.De beslistermijn aanpassen naar de daadwerkelijk benodigde behandeltijdbetekent dat de termijn langer wordt dan deze nu wettelijk gezien is, alwordt de daadwerkelijk benodigde behandeltijd er uiteraard niet langervan. Wél wordt hiermee voorkomen dat ouders zich min of meergedwongen zien om een rechtszaak aan te spannen voor versneldebehandeling van hun aanvraag en wordt meer duidelijkheid over debehandelvolgorde geboden aan personen die een aanvraag indienen. Tenslotte heeft het verlengen van de beslistermijn tot gevolg dat de wachttijdvoor degenen die geen beroep niet tijdig beslissen indienen, wordtverkort. Medewerkers die (structureel) niet meer nodig zijn om deberoepen niet tijdig beslissen af te wikkelen, kunnen op andere plekkenbinnen de hersteloperatie worden ingezet.Het kabinet wil duidelijkheid boven onzekerheid plaatsen, en wil debelangen van het collectief plaatsen boven de individuele belangen vanpersonen die een beroep niet tijdig beslissen indienen. Het kabinetbegrijpt dat mensen er vanuit hun individuele belang voor kiezen eenberoep niet tijdig beslissen in te dienen. Het kabinet heeft echter ookrekening te houden met het collectieve belang. Het kabinet constateert datuiteindelijk het collectief de nadelen ondervindt van goed te begrijpenindividuele acties die op grote schaal voorkomen. Mensen die wachten opeen beslissing hebben last van steeds verder oplopende wachttijden enonzekerheid over de wachttijd op een beslissing. En er is de druk om naarde rechter te moeten gaan om een beslissing te krijgen op een aanvraag.Het instellen van een beroep niet tijdig beslissen door een ouder, zorgt ervervolgens weer voor dat anderen weer langer moeten wachten, tenzij zijook naar de rechter gaan. Die vicieuze cirkel wil het kabinet doorbreken.Bovendien vraagt de verwerking van ingebrekestellingen en beroepen niettijdig beslissen capaciteit van de uitvoering die niet besteed kan wordenaan inhoudelijke beoordelingen. Naast het onwenselijke perspectief voorouders van oplopende wachttijden, onzekerheid en druk om een beroepniet tijdig beslissen in te dienen, leidt het niet halen van de wettelijketermijnen ook tot knelpunten voor de uitvoering. Besluiten die de DienstToeslagen neemt die voortkomen uit een gerechtelijke uitspraak op eenberoep niet tijdig beslissen, leiden in de praktijk veel vaker tot bezwaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 34 Daarom stelt het kabinet voor, hoe tegenstrijdig dit in eerste instantie lijkt,de wettelijke termijn voor het besluiten op een aanvraag voor aanvullendecompensatie van werkelijke schade te verlengen.Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat het kabinet alles in het werk stelt enblijft stellen om, ongeacht de verlenging van de beslistermijn, ervoor tezorgen dat in de praktijk besluitvorming voor iedere gedupeerde zospoedig mogelijk plaatsvindt. Dit bevordert dat gedupeerden hun levenweer op de rit krijgen. Waar het afhandelen van aanvragen mogelijksneller kan, doen we dat natuurlijk ook, waarbij wel geldt dat er grenzenzijn aan het huidige proces. Verdere versnellingsmogelijkheden beginnenaan te lopen tegen de grenzen van wat er qua uitvoering nog mogelijk isof gaan te zeer ten koste van de kwaliteit en zorgvuldigheid richting de(mogelijk) gedupeerden. Het kabinet blijft hierover rapporteren in devoortgangsrapportages over de hersteloperatie.Voorgestelde aanpassing beslistermijn aanvraag aanvullende compen-satie van werkelijke schadeTabel 1: voorgestelde aanpassingen beslistermijn voor aanvragen van compensatievoor werkelijke schade gedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag ten opzichte vande in wetgeving opgenomen beslistermijnenHuidige beslis-termijnHuidige wachttijdVoorgesteldeaanpassingAanvullende compensatie voorwerkelijke schade vangedupeerde aanvragerskinderopvangtoeslag6+6 maandenCirca 22 maanden12+12 maanden In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld om, in aanvulling opde ingezette versnellingsacties, een realistische termijn te introducerenvoor het besluiten op een aanvraag voor aanvullende compensatie voorde werkelijke schade. Deze termijn gaat gelden voor aanvragen dieingediend worden vanaf het moment dat dit wetsvoorstel in werkingtreedt. Voorgesteld wordt om de beslistermijn voor gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag en ex-partners te wijzigen van dehuidige zes maanden na indiening van de aanvraag (met een mogelijkeverlenging van maximaal zes maanden) naar twaalf maanden naindiening van de aanvraag (met een mogelijke verlenging van maximaaltwaalf maanden).De verwachting is dat een beslistermijn van twaalf maanden met eenmogelijke verlenging van maximaal twaalf maanden een realistischertermijn betreft en zal leiden tot besluiten binnen de wettelijke termijn.Zoals hiervoor aangegeven is de doorlooptijd voor aanvragen vooraanvullende compensatie van werkelijke schade van gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag op dit moment circa 22 maanden.Deze loopt echter op als gevolg van een toenemend aantal aanvragen enals gevolg van de volgorde van het afhandelen van aanvragen. De DienstToeslagen hanteert namelijk het uitgangspunt dat de aanvragen vooraanvullende compensatie voor werkelijke schade die als eerste zijnontvangen ook als eerste worden behandeld («first in, first out»),uitgezonderd aanvragers in een urgentie situatie: zij kunnen zich meldenom versneld in behandeling te worden genomen. Gezien de verwachteverdere toename van de instroom en de hiervoor omschreven syste-matiek dat nieuwe aanvragen in de regel achteraan de rij aansluiten, is hetnoodzakelijk om een langere beslistermijn dan 22 maanden te hanterenom de al ontstane en nog toenemende achterstand in te kunnen halen. Ditrechtvaardigt een beslistermijn op een aanvraag van compensatie voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 35 werkelijke schade van gedupeerde aanvragers van twaalf maanden,eenmalig te verlengen met maximaal twaalf maanden. Voor dezeverlenging wordt voorgesteld dat de nieuwe termijn zal gelden vooraanvragen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade vangedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag die door de DienstToeslagen worden ontvangen vanaf de dag van inwerkingtreding.Aanvragen van ex-partnersTabel 2: voorgestelde aanpassingen beslistermijn voor aanvragen van compensatievoor werkelijke schade voor ex-partners ten opzichte van de in wetgeving opgenomenbeslistermijnenHuidige beslis-termijnHuidige wachttijdVoorgesteldeaanpassingAanvullende compensatie voorwerkelijke schade vanex-partners6+6 maandenNog niet inuitvoering12+12 maanden Op dit moment wordt nog gewerkt aan de voorbereiding van deuitvoering van de regeling voor aanvullende compensatie van werkelijkeschade voor ex-partners. Ten tijde van het indienen van het wetsvoorstelWht aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen, werd er gekekennaar een externe uitvoerder voor het bovengenoemde proces. Inmiddelsis duidelijk geworden dat er onvoldoende interesse is vanuit de markt omdat proces uit te voeren. Daarom is besloten om dit proces, in lijn met deuitvoering voor gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag, doorde Dienst Toeslagen en de CWS uit te laten voeren, al gaat dat zoals onderparagraaf 8.1 toegelicht ook gepaard met knelpunten.Het kabinet wil ook voor ex-partners realistische termijnen stellen voor hetbeslissen op een aanvraag voor aanvullende compensatie voor werkelijkeschade. Ook wil het kabinet voorkomen dat er voor ex-partners korterebeslistermijnen gelden dan voor gedupeerde aanvragers. Dit zou ernamelijk toe kunnen leiden dat ex-partners eerder een beroep niet tijdigbeslissen kunnen indienen en daarmee de gedupeerde aanvragersverdringen. Het kabinet vindt het van belang dat de behandelvolgorde vangedupeerde aanvragers en ex-partners in balans is, en werkt eensystematiek voor de behandelvolgorde bij de uitvoering van de schadere-geling voor ex-partners nader uit. Het kabinet wil de beslistermijnen opeen aanvraag voor ex-partners daarop vooruitlopend verlengen naartwaalf maanden met de mogelijkheid om die termijn met nog twaalfmaanden te verlengen. Hiermee wordt de beslistermijn voor ex-partnersin lijn gebracht met die van de gedupeerde aanvragers van kinderopvang-toeslag.1.2 Mogelijke beleidsalternatieven Aanpassing andere beslistermijnen binnen de hersteloperatieHet kabinet heeft mede naar aanleiding van de uitspraak van de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State van augustus 2023 overwogenom ook de beslistermijn aan te passen voor de integrale beoordeling envoor bezwaren tegen beschikkingen in het kader van de Wht van de DienstToeslagen. De beslistermijn voor de integrale beoordeling (de beoordelingof en voor welk bedrag aanvragers recht hebben op compensatievanwege institutionele vooringenomenheid, hardheid van het wettelijkesysteem of een tegemoetkoming vanwege een onterechte kwalificatie vanopzet of grove schuld) is namelijk nu zes maanden, met een mogelijkheidtot verlenging met nog een zes maanden, en deze termijn wordt helaasTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 36 structureel overschreden. Dat geldt spijtig genoeg ook voor de beslis-termijn van achttien weken voor bezwaren tegen de integrale beoordelingof de beschikking op een aanvraag voor aanvullende compensatie van dewerkelijke schade.Het kabinet zet er daarom ten eerste met verschillende versnellings- enverbeteringsmaatregelen op in dat ook bij de integrale beoordeling en bijde bezwaarbehandeling de wettelijke beslistermijnen worden gehaald.Over de gehele linie in de hersteloperatie is er ingezet op forse opschalingvan de uitvoeringscapaciteit: het personeelsbestand van de Uitvoeringsor-ganisatie Herstel Toeslagen (UHT) groeide van 1379 begin 2023 naar 2277in april 2024. Om de behandeling van integrale beoordelingen verder teversnellen krijgt een aanzienlijke groep vermoedelijk niet-gedupeerdeouders een versnelde integrale beoordeling, waardoor de wachtrij voorandere ouders kleiner wordt. Als gevolg van de ingezette maatregelenzullen de resterende integrale beoordelingen in 2024 en 2025 wordenafgerond, waar eerder nog rekening diende te worden gehouden metafronding in 2027.Om de bezwaarafhandeling te versnellen is op diverse manieren ingezetop het verlagen van de instroom van nieuwe bezwaarzaken. Zo krijgenouders betere uitleg over hun beschikking, en krijgen zij de ruimte omvóór de definitieve beschikking hun zienswijze te geven. Er is ingezet opdiverse alternatieve afhandelingswijzen van bezwaarzaken, zoals doormiddel van mediation. Ook wordt de Bezwaarschriftenadviescommissie(hierna: BAC) gerichter ingezet, waardoor ouders een kortere behandelingvan hun bezwaar krijgen. Voor bezwaren die nog wel behandeld wordendoor de BAC is ingezet op verlichting van de bijbehorende werklast. Op ditmoment wordt een aanvullend pakket aan (deels meer onconventionele)maatregelen voorbereid, dat eraan moet bijdragen dat de ouder diebezwaar aantekent sneller duidelijkheid heeft. Zo wordt onderzocht of aanindieners van een bezwaar een schikkingsvoorstel kan worden gedaan enwordt gewerkt aan het inhuren van complete teams voor de afhandelingvan bezwaren om de capaciteit van de bezwaarafhandeling verder tekunnen vergroten.Ondanks deze ingezette maatregelen is de realiteit dat het niet haalbaar isom binnen afzienbare tijd integrale beoordelingen en bovengenoemdetypen bezwaren binnen de wettelijke beslistermijn af te handelen. Daaromheeft het kabinet overwogen om ook deze beslistermijnen aan te passen.Anders dan bij aanvragen van aanvullende compensatie voor werkelijkeschade, geldt voor de integrale beoordeling echter dat alle aanmeldingenal door de Dienst Toeslagen zijn ontvangen. Het kabinet acht het niethaalbaar om reeds lopende beslistermijnen aan te passen, zoals hieronderwordt toegelicht. Daarom doet het kabinet geen voorstel om de beslis-termijn op de integrale beoordeling aan te passen.Er dient nog steeds rekening te worden gehouden met een aanzienlijkeinstroom van nieuwe bezwaren, ook al zet het kabinet zich er uiteraardvoor in om zoveel mogelijk te voorkomen dat ouders zich genoodzaaktvoelen die stap te zetten. Desalniettemin acht het kabinet een aanpassingnaar de daadwerkelijk benodigde beslistermijnen voor bezwaarzakenjuridisch te kwetsbaar. Artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechtenvan de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omvat namelijk hetrecht op een eerlijk proces. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM, bepaalt dateenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingenrecht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binneneen redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bijde wet is ingesteld. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is van toepassingvanaf het moment dat tegen de eerste aanvraag bezwaar is ingediend. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 37 Afdeling advisering van de Raad van State geeft in haar advies oponderhavig wetsvoorstel aan dat de rechter in de regel zal vasthoudenaan een maximaal redelijke termijn van zes maanden, waarmee het risicoaanwezig is dat een wettelijke beslistermijn die zou aansluiten bij wat er inde praktijk daadwerkelijk nodig is – circa 20 maanden op een bezwaartegen de integrale beoordeling – onverbindend zou worden verklaard. Indat geval wordt teruggevallen op de Awb-termijn van maximaal achttienweken voor het nemen van een beslissing op bezwaar. Het kabinet vindthet onwenselijk een beslistermijn in te stellen die – ook al zou die nodigzijn om aan te sluiten bij de uitvoeringspraktijk – ertoe leidt dat oudersvoor ingewikkelde procedures naar de rechter moeten stappen om hunjuridisch gelijk te halen waarna de uitvoering vervolgens terug bij af zouzijn met een onhaalbare beslistermijn, inclusief de vicieuze cirkel vanberoepen niet tijdig beslissen.Aanpassing van reeds lopende en verlopen beslistermijnenEr is bezien of het mogelijk en wenselijk is om een nieuwe termijn testellen voor reeds lopende en al verlopen beslistermijnen. Het aanpassenvan reeds lopende en verlopen beslistermijnen komt neer op (materieel)terugwerkende kracht en zou de rechtspositie van de betrokkenenaantasten. Betrokkenen mochten vertrouwen op de beslistermijn die goldop het moment dat zij hun aanvraag deden of bezwaar indienden, enwaaraan zij in het geval van de reeds verlopen beslistermijnen ook alrechtsgevolgen kunnen verbinden in de vorm van de ingebrekestelling ofhet beroep niet tijdig beslissen. Het kabinet acht een dergelijkeaanpassing juridisch te kwetsbaar.Geen of andersoortige aanpassing beslistermijnEr is bezien of het wenselijk zou zijn om geen voorstel te doen voor hetverlengen van de huidige beslistermijn voor aanvragen voor aanvullendecompensatie van werkelijke schade. Dan zou de huidige wettelijkebeslistermijn blijven gelden van zes maanden (te verlengen met zesmaanden). Als hiervoor gekozen zou worden, zouden ouders in de situatieblijven dat ze min of meer gedwongen worden om naar de rechter te gaanom met een beroep niet tijdig beslissen, een beslissing af te dwingen. Datleidt vervolgens weer tot langere wachttijden voor andere ouders en eenintransparante behandelvolgorde.Verder is de mogelijkheid bezien van het verlengen van de beslister-mijn(en) tot één einddatum. Bij verlenging tot één einddatum zou debeslistermijn voor latere aanvragers korter zijn dan voor personen dieeerder een aanvraag hebben gedaan. Naar mate de termijn dichter bij deeinddatum komt, zou er naar verhouding ook steeds minder tijd zijn omeen (zorgvuldig) besluit te nemen. Ook is de keuze voor één einddatumeen keuze die het meest afwijkt van de systematiek van de Awb. Eenkoppeling van de beslistermijn aan de datum van indiening sluit beter aanbij de Awb en acht het kabinet beter uitlegbaar dan één einddatumonafhankelijk van wanneer een aanvraag is ingediend.1.3 De positie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) Het onderhavige wetsvoorstel is niet van toepassing op de BES. Deregelgeving inzake de hersteloperatie toeslagen ziet op herstel vansituaties die zich hebben voorgedaan bij het toeslagenstelsel zoals datgeldt in het Europese deel van Nederland. Dit toeslagenstelsel geldt nietop de BES-eilanden. Dit is de reden dat ook qua herstel niet wordtvoorzien in regelgeving ten aanzien van de BES-eilanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 38 2 De termijn verlengen voor het doen van een aanvraag vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade vooraanvrager van kinderopvangtoeslag Aanvragers van een herstelmaatregel krijgen bij de Dienst Toeslagen eeneerste toets en vervolgens een integrale beoordeling waarin wordtbepaald of zij in aanmerking komen voor een compensatie of tegemoet-koming vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld(OG/S). In de eerste toets wordt in de systemen van de Dienst Toeslagengekeken of een aanvrager als gedupeerde kan worden aangemerkt enwordt er in het geval van gedupeerdheid onder andere € 30.000 betaald.Bij de integrale beoordeling wordt samen met een persoonlijk zaakbehan-delaar onderzocht of een aanvrager gedupeerd is, of sprake is vanonterechte terugbetalingen en op welke berekeningsjaren dit ziet. Erwordt compensatie betaald indien en voor zover de uitkomst van deintegrale beoordeling € 30.000 overschrijdt.Aanvragers die van mening zijn dat de geleden schade hoger is dan een altoegekend bedrag bij de integrale beoordeling, kunnen een aanvraagdoen voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Het indienenvan een dergelijke aanvraag is op dit moment wettelijk mogelijk tot1 januari 2024, of – als dat leidt tot een latere datum – zes maanden na hetonherroepelijk worden van de beschikking inzake de integrale beoor-deling. Het kabinet stelt voor om de aanvraagtermijn van 1 januari 2024 teverruimen met twaalf maanden of – als dat leidt tot een latere datum – zesmaanden na het onherroepelijk worden van de beschikking inzake deintegrale beoordeling. Aanleiding is de wens om gedupeerden demogelijkheid te bieden om gebruik te maken van mogelijke alternatieveschaderoutes. Het mogelijk aanbieden van nieuwe, alternatieve, schader-outes noopt tot aanpassing van de aanvankelijke aanvraagtermijn vooraanvullende werkelijke schade. Door gedupeerden meer tijd voor hetindienen van deze aanvraag te geven kan, naast de bovengenoemdekeuzevrijheid voor het selecteren van een passende schaderoute,spreiding van de aanmeldingen over de beschikbare schaderoutesvergroot worden. Betere spreiding kan helpen bij een effectievereschadeafhandeling. Ook biedt dit meer tijd om de communicatie richtingouders over de schaderoutes te verfijnen. Voorgesteld wordt om aan deverruiming van de aanmeldtermijn terugwerkende kracht te verlenen toten met 1 januari 2024, zoals ook is aangekondigd in de Kamerbrief van24 oktober 2023.7Mogelijke beleidsalternatievenHet doel van deze maatregel is om gedupeerden in staat te stellen omgebruik te kunnen maken van alternatieve schaderoutes. Er is gekozenvoor een termijn van twaalf maanden, omdat dit de gedupeerdevoldoende tijd geeft zich te oriënteren op een schaderoute. Daarnaastgeeft dit meer tijd om te zorgen voor duidelijke communicatie rondom dealternatieve schaderoutes en inzichten uit de uitvoering mee te nemen.3 Aanpassing van de termijn voor het indienen van eenbezwaarschrift Iemand die in het kader van de Wht een beschikking ontvangt, heeft opbasis van de Awb zes weken de tijd voor het indienen van een bezwaar-schrift (met ingang van de dag na die van dagtekening van debeschikking). Tot voor nam de Dienst Toeslagen te laat ingediendebezwaarschriften, ondanks dat die te laat worden ingediend, in behan-7Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1301.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 39 deling. Dit leidde enerzijds tot de situatie dat het voor (mogelijk)gedupeerden niet duidelijk was hoeveel tijd zij hadden om een bezwaar inte dienen, en anderzijds was het voor de Dienst Toeslagen moeilijk om inte spelen op de instroom aan bezwaren. Dat gold ook voor het inspelen opde instroom aan aanvragen tot het toekennen van aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade. De aanvraagtermijn voor het doen vaneen dergelijke aanvraag loopt namelijk door tot zes maanden na hetmoment dat de compensatiebeschikking onherroepelijk wordt.Het kabinet heeft daarom besloten om de termijn om een bezwaar in tekunnen dienen te gaan handhaven, zij het met een aangepaste wettelijkebezwaartermijn van niet zes maar zestien weken. Vooruitlopend op en inlijn met deze voorgestelde wettelijke aanpassing wordt in bezwaarclau-sules per 1 juli 2024 reeds tien weken coulance toegepast, bovenop de zesweken uit de Awb.8 Deze coulancetermijn van tien weken geldt voor allebeschikkingen die worden afgegeven tot aan de inwerkingtreding van ditwetsvoorstel, en op dat moment wordt de termijn van zestien wekenwettelijk verankerd. Als een termijn van zestien weken is geboden ombezwaar te maken, maar er pas buiten deze termijn bezwaren wordeningediend, worden deze (behoudens verschoonbare termijnoverschrij-dingen) niet-ontvankelijk verklaardIn de praktijk blijkt op dit moment namelijk dat mensen meestal meer tijdnodig hebben dan die wettelijke zes weken om te komen tot eenbeslissing om een bezwaar in te dienen en doen termijnoverschrijdingenzich regelmatig voor. In veel gevallen maken ouders rondom de integralebeoordeling gebruik van professionele rechtsbijstand en de bezwaar-termijn verloopt vaak voordat ouder en advocaat de balans op kunnenmaken ten aanzien van het indienen van een rechtsmiddel. Het kabinet wildat gedupeerde ouders en andere belanghebbenden in staat wordengesteld om tijdig bezwaar in te dienen. Er is een bezwaartermijn vanzestien weken voorgesteld, omdat dit de gemiddelde tijd is die ouders diehun bezwaar tegen een beschikking op de integrale beoordeling nietbinnen de termijn indienen op dit moment nodig hebben om hun bezwaarin te dienen. Het kabinet wil daarmee voorkomen dat zij zich onder drukvoelen gezet om snel een bezwaar in te dienen of zelfs besluiten helemaalgeen bezwaar meer in te dienen.Onderhavig wetsvoorstel zet de beleidsregel van zes weken om inbezwaar te gaan, plus een coulancetermijn van tien weken, om naar eenwettelijke termijn om in bezwaar te gaan van zestien weken. Voorgesteldwordt dat de bezwaartermijn van zestien weken zal gelden voor personendie vanaf het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel eenbeschikking van de Dienst Toeslagen ontvangen in het kader van de Wht.Voor beschikkingen genomen vanaf 1 juli 2024 tot aan inwerkingtredingvan de wet blijft de huidige termijn van zes weken van toepassing waarbijeen coulancetermijn van tien weken wordt gehanteerd, zodat in diegevallen er in de praktijk reeds een termijn van zestien weken wordtgeboden. Voor beschikkingen die zijn genomen vóór 1 juli 2024 beleids-wijziging, wordt de termijnoverschrijding alleen tegengeworpen indieneen bezwaar onredelijk laat wordt ingediend. Wat daaronder wordtverstaan is nader uitgewerkt in het beleid.98Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390, bijlage.9Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390, bijlage 5, Beleidsregels van de Dienst Toeslagen overprocesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen (Beleidprocesrecht herstel toeslagen).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 310 Het kabinet zal de termijn om een bezwaar in te dienen niet gaanhandhaven voor bezwaren die reeds zijn ingediend op het moment vaninwerkingtreding van deze wet. Op het moment van indienen van diebezwaren gold immers de uitvoeringspraktijk om te laat ingediendebezwaren gewoon in behandeling te nemen.De beslistermijn op bezwaar vangt voor de Dienst Toeslagen aan op hetmoment van dagtekening van het bezwaar, met een minimum van zesweken na dagtekening van de beschikking. Met dit minimum wordtvoorkomen dat de aanpassing van de termijn om in bezwaar te gaan nietleidt tot een eerdere start van de beslistermijn dan de zes weken die daarin de huidige wetgeving voor geldt (namelijk de in de Awb opgenomenperiode tot wanneer een belanghebbende een bezwaar kan indienen).4 Aanpassing van de regeling voor nabestaanden van overledengedupeerden In 2023 is de Wet hersteloperatie toeslagen uitgebreid met onder meer denog niet in werking getreden regeling voor nabestaanden van overledengedupeerden (nabestaandenregeling). Deze regeling heeft tot doel om detoeslagpartner10 op het moment van overlijden van de aanvrager vankinderopvangtoeslag aanspraak te geven op de herstelregelingenwaarvoor de overledene bij leven in aanmerking zou zijn gekomen. Als deaanvrager op het moment van overlijden geen partner had die inaanmerking komt voor de nabestaandenregeling, dan komen de eigenkinderen van de overledene in aanmerking voor de nabestaandenregeling.Dit houdt in dat de toeslagpartner of de kinderen van een overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag recht kunnen krijgen ophet forfaitaire bedrag van € 30.000, een integrale beoordeling en bredeondersteuning. Ook krijgen de toeslagpartner of de kinderen het recht omeen aanvraag te doen voor het betalen of overnemen van privaatrechte-lijke schulden van de overleden gedupeerde voor zover deze ten laste vande partner of het kind zijn gekomen en worden de publiekrechtelijkeschulden van de overleden gedupeerde kwijtgescholden.Amendement LeijtenHet amendement Leijten11 heeft de nabestaandenregeling in de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen uitgebreid met deaanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Daarnaast is eenander, integraal proces voor nabestaanden geïntroduceerd dat deafwikkeling van de herstelregelingen waarvoor de nabestaande inaanmerking komt, persoonlijker en sneller beoogt te maken. Om ditmogelijk te maken zouden de integrale beoordeling, de afwikkeling van dewerkelijke schade en de schuldenregelingen in één behandeling (gesprek)worden gecombineerd en zou bij voorkeur voor alle herstelregelingenbinnen één dag worden besloten. Ook wordt betrokkenen een wettelijkrecht op een persoonlijk zaakbehandelaar gegeven die de persoonlijkebijstand coördineert en fungeert als aanspreekpunt. Ten slotte is via hetamendement aan de wet toegevoegd dat de Dienst Toeslagen, op verzoekvan betrokkene, voor zover mogelijk, alle beslissingen op grond van denabestaandenregeling samenvoegt in één beschikking.Omdat deze aanpassingen van het eerder door het kabinet ingediendewetsvoorstel grote impact hebben op de uitvoeringspraktijk, is denabestaandenregeling nog niet in werking getreden. Het kabinet heeft in10Dit betreft de partner als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.11Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 311 de brief van 12 juli 202312 aangegeven een nieuwe uitvoeringstoets nodigte achten om in beeld te brengen of deze aanpassingen uitvoerbaar zijn.Tegelijkertijd deelt het Kabinet de wens van de Tweede Kamer om dezegroep gedupeerden zo snel mogelijk te helpen gezien het dubbele leed datzij hebben ervaren. In dat licht is daarom bekeken op welke manieruitvoering van de nabestaandenregeling wel uitvoerbaar zou zijn, terwijltegelijkertijd zoveel mogelijk tegemoet wordt gekomen aan de doelstel-lingen van het amendement, namelijk het op persoonlijke wijze helpenvan nabestaanden bij alle stappen in het herstelproces in een zo kortmogelijke tijd.Uitkomsten uitvoeringstoetsDe Dienst Toeslagen heeft een uitvoeringstoets opgesteld die als bijlagebij deze memorie van toelichting is gevoegd. Het blijkt niet mogelijk omalle onderdelen uit de nabestaandenregeling in één behandeling (gesprek)samen te voegen, maar de toets geeft ook inzicht in de wijze waarop denabestaandenregeling wel uitvoerbaar is.13 Naar aanleiding van dezeuitvoeringstoets wordt in het onderhavige wetsvoorstel een aantalwijzigingen in de nabestaandenregeling voorgesteld. Het Kabinet tracht zoveel mogelijk de uitkomst van deze uitvoeringstoets te combineren met dewens om deze groep gedupeerden zo snel mogelijk te helpen.Er zijn twee fundamentele uitvoeringsproblemen aan het amendementLeijten. Ten eerste: doordat herstelmaatregelen elkaar opvolgen en veelaleen eerdere uitkomst gebruiken voor de volgende stap (bijvoorbeeld deaanvullende compensatie voor werkelijke schade volgt op de integralebeoordeling), is het ondoenlijk om deze stappen in één dag uitmondend inéén beschikking uit te voeren. Het tweede uitvoeringsprobleem zit erin dateen deel van het herstel wordt uitgevoerd door gespecialiseerdeketenpartners buiten de Dienst Toeslagen. Zo wordt een deel vanschuldenaanpak uitgevoerd door Sociale Banken Nederland. Als gevolgvan het in de wet verwerkte amendement zou de Dienst Toeslagen debegunstigde moeten adviseren over het gebruik van alle regelingen waardeze recht op heeft. In de uitvoeringstoets wordt geconstateerd dat dezebepaling niet uitvoerbaar is omdat de Dienst Toeslagen niet de expertiseheeft om advies te geven over herstelregelingen die door andereorganisaties worden uitgevoerd. Ook het samenvoegen van meerderebesluiten in één beschikking is niet uitvoerbaar.Met als uitgangspunt zoveel mogelijk gevolg te geven aan hetamendement, geeft de uitvoeringstoets aan dat de Dienst Toeslagen welde rol op zich kan nemen van coördinator van de werkzaamheden vanandere binnen de hersteloperatie betrokken partijen. Met deze coördina-torrol kan de Dienst Toeslagen de nabestaande bij de hand nemen om zode verschillende stappen in het herstel zo snel mogelijk na elkaar plaats telaten vinden.Voorgesteld wordt om die coördinerende rol vorm te geven in dezogenoemde samengevoegde behandeling. Dit houdt in dat de DienstToeslagen zich inspant om de behandeling van de integrale beoordeling,de aanvullende compensatie van werkelijke schade en (private) schuldennaadloos in elkaar over te laten lopen. Dit wordt mogelijk gemaakt methet aanstellen van een persoonlijk zaakbehandelaar regelingnabestaanden overleden aanvragers (hierna: persoonlijk zaakbehandelaarnabestaanden), die een team gaat vormen met een «reguliere» persoon-12Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 26.13Brief van de Staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane d.d. 10 juli 2023, Kamer-stukken I 2022/23, 36 352, E.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 312 lijke zaakbehandelaar, een screeningsjurist werkelijke schade en eenexpert werkelijke schade die vanaf de start van de integrale beoordelingbetrokken zijn. De Dienst Toeslagen zorgt daarbij voor een warmeoverdracht tussen de verschillende betrokken uitvoeringsinstanties.Uitgangspunt is dat nabestaanden niet meerdere keren hetzelfde verhaalhoeven te vertellen en dat behandeling zo snel mogelijk plaats vindt. DeDienst Toeslagen documenteert het verhaal van de nabestaande en brengtdat over aan de andere ketenpartners.Met deze invulling hoopt het Kabinet de uitvoering van de nabestaanden-regeling toch zo veel mogelijk in de geest van het amendement te latenplaats vinden en tegemoet te komen aan de benodigde urgentie in hetherstel voor deze groep gedupeerden.De persoonlijk zaakbehandelaar nabestaandenIn het amendement is bepaald dat een nabestaande op verzoek persoon-lijke bijstand kan krijgen. Voorgesteld wordt om de persoonlijkebegeleiding te integreren in het reguliere uitvoeringsproces van denabestaandenregeling, zodat de nabestaande er niet om hoeft teverzoeken. Hiermee wil het kabinet tegemoet komen aan de wens om toteen persoonlijkere en snellere afhandeling van het herstelproces tekomen. Een nabestaande heeft recht op persoonlijke bijstand als isvastgesteld dat de aanvrager van kinderopvangtoeslag bij leven inaanmerking gekomen zou zijn voor een onderdeel van de regeling en denabestaande kwalificeert als begunstigde volgens de nabestaandenre-geling.Het kabinet stelt voor om de begeleiding van nabestaanden te latenplaatsvinden door speciaal daarvoor getrainde persoonlijk zaakbehande-laars nabestaanden. Op deze manier kan de «reguliere» persoonlijkzaakbehandelaar, evenals in het huidige proces van de gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag, zich richten op de begeleiding bij deintegrale beoordeling. De persoonlijk zaakbehandelaar nabestaandencoördineert de procedure en fungeert voor de begunstigde(n) alsaanspreekpunt. De nabestaande heeft daarbij de regie, bepaalt zelfhoeveel gesprekken nodig zijn en wanneer.Persoonlijke gesprekken zien desgewenst op uitleg over de herstelrege-lingen, uitleg over de mogelijkheden voor persoonlijke begeleiding,ondersteuning bij het doen van een aanvraag voor bijvoorbeeld deaanvullende compensatie voor de werkelijke schade en op informatie overhet gebruik van de regelingen waar de betreffende nabestaande recht opheeft.Zienswijze CWSMet het amendement Leijten is een regeling voor de aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade toegevoegd aan de nabestaanden-regeling. Gelet op de rol van de CWS heeft de commissie hier eenzienswijze op gegeven. Daarin geeft de CWS aan dat het naar verwachtingvoor nabestaanden moeilijk kan zijn om het verhaal van de overledene tevertellen en dat ook aannemelijk te maken. Dat zou ertoe kunnen leidendat de CWS in veel gevallen geen advies kan geven over de hoogte van dewerkelijke schade.Uit de zienswijze blijkt dat ook de CWS een individuele aanvraag voorcompensatie van werkelijke schade met voorrang op andere aanvragenbinnen 6,5 week kan afronden, onder voorwaarde dat een dossier van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 313 Dienst Toeslagen compleet en beschikbaar is en het schadeverzoekcompleet is. In dat geval kan de CWS direct starten met de behandelingvan een aanvraag als de Dienst Toeslagen de integrale beoordeling heeftafgerond. Deze termijn staat los van de tijd die het mogelijk kost omsamen met nabestaanden de geleden schade zo goed als mogelijkaannemelijk te maken. Ook gaat het om de termijn die de behandeling ansich in beslag neemt, los van het aantal aanmeldingen van nabestaandenbij de CWS en mogelijke pieken in het verloop daarvan.Aanvullende compensatie voor de werkelijke schadeHet kabinet realiseert zich dat het aannemelijk maken van de causaliteittussen de toeslagenproblematiek en de geleden werkelijke schade door deoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag voor een nabestaandemoeilijk kan zijn. Het kan bijvoorbeeld ingewikkeld zijn om de benodigdeinformatie te verzamelen en aan te leveren. Het kabinet wil desalnietteminnabestaanden de mogelijkheid bieden om een aanvraag voor aanvullendecompensatie voor werkelijke schade in te dienen. Nabestaanden makenaanspraak op dezelfde aanvullende compensatie als die bij leven zou zijntoegekend aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag. De nabestaandewordt in dit proces ondersteund en geïnformeerd door de persoonlijkzaakbehandelaar nabestaanden. Het bedrag aan werkelijke schade dat aande kinderen van een overleden gedupeerde wordt toegekend, wordt naarevenredigheid verdeeld over het aantal kinderen dat zich voor aanvul-lende compensatie heeft gemeld en hiervoor in aanmerking komt.De uitvoering van deze schaderegeling is op grond van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen nu nog belegd bij de Ministervan Financiën. Voorgesteld wordt om de Dienst Toeslagen te latenbeschikken op aanvragen voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade van de overleden aanvrager en de bevoegdheiddaarvoor direct aan deze dienst toe te kennen. Omdat de Dienst Toeslagenzelf niet de expertise heeft om de werkelijke schade te beoordelen zal deCWS daarover adviseren. De processen zijn daarmee grotendeels gelijkaan die van gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag bij leven.Om de verschillende processtappen voor nabestaanden goed op elkaar telaten aansluiten, zal de CWS de verzoeken van nabestaanden metvoorrang behandelen. Dit leidt tot verdringing ten opzichte vangedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag, maar het kabinet wilmet deze keuze voor deze specifieke doelgroep zoveel mogelijk aansluitenbij het uitgangspunt van het amendement Leijten.Uitvoering nabestaandenregelingOp dit moment zijn circa 390 overleden aanvragers van kinderopvang-toeslag bekend bij de Dienst Toeslagen. De begunstigde nabestaandenzullen worden benaderd met de vraag of zij een beroep willen doen op denabestaandenregeling. Nabestaanden van overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag die niet bekend zijn bij de Dienst Toeslagen kunnenzelf op laagdrempelige wijze een aanvraag doen. Nadat de aanvraag isingediend stelt de Dienst Toeslagen vast of de nabestaande als begun-stigde kan worden aangemerkt. Vervolgens wordt beoordeeld of deoverledene gedupeerd is (indien dat niet eerder is komen vast te staan).De Dienst Toeslagen voert indien van toepassing de integrale beoordelinguit, neemt daarop een beslissing en beslist ook over de aanvullendecompensatie van werkelijke schade, op basis van advies van de CWS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 314 AanvraagtermijnenDe persoonlijk zaakbehandelaar nabestaanden ondersteunt denabestaande bij het doorlopen van het herstelproces, waarbij separateaanvragen voor de verschillende herstelregelingen zullen wordeningediend. Op grond van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen is de termijn voor het indienen van een aanvraag voor decompensatie of tegemoetkoming en voor het overnemen of het betalenvan privaatrechtelijke schulden zes maanden na de inwerkingtreding vande regeling (indien de aanvrager van kinderopvangtoeslag is overleden opof voor de datum van inwerkingtreding van de regeling) of zes maandenna het overlijden van de aanvrager van kinderopvangtoeslag.Beslistermijnen op aanvraag en bezwaar voor nabestaandenTabel 3 Overzicht beslistermijnen nabestaandenregelingBeslistermijnenVoorgesteldebeslistermijnEen aanvraag voor compensatie (onder meer integrale beoordeling)6+6 maandenEen aanvraag voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade6+6 maandenEen aanvraag voor het overnemen of afbetalen van private schulden6+6 maandenBezwaarzaken op beschikkingen nabestaandenregeling6+6 weken De Tweede Kamer heeft met het amendement Leijten de voorkeuruitgesproken voor een snelle uitvoering van de nabestaandenregeling,waarbij nabestaanden zo snel mogelijk door het proces worden geleid,inclusief het proces omtrent aanvullende compensatie voor werkelijkeschade. Tegelijk blijkt uit pilots van de Dienst Toeslagen en gesprekkenmet nabestaanden dat zij behoefte hebben aan eigen regie op het proces,en aan tijd en ruimte voor het mentaal verwerken van de informatie en debijkomende emoties. Daarnaast moeten de beslistermijnen zo wordengekozen dat ze realistisch zijn voor de Dienst Toeslagen en dat pieken inaanmelding gespreid in behandeling genomen kunnen worden. Met de inhet onderhavige wetsvoorstel voorgestelde beslistermijnen wordt eenbalans gevonden tussen deze aspecten, zoals hierna nader toegelicht.Ongeacht de gestelde termijnen blijft de inzet van de Dienst Toeslagen ende andere uitvoerders om nabestaanden in zo kort mogelijke tijd te helpenmet alle stappen in het herstelproces.Ad 1 – beslistermijn aanvraag compensatieGelet op de uitvoeringstoets is bezien wat wel mogelijk is om zo spoedigmogelijk te beslissen op aanvragen van nabestaanden voor compensatie,en tegemoet te komen aan de wens tot een zo kort mogelijk proces.Uit een nadere analyse is gebleken dat de behandeling van een indivi-duele aanvraag, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van hetdossier, voor een substantieel aantal nabestaanden naar verwachting ineen korter tijdsbestek kan worden afgerond dan in de voorgesteldebeslistermijn van zes maanden (met de mogelijkheid om die termijneenmaal met ten hoogste zes maanden te verlengen). Deze beslistermijnzes met maximaal zes maanden verlenging is echter nodig om de DienstToeslagen voldoende ruimte te geven om de aanvragen gespreid tebehandelen, ook als het aantal aanvragen hoger uitvalt dan nu verwacht.Het aantal verwachte aanvragen staat namelijk niet vast en de capaciteitdie de Dienst Toeslagen kan inzetten in de specialistische teams voornabestaanden is begrensd. Dit heeft tot gevolg dat niet alle aanvragentegelijk in behandeling kunnen worden genomen. Een piek in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 315 aanvragen kan zich bijvoorbeeld voordoen bij de start van de regeling enbij het aflopen van de aanvraagtermijn. De voorgestelde beslistermijnmoet bovendien voldoende ruimte geven voor een zorgvuldig proces voornabestaanden, waarin zij de regie kunnen houden en voldoende tijdhebben voor het verzamelen en aanleveren van informatie, inclusiefruimte voor de emotionele kanten van het herstelproces als dat gewenstis.Ad 2 – beslistermijn aanvraag aanvullende compensatieOok voor een aanvraag voor aanvullende compensatie voor werkelijkeschade is bezien in hoeverre het mogelijk is om daarop zo spoedigmogelijk te beslissen. Zoals hiervoor beschreven is het voor de CWS intheorie mogelijk om binnen 6,5 week in een individueel geval teadviseren. Tegelijk moet de beslistermijn uitvoerbaar zijn voor de CWS ophet moment dat er meerdere aanvragen tegelijk binnenkomen. Bovendienis het afhandelen van werkelijke schade voor nabestaanden naarverwachting complex, omdat het voor hen moeilijk kan zijn om de schadevan de overledene aannemelijk te maken. De beslistermijn moetvoldoende ruimte geven om dit proces zorgvuldig te doorlopen. Om dezeredenen wordt ook voor de aanvraag aanvullende compensatie werkelijkeschade voorgesteld een beslistermijn van zes maanden te hanteren metde mogelijkheid om die termijn met ten hoogste zes maanden teverlengen.Om het gehele proces voor nabestaanden na de start zo snel mogelijk telaten doorlopen is met de CWS afgesproken om voor nabestaanden zomin mogelijk wachttijden te hanteren en aanvragen van nabestaandenmet voorrang te behandelen. Om het proces efficiënter te maken isbovendien al tijdens de integrale beoordeling een screeningsjurist vanCWS betrokken om met de nabestaande na te gaan in hoeverre eenaanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade kansvan slagen heeft. De persoonlijk zaakbehandelaar nabestaanden kandaarnaast helpen bij het achterhalen van de benodigde informatie. Ookvoor de werkelijke schade geldt daarmee dat een individuele aanvraagnaar verwachting in een substantieel aantal gevallen sneller kan wordenafgerond dan exact binnen de voorgestelde wettelijke beslistermijn.Door de prioritering voor nabestaanden zullen andere groepengedupeerden bij de CWS, zoals gedupeerde aanvragers van kinderop-vangtoeslag en ex-partners, wel langer moeten wachten voordat hunaanvraag kan worden afgehandeld.Ad 3 – beslistermijn overnemen of betalen privaatrechtelijke schuldenOok voor de regeling voor het overnemen of betalen van privaatrechte-lijke schulden is bezien wat de kortst mogelijke beslistermijn is. Ookhiervoor wordt een termijn van zes maanden voorgesteld met demogelijkheid om die termijn met zes maanden te verlengen. Deze termijnis nodig, omdat de uitvoerder Sociale Banken Nederland (SBN) afhankelijkis van de snelheid waarmee nabestaanden schulden indienen en desnelheid waarmee schuldeisers reageren op verzoeken. Ook voor SBNgeldt dat het uitgangspunt is om nabestaanden zo snel als mogelijk tehelpen en dat de gestelde termijn in een substantieel aantal gevallenwaarschijnlijk niet nodig zal zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 316 Termijn voor het beslissen op bezwaarTen slotte is bezien hoe de beslistermijnen voor de Dienst Toeslagen opbezwaarschriften zo goed mogelijk kunnen aansluiten bij het streven naareen zo snel mogelijke uitvoering. Voorgesteld wordt om voor bezwarentegen beslissingen op grond van de nabestaandenregeling de op grondvan de Algemene wet bestuursrecht geldende termijnen te hanteren. Dithoudt in een termijn van zes weken met de mogelijkheid om die met zesweken te verdagen. Deze termijn wordt voorgesteld voor bezwaren tegeneen beschikking op een aanvraag voor compensatie (onder meer integralebeoordeling), een beschikking op een aanvraag voor aanvullendecompensatie voor werkelijke schade en een beslissing op het overnemenof betalen van privaatrechtelijke schulden.Een korte beslistermijn op bezwaar heeft een positieve invloed op dedoorlooptijd van het herstelproces. Een beschikking voor de aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade kan namelijk pas wordenvastgesteld als de integrale beoordeling onherroepelijk vaststaat. Hoesneller een beslissing op bezwaar tegen een beschikking op de integralebeoordeling wordt genomen, des te eerder de nabestaande door kan metde aanvraag voor werkelijke schade. Om de voorgestelde termijnen tehalen zal de Dienst Toeslagen bij bezwaar voorrang geven aannabestaanden ten opzichte van gedupeerde aanvragers van kinderop-vangtoeslag en van ex-partners. Hiervoor geldt dat het verdringingseffectvoor andere groepen naar verwachting beperkt is, gelet op het naarverwachting geringe aantal nabestaanden dat een aanvraag zal indienen.De beslistermijn van zes weken met de mogelijkheid tot verdagen met zesweken is daarnaast haalbaar doordat de BAC in principe geen rol heeft bijbezwaren van nabestaanden.Aanspraak voor kinderen na overlijden van de toeslagpartnerIn de nabestaandenregeling zoals nu opgenomen in de Wht is bepaald datde eigen kinderen van de overleden aanvrager van kinderopvangtoeslagalleen aanspraak kunnen maken op de regeling als er op het moment vanoverlijden van die aanvrager geen partner had die in aanmerking komtvoor de nabestaandenregeling. Als de toeslagpartner vervolgens overlijdtbinnen de aanvraagtermijn en nog geen aanvraag heeft gedaan ofoverlijdt nadat deze tijdig een aanvraag heeft ingediend voor denabestaandenregeling op een of meerdere onderdelen daarvan nog geentoekenning heeft plaatsgevonden, kunnen de kinderen geen aanspraakmaken. Dit is echter een onbedoeld gevolg van de manier waarop deregeling is vormgegeven. Daarom wordt voorgesteld om de kinderen vande overleden aanvrager in deze situaties aanspraak te geven op denabestaandenregeling.5 Peildatum brede ondersteuning ouders in het buitenland Een deel van de door de toeslagenproblematiek gedupeerde ouders isvanwege de problemen met de kinderopvangtoeslag naar het buitenlandvertrokken. Voor deze ouders is, naast de algemene herstelregelingen,brede ondersteuning beschikbaar en ondersteuning bij terugkeer naarNederland. Deze ondersteuning voor ouders, ex-partners ennabestaanden van overleden gedupeerden14 wordt verleend door hetOndersteuningsteam voor ouders in het buitenland (OTB).14Na inwerkingtreding van de regeling voor nabestaanden van gedupeerde overledenaanvragers van kinderopvangtoeslag wordt aan hen ook brede ondersteuning in hetbuitenland geboden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 317 Om te bepalen of iemand in aanmerking komt voor deze ondersteuning, isin de Wht een peildatum opgenomen, namelijk 7 juli 2020. Degene die eenberoep wil doen op brede ondersteuning in het buitenland dient op dezedatum niet meer in Nederland te wonen. Aan deze peildatum ligt deveronderstelling ten grondslag dat vanaf dat moment voor een ieder diedat wenste, uitzicht bestond op hulp en herstel. Op 7 juli 2020 is namelijkde Wet hardheidsaanpassing Algemene wet inkomensafhankelijkeregelingen (Awir) in werking getreden waarmee vanaf die datum eenwettelijke basis bestond voor onder andere de invoering van eenhardheidsregeling, een vangnetbepaling, een grondslag voor eencompensatieregeling alsmede een O/GS-tegemoetkomingsregeling. Methet treffen van deze maatregelen hoefden ouders niet naar het buitenlandte vertrekken vanwege de problemen met de kinderopvangtoeslag, zo wasde veronderstelling. In de praktijk is echter gebleken dat na die datum nogenkele tientallen gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag en hungezin zijn vertrokken naar het buitenland. Zij komen derhalve niet inaanmerking voor brede ondersteuning, terwijl zij in veel gevallenaangeven wel vanwege de problemen met de kinderopvangtoeslag naarhet buitenland te zijn vertrokken. De brede ondersteuning doorgemeenten kwam eind 2020 op gang en kreeg in de loop van 2021 steedsmeer vorm. Dat er brede ondersteuning beschikbaar was voor aange-melde ouders, was echter niet bij alle ouders bekend. Bovendien bleek datouders het vertrouwen in de overheid kwijt waren en zich daarom vaakniet meldden bij hun gemeente. In combinatie met alle andere herstelre-gelingen die eind 2021 bestonden, en het zicht dat er toen was op hetstarten van de schuldenaanpak, is het onwaarschijnlijk dat ouders na31 december 2021 nog de noodzaak voelden te verhuizen vanwege detoeslagenproblematiek.Om ondersteuning voor deze groep gedupeerden mogelijk te maken,wordt daarom voorgesteld de peildatum van 7 juli 2020 te verschuivennaar 31 december 2021. Alle gedupeerde ouders, ex-partners ennabestaanden van gedupeerde overleden aanvragers kinderopvang-toeslag (deze laatste na inwerkingtreding van de betreffende regeling) dievoor 31 december 2021 naar het buitenland zijn verhuisd, en daar ook nogwonen op het moment dat zij een aanvraag doen, komen daarmee inaanmerking voor brede ondersteuning.Voorgesteld wordt aan het wetsvoorstel terugwerkende kracht te verlenentot en met 24 juni 2022, waarmee aangesloten wordt bij de terugwerkendekracht die is gegeven aan de relevante bepalingen in de Wht. Voorgesteldwordt aan de wijziging met betrekking tot ex-partners terugwerkendekracht te verlenen tot en met 15 juli 2023, de datum waarop de bredeondersteuning in het buitenland voor ex-partners in werking is getreden.6 Grondslag voor commissies bij de uitvoering van de aanvul-lende regelingen De Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen(hierna: Commissie van Wijzen, CvW), de BAC en de CWS hebben een rolin de hersteloperatie toeslagen ten aanzien van mogelijk gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag.De CvW beoordeelt voorgenomen beschikkingen van de Dienst Toeslagentot het geheel of gedeeltelijk afwijzen van een aanvraag van de aanvragervan kinderopvangtoeslag tot compensatie of een OG/S-tegemoetkoming.Ook adviseert de commissie over de vraag of sprake is van een schrijnendgeval volgens de vangnetbepaling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 318 De BAC heeft tot taak het adviseren van de Dienst Toeslagen overbezwaren van aanvragers van kinderopvangtoeslag tegen beschikkingendie zijn vastgesteld betreffende de compensatie enOG/S-tegemoetkoming, aanvullende compensatie en aanvullendetegemoetkoming voor de werkelijke schade en de vangnetbepaling. DeBAC adviseert ongeacht de vraag of een aanvraag geheel of gedeeltelijk isafgewezen. Wel geldt op grond van de Instellingsregeling Bezwaarschrif-tenadviescommissie hersteloperatie toeslagen dat de Dienst Toeslagen inbepaalde gevallen bezwaren zelf af kan doen zonder deze ter adviseringaan de BAC voor te leggen.De CWS adviseert de Dienst Toeslagen met betrekking tot het toekennenvan aanvullende compensatie en aanvullende O/GS-tegemoetkomingvoor de werkelijke schade van de gedupeerde aanvrager kinderopvang-toeslag. In het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld om ook deuitvoering van de werkelijke schaderegeling voor nabestaanden enex-partners neer te leggen bij de Dienst Toeslagen. Voorgesteld wordtdaarom om ook voor die regeling een grondslag op te nemen, op grondwaarvan de CWS een rol kan spelen.Het onderhavige wetsvoorstel beoogt mogelijk te maken de taken van decommissies uit te breiden naar de onderdelen van de uitvoering van deex-partnerregeling, de kindregeling en de nabestaandenregeling. De wetbepaalt niet wanneer de commissies worden ingezet, de specifieke takenvan deze commissies worden geregeld in de InstellingsregelingCommissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen, deInstellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatietoeslagen en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadever-goeding werkelijke schade. Op basis van een nadere afweging kan in derespectievelijke instellingsregelingen worden geregeld of de betreffendecommissies een taak krijgen en zo ja, welke.Bij de beoordeling binnen de kindregeling en de ex-partnerregeling15wordt voorgesteld de rol van de commissies te beperken tot eeningekaderde situatie, namelijk de situatie waarin als gevolg van hetoverlijden van de aanvrager kinderopvangtoeslag eerder nog niet isvastgesteld dat deze gedupeerd is. Als in het kader van de kindregeling ende ex-partnerregeling geoordeeld wordt dat er geen sprake is vangedupeerdheid van de kinderopvangtoeslag om toegang tot dieregelingen te bepalen, moeten de CvW en de BAC daarin een rol kunnenvervullen.Voor de regeling voor nabestaanden van overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag wordt er tevens voorgesteld een grondslag op tenemen voor het instellen van commissies. De nabestaandenregeling isaldus vormgegeven dat nabestaanden zich kunnen beroepen op compen-satie, vergelijkbaar met hoe de overleden aanvrager dat zelf had gekund.Om die reden moet ook de inzet van de CvW en de BAC ten aanzien vande aanspraak op compensatie mogelijk zijn.Zowel nabestaanden als ex-partners kunnen voorts een aanvraag doenvoor aanvullende werkelijke schade. Ook daarvoor is een grondslag in dewet opgenomen, zodat er commissies kunnen worden ingezet dieadviseren over aanvragen om aanvullende schade en eventuele bezwaar-procedures.15Met uitzondering van de regeling voor werkelijke schade voor ex-partners.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 319 7 Budgettaire aspecten Budgettaire aspecten hebben geen enkele rol gespeeld bij de voorstellenin het onderhavige wetsvoorstel, maar moeten conform afspraak wel indeze memorie van toelichting in kaart worden gebracht.Aanpassing beslistermijnenHet verlengen van de beslistermijn op aanvragen van aanvullendecompensatie van werkelijke schade kan er in de praktijk toe leiden dat hetaantal ingebrekestellingen, verzoeken om een dwangsom en beroepenniet tijdig beslissen bij de rechtbank op dit onderdeel steeds beperkter zalzijn. Afhankelijk van de inwerkingtreding van de aangepaste beslistermijnzal dat naar verwachting leiden tot een beperking van het verwachte tebetalen volume aan dwangsommen.Aanpassing aanvraagtermijn werkelijke schadeDe budgettaire gevolgen van de verlenging van de aanmeldtermijn vooraanvullende schade zijn tweevoudig. Wanneer de aanvraagtermijn nietopgeschoven zou worden, dan zou heden een piek in aanmeldingen bij deCWS ontstaan, met meer ingebrekestellingen en dwangsommen voor niettijdig beslissen tot waarschijnlijk gevolg. Tegelijkertijd zou het opschuivenvan de aanvraagtermijn kunnen leiden tot meer aanmeldingen, wat zoukunnen resulteren in meer uitbetalingen, maar dan wel meer verspreidover de tijd.Aanpassing nabestaandenregelingVoor de bouw van de nabestaandenregeling zijn circa 200 IV-dagen nodig.Hiervoor is reeds een bedrag van € 220.000 gereserveerd.Aanpassing peildatum brede ondersteuning ouders in het buitenlandDe budgettaire impact van deze wijziging is relatief klein. Uit analyse vande Dienst Toeslagen blijkt dat de groep ouders die tussen de huidige en devoorgestelde peildatum naar het buitenland is verhuisd relatief klein is(122 gezinnen). Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat niet meer dan dehelft van de ouders die onder de nieuwe afbakening vallen, ondersteuningvan OTB wenst (op basis van het percentage van de reguliere populatiedat ondersteuning wenst). Dat betekent dus een toename van 60 gezinnenen dit is op te vangen binnen het beschikbare budget.8 Uitvoering 8.1 Dienst Toeslagen Aanpassing beslistermijnenDe voorgestelde verlenging van de aanvraag- en beslistermijnen opaanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade voorgedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag en bezwaren isbeoordeeld met uitvoeringstoetsen. Voor de voorstellen uit het onder-havige wetsvoorstel geldt dat de Dienst Toeslagen deze uitvoerbaar achtper de voorgestelde inwerkingtredingsdatum. De maatregelen leiden totbeperkte complexiteitsgevolgen. Daarnaast vraagt de Dienst Toeslagenaandacht voor communicatie over de aanpassingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 320 Aanpassen uitvoerder schaderegeling ex-partnersUit de uitvoeringstoets van de Dienst Toeslagen blijkt dat het niet mogelijkis om de afhandeling van aanvragen van aanvullende compensatie vanwerkelijke schade van ex-partners op korte termijn in uitvoering tebrengen, vanwege de hoge druk op de Dienst Toeslagen en de CWS metname op het terrein van dossiers en bezwaar. De regeling is technischuitvoerbaar, maar pas op het moment dat de werkvoorraad dat toelaat. Deschaderegeling voor ex-partners is op dit moment nog niet van kracht.Inwerkingtreding hiervan zal plaatsvinden bij koninklijk besluit. Hierdoorheeft dit onderdeel van het wetsvoorstel op dit moment nog geen directegevolgen voor Dienst Toeslagen. De timing van de inwerkingtreding vande regeling zal worden afgestemd op de capaciteit bij de Dienst Toeslagenen de CWS. Tegelijkertijd wordt gekeken op welke manier de druk op deDienst Toeslagen en de CWS verminderd kan worden, om een zo snel enzo goed mogelijke inwerkingtreding mogelijk te maken.Aanpassingen van de nabestaandenregelingDe voorgestelde aanpassingen van de nabestaandenregeling vloeiengrotendeels voort uit de door de Dienst Toeslagen verrichte uitvoerings-toets. Uit die uitvoeringstoets komt naar voren dat de huidige nabestaan-denregeling, zoals die luidt na de toevoeging van het amendementLeijten, niet uitvoerbaar is. Deze regeling is wel uitvoerbaar indien deDienst Toeslagen de coördinatie van de werkzaamheden van deuitvoerders binnen de hersteloperatie toeslagen voor zijn rekening neemten de huidige systematiek van beschikken kan worden voortgezet. Ditbetekent dat zowel na de integrale beoordeling als voor de werkelijkeschade separate beschikkingen worden vastgesteld. Nabestaandenworden hierbij zoveel mogelijk ondersteund en zo snel als mogelijk enwenselijk door het herstelproces begeleid. In hoofdstuk 4 van dezememorie worden de voorstellen inzake de nabestaandenregelingtoegelicht.Peildatum brede ondersteuning ouders buitenlandDe gevolgen van de aanpassing van de peildatum zijn voor de DienstToeslagen beperkt. Wel is er een aantal eenmalige acties nodig naaraanleiding van de wetswijziging. Dat betreft onder meer een belactie naarouders die nieuw in aanmerking komen, en het aanpassen van een aantalinterne werkinstructies.8.2 Commissie Werkelijke Schade (CWS) De CWS is om een reactie gevraagd op de aanpassing van de aanvraag-en beslistermijnen voor verzoeken van aanvullende compensatie vanwerkelijke schade voor gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag.De CWS geeft desgevraagd aan geen bezwaar te hebben tegen hetaanpassen van de aanvraagtermijn en dat deze uitvoerbaar is. Over deaangepaste beslistermijn geeft de CWS aan de aanpassing voor degedupeerde aanvragers te ondersteunen. De aanpassing zal leiden totmeer zaken die binnen de wettelijke termijn worden behandeld. Omdathet lastig is om prognoses te geven over het behandeltempo, en de CWSbovendien ook afhankelijk is van derden, kan de CWS niet garanderen datde wettelijke beslistermijn in alle gevallen zal worden gehaald.Ook is de CWS gevraagd om een zienswijze te geven op de mogelijkheidom een aanvraag te doen voor aanvullende compensatie voor werkelijkeschade die door het amendement Leijten aan de nabestaandenregeling istoegevoegd. De CWS verwacht dat het voor nabestaanden moeilijk kanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 321 zijn om het verhaal van de overledene te vertellen en dat aannemelijk temaken. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de CWS in veel gevallen geenadvies kan geven over de hoogte van de werkelijke schade.8.3 Ondersteuningsteam ouders in het buitenland (OTB) De voorgestelde verlenging van de peildatum van 7 juli 2020 naar31 december 2021 biedt een grotere groep ouders die in het buitenlandwoont de mogelijkheid om ondersteuning vanuit OTB te krijgen.Aangezien de ondersteuning aan deze ouders inhoudelijk gelijk is aan deondersteuning van de huidige groep ouders die OTB begeleidt, ziet OTBop inhoud geen nieuwe uitvoeringsuitdagingen.Wel betekent de verwachte instroom van een groep van ongeveer 60ouders bij OTB dat er meer ouders instromen dan eerder voorzien. Desnelheid waarmee deze «nieuwe» groep ouders instroomt heeft invloedop de caseload van de OTB casemanagers. Stromen er veel ouderstegelijk in, dan betekent dat dat casemanagers mogelijk aan de grenzenvan hun caseload komen. Om te voorkomen dat ouders in een dergelijkesituatie op een wachtlijst komen, is het wenselijk de dienstverlening teborgen door een tijdelijke uitbreiding van het aantal casemanagers bijOTB met maximaal 4 fte. Dat is naar verwachting haalbaar, maar het isbelangrijk om de instroom de komende periode goed te blijvenmonitoren.9 Doenbaarheid van de maatregelen Het aanpassen van de beslistermijnen vraagt geen acties van aanvragersvan aanvullende compensatie voor werkelijke schade. Wel kan het voor dedoelgroep lastig te volgen zijn dat de wettelijke beslistermijn wordtaangepast en deze voor nieuwe aanvragers anders is dan voor reedsingediende aanvragen. Dit vraagt zorgvuldige communicatie. Via decommunicatiekanalen van de Dienst Toeslagen zal ingezet worden opcommunicatie rondom inwerkingtreding van het wetsvoorstel.Het verlengen van de aanvraagtermijn voor aanvullende compensatievoor werkelijke schade vraagt geen aanvullende acties van aanvragers endoet als zodanig geen direct beroep op hun doenvermogen.Gebruik maken van de nabestaandenregeling kan iets vragen van hetdoenvermogen van de toeslagpartner of de eigen kinderen van deoverleden aanvrager. Zij moeten bijvoorbeeld kunnen aantonen dat deoverledene betalingsachterstanden had of werkelijke schade van deoverledene aannemelijk kunnen maken. Dit is naar verwachting het meestlastig voor kinderen van de overleden gedupeerde, als zij de begunstigdenvan de regeling zijn.De aanpassingen van de nabestaandenregeling leiden ertoe datnabestaanden bij het herstelproces worden begeleid door een persoonlijkzaakbehandelaar nabestaanden. De Dienst Toeslagen heeft hierin eenzorgplicht en zal de nabestaande ondersteunen, informeren en door hetproces heen begeleiden.Het aanpassen van de peildatum voor brede ondersteuning voor oudersin het buitenland vraagt geen aanvullende acties van aanvragers en doetals zodanig ook geen direct beroep op hun doenvermogen. Dat aan eenruimere groep brede ondersteuning wordt geboden, komt het doenver-mogen van deze mensen juist ten goede.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 322 10 EU-aspecten Dit voorstel heeft geen EU-aspecten.11 Advies en consultatie Zoals onder paragraaf 1.2 is toegelicht, is overwogen om de beslister-mijnen op bezwaarzaken aan te passen, en is bovendien overwogen omeen aanpassing van beslistermijnen toe te passen op reeds lopendebeslistermijnen, maar kiest het kabinet vanwege de juridische conse-quenties er niet voor dat voor te stellen. Deze elementen zijn welvoorgelegd aan de adviesorganen. In het onderstaande gaat het kabinetalleen in op de onderdelen van de adviezen die deel uitmaken van hetvoorliggende wetsvoorstel.11.1 Raad voor de rechtspraak Verlenging van de termijn om bezwaar te makenDe Raad voor de rechtspraak vindt de onderbouwing van de verlengingvan de termijn om bezwaar te maken niet voldoende overtuigend omdaarmee af te wijken van de voor het gehele bestuursrecht geldendetermijn16. De Raad voor de rechtspraak merkt daarbij op dat de DienstToeslagen te laat ingediende bezwaren gewoon in behandeling neemt enadviseert daarom om hierop in deze memorie nader in te gaan. Inparagraaf 3 van deze memorie wordt toegelicht dat een bezwaartermijnvan zestien weken wordt voorgesteld, omdat dit de gemiddelde tijd is dieouders die hun bezwaar tegen een beschikking op de integrale beoor-deling niet binnen de termijn indienen op dit moment nodig hebben omhun bezwaar in te dienen. Met het van kracht worden van aangepastuitvoeringsbeleid17 is er reeds geen sprake meer van de situatie dat iederte laat aangetekend bezwaarschrift nog als ontvankelijk in behandelingwordt genomen. Bezwaren die langer dan zestien weken na het afgevenvan een beschikking door de Dienst Toeslagen worden ingediend, worden(behoudens verschoonbare termijnoverschrijdingen) niet ontvankelijkverklaard, met dien verstande dat met betrekking tot de in hoofdstuk 3toegelichte oude zaken een coulanter uitgangspunt wordt gehanteerd.Peildatum brede ondersteuning ouders in het buitenlandDe Raad voor de rechtspraak geeft aan dat niet is toegelicht waarom isgekozen voor de datum van 31 december 2021 als de nieuwe peildatumvoor brede ondersteuning voor ouders in het buitenland en adviseert omdit nader toe te lichten. Hoofdstuk 5 van deze memorie van toelichting isnaar aanleiding van dit advies aangevuld. Er werd eerder door dewetgever gekozen voor de peildatum van 7 juli 2020, omdat werdverondersteld dat gedupeerden vanaf deze datum (van inwerkingtredingvan de Wet hardheidsaanpassing Algemene wet inkomensafhankelijkeregelingen) voor een ieder uitzicht bestond op hulp en herstel. Hiervanbleek geen sprake. Er wordt in deze memorie van toelichting toegelichtdat de reden van het hanteren van de (latere) peildatum van 31 december2021 is dat de brede ondersteuning vanaf deze datum wel voldoende inNederland beschikbaar was.16Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer17Kamerstukken II 2023/24, 31 066, nr. 1390, bijlage 5, Beleidsregels van de Dienst Toeslagenover procesrechtelijke aspecten van de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen (Beleidprocesrecht herstel toeslagen).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 323 11.2 Raad voor de rechtsbijstand Mogelijk negatieve gevolgen voor de rechtszekerheidDe Raad voor Rechtsbijstand geeft mee dat de substantiële verruimingvan beslistermijnen zoals voorgesteld in principe de rechtszekerheidnegatief kan beïnvloeden18. Daarnaast geeft de Raad mee dat dehersteloperatie forse uitdagingen kent in de uitvoering en vooral daardoorkampt met lange doorlooptijden. De Raad geeft aan dat op korte termijnhet ouderdossier ter beschikking komt en dat dit belangrijk is, omdat eenvolledig dossier een noodzakelijke voorwaarde is voor adequate bepalingvan de rechtspositie van de gedupeerde en voor goede advisering van deadvocaat. Het kabinet erkent dat de nieuw voorgestelde beslistermijn opaanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade lang is,en dat de aanvrager daarmee lang in onzekerheid is over de beschikkingop een aanvraag. Tegelijkertijd is die onzekerheid er nu ook, omdat dedaadwerkelijk benodigde tijd om tot een beslistermijn te komen nietrealistisch is. Die onzekerheid wordt versterkt door de goed te begrijpenkeuze van een deel van de groep om een beroep niet tijdig beslissen in tedienen, waardoor anderen langer moeten wachten. Met de voorgesteldeverlenging van de beslistermijn voor aanvragen van aanvullendecompensatie van werkelijke schade tot een realistische beslistermijnen,plaatst het kabinet duidelijkheid boven onzekerheid en de belangen vanhet collectief boven de individuele belangen van personen die een beroepniet tijdig beslissen indienen. Het kabinet beseft dat enkel het verlengenvan beslistermijnen onvoldoende is om de hersteloperatie te versnellen.In de inleiding van deze memorie van toelichting wordt uiteengezet welkemaatregelen zijn genomen om de hersteloperatie toeslagen te verbeterenen versnellen.Resultaten pilot vaststellingsovereenkomstDe Raad voor Rechtsbijstand geeft aan dat de pilot voor het bepalen vande aanvullende compensatie voor de werkelijke schade met vaststellings-overeenkomsten hopelijk bijdraagt aan het herstel voor gedupeerden,door kortere doorlooptijden en minder capaciteitsproblemen bij de DienstToeslagen en de CWS. De Raad voor Rechtsbijstand geeft aan dat dezeeffecten niet meegenomen lijken te worden door de wetgever bij de vraaghoe om te gaan met organisatorische problemen. Verder is voor de Raadvoor Rechtsbijstand niet duidelijk of, hoe en wanneer deze pilotsdoorgang vinden en voor een bredere groep gedupeerden beschikbaarkomen. Het klopt dat de mogelijke effecten van de pilot alternatieveschaderoute niet ingecalculeerd zijn bij de aanpassing van de beslis-termijn voor aanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijkeschade. Deze effecten zijn op het moment van schrijven namelijk nietbekend, omdat nog een besluit dient te worden genomen over hoe hetvervolg rondom de alternatieve schaderoutes eruit komt te zien. Dit laatvanzelfsprekend onverlet dat het kabinet alles in het werk stelt en blijftstellen om, ongeacht de verlenging van de beslistermijn, ervoor te zorgendat in de praktijk besluitvorming voor iedere gedupeerde zo spoedigmogelijk plaatsvindt, zodat deze zo snel mogelijk duidelijkheid krijgt.18Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 324 11.3 Nederlandse Orde van Advocaten Aanpassingen van de termijn voor het besluiten op een aanvraag vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schadeDe werkgroep toeslagenadvocaten van de Nederlandse Orde vanadvocaten (de werkgroep) heeft op 14 februari 2024 geadviseerd metbetrekking tot de maatregelen in dit wetsvoorstel19. De werkgroepadviseert negatief over de genoemde aanpassing, omdat die eenonaanvaardbare inbreuk op de rechten van ouders maken en de ouders(weer) rechtsbescherming wordt ontzegd. De werkgroep geeft aan dat hetuitgangspunt moet zijn dat voor elke aanvraag om aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade de termijnen blijven gelden zoals diegolden op het moment van indiening. De werkgroep geeft verder aan datde oorzaak voor het niet halen van beslistermijnen is gelegen in het nietop orde zijn van de werkprocessen. De werkgroep ziet de oplossing vande problematiek van het structureel niet halen van termijnen door deDienst Toeslagen niet in een verlenging van de huidige termijnen. Dewerkgroep geeft aan dat hiermee slechts aan symptoombestrijding wordtgedaan. Ook ontbreekt volgens de werkgroep een antwoord op de vraagwaarom de voorgestelde termijnen nodig en wel haalbaar zijn.Het kabinet spant zich voortdurend in om de hersteloperatie toeslagen teverbeteren en versnellen. De uitdrukkelijke inzet is om elke gedupeerde zosnel mogelijk weer perspectief te geven en naar voren te kunnen latenkijken. Zo zijn onder meer de volgende maatregelen genomen: capaciteits-vergroting bij UHT van bijna 1.400 naar ruim 2.277 FTE (peildatum april2024), een groot aantal procesverbeteringen waardoor dossiers veelsneller kunnen worden verstrekt, flexibeler afhandeling van bezwaar-zaken, gerichtere inzet van de BAC, opschaling en aanpassing in destructuur bij CWS, en de ontwikkeling van een forfaitaire schaderoute.Ook wordt doorlopend bezien op welke manier werkprocessen kunnenworden verbeterd en welke maatregelen leiden tot versnelling enverbetering van de hersteloperatie toeslagen. Het kabinet bestrijdt danook dat het enkel aan symptoombestrijding doet.Het kabinet beseft dat enkel het verlengen van een beslistermijn niet deenige oplossing is of kan zijn om het herstel van gedupeerden tebespoedigen. Een aanpassing kan slechts een sluitstuk zijn als mogelijk-heden om de afhandeling te versnellen niet voldoende soelaas bieden. Opdit moment gelden óók na invoering van allerlei maatregelen om teversnellen, onrealistische wettelijke beslistermijnen. Aanvragers wetendaardoor niet altijd goed waar zij aan toe zijn en voelen zich gedwongenom naar de rechter te stappen. De Afdeling bestuursrecht van de Raadvan State heeft geconcludeerd dat niet de bestuursrechter, maar alleen dewetgever een collectieve oplossing kan bieden voor onrealistischebeslistermijnen bij de hersteloperatie toeslagen.20 Dit wetsvoorstel is daareen reactie op.De werkgroep vraagt zich daarnaast af of er minder verstrekkendemaatregelen zijn overwogen die minder inbreuk maken op de rechtsbe-scherming van betrokkene en geeft aan dat het ouderbelang door hetverlengen van beslistermijnen in het geding komt en dat voor de DienstToeslagen geen enkele prikkel meer bestaat om wel te voorzien in eengoede procedure om termijnen te halen. Het kabinet gaat in paragraaf 1.2van deze memorie van toelichting in op de overwogen beleidsalterna-tieven en heeft deze op basis van het advies van de werkgroep aangevuld.19Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer20ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3208.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 325 Daaruit blijkt dat verstrekkender en minder verstrekkende alternatievenzijn overwogen. Het voorliggende voorstel poogt daarin een adequatebalans te vinden. Er blijft door het verlengen van de huidige beslister-mijnen een prikkel voor de Dienst Toeslagen bestaan om tijdig tebeslissen. Indien de Dienst Toeslagen niet tijdig beslist, bestaat immersnog steeds de mogelijkheid om een ingebrekestelling in te dienen, teverzoeken om een dwangsom of een beroep niet tijdig beslissen in tedienen.Aanpassing van de termijn voor het indienen van een bezwaarschriftDe werkgroep geeft ten aanzien van de voorgestelde verlenging van determijn voor het indienen van een bezwaarschrift naar zestien weken aandat de huidige termijn voor het indienen van een bezwaarschrift door deDienst Toeslagen op dit moment niet wordt gehandhaafd en daarmee allebezwaarschriften, dus ook degenen die te laat zijn ingediend, door deDienst Toeslagen in behandeling worden genomen. Dit voorstel om deverlengde wettelijke termijn te gaan hanteren leidt volgens de werkgroeptot een verminderd niveau van rechtsbescherming van ouders. Per juli2024 wordt het uitvoeringsbeleid reeds aangepast waardoor er geensprake meer is van de situatie dat ieder te laat aangetekend bezwaarschriftnog als ontvankelijk in behandeling wordt genomen zoals nader istoegelicht in hoofdstuk 3. Het onderhavig wetsvoorstel verankert dezebeleidsaanpassing ook in de wet. Hiermee biedt het kabinet enerzijdsduidelijkheid aan bezwaarmakers en krijgt anderzijds de Dienst Toeslagende mogelijkheid om beter in te spelen op de instroom aan bezwaren en opde instroom aan aanvragen tot het toekennen van aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade.De werkgroep geeft daarnaast aan dat niet duidelijk is of de DienstToeslagen ook ten aanzien van al ingediende bezwaarschriften zalovergaan tot een striktere beoordeling van de tijdigheid daarvan. Indiendit het geval is, is dit wat betreft de werkgroep niet aanvaardbaar. Hetkabinet deelt deze visie. In hoofdstuk 3 is toegelicht dat het kabinet determijn om een bezwaar in te dienen niet zal gaan handhaven voorbezwaren die reeds zijn ingediend op het moment van inwerkingtredingvan deze wet.11.4 Adviescollege toetsing regeldruk Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft geadviseerd op devoorgenomen verlenging van de beslistermijnen voor de aanvraag vooraanvullende compensatie van werkelijke schade21. Het college merkt opdat de voorgestelde verlenging neerkomt op een tussentijdse wijzigingvan de spelregels die de huidige situatie met (te) lange doorlooptijdencodificeert en de mogelijkheden beperkt voor gedupeerde ouders omhiertegen verzet te bieden. Het college constateert dat nut en noodzaakvan de voorgestelde maatregelen op zich zijn onderbouwd, maar tekentdaarbij aan dat de verlengingen van de beslistermijnen mogelijk nietzullen bijdragen aan het vertrouwen in de hersteloperatie en dat ze in diezin de ervaren regeldruk kunnen vergroten.Minder belastende alternatievenHet ATR geeft aan dat het voorstel om de beslistermijnen te verlengen eenultimum remedium lijkt te zijn. Het college adviseert een minder belastendalternatief te onderzoeken, namelijk of meer aanvragen kunnen vallenonder een forfaitaire aanpak.21Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 326 In de zomer van 2023 is een breed pakket aan maatregelen geïntroduceerdom ouders versneld duidelijkheid te geven over hun herstelproces.Daaruit is voortgekomen dat er een pilot wordt gedaan met een vereen-voudigde schaderoute waarin gewerkt wordt met forfaitaire bedragen. Bijhetzelfde maatregelenpakket is overwogen om ouders een financieelaanbod te doen van een vast bedrag na de eerste toets en vóór deintegrale beoordeling, waarmee zij af zouden zien van verdere stappen inhet herstelproces. Mogelijk zou dit – in het meest gunstige scenario – degehele hersteloperatie met enkele maanden kunnen versnellen, doordatminder mensen een integrale beoordeling nodig hebben of bijvoorbeeldeen bezwaar indienen of een verzoek doen over aanvullende werkelijkeschade. Daar staat tegenover dat deze maatregel voor veel ouders vooreen onwenselijke situatie zorgt. Ouders kunnen zonder informatie uit deintegrale beoordeling moeilijk inschatten of dit aanbod hen financieelrechtdoet. Daarnaast voelt het mogelijk oneerlijk voor ouders die al eenintegrale beoordeling hebben gehad en deze keuze niet konden maken.Bovendien zou deze extra optie ook veel vragen van de uitvoering bijDienst Toeslagen in het verstrekken van informatie aan ouders en in hetaanpassen van de systemen en processen bij de eerste toets en deintegrale beoordeling. Hierdoor zou de invoering van de verbetermaatre-gelen bij Dienst Toeslagen die al in gang zijn gezet mogelijk vertragingoplopen. Daarmee zou deze optie in een ongunstig scenario zelfs voorvertraging van het gehele herstelproces zorgen. Daarom is deze maatregelniet doorgezet.Ook is eerder overwogen om de hoogte van de forfaitaire schadevergoe-dingen in de integrale beoordeling aan te passen. Voor deze benadering isniet gekozen omdat naar schatting minder dan de helft van degedupeerden aanvullende schade zal hebben, en deze schade bovendiensterk varieert, waardoor er alsnog een noodzaak voor werkelijke schadeblijft, terwijl dit bij de andere helft van de gedupeerden juist tot overcom-pensatie zou leiden.InformatievoorzieningHet ATR adviseert op tijd te starten met informatievoorziening overwaarom aanpassingen nodig zijn en wat dat voor mensen kan betekenen.Ook het monitoren van gedragseffecten in de uitvoering hoort daarbij. Hetkabinet onderschrijft het belang van goede en tijdige informatievoor-ziening, de toelichting in hoofdstuk 9 van deze memorie van toelichting ishierop aangevuld.RegeldrukkostenHet ATR adviseert de wijziging regeldrukkosten in kaart te brengenconform de Rijksbrede methodiek en daarbij aandacht te besteden aan demogelijk toename van ervaren regeldruk. Enerzijds verwacht het ATR eentoename omdat de termijn om in bezwaar te gaan verlengd wordt,anderzijds is er mogelijk een afname omdat er minder rechtszaken teverwachten zijn.Een accurate inschatting van de daling van regeldrukkosten is lastig tegeven. De bandbreedtes over de nog te verwachten aanvragen vanaanvullende compensatie van werkelijke schade zijn ruim. Bovendienhebben budgettaire aspecten zoals eerder toegelicht geen enkele rolgespeeld bij de voorstellen in het onderhavige wetsvoorstel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 327 12 Comptabiliteitswet 2016 Het instellen van een realistische beslistermijn moet voorkomen dat bijgedupeerden verkeerde verwachtingen worden gewekt over wanneer hunaanvraag voor aanvullende compensatie van werkelijke schade wordtafgehandeld, en bovendien moet dit voorkomen dat de behandelvolgordebij de Dienst Toeslagen bepaald wordt door de keuze van ouders om welof niet naar de rechter te gaan en een beroep niet tijdig in te dienen.Doordat de beslistermijnen niet voor álle onderdelen in de hersteloperatieworden aangepast, en de aanpassing daarnaast niet geldt voor reedsaangevangen beslistermijnen, zal er ook na inwerkingtreding binnen dehersteloperatie nog sprake zijn van beroepen niet tijdig beslissen. Hetaanpassen van de beslistermijn op aanvragen voor aanvullende compen-satie van werkelijke schade leidt er wel toe dat er wat minder capaciteitbenodigd zal zijn om beroepen niet tijdig beslissen af te handelen. Datvermindert niet alleen enigszins de druk op de Dienst Toeslagen, maar ookde druk op de rechtspraak.Het doel van de aanpassing van de aanvraagtermijn voor verzoeken vanaanvullende compensatie is dat aanvragers van kinderopvangtoeslagvoldoende de tijd krijgen om een beslissing te nemen over het doen vaneen aanvraag, in het licht van de nieuwe mogelijkheden hieromtrent, metname met betrekking tot de aanvullende schaderoutes. De aanpassingleidt tevens tot effectievere uitvoering door spreiding van de aanvragen.Het doel van de aanpassing van de peildatum voor brede ondersteuningaan ouders in het buitenland is aan meer ouders brede ondersteuning tekunnen bieden als zij door de problemen met de kinderopvangtoeslag zichgenoodzaakt zagen te vertrekken naar het buitenland. De eerderepeildatum bood daarvoor onvoldoende ruimte. Er bestond een groepouders die wel vanwege de problemen was vertrokken, maar niet inaanmerking kwam voor hulp. De maatregel is doeltreffend omdat hiermeede ouders bereikt worden die nog niet onder door OTB geholpen kondenworden maar ook geen reëel alternatief hadden op het moment vanvertrek uit Nederland. De mogelijkheid bestaat, net als bij de oudepeildatum, dat ook ouders die om andere redenen zijn vertrokken naar hetbuitenland, een beroep kunnen doen op brede ondersteuning door OTB.Dit zullen er iets meer zijn dan bij de oude peildatum, omdat de nieuwepeildatum minder ver in het verleden ligt.13 Evaluatie Het kabinet heeft aangekondigd in te zetten op een evaluatie van de Whtin 2025. Daarbij wordt niet enkel de doeltreffendheid en doelmatigheidvan de maatregelen geëvalueerd, maar ook ruim aandacht besteed aanonder andere: de uitvoering van de maatregelen door de DienstToeslagen, hoeveel de maatregelen vergden van het doenvermogen vangedupeerden, de mate van tevredenheid van de gedupeerden en deervaringen met de inzet van de onafhankelijke commissies (CvW, BAC enCWS). De in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen zullen bij dieevaluatie betrokken worden. Tot aan het moment van evaluatie blijft hetkabinet de voortgang van de hersteloperatie volgen en hiervan verslagdoen in de periodieke voortgangsrapportages herstel toeslagen.Op grond van het door het amendement Leijten aan de Wht toegevoegdeartikel Ia Wht wordt binnen één jaar na inwerkingtreding van deze wet eenverslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijkaan de Staten-Generaal gezonden. Deze evaluatie vindt daarmee plaatséén jaar na inwerkingtreding van de nabestaandenregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 328 II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING InleidendDe Wht bevat de wettelijke bepalingen betreffende de hersteloperatietoeslagen. Met de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagenis de Wht uitgebreid met maatregelen voor ex-partners van gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag. Daarnaast is met die wijzigingswetonder meer de kindregeling in de Wht uitgebreid. Ook is in de Wht eenregeling opgenomen voor nabestaanden in het geval een overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag22 of een overleden kindbij leven recht zou hebben gehad op compensatie of een tegemoetkomingin het kader van de hersteloperatie toeslagen.In navolging van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagenzijn er nog twee wijzigingswetten die leiden tot wijziging en uitbreidingvan de maatregelen in het kader van de hersteloperatie toeslagen: deFiscale verzamelwet 2024 en Overige fiscale maatregelen 2024.23 Beidewijzigingswetten bevatten aanpassingen van de Wht. Daarnaast bevattendeze wijzigingswetten aanpassingen24 van en aanvullingen25 op de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen voor zover het gaat omwettelijke bepalingen die nog niet in werking zijn getreden. Dit betreft metname de nabestaandenregeling. Omdat het daar gaat om wettelijkebepalingen die nog in werking moeten treden, is ervoor gekozen om nietde Wht, maar de wijzigingswet – de Wet aanvullende regelingen herstel-operatie toeslagen – aan te passen dan wel aan te vullen voordat debetreffende wijzigingsopdrachten van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip inwerking zullen treden.Het onderhavige wetsvoorstel bevat wederom wijzigingen van enkelebepalingen inzake de hersteloperatie toeslagen. Hoewel het voor een deelgaat om voorgestelde wijzigingen van bepalingen die nog niet in werkingzijn getreden, in het bijzonder de bepalingen inzake de nabestaandenre-geling, is ervoor gekozen om de wijzigingsopdrachten van het onder-havige wetsvoorstel in beginsel te formuleren als wijziging van de Whtongeacht of de onderliggende wettelijke bepalingen reeds in werking zijngetreden. De reden hiervoor is de samenhang tussen de voorgesteldeaanpassingen van de nabestaandenregeling en de voorgestelde aanpas-singen van de termijnen die niet alleen betrekking hebben op de22De regeling voor nabestaanden van overleden gedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag isnog niet in werking getreden; de regeling voor nabestaanden van overleden kinderen is inwerking getreden per 22 april 2024.23Artikel XII van de Fiscale verzamelwet 2024 en artikel IX van Overige fiscale maatregelen 2024bevatten wijzigingen van artikelen opgenomen in de Wht.24Artikel XIIA van de Fiscale verzamelwet 2024 en artikel IXA, onder 1 tot en met 4, 6 en 8, vanOverige fiscale maatregelen 2024 bevatten wijzigingen van ingevolge de Wet aanvullenderegelingen hersteloperatie toeslagen opgenomen maar nog niet in werking getreden artikelenin de Wht.25Artikel IXA, onder 5 en 7, van Overige fiscale maatregelen 2024 bevat aanvullingen op de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Op grond van deze twee onderdelen zijnmet ingang van 1 januari 2024 in artikel I van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen de onderdelen JJa, JJb, NNbis en NNter ingevoegd. Deze zullen op een bijkoninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden waarmee de artikelen 6.1a, 6.1b, 6.2bisen 6.2ter in de Wht worden ingevoegd. Voor de regeling voor nabestaanden van overledenkinderen en daarmee ook de artikelen 6.1a en 6.2bis Wht die betrekking hebben op deaanvraag-en beslistermijnen voor die regeling, geldt dat deze met ingang van 22 april 2024 inwerking zijn getreden (Stb. 2024, 99).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 329 nabestaandenregeling, maar ook op andere regelingen binnen de Wht26.Uitzondering hierop zijn bepalingen die een wijzigingsopdracht bevattendie niet kan worden verwerkt, bepalingen waarvan in het onderhavigewetsvoorstel wordt voorgesteld die niet op te nemen in de Wht27 enonderdelen die in verband met de volgorde van inwerkingtreding van dediverse onderdelen van de hersteloperatie toeslagen direct weergeschrapt zouden moeten worden om vervolgens op een later momentweer in werking te laten treden. Het ligt in die laatste twee situaties nietvoor de hand die eerst in werking te laten treden om vervolgens directweer te schrappen. Bij koninklijk besluit zal worden geregeld dat dezeaanpassingen van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen de dag na publicatie in het Staatsblad in werking zullen treden.Voor zover het gaat om wijziging van bepalingen die ingevolge de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen in de Wht zijnopgenomen maar nog niet in werking zijn getreden, zullen de aanpas-singen van de Wht ingevolge het onderhavige wetsvoorstel op een bijkoninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden direct nadat dieonderliggende wettelijke bepalingen op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip in werking treden. Dit moment van inwerkingtreding kanvoor de verschillende onderliggende wettelijke bepalingen verschillen.Artikel IArtikel I, onderdeel A (artikel 2.9a van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in artikel 2.9a, eerste lid, Wht, dat betrekking heeftop de nabestaandenregeling voor partners van overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag, «de overleden aanvrager» te vervangen door «eenoverleden aanvrager». Het gaat immers om de partners van alle personendie vallen onder het begrip overleden aanvrager en niet om een specifiekeoverleden aanvrager.In artikel 2.9a, tweede lid, Wht, is de regeling voor aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade of een aanvullende O/GS-tegemoetkomingvoor de werkelijke schade (hierna: aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade) aan degene die partner was van een overledenaanvrager van kinderopvangtoeslag op de dag van overlijden van diegedupeerde aanvrager opgenomen. Voorgesteld wordt artikel 2.9a,tweede lid, Wht op diverse onderdelen te wijzigen. Om te beginnen wordtvoorgesteld dat de voorwaarde dat al een toekenning plaatsgevondenmoet hebben van een compensatie, tegemoetkoming of het forfaitairebedrag op grond van artikel 2.9a, eerste lid, Wht, vervalt. Die voorwaardezou namelijk betekenen dat wanneer het forfaitaire bedrag, bedoeld inartikel 2.7 Wht, en de compensatie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, Wht,of de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, Wht, al aan deoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag is toegekend, denabestaande partner van die overleden aanvrager van kinderopvang-toeslag niet in aanmerking zou komen voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade. Die nabestaande partner heeft dan namelijk op26Het feit dat naar aanleiding van het advies van de Raad van State besloten is geen verlengingvan de beslistermijn op bezwaar voor te stellen, doet niet af aan deze keuze. In hetwetsvoorstel wordt immers nog altijd voorgesteld wijzigingen aan te brengen met betrekkingtot termijnen. Bovendien is het risico dat een late technische aanpassing zou leiden totongewenste omzettingsfouten te groot.27Waar het gaat om het voorstel tot het laten vervallen van een volledig onderdeel, zoals eenartikel, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen is ervoor gekozen omdirect in die wet te wijzigen. Dit geldt niet indien, naast een andere wijziging, wordt voorge-steld om bijvoorbeeld slechts een lid te laten vervallen. Om versnippering van de wijzigings-opdracht te voorkomen, wordt die voorgestelde wijzigingsopdracht geformuleerd als wijzigingvan de Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 330 grond van artikel 2.9a, eerste lid, Wht geen recht op toekenning van dedaar genoemde voorzieningen.Daarnaast wordt voorgesteld om de bevoegdheid om besluiten te nemenop aanvragen van nabestaande partners voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade niet te beleggen bij Onze Minister, maar bij deDienst Toeslagen, evenals bij de regeling van aanvullende compensatievoor de werkelijke schade van de gedupeerde aanvrager van kinderop-vangtoeslag. In de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging vanartikel 5.2 Wht wordt voorts toegelicht dat voorgesteld wordt dat de CWSde Dienst Toeslagen zal adviseren. Voor een nadere toelichting hieropwordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van dezememorie.Voorts wordt voorgesteld om de formulering van artikel 2.9a, tweede lid,Wht meer in lijn te brengen met de wijze waarop artikel 2.9a, eerste lid,Wht geformuleerd is. Dit brengt het doel van de nabestaandenregelingbeter tot uitdrukking, namelijk dat aan nabestaanden van een overledenaanvrager van kinderopvangtoeslag de herstelmaatregelen wordengeboden waarop de overledene bij leven aanspraak had kunnen maken.Daarnaast wordt hiermee ondervangen dat onduidelijkheid kan ontstaanover de vraag of een nabestaande partner in aanmerking komt vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade als de gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag geen aanvraag heeft ingediend vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade en hij overlijdt nadatde aanvraagtermijn is verlopen. Als de gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag gedurende zijn leven niet tijdig een aanvraag heeftingediend, zou deze niet in aanmerking zijn gekomen voor een aanvul-lende compensatie voor diens werkelijke schade en komt de nabestaandepartner hier dus ook niet voor in aanmerking. De beoordeling van deaanspraak op en de bepaling van de hoogte van de aanvullende compen-satie voor de werkelijke schade zullen dus voor de nabestaande partnerop dezelfde wijze plaatsvinden als de wijze waarop deze plaatsgevondenzouden hebben bij de overleden gedupeerde aanvrager van kinderop-vangtoeslag indien deze niet zou zijn overleden. Dientengevolge is ditconform de beoordeling als beschreven in het CWS beleidskaderbegroting immateriële schadevergoeding en in het BeoordelingskaderMateriële Schade van de CWS.28Voorgesteld wordt om artikel 2.9a, tweede lid, Wht te vervangen endaarmee opnieuw in zijn geheel te formuleren en niet te werken metwijzigingsbepalingen op de specifieke tekstonderdelen, omdat dat gezienhet grote aantal wijzigingen in dit geval niet ten goede zou komen aan deleesbaarheid en begrijpelijkheid.Voor een meer uitgebreide onderbouwing van en toelichting op devoorgestelde wijzigingen van artikel 2.9a, tweede lid, Wht, wordtverwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie.Ook wordt voorgesteld om artikel 2.9a, derde lid, Wht aan te passen. Ditheeft betrekking op de situatie dat aan het partnerschap feitelijk een eindeis gekomen voor het overlijden van de gedupeerde aanvrager. Inartikel 2.9a, derde lid, Wht wordt geregeld dat in een dergelijk geval dezevoormalig partner niet in aanmerking komt voor de voorzieningen,bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, Wht. Het is in lijn met de bedoeling vanartikel 2.9a, derde lid, Wht, dat dit artikellid niet uitsluitend ziet op28Het genoemde beleidskader is gepubliceerd in oktober 2022 en het beoordelingskader infebruari 2023. Deze documenten zijn onder meer terug te vinden viahttps://www.werkelijkeschade.nl/documenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 331 aanspraken op grond van artikel 2.9a, eerste lid, Wht, maar ook opaanspraken op grond van artikel 2.9a, tweede lid, Wht. Omdat wordtvoorgesteld dat in artikel 2.9a, tweede lid, Wht niet langer het vereistewordt gesteld dat aan de partner compensatie, tegemoetkoming of eenforfaitair bedrag als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, Wht is toegekend, ishet noodzakelijk dat artikel 2.9a, derde lid, niet uitsluitend betrekking heeftop artikel 2.9a, eerste lid, Wht, maar ook op artikel 2.9a, tweede lid, Wht.Artikel I, onderdeel B (artikel 2.9b van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel 2.9b, eerste lid, Wht, dat betrekking heeft opde nabestaandenregeling voor kinderen van overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag, op een aantal onderdelen te wijzigen. Ten eerstewordt voorgesteld om «de overleden aanvrager» te vervangen door «eenoverleden aanvrager». Het gaat immers om de kinderen van alle personendie vallen onder het begrip overleden aanvrager in de situatie dat dieoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag geen partner had of deze isoverleden en niet om een specifieke overleden aanvrager. De overigewijzigingen van artikel 2.9b, eerste lid, Wht hangen samen met hetvolgende. Zoals in het algemeen deel van deze memorie is toegelicht, isgebleken dat de voorwaarden voor een kind om in aanmerking te komenvoor de regeling voor nabestaanden van overleden gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag meer beperkend zijn dan beoogdwordt. Een kind zal in beginsel29 uitsluitend in aanmerking komen voor denabestaandenregeling indien de overleden gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag geen partner had op de dag van overlijden. In desituatie waarin die partner is overleden na het overlijden van degedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, zou dit betekenen dat deeventuele kinderen van de gedupeerde aanvrager van kinderopvang-toeslag niet in aanmerking kunnen komen voor de nabestaandenregeling.Dit wordt onwenselijk geacht. Daarom wordt voorgesteld artikel 2.9b,eerste en tweede lid, Wht zo te wijzigen dat een kind van een overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag ook in aanmerking komtvoor de regeling voor nabestaanden van overleden gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag op grond van die leden, indien departner van de overleden aanvrager is overleden voorafgaand aaninwerkingtreding van artikel 2.9a Wht.Voorgesteld wordt om artikel 2.9b, tweede lid, Wht, dat betrekking heeftop de regeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schadein de nabestaandenregeling voor het kind van een overleden gedupeerdeaanvrager, grotendeels te wijzigen overeenkomstig de wijzigingen dieworden voorgesteld met betrekking tot artikel 2.9a, tweede lid, Wht. Allewijzigingen met betrekking tot de werkelijke schaderegeling voornabestaanden die zijn voorgesteld voor de partner van de overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag, worden ook voorgesteldvoor zover het gaat om kinderen van de overleden gedupeerde aanvragervan kinderopvangtoeslag. Voor een toelichting hierop wordt verwezennaar de artikelsgewijze toelichting bij de voorgestelde wijziging vanartikel 2.9a, tweede lid, Wht op grond van artikel I, onderdeel A, onder 2,van het onderhavige wetsvoorstel. Ook in artikel 2.9b, tweede lid, Whtwordt voorgesteld niet langer het vereiste te stellen dat aan het kindcompensatie, tegemoetkoming of een forfaitair bedrag als bedoeld inartikel 2.9b, eerste lid, Wht is toegekend. In artikel 2.9b, eerste lid, aanhef,Wht wordt het vereiste gesteld dat het kind uitsluitend in aanmerkingkomt voor een voorziening op grond van dat eerste lid als de overledenaanvrager geen partner had op de dag van overlijden of wanneer aan hetpartnerschap feitelijk een einde is gekomen voor het overlijden van de29Met uitzondering van de situatie, bedoeld in artikel 2.9a, derde lid, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 332 gedupeerde aanvrager (wanneer artikel 2.9a, derde lid, Wht vantoepassing is). Vanwege het in artikel 2.9b, tweede lid, Wht voorgesteldevervallen van het vereiste dat er een toekenning heeft plaatsgevonden opgrond van artikel 2.9b, eerste lid, Wht wordt voorgesteld in artikel 2.9b,tweede lid, Wht te regelen dat het kind van de overleden aanvrager vankinderopvangtoeslag in aanmerking komt voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade als de overleden aanvrager geen partner hadop de dag van overlijden, als die partner is overleden voor de dag vaninwerkingtreding van artikel 2.9a Wht, of wanneer aan het partnerschapfeitelijk een einde is gekomen voor het overlijden van de gedupeerdeaanvrager.Voorts wordt voorgesteld om in artikel 2.9b, derde lid, Wht de verwijzingnaar artikel 6.1b Wht te vervangen door een verwijzing naar artikel 6.1b,eerste lid, Wht. Artikel 2.9b, derde lid, Wht ziet op de verdeling van hetbedrag van de compensatie of de tegemoetkoming over de kinderen diebinnen de daarvoor geldende aanvraagtermijn een aanvraag hebbeningediend. Deze wijziging is noodzakelijk, omdat in het onderhavigewetsvoorstel wordt voorgesteld artikel 6.1b Wht, dat betrekking heeft opde aanvraagtermijn voor de regeling voor nabestaanden van overledenaanvragers van kinderopvangtoeslag, aan te passen door een nieuw lidtoe te voegen.Verder wordt geregeld dat artikel 2.9b, derde lid, Wht uitsluitendbetrekking heeft op een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid,onderdeel a, Wht. Met het amendement Leijten was kennelijk beoogd omdit artikellid ook van toepassing te laten zijn op een aanvraag als bedoeldin artikel 2.9b, tweede lid, Wht. De bij het amendement Leijten ingevoegdeaanpassing was echter niet volledig. Zo is bij het bedrag dat wordtverminderd, niet verwezen naar artikel 2.9b, tweede lid, Wht. Ook ontbrakeen aanvraagtermijn voor de aanvragen voor aanvullende compensatie.Dat wordt hersteld in dit wetsvoorstel. Voorgesteld wordt om deverwijzing naar de aanvraag als bedoeld in 2.9b, tweede lid, Wht inartikel 2.9b, derde lid, Wht te schrappen en een vierde lid aan artikel 2.9bWht toe te voegen waarin artikel 2.9b, derde lid, Wht van overeenkom-stige toepassing wordt verklaard ter zake van de toekenning van aanvul-lende compensatie voor de werkelijke schade.Zoals is toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, wordtvoorgesteld om de uitbreiding van de regeling voor nabestaanden vanoverleden aanvragers niet te beperken tot de situatie waarin de partnervan de overleden aanvrager is overleden voorafgaand aan inwerking-treding van artikel 2.9a Wht. Hiertoe wordt voorgesteld in artikel 2.9b Whteen extra lid in te voegen. In het voorgestelde artikel 2.9b, vijfde lid, Whtwordt geregeld dat kinderen van overleden gedupeerde aanvragers vankinderopvangtoeslag ook in aanmerking komen voor de nabestaandenre-geling indien de partner van de overleden aanvrager van kinderopvang-toeslag overlijdt op of na de dag van inwerkingtreding van artikel 2.9aWht. Hiertoe wordt voorgesteld dat artikel 2.9b, eerste tot en met vierdelid, Wht alsmede hoofdstuk 4a, artikel 5.3 en hoofdstuk 6 Wht in diesituatie van overeenkomstige toepassing zijn. De kinderen komen danvoor die onderdelen van de regeling voor nabestaanden van overledenaanvragers van kinderopvangtoeslag in aanmerking, die op aanvraag aande partner zouden zijn toegekend indien deze niet was overleden. Ditbetekent dat de kinderen uitsluitend in aanmerking kunnen komen voor denabestaandenregeling indien de partner is overleden voordat de voor diepartner van toepassing zijnde aanvraagtermijn voor de desbetreffendeonderdelen van de regeling is verlopen of indien die partner een aanvraagheeft gedaan binnen de van toepassing zijnde aanvraagtermijn. In dielaatste situatie komt het kind uitsluitend in aanmerking voor dat onderdeelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 333 of die onderdelen van de regeling voor de nabestaanden van overledenaanvragers van kinderopvangtoeslag, indien de partner weliswaar inaanmerking was gekomen voor toekenning van dat onderdeel, maar datnog geen toekenning aan die partner heeft plaatsgevonden.Uitgangspunt is dus steeds dat in geval van overlijden van eengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag voordat deze aanspraakheeft kunnen maken op alle onderdelen van de regeling voor gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag waarop de nabestaandenregelingziet, de partner of de kinderen in aanmerking komen voor toekenning vandie onderdelen die nog niet aan de overleden aanvrager zijn toegekend.Dit recht is niet onbeperkt in de tijd. Als de partner de aanvraagtermijnheeft laten verlopen komt het kind van de overleden aanvrager vankinderopvangtoeslag niet alsnog in aanmerking. Het is dus bijvoorbeelddenkbaar dat aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag voor diensoverlijden toekenning heeft plaatsgevonden van het forfaitaire bedrag van€ 30.000 op grond van artikel 2.7 Wht en dat na inwerkingtreding vanartikel 2.9a Wht de partner een bedrag toegekend krijgt op grond vanartikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, Wht. In de situatiewaarin aanvullende compensatie zou zijn toegekend aan de overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag indien deze niet wasoverleden werkt dit als volgt. Er moet bepaald worden of de partner vande overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag vervolgensis overleden gedurende de voor die partner van toepassing zijndeaanvraagtermijn voor die aanvullende compensatie voor de werkelijkeschade of tijdig een aanvraag hiertoe heeft gedaan waarop nog geentoekenning heeft plaatsgevonden. Als aan die voorwaarde is voldaan,komen de kinderen van de overleden gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag die tijdig een aanvraag hebben ingediend inaanmerking voor de aanvullende compensatie of de aanvullendeO/GS-tegemoetkoming. De hoogte wordt vastgesteld naar rato van hetaantal kinderen van die overleden gedupeerde aanvrager van kinderop-vangtoeslag dat tijdig een aanvraag heeft gedaan.30In artikel 2.9b, vijfde lid, Wht wordt voorgesteld dat niet alleen artikel 2.9b,eerste tot en met vierde lid, Wht van overeenkomstige toepassing is, maarook de overige relevante onderdelen van de Wht die van belang zijn bij detoepassing van de regeling voor kinderen die nabestaande zijn van eenoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag. Dit ziet onder meer op depersoonlijke bijstand (hoofdstuk 4a Wht), de rol van adviescommissies(hoofdstuk 5.3 Wht) en de aanvraag-, beslis- en betaaltermijnen(hoofdstuk 6 Wht). Bij het vaststellen van de aanvraagtermijn wordtrekening gehouden met het feit dat niet alleen het overlijden van degedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag een rol speelt, maar ookhet daaropvolgende overlijden van diens partner.31 Dit betekent dat deaanvraagtermijn in beginsel aanvangt op de dag van overlijden van departner van de overleden aanvrager van kinderopvangtoeslag. Voortswordt voorgesteld dat artikel 6.1b, tweede lid, Wht, dat betrekking heeftop de aanvraagtermijn voor aanvullende compensatie voor de werkelijkeschade, van toepassing is als aan de partner van de overleden aanvragervan kinderopvangtoeslag geen toekenning heeft plaatsgevonden opgrond van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1° of 2°, Wht, dat wilzeggen compensatie of tegemoetkoming op grond van de integralebeoordeling.32 Als die toekenning wel heeft plaatsgevonden aan deoverleden partner, kan direct een aanvraag worden ingediend voor de30Voorgesteld wordt immers dat artikel 2.9b, derde en vierde lid, Wht van overeenkomstigetoepassing zijn.31Het voorgestelde artikel 2.9b, vijfde lid, onderdeel c, onder 1°, Wht.32Het voorgestelde artikel 2.9b, vijfde lid, onderdeel c, onder 2°, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 334 toekenning van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.Als aan de partner van de overleden aanvrager van kinderopvangtoeslaggeen toekenning heeft plaatsgevonden, is artikel 6.1b, tweede lid, Wht welvan toepassing. In de situatie waarin ook aan de overleden aanvrager vankinderopvangtoeslag nog geen toekenning heeft plaatsgevonden in hetkader van de integrale beoordeling, is de aanvraagtermijn voor dekinderen afhankelijk van het moment waarop de beschikking tottoekenning van compensatie of O/GS-tegemoetkoming op hun aanvraagdaartoe onherroepelijk is geworden.Artikel I, onderdeel C (artikel 2.14f van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om de komma die ten onrechte ontbreekt na«artikel 6.1a» in artikel 2.14f Wht in te voegen.Artikel I, onderdeel D (artikel 2.14h van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in artikel 2.14h, derde lid, Wht, zoals dat komt teluiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen «Onze Minister» tevervangen door «de Dienst Toeslagen». Dat artikellid heeft betrekking opde aanvullende compensatie voor werkelijke schade voor ex-partners.Zoals in het algemeen deel van deze memorie is aangegeven is het debedoeling dat de Dienst Toeslagen de regeling voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade voor ex-partners zal gaanuitvoeren.Artikel I, onderdelen E en F (artikelen 2.15 en 2.15a van de Wet herstelope-ratie toeslagen)De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 2.15 en 2.15a, eerste lid,onderdeel a, Wht voorzien in een aanpassing van de datum waarop eenaanvrager of ex-partner niet in Nederland diende te wonen om inaanmerking te komen voor brede ondersteuning in het buitenland. Indieneen aanvrager op 7 juli 2020 niet in Nederland woonde, wordt veronder-steld dat deze is geëmigreerd vanwege de toeslagenproblematiek. Op diedatum is de Wet hardheidsaanpassing Algemene wet inkomensafhanke-lijke regelingen in werking getreden, waarmee er voor een ieder uitzichtwas op hulp en herstel en waardoor er vanaf die datum geen reden meerzou zijn voor ouders om naar het buitenland te vertrekken. Degenen diena 7 juli 2020 zijn geëmigreerd hebben daarom geen recht op bredeondersteuning in het buitenland. Voorgesteld wordt om de datum van7 juli 2020 te vervangen door 31 december 2021. Voor een onderbouwingvan deze nieuwe peildatum wordt verwezen naar het algemeen deel vandeze memorie. Hierdoor wordt het mogelijk om brede ondersteuning tebieden aan gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag enex-partners die tussen 7 juli 2020 en 31 december 2021 zijn geëmigreerd.Artikel I, onderdeel G (artikel 2.15b van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel I, onderdeel Q, van de Wet aanvullende regelingen herstelope-ratie toeslagen is artikel 2.15b Wht opgenomen. Dat onderdeel treedt bijkoninklijk besluit in werking op het moment dat kan worden gestart metde uitvoering van de nabestaandenregeling in de hersteloperatietoeslagen. Artikel 2.15b Wht biedt de Minister van Financiën debevoegdheid om ambtshalve brede ondersteuning in het buitenland tebieden aan de partner en diens gezin of het kind van een overledenaanvrager van kinderopvangtoeslag woonachtig buiten Nederland. Omdezelfde redenen die gelden voor de voorgestelde wijzigingen in artikel I,onderdelen E en F, van dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 335 artikel 2.15b Wht de datum van 7 juli 2020 te vervangen door 31 december2021. Deze wijziging zal in werking treden op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip, direct na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel Q,van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Voor eeninhoudelijk toelichting op deze wijziging wordt verwezen naar hetalgemeen deel van deze memorie en de artikelsgewijze toelichting bijartikel I, onderdelen E en F, van dit wetsvoorstel.Artikel I, onderdeel H (hoofdstuk 4a van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in het opschrift van hoofdstuk 4a Wht te verduide-lijken dat de persoonlijke bijstand betrekking heeft op bijstand aannabestaanden van overleden gedupeerde aanvragers van kinderopvang-toeslag.Artikel I, onderdeel I (artikel 4a.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel 4a.1 Wht aan te passen. Artikel 4a.1 Wht isonderdeel van hoofdstuk 4a Wht dat betrekking heeft op persoonlijkebijstand bij de afhandeling van het herstel voor nabestaanden. Dithoofdstuk is toegevoegd aan de Wet aanvullende regelingen herstelope-ratie toeslagen nadat het eerdergenoemde amendement Leijten isaangenomen.33 In artikel 4a.1 Wht is een begripsbepaling opgenomen vanhet begrip betrokkene. Dit kan zowel gaan om de partner van eenoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag als om het kind van eenoverleden aanvrager van kinderopvangtoeslag. In die definitie wordtvoorgesteld zowel bij de partner als bij het kind te schrappen dat eenvoorziening als bedoeld in artikel 2.9a, eerste lid, Wht, onderscheidenlijkartikel 2.9b, eerste lid, Wht, moet zijn toegekend om te kwalificeren alsbetrokkene. De reden hiervoor is dat het wenselijk is deze persoonlijkebijstand niet te beperken tot nabestaanden aan wie een toekenning vaneen voorziening op grond van artikel 2.9a, eerste lid, Wht onderschei-denlijk artikel 2.9b, eerste lid, Wht, heeft plaatsgevonden. Het is debedoeling dat bijvoorbeeld een nabestaande die uitsluitend nogaanspraak kan maken op aanvullende compensatie of een aanvullendeO/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade, ook persoonlijkebijstand kan krijgen. Om aanspraak te kunnen maken op persoonlijkebijstand moet door de nabestaande wel aan een tweetal voorwaarden zijnvoldaan. Ten eerste moet zijn vastgesteld dat de overleden aanvrager vankinderopvangtoeslag gedupeerd is. Dit vereiste vloeit voort uit het begripoverleden aanvrager zoals opgenomen in artikel 1.1 Wht. In die definitie isopgenomen dat ten aanzien van die overleden aanvrager van kinderop-vangtoeslag een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 Wht istoegepast of dat aannemelijk is dat deze zou zijn toegepast. Daarnaast iseen voorwaarde dat men in aanmerking moet komen voor eenvoorziening, aanvullende tegemoetkoming of aanvullende compensatieop grond van artikel 2.9a Wht (de partner van een overleden aanvragervan kinderopvangtoeslag) of op grond van artikel 2.9b Wht (het kind vaneen overleden aanvrager van kinderopvangtoeslag). Dit betekent dat hetkind alleen in aanmerking komt als er geen partner is die in aanmerkingkomt. Voor de partner geldt dat deze niet in aanmerking komt voorpersoonlijke bijstand wanneer aan het partnerschap feitelijk een einde isgekomen voor het overlijden van de gedupeerde aanvrager (artikel 2.9a,derde lid, Wht). Voor zowel een partner als een kind geldt dat zij niet inaanmerking komen voor persoonlijke bijstand als op alle onderdelen van33Na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel EEa, van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen zal hoofdstuk 4a Wht gelden. De wijziging op grond van hetonderhavige artikel zal zoals eerder toegelicht worden verwerkt direct na die inwerkingtredingvan artikel I, onderdeel EEa, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 336 de regeling al toekenning heeft plaatsgevonden aan de overledenaanvrager. Zij kunnen dan immers geen aanspraak meer maken op eenvan de onderdelen van de nabestaandenregeling. Het zou onlogisch zijnwanneer deze partner of dit kind niet in aanmerking komt voor eenaanspraak op een voorziening op grond van artikel 2.9a Wht, maarvervolgens wel in aanmerking zou komen voor persoonlijke bijstand.Daarnaast wordt voorgesteld een begripsbepaling toe te voegen aanartikel 4a.1 Wht, namelijk de begripsbepaling persoonlijke bijstand. Ditbegrip wordt genoemd in artikel 4a.2, eerste lid, Wht, maar ook op andereplaatsen in hoofdstuk 4a Wht. Daarom ligt het in de rede om eenbegripsbepaling op te nemen. Persoonlijke bijstand is bijstand door deDienst Toeslagen bij aanvragen en regelingen waar de betrokkene opgrond van de Wht aanspraak op kan maken. Dit is grotendeels overge-nomen uit de tekst van artikel 4a.2, eerste lid, Wht. Uit die tekst isverwijderd dat het ziet op de overige aanvragen en regelingen, omdat hetzoals eerder is toegelicht wenselijk is deze persoonlijke bijstand niet tebeperken tot nabestaanden aan wie een toekenning van een voorzieningop grond van artikel 2.9a, eerste lid, Wht (partner), onderscheidenlijkartikel 2.9b, eerste lid, Wht (kind), heeft plaatsgevonden. Ook eennabestaande die bijvoorbeeld alleen nog voor de aanvullende compen-satie voor werkelijke schade in aanmerking kan komen, kan gebaat zijn bijpersoonlijke bijstand.Artikel I, onderdeel J (artikel 4a.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in het opschrift van artikel 4a.2 en in artikel 4a.2,tweede lid (nieuw), Wht, aan het begrip persoonlijk zaakbehandelaar toete voegen «regeling nabestaanden overleden aanvragers». Er is geeninhoudelijke wijziging beoogd, maar uitsluitend een verduidelijking tenopzichte van de functie van persoonlijk zaakbehandelaar in het proces vanintegrale beoordeling van de gedupeerde aanvrager van kinderopvang-toeslag. Voor een onderbouwing hiervan wordt verwezen naarhoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie.Voorts wordt voorgesteld dat in artikel 4a.2, eerste lid, Wht «op verzoek»vervalt. De reden hiervoor is dat het de bedoeling is dat de persoonlijkebijstand niet uitsluitend wordt gegeven op verzoek, maar dat ditonderdeel wordt van het reguliere proces. Voor een nadere onderbouwingwordt verwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van dezememorie. Daarnaast wordt voorgesteld om de passage «door de DienstToeslagen bij de overige aanvragen en regelingen waar de betrokkene opgrond van deze wet aanspraak op kan maken» te laten vervallen. Redenhiervoor is dat wordt voorgesteld om een begripsbepaling op te nemenvoor het begrip «persoonlijke bijstand», waardoor deze tekst overbodigwordt. Zie voor een aanvullende toelichting de artikelsgewijze toelichtingbij artikel I, onderdeel I, van dit wetvoorstel.Ook wordt voorgesteld artikel 4a.2, tweede lid, Wht te laten vervallen. Ditlid is niet noodzakelijk nu uit de voorgestelde definitie van persoonlijkebijstand al blijkt dat deze ziet op de aanvragen en regelingen waarop deWht betrekking heeft. Dit betreft daarmee ook de regeling van aanvul-lende compensatie voor de werkelijke schade voor nabestaanden vanoverleden aanvragers van kinderopvangtoeslag.Artikel I, onderdeel K (artikel 4a.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel 4a.3, eerste lid, Wht, dat betrekking heeft ophet persoonlijk gesprek bij de nabestaandenregeling, op een aantalmanieren aan te passen. Om te beginnen wordt voorgesteld om hetpersoonlijk gesprek niet te beperken tot één gesprek, maar deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 337 mogelijkheid open te houden voor meerdere persoonlijk gesprekken.Voorts wordt voorgesteld de verwijzing naar artikel 4a.2, eerste lid, Wht inverband met de persoonlijke bijstand te schrappen, aangezien voorgesteldwordt het begrip persoonlijke bijstand te definiëren in artikel 4a.1 Wht. Totslot wordt, zoals in de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel J,toegelicht, voorgesteld in artikel 4a.3, eerste lid, Wht het begrippersoonlijk zaakbehandelaar te vervangen door «persoonlijk zaakbehan-delaar regeling nabestaanden overleden aanvragers».Ook wordt voorgesteld om artikel 4a.3, tweede lid, Wht op diverse plekkente wijzigen. Voorgesteld wordt in artikel 4a.3, tweede lid, aanhef, Wht «Hetpersoonlijk gesprek» te vervangen door «Een persoonlijk gesprek». Ditvloeit voort uit de voorgestelde wijziging van artikel 4a.3, eerste lid, Whtom de mogelijkheid open te houden dat er meerdere persoonlijkgesprekken gevoerd worden met een nabestaande. Daarnaast wordtvoorgesteld om in artikel 4a.3, tweede lid, aanhef, Wht na «ziet» in tevoegen «desgewenst». Hiermee wordt voorgesteld te regelen dat denabestaande die geen behoefte heeft aan alle onderdelen die aan bodkunnen komen gedurende een persoonlijk gesprek, dit aan kan geven. Dein artikel 4a.3, tweede lid, Wht opgenomen opsomming van onderdelenwaaruit het persoonlijk gesprek kan bestaan is niet limitatief. Hetpersoonlijk gesprek ziet immers «in ieder geval» op de daar genoemdeonderdelen. Voorts wordt voorgesteld aan artikel 4a.3, tweede lid,onderdeel a, Wht ter verduidelijking toe te voegen «waarop de persoon-lijke bijstand betrekking heeft». Ook wordt voorgesteld in artikel 4a.3,tweede lid, onderdeel b, Wht «ondersteuning als bedoeld in artikel 4a.2,eerste lid» te vervangen door «persoonlijke bijstand» aangezien inartikel 4a.2, eerste lid, Wht niet wordt gesproken over ondersteuning. Hetligt voor de hand dat bedoeld is hier te verwijzen naar persoonlijkebijstand. Omdat wordt voorgesteld de definitie van persoonlijke bijstandop te nemen als begripsbepaling in artikel 4a.1 Wht is een verwijzing naarartikel 4a.2, eerste lid, Wht niet meer nodig. Verder wordt voorgesteld inartikel 4a.3, tweede lid, onderdeel c, Wht het begrip «advies» te vervangendoor «informatie». Dit onderscheidt zich van artikel 4a3, tweede lid,onderdeel a, Wht, omdat laatstgenoemd onderdeel betrekking heeft opalgemene informatie over de regelingen. Artikel 4a.3, tweede lid,onderdeel c, Wht heeft betrekking op informatie die meer specifiek istoegesneden op regelingen in het licht van de situatie van dienabestaande. Tevens wordt voorgesteld dat in dat onderdeel «, indien debetrokkene dit wenst» vervalt. Die toevoeging is niet meer noodzakelijk nuwordt voorgesteld «desgewenst» toe te voegen aan artikel 4a3, tweedelid, aanhef, Wht. Voor een nadere toelichting op deze wijzigingen wordtverwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie.Ten slotte wordt voorgesteld aan artikel 4a.3, tweede lid, Wht tweeonderdelen toe te voegen. Deze zijn feitelijk verplaatst van artikel 4a.3,derde lid, Wht naar artikel 4a.3, tweede lid, Wht, omdat zij onderdeelkunnen uitmaken van de persoonlijke bijstand en dus van het persoonlijkgesprek. Om die reden wordt ook voorgesteld dat artikel 4a.3, derde lid,Wht vervalt.Artikel I, onderdeel L (artikel 4a.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om ook in artikel 4a.4 Wht34 gebruik te maken van hetbegrip persoonlijke bijstand nu voorgesteld wordt om in artikel 4a.1 Whteen definitie op te nemen van dat begrip. Er wordt van uitgegaan dat metpersoonlijke behandeling eigenlijk persoonlijke bijstand werd bedoeld.34Ook het opschrift van het artikel wordt gewijzigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 338 Ook wordt voorgesteld dat «tevens» vervalt, aangezien dit begrip hiergeen toegevoegde waarde heeft.Artikel I, onderdelen M, N en O (artikelen 5.2 en 5.3 van de Wet herstel-operatie toeslagen)In artikel 5.2 Wht is de grondslag opgenomen voor het instellen vancommissies met het oog op de uitvoering van bepaalde artikelen van deWht die betrekking hebben op de regelingen voor gedupeerde aanvragersvan kinderopvangtoeslag. Voorgesteld wordt om die commissies ook eenrol te geven met betrekking tot bepaalde onderdelen van de aanvullenderegelingen, te weten de kindregeling, de ex-partnerregeling en de regelingvoor nabestaanden van overleden aanvragers.Voorgesteld wordt de grondslag voor het instellen van commissies metbetrekking tot nabestaanden van overleden aanvragers op te nemen inartikel 5.2 Wht. Dit betekent dat het mogelijk is in een of meer van derelevante instellingsregelingen35 te regelen wanneer de desbetreffendecommissie een rol heeft met betrekking tot een bepaald onderdeel van deregeling voor nabestaanden van overleden aanvragers. De Instellingsre-geling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade zalworden aangepast, gezien de rol die is voorzien voor de CWS bij deregeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade vooroverleden aanvragers. Voor een nadere toelichting op de rol van decommissies met betrekking tot de regeling voor nabestaanden vanoverleden aanvragers wordt verwezen naar het algemeen deel van dezememorie.Zoals in het algemeen deel van deze memorie is aangegeven, wordtvoorgesteld het mogelijk te maken om de taken van de BAC en de CvWvoor de kindregeling en voor de regeling voor ex-partners uit te breidenmet de situatie waarin de gedupeerdheid van de aanvrager van kinderop-vangtoeslag niet is vastgesteld omdat deze is overleden. Voorgesteldwordt om de grondslag voor het instellen van commissies met betrekkingtot de kindregeling en de regeling voor ex-partners op te nemen in eennieuw aan hoofdstuk 5 Wht toe te voegen artikel (artikel 5.3 Wht), in plaatsvan een wijziging van artikel 5.2 Wht. Dit wordt ten eerste voorgesteldomdat er op een aantal punten sprake is van een afwijking van degrondslag zoals die is opgenomen in artikel 5.2 Wht. Dit ziet om tebeginnen op het feit dat wordt voorgesteld dat het instellen van een ofmeer van deze commissies geen verplichting is36, maar een bevoegdheidvoor de Minister van Financiën. Dit ziet er voorts op dat wordt voorgesteldin de wettelijke grondslag een inperking op te nemen ten aanzien van desituaties waarin deze commissies een rol kunnen krijgen, namelijk bij detoets of sprake is van een overleden aanvrager met betrekking tot dekindregeling en de ex-partnerregeling en met betrekking tot de aanvul-lende compensatie voor de werkelijke schade in de ex-partnerregeling.Voor een onderbouwing hiervan wordt verwezen naar het algemeen deelvan deze memorie. Ook biedt deze keuze een voordeel vanuit wetgevings-technisch oogpunt. Het is nog niet zeker of de regeling voor nabestaandenvan overleden aanvragers eerder in werking zal treden dan de regelingvoor werkelijke schade voor ex-partners. Door de grondslag voor het35Dit heeft betrekking op de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoedingwerkelijke schade, de Instellingsregeling Commissie van onafhankelijke deskundigenhersteloperatie toeslagen en de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissiehersteloperatie toeslagen.36Dit neemt niet weg dat het huidige artikel 5.2 Wht ook niet verplicht tot het voorleggen vanalle zaken aan de commissies. In de desbetreffende instellingsregeling wordt bepaald welkezaken wel en niet voorgelegd worden. Het verschil is dát er commissies ingesteld moetenworden op grond van artikel 5.2 Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 339 instellen van commissies op te nemen in separate artikelen, is devolgorde van inwerkingtreding niet van invloed op de formulering van dewijzigingsbepalingen en worden mogelijke complicaties met betrekkingtot de inwerkingtreding voorkomen.In artikel I, onderdeel N, wordt voorgesteld om in artikel 5.3, eerste lid,Wht te regelen dat commissies ingesteld kunnen worden met betrekkingtot de toets of sprake is van een overleden aanvrager met betrekking totde uitvoering van de artikelen 2.14 en 2.14g, tweede lid, Wht. Decommissies kunnen dus uitsluitend een taak verrichten met betrekking totde toets of de aanvrager van kinderopvangtoeslag die is overleden, kanworden aangemerkt als een «overleden aanvrager» conform de begrips-bepaling die is opgenomen in artikel 1.1 Wht en niet met betrekking totandere aspecten. Artikel 2.14 Wht ziet op de tegemoetkoming voor hetkind, pleegkind of voormalig pleegkind van een aanvrager van kinderop-vangtoeslag in geval van overlijden van de aanvrager van kinderopvang-toeslag voordat is vastgesteld is dat deze gedupeerd is. Artikel 2.14g,tweede lid, Wht ziet op het gelijkstellen van een overleden aanvrager meteen gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag in het kader van detoets of er sprake is van een ex-partner die in aanmerking komt voor deregeling voor ex-partners in de Wht. In beide hiervoor genoemde situatiesis de toets op de gedupeerdheid van de aanvrager van kinderopvang-toeslag die is overleden, oftewel de vraag of deze is aan te merken alsoverleden aanvrager als bedoeld in artikel 1.1 Wht, van belang. Daarnaastwordt voorgesteld in artikel 5.3, tweede lid, Wht te regelen dat artikel 5.2,tweede tot en met vijfde lid, Wht van overeenkomstige toepassing is metbetrekking tot commissies die zijn ingesteld op grond van het voorge-stelde artikel 5.3 Wht en de bevoegdheden en verplichtingen die samen-hangen met de taak van deze commissies. Dit betekent dat dezelfdeuitgangspunten gelden, alleen met betrekking tot de artikelen die wordenopgenomen in artikel 5.3 Wht en met betrekking tot de aldaar genoemdepersonen: kinderen en ex-partners van aanvragers van kinderopvang-toeslag die zijn overleden. Dat wil zeggen dat zij, voor zover dit is geregeldin de relevante instellingsregeling, in het kader van de kindregeling en deex-partnerregeling een adviestaak hebben met betrekking tot de toets ofde aanvrager van kinderopvangtoeslag die is overleden kwalificeert alseen overleden aanvrager en dat de Dienst Toeslagen hiertoe een afschriftverstrekt van de op de zaak betrekking hebbende gegevens. Ook betekentdit dat de Dienst Toeslagen een afschrift van het advies zal verstrekken inhet kader van de kindregeling aan het kind van de aanvrager die isoverleden en in het kader van de ex-partnerregeling aan de voormaligpartner van de aanvrager die is overleden. Het betekent voorts dat deDienst Toeslagen desgevraagd aan het kind of de voormalig partner hetonderzoekdossier verstrekt, inclusief de informatie die niet aan het dossieris toegevoegd, maar wel van invloed is geweest op de beoordeling. Totslot betekent dit dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen wordengesteld over de commissies.In artikel I, onderdeel O, wordt voorgesteld in het voorgestelde artikel 5.3Wht een lid in te voegen dat voorziet in een grondslag om ookcommissies in te kunnen stellen met het oog op de uitvoering vanartikel 2.14h, derde lid, Wht. Hiermee wordt gedoeld op de regeling vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade voor ex-partners opgrond van artikel 2.14h, derde lid, Wht zoals dat luidt na inwerkingtredingvan artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen. Het is daarom de bedoeling dat artikel I,onderdeel O, in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalentijdstip, gelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M,onder 3, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen.Het opnemen van deze grondslag is onder meer van belang om mogelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 340 te kunnen maken dat de CWS de Dienst Toeslagen ook bij uitvoering vandeze regeling zou kunnen adviseren over de werkelijke schade. Ook maaktdeze grondslag het mogelijk de BAC en de CvW in te stellen metbetrekking tot de uitvoering van die regeling indien dit wenselijk is. Alshet wenselijk is een of meerdere commissies in te stellen met betrekkingtot de uitvoering van de regeling voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade, zal dit geregeld worden in de desbetreffende instel-lingsregeling en daarin kan dan ook worden geregeld wat de omvang isvan de adviestaak van de desbetreffende commissie en kan een nadereinvulling worden geregeld. Er is voor gekozen om na artikel 5.3, eerste lid,Wht een lid 1a in te voegen en niet aan artikel 5.3 Wht een lid toe tevoegen of artikel 5.3, tweede lid, Wht te vernummeren, omdat dit dekenbaarheid niet ten goede komt. Het toevoegen van een lid ligt niet voorde hand, omdat artikel 5.3, tweede lid, Wht erop ziet te regelen datartikel 5.2, tweede tot en met vijfde lid, Wht van overeenkomstigetoepassing is met betrekking tot alle commissies die worden ingesteld opgrond van artikel 5.3 Wht. Het is niet wenselijk om te vernummeren,omdat het voorgestelde artikel 5.3, lid 1a, Wht juncto artikel 5.2, vijfde lid,Wht de grondslag biedt om nadere regels te stellen over de commissiesdie worden ingesteld met het oog op de uitvoering van de kindregeling ende ex-partnerregeling. Er is voor gekozen om dit niet direct in hetvoorgestelde artikel 5.3 Wht op te nemen in verband met het feit dat nogniet bekend is of de regeling voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade voor ex-partners al direct bij inwerkingtreding vanartikel 5.3 Wht in werking kan treden.Artikel I, onderdeel P (artikel 6.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen)De voorgestelde wijziging van artikel 6.1, eerste lid, Wht voorziet in deintroductie van een verlengde termijn voor het doen van een aanvraagvoor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Er wordt eenzin aan artikel 6.1, eerste lid, Wht toegevoegd waarin wordt bepaald dateen aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, Wht (aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag) of 2.6, derde lid, Wht (aanvullendeO/GS-tegemoetkoming gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag)wordt ingediend vóór 1 januari 2025 in plaats van vóór 1 januari 2024. Eendergelijke aanvraag kan worden gedaan door een aanvrager vankinderopvangtoeslag aan wie de compensatie, bedoeld in artikel 2.1,eerste lid, Wht, of de OG/S-tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2.6, eerstelid, Wht, is toegekend.De voorgestelde wijziging van artikel 6.1, derde lid, Wht en het voorstelom een lid in te voegen37, hangen samen met de verlenging van deaanvraagtermijn conform de voorgestelde wijziging van artikel 6.1, eerstelid, Wht. De voorgestelde wijziging van artikel 6.1, derde lid, Wht voorzieterin dat de verwijzing naar de artikelen 2.1, derde lid, en 2.6, derde lid,Wht komt te vervallen. Met de voorgestelde verlenging van de aanvraag-termijn naar 1 januari 2025 zou deze bepaling in die gevallen feitelijk geenbetekenis meer hebben. In het in te voegen artikel 6.1 lid 3a Wht wordtdaarom voorgesteld dat gedupeerden waarvan de beschikking tottoekenning van de compensatie of de O/GS-tegemoetkoming, bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, Wht, onderscheidenlijk artikel 2.6, eerste lid, Wht, na1 juli 2024 komt vast te staan tot uiterlijk zes maanden na de datumwaarop die beschikking onherroepelijk vast komt te staan een aanvraagkunnen indienen voor aanvullende compensatie of een aanvullendeO/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade. Er is voor gekozen omna artikel 6.1, derde lid, Wht een lid 3a in te voegen en niet aan artikel 6.137Het voorgestelde artikel 6.1, lid 3a, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 341 Wht een lid toe te voegen of de leden van artikel 6.1 Wht te vernummeren,omdat dit de kenbaarheid niet ten goede komt. Het toevoegen van een lidligt niet voor de hand, omdat er in artikel 6.1 Wht voor is gekozen om debeslistermijnen in het kader van de hersteloperatie toeslagen in volgordevan plaatsing van het relevante artikel in de Wht te volgen. Het ligt nietvoor de hand hier nu vanaf te wijken. Ook is het niet wenselijk tevernummeren, omdat elders in de Wht verwezen wordt naar verschillendeleden van artikel 6.1 Wht en omdat hiermee de connectie met detoelichting op de diverse leden minder duidelijk zou worden.Artikel I, onderdeel Q (artikel 6.1a van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om een lid toe te voegen aan artikel 6.1a van de Wht.Hiertoe wordt voorgesteld voor de huidige tekst de aanduiding «1.» teplaatsen, aangezien artikel 6.1a Wht nog geen onderverdeling in artikel-leden kent. Artikel 6.1a Wht regelt de aanvraagtermijn voor de regelingvoor nabestaanden van overleden kinderen op grond van afdeling 2.2aWht. Voorgesteld wordt in artikel 6.1a, eerste lid (nieuw), Wht te verduide-lijken hoe de aanvraagtermijn wordt bepaald in de situatie dat hetoverleden kind is overleden op of voor de dag van inwerkingtreding vanafdeling 2.2a Wht en hoe dit wordt bepaald als het overleden kind isoverleden na de dag van inwerkingtreding van die afdeling. Dezeverduidelijking wordt voorgesteld in verband met de voorgesteldetoevoeging van een lid aan artikel 6.1a Wht enerzijds en in verband metde samenhang met de wijze waarop de aanvraagtermijn voor denabestaanden van overleden kinderen is bepaald, zoals opgenomen inartikel 6.1b Wht38, anderzijds. Er wordt voorgesteld aan artikel 6.1a Whteen lid toe te voegen, omdat de aanvraagtermijn op grond vanartikel 6.1a, eerste lid (nieuw), Wht geen rekening houdt met de situatiedat aan de aanvrager van kinderopvangtoeslag39 nog geen herstelmaat-regel als bedoeld in artikel 2.7 Wht is opgelegd voor 22 april 2024. Ditbetekent dat nabestaanden in die situatie minder dan een half jaar de tijdzouden hebben om een aanvraag in te dienen of zelfs geen aanvraagzouden kunnen indienen, indien het kind is overleden na 22 april 2024.Voorgesteld wordt deze omissie te herstellen door, vergelijkbaar met deaanvraagtermijn voor de kindregeling, te regelen dat de aanvraag in diesituatie kan worden ingediend tot een half jaar na dagtekening van debeschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld inartikel 2.7 Wht.Artikel I, onderdeel R (artikel 6.1b van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel 6.1b Wht, dat betrekking heeft op deaanvraagtermijnen voor nabestaanden van overleden gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag, te wijzigen.4038Dat artikel is nog niet in werking getreden, omdat de regeling voor nabestaanden vanoverleden aanvragers van kinderopvangtoeslag nog niet in werking is getreden.39Dat wil zeggen dat nog geen herstelmaatregel is opgelegd aan de aanvrager kinderopvang-toeslag die de grondslag zou vormen voor een aanspraak van een kind op de kindregeling ofeen aanspraak voor een nabestaande van een overleden kind op de regeling voornabestaanden van overleden kinderen.40Dit artikel wordt ingevolge artikel I, onderdeel JJb, van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen na inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel van toepassing.Artikel I, onderdeel JJb, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen zal opeen bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Dit zal niet eerder geschiedendan dat het onderhavige wetsvoorstel tot wet is verheven. Het is de bedoeling dat artikel 6.1bWht direct na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel JJb, van de Wet aanvullenderegelingen hersteloperatie toeslagen wordt gewijzigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 342 Op dit moment is geen aanvraagtermijn geregeld voor de regeling vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade op grond van deartikelen 2.9a, tweede lid, of 2.9b, tweede lid, Wht voor nabestaanden.Voorgesteld wordt daarom om die toe te voegen aan artikel 6.1b Wht.Voorgesteld wordt dat een dergelijke aanvraag wordt ingediend binnenzes maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 2.9a Wht,onderscheidenlijk artikel 2.9b Wht, indien de gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag is overleden voor inwerkingtreding van die artikelen.Voorgesteld wordt voorts dat de aanvraag voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade door de nabestaande partner of hetnabestaande kind van de overleden aanvrager binnen zes maanden na dedatum van overlijden van de gedupeerde aanvrager van kinderopvang-toeslag gedaan dient te zijn indien de gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag overlijdt na de inwerkingtreding van artikel 2.9aWht, onderscheidenlijk artikel 2.9b Wht. Ook wordt voorgesteld teverduidelijken dat het in artikel 6.1b, eerste lid, onderdeel a, Whtopgenomen uitgangspunt dat een aanvraag wordt ingediend binnen zesmaanden na inwerkingtreding van de artikelen 2.9a en 2.9b Wht ook vantoepassing is indien de aanvrager kinderopvangtoeslag overlijdt op dedag van inwerkingtreding van die artikelen. De aanvraagtermijn die vantoepassing is op grond van het voorgestelde artikel 6.1b, eerste lid, Wht isniet goed toepasbaar als aan de overleden gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag in het kader van de integrale beoordeling nog geentoekenning heeft plaatsgevonden van compensatie als bedoeld inartikel 2.1, eerste lid, Wht of van een O/GS-tegemoetkoming als bedoeldin artikel 2.6, eerste lid, Wht. Voor een toelichting hierop wordt verwezennaar hoofdstuk 4 van het algemene deel van deze memorie. Daaromwordt voorgesteld een tweede lid toe te voegen aan artikel 6.1b Wht dateen afwijkende aanvraagtermijn regelt voor de regeling voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade in die situatie. Voorgesteld wordtdat in een dergelijke situatie een aanvraag voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade op grond van artikel 2.9a, tweede lid, Wht pasgedaan kan worden door de nabestaande nadat aan die nabestaandetoekenning heeft plaatsgevonden van compensatie41 of eenO/GS-tegemoetkoming42, oftewel na de integrale beoordeling. Ook wordtvoorgesteld dat deze aanvraag ingediend moet zijn uiterlijk zes maandenna de datum waarop die beschikking tot toekenning van compensatie ofeen O/GS-tegemoetkoming onherroepelijk is geworden (het voorgesteldeartikel 6.1b, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, Wht). In de situatie dat hetgaat om een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9b, tweede lid, Wht, wordtvoorgesteld dat kinderen van overleden gedupeerde aanvragers vankinderopvangtoeslag de aanvraag kunnen indienen tot zes maanden na dedatum waarop de beschikking tot toekenning van compensatie of eenO/GS-tegemoetkoming onherroepelijk is geworden voor alle kinderen vande overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag die tijdigeen aanvraag tot toekenning van die compensatie ofO/GS-tegemoetkoming hebben ingediend (het voorgestelde artikel 6.1b,tweede lid, onderdeel b, onder 2°, Wht). De kinderen zullen door de DienstToeslagen worden geïnformeerd over het moment waarop de termijnvoor het indienen van een aanvraag voor aanvullende compensatie of eenaanvullende O/GS-tegemoetkoming verloopt.41Toekenning van compensatie aan partners van overleden gedupeerde aanvragers vankinderopvangtoeslag op grond van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, Wht.42Toekenning van O/GS-tegemoetkoming aan partners van overleden gedupeerde aanvragersvan kinderopvangtoeslag op grond van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 343 Artikel I, onderdeel S (artikel 6.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.2 Wht zijn de beslistermijnen geregeld ten aanzien vanbeschikkingen op aanvraag in het kader van de hersteloperatie toeslagen.In artikel 6.2, eerste lid, Wht is onder meer de beslistermijn opgenomenvoor aanvragen die worden gedaan voor aanvullende compensatie of eenaanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade door deaanvrager van kinderopvangtoeslag op grond van artikel 2.1, derde lid,Wht, onderscheidenlijk artikel 2.6, derde lid, Wht. Hiervoor is geregeld dateen beslistermijn van toepassing is van zes maanden, die eenmaal meteen termijn van maximaal zes maanden kan worden verlengd. Voorge-steld wordt om de verwijzing naar artikel 2.1, derde lid, en 2.6, derde lid,Wht te schrappen en een lid in te voegen in artikel 6.2 Wht. In dit in tevoegen artikel 6.2, lid 1a, Wht wordt voorgesteld dat de Dienst Toeslagenbesluit binnen een termijn van twaalf maanden na ontvangst van deaanvraag van de gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade of een aanvullendeO/GS-tegemoetkoming. Deze termijn kan eenmaal met maximaal twaalfmaanden worden verlengd. Voor een toelichting met betrekking tot hetvoorgestelde overgangsrecht met betrekking tot deze wijzigingen wordtverwezen naar de toelichting bij het in artikel I, onderdeel EE, van hetonderhavige wetsvoorstel voorgestelde artikel 8.9 Wht. Er is voor gekozenom na artikel 6.2, eerste lid, Wht een lid 1a in te voegen en niet aanartikel 6.2 Wht een lid toe te voegen of de leden van artikel 6.2 Wht tevernummeren, omdat dit de kenbaarheid niet ten goede komt. Hettoevoegen van een lid ligt niet voor de hand, omdat er in artikel 6.2 Whtvoor is gekozen om de beslistermijnen in het kader van de hersteloperatietoeslagen in volgorde van plaatsing van het relevante artikel in de Wht tevolgen. Het ligt niet voor de hand hier nu vanaf te wijken. Ook is het nietwenselijk te vernummeren, omdat elders in de Wht verwezen wordt naarverschillende leden van artikel 6.2 Wht en omdat hiermee de connectiemet de toelichting op de diverse leden minder duidelijk zou worden. Datwordt gezien het belang van het onderwerp beslistermijnen in het kadervan de hersteloperatie toeslagen onwenselijk geacht.Tot slot wordt voorgesteld dat voor het beslissen op aanvragen op grondvan artikel 2.14h, derde lid, Wht eveneens een beslistermijn van twaalfmaanden van toepassing zal zijn die eenmaal kan worden verlengd meteen termijn van ten hoogste twaalf maanden. Hiermee wordt gedoeld opde regeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade voorex-partners op grond van artikel 2.14h, derde lid, Wht zoals dat komt teluiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. Voor een nadereonderbouwing hiervan wordt verwezen naar het algemeen deel van dezememorie. In artikel I, onderdeel NN, van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen is een wijziging opgenomen van artikel 6.2,eerste lid, Wht die na inwerkingtreding regelt dat voor de aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade voor ex-partners een beslistermijnvan toepassing is van zes maanden die eenmaal met ten hoogste zesmaanden kan worden verlengd. Dit artikel is nog niet in werking getreden.In artikel II, onderdeel A, onder 3, van het onderhavige wetsvoorstel wordtdaarom voorgesteld artikel I, onderdeel NN, van de Wet aanvullenderegelingen hersteloperatie toeslagen te laten vervallen.Artikel I, onderdeel T (artikel 6.2bis van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.2bis Wht, dat ziet op de beslistermijn met betrekking tot eenaanvraag inzake de regeling voor nabestaanden van overleden kinderen inhet kader van de hersteloperatie toeslagen, wordt ten onrechte nogverwezen naar de Belastingdienst/Toeslagen in plaats van naar de DienstTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 344 Toeslagen. Voorgesteld wordt om deze omissie te herstellen. Daarnaastwordt voorgesteld in artikel 6.2bis Wht een lid in te voegen, ondervernummering van het derde lid tot vierde lid. In het voorgesteldeartikel 6.2bis, derde lid, Wht wordt geregeld dat de Dienst Toeslagenbeslist binnen zes maanden na de datum van dagtekening van debeschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld inartikel 2.7 Wht, indien door de partner van het overleden kind eenaanvraag is ingediend met betrekking tot de regeling voor nabestaandenvan overleden kinderen in het kader van de hersteloperatie toeslagen. Ditborgt dat de Dienst Toeslagen de mogelijkheid heeft deze aanvragen inbehandeling te nemen vanaf het moment dat kan worden vastgesteld ofeen aanvrager voor deze regeling in aanmerking komt voor een tegemoet-koming en de Dienst Toeslagen ingediende aanvragen niet hoeft af tewijzen om overschrijding van de beslistermijn te voorkomen met alsgevolg dat de partner van een overleden kind opnieuw een aanvraag zoumoeten indienen. Het laat onverlet de mogelijkheid voor de DienstToeslagen om al wel eerder te beslissen op de aanvraag. Een vergelijkbareregeling is niet opgenomen met betrekking tot artikel 2.14d Wht (voor hetkind van het overleden kind) en met betrekking tot artikel 2.14e Wht (voorde ouder van het overleden kind), aangezien dan meerdere personen inaanmerking zouden kunnen komen voor een tegemoetkoming op grondvan afdeling 2.2A Wht. In die gevallen is het dus noodzakelijk dat devolledige aanvraagtermijn wordt afgewacht, voordat de Dienst Toeslagenkan beslissen.Artikel I, onderdeel U (artikel 6.2ter van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel 6.2ter Wht op een aantal onderdelen tewijzigen. Artikel 6.2ter Wht heeft betrekking op de beslistermijn bij debeschikking op aanvraag van nabestaanden van de overleden gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag.43 De voorgestelde wijzigingen leidentot vernummering van artikel 6.2ter, derde lid, Wht tot artikel 6.2ter,zevende lid, Wht. In artikel 6.2ter, eerste en tweede lid, Wht en inartikel 6.2ter, zevende lid (nieuw), Wht wordt ten onrechte nog verwezennaar de Belastingdienst/Toeslagen in plaats van naar de Dienst Toeslagen.Voorgesteld wordt om deze omissie te herstellen.De voorgestelde wijziging van artikel 6.2ter, eerste lid, Wht is een gevolgvan het feit dat in dit lid uitsluitend wordt verwezen naar de DienstToeslagen als uitvoerend bestuursorgaan en niet naar de Minister vanFinanciën. Dit geldt ook voor artikel 6.2ter, tweede en zevende lid (nieuw),Wht. In artikel 6.2ter, eerste en tweede lid, en zevende lid (nieuw), Whtwordt verwezen naar onder meer artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel b, Whten artikel 2.9b, eerste lid, onderdeel b, Wht. Dit betreft het toekennen aande nabestaande van een overleden gedupeerde aanvrager van kinderop-vangtoeslag van de voorziening dat de regeling van private schulden44van overeenkomstige toepassing is. In de Wht is geregeld dat detoekenning hiervan formeel plaatsvindt door de Minister van Financiën.Deze wordt echter niet genoemd in artikel 6.2ter Wht. Om deze omissie teherstellen wordt voorgesteld de verwijzing naar artikel 2.9a, eerste lid,onderdeel b, Wht, te schrappen in artikel 6.2ter, eerste en tweede lid, Whten wordt voorgesteld de verwijzing naar artikel 2.9b, eerste lid,43Dit artikel wordt met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel NNter, van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen in de Wht opgenomen. Artikel I, onderdeel NNter,van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen is nog niet in werking getreden.Dit zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geschieden. Het is de bedoeling datartikel 6.2ter Wht direct na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel NNter, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen wordt gewijzigd.44Dat betreft overeenkomstige toepassing van afdeling 4.1 Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 345 onderdeel b, Wht te schrappen in artikel 6.2ter, zevende lid (nieuw), Wht.In het voorgestelde artikel 6.2ter, derde lid, Wht wordt de beslistermijnopgenomen met betrekking tot een aanvraag van de partner van eenoverleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag voor deovereenkomstige toepassing van de regeling voor private schulden opgrond van artikel 2.9a, eerste lid, onderdeel b, Wht. In het voorgesteldeartikel 6.2ter, achtste lid, Wht wordt de beslistermijn opgenomen metbetrekking tot een aanvraag van kinderen van een overleden gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag voor de overeenkomstige toepassingvan de regeling voor private schulden op grond van artikel 2.9b, eerste lid,onderdeel b, Wht. Tot slot wordt met betrekking tot de aanvraagtermijnvoor de regeling voor private schulden voor nabestaanden van overledengedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag in artikel 6.2ter, derdeen achtste lid, Wht voorgesteld dat de beslistermijn niet eerder verstrijktdan zes maanden nadat de gedupeerdheid van de aanvrager vankinderopvangtoeslag die is overleden, is vastgesteld indien diegedupeerdheid nog niet is vastgesteld voordat de aanvraag is ingedienddoor de nabestaande. Het is van belang dat deze toets is gedaan door deDienst Toeslagen. Daarna kan de uitvoering van de regeling voor privateschulden pas starten. Als al vaststaat dat er sprake is van een gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag die is overleden en uitsluitendgetoetst hoeft te worden of de aanvrager kwalificeert als partner die ofkind dat in aanmerking komt voor de nabestaandenregeling, is dezeverlenging van de beslistermijn niet nodig en dan ook niet vantoepassing. Er hoeft dan immers geen toets meer plaats te vinden door deDienst Toeslagen op de gedupeerdheid.Daarnaast is het noodzakelijk artikel 6.2ter Wht aan te passen, omdat opdit moment in de Wht geen beslistermijn geregeld is voor een aanvraagvoor de regeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schadedoor de nabestaande behalve voor de situatie waarin dit op verzoek wordtbetrokken in het persoonlijk gesprek45. Voorgesteld wordt de bepaling dieop de laatstgenoemde situatie ziet te laten vervallen. Voor een toelichtinghierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel II,onderdeel A, onder 4, en naar het algemeen deel van deze memorie.Daarbij wordt voorgesteld aan artikel 6.2ter Wht een aantal leden toe tevoegen, zodat ook voor de regeling voor aanvullende compensatie voorde werkelijke schade door de nabestaande een beslistermijn wordtopgenomen in de Wht. In het voorgestelde artikel 6.2ter, vierde tot en metzesde lid, Wht is de beslistermijn opgenomen met betrekking tot eenaanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade van departner van een overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvang-toeslag. Voor de vraag welke beslistermijn voor een dergelijke aanvraaggeldt, is bepalend of bij de overleden aanvrager van kinderopvangtoeslageen integrale beoordeling heeft plaatsgevonden. Dit is het geval alsvoorafgaand aan het overlijden van de overleden gedupeerde aanvragervan kinderopvangtoeslag toekenning heeft plaatsgevonden van compen-satie of een O/GS-tegemoetkoming aan die overleden gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag in het kader van de integralebeoordeling.46 Als bij de overleden aanvrager een integrale beoordelingheeft plaatsgevonden dan geldt op grond van het voorgesteldeartikel 6.2ter, vierde lid, Wht voor de partner van de overledengedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag als uitgangspunt een45Er is slechts in het in artikel I, onderdeel NNa, van de Wet aanvullende regelingen herstelope-ratie toeslagen opgenomen artikel 6.2a Wht geregeld welke beslistermijn geldt indien denabestaande kiest voor het persoonlijk gesprek, waarbij de werkelijke schade betrokken kanworden46Dat betreft toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, Wht of eenO/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 346 beslistermijn van zes maanden na ontvangst van een aanvraag alsbedoeld in artikel 2.9a, tweede lid, Wht (dus een aanvraag door denabestaande partner voor de regeling voor aanvullende compensatie voorde werkelijke schade), welke eenmaal met ten hoogste zes maanden kanworden verlengd. Dat is de situatie waarin de aanvraagtermijn, bedoeld inartikel 6.1b, eerste lid, Wht, van toepassing is. Voorgesteld wordt om inartikel 6.2ter, vijfde lid, Wht te regelen dat in afwijking van artikel 6.2ter,vierde lid, Wht een beslistermijn geldt van zes maanden vanaf de datumvan inwerkingtreding van artikel 2.9a, tweede lid, Wht, indien eenaanvraag is gedaan vóór het moment van inwerkingtreding van datartikel. Dit is in lijn met hetgeen in artikel 6.2ter, tweede lid, Wht isgeregeld met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in artikel 2.9a,eerste lid, onderdelen a en b, Wht. Ook hier geldt dat de termijn eenmaalmet ten hoogste zes maanden kan worden verlengd.Het voorgestelde artikel 6.2ter, zesde lid, Wht regelt de beslistermijn tenaanzien van een aanvraag voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade op grond van artikel 2.9a, tweede lid, Wht door eenpartner van een overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvang-toeslag voor de situatie waarin voorafgaand aan het overlijden van dieoverleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag geentoekenning heeft plaatsgevonden van compensatie of eenO/GS-tegemoetkoming in het kader van de integrale beoordeling. Dat isde situatie waarin de aanvraagtermijn van het voorgestelde artikel 6.1b,tweede lid, Wht van toepassing is. Deze aanvraag wordt op grond van hetvoorgestelde artikel 6.1b, tweede lid, Wht niet eerder gedaan dan natoekenning van de compensatie of een O/GS-tegemoetkoming en binnenzes maanden na de datum waarop de beschikking tot toekenning hiervanonherroepelijk vast komt te staan. In vorengenoemde situatie besluit deDienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na ontvangst vande aanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijktdan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning aan de partner vaneen overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag vancompensatie of een O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.9a,eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk onder 2°, Wht in hetkader van de integrale beoordeling onherroepelijk is geworden. Voorge-steld wordt dat ook deze termijn die van toepassing is op grond vanartikel 6.2ter, zesde lid, eerste zin, Wht eenmaal met maximaal zesmaanden kan worden verlengd.In het voorgestelde artikel 6.2ter, negende en tiende lid, Wht is debeslistermijn opgenomen met betrekking tot een aanvraag voor aanvul-lende compensatie voor de werkelijke schade van de kinderen van eenoverleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag op grond vanartikel 2.9b, tweede lid, Wht. Voor de vraag welke beslistermijn voor eendergelijke aanvraag geldt, is ook hier bepalend of bij de overledenaanvrager van kinderopvangtoeslag een integrale beoordeling heeftplaatsgevonden. In artikel 6.2ter, negende lid, Wht wordt voorgesteld datde Dienst Toeslagen binnen een termijn van zes maanden na hetverstrijken van de op grond van artikel 6.1b, eerste lid, Wht geldendeaanvraagtermijn beslist als de in dat artikel bedoelde aanvraagtermijn vantoepassing is. Dit is het geval als aan de overleden gedupeerde ouder vanhet kind toekenning heeft plaatsgevonden van compensatie of van eenO/GS-tegemoetkoming in het kader van de integrale beoordeling.Voorgesteld wordt dat deze beslistermijn eenmaal met maximaal zesmaanden kan worden verlengd. In artikel 6.2ter, tiende lid, Wht wordt debeslistermijn voorgesteld die van toepassing is op een aanvraag van eenkind van een overleden gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslagaan wie voor diens overlijden geen toekenning heeft plaatsgevonden vancompensatie of een O/GS-tegemoetkoming in het kader van de integraleTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 347 beoordeling. In die situatie wordt voorgesteld dat de Dienst Toeslagenbesluit binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van deaanvraag, met dien verstande dat de beslistermijn niet eerder verstrijktdan zes maanden nadat de beschikking tot toekenning van compensatie ofeen O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.9b, eerste lid,onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk onder 2°, Wht, onherroepelijk isgeworden voor alle kinderen van een overleden gedupeerde aanvragervan kinderopvangtoeslag die tijdig een aanvraag tot toekenning daarvanhebben ingediend. Het is noodzakelijk om dit af te wachten in verbandmet de verdeling naar rato die van toepassing is voor de nabestaandenre-geling indien meerdere kinderen van een overleden gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag in aanmerking komen. De beslis-termijn die van toepassing is op grond van artikel 6.2ter, tiende lid, eerstezin, Wht, kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd.Artikel I, onderdeel V (artikel 6.8 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in artikel 6.8, negende lid, Wht na «Uitbetalingvan» in te voegen «een voorziening, aanvullende compensatie of eenaanvullende O/GS-tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.9a of 2.9b ofvan». Deze wijziging volgt om te beginnen op de voorgestelde wijzigingingevolge artikel II, onderdeel A, onder 5, van onderhavig wetsvoorstel.Laatstgenoemde wijziging bevat het voorstel om het in artikel I,onderdeel SSa, onder 3, van de Wet aanvullende regelingen herstelope-ratie toeslagen opgenomen artikel 6.8, negende lid, Wht aan te passen.Die voorgestelde aanpassing houdt in dat de verwijzing naar deartikelen 2.9a en 2.9b Wht vervalt in verband met het feit dat die artikelennog niet in werking zijn getreden, terwijl de regeling voor nabestaandenvan overleden kinderen als bedoeld in afdeling 2.2A Wht al wel in werkingis getreden. Het is noodzakelijk de verwijzing naar de artikelen 2.9a en2.9b Wht op een later moment weer toe te voegen, namelijk als deregeling voor nabestaanden van overleden aanvragers in werking treedt(artikel I, onderdeel C, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen). Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar deartikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel FF, onder 2, en artikel II,onderdeel A, onder 5. Met de onderhavige wijziging is de verwijzing naarde artikelen 2.9a en 2.9b Wht weer terug in artikel 6.8, negende lid, Wht.Daarnaast wordt de verwijzing uitgebreid met een verwijzing naar deaanvullende compensatie en de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voorde werkelijke schade voor nabestaanden van overleden aanvragers inverband met de toevoeging daarvan aan de in de artikelen 2.9a en 2.9bWht opgenomen nabestaandenregeling. Na de voorgestelde wijziging opgrond van artikel II, onderdeel A, onder 5, is het de bedoeling dat devoorgestelde wijziging op grond van artikel I, onderdeel V, volgt op hetmoment dat de artikelen 2.9a en 2.9b Wht in werking treden.Artikel I, onderdeel W (artikel 6.9 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.9, zesde lid, Wht is de betaaltermijn opgenomen voor eentegemoetkoming aan gedupeerde aanvragers van huurtoeslag,zorgtoeslag of kindgebonden budget op grond van de artikelen 2.16 en2.17 Wht. Voorgesteld wordt om in artikel 6.9, zesde lid, Wht de uiterstebetaaldatum van 31 december 2025 in de situatie dat gevraagd wordt omuitstel van betaling, te vervangen door een uiterste betaaldatum van eenjaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning van die compen-satie. De reden hiervoor is dat de uitvoering van de regeling vangedupeerde aanvragers van huurtoeslag, zorgtoeslag of kindgebondenbudget nog niet is aangevangen. Met de keuze voor een uiterste betaal-datum van een jaar na dagtekening van de beschikking tot toekenning vandie compensatie in het geval van uitstel van betaling, wordt aangeslotenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 348 bij de systematiek van de kindregeling (artikel 6.9, vijfde lid, Wht) en desystematiek van de ex-partnerregeling (artikel 6.9, negende lid, Wht).Voorgesteld wordt om evenals met betrekking tot artikel 6.8, negende lid,Wht een verwijzing naar de artikelen 2.9a en 2.9b Wht op te nemen en ookeen verwijzing toe te voegen naar de aanvullende compensatie ofaanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade voornabestaanden, in verband met de toevoeging van die aanvullendecompensatie en de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijkeschade voor nabestaanden aan de artikelen 2.9a en 2.9b Wht. Voor eentoelichting hierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bijartikel I, onderdeel V, van het onderhavige wetsvoorstel. Het is debedoeling dat deze wijziging in werking treedt gelijktijdig met deinwerkingtreding van de regeling voor nabestaanden van overledenaanvragers (artikel I, onderdeel C, van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen).Artikel I, onderdeel X (artikel 6.10 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt artikel 6.10, eerste lid, Wht te wijzigen. Dat artikel heeftbetrekking op de terugvordering van verstrekkingen op grond van de Whtdie ten onrechte zijn toegekend, indien opzettelijk onjuiste informatie isverstrekt of wanneer men wist of redelijkerwijs behoorde te weten dat ergeen recht bestond op die toekenning. Nu wordt voorgesteld deuitvoering van aanvullende compensatie voor de werkelijke schade voorde ex-partner als bedoeld in artikel 2.14h, derde lid, Wht zoals dat luidt nainwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen te beleggen bij deDienst Toeslagen, ligt het voor de hand de verwijzing naar genoemdartikel 2.14h, derde lid, Wht, op te nemen in artikel 6.10, eerste lid, Wht.De terugvordering van ten onrechte aan de ex-partner verstrektecompensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, Wht wordt namelijkook geregeld in artikel 6.10, eerste lid, Wht. Hiermee kan artikel I,onderdeel WW, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen vervallen. Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel II,onderdeel A, onder 6.Artikel I, onderdeel Y (artikel 6.10a van de Wet hersteloperatie toeslagen)Artikel 6.10a Wht regelt dat het moment waarop de termijn voor hetmaken van bezwaar tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen in hetkader van de hersteloperatie toeslagen aanvangt, afwijkt van hetgeen vantoepassing zou zijn op grond van artikel 6:8 Awb. Op dit moment geldtvoor de hersteloperatie toeslagen de in artikel 6:7 Awb opgenomentermijn van zes weken voor het indienen van een bezwaar na aanvang vandie termijn. Voorgesteld wordt de termijn voor het indienen van eenbezwaar tegen een beschikking op grond van de Wht te verruimen naareen termijn van zestien weken. Aangezien dit eveneens een afwijking vande Awb betreft die betrekking heeft op de bezwaartermijn, wordtvoorgesteld deze afwijking eveneens op te nemen in artikel 6.10a Wht.Hiertoe wordt voor de huidige tekst van dat artikel de aanduiding «2.»geplaatst en wordt een eerste lid ingevoegd. Voor een uitleg van entoelichting op het voorgestelde overgangsrecht met betrekking tot dezewijziging, wordt verwezen naar de toelichting bij het in artikel I,onderdeel EE, voorgestelde artikel 8.10 Wht. Voor een nadere toelichtingop de voorgestelde wijziging van de bezwaartermijn en het overgangs-recht dat daarop betrekking heeft, wordt verwezen naar het algemeen deelvan deze memorie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 349 Artikel I, onderdeel Z (artikel 6.10aa van de Wet hersteloperatie toeslagen)Zoals is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij het voorgaandeonderdeel, wordt voorgesteld om de termijn voor het indienen van eenbezwaarschrift gericht tegen een beschikking van de Dienst Toeslagen opgrond van de Wht, te verlengen van zes weken naar zestien weken (opgrond van het voorgestelde artikel 6.10a, eerste lid, Wht). Als eenbezwaarschrift is ingediend vanwege een beschikking die is gegeven opgrond van de Wht, wordt het moment waarop de beslistermijn metbetrekking tot dit bezwaarschrift aanvangt, op dit moment bepaald doorartikel 7:10, eerste lid, Awb. Dat wil zeggen dat de beslistermijn aanvangtvanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van hetbezwaarschrift is verstreken. De verlenging van de termijn voor hetindienen van het bezwaarschrift zou dus als gevolg van de toepassing vanartikel 7:10, eerste lid, Awb leiden tot een onbedoelde verlenging van debeslistermijn. Om die onbedoelde verlenging van de beslistermijn opbezwaar te voorkomen, wordt voorgesteld af te wijken van artikel 7:10,eerste lid, Awb, wat betreft de start van de beslistermijn met betrekkingtot een bezwaarschrift in een na artikel 6.10a Wht in te voegen artikel:artikel 6.10aa Wht.In het voorgestelde artikel 6.10aa Wht wordt geregeld dat de beslistermijnmet betrekking tot een bezwaar gericht tegen een beschikking van deDienst Toeslagen op grond van de Wht aanvangt op de dag na ontvangstvan het bezwaarschrift. Voorgesteld wordt dat deze beslistermijn echterniet eerder aanvangt dan zes weken na aanvang van de termijn voor hetindienen van een bezwaarschrift. Dit laatste wordt voorgesteld om tevoorkomen dat de voorgestelde afwijking van artikel 7:10, eerste lid, Awb,effectief zou kunnen leiden tot een verkorting van de beslistermijn van deDienst Toeslagen in vergelijking met de huidige situatie. Voor een naderetoelichting wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.Voor een uitleg van en toelichting op het voorgestelde overgangsrechtmet betrekking tot deze wijziging, wordt verwezen naar de toelichting bijhet in artikel I, onderdeel EE, van het onderhavige wetsvoorstel voorge-stelde artikel 8.10 Wht en het algemeen deel van deze memorie.Artikel I, onderdeel AA (artikel 6.11 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.11, tiende lid, Wht wordt ten onrechte nog verwezen naar deBelastingdienst/Toeslagen in plaats van naar de Dienst Toeslagen.Voorgesteld wordt om deze omissie te herstellen.Artikel I, onderdeel BB (artikel 6.12 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Artikel 6.12 Wht heeft betrekking op de verstrekking en het gebruik vangegevens door de Dienst Toeslagen en de Minister van Financiën.Voorgesteld wordt om in artikel 6.12, achttiende en negentiende lid, Whtde verwijzing naar Onze Minister te vervangen door een verwijzing naarde Dienst Toeslagen respectievelijk de verwijzing naar Onze Minister teschrappen. Deze wijziging wordt voorgesteld in verband met het feit dathet de bedoeling is dat niet Onze Minister, maar de Dienst Toeslagen deregeling voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade voorex-partners zal gaan uitvoeren.Artikel I, onderdeel CC (artikel 8.4 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Artikel 8.4, onderdeel F, Wht regelt dat de artikelen 3.6 tot met 3.9 en 9.1,tweede lid, onderdelen a tot en met d, Wht vervallen op het moment dathet desbetreffende artikel in werking treedt. De artikelen 3.6 tot en met 3.9Wht hebben betrekking op kwijtschelding van publieke schulden in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 350 SZW-domein. In artikel 9.1, tweede lid, onderdelen b tot en met e, Wht iseen hardheidsclausule opgenomen met betrekking tot die artikelen.Artikel 8.4, onderdeel F, ziet echter op het vervallen van artikel 9.1, tweedelid, onderdelen a tot en met d, Wht. Dit is onjuist. Artikel 9.1, tweede lid,onderdeel a, Wht ziet namelijk op de mogelijkheid voor de Minister vanFinanciën om af te wijken van de artikelen 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3Wht en heeft dus geen betrekking op het SZW-domein. Artikel 9.1, tweedelid, onderdeel e, Wht heeft betrekking op de mogelijkheid voor de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid om af te wijken van artikel 3.9 Whten ziet dus wel op het SZW-domein. Bedoeld is die artikelen diebetrekking hebben op kwijtschelding van publieke schulden in hetSZW-domein gelijktijdig te laten vervallen. Deze omissie wordt hersteld.Artikel I, onderdeel DD (artikel 8.8 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Artikel 8.8 Wht ziet op overgangsrecht voor kwijtschelding in hetSZW-domein. Dit artikel is in werking getreden per 1 januari 2024.47 Bij dieinwerkingtreding is toegelicht dat artikel 8.8 Wht overgangsrecht bevatvoor artikelen waarvan het op grond van de Wht de bedoeling was datdeze met ingang van 1 januari 2024 zouden vervallen, namelijk deartikelen 3.6 tot en met 3.9 Wht. Die artikelen zijn echter niet vervallen per1 januari 2024, omdat als gevolg van artikel I, onderdeel EEE, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen is geregeld dat deze nietper 1 januari 2024 vervallen, maar per 1 januari 2026 door (artikel 9.2,tweede lid, onderdeel e, Wht). Artikel 8.8 is echter ten onrechte wel inwerking getreden per 1 januari 2024. Voorgesteld wordt daarom omartikel 8.8 Wht met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2024 telaten vervallen (artikel III, onderdeel d). In artikel I, onderdeel FF, onder 2,van het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld dat in artikel 9.2,tweede lid, onderdeel e, Wht «1 januari 2026» wordt vervangen door «eenbij koninklijk besluit te bepalen tijdstip». Het laten vervallen van dieartikelen zal niet gebeuren voor 1 januari 2026. Zie voor een toelichtinghierop de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel FF, onder 2, enhet algemeen deel van deze memorie. Daarom is het voorzienbaar datgeen overgangsrecht noodzakelijk meer zal zijn. Mocht dit toch het gevalzijn dan zal een op later moment een voorstel worden ingediend omalsnog overgangsrecht op te nemen.Artikel I, onderdeel EE (artikelen 8.9 en 8.10 van de Wet hersteloperatietoeslagen)Voorgesteld wordt om aan afdeling 8.2 Wht twee artikelen toe te voegendie overgangsrecht regelen voor het voorstel tot verlenging van debeslistermijn op aanvraag voor aanvullende compensatie of een aanvul-lende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade voor aanvragersvan kinderopvangtoeslag (het voorgestelde artikel 8.9 Wht) en voor hetvoorstel tot verlenging van de bezwaartermijn van zes weken naar zestienweken en daarmee samenhangende wijziging van het moment waarop debeslistermijn op bezwaar aanvangt (het voorgestelde artikel 8.10 Wht).In het voorgestelde artikel 8.9 Wht wordt het overgangsrecht geregeldvoor de verlenging van de beslistermijnen op aanvraag voor aanvullendecompensatie of een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor dewerkelijke schade door gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag.Die verlenging is opgenomen in de in artikel I, onderdeel S, van hetonderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijziging van artikel 6.2 Wht.Daarin wordt voorgesteld om de verwijzing naar de artikelen 2.1, derde47Besluit van 2 november 2022 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wethersteloperatie toeslagen (Stb. 2022, 434).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 351 lid, en 2.6, derde lid, Wht in artikel 6.2, eerste lid, Wht te schrappen en debeslistermijnen met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in dieartikelen op te nemen in het voorgestelde artikel 6.2, lid 1a, Wht. Hiermeewordt voorgesteld om de huidige beslistermijn van zes maanden die metzes maanden verlengd kan worden, te wijzigen in een beslistermijn vantwaalf maanden die verlengd kan worden met twaalf maanden metbetrekking tot een aanvraag op grond van artikel 2.1, derde lid, Wht(aanvullende compensatie voor de werkelijke schade voor de gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag) of 2.6, derde lid, Wht (aanvullendeO/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade voor de gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag). Voorgesteld wordt om eerbiedi-gende werking te regelen met betrekking tot deze wijziging. Dat wilzeggen dat wordt voorgesteld dat de voorgestelde wijziging van degenoemde beslistermijn van zes maanden naar twaalf maanden en deverlengingsmogelijkheid hiervan die eveneens wordt verhoogd van zesnaar twaalf maanden, niet van toepassing zal zijn met betrekking tot eenaanvraag voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade ofaanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade door eenaanvrager van kinderopvangtoeslag die is ontvangen door de DienstToeslagen voor de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel S,van dit wetsvoorstel. In die situatie blijft artikel 6.2 Wht zoals dat luiddevoor die dag van inwerkingtreding van toepassing. Dit betekent dus datdie verlengde beslistermijn op grond van artikel 6.2 Wht zoals dat luidt nainwerkingtreding van het voorgestelde artikel I, onderdeel S, van ditwetsvoorstel uitsluitend van toepassing zal zijn op een door eenaanvrager van kinderopvangtoeslag ingediende aanvraag voor deaanvullende compensatie voor de werkelijke schade of voor de aanvul-lende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade die door deDienst Toeslagen is ontvangen op of na de dag van inwerkingtreding vanartikel I, onderdeel S, van dit wetsvoorstel.In het voorgestelde artikel 8.10 Wht wordt ten eerste geregeld dat de inartikel I, onderdeel Y, voorgestelde bezwaartermijn van zestien weken metbetrekking tot beschikkingen van de Dienst Toeslagen in het kader van dehersteloperatie toeslagen (het voorgestelde artikel 6.10a, eerste lid, Wht)niet van toepassing is als een beschikking al is gegeven voorafgaand aande dag van inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 6.10a, eerste lid,Wht. Er wordt dus voorgesteld te regelen dat er sprake is van eerbiedi-gende werking met betrekking tot hetgeen wordt voorgesteld inartikel 6.10a, eerste lid, Wht. Voorgesteld wordt dat de daar voorgesteldebezwaartermijn van zestien weken uitsluitend van toepassing zal zijn metbetrekking tot beschikkingen die zijn gegeven op of na de dag vaninwerkingtreding van artikel 6.10a, eerste lid, Wht. Als de beschikking isgegeven voor de dag van inwerkingtreding van het voorgestelde artikel I,onderdeel Y, van het onderhavige wetsvoorstel, is dus de bezwaartermijndie geldt op grond van artikel 6:7 Awb van toepassing. Voor een onder-bouwing hiervan wordt verwezen naar het algemeen deel van dezememorie. De toepassing van artikel 7:10 Awb leidt ertoe dat dezeverlenging van de bezwaartermijn ook leidt tot een onbedoeldeverlenging van de beslistermijn. Om dit te voorkomen wordt voorgesteldin een nieuw in te voegen artikel 6.10aa Wht te regelen dat de beslis-termijn op bezwaar voor de Dienst Toeslagen met betrekking tot bezwaar-schriften in het kader van de hersteloperatie toeslagen aanvangt op dedag na ontvangst van het bezwaarschrift, maar niet eerder dan zes wekennadat de bezwaartermijn is gaan lopen. Deze wijziging hangt direct samenmet de verlenging van de bezwaartermijn. Daarom wordt voorgesteld datook ter zake van deze wijziging sprake is van eerbiedigende werkingindien een bezwaar is gericht tegen een beschikking die is gegeven voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 352 de dag van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Y en Z48, van hetonderhavige wetsvoorstel. Dit betekent het volgende. Als een beschikkingis gegeven voor de datum van inwerkingtreding van het voorgesteldeartikel I, onderdeel Y, van het onderhavige wetsvoorstel blijft de bezwaar-termijn op grond van artikel 6:7 Awb van toepassing (zes weken). Indieneen bezwaarschrift wordt ingediend gericht tegen een beschikking die isgegeven voor die datum van inwerkingtreding, blijft ook artikel 7:10,eerste lid, Awb van toepassing met betrekking tot het bepalen van hetmoment waarop de beslistermijn op bezwaar aanvangt. Oftewel: debeslistermijn vangt aan vanaf de dag na het verstrijken van de bezwaar-termijn. Als een beschikking is gegeven op of na de dag van inwerking-treding van het voorgestelde artikel I, onderdeel Y, van het onderhavigewetsvoorstel is een bezwaartermijn van zestien weken (op grond van hetvoorgestelde artikel 6.10a, eerste lid, Wht) van toepassing. Voorts vangtde beslistermijn met betrekking tot een bezwaar gericht tegen diebeschikking op grond van het voorgestelde artikel 6.10aa Wht aan op dedag na ontvangst van het bezwaarschrift, maar niet eerder dan zes wekennadat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is aange-vangen.Artikel I, onderdeel FF (artikel 9.2 van de Wet hersteloperatie toeslagen)Artikel 9.2 Wht heeft betrekking op de inwerkingtreding en (indien vantoepassing) terugwerkende kracht van artikelen in de Wht. In hetonderhavige onderdeel wordt een aantal wijzigingen van dat artikelvoorgesteld. Ten eerste wordt voorgesteld om terugwerkende kracht teverlenen aan artikel 8.7 Wht tot en met 26 januari 2021 door een wijzigingvan artikel 9.2, tweede lid, onderdeel a, Wht. Artikel 8.7 Wht ziet opovergangsrecht voor de eenmalige tegemoetkoming herstel (beschik-kingen gebaseerd op artikel 49g Awir, dat is vervallen per 5 november2022). Bij de totstandkoming van de Wht was deze terugwerkende krachtaanvankelijk geregeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel e, Wht. Door eenlate invoeging van het huidige artikel 8.6 Wht is de bepaling inzake hetovergangsrecht voor de eenmalige tegemoetkoming herstel (beschik-kingen gebaseerd op artikel 49g Awir) verplaatst naar het huidigeartikel 8.7 Wht, waarbij dit echter niet verwerkt is in de bepalingen metbetrekking tot inwerkingtreding en terugwerkende kracht. Voorgesteldwordt die omissie te herstellen door alsnog terugwerkende kracht teverlenen tot en met 26 januari 2021, zoals aanvankelijk was beoogd.Voorts wordt voorgesteld om in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel b, Wht«1 januari 2025» en «eerder» te laten vervallen. In artikel 9.2, tweede lid,onderdeel b, Wht is geregeld dat artikel 8.4, onderdelen C en D, Wht inwerking treedt met ingang van 1 januari 2025 of op een bij koninklijkbesluit te bepalen eerder tijdstip. Artikel 8.4, onderdelen C en D, Wht zietop het laten vervallen van de artikelen 2.8 en 2.18 Wht. Die artikelenhebben betrekking op de incidentele noodvoorziening voor aanvragersvan kinderopvangtoeslag en voor aanvragers van huurtoeslag,zorgtoeslag of kindgebonden budget die onder het bereik van de Whtvallen. Omdat voorzienbaar is dat de incidentele noodvoorziening voorbeide groepen nog van belang is vanaf 1 januari 2025, wordt voorgesteldte regelen dat deze artikelen vervallen op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar hetalgemeen deel van deze memorie.Daarnaast wordt voorgesteld om in artikel 9.2, tweede lid, onderdeel e,Wht «1 januari 2026» te vervangen door «een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip». Artikel 9.2, tweede lid, onderdeel e, Wht regelt dat48Inwerkingtreding van artikel I, onderdelen Y en Z, zal op dezelfde dag plaatsvinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 353 artikel 8.4, onderdeel F, Wht in werking treedt met ingang van 1 januari2026. Artikel 8.4, onderdeel F, regelt dat de artikelen 3.6 tot met 3.9 en 9.1,tweede lid, onderdelen a tot en met d, Wht vervallen. Die artikelen hebbenbetrekking op kwijtschelding van schulden in het SZW-domein in hetkader van de hersteloperatie toeslagen. Dit gebeurt op het moment datartikel 8.4, onderdeel F, Wht in werking treedt. Voorgesteld wordt inartikel 9.2, tweede lid, onderdeel e, Wht te regelen dat dit geschiedt opeen bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In het algemeen deel van dezememorie wordt toegelicht waarom het noodzakelijk is dit tijdstip uit testellen.In afdeling 2.2A zijn de artikelen opgenomen die zien op de tegemoet-koming voor nabestaanden van overleden kinderen. Op 22 april 2024 isdeze regeling voor nabestaanden van overleden kinderen49 in werkinggetreden.50 De artikelen 6.8, negende lid, en 6.9, tiende lid, Wht zoalsopgenomen ingevolge artikel I, onderdelen SSa, onder 3, en artikel I,onderdeel TTa, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen, zien op de wijze en het moment van uitbetalen van eenvoorziening als bedoeld in de artikelen 2.9a en 2.9b Wht (regeling voornabestaanden van overleden aanvragers van kinderopvangtoeslag) envan een tegemoetkoming als bedoeld in de artikelen 2.14c, 2.14d en 2.14eWht (regeling voor nabestaanden van overleden kinderen). Het voorge-stelde artikel 9.2, derde lid, Wht ziet op het verlenen van terugwerkendekracht tot en met 22 april 2024 aan de artikelen 6.8, negende lid, en 6.9,tiende lid, Wht met betrekking tot een tegemoetkoming op grond vanafdeling 2.2A Wht omdat die artikelen abusievelijk niet op die datum inwerking zijn getreden tegelijk met de inwerkingtreding van afdeling 2.2AWht. Omdat artikel 6.8, negende lid, Wht en artikel 6.9, tiende lid, Wht nietalleen zien op de regeling voor nabestaanden van overleden kinderenmaar ook op de regeling voor nabestaanden van overleden aanvragersvan kinderopvangtoeslag die op een later moment in werking treedt,wordt in dit wetsvoorstel voorts voorgesteld de verwijzing naar denabestaandenregeling van overleden aanvragers van kinderopvang-toeslag (artikelen 2.9a en 2.9b Wht) eerst te laten vervallen en op een latermoment51 weer toe te voegen. Dit wordt voorgesteld in artikel I, onder-delen V en W, onder 2, en artikel II, onderdeel A, onder 5, van hetonderhavige wetsvoorstel.Artikel IIArtikel II, onderdeel A (artikel I van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om in artikel I, onderdeel S, onder 6, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen telkens «in de» te latenvervallen. Die woorden zijn ten onrechte opgenomen in die wijzigingsbe-paling, waardoor deze niet kan worden verwerkt bij inwerkingtreding.Voorgesteld wordt om die omissie te herstellen. Deze bepaling dient danook in werking te treden voorafgaand aan inwerkingtreding van artikel I,onderdeel 6, van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatietoeslagen. Dit zal in het inwerkingtredingsbesluit worden geregeld.49Die regeling ziet op tegemoetkoming voor de partner van een overleden kind (artikel 2.14cWht), tegemoetkoming voor het kind van een overleden kind (artikel 2.14d Wht) en tegemoet-koming voor de ouder van een overleden kind (artikel 2.14e Wht).50Stb. 2024, 99.51Het is de bedoeling dat die wijziging in werking treedt bij koninklijk besluit gelijktijdig met deinwerkingtreding van de artikelen 2.9a en 2.9b Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 354 Voorgesteld wordt om de in artikel I, onderdeel EEa, van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen opgenomen artikelen 4a.5 en4a.6 Wht te laten vervallen. Zoals toegelicht in het algemeen deel vandeze memorie wordt voorgesteld dat de uitvoering van de regeling vooraanvullende compensatie voor de werkelijke schade voor nabestaandendoor de Dienst Toeslagen wordt uitgevoerd met advisering door de CWS.De taak wordt dan dus niet neergelegd bij Onze Minister. De in artikel 4a.5Wht opgenomen mandaatverlening aan de Dienst Toeslagen ter zake vanhet geven van beschikkingen inzake aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade voor nabestaanden is hiermee niet langer nodig.Daarnaast wordt voorgesteld dat artikel 4a.6 Wht vervalt. Uit de uitvoe-ringstoets van de Dienst Toeslagen komt naar voren dat het niet mogelijkis om beschikkingen samen te voegen. Voor een toelichting daarop wordtverwezen naar hoofdstuk 4 van het algemeen deel van deze memorie.Ook wordt voorgesteld artikel I, onderdeel NN, van de Wet aanvullenderegelingen hersteloperatie toeslagen te laten vervallen. Voor eentoelichting hierop wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting vandeze memorie bij artikel I, onderdeel S.Daarnaast wordt voorgesteld artikel I, onderdeel NNa, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie te laten vervallen. Na inwerking-treding zou hiermee artikel 6.2a Wht worden toegevoegd aan de Wht. Datartikel ziet op de beslistermijn in het geval van besluitvorming gedurendeeen persoonlijk gesprek in het kader van de nabestaandenregeling in dehersteloperatie toeslagen (hoofdstuk 4a Wht). Dit artikel is nietuitvoerbaar. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar hoofdstuk 4van het algemeen deel van deze memorie.Tevens wordt voorgesteld in het in artikel I, onderdeel SSa, onder 3, vande Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen opgenomenartikel 6.8, negende lid, Wht en in het in artikel I, onderdeel TTa, van deWet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen opgenomenartikel 6.9, tiende lid, Wht te laten vervallen «een voorziening als bedoeldin artikel 2.9a of 2.9b of van». Reden hiervoor is dat de regeling voornabestaanden van overleden kinderen (afdeling 2.2a Wht) per 22 april2024 in werking is getreden, terwijl dit nog niet geldt voor de regelingvoor nabestaanden van overleden aanvragers (artikelen 2.9a en 2.9b Wht)Zie voor een toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,onderdelen V en W, onder 2, en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,onderdeel FF, onder 2.Tot slot wordt voorgesteld artikel I, onderdeel WW, van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen te laten vervallen. Met deinwerkingtreding van dat onderdeel wordt een lid toegevoegd aanartikel 6.10 Wht. Artikel 6.10 Wht heeft betrekking op de terugvorderingvan verstrekkingen op grond van de Wht die ten onrechte zijn toegekend,indien opzettelijk onjuiste informatie is verstrekt of wanneer men wist ofredelijkerwijze behoorde te weten dat er geen recht bestond op dietoekenning. Het aan artikel 6.10 Wht toe te voegen lid heeft betrekking opde aanvullende compensatie voor de ex-partner van een gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag, bedoeld in artikel 2.14h, derde lid,Wht, na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen. In artikel I, onderdeel X,wordt voorgesteld dit te regelen in artikel 6.10, eerste lid, Wht. Zie vooreen nadere onderbouwing de artikelsgewijze toelichting bij artikel I,onderdeel X.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 355 Artikel II, onderdeel B (artikel Ia van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen)Voorgesteld wordt om artikel Ia van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen aan te passen. In artikel Ia van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen is geregeld dat binnen één jaarna inwerkingtreding van die wet een verslag over de doeltreffendheid ende effecten van die wet in de praktijk plaatsvindt. Het doel van dezebepaling is om de regeling voor persoonlijke bijstand voor nabestaandente evalueren. Deze regeling voor persoonlijke bijstand wordt geregeld inhoofdstuk 4a Wht en is nog niet in werking getreden. Er wordt daaromvoorgesteld om te regelen dat een evaluatie plaatsvindt binnen een jaarna inwerkingtreding van de regeling voor persoonlijke bijstand. Dat wilzeggen binnen een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel EEa,van de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen, waarmeehet genoemde hoofdstuk 4a Wht in werking treedt. In het amendementLeijten wordt aangegeven dat de evaluatie van belang is in verband metde mogelijk bredere groep waarvoor de regeling voor persoonlijkebijstand ingezet kan worden. Daarom wordt voorgesteld dat in artikel Ia,eerste lid, van de Wet aanvullende maatregelen hersteloperatie toeslagende evaluatie van «deze wet»52 wordt vervangen door een evaluatie vanhoofdstuk 4a Wht. Dat hoofdstuk heeft betrekking op de regeling voorpersoonlijke bijstand van nabestaanden van overleden gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag. Deze evaluatie zou gekoppeldkunnen worden aan de evaluatie van de Wht die is aangekondigd inparagraaf 15 van het algemeen deel van de memorie bij de Wht. Ookwordt voorgesteld een foutieve verwijzing in artikel Ia, tweede lid, van deWet aanvullende maatregelen hersteloperatie toeslagen naar«hoofdstuk 4a van deze wet» te vervangen door een verwijzing naar«hoofdstuk 4a van de Wet hersteloperatie toeslagen». Deze wet zou hierimmers de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagenbetekenen en dat is hier onjuist.Artikel IIIHet voorgestelde artikel III regelt de inwerkingtreding van het onderhavigewetsvoorstel nadat het wetsvoorstel is aangenomen en tot wet isverheven. Voorgesteld wordt dat de artikelen in werking treden op een bijkoninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen enonderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Hiermee wordtafgeweken van de vaste verandermomenten en de minimale invoerings-termijn van twee maanden. Gezien de aard van de aanpassingen wordtbeoogd om een groot deel van de artikelen spoedig nadat hetwetsvoorstel tot wet is verheven en is gepubliceerd in het Staatsblad inwerking te laten treden. Voorts wordt in artikel III voorgesteld om aan eenaantal aanpassingen terugwerkende kracht te verlenen. Dit betreft teneerste de in artikel I, onderdeel E, voorgestelde wijziging van artikel 2.15Wht, dat ziet op brede ondersteuning in het buitenland voor gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag. Voorgesteld wordt om aan dewijziging van de in dat artikel opgenomen peildatum terugwerkendekracht te verlenen tot en met 24 juni 2022. Aan artikel 2.15 Wht is namelijkterugwerkende kracht verleend tot en met die datum op grond vanartikel 9.2, eerste lid, onderdeel l, Wht. Ook voor artikel I, onderdeel F,geldt dat er sprake is van een voorgestelde wijziging van de peildatum inhet kader van brede ondersteuning in het buitenland. De in het genoemdeonderdeel voorgestelde wijziging van artikel 2.15a Wht heeft betrekkingop brede ondersteuning in het buitenland voor ex-partners. Aangezien datartikel in werking is getreden op 15 juli 2023 wordt voorgesteld aan52In dit geval is «deze wet» de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 356 artikel I, onderdeel F, terugwerkende kracht te verlenen tot en met diedatum. Voorts wordt voorgesteld aan de in artikel I, onderdeel P, van hetonderhavige wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van artikel 6.1 Wht,terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2024. Het onder-havige wetsvoorstel is niet voor die datum tot wet verheven en in werkinggetreden, waardoor het wenselijk is aan de beoogde verlenging van deaanvraagtermijn (die op dit moment loopt tot en met 31 december 2023)terugwerkende kracht te verlenen tot en met 1 januari 2024. Ook wordtvoorgesteld terugwerkende kracht te verlenen aan de wijziging op grondvan het voorgestelde artikel I, onderdeel DD, van het onderhavigewetsvoorstel. Dit ziet erop artikel 8.8 Wht, dat betrekking heeft opovergangsrecht met betrekking tot het laten vervallen van de bepalingeninzake het kwijtschelden van schulden in het SZW-domein in het kadervan de hersteloperatie toeslagen. Dit artikel is ten onrechte in werkinggetreden per 1 januari 2024 en daarom wordt voorgesteld dit artikel telaten vervallen met terugwerkende kracht tot en met die datum. Voor eennadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bijartikel I, onderdeel DD, en naar het algemeen deel van deze memorie.De Staatssecretaris van Financiën,A. de VriesTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 357

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · cb6ebecb0f8945b1

14 okt 2026 · 9b2248219e3674a5

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.