KamerkringInloggen
Kamerbrief

WODC-rapporten selectiviteit in de strafrechtketen

16 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e89d63c99863feac · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 279Rechtsstaat en RechtsordeNr. 1041 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIEEN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 juni 2026Hierbij ontvangt uw Kamer de rapporten «Vinkjes in het strafrecht? Eenkwantitatieve analyse van sociaaleconomische positie en verschillen inafdoeningsuitkomsten» en «Scherp op selectiviteit. Mechanismen enhandelingsperspectieven bij etnische en sociaaleconomische selectiviteitin het strafrechtsysteem» van het Wetenschappelijk Onderzoek- enDatacentrum (WODC). Ook bieden wij het rapport «Verdachte gronden?Een juridisch onderzoek naar selectiviteit op grond van sociaalecono-mische positie en herkomst in de strafrechtspleging» aan, dat in opdrachtvan het WODC opgesteld is door de Universiteit Leiden. Deze onder-zoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van het rapport «Van verdenkingtot vrijheidsstraf. Een statistisch onderzoek naar de invloed van migratie-achtergrond op uitkomsten in de strafrechtketen».1 Omdat er op datmoment nog weinig zicht was op de onderliggende mechanismen die deongelijke uitkomsten kunnen verklaren, is aanvullend kwalitatiefonderzoek verricht. Onderhavige rapporten betreffen een vervolg op datkwantitatieve onderzoek.Aanleiding voor de onderzoekenDe onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van twee moties van deTweede Kamer, waarin werd verzocht om nader onderzoek te doen naarmogelijke discriminatie en het bestaan van klassenjustitie in het Neder-landse strafrecht. De eerste motie betreft een motie van het lid Van derStaaij en had betrekking op de oververtegenwoordiging van mensen meteen niet-westerse migratieachtergrond in cijfers over criminaliteit.2 Inreactie op deze motie is een synthese van de beschikbare cijfersopgesteld, waaruit onder meer bleek dat de oververtegenwoordigingtoeneemt bij het doorlopen van de verschillende fasen in de strafrecht-1Kamerstukken II, 2024/2025, 29 279, nr. 976.2Kamerstukken II, 2021/2022, 35 570, nr. 31. kst-29279-1041ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10411 keten. Toegezegd werd hier via het WODC nader onderzoek naar te doen.3De tweede motie betreft een motie van het lid Van Nispen en hadbetrekking op mogelijke vormen van «klassenjustitie» in Nederland, eenterm die in de context van dit onderzoek is vertaald als selectiviteit langsde lijnen van sociaaleconomische positie.4 Het WODC heeft zowelkwantitatief als voor beide thema’s overkoepelend kwalitatief onderzoekuitgevoerd. In aanvulling hierop heeft de Universiteit leiden in opdrachtvan het WODC in een juridische analyse de vraag onderzocht wanneer ersprake is van illegitieme selectiviteit in de strafrechtketen op basis vansociaaleconomische positie of etniciteit en nationaliteit.Samenvatting bevindingenUit de kwantitatieve analyses in het onderzoek «Vinkjes in het strafrecht»komt naar voren dat verdachten met een zwakke sociaaleconomischepositie niet vaker worden gestraft dan verdachten met een sterkesociaaleconomische positie. Verdachten met een sterkere sociaalecono-mische positie krijgen echter wel vaker een straf opgelegd door hetOpenbaar Ministerie in plaats van door de rechter. Deze vroege«sortering» in de strafrechtketen resulteert mogelijk in een groteremaatschappelijke zichtbaarheid van straffen voor verdachten met eenzwakkere sociaaleconomische positie. Alleen zaken die bij de rechtervoorkomen zijn immers openbaar. Deze sortering in de afdoeningsfasekan er daarnaast aan bijdragen dat de opgelegde straffen gemiddeldlichter zijn, aangezien alleen de rechter een gevangenisstraf kan opleggen.Gemiddeld genomen zijn de afdoeningsuitkomsten gunstiger voorverdachten met een sterkere sociaaleconomische positie dan voorverdachten met een zwakkere positie. Daarbij spelen verschillendeaspecten van sociaaleconomische positie een rol, zoals werk, eenopleiding, opleidingsniveau en financieel vermogen (inkomen enwoningbezit). Migratieachtergrond speelt bij volwassen verdachten eenkleinere rol dan sociaaleconomische kenmerken. Wel hebben verdachtenmet een tweede generatiemigratieachtergrond gemiddeld een hogerekans op berechting door de rechter en op zwaardere straffen, ookwanneer rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische positie.Voorts krijgen verdachten zonder bekend woonadres relatief vaak eenstraf opgelegd door de rechter, met name een gevangenisstraf. Hoewel deopgelegde straffen dan gemiddeld vrij kort zijn, wijzen de bevindingenerop dat ook een instabiele woonsituatie samenhangt met zwaarderestrafrechtelijke uitkomsten.In het kwalitatieve onderzoek «Scherp op selectiviteit» dat is uitgevoerdnaar de geconstateerde verschillen, worden hiervoor meerdere mogelijkeverklaringen gegeven. Zo wordt gewezen op de mogelijkheid dat dewerkdruk in de strafrechtketen ertoe kan leiden dat bepaalde vooroor-delen al dan niet bewust worden meegenomen in de uiteindelijkebeslissing. Een bijvoorbeeld daarvan is de relatie die men ziet tussenrecidive en sociaaleconomische positie. Ook als die relatie zich voor degroep als geheel aftekent, hoeft dit nog niet in een individuele casus hetgeval te zijn. Ten tweede kunnen culturele verschillen van invloed zijn.Denk aan de proceshouding en wijze van communiceren door deverdachte. Verdachten met een Nederlandse herkomst of betere sociaal-economische positie kunnen zich vaak beter uiten en voegen naar deverwachtingen van de instanties. En ten derde kan de intentie om deschade van de justitiële inzet te beperken onbedoeld leiden tot ongelijkebehandeling. Ongelijkheid ontstaat dan niet omdat men verdachten met3Kamerstukken II, 2020/2021, 35 570 VI, nr. 107.4Kamerstukken II, 2018/2019, 35 000 VI, nr. 53.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10412 een ongunstiger uitgangspositie wil benadelen, maar omdat menverdachten die een betere positie hebben qua werk, onderdak ofopleiding, wil behoeden voor verlies van de status quo.Eerste reactie en vervolgGelijke behandeling is een van de basisprincipes van onze rechtsstaat. Ditgeldt zeker in het strafrecht. Daarom moet elke vorm van ongerechtvaar-digde ongelijke behandeling worden tegengegaan. Hoewel uit debevindingen van de WODC-onderzoeken geen aanknopingspunten naarvoren komen die zouden duiden op het bewust discrimineren vangroepen verdachten op grond van sociaaleconomische positie ofetniciteit, nemen wij de geconstateerde verschillen serieus.Uw Kamer is bij brief van 18 april 2025 naar aanleiding van de uitkomstenvan het onder van Investico en NOSop3 geïnformeerd over welkemaatregelen het OM en de Rechtspraak hebben genomen om ongerecht-vaardigde ongelijke behandeling tegen te gaan.5 Zo besteedt het OM nietalleen aandacht aan bewustwording over gelijke behandeling door middelvan cursussen en opleidingen voor de officieren van justitie, maarhanteert het ook een landelijk uniform strafvorderingsbeleid, strafmaato-verleg in zware en gevoelige zaken en de Landelijke reflectiekamer voorbespreking van regio-overschrijdende zaken, landelijk gevoelige zaken encomplexe juridisch-inhoudelijke vraagstukken.Binnen de Rechtspraak zijn ook maatregelen genomen om de kans opongerechtvaardigde ongelijke behandeling zoveel mogelijk te verkleinen.Naar aanleiding van het genoemde onderzoek van Investico en NOSop3 iser binnen de Rechtspraak een actieplan opgesteld. Grotere bewust-wording is in dat plan een belangrijke pijler, maar dit actieplan bevat ookhet stimuleren van gesprekken tussen rechters onderling over mogelijkepatronen in de straftoemetingspraktijk die duiden op bevooroordeeldebesluitvorming en een voorstel om binnen de gerechten met allemedewerkers door middel van workshops te reflecteren op vooroordelen.Ook omvat het plan een voorstel om het scholingsaanbod voor rechtersop het onderwerp rechterlijke oordeelsvorming door te lichten, aan tepassen en uit te breiden. Ten slotte is er een breed besef dat aanzienlijkmeer werk moet worden gemaakt van het werkelijk vergroten van dediversiteit binnen de Rechtspraak. In het actieplan is daarom opgenomendat bekeken zal worden welke mogelijkheden er zijn om acties op ditonderwerp te versnellen en te prioriteren.In de genoemde brief van 18 april 2025 is aangegeven dat het WODCbezig was met twee onderzoeken, waarvan wij de rapporten vandaag aanuw Kamer aanbieden. Wij gaan de rapporten grondig bestuderen enzullen de bevindingen de komende tijd met de betrokken ketenorgani-saties bespreken. Ook zullen wij met de ketenorganisaties bespreken of enwelke eventuele aanvullende maatregelen naar aanleiding van debevindingen van de WODC-onderzoeken noodzakelijk zijn.Daarnaast heeft het WODC het voornemen om in de tweede helft van ditjaar een congres te organiseren over de uitkomsten en de aanbevelingenuit de onderzoeken. Daarvoor zullen ook de betrokken ketenorganisatiesworden uitgenodigd.Wij streven ernaar voor het einde van het lopende jaar inhoudelijk op debevindingen en conclusies van de rapporten te reageren, waarbij we uwKamer ook zullen informeren over de uitkomsten van onze gesprekken5Kamerstukken II, 2024/2025, 30 950, nr. 452.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10413 met de betrokken ketenorganisaties. Tevens zullen wij ingaan opeventuele maatregelen die wij naar aanleiding van de bevindingen van deWODC-onderzoeken treffen.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van WeelDe Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,K.T. van BruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 10414

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1704e7f2ab5a594f

14 okt 2026 · ae7320887028bd59

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.