KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beleidsreactie op het WODC-rapport 'De belangenbehartiger bij letselschade'

3 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4d98c6de8c56c73d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 552Slachtofferbeleid29 279Rechtsstaat en RechtsordeNr. 156 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juli 2026Op 3 september 2024 heeft de toenmalige Staatssecretaris Rechtsbe-scherming het WODC-rapport «De belangenbehartiger bij letselschade»(hierna: het WODC-rapport) aan uw Kamer aangeboden.1 In deze briefreageer ik op dit rapport en op de door uw Kamer aangenomen motiesvan het lid Vondeling van de PVV (12 juni 2024)2 en het lid Mutluer vanGroenLinks-PvdA (28 mei 2025),3 waarin wordt opgeroepen tot beroepsre-gulering van belangenbehartigers bij letselschade. Naast de problematiekrond belangenbehartiging bij letselschadezaken, ga ik in deze brief ook inop enkele aspecten van langlopende letselschadezaken en reageer ik indat kader op de motie van de leden Van Nispen van de SP en Koops vanNSC (4 september 2025),4 die verzoekt om nader onderzoek te doen naarde oorzaken van langlopende letselschadezaken.Ik wil vooropstellen dat ik het belangrijk vind dat slachtoffers vanletselschade de hulp en bijstand krijgen die zij nodig hebben en daarbijeen belangenbehartiger kunnen kiezen die aansluit bij hun eigen wensenen voorkeuren. Na een korte schets van de markt van belangenbehartigersbij letselschade, ga ik in op de belangrijkste conclusies uit hetWODC-rapport en geef ik mijn reactie op de aanbevelingen die daarinworden gedaan. Daarna ga ik meer specifiek in op de positie vanslachtoffers en de wijze waarop bestaande (wettelijke) mogelijkhedenbeter benut kunnen worden.De problemen die zich in de letselschadebranche voordoen, neem ikserieus. Het WODC-rapport geeft belangrijke inzichten in deze branche enhelpt bij het formuleren van oplossingsrichtingen om het proces voorslachtoffers zo goed mogelijk te laten verlopen. Zo geven de onderzoekers1Kamerstukken II 2024/2025, 33 552, nr. 118.2Kamerstukken II 2023/2024, 29 279, nr. 860.3Kamerstukken II 2024/2025, 36 600 VI, nr. 149.4Kamerstukken II 2024/2025, 33 552, nr. 142. kst-33552-156ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1561 aan dat het belangrijk is om de behoeften van het slachtoffer centraal testellen en dat betrouwbare en toegankelijke informatie over het letsel-schadeproces van groot belang is. Ook gaat het rapport in op de speci-fieke rol die verzekeraars hebben in het letselschadeproces en waarmogelijk ruimte ligt om ondermaatse belangenbehartiging aan de orde testellen. Tegelijkertijd is het rapport ook transparant over de leemten diebestaan in het onderzoek naar wanpraktijken in de letselschadebranche;zo zijn er geen harde conclusies te trekken over de mate waarin bepaaldepraktijken zich voordoen en in hoeverre die zich vaker bij ongebondenbelangenbehartigers voordoen. De onderzoekers geven aan dat hetonderzoek geen inzicht heeft opgeleverd in de schaal van de waarge-nomen praktijken en evenmin in de vraag wat als wantoestand kanworden beschouwd. Het feit dat er geen harde conclusies wordengetrokken over bepaalde praktijken in de letselschadebranche en de rolvan belangenbehartigers daarin, maakt voor mij duidelijk dat hetbelangrijk is om in te blijven zetten op maatwerk waarin de positie van hetslachtoffer centraal moet staan.BeroepsreguleringIn deze brief zet ik uiteen waarom ik, in overstemming met de bevin-dingen van de onderzoekers, niet overga tot beroepsregulering. Ik wil dekomende periode in plaats daarvan inzetten op het verder versterken vande informatiepositie van het slachtoffer en het verder versterken vanreeds bestaande zelfregulering. Dat biedt in mijn optiek een sterkereuitgangspositie voor de toekomst en kwaliteit van belangenbehartiging bijletselschade dan beroepsregulering.Uit het WODC-rapport blijkt niet dat regulering per definitie de oplossingis voor de problemen die zich voordoen bij ongereguleerde belangenbe-hartigers. Nut en noodzaak van regulering staan volgens de onderzoekersniet vast. Ook blijkt uit het rapport niet dat regulering per definitie eenverbetering van kwaliteit van belangenbehartigers met zich meebrengt.Bovendien brengt regulering kosten voor de maatschappij met zich meeen kan het in de weg staan aan innovatie. Het verminderen van regeldrukis bovendien een belangrijk speerpunt van mijn kabinet, hetgeen pleitvoor een zeer zorgvuldige blik op de voorziene (neven)effecten alsook denoodzaak van extra regelgeving op het gebied van belangenbehartigersbij letselschade.5 Daarbij komt dat regulering van het beroep vanbelangenbehartiger in bepaalde gevallen juist in de weg kan staan aan debehoeften van slachtoffers. Het staat slachtoffers nu vrij om een belangen-behartiger te kiezen die zij vertrouwen en die past bij hun persoonlijkevoorkeuren en omstandigheden.6 Het invoeren van wettelijke eisen om alsbelangenbehartiger te mogen optreden, zou dan ook drempels opwerpenvoor een deel van de slachtoffers om een belangenbehartiger te kiezen diepast bij hun specifieke behoeften.5Zie o.a. p. 30 van het Regeerakkoord 2026–2030 «Aan de slag – bouwen aan een beterNederland».6Dit wordt in het WODC-rapport expliciet benoemd, zie onder meer p. 121: «De gesprekken diewij voerden, geven ons reden om te veronderstellen dat onder benadeelden een voorkeurbestaat voor nabije en benaderbare belangenbehartigers, bijvoorbeeld op grond van geogra-fische nabijheid, sociale klasse of etniciteit. Het zou nader moeten worden onderzocht, maar wedenken dat onder sommige bevolkingsgroepen een zekere sociale identificatie met debelangenbehartiger gewoon tot de preferenties behoort van de benadeelde. Dat zou kunnenbetekenen dat benadeelden uit die bevolkingsgroep eerder kiezen voor een nabije enbenaderbare belangenbehartiger (in-group), ook als dat betekent dat deze juridisch gezienminder geschoold of ervaren is dan – onaardig gezegd – een dure advocaat in een dure wijk(outgroup)».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1562 In deze brief ga ik daarnaast in op de vele positieve ontwikkelingen die debranche de afgelopen periode heeft gezet in het verder uitwerken vanbestaande zelfregulering, zie daartoe onder meer p. 11 van deze brief. Zowijs ik op de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL), eengedragscode die zich richt tot de professionals die beroepsmatigbetrokken zijn bij de behandeling van letselschadezaken. De GBL wordtmomenteel opnieuw tegen het licht gehouden door De LetselschadeRaad. Dit toont dat de branche dit document actief en actueel houdt. Ookde ontwikkelingen rondom langlopende letselschadezaken en de meervaste plek die de Kamer Langlopende Letselschadezaken daarin heeftgekregen, is een positieve ontwikkeling. In deze brief ga ik daarnaast in opde uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024. Dezeuitspraak kan verdere positieve impulsen geven aan verdere zelfregu-lering van de branche.Om de redenen zoals hiervoor genoemd, en die ik in deze brief verdertoelicht, ga ik niet over tot het invoeren van beroepseisen voor belangen-behartigers, en geef ik geen uitvoering aan de moties van de ledenVondeling en Mutluer.InzetMijn inzet vanuit mijn rol als stelselverantwoordelijke is de komendeperiode gericht op het stimuleren van de reeds bestaande zelfreguleringin de branche, waarin de afgelopen periode belangrijke stappen zijn gezet.Ook betrek ik in de gesprekken die ik met de verschillende partijen in dezebranche voer, expliciet wat er gedaan kan worden om de positie van hetslachtoffer in het letselschadeproces te versterken. De informatie overbelangenbehartigers die op de website van de Rijksoverheid is toege-voegd, is daarin een eerste stap. In samenwerking met de andere partijenin het veld verken ik waar in dit kader verdere stappen kunnen wordengezet. Mijn ministerie onderzoekt in dat kader hoe de bestaande wet- enregelgeving om ondermaatse belangenbehartiging aan de kaak te kunnenstellen, toegankelijker en beter toepasbaar kan worden voor slachtoffersen andere stakeholders in het veld. Het WODC-rapport benoemt in ditkader dat belangenbehartiging plaatsvindt binnen onder meer dealgemene regels van het Burgerlijk Wetboek inzake de overeenkomst vanopdracht en regels ter voorkoming van oneerlijke handelspraktijken.Vanuit mijn visie op de toegang tot het recht bezie ik hoe rechtzoekenden,waaronder letselschadeslachtoffers, hun rechten effectief kunnenuitoefenen. Daarom verken ik de komende periode, samen met departners in het veld, op welke manier bestaande wet- en regelgevingslachtoffers kan helpen, bijvoorbeeld wanneer zij te maken hebben meteen belangenbehartiger die ondermaats werk levert. Ik wil daarbij inzettenop laagdrempelige en toegankelijke informatievoorziening.1. Belangenbehartiging bij letselschadeSlachtoffers met letselschade, bijvoorbeeld als gevolg van een verkeers-of bedrijfsongeval, bevinden zich vaak in een zware en moeilijke situatie.Zij hebben te maken met de psychische en lichamelijke gevolgen van hetongeval die een grote impact kunnen hebben op hun leven. Het isbelangrijk dat slachtoffers worden gezien in de verschillende behoeftendie zij kunnen hebben, zoals het krijgen van erkenning voor wat hen isoverkomen, het bieden van inzicht in wat er mis is gegaan, en hetvoorkomen van nieuwe slachtoffers. In veel gevallen heeft letselschadeook gevolgen voor iemands financiële situatie omdat bijvoorbeeld hetvoortzetten van werk na een ongeval niet altijd in dezelfde mate mogelijkzal zijn, of grote aanpassingen met zich brengt. Het civiele aansprakelijk-heidsrecht biedt slachtoffers mogelijkheden om hun schade vergoed teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1563 krijgen. In de meeste gevallen worden deze zaken afgehandeld metaansprakelijkheidsverzekeraars, zonder dat de zaak voor de rechter komt.Dit kunnen soms langdurige en complexe trajecten zijn.Slachtoffers kunnen ervoor kiezen om zich in het traject met de verze-keraar te laten bijstaan door een belangenbehartiger. Het beroep vanbelangenbehartiger is een vrij beroep. Het staat een benadeelde dan ookvrij om een belangenbehartiger te kiezen die hij of zij passend vindt. Ditkan een gespecialiseerde advocaat zijn die is onderworpen aan beroeps-en toegangseisen, tuchtrecht en inhoudelijke eisen van diens specialisatie-vereniging, maar ook een ongebonden en ongereguleerde belangenbe-hartiger. Tussen deze twee uitersten zijn verschillende soorten belangen-behartigers actief. Het is bekend dat sommige belangenbehartigersondermaatse kwaliteit leveren. Er zijn belangenbehartigers actief diecliënten benaderen met misleidende reclame, een onjuiste voorstellingvan het mogelijke resultaat geven, en in het algemeen ondermaatsekwaliteit leveren. Uw Kamer vroeg al eerder aandacht voor dezeproblematiek.2. WODC-rapport2.1 Aanleiding, doelstelling en opzet WODC-onderzoekAanleiding voor het WODC-onderzoek waren onder meer berichten in demedia over kwalijke praktijken door belangenbehartigers in de letselscha-debranche en de motie van het lid Ellian van de VVD (8 juni 2022)7, waarinde regering is verzocht onderzoek te doen naar deze vermeende praktijkenin de ongereguleerde praktijk van letselschadebehandelaars. De onder-zoekers constateren dat de vraag naar de kwaliteit van belangenbehar-tigers verder reikt dan alleen de ongebonden belangenbehartigers. Zijhebben daarom gekozen voor een bredere onderzoeksopzet waarin ookde gebonden belangenbehartigers zijn betrokken.Het doel van het onderzoek is inzicht te verkrijgen in de markt voordienstverlening door belangenbehartigers bij letselschade, de kwaliteitvan deze belangenbehartiging en mogelijke verbeteringen. HetWODC-rapport is een breed en verkennend onderzoek naar de kwaliteitvan de dienstverlening van belangenbehartigers in de letselschade-branche. Het geeft waardevolle inzichten in de problematiek en biedt derijksoverheid en partners in de branche handvatten om de kwaliteit vanhet proces van belangenbehartiging bij letselschade de komende periodete verbeteren.Het rapport gaat ook in op de vraag wat moet worden verstaan onderkwaliteit van belangenbehartiging. De conclusie is dat er geen goudenstandaard bestaat waaraan de kwaliteit van belangenbehartiging kanworden afgemeten. Deze vraag is daarom benaderd vanuit een drietalperspectieven; het overheidsperspectief, het belanghebbendenperspectiefen het rechtseconomische perspectief. Dit levert inzichten op over deverschillende verwachtingen en doelstellingen.8 In het licht van dieperspectieven wordt vervolgens een aantal factoren en praktijkengeïnventariseerd die bevorderend of juist belemmerend voor de kwaliteitkunnen zijn. Dit mondt uit in een aantal denkrichtingen en aanbevelingenom de kwaliteit van belangenbehartiging in letselschadezaken teverbeteren. Die aanbevelingen richten zich onder meer tot de rijks-overheid, verzekeraars, belangenbehartigers en De Letselschade Raad.Het rapport maakt daarbij een onderscheid tussen aanbevelingen diezonder meer ter harte kunnen worden genomen en suggesties voor nader7Kamerstukken II 2021/2022, 33 552, nr. 98.8WODC rapport, p. 96.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1564 onderzoek. Het rapport noemt een groot aantal aanbevelingen ensuggesties aan verschillende partijen. In deze brief ga ik in op deaanbevelingen aan de rijksoverheid. Zoals benoemd verwacht ik dat hetrapport ook voor de praktijk waardevolle handvatten biedt.2.2 Belangrijkste conclusies WODC-rapport en reactie daaropAlgemene conclusies WODC-rapportHet rapport geeft inzicht in de markt van belangenbehartigers en besteedtruime aandacht aan de nauwe samenhang tussen kostenverhaal en deverschillende beloningsstructuren die een belangenbehartiger kanhanteren. Onder «kostenverhaal» verstaan de onderzoekers demogelijkheid van het slachtoffer om de buitengerechtelijke kosten diegemoeid zijn met het vaststellen van aansprakelijkheid en schade(om-vang), waaronder het honorarium van de belangenbehartiger, op grondvan artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) te verhalen op de aansprake-lijke partij. De onderzoekers constateren dat een groot deel van debeloning van de belangenbehartiger via de regels van kostenverhaal bijde verzekeraar van de aansprakelijke partij wordt neergelegd. Deonderzoekers zien dat daardoor sprake is van een dynamiek tussenbenadeelde, belangenbehartiger en aansprakelijkheidsverzekeraar, diespecifiek is voor de letselschadebranche.9Volgens de onderzoekers worden door betrokkenen in de branche zorgengeuit over uiteenlopende problematische praktijken samenhangend metde belangenbehartiging bij letselschade. Het gaat bijvoorbeeld ommisleidende reclame, het gebruik van lokmiddelen en andere oneerlijkewervingspraktijken, het leveren van ondermaatse kwaliteit, alsook hetopkloppen van geleden schade en praktijken die neigen naar fraude enverduistering.10 Ook besteden de onderzoekers aandacht aan de praktijkvan dubbel declareren en het betalen voor dossiers terwijl de benadeeldedaar geen weet van heeft. De onderzoekers concluderen dát dezepraktijken zich voordoen, maar ook dat onvoldoende informatiebeschikbaar is over de mate waarin deze praktijken zich voordoen. Ookzijn de juridische verschillen en de mate van strafbaarheid tussen degenoemde praktijken volgens de onderzoekers groot. Sommige praktijkenzijn niet algeheel verboden, maar slechts voor sommige belangenbehar-tigers (bijvoorbeeld advocaten). Deze verschillen kunnen in zekere zin duseen «ongelijk speelveld» creëren bij belangenbehartigers.Reactie algemene conclusies WODC-rapportHet rapport geeft een overzicht van de markt voor belangenbehartigers ende zorgen die er zijn over de kwaliteit van belangenbehartiging. Zoals deonderzoekers zelf aangeven, zijn de cijfers die zij hebben verzameld vooralindicatief en in veel opzichten incompleet. Hierdoor levert het rapportgeen scherp beeld op van de schaal van zorgelijke praktijken. Deconclusies en aanbevelingen in het rapport moeten dan ook tegen dezeachtergrond worden bezien. Mijn overtuiging is dat het boeken vanvooruitgang voor slachtoffers een gezamenlijke verantwoordelijkheid isvan alle partijen in de branche, waarbij de rijksoverheid stelselverantwoor-delijk is en de kaders stelt waarbinnen zelfregulering zich kan ontwikkelen.9WODC rapport, p. 72.10WODC rapport, hoofdstuk 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1565 De positie van verzekeraarsHet rapport besteedt allereerst aandacht aan de rol van aansprakelijk-heidsverzekeraars en hoe zij verbeteringen kunnen aanbrengen in hetproces van belangenbehartiging. In het rapport wordt de rol van dieverzekeraar geschetst als enerzijds «facilitator» en anderzijds als «poort-wachter» in relatie tot het kostenverhaal van belangenbehartiging.11 In hetrapport wordt omschreven dat een verzekeraar via de toepassing vanartikel 6:96 lid 2 BW beide rollen heeft. Volgens het rapport is de verze-keraar facilitator aangezien de verzekeraar het mogelijk maakt om definanciële vergoeding voor belangenbehartiging te krijgen die slachtoffersnodig hebben. De rol van de aansprakelijkheidsverzekeraar als poort-wachter is gelegen in de toepassing en precisering van de regels van ditkostenverhaal, wat hen de mogelijkheid kan geven een aantal van deschadelijke praktijken aan te pakken door het stellen van grenzen aan hetkostenverhaal.12 Ook bevelen de onderzoekers aan om te blijven inzettenop detectie van verzekeringsfraude.Reactie op de rol van verzekeraarsMijn beeld is dat verzekeraars in de regel zullen streven naar snelle enrechtvaardige afdoening van letselschadezaken, waarin zoveel alsmogelijk samenwerking wordt gezocht met alle partijen, ook metbelangenbehartigers. De onderzoekers schetsen hierbij het belang van depositie van de verzekeraar. Ik merk hierbij wel op dat verzekeraars geeninzicht hebben in de afspraken die een slachtoffer heeft gemaakt met eenbelangenbehartiger. Ook hebben zij doorgaans geen directe contactenmet het slachtoffer. Dat zijn omstandigheden die van belang zijn in hunhandelingsruimte als facilitator en poortwachter. Ook kan het in indivi-duele gevallen lastig zijn om concreet bewijs te leveren van het onder-maats functioneren van een belangenbehartiger. Met inachtneming vandie omstandigheden heb ik de betreffende aanbevelingen aan verzeke-raars onder de aandacht gebracht bij het Verbond van Verzekeraars.Ik juich daarbij toe dat verzekeraars waar mogelijk hun rol in relatie totondermaatse belangenbehartiging vervullen. Zij kunnen dit onder meerdoen door het verbreken van de contacten met bepaalde belangenbehar-tigers en door malafide belangenbehartigers in een frauderegister op tenemen. Ik volg dan ook met belangstelling de ontwikkelingen in derechtspraak op dit punt.Een uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024, dus naafronding van het WODC-rapport, bevat in dit verband bruikbareaanwijzingen voor de ruimte die de verzekeraar heeft om de door deonderzoekers gewenste rol van poortwachter te vervullen. Het hof geeft indie uitspraak een nadere duiding van de ruimte die de verzekeraar heeft inhet identificeren van ondermaatse belangenbehartigers en demogelijkheid daarnaar te handelen.13 Het hof wijst erop dat er in dit kadertwee uitgangspunten zijn, die niet zonder meer met elkaar te verenigenzijn. Het eerste uitgangspunt is dat het een slachtoffer vrijstaat om debelangenbehartiger te kiezen die hij wil, zonder dat de verzekeraar aan diebeslissing eisen kan stellen. Daarbij geldt volgens het hof dat als eenbelangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer niet in achtneemt (zie in dat kader de minimale vereisten zoals omschreven in hetWODC-rapport), dat deze in beginsel tekortschiet in de nakoming van zijnverplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met het slachtoffer, met11WODC rapport, p. 125.12Idem.13Hof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1566 alle juridische gevolgen van dien. In dat geval is het volgens het hof devraag of de benadeelde jegens de verzekeraar aanspraak heeft opvergoeding van de door de belangenbehartiger in rekening gebrachtekosten. Het tweede uitgangspunt is dat de verzekeraar het recht heeft omte bepalen met wie zij «zaken wil doen». Maar, zo stelt het hof, er zijnkanttekeningen bij deze vrijheid. De verzekeraar moet ervoor zorgen dat,voor zover dat in haar vermogen ligt, de schaderegeling vlot en inharmonie met de benadeelde verloopt (vgl. de Gedragscode BehandelingLetselschade). Het hof merkt op dat het weigeren van een belangenbehar-tiger door verzekeraars tot een vertraging zal leiden, alsook tot eenverstoring van de verhoudingen. Het hof concludeert dat een verzekeraareen belangenbehartiger mag weigeren indien er gegronde redenen zijnom te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en debenadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen ofonnodige vertraging zal oplopen. Dit kan het geval zijn wanneer debelangenbehartiger er blijk van heeft gegeven niet (voldoende)betrouwbaar te zijn, klaarblijkelijk niet beschikt over de kennis en ervaringdie noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in hetschaderegelingsproces, en/of onredelijk hoge buitengerechtelijke kostenin rekening brengt. De verzekeraar mag hierbij «betekenis toekennen aanhet feit dat een belangenbehartiger ongebonden is».14Bovengenoemd arrest biedt mijns inziens een belangrijke stap in hetverhelderen van de ruimte die verzekeraars hebben richting slechtfunctionerende belangenbehartigers. Ik blijf de komende periode metverzekeraars in gesprek om te bezien hoe hun positie binnen dezebewegingsruimte verder versterkt en ontwikkeld kan worden met het oogop een zorgvuldige afhandeling van het schaderegelingsproces.Conclusie en aanbevelingen WODC-rapport over beroepsregulering enaanpassing artikel 6:96 lid 2 BWDe onderzoekers gaan in het rapport in op verschillende wijzen vanregulering. Bij regulering kan het gaan om regels die eisen stellen aan detoegang tot het beroep van belangenbehartiger, het gedrag van belangen-behartigers en de kwaliteit van de diensten die zij aanbieden. In Nederlandis geen wet- of regelgeving waarin eisen worden gesteld aan toe- ofuittreding van de markt van belangenbehartigers. Het zijn van belangen-behartiger is dus geen beschermd beroep en er gelden geen wettelijkeopleidings- of vergunningseisen.15 Wel valt een aantal belangenbehar-tigers al onder strenge beroepsreguleringseisen, bijvoorbeeld omdat zijadvocaat zijn. Het rapport concludeert dat niet is gebleken dat de schaalvan ondermaatse kwaliteit van belangenbehartigers zodanig is dat hetinvoeren van titelbescherming proportioneel is. Van sommige praktijken isvolgens de onderzoekers aannemelijk dat zij zich in grotere matevoordoen bij ongebonden belangenbehartigers dan bij gebondenbelangenbehartigers, maar daar is geen hard bewijs voor gevonden. Deonderzoekers stellen daarom dat er voor moet worden gewaakt omdergelijke «drastische» ingrepen in het kader van beroepsregulering tedoen. Zij stellen nadrukkelijk niet voor om toe te werken naar een vormvan titelbescherming, vergunningplicht, een verplichting tot certificeringof het tot het stellen van opleidingseisen in wetgeving. Volgens deonderzoekers staan nut en noodzaak daarvan niet vast. Dergelijkeregelgeving brengt kosten voor de maatschappij met zich, kan in de wegstaan aan innovatie en biedt op zichzelf geen verbetering van de kwaliteitvan belangenbehartigers.14Idem.15WODC rapport, bijvoorbeeld op p. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1567 Het rapport bevat ook aanbevelingen die verband houden met deinvulling van artikel 6:96 BW. Dit artikel regelt dat een benadeelde, naastvergoeding van zijn schade, ook recht heeft op vergoeding van de kostendie hij maakt ter verkrijging van vergoeding van die schade buiten rechte.Bij letselschades kunnen (onder omstandigheden) de kosten van deafhandeling van schade, waaronder de kosten van belangenbehartiging,worden verhaald op de aansprakelijkheidsverzekeraar. Op grond vanartikel 6:96 lid 2, sub b en c BW moeten zowel het maken van de kostenals de omvang van de kosten redelijk zijn. Tegen deze achtergrondbevelen de onderzoekers aan om in het artikel een delegatiegrondslag opte nemen, zodat bij lagere regelgeving regels kunnen worden gesteld overdifferentiatie in vergoedingen, bijvoorbeeld naar opleidings- en specialisa-tieniveau van de belangenbehartiger. Ten tweede doen zij de suggestieom te onderzoeken of het mededingingsrechtelijk is toegestaan om devergoeding op grond van artikel 6:96 lid 2 BW te normeren, waarbij hetuurtarief wordt afgestemd op criteria als ervaringsjaren en de mate vanspecialisatie.Reactie op conclusie en aanbevelingen WODC-rapport over beroepsregu-lering en artikel 6:96 lid 2 BWIk deel de opvatting van de onderzoekers dat terughoudend moet wordenomgegaan met het middel van beroepsregulering. Eerder nam uw Kamerover dit onderwerp de eerdergenoemde motie Vondeling (PVV) aan,waarin u de regering verzoekt om van het beroep van letselschadespeci-alist een beschermd beroep te maken. Nu nut en noodzaak volgens deonderzoekers niet vaststaan, acht ik beroepsregulering niet passend enproportioneel. Ik zie bovendien verschillende andere beleidsopties diekunnen bijdragen aan het tegengaan van praktijken waarover zorgenbestaan. Binnen de huidige systematiek is reeds een deel van debelangenbehartigers gebonden aan beroepsregulering (zoals het geval isbij advocaten). Er is bovendien veel zelfregulering, bijvoorbeeld doorbrancheverenigingen die kwaliteitseisen stellen aan hun leden en doorDLR die richtlijnen voor schadevergoeding ontwikkelt. Het NKL en de GBLzijn hierbinnen belangrijke ontwikkelingen. Hulpverleners en anderepartijen in de branche verwijzen letselschadeslachtoffers steeds vakernaar deze «gebonden» belangenbehartigers.16 Deze (zelf)regulering, enverwijzing daarnaar, draagt bij aan de algehele kwaliteit van debelangenbehartiging.De aanbeveling voor het aanvullen van artikel 6:96 lid 2 BW met eendelegatiegrondslag en een deskundigheidseis voor belangenbehartigers isna verschijning van het WODC-rapport omarmd door verschillendepartijen in de letselschadebranche. In dat kader hebben zij een pamfletuitgebracht waarin zij wijzen op de meerwaarde van het toevoegen vaneen deskundigeneis.17 Hiermee kunnen volgens de ondertekenaars vanhet pamflet kwalijke praktijken door ongereguleerde belangenbehartigerseffectief en laagdrempelig worden tegengegaan.Ik ga niet mee in deze aanbeveling en het pleidooi in het pamflet vanbranchepartijen. Hoewel onderzoekers dit als een zelfstandige aanbe-veling presenteren, is het wettelijk normeren van kosten in artikel 6:96lid 2 BW op basis van deskundigheids- en ervaringseisen een vorm vanberoepsregulering. Het stellen van eisen aan deskundigheid en ervaring isimmers niet mogelijk zonder te bepalen voor wie precies deze normeringgaat gelden. De argumenten tegen beroepsregulering zoals hiervoor enook door de onderzoekers zelf geschetst, gelden ook hiervoor. Omdat de16Zie ook paragraaf 3.17DLR-Pamflet-Bescherming-Slachtoffers-def-1.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1568 omvang van het probleem, en daarmee nut en noodzaak van eenoplossing niet vaststaan, is de voorgestane maatregel niet passend enproportioneel. Een wetswijziging is een langdurig proces, waarbij duidelijkmoet zijn wat de omvang van het probleem is, wat de verschillende optieszijn om dit probleem te adresseren, welke neveneffecten de verschillendeoplossingen hebben en welke (financiële) gevolgen er zijn. Het toevoegenvan een deskundigheidsvereiste breidt bovendien de verantwoorde-lijkheid van de overheid uit voor een vorm van beroepsregulering, omdatdit een toezichthoudende rol met zich meebrengt.Zoals ik hiervoor heb omschreven, en tevens in reactie op de eerderge-noemde motie van het lid Mutluer, zal ik niet overgaan tot het verplichtstellen van een keurmerk. Wel acht ik het van belang om de positie van dezelfregulering te versterken en wil ik graag stimuleren dat de bestaandemechanismen zich verder ontwikkelen. Ik kom hier later in deze brief opterug.Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over de positie van hetslachtofferEen belangrijk deel van het rapport gaat in op het centraal stellen van hetslachtoffer.18 Zo bevelen de onderzoekers aan om door te gaan met hetverbeteren van de aansluiting tussen behoeften van slachtoffers en dedienstverlening die belangenbehartigers bieden. Daarnaast wijzen zij eropdat het van groot belang is dat slachtoffers betrouwbare informatie tothun beschikking hebben over het letselschadeproces en de te makenkeuzes, waaronder het inschakelen van een belangenbehartiger en deverschillende varianten die zich in deze beroepsgroep voordoen. Deonderzoekers stellen dat een verbetering van de informatiepositie van debenadeelde wenselijk is en dat de kwaliteit van het schadevergoedings-proces daarmee verbeterd kan worden.19Ik onderschrijf deze conclusies en aanbevelingen. In gesprekken met deDLR en de betrokken organisaties in de letselschadebranche zal ik hetbelang benadrukken van een betere aansluiting tussen de behoeften vanslachtoffers, waaronder hun immateriële behoeften, en de dienstverleningdoor belangenbehartigers. Daarnaast acht ik het van groot belang datbenadeelden betrouwbare informatie tot hun beschikking hebben over hetletselschadeproces en de te maken keuzes, waaronder het inschakelenvan een belangenbehartiger en de verschillende varianten die zich in dezeberoepsgroep voordoen. Zij moeten weten wat zij mogen verwachten vaneen belangenbehartiger en weten welke regels en keurmerken er zijn. Hetversterken van deze informatiepositie kan er mijns inziens voor zorgen datmeer benadeelden een geïnformeerde keuze maken om al dan niet vooreen belangenbehartiger te kiezen die is aangesloten bij een keurmerk, datmeer partijen zich aansluiten bij de zelfregulering en dat daarmee dealgemene kwaliteit van belangenbehartiging vooruitgaat. Daarom is eenpagina ontwikkeld op de website van de Rijksoverheid over letselschadeen de rol van belangenbehartigers, in samenwerking met het Ministerievan Algemene Zaken. Deze pagina bevat begrijpelijke en overzichtelijkeinformatie over het letselschadeproces, belangenbehartigers, het NKL ende Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Deze informatie is vangroot belang om slachtoffers beter te informeren over het aanbod vanbelangenbehartigers en of zij al dan niet gebonden zijn aan bepaaldekwaliteitseisen.18WODC rapport, bijvoorbeeld op p. 119.19Idem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 1569 Diverse organisaties spelen een belangrijke rol bij het bieden van de juisteinformatie aan slachtoffers, met name Slachtofferhulp Nederland en hetJuridisch Loket. Benadeelden kunnen ook terecht op de website van DLR,bijvoorbeeld voor informatie omtrent het letselschadeproces, het NKL ende GBL.20 Deze partijen bieden veel informatie aan benadeelden. Naaraanleiding van het rapport heb ik nader met deze partijen gesproken overde informatievoorziening omtrent letselschade. Samen met hen wil ik debestaande informatievoorziening verder verbeteren. Op bovengenoemdepagina over letselschade op de website van de Rijksoverheid zal nadruk-kelijk naar hun dienstverlening worden verwezen. Op deze manier hoop ikdat benadeelden met letselschade nog beter hun weg zullen vinden naardeze organisaties en hun hulpverlening.Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over bestaande en gewenstewettelijke mogelijkhedenHet rapport benoemt dat er binnen de huidige kaders de nodige mogelijk-heden zijn om zorgelijke praktijken aan te pakken, en dat deze mogelijk-heden beter kunnen worden benut. De onderzoekers identificeren dewettelijke regels waarbinnen het proces van belangenbehartigingplaatsvindt en waaraan het minimaal dient te voldoen. In veel gevallengelden voor belangenbehartiging de algemene regels omtrent deovereenkomst van opdracht uit het BW, bescherming tegen oneerlijkehandelspraktijken en de strafrechtelijke ondergrens die doorwerkt incontractuele verhoudingen, zoals verduistering, oplichting en valsheid ingeschrifte.21 Hoewel deze regels niet toegespitst zijn op letselschade-zaken, kunnen deze volgens de onderzoekers richting geven.22 Een deelvan deze bestaande wet- en regelgeving beschermt de positie van deopdrachtgever, in dit geval de benadeelde met letselschade. Het rapportbeschrijft verder onder meer de mogelijkheden tot handhaving op hetgebied van consumentenbescherming van de Autoriteit Consument enMarkt (ACM).23 De onderzoekers bevelen aan om de ACM een gerichthandhavingsonderzoek te laten doen naar overtreding door belangenbe-hartigers van consumentenbeschermende bepalingen onder de Wethandhaving consumentenbescherming.Verder doen de onderzoekers een tweetal aanbevelingen voor aanvul-lende wetgeving: een specifiek verbod op dubbel declareren zondergeïnformeerde toestemming van de benadeelde en een verplichting voorbelangenbehartigers om transparant te zijn tegenover benadeelden als zijbetaald hebben voor het verkrijgen van hun dossiers. Tot slot doen deonderzoekers de suggestie om nader te onderzoeken of het verboden zoumoeten worden dat de belangenbehartiger contractueel bedingt dat eeneventueel niet-declarabel deel van de buitengerechtelijke kosten alsnogop de benadeelde verhaald kan worden.Reactie conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over bestaande engewenste wettelijke mogelijkhedenIk deel de opvatting van onderzoekers dat binnen de huidige wettelijkekaders al veel mogelijkheden bestaan om zorgelijke praktijken in deletselschadebranche aan te pakken.De ACM is bevoegd tot handhaving waar het gaat om informatievoor-ziening en communicatie voor en tijdens belangenbehartiging. De ACM is20Zie ook onder paragraaf 4 en 5.21Artikel 321 e.v. Sr (verduistering, oplichting), artikel 225 e.v. Sr (valsheid in geschrifte)22Zie onder meer artikel 6:193 en artikel 7:400 e.v. BW.23WODC rapport, p. 119 en p. 124.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 15610 een zelfstandig bestuursorgaan en gaat als onafhankelijk toezichthouderover haar eigen prioriteringsbeleid. Met inachtneming van deze onafhan-kelijke positie, heb ik de aanbeveling tot het doen van een gerichthandhavingsonderzoek onder de aandacht gebracht van de Minister vanEconomische Zaken en Klimaat en de ACM.Anders dan de onderzoekers, zie ik geen aanleiding voor aanvullendewetgeving tegen dubbel declareren. Er bestaan reeds verschillendewettelijke remedies tegen dubbel declareren zonder geïnformeerdetoestemming, zoals vernietiging van een beding op grond van dwaling ofoneerlijke handelspraktijken. Uit het onderzoek blijkt dat deze remedies inde praktijk met succes worden ingezet. De schaal waarop deze praktijkzich voordoet, is bovendien onduidelijk. Ook zie ik geen aanleiding vooreen wettelijke verplichting tot transparantie tegenover benadeelden overhet betalen voor dossiers. Ook hier speelt het probleem van de afbakeningvoor wie deze verplichting zou moeten gelden. Voor deze aanbevelinggelden dezelfde bezwaren als ik hiervoor uiteen heb gezet bij de aanbeve-lingen over beroepsregulering.Tot slot zie ik geen aanleiding voor nader onderzoek naar een verbod ophet contractueel bedingen dat een eventueel niet-declarabel deel van debuitengerechtelijke kosten alsnog op de benadeelde kan worden verhaald.Onderzoekers merken op dat belangenbehartiging niet gratis is. Als debelangenbehartiger hierover tegenover de benadeelde transparant is, iseen dergelijke afspraak in mijn ogen niet op voorhand ontoelaatbaar. Welzet ik in op het versterken van de informatiepositie van slachtoffers en blijfik in gesprek met betrokken partijen in de letselschadebranche.Conclusies en aanbevelingen WODC-rapport over regie door derijksoverheidDe aanbevelingen uit het rapport roepen op tot actie op verschillendethema’s, waarbij een beroep wordt gedaan op verschillende partijen. Eenoverkoepelende aanbeveling van de onderzoekers is dat er meer regie vande rijksoverheid nodig is bij de coördinatie van die verschillende acties.Verder doen de onderzoekers de suggestie om de positionering van DLRte onderzoeken. Daarbij gaat het meer specifiek om de vraag hoe DLR kanbijdragen aan oplossing van de gesignaleerde problemen.Reactie conclusies en aanbevelingen WODC regie door de rijksoverheidIk deel de opvatting van de onderzoekers dat de rijksoverheid een rolmoet spelen bij het opvolgen van de aanbevelingen. Binnen het huidigestelsel is er een gezamenlijke verantwoordelijkheid die deels doorzelfregulering is vormgegeven. Ik zie daarbij dat de afgelopen jaren vanuitde branche zelf veel goede en constructieve initiatieven zijn opgepakt. Eenvoorbeeld hiervan is zelfregulering binnen de letselschadebranche,waarover ik hierna kom te spreken. Mijn stelselverantwoordelijkheid vul ikin tegen die achtergrond.Ik vind het belangrijk dat de bestaande zelfregulering zich verderontwikkelt. Binnen de structuur van DLR zijn de afgelopen jaren stappengezet op het gebied van de zelfregulering van de branche. Voorbeeldenzijn het NKL en de GBL. Het NKL is een overkoepelend kwaliteitskeurmerkvoor alle professionals in de branche dat sinds 2021 bestaat. Voorslachtoffers dient het keurmerk als waarborg voor kwalitatieve bijstand.Steeds meer organisaties en belangenbehartigers sluiten zich aan bij hetNKL, hetgeen bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering in de branche.Organisaties zoals Slachtofferhulp Nederland en de ANWB verwijzenslachtoffers naar organisaties en personen die voldoen aan het keurmerk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 15611 De GBL is een gedragscode met tien gedragsregels die zich richten tot deprofessionals die beroepsmatig betrokken zijn bij de behandeling vanletselschadezaken. De gedragsregels beschrijven welke waarden enverantwoordelijkheden centraal dienen te staan bij de behandeling vanletselschadezaken. De gedragscode is bindend voor de leden van hetVerbond van Verzekeraars en de organisaties die zijn aangesloten bij hetNKL van DLR. Ik acht het van belang dat meer belangenbehartigers zichaansluiten bij het NKL en de naleving van het GBL.De afgelopen maanden heb ik in het kader van mijn stelselverantwoorde-lijkheid met verschillende partijen in de letselschadebranche gesprokenover de aanbevelingen die zijn gedaan in het WODC-rapport en de manierwaarop daaraan opvolging zal worden gegeven. In deze gesprekken wordtgekeken wat verschillende partijen zelf kunnen oppakken en wat mijnministerie vanuit de stelselverantwoordelijkheid kan doen. Ik benvoornemens die gesprekken voort te zetten en zal de komende jaren metde partijen in gesprek blijven. Daarbij bekijk ik op welke thema’s kanworden samengewerkt.Ik wil er op wijzen dat de samenwerking tussen de partijen in de branchebinnen het platform van DLR wordt bevorderd. DLR blijft de komendeperiode voor mijn ministerie dan ook een belangrijke gesprekspartner.Verbeteringen in de samenwerking en versterking van de sector als geheelzijn daarbij onderwerp van gesprek. De inrichting en governance van DLRen de verantwoordelijkheid voor de GBL zijn echter primair aangelegen-heden van de letselschadebranche zelf. Aanvullend is DLR op dit momentbezig om hun gedragscode te herijken. Een onderzoek naar de positio-nering van DLR acht ik op dit moment dan ook niet opportuun.Binnen de structuur van DLR zijn de afgelopen jaren belangrijke stappenvoorwaarts gezet. Hierbij wijs ik op de positieve ontwikkelingen metbetrekking tot twee pilots voor de inzet van mediation en herstelbemid-deling in het letselschadeproces die de afgelopen periode zijn afgerond.De bevindingen van deze pilots zijn positief en zijn door de DLR op 7 apriljl. aan mijn ministerie aangeboden.24 Deze pilots zijn gestart naaraanleiding van het rapport van de Universiteit Utrecht uit 2020 naar deoorzaken van langdurige letselschade.25 Uit de pilots blijkt dat zowelmediation als herstelbemiddeling een belangrijke bijdrage kunnen biedenaan het afwikkelen van het letselschadeproces en de bredere belangen diehet slachtoffer daarin heeft, ook buiten de financiële afdoening. Zo kanherstelbemiddeling het emotionele herstel bevorderen, ook bij deveroorzaker van een ongeval. Uit de pilot over mediation blijkt dat dit eenlaagdrempelige en relatieve snelle oplossing kan bieden voor hetstroomlijnen of bijsturen van het letselschadeproces en het terugdringenvan langlopende letselschadezaken.In beide pilots is gebleken dat er veel potentieel ligt in het gebruik vanmediation en herstelbemiddeling in de letselschadebranche en is ingezetop meer bekendheid met deze middelen.Uit de rapporten van de pilots komen verschillende aanbevelingen naarvoren. Zo onderzoekt DLR op welke wijze de aanbevelingen uit de pilotseen vaste plek kunnen krijgen in de GBL. Ten aanzien van mediation zijn ermogelijkheden genoemd voor de rechtspraak om de toepassing vanmediation binnen de letselschadepraktijk te bevorderen. Ik ga de komendeperiode met DLR in gesprek over hoe ik vanuit mijn ministerie eenpositieve bijdrage kan leveren aan de opvolging van de aanbevelingen uitbeide pilots.24Uitreiking eindrapporten projecten Herstelbemiddeling en Mediation – De Letselschade Raad25Langlopende-letselschadezaken-rapport.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 15612 Langdurige letselschadezakenTot slot wil ik in deze brief stilstaan bij de problematiek van langdurigeletselschadezaken. De afwikkeling van letselschade duurt vaak lang enveel verschillende partijen zijn daarbij betrokken. Uit eerder onderzoekvan de Universiteit Utrecht uit 2020 blijkt dat er simpelweg niet éénoorzaak aan te wijzen is voor lange doorlooptijden in sommige letselscha-dezaken. In de meeste langlopende letselschadezaken zijn verschillendeomstandigheden debet aan de lange duur van de behandeling, zoals hetwachten op de medische eindtoestand, de re-integratie in het arbeids-proces, en de onduidelijkheid over de door het ongeval ontstanebeperkingen. Volgens de onderzoekers blijkt de lange afhandelingsduurniet in alle zaken helemaal te voorkomen en in sommige zaken kan hetjuist in het belang van de benadeelde zijn om een zaak lang(er) te latenlopen.De leden Van Nispen en Koops hebben in hun motie van 4 september2025 de regering gevraagd om te laten onderzoeken wat de voornaamsteredenen zijn voor langlopende letselschadezaken. In reactie op deze motiemerk ik op dat voornoemd onderzoek uit 2020 reeds veel inzicht biedt inlanglopende letselschadezaken en de oorzaken die daaraan ten grondslagliggen. Het is van belang om aandacht te hebben voor de complexiteit vanoorzaken die in het onderzoek wordt geschetst en om eventuele maatre-gelen weloverwogen en in samenhang te bezien. Ik ben de afgelopenperiode met partijen in de branche in gesprek geweest om te bezien of ersinds het verschijnen van het onderzoek van de Universiteit Utrechtontwikkelingen zijn die een nieuw onderzoek wenselijk maken. Mijnbevindingen op basis van deze gesprekken zijn dat het voornoemdeonderzoek uit 2020 nog steeds relevant is en voldoende inzicht biedt in deproblematiek. Wel acht ik het nog van belang om het slachtofferper-spectief de komende periode nadrukkelijk bij deze gesprekken tebetrekken. Ik verwacht deze gesprekken voor de zomer van 2026 af teronden.Ik wil er in dit kader nog op wijzen dat de Minister van Financiën onlangsde regels uit de GBL die zich lenen voor toezicht en handhaving wettelijkheeft verankerd in het Besluit gedragstoezicht financiële markten 2024(Stb. 2024, 388). Deze verankering ziet op de termijnen voor verzekeraarsom hun verplichtingen in letselschadezaken na te komen. Het gewijzigdebesluit is op 1 juli 2025 in werking getreden.AfsluitingIn deze brief ben ik ingegaan op het WODC-rapport over de belangenbe-hartiger bij letselschade. Ook ben ik ingegaan op de moties van uw Kamervan het lid Vondeling van de PVV (12 juni 2024), het lid Mutluer vanGroenLinks-PvdA (28 mei 2025) en de leden Van Nispen van de SP enKoops van NSC (4 september 2025) die ik hiermee beschouw alsafgedaan. Het verkennende WODC-rapport biedt verschillende handvattenom vooruitgang te boeken op het gebied van belangenbehartiging bijletselschade. Daarbij is een rol weggelegd voor verschillende partijen. Ikkies er daarbij niet voor om de beroepsgroep nader te reguleren, ook nietvia toevoeging van een deskundigheidseis aan artikel 6:96 lid 2 BW. Zoalshierboven beschreven, acht ik die optie op dit moment niet passend enniet proportioneel. Juist door de informatievoorziening aan het slachtoffercentraal te stellen en door oog te hebben voor het beter benutten van demogelijkheden tot verbetering die al voorhanden zijn, kunnen de nodigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 15613 stappen voorwaarts gezet worden. Alleen in gezamenlijkheid kandergelijke vooruitgang worden geboekt. Ik zal me daar de komendeperiode, samen met de partijen uit het veld, voor inzetten.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,K.T. van BruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 552, nr. 15614

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 85c5dfbf8270ed12

14 okt 2026 · 3489da66759c6ceb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.