Financiële positie van het onderwijs in 2023
Brontekst
Versie 6a9e4775f21711c4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 495Financiële positie van publiek bekostigdeonderwijsinstellingenNr. 125 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VANONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 november 2024Met deze brief informeren we u over de financiële positie van hetonderwijs aan het einde van 2023. Het gaat om technische toelichtingenop de financiële gegevens van het onderwijs als geheel en per sector, enom onze eerste duiding ervan.1In het voorjaar van 2025 neemt de Inspectie van het Onderwijs in de Staatvan het Onderwijs een financiële analyse van het onderwijsveld op. Metdeze brief houden we u in de tussentijd op de hoogte.In de komende jaren staat het onderwijs voor bezuinigingen. We makendaarom scherpe keuzes en brengen meer focus aan in de inzet op deprioriteiten van dit kabinet. Ook schoolbesturen staan voor de uitdagingom maximaal in te zetten op de basiskwaliteit van het onderwijs entegelijkertijd in te kunnen spelen op maatschappelijke opgaven zoalsbijvoorbeeld personeelstekorten bij onderwijs of de aanpak basisvaardig-heden.Financieel resultaat onderwijs 2023Het onderwijsveld heeft een financieel resultaat van € 198 mln. in 2023.Dat is 0,4% van de totale baten en veel minder dan in 2022. Toen was hetfinanciële resultaat € 878 mln.In 2023 namen in vrijwel alle onderwijssectoren de reserves af. Het deelwat gevormd wordt door het mogelijk bovenmatige publiek eigenver-mogen nam in totaal af met € 230 mln. Dat is het gevolg van het feit dateen groot gedeelte van de onderwijsbesturen met bovenmatige reserves1De door de onderwijsbesturen digitaal aangeleverde cijfers uit de jaarrekeningen wordenjaarlijks door DUO als open data gepubliceerd op de DUO website: Dashboard Jaarrekeningge-gevens (rijkscloud.nl) kst-33495-125ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1251 negatieve resultaten liet zien. Dat resulteerde ook in de afname van hettotaalbedrag bovenmatige reserves. Het blijkt dat ondanks het leraren-tekort en forse extra onderwijsinvesteringen vanuit OCW het schoolbe-sturen lukt reserves te laten afnemen door deze in te zetten vooronderwijs.Eind 2023 bedroeg het totale eigen vermogen van het Nederlandseonderwijs circa € 17,05 mld. Daarvan is € 7,43 mld. van het funderendonderwijs. Van dat eigen vermogen zit € 5,11 mld. in materiële vasteactiva, waaronder huisvesting.Het funderend onderwijs heeft € 8,25 mld. aan liquide middelen. Voorinzicht in de vrij besteedbare financiële ruimte, moeten de kortlopendeschulden van € 4,38 mld. daarvan worden afgetrokken. Het funderendonderwijs heeft daarnaast voorzieningen2 van € 2,22 mld. Als die ookworden afgetrokken, blijft € 1,64 mld. aan liquide middelen over als vrijbesteedbaar eigen vermogen in het funderend onderwijs.Baten en lasten stegenIn de onderstaande figuur staat de ontwikkeling van baten, lasten enresultaat van het hele onderwijs in de afgelopen 5 jaar. Er is een trend-breuk in 2021 en 2022, bij de rijksbijdragen en het resultaat. Ondanks dehogere rijksbijdragen, ook in 2023, is het resultaat aanzienlijk lager dan inde 2021 en 2022. Dat blijkt ook uit de rentabiliteit over 2023, vergelekenmet de 2 voorgaande jaren.De totale personeelslasten stegen harder in 2023. Toch lukte het deonderwijsbesturen, vooral in het voorgezet onderwijs (vo), middelbaarberoepsonderwijs (mbo) en hoger beroepsonderwijs (hbo), niet om alleextra baten in te zetten in 2023.De stijgende baten worden voornamelijk veroorzaakt door het extra gelddat beschikbaar kwam voor het onderwijs.Het volgende is uitgekeerd:–In november 2019 is eenmalig € 300 mln. uitgekeerd voor hetconvenant aanpak lerarentekort in het funderend onderwijs.–Tussen 2021 en 2023 is voor € 4,80 mld. aan NP Onderwijsgelduitgekeerd, voor het bestrijden van de leerachterstanden door corona.–In april 2022 zijn de middelen voor het onderwijsakkoord uitgekeerdvoor onder andere werkdrukverlichting in het vo en het dichten van deloonkloof.2Een voorziening is een bedrag dat als het ware gereserveerd wordt voor kosten die mogelijk inde toekomst zullen worden gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1252 Financiële positie onderwijsHoewel sprake is van een daling van de hoge reserves staat het onderwijser eind 2023 financieel gezond voor. Schoolbesturen hebben dezereserves nodig om in de komende periode hun maatschappelijke opdrachtte kunnen voldoen. Daarnaast zijn schoolgebouwen in het funderendonderwijs verouderd. Schoolbesturen hebben onvoldoende financiëlemiddelen om te voldoen aan (arbo)eisen op het gebied van gezondbinnenklimaat en regelgeving op het gebied van duurzaamheid, toeganke-lijkheid en inclusie. Op dit moment werkt OCW aan een wetsvoorstelplanmatige aanpak onderwijshuisvesting dat schoolbesturen in hetprimair onderwijs (po), net als in het vo, ruimte biedt om ook in onder-wijshuisvesting te investeren indien sprake is van voldoende reserves.Hoewel de verantwoordelijkheid voor nieuwbouw en vervanging vanschoolgebouwen bij gemeenten ligt, kan deze maatregel voor een deelbijdragen aan de uitdaging rond onderwijshuisvesting in bestaandegebouwen.Ondanks het positieve financiële resultaat van € 198 mln. daalden detotale solvabiliteit3 en liquiditeit4 van schoolbesturen en instellingen in2023. Oorzaak is de stijging van de kortlopende schulden, met € 1,42 mld.Bovendien stegen het eigen vermogen en de liquide middelen minderhard, met respectievelijk € 227 mln. en € 850 mln. De stijging van dekortlopende schulden gaan we analyseren en blijven we monitoren in dejaarverslagen 2024, die we vanaf 1 juli 2025 ontvangen. Als er aanleidingtoe is, doen we er nader onderzoek naar.Volgens de signaalwaarden van de inspectie zijn de onderwijsbesturenover het algemeen eind 2023 financieel gezond. Daarbij moet welrekening gehouden worden met het feit dat de prognoses door deschoolbesturen zijn berekend vóórdat de taakstellingen van het huidigekabinet bekend waren.3Een solvabiliteit geeft aan in hoeverre een organisatie in staat is om op korte en lange termijnhaar schulden te kunnen voldoen.4Een liquiditeit geeft aan in welke mate de instelling aan haar verplichtingen op korte termijnkan voldoenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1253 (Verwachte) ontwikkeling primaire kengetallen onderwijsveld5Kengetal120192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,610,600,620,600,580,570,550,54Liquiditeit1,571,491,641,571,481,261,141,10Rentabiliteit %1,36– 0,233,922,000,41– 2,85– 1,56– 0,681 Zie signaleringswaarden voor continuïteitstoezicht van de inspectie: Risico-indicatoren en signa-leringswaarden financieel continuïteitstoezicht (onderwijsinspectie.nl). Bestemmingsreserve Nationaal Programma OnderwijsIn de Voortgangsrapportage Nationaal Programma Onderwijs (NPOnderwijs), die we de Kamer in december 2024 toesturen, informeren weu meer in detail over de bestemmingsreserves en de besteding van gelduit het NP Onderwijs.Financiële resultaten: «minder geld uitgegeven dan verwacht»Het resultaat van alle onderwijsbesturen (in alle sectoren) samen was in2023 € 198 mln. Dit is minder dan 0,5% van de totale baten en minder danin 2022.Wel zijn er weer grote verschillen tussen de begrote en de gerealiseerderesultaten.We constateren dat de onderwijsbesturen de laatste jaren negatiefbegroten, ze verwachtten meer uit te geven dan ze ontvangen. Maar vaakontvingen ze laat in het jaar aanvullende middelen. Wel is het verschiltussen het begrote en het gerealiseerde resultaat een stuk kleinergeworden in 2023.Hieronder staan de begrote en de gerealiseerde resultaten per sector in2023 (bedragen in € mln.)6SectorRealisatieBegrotingVerschilPo4– 124128Vo167– 115282swv– 57– 592mbo114– 121235Hbo73– 78151wo– 103– 226123Totaal198– 723921 De universiteiten haalden voor het eerst in decennia een negatieffinancieel resultaat in 2023. De samenwerkingsverbanden (swv’s) haaldenvoor het vierde jaar op rij een negatief resultaat.In 2023 besloot OCW de hoge reserves van de swv’s terug te dringen doorde verlaging van de rijksbijdrage 2023, omdat de afbouw minder was dangepland. Daarmee is invulling gegeven aan motie-Westerveld uit 20227.Met de motie werd de regering verzocht de bekostiging te verlagen van5Bron: jaarrekeningen en continuïteitsparagraaf onderwijsbesturen 2023.6Het gaat steeds om het nettoresultaat, na belastingen toekomend aan het bestuur.7Kamerstuk: II, 2020–21, 35 570 VIII, nr. 273 t.v.v. nr. 265.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1254 swv’s met te hoge reserves. Vorig jaar kreeg de Kamer een brief over hoeOCW de motie heeft uitgevoerd.8Mogelijk bovenmatige reserves9De afgelopen jaren is de Kamer geïnformeerd over de ontwikkelingenrondom de bovenmatige reserves. In 2020 heeft de inspectie eensignaleringswaarde ontwikkeld voor bovenmatige reserves.Vanaf 2021 moeten besturen met een publiek eigen vermogen boven designaleringswaarde zich erover verantwoorden in het jaarverslag.10 Hetministerie en de inspectie volgen de afbouw van de mogelijk bovenmatigereserves. De inspectie spreekt besturen erop aan als hun reserve designaleringswaarde overstijgt.11 De inspectie constateert dat er steedsmeer aandacht voor reservevorming is en dat steeds meer besturen zicherover verantwoorden. Tot en met 2022 daalden de mogelijk bovenmatigereserves onvoldoende in het funderend onderwijs. In 2023 zijn de mogelijkbovenmatige reserves echter wel gedaald. Daarbij verwachten schoolbe-sturen in het funderend onderwijs in de periode van 2024 tot en met 2026meer geld uit te geven. Verwacht wordt dat de mogelijk bovenmatigereserves voor het grootste deel zullen verdwijnen.Zoals in het regeerprogramma is aangekondigd, streven we er naar om inhet funderend onderwijs met een norm te komen voor geld dat moetlanden in de klas en een norm voor maximale overhead. Dat vergroot detransparantie en het helpt bij het gesprek met de medezeggenschapsraadover de besteding van de bekostiging. OCW zal volgen of besturen aan denieuwe normen voldoen. Van uit dat inzicht kunnen kritische gesprekkengevoerd worden met de schoolbesturen die mogelijk bovenmatigereserves aanhouden.Weinig besturen onder aangepast financieel continuïteitstoezichtPer 1 oktober 2024 stonden 9 onderwijsbesturen onder aangepastfinancieel continuïteitstoezicht van de inspectie. Dat is 1 meer dan op1 oktober 2023, maar het gaat steeds om minder dan 0,66% van deschoolbesturen. In bijlage 3 staat een lijst van de besturen die onderaangepast financieel continuïteitstoezicht staan.12Compacter bestuursverslag: beter en minder administratieNaar aanleiding van de motie-Bruins13 en een advies van de Onder-wijsraad14 vereenvoudigen we de eisen aan verslaggeving overniet-financiële informatie voor kleine onderwijsbesturen in het funderendonderwijs. We zijn van plan om dat ook voor het mbo en het hbo te doen.Daarvoor passen we de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (Rjo) aan inverslagjaar 2024.8Zie Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 203 d.d. 13 februari 2023.9Met mogelijk bovenmatige reserves bedoelen we hier dat deel van het publiek eigen vermogenboven wat een bestuur redelijkerwijs nodig heeft aan bezittingen om zijn materiële vaste activate financieren en financiële risico’s op te vangen «signaleringswaarde die de inspectiehanteert».10Zie Regeling jaarverslaggeving onderwijs: https://wetten.overheid.nl/BWBR0023132/2021-02-2011Kamerstuk 35 925 VIII, nr. 11.12Met de lijst voldoen we aan de motie-Peters en Van der Woude (Kamerstuk II, 2020–21, 35 570VIII, nr. 273 t.v.v. nr. 265), waarin de Kamer vroeg om een jaarlijks overzicht van instellingendie onder aangepast financieel continuïteitstoezicht staan.13Kamerstuk 35 000 VIII, nr. 7414Inzicht in en verantwoording van onderwijsgelden | Advies | OnderwijsraadTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1255 Tot slotVoor het volledige financiële beeld per sector over 2023 verwijzen we naarde bijlagen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. BruinsDe Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.L.J. PaulTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1256 Financiële positie1.1 Onderwijsveld geheel Met uitzondering van de samenwerkingsverbanden en de universiteitenhebben de onderwijsbesturen in 2023 iets minder geld uitgegeven dan zeontvingen. Het onderwijsveld als geheel had een resultaat van € 198 mln.Dat is een verschil van € 921 mln. ten opzichte van de begroting 2023,namelijk negatief € 723 mln.Het aantal besturen met een mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen daalde van 803 in 2022 naar 708 in 2023. Ook het totale bedragvan de mogelijk bovenmatige publieke eigen vermogens nam af: van€ 1,67 mld. naar € 1,44 mld.In 2023 namen de kortlopende schulden toe met circa € 1,42 mld. Hettotale eigen vermogen steeg met € 227 mln. De liquide middelen stegenmet € 850 mln. De solvabiliteit en liquiditeit namen af in 2023, invergelijking met 2022. Het totaalbedrag op de balans van het onder-wijsveld steeg met circa € 2,1 mld.De schoolbesturen en instellingen verwachten meer geld uit te geven inde komende 3 jaar. Daarom verwachten zij voor 2024, 2025 en 2026 eennegatief resultaat van € 2,26 mld. Daardoor zullen de reserves afnemenen dalen de solvabiliteit en de liquiditeit verder.Refererend aan de financiële signaalwaarden van de inspectie, waren deonderwijsbesturen over het algemeen eind 2023 financieel gezond. Naarverwachting blijven ze dat ook in de komende jaren.Per 1 oktober 2024 staan 9 onderwijsbesturen onder aangepast financieelcontinuïteitstoezicht van de inspectie.15 In bijlage 3 staat een lijst vanbesturen onder verscherpt financieel toezicht.(Verwachte) ontwikkeling primaire kengetallen onderwijsveldRealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,610,600,620,600,580,570,550,54Liquiditeit1,571,491,641,571,481,261,141,10Rentabiliteit %1,36– 0,233,922,000,41– 2,85– 1,56– 0,68 Baten stijgenDe totale baten van de onderwijsbesturen stegen ten opzichte van 2022met € 3,01 mld. (6,5%). De besturen ontvingen in 2023 € 41,37 mld. aanrijksbijdragen. Het meeste geld ging naar het primair en voortgezetonderwijs. Het totaal aan baten van de onderwijsbesturen was € 49,96mld. in 2023. De baten bestonden voor 84,5% uit rijksbijdragen, voor 4,1%uit college-, cursus-, les- en examengeld, voor 1,4% uit overige overheids-bijdragen, voor 5,9% uit «baten werk in opdracht van derden» en voor4,1% uit overige baten.De stijging van de totale baten is voor 64,7% te danken aan de stijging vande rijksbijdragen met € 1,95 mld. (4,9%) ten opzichte van 2022.15Zie de lijst met besturen onder aangepast financieel continuïteitstoezicht: Besturen onderaangepast financieel toezicht | Toezicht op financieel beheer | Inspectie van het onderwijs(onderwijsinspectie.nl)Bijlage 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1257 De stijging van de rijksbijdrage betreft vooral de loon- en prijsbijstel-lingen, die in de lumpsum zijn verwerkt en samenhangen met cao- enprijsontwikkelingen. Ook de «college-, cursus-, les- en examengelden»,»baten werk in opdracht van derden» en «overige baten» stegen in 2023met respectievelijk € 573 mln. (40,1%), € 282 mln. (10,8%), € 152 (8,2%).De overige overheidsbijdragen en subsidies stegen met € 54 mln. (8,5%),ten opzichte van 2022.De stijging van de college-, les- en examengelden in 2023 komt doordatde tarieven in collegejaar 2021–2022 waren verlaagd, in verband met decoronapandemie.Lasten stijgenDe totale lasten stegen met € 4,04 mld. (8,5%). Toch lukte het de onder-wijsbesturen niet om alle extra baten in te zeten, vooral niet in vo, mbo enhbo.De personeelslasten vormen het grootste deel van de totale lasten, met€ 38,22 mld. (77,9%) in 2023. Het overige deel van de lasten zijn huisves-tingslasten € 3,30 mld. (6,7%), afschrijvingen € 1,76 mld. (3,6%) enoverige lasten € 5,74 mln. (11,7%).€ 2,53 mld. van de lasten betreft de doorbetaling van de samenwerkings-verbanden aan schoolbesturen. Geld dat via de samenwerkingsverbandennaar schoolbesturen ging, is bij de samenwerkingsverbanden niet alsbaten en lasten meegenomen. Het is zo alleen bij de schoolbesturenverwerkt.Personeelslasten minder hard gestegenIn 2023 gaven de onderwijsbesturen ruim € 3,03 mld. (8,6%) meer uit aanpersoneelslasten dan in 2022. De stijging betreft vooral de prijs- enloonbijstelling in verband met de cao-afspraken voor 2023 en is lager dande stijging in 2022 (9,7%).Mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogenIn 2020 heeft de inspectie een signaleringswaarde ontwikkeld voor hetbepalen van mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen.16 Met deKamerbrief FPO 202017, Kamerbrief FPO 202118 en Kamerbrief FPO 202219heeft OCW de Kamer geïnformeerd over de mogelijk bovenmatige publiekeigen vermogens per sector.Vanaf verslagjaar 2020 zijn besturen met een publiek eigen vermogenboven de signaleringswaarde verplicht zich erover in het jaarverslag teverantwoorden. In het reguliere toezicht en in vervolgonderzoek blijft deinspectie aandacht besteden aan de reserves.2016Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300 VIII, nr. 207.17Kamerstuk 33 495, nr. 121.18Kamerstuk 33 495, nr. 123.19Kamerstuk 33 495, nr. 124.20Kamerstuk: 35 925 VIII, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1258 In de onderstaande tabel staan de resultaten van het toepassen van designaleringswaarde voor verslagjaar 2023. Voor de vergelijking zijn decijfers sinds 2019 opgenomen. We constateren dat het aantal besturenmet mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen daalde in 2023: van 803in 2022 naar 708 in 2023, een daling met 11,8%. Ook het totaalbedrag aanmogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen daalde: van € 1,67 mld.naar € 1,44 mld., een daling met 13,8%.Tabel: mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen (hierna: MBPEV), in mln.20192020202120222023poAantal besturen met (MBPEV)590501560544493Totaalbedrag MBPEV€ 906€ 677€ 902€ 997€ 848voAantal besturen met MBPEV145120148149132Totaalbedrag MBPEV€ 288€ 236€ 363€ 506€ 484samenwerkingsverbandenAantal besturen met MBPEV13712912310276Totaalbedrag MBPEV€ 184€ 160€ 132€ 116€ 59tot. funderendAantal besturen met MBPEV872750831795701Totaalbedrag MBPEV€ 1.378€ 1.073€ 1.397€ 1.6191.391mboAantal besturen met MBPEV66543Totaalbedrag MBPEV€ 64€ 64€ 62€ 49€ 48hboAantal besturen met MBPEV32333Totaalbedrag MBPEV€ 9€ 5€ 4€ 4€ 3woAantal besturen met MBPEV21111Totaalbedrag MBPEV€ 3€ 1€ 0,50€ 0,38€ 0,42tot. onderwijsveldAantal besturen met MBPEV883759840803708Totaalbedrag MBPEV€ 1.454€ 1.143€ 1.463€ 1.6731.442 1.2 Primair en voortgezet onderwijs 1.2.1 Primair onderwijs (po) Ten opzichte van afgelopen jaren valt op dat in 2023 het verschil tussenbegroting en realisatie kleiner is geworden. Er wordt de laatste jaren alveel negatief begroot, men verwacht meer uit te geven dan erbinnenkomt. Toch wordt er juist meer ontvangen. Wel werd het verschiltussen het begrote en het gerealiseerde resultaat in 2023 een stuk kleiner(bedragen in € mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil2019189– 732622020– 205– 155– 502021484– 1426262022292– 31260420234– 124128 In 2023 behaalde een groot gedeelte van de schoolbesturen (48%) eennegatief resultaat, waardoor het verschil kleiner is.In onderstaande grafiek van de ontwikkeling van de baten en lasten isgoed te zien dat de afgelopen 2 jaar de personeelskosten sterk stegen. In2022 is het onderwijsakkoord gesloten.21 Een groot deel van het geld uithet akkoord is geïnvesteerd in de salarissen in het funderend onderwijs.Dat is een verklaring voor de sterker gestegen personeelskosten in 2023.Schoolbesturen ontvingen daar in 2022 al geld voor.21Kamerstukken II, 2021–2022, 31 293, nr. 615Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 1259 Over het algemeen is de sector financieel gezond. De solvabiliteit is lichtgedaald ten opzichte van voorgaande jaren, maar ligt nog ruim boven designaleringswaarde die de inspectie hanteert. De liquiditeitscijfers zijn ooknog steeds goed.Realisatiesprognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,740,710,730,720,680,680,670,67Liquiditeit2,772,422,722,552,242,001,881,85Rentabiliteit %1,67– 1,763,852,130,02– 3,45– 1,88– 0,99 Per 1 oktober 2024 staan 5 po-schoolbesturen onder aangepast financieelcontinuïteitstoezicht van de inspectie.De prognoses laten zien dat de verwachtingen stabiel zijn voor solvabi-liteit en liquiditeit. De prognoses voor de rentabiliteit duiden op toekom-stige negatieve resultaten, waarbij het echter de vraag is in hoeverre zeworden ook daadwerkelijk gerealiseerd.In 2023 daalde het mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen met€ 149 mln. ten opzichte van een jaar eerder. Dat is mogelijk het gevolgvan het lage resultaat van de sector en het feit dat een groot gedeelte vande sector negatieve resultaten liet zien.Ook het aantal besturen met een mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen nam af: van 544 naar 493. Van die 493 besturen hebben er29222 een bestemmingsreserve NP Onderwijs opgenomen. Scholen in hetfunderend onderwijs hebben in 2021, 2022 en 2023 middelen ontvangenuit het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs). De middelen die22Bron zijn door de schoolbesturen geleverde jaarrekeningencijfers 2023 via het onderwijs-portaal. De schoolbesturen konden de niet-bestede NP Onderwijsmiddelen als bestemmings-reserve opnemen in de jaarrekening en vastleggen via het onderwijsportaal. We constaterendat een aantal schoolbesturen de niet-bestede NP Onderwijsmiddelen wel als bestemmingsre-serve hebben opgenomen in de jaarrekening 2023, maar niet vastgelegd via het onderwijs-portaal. De in deze brief opgenomen cijfers zijn vooral ontleend aan de verantwoordingsinfor-matie die besturen hebben aangeleverd via het onderwijsportaal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12510 nog niet zijn besteed, staan meestal als bestemmingsreserve NPOnderwijs in de jaarrekening opgenomen.Ten opzicht van vorig jaar is het aandeel van de bestemmingsreserves NPOnderwijs in het mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogenafgenomen. In 2022 hadden besturen met een mogelijk bovenmatigpubliek eigen vermogen nog € 360 mln. aan bestemmingsreserves NPOnderwijs. Dat is afgenomen tot € 339 mln. Van dat bedrag is € 279 mln.verantwoordelijk voor het mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen.Gecorrigeerd voor de bestemmingsreserves NP Onderwijs bedraagt hetmogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen in het PO € 569 mln.23 Ditwas vorig jaar nog € 697 mln.Het bovenstaande geeft alleen inzicht in de bestemmingsreserves NPOnderwijs bij scholen met een mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen. In de Voortgangsrapportage NP Onderwijs, die in december2024 met uw Kamer wordt gedeeld, zullen we u meer in detail informerenover de bestemmingsreserves en de besteding van de middelen uit hetNP Onderwijs.JaarTotaal aantalbesturenAantalbesturen metMBPEVTotaal EV inde sector (inmln.)MBPEV (inmln.)PercentageMBPEV t.o.v.totaal EV2019939590€ 3.313€ 90627,35%2020906501€ 3.098€ 67721,85%2021895560€ 3.552€ 90225,39%2022869544€ 3.835€ 99726,00%2023854493€ 3.845€ 84822,05% 1.2.2 Voorgezet onderwijs (vo) Ook in 2023 is het verschil tussen begroting en realisatie weer groot, al ishet verschil kleiner dan een jaar eerder. Ongeveer 35% van de besturenlukt het om negatief resultaat te halen. (Zie de tabel hieronder, bedragenin € mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil2019186– 332192020– 16– 62462021542– 1136552022307– 743812023167– 115282 In de onderstaande grafiek, met de ontwikkeling van de baten en lasten, isgoed te zien dat de afgelopen 2 jaar vooral de personeelskosten sterkstegen. In 2022 werd het onderwijsakkoord gesloten.24 Een groot deel vande middelen daaruit is geïnvesteerd in de salarissen in het funderendonderwijs. Dat is een verklaring voor de harder gestegen kosten in 2023.Schoolbesturen ontvingen er in 2022 al middelen voor.23De afname van de mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogens is lager dan de totalebestemmingsreserve van besturen met een mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen.Dat komt doordat bij 74 po schoolbesturen de bestemmingsreserve NP Onderwijs gelijk ofhoger is dan het mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen.24Kamerstukken II, 2021–2022, 31 293, nr. 615Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12511 Over het algemeen is de sector financieel gezond. De solvabiliteit enliquiditeit zijn stabiel en hoog in vergelijking met de signaleringswaardevan de inspectie. In de prognoses lijkt daar geen verandering in te komen.De prognoses van de rentabiliteit duiden op toekomstige negatieveresultaten, het is echter de vraag of die gerealiseerd worden, gezien dehistorische resultaten.RealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,610,590,630,620,620,610,610,61Liquiditeit1,991,842,192,152,061,751,721,68Rentabiliteit %2,04– 0,185,492,861,47– 3,54– 2,04– 1,07 Per 1 oktober 2024 staan 2 vo-schoolbesturen onder aangepast financieelcontinuïteitstoezicht van de inspectie.In 2023 nam het mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen met € 22mln. af, ten opzichte van een jaar eerder. Ook het aantal besturen met eenmogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen nam af: van 149 naar 132.Van de 132 besturen met een mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen hebben er 9425 een «bestemmingsreserve NP Onderwijs»opgenomen in de jaarrekening 2023. Scholen in het funderend onderwijshebben in 2021, 2022 en 2023 middelen ontvangen uit het NP Onderwijs.De middelen die nog niet zijn besteed, staan meestal als zo’n bestem-mingsreserve in de jaarrekening.Ten opzichte van vorig jaar is het aandeel van de bestemmingsreservesNP Onderwijs in het mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogenafgenomen. In 2022 hadden de besturen met een mogelijk bovenmatigpubliek eigen vermogen nog € 222 mln. aan bestemmingsreserves NPOnderwijs. Dat is afgenomen naar € 195 mln. Van dit bedrag is € 165 mln.verantwoordelijk voor het mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen.25Bron: zie voetnoot 25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12512 Gecorrigeerd voor de bestemmingsreserves NP Onderwijs bedraagt hetmogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen in het vo € 319 mln.26 Datwas vorig jaar nog € 329 mln.Het bovenstaande geeft alleen inzicht in de bestemmingsreserves NPOnderwijs bij scholen met een mogelijk bovenmatig publiek eigenvermogen. In de Voortgangsrapportage NP Onderwijs, die in december2024 met uw Kamer wordt gedeeld, zullen we u meer in detail informerenover de bestemmingsreserves en de besteding van de middelen uit hetNP Onderwijs.JaarTotaal aantalbesturenAantalbesturen metMBPEVTotaal EV inde sector (inmln.)MBPEV (inmln.)PercentageMBPEV t.o.v.totaal EV2019282145€ 2.408€ 28811,96%2020277120€ 2.369€ 2369,96%2021270149€ 2.962€ 36312,26%2022256149€ 3.279€ 50615,37%2023241132€ 3.450€ 48414,02% 1.2.3 Samenwerkingsverbanden primair en voorgezet onderwijs (swv’s poen vo) Ook dit jaar hebben de swv’s een negatief resultaat geboekt. Hetnegatieve resultaat is groter dan in voorgaande jaren, mogelijk door detoegepaste korting (bedragen in € mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil2019– 1– 37362020– 23– 48252021– 26– 58302022– 5– 57522023– 57– 592 Ook in de komende jaren verwachten de swv’s negatieve resultaten. Datzorgt voor een afbouw van het eigen vermogen.RealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,760,730,710,610,490,530,490,49Liquiditeit4,103,583,372,501,892,021,881,86Rentabiliteit %– 0,05– 0,98– 1,14– 0,18– 2,01– 1,18– 0,53– 0,67 Uit onderstaande tabel is duidelijk op te maken dat in 2023 het mogelijkbovenmatige publiek eigen vermogen sterker is gedaald dan de afgelopenjaren. Dat is grotendeels het gevolg van een toegepaste korting naaraanleiding van de motie-Westerveld.26De afname van de mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogens is lager dan de totalebestemmingsreserve van besturen met een mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen. Datkomt doordat bij 29 vo-besturen de bestemmingsreserve NP Onderwijs gelijk of hoger is danhet mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12513 JaarTotaal aantalbesturenAantalbesturen metMBPEVTotaal EV inde sector (inmln.)MBPEV (inmln.)PercentageMBPEV t.o.v.totaal EV2019152137€ 259€ 18471,04%2020151129€ 236€ 16067,80%2021151123€ 209€ 13263,16%2022151102€ 203€ 11657,14%202315176€ 146€ 5940,04% 1.3 Middelbaar beroepsonderwijs (mbo) In 2023 hebben de mbo-instellingen een positief resultaat geboekt van€ 114 mln. Dat is meer dan het negatieve resultaat van € 121 mln. dat deinstellingen hadden begroot. Van de 55 mbo’s boekten er 18 een negatiefresultaat in 2023. Daarmee blijft het aantal instellingen dat een negatiefresultaat boekte ongeveer gelijk aan 2022. Toen boekten 20 van de 55instellingen een negatief resultaat. (Zie tabel hieronder, bedragen in €mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil201952– 1163202081– 1672482021243– 59302202265– 891542023114– 121235 Het grootste negatieve resultaat is € 7,70 mln. Het grootste positieveresultaat bedraagt € 17,60 mln.Om te achterhalen wat ten grondslag ligt aan het verschil tussenbegroting en resultaat, is een aantal jaarverslagen geanalyseerd. Hieruitblijkt dat de instellingen met een positief resultaat de rijksbijdragen veelallager hebben begroot dan ze daadwerkelijk ontvingen. Zo viel de loon- enprijsontwikkeling voor tranche 2023 hoger uit dan begroot. Ook kregeninstellingen in december 2023 het resultaatafhankelijk onderdeeluitgekeerd op basis van de Regeling kwaliteitsafspraken 2019–2022. Dedaadwerkelijke baten vanuit het Rijk vielen daardoor hoger uit danverwacht. Het resultaat wordt toegevoegd aan het eigen vermogen enwordt door de instelling aangewend in de komende jaren.BatenDe totale baten van de mbo-instellingen stegen ten opzichte van 2022 met€ 397 mln. (6,4%) tot € 6,59 mld. De mbo-besturen ontvingen in 2023 intotaal € 6,01 mld. (90,6% van de totale baten) aan rijksbijdragen.Instellingen haalden verder € 106 mln. (1,6%) van de baten uit overigeoverheidsbijdragen, € 85 mln. (1,3%) uit cursus- en examengelden, € 191mln. (2,9%) uit «baten werk in opdracht van derden» en € 197 mln. (3,0%)uit overige baten. Tot slot hadden de instellingen € 44 mln. aan financiëlebaten.De stijging van de totale baten wordt grotendeels verklaard door deincidentele uitkering van het resultaatafhankelijk budget op basis van deRegeling kwaliteitsafspraken 2019–2022 en de hogere uitgekeerde loon-en prijsontwikkeling. De overige stijging komt voor uit gestegen baten inopdracht van derden (€ 26 mln.), hogere overige overheidsbijdragen(€ 14 mln.), meer ontvangsten uit cursus- en examengelden (€ 25 mln.)en meer overige ontvangsten (€ 10 mln.).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12514 LastenDe totale lasten stegen ten opzichte van 2022 met € 384 mln. (6,3%) tot€ 6,49 mld. Het overgrote deel van de lasten bestond uit personeelslasten.In 2023 ging het om € 4,87 mld. (74,8%). Verder gaven de instellingen€ 519 mln. (8%) uit aan huisvestingslasten, € 771 mln. (11,8%) aanoverige lasten en € 327 mln. (5%) aan afschrijvingen. De instellingenhadden € 22 mln. aan financiële lasten.De stijging van de lasten (€ 384 mln.) wordt grotendeels verklaard doorgestegen personeelslasten (€ 218 mln.). De stijging van personeelslastenhoudt grotendeels verband met loonstijgingen voortkomend uitcao-afspraken. Verder stegen de huisvestingslasten met € 125 mln., deafschrijvingen met € 4 mln. en de overige lasten met € 37 mln.Mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogenHet mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen is in 2023 vergelekenmet 2022 licht gedaald, met € 1 mln. Dit is een daling van 2,5%. Hetmogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen bedraagt daardoor in 2023circa € 48 mln. In 2022 hadden 4 besturen een mogelijk bovenmatigpubliek eigen vermogen, in 2023 nog 3. Het gaat in alle gevallen omberoepscolleges. Van het totale mogelijk bovenmatige publiek eigenvermogen in het mbo is € 45 mln. van 1 instelling. Bij de andere 2beroepscolleges gaat het om € 2,3 mln. en € 6.000. Naar verwachting zalhet mogelijk bovenmatige publiek eigen vermogen de komende jaren nogdalen door afnemende studentenaantallen.JaarTotaalaantalbesturenAantalbesturenmet MBPEVTotaal EV inde sector(in mln.)MBPEV (inmln.)PercentageMBPEV t.o.v.totaal EV2019616€ 2.772€ 642,31%2020606€ 2.856€ 632,21%2021585€ 3.081€ 622,00%2022584€ 3.155€ 491,55%2023553€ 3.290€ 481,22% Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12515 (Verwachte) ontwikkeling kengetallen mboHet resultaat over 2023 heeft geleid tot een licht verbeterde liquiditeit enrentabiliteit. De solvabiliteit van de sector is nagenoeg gelijk gebleven. Uitde continuïteitsparagrafen blijkt dat de instellingen de komende 3 jarennegatieve resultaten begroten. Hierdoor is de verwachting dat deliquiditeit en de solvabiliteit zullen dalen.RealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,620,620,640,640,640,640,630,62Liquiditeit1,331,391,591,581,601,341,201,19Rentabiliteit %0,941,474,051,351,71– 1,45– 0,75– 0,08 Er staan geen mbo-instellingen onder aangepast financieel continuïteits-toezicht van de inspectie.Daling van het aantal mbo-studentenSinds 2020 daalt het aantal mbo-studenten. In de meest recente referen-tieraming wordt rekening gehouden met een daling tot 431 duizendstudenten in 2040.27 De rijksbijdrage van instellingen wordt grotendeelsberekend op basis van het aantal studenten. Als gevolg van krimpontvangen instellingen minder middelen en zullen er dus instellingen zijnhet onderwijs efficiënter moeten vormgeven. Waar dit niet (meer)mogelijk is, zullen er mbo-instellingen zijn die in de aankomende jareneen negatief resultaat boeken.1.4 Hoger onderwijs (ho) 1.4.1 Hoger beroepsonderwijs (hbo) Over het verslagjaar 2023 hebben de bekostigde hogescholen eenresultaat behaald van € 73 mln. (over 2022 was dat € 117 mln.), terwijleen negatief resultaat van € 78 mln. was begroot. Een overzicht van deafgelopen 5 jaren staat in de tabel hieronder (bedragen in € mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil20193– 5154202018– 73912021275– 713462022117– 63180202373– 78151 We hebben een aantal jaarverslagen van instellingen met een grootverschil tussen begroting en realiteit geanalyseerd. Daaruit blijkt dat hetverschil bestaat uit onverwachte middelen uit het bestuursakkoord, meersubsidiebaten, meer baten uit contractactiviteiten en het niet of laterinvullen van vacatures als gevolg van de personeelstekort in onderwijs.Daarnaast zijn er ook incidentele baten uit verkoop van panden. Ookgaven instellingen aan dat het financiële resultaat (rentebaten min -lasten)substantieel hoger is dan begroot, doordat de creditrente op liquidemiddelen hoger is dan was begroot. Het begrote financieel resultaatbedroeg voor 2023 –€ 16 mln., terwijl het werkelijke resultaat € 39 mln. is.27https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2024/04/24/referentieraming-ocw-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12516 De resultaten (saldo baten en lasten) van de hogescholen liggen tussen€ 26 mln. en –€ 14 mln.; de nettoresultaten liggen tussen € 29 mln. en–€ 12 mln.Analyse ontwikkeling baten en lastenIn onderstaande grafiek is het gemiddelde resultaat per groepering perjaar opgenomen. Duidelijk is dat het gemiddelde nettoresultaat al jarendaalt.Ten opzichte van 2022 zijn de totale baten toegenomen met € 349 mln. tot€ 6,04 mld. (6,2%). De belangrijkste bate is de eerste geldstroom(rijksbijdrage en collegegeld). De eerste geldstroom is toegenomen met€ 303 mln. (5,9%).De rijksbijdrage uit de eerste geldstroom is in zijn totaliteit toegenomenmet € 16 mln. tot € 4,5 mld. Uit onderzoek van een aantal jaarverslagen isgebleken dat de toename het gevolg is van de compensatie voor deontwikkeling van salarissen en materiële lasten, en van de bestuursak-koordmiddelen. Tevens geeft een aantal instellingen aan dat de baten zijngestegen door de voortzetting van de bestedingen in het kader dat van hetNationaal Programma Onderwijs. Sommige instellingen vermelden in hunjaarverslag dat de stijging van de rijkbijdrage wordt gedempt door het feitdat de compensatie halvering collegegelden is weggevallen. Het effect isongeveer € 300 mln.De hogere baten collegegelden zijn het gevolg van de afloop van demaatregel halvering collegegelden voor studiejaar 2021/2022 in verbandmet de corona. Daar staat tegenover dat het aantal studenten wel isgedaald.De totale lasten zijn in dezelfde periode toegenomen met € 439 mln. toteveneens bijna € 6 mld. (+ 8%.). De belangrijkste kostenpost zijn depersoneelslasten (79% van de operationele lasten). Mede door decao-onderhandelingen zijn de lasten in 2023 toegenomen met € 375 mln.(9%) ten opzichte van 2022.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12517 Het operationele resultaat 28 is in 2023 met € 90 mln. afgenomen tenopzichte van 2022 (–€ 72%) tot € 35 mln. Daarnaast is de positieveontwikkeling van het financiële resultaat (rentebaten min rentelasten)vermeldenswaardig. Het financiële resultaat bedroeg in 2023 € 39 mln.,terwijl het financiële resultaat in 2022 nog –€ 5 mln. was.Resumerend kan worden gesteld dat het nettoresultaat in vergelijking met2022 met € 44 mln. afnam tot € 73 mln. (–37,6%). De totale baten zijnweliswaar toegenomen met € 349 mln., maar dat was niet voldoende omde operationele lasten te dekken, die toenamen met € 439 mln. Vooral destijging van de personele lasten met € 375 mln. is hier debet aan. Hettekort wordt maar ten dele goedgemaakt door het hogere financiëleresultaat.InvesteringenInstellingen dienen de vaste activa regelmatig te onderhouden en tevernieuwen om de continuïteit te waarborgen.In onderstaande tabel staan de netto-investeringen (brutoinvesteringenmin de opbrengst van desinvesteringen) in het hbo. (Bedragen in € mln.)RealisatiesPrognoses202120222023202420252026Materiële vaste activa223336389Immateriële vaste activa121123Totaal235347412421404364Baten5.2745.6516.0006.0085.9105.834Investeringen t.o.v. baten4,46%6,14%6,87%7.01%6.84%6,24% (Verwachte) ontwikkeling kengetallen HBORealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit II0,530,530,570,530,540,530,520,51Liquiditeit1,091,121,271,231,201,060,960,89Rentabiliteit %0,050,395,232,211,21– 1,98– 1,58– 0,83 De solvabiliteit II steeg in 2023. Dit is het gevolg van een toename van heteigen vermogen met in totaal € 76 mln., de toename van de voorzie-ningen met € 23 mln. en de toename van de lang- en kortlopendeschulden respectievelijke € 15 mln. en € 44 mln. Daarmee steeg het totaalvermogen met € 156 mln.De spreiding van solvabiliteit II van de hogescholen is minimaal 0,31 enmaximaal 0,86.De solvabiliteit van alle instellingen blijft boven de signaalwaarde van 0,30die de inspectie hanteert.De liquiditeit was 2023 met 1,20 nagenoeg gelijk aan de gemiddeldeliquiditeit van 2022. De liquiditeit blijft in zijn totaliteit boven de signale-ringswaarden die de inspectie hanteert. De spreiding van de liquiditeit vande hogescholen is minimaal 0,14 en maximaal 4,04. Bij 5 instellingen isdie ratio onder de signaalwaarde.28Het operationeel resultaat bedraagt totale baten min totale lasten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12518 Ultimo 2023 is bij 3 instellingen de absolute waarde van de liquidemiddelen beneden de signaalwaarde van € 2 mln. die de inspectiehanteert.De inspectie bestudeert de jaarrekeningen van de hogescholen die onderde signaleringswaarden scoren, om de oorzaak te achterhalen en zo nodigaanvullende maatregelen te nemen.Er dient rekening mee te worden gehouden dat de investeringen en dekengetallen, die betrekking hebben op de prognoseperiode, zijn berekendvoor de taakstellingen van het huidige kabinet.Op 1 oktober 2024 staan 2 hbo-instellingen onder aangepast financieelcontinuïteitstoezicht van de inspectie.In onderstaande grafieken wordt de situatie van de solvabiliteit en deliquiditeit van de hogescholen eind 2023 weergegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12519 De komende jaren verwachten de hogescholen een lichte daling vansolvabiliteit II ten opzichte van het verslagjaar 2023. Het eigen vermogenneemt tussen eind 2023 en eind 2026 af met € 206 mln., voornamelijkdoor verwachte negatieve resultaten. Het totale vermogen neemt af met€ 251 mln. De liquiditeit laat een daling zien van 1,20 eind 2023 naar 0,89eind 2026. Dat is een gevolg van de afname van de vlottende activa,vooral van vorderingen en liquide middelen.Mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogenEr zijn 3 instellingen met een mogelijk bovenmatig eigen vermogen. Hetmogelijk bovenmatige deel is € 3,15 mln. (0,14% van het totale eigenvermogen van de sector).1.4.2 Wetenschappelijk onderwijs (wo) Over het verslagjaar 2023 hebben de universiteiten gezamenlijk eennegatief resultaat behaald van € 103 mln. (over 2022 was dat € 108 mln.positief), terwijl er een negatief resultaat van € 226 mln. was begroot. Eenoverzicht van de afgelopen 5 jaren staat in onderstaande tabel (bedragenin € mln.).JaarResultaatBegrotingVerschil2019121– 58179202049– 721142021210– 1533632022108– 1242322023– 103– 226123 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12520 Het werkelijke operationele resultaat (het saldo van baten en lasten) is in2023 negatief € 177. Dat is € 79 mln. hoger dan begroot. Weliswaar zijnde personele lasten hoger dan begroot, maar daar staan hogere batentegenover. De hogere baten betreffen voornamelijk baten uit werk inopdracht van derden, pro-rata btw. Het operatonele resultaat 2023 ligttussen € 13 mln. en –€ 39 mln.Het financiële resultaat (rentebaten en -lasten) was in 2023 substantieelhoger dan begroot, doordat de werkelijke creditrente op liquide middelenhoger is dan de begrote creditrente. Voor 2023 was een financieelresultaat begroot van –€ 9 mln., terwijl het werkelijk financieel resultaat€ 75 mln. is. Het nettoresultaat van 2023 ligt tussen € 12 mln. en –€ 29mln.In onderstaande grafiek staat het gemiddelde resultaat per groepering,per jaar. Duidelijk is dat het gemiddelde nettoresultaat voor 2023 onderdruk staat.29Ten opzichte van 2022 namen de totale baten met € 727 mln. toe tot bijna€ 9,9 mld. (+ 7,9%). De belangrijkste bate is de eerste geldstroom(rijksbijdrage plus collegegeld). De eerste geldstroom nam met € 507 mln.toe tot € 6,9 mld. (+8,0%).De rijksbijdrage uit de eerste geldstroom is in zijn totaliteit toegenomenmet € 247 mln. tot € 5,9 mld. (+ 4,4%). Uit onderzoek van jaarverslagen isgebleken dat de toename het gevolg is van de compensatie voor deontwikkeling van salarissen en materiële lasten, en de bestuursakkoord-middelen. Ook vermelden instellingen in hun jaarverslag dat de stijgingvan de rijkbijdrage wordt gedempt door het feit dat de compensatiehalvering collegegelden is weggevallen. Het effect van het wegvallen vande compensatie is ongeveer € 240 mln. De lagere collegegeldopbrengstenwerden namelijk voor het academisch jaar 2021–2022 gecompenseerd viade rijksbijdrage.29Met «UNIV» worden de algemene universiteiten bedoeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12521 De hogere baten collegegelden zijn het gevolg van de afloop van demaatregel halvering collegegelden voor studiejaar 2021/2022 in verbandmet de coronapandemie.Ten opzichte van 2022 stegen de operationele lasten met € 997 mln. tot€ 10 mld. (+ 11,0%). Met € 7,166 mld. vormen de personeelslasten debelangrijkste component van de operationele lasten (71,1%). De perso-neelslasten namen in 2023 toe met € 718 mln. (+11,1%).Resumerend kan worden gesteld dat het nettoresultaat ten opzichte van2022 met € 212 mln. afnam tot –€ 103 mln. (– 195.6%). De totale batennamen toe met € 727 mln., maar dat was niet voldoende om de operati-onele lasten te dekken, die zijn toegenomen met € 997 mln. Vooral destijging van de personele lasten, met € 718 mln., is hier debet aan. Hettekort wordt maar ten dele goedgemaakt door het hogere financiëleresultaat.InvesteringenIn onderstaande tabel staan de netto-investeringen (brutoinvesteringenmin de opbrengst van desinvesteringen) in het wo (bedragen in € mln.).RealisatiesPrognoses202120222023202420252026Materiële vaste activa715805786Immateriële vaste activa191518Totaal7348208049261.0481.108Baten8.6029.1709.89710.09810.39210.545Investeringen t.o.v. baten8.53%8.94%8,12%9,17%10,08%10,51% (Verwachte) ontwikkeling kengetallen woRealisatiesPrognoses20192020202120222023202420252026Solvabiliteit 20,540,530,540,500,460,430,420,40Liquiditeit1,020,970,950,910,880,740,620,58Rentabiliteit1,570,622.531,02– 0,99– 3,15– 1,41– 0,16 De solvabiliteit II daalde van 0,50 eind 2022 naar 0,46 eind 2023. Dit is hetgevolg van een daling van het eigen vermogen met in totaal € 107 mln.,de toename van de voorzieningen met € 60 mln. en de toename van delang- en kortlopende schulden respectievelijke € 655 mln. en € 185 mln.Daarmee steeg het totaal vermogen met € 791 mln.De solvabiliteit blijft boven de signaalwaarde van 0,30 die de inspectiehanteert.De liquiditeit is 0,88. In 2022 was deze 0,91. De daling is het gevolg vanmeer kortlopende schulden. De liquiditeit blijft boven de signalerings-waarden die de inspectie hanteert.In onderstaande grafieken wordt de liquiditeit en solvabiliteit per instellingweergegeven eind 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12522 De spreiding van solvabiliteit 2 is minimaal 0,32 en maximaal 0,89. Despreiding van de liquiditeit is minimaal 0,56 en maximaal 3,34. Geen vande instellingen komt onder de signaalwaarden die de Inspectie van hetOnderwijs hanteert.De komende jaren verwachten de universiteiten een verdere daling van desolvabiliteit. Oorzaken zijn de daling van het eigen vermogen (groepsver-mogen) eind 2026 met € 403 mln. ten opzichte van het eigen vermogeneind 2023. Het totale vermogen eind 2026 stijgt met € 135 mln. door detoename van het vreemd vermogen.Ook de liquiditeit daalt in de prognoseperiode. Dat is voornamelijk hetgevolg van de dalende vorderingen en liquide middelen. Het totaal aankortlopende schulden blijft bijna gelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12523 (Verwachte) ontwikkeling balanstotaal in verhouding met de totale baten wo(bedragen in € mln.).RealisatiesPrognose20192020202120222023202420252026Baten7.7017.8878.6029.1709.89710.09810.39210.545Balanstotaal7.8568.1148.4119.29610.0889.8089.87010.223 Er dient rekening te worden gehouden met het feit dat de investeringen,de baten, het balanstotaal, en de kengetallen over de prognoseperiodezijn berekend voordat de taakstellingen van het huidige kabinet bekendwaren.Mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen1 universiteit heeft een mogelijk bovenmatig publiek eigen vermogen van€ 0,42 mln. Dat is 0,01% van het totale eigen vermogen in de sector.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12524 balans en staat van baten en lasten onderwijsveld en per sectorDe cijfers uit de jaarrekeningen 2019–2023 staan op de DUO-website:DUO – Open onderwijsdataBijlage 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12525 Lijst met de instellingen onder aangepast financieel continuïteitstoezichtvan de inspectie, peildatum 1 oktober 2024.30BestuursnummerBestuursnaamSectoren bijbestuur24844VCO Oost Nederlandpo40740Stichting Vooruitstrevend Algemeen Hindoe OnderwijsNederlandpo42768Happy Kidspo42769Stichting Leren in de Tussenruimtepo94433Stichting Geert Groote Scholen te Amsterdampo42752Stichting Islamitisch Onderwijsvo42718Stichting voor Persoonlijk Onderwijs Geldermalsenvo29615Stichting Gerrit Rietveld Academiehbo30923Hogeschool der Kunstenhbo 30https://www.onderwijsinspectie.nl/onderwerpen/toezicht-op-financieel-beheer/besturen-onder-aangepast-financieel-toezichtBijlage 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 495, nr. 12526
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.