Kabinetsreactie op het rapport van de Inspectie J&V over de “Inburgering van statushouders die langdurig in de asielopvang verblijven”
Brontekst
Versie 2bc48c12d46aff45 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 824IntegratiebeleidNr. 452 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE EN DESTAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 april 2025Hierbij sturen wij u de kabinetsreactie op het rapport van de Inspectie J&Vover de «Inburgering van statushouders die langdurig in de asielopvangverblijven». We bedanken de inspectie voor het uitvoeren van ditonderzoek.Het is belangrijk dat asielzoekers en statushouders hun tijd in deCOA-opvang nuttig besteden met het leren van de taal, het doen vanvrijwilligerswerk of betaald werk. Wij zien ook dat de knelpunten in deopvang ervoor zorgen dat dit niet altijd mogelijk is.Langdurig verblijf in de opvangDe Inspectie J&V constateert correct dat statushouders lang in deasielopvang verblijven nadat zij hun asielstatus hebben gekregen. Dewachttijd voor statushouders in de asielopvang is te hoog en de uitstroomnaar huisvesting blijft achter. De Inspectie J&V beveelt aan om structureelsnellere uitstroom te realiseren, zodat de statushouder kan deelnemenaan de maatschappij en de gemeenten hun regierol kunnen nemen. Deonderzoekers voegen daaraan toe dat de effecten van het wetsvoorstelvoor een verbod op voorrang op sociale huurwoningen en de geplandeafschaffing van de gemeentelijke taakstelling gemitigeerd dienen teworden.Het kabinet vindt het belangrijk om grip op migratie te krijgen. Hiervoorheeft het kabinet onder andere al verschillende wetsvoorstellen ingedienden maatregelen genomen. De maatregelen dienen ervoor te zorgen dat deasielketen per direct en duurzaam wordt ontlast en de instroom vanasielzoekers en nareizigers daalt. Onderdeel van deze maatregelen is ookhet intrekken van de Spreidingswet. Deze intrekking, maar ook hetwijzigen van de Huisvestingswet en de doelen op het gebied vanparticipatie, integratie en arbeid zijn communicerende vaten. De maatre-gelen hebben directe impact op het asielsysteem, de woningvoorraad enhet inburgeringssysteem. Deze causaliteit maakt een samenhangendpakket noodzakelijk, met name voor de medeoverheden, om zo ook de kst-32824-452ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 824, nr. 4521 effecten van de (geplande) wetsvoorstellen te mitigeren. Onderdeel vandit pakket is het beperken van de instroom en het bevorderen vanuitstroom van statushouders naar huisvesting in de gemeente. Daarnaastwordt voor de langere termijn samen met de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening en de medeoverheden gewerkt aan eensamenhangend pakket van maatregelen om de woningvoorraad met«opstartwoningen» uit te breiden.Deze woningen zijn bedoeld voor onder andere statushouders enspoedzoekenden zodat meer urgenten hier baat bij hebben.Om ook op korte termijn uitstroom van statushouders te bevorderen heefthet kabinet ook een tweetal maatregelen genomen. Te weten 1) eeneenmalig bedrag voor gemeenten voor het overnemen van statushoudersvan het COA en 2) een doorontwikkeling van de doorstroomlocaties in devorm van een specifieke regeling met aangepaste voorwaarden voorgemeenten. Op 14 februari jl. is uw Kamer per brief hierover geïnformeerd(Kamerstuk 19 637, nr. 3383). Bij de regeling eenmalig bedrag zijn er tweeopties: statushouders kunnen worden gehuisvest in onzelfstandigehuisvesting in de bestaande woningvoorraad waardoor deze wordtvergroot (bij woningdelen) of een plek die niet geschikt is voor perma-nente bewoning.De doorstroomlocaties zijn locaties die gericht zijn op de huisvesting vanstatushouders. Deze locaties moeten daarmee ook voldoen aan de eisenvan huisvesting conform de huisvestingswet. Daarmee zijn er in de basiskwaliteitskaders voor deze vorm van huisvesting. Dat gemeenten enorganisaties (financieel) in staat moeten worden gesteld deze doorstroom-locaties te realiseren, zoals de Inspectie J&V aanbeveelt, onderstrepen wij.Met een specifieke regeling voorzien we in een vergoeding aangemeenten voor de kosten van een doorstroomlocatie. Gemeentenontvangen een normbedrag van 60 euro voor een plek die bezet wordtdoor een statushouder en een vergoeding voor de transitiekosten voor hetverbouwen van panden.De onderzoekers constateren daarnaast dat statushouders na hetverkrijgen van hun status nog regelmatig worden geconfronteerd metverhuisbewegingen. Des te belangrijker is het dat statushouders snel uitde opvang gaan. Het COA tracht verhuisbewegingen zoveel mogelijk tebeperken. Helaas zijn verhuizingen niet altijd te voorkomen. Het minimali-seren van het aantal verhuisbewegingen is een belangrijk uitgangspuntvan de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Door middel van eenintegrale aanpak in het asielproces zal het aantal verhuisbewegingenzoveel mogelijk dalen. Desalniettemin is het van belang dat er voldoendeasielopvang-capaciteit beschikbaar is en er minder afhankelijkheid is vantijdelijke opvangplekken. Met het COA zijn afspraken gemaakt over hettoegroeien naar en het aanhouden van een vaste voorraad van 41.000plekken die betaalbaarder zijn en waarmee samen met gemeentenlangjarig beleid gevoerd kan worden op en rondom een locatie, terverhoging van lokaal draagvlak. Indien deze 41.000 plekken niet volledignodig zijn voor asielopvang, kunnen deze worden gebruikt voor anderedoelgroepen zoals spoedzoekers. Met de vanaf 2027 beschikbaremiddelen in de begroting is het nog niet mogelijk om deze stabielecapaciteit van 41.000 opvangplekken aan te blijven houden. Daarmee is destructurele financiering van de vaste voorraad vooralsnog niet geborgd inde Rijksbegroting. Bij de voorjaarsnota zal hierover besluitvormingplaatsvinden.Knelpunten programma VoorinburgeringDe onderzoekers geven terecht aan dat er organisatorische knelpuntenzijn om voorinburgering aan alle inburgeringsgerechtigden aan te kunnenbieden. De aantallen gerechtigden fluctueren fors, waardoor het COA nietin staat is om (snel) capaciteit op te schalen als het aantal gerechtigdenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 824, nr. 4522 toeneemt. Daarnaast werkt het COA met noodopvanglocaties. Uitvoe-ringstechnisch is het niet altijd haalbaar om voorinburgering aan tebieden op deze locaties. Er liggen uitdagingen op verschillende terreinenzoals de tijdelijke aard van de noodopvanglocatie en het al dan nietaanwezig zijn van trainingsruimten/leslokalen en de benodigdeCOA-medewerkers. Het tekort aan personeel op de arbeidsmarkt zorgtervoor dat de formatie om de Voorinburgering uit te voeren niet altijdtoereikend is. Dit geldt met name voor Nt2-docenten.Daarnaast wil een deel van de inburgeringsplichtigen zelf niet deelnemenaan het vrijwillige programma. Het percentage inburgeringsplichtigevergunninghouders dat instemt met deelname aan Voorinburgering lag in2024 op 69%. Redenen om niet deel te nemen zijn o.a. het hebben van een(betaalde) baan, de start van inburgering of de teruggelopen motivatie naeen lange wachttijd.We hebben het COA gevraagd een plan te maken om verbeteringen doorte voeren aan zowel de aanbod- als vraagzijde. In 2025 worden daaromverschillende regionale initiatieven opgestart om het aantal deelnemersaan het programma Voorinburgering te verhogen. Het COA onderzoekthoe ze, ondanks de druk op de capaciteit, de doelgroep beter kunnenbereiken, door de beschikbare formatie flexibeler in te zetten en teonderzoeken of locaties meer kunnen samenwerken bij het organiserenvan geschikte faciliteiten in de vorm van een centrale leslocatie. Ook gaatCOA meer gebruik maken van het inkopen van taallessen bij externepartijen. Daarnaast brengt het COA beter in beeld welke factoren vaninvloed zijn op de motivatie van vergunninghouders en welke interventiesbijdragen aan een hogere deelname.Stagnerende inburgering na veertien weken bij uitblijven «vroegestart»De onderzoekers merken ook op dat het programma voorinburgering vanveertien weken kort is vergeleken met de gemiddelde verblijfsperiode vanstatushouders in de COA-opvang van vierendertig weken. Sinds deinwerkingtreding van de Wi2021 is het asiellandschap sterk veranderd. Deduur van het programma voorinburgering van veertien weken isgebaseerd op de normale situatie dat statushouders na veertien wekeneen woning toegewezen kregen. Nu is dit niet meer het geval door hetgebrek aan woningen. Dit heeft, zoals de inspectie aangeeft, gevolgenvoor de doorlopende leerlijn van het inburgeringstraject.Zoals al eerder gecommuniceerd in brieven aan uw Kamer in hetafgelopen jaar, hecht het kabinet veel waarde aan deze doorlopendeleerlijn in de vorm van de vroege start door gemeenten. Het is van belangdat nieuwkomers snel mee kunnen doen in de Nederlandse samenleving.Daarom vinden we het belangrijk dat, wanneer het mogelijk is, status-houders in het azc al starten met hun inburgering. In de Wi2021 is devroege start door gemeenten als ambitie geformuleerd en niet alsverplichting. We zien dat gemeenten willen, maar ook dat zij hierbijverschillende knelpunten ervaren. De afgelopen periode hebben we metgemeenten en ketenpartners gewerkt aan oplossingen voor de ervarenknelpunten bij het uitvoeren van de Vroege start om gemeenten testimuleren hiermee aan de slag te gaan.Een van de knelpunten is de reisafstand en daarmee de reiskosten voorhet volgen van taallessen vanuit de COA-opvang. Daarom hebben wesamen met COA een werkwijze ingericht voor een tijdelijke vergoedingvan reiskosten (openbaar vervoer) voor inburgeraars die al in eenopvanglocatie beginnen met het inburgeringstraject. Het gaat om eentotaalbedrag van circa 5,1 miljoen euro, verdeeld over 2025 en 2026.Een ander genoemd knelpunt voor de vroege start is dat de inburgerings-termijn al begint te lopen bij het starten van het traject, terwijl inburge-raars op een azc niet dezelfde randvoorwaarden hebben als inburgeraarsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 824, nr. 4523 die al gehuisvest zijn. Gemeenten aarzelen daarom met het starten vanhet inburgeringstraject op het azc. Daarom komt er een verlengingsgrondvoor asielstatushouders die al in een opvanglocatie van het COAbeginnen met het inburgeringstraject. Het kabinet hoopt met dezewijziging van de Regeling inburgering 2021 gemeenten te stimuleren metde vroege start aan de slag te gaan.Langdurig verblijf in de opvang staat integratie in de wegEr zijn meerdere programma’s en activiteiten waar statushouders aan deelkunnen nemen tijdens hun verblijf in de opvang om alvast aan integratieen participatie te werken. Zo is er het eerder genoemde programmaVoorinburgering en de Vroege start, maar ook het programma VroegeIntegratie en participatie (VrIP). Het programma VrIP omvat de activiteitenen werkzaamheden van het COA om goed en in een vroeg stadium aan tesluiten bij de kansen en talenten van bewoners, waardoor zij zo snelmogelijk kunnen participeren en integreren in Nederland. Asielzoekers enstatushouders kunnen hier aan deelnemen, ook na afronding van hetprogramma voorinburgering.Het programma VrIP bestaat, naast de kansrijke koppeling en taalles voorkansrijke asielzoekers, uit activiteiten voor een zinvolle dagbestedinggericht op integratie en participatie. Zo voert COA met alle COA-bewonerseen begeleidingsgesprek participatie waarin de casemanager de participa-tiemogelijkheden op en in de nabije omgeving van de opvanglocatiebespreekt. Daarnaast stimuleren en faciliteren de Meedoenbaliesasielzoekers en statushouders om mee te doen in de samenleving.Medewerkers van de Meedoenbalies begeleiden hen naar participatieacti-viteiten en vrijwilligerswerk. Er zijn Meedoenbalies op 38 van de ongeveer300 azc’s. Deze zijn verspreid over het hele land.We nemen de aanbevelingen van de Inspectie mee, ook in het licht vanhet samenhangend pakket van maatregelen op het gebied van migratie-integratie- en huisvestingsbeleid waar participatie, arbeid en inburgeringeen integraal onderdeel van uitmaken. We gaan onderzoeken of er binnende huidige financiële en juridische kaders meer opties zijn om dedoorlopende leerlijn in stand te houden. Het is belangrijk dat status-houders snel en volwaardig mee kunnen doen in de samenleving. Hetleren van de Nederlandse taal, bij voorkeur in combinatie met werk, isdaarbij essentieel.De Minister van Asiel en Migratie,M.H.M. Faber- van de KlashorstDe Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,I. CoenradieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 824, nr. 4524
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.