KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

16 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b5e175ae9b6b9db1 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgaveblz.I.ALGEMEEN21.Inleiding22.Achtergrond33.De voorgestelde aanpassingen63.1Hoofdlijnen van het voorstel63.2Bepalen van het inkomen op basis van hetwerkelijke rendement83.3Grondslag en waardering143.4Vervangen van het heffingvrije vermogen dooreen heffingsvrij resultaat173.5Invoering van de mogelijkheid tot verlies-verrekening183.6Aanpassing van de tariefstelling203.7Onroerende zaken203.8Startende ondernemingen273.9Verzekeringsproducten293.10Vorderingen en schulden353.11Verstrekking van gegevens over het vermogen374.Visie op belasten vermogen en samenhang tussenboxen384.1Visie op het belasten van vermogen384.2Samenhang tussen boxen395.Internationale aspecten415.1Verhouding tot hoger recht415.2Voorkoming van dubbele belasting435.3Emigratie445.4Caribisch Nederland (BES-eilanden)456.Overwogen alternatieven466.1Vermogenswinstbelasting466.2Belasting op basis van het reële werkelijkerendement496.3Handhaving van het huidige box 3-stelsel metverfijningen506.4Vermogensbelasting526.5Conclusie overwogen alternatieven53 kst-36748-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 31 7.Budgettaire effecten548.Gevolgen voor het bedrijfsleven en burger568.1Inkomenseffecten568.2Gedragseffecten598.3Administratieve lasten en administratieplicht618.4Beroep op het doenvermogen658.5Rechtsbescherming719.Uitvoeringsaspecten7110.Doelmatigheid en doeltreffendheid, monitoring enevaluatie7411.Advies en consultatie7511.1Advies Raad van de Rechtspraak7511.2Advies Adviescollege toetsing regeldruk7611.3Advies Autoriteit persoonsgegevens7811.4Internetconsultatie78II.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING83 I. ALGEMEEN 1. Inleiding Sinds de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001)heeft de belastingheffing over het inkomen uit sparen en beleggen(«box 3») een forfaitair karakter. Een forfaitaire heffing is voor zowelbelastingplichtigen als de Belastingdienst eenvoudig. Deze sluit echterniet goed aan op het rechtvaardigheidsbeginsel, omdat de te betalenbelasting niet afhangt van het werkelijke inkomen uit sparen en beleggen.Met dit wetsvoorstel stelt het kabinet voor om een nieuw stelsel voor debelastingheffing in box 3 in te voeren. In het nieuwe stelsel wordtinkomstenbelasting als hoofdregel geheven over het werkelijkerendement uit sparen en beleggen op basis van vermogensaanwas.Hierbij worden de werkelijke inkomsten uit vermogen en de (positieve ofnegatieve) waardeontwikkeling belast en zijn kosten aftrekbaar. Vooronroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startendeondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogens-winstbelasting. Daardoor wordt waardeontwikkeling voor deze vermo-gensbestanddelen belast bij realisatie, zoals bij verkoop. De reguliereinkomsten van onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen vanstartende ondernemingen, zoals huur en dividend, zijn belast in het jaarwaarin zij worden ontvangen.Paragraaf 2 gaat in op de achtergrond van het wetsvoorstel. Paragraaf 3bevat een beschrijving van de voorgestelde aanpassingen, paragraaf 4beschrijft de visie op het belasten van vermogen en de samenhang tussende boxen en paragraaf 5 gaat in op de internationale aspecten.Paragraaf 6 gaat in op overwogen alternatieven. In paragrafen 7 tot enmet 9 zijn de effecten geschetst van het wetsvoorstel: budgettair, voorbelastingplichtigen en het bedrijfsleven en voor de uitvoering. Tot slotbieden paragrafen 10 en 11 informatie over de toekomstige evaluatie enover de adviezen die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zijnverkregen.De introductie van een heffing op basis van werkelijk rendement heeftgrote uitvoeringsgevolgen. Het voorstel zorgt voor een toename vancomplexiteit en betekent dat toezicht en handhaving lastiger worden. Vooruitvoering van een heffing op basis van werkelijk rendement is aanzien-lijke uitbreiding van de personele capaciteit van de Belastingdienst nodig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 32 2. Achtergrond Historie en aanleidingHuishoudens ontlenen draagkracht aan hun spaargeld of beleggingen. Zeontvangen bijvoorbeeld rente of dividend. Ook kunnen ze vermogens-winst maken op de beurs of doordat een tweede woning meer waardwordt. Sinds de invoering van het boxenstelsel in 2001 wordt hetrendement uit sparen en beleggen belast in box 3. Deze paragraaf gaat inop de overwegingen die bij invoering van box 3 een rol speelden en deaanleiding om het huidige (forfaitaire) stelsel te vervangen.De manier waarop het (inkomen uit) vermogen vóór 2001 werd belastkende een aantal problemen. Vóór 2001 werden de directe inkomsten uitvermogen in de vorm van bijvoorbeeld rente, dividend en huur belast,verminderd met kosten en rekening houdend met een dividend- enrentevrijstelling. Omdat vermogenswinsten niet belast werden, was hetaantrekkelijk om belaste inkomsten zoals rente en dividend om te zetten inonbelaste vermogenswinsten. Er kwamen bijvoorbeeld spaarproductenwaarbij de rente werd omgezet in waardestijging van het vermogensbe-standdeel zelf. Omdat vermogenswinsten niet belast werden en betaalderente wel aftrekbaar was, was het ook aantrekkelijk om te beleggen metgeleend geld.Naast de heffing over inkomsten uit vermogen was er een afzonderlijkevermogensbelasting (in 2000 gold een tarief 0,7% en een vrijstelling van, 200.000 voor een ongehuwde belastingplichtige en , 250.000 voor eengehuwde belastingplichtige). Om te voorkomen dat belastingplichtigenmeer dan 68% van het inkomen moesten gebruiken voor de betaling vanhet gezamenlijke bedrag aan inkomstenbelasting en vermogensbelasting,gold een samenloopregeling die in die situaties zorgde voor een teruggaafvan vermogensbelasting.Als oplossing voor de problemen in het stelsel van vóór 2001 – met namehet feit dat vermogenswinsten onbelast bleven en de constructiegevoe-ligheid als gevolg daarvan – werd per 2001 box 3 ingevoerd als onderdeelvan de Wet IB 2001. In box 3 gold tot en met 2016 een vast forfaitairrendement van 4% waarover de belastingplichtige belasting wasverschuldigd. Door de geleidelijk dalende rente kwam het forfaitairerendement van 4% voor belastingplichtigen met (vooral) spaargeld steedsverder af te staan van het werkelijke rendement. Per 2017 is het stelsel vanbox 3 aangepast met als doel om het forfaitaire rendement beter aan telaten sluiten bij het werkelijke rendement. In de eerste plaats door depercentages van het forfait te berekenen op basis van gemiddeldefeitelijke rendementen en in de tweede plaats door afhankelijk van dehoogte van het vermogen een andere onderverdeling van het vermogenin sparen en beleggen te veronderstellen.De forfaitaire stelsels hebben geleid tot veel maatschappelijke kritiek. Eenbelangrijk punt van kritiek is dat belastingplichtigen in bepaalde gevallenbelasting moeten betalen over een inkomen dat ze in werkelijkheid niethebben genoten. Hierbij is de spaarrekening een duidelijk voorbeeld,doordat de spaarrente jarenlang rond nihil schommelde. De tegenhangerhiervan is dat belastingplichtigen die in de praktijk een hoog rendementop hun vermogen hebben behaald, daar relatief weinig belasting overbetalen. Dat niet eerder is gekozen voor een stelsel op basis van werkelijkrendement heeft veel te maken met de uitvoerbaarheid voor de Belasting-dienst en de eenvoud van het forfaitaire box 3-belastingstelsel voorbelastingplichtigen. Een forfaitair stelsel is immers relatief eenvoudig tebegrijpen en uit te voeren. Dat een stelsel bij inwerkingtreding eenvoudigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 33 is en als begrijpelijk en rechtvaardig wordt ervaren, wil niet zeggen dat ditaltijd zo blijft. Dat ongelijke gevallen in box 3 omwille van de eenvoudgelijk worden behandeld, leidt tot onbegrip. Het sluit niet aan bij hetrechtvaardigheidsgevoel.Het kabinet stelt daarom voor om een nieuw box 3-stelsel in te voeren opbasis van werkelijk rendement. Een ontwikkeling die hier extra urgentieaan toevoegt, is het arrest van de Hoge Raad (HR) van 24 december 20211(het zogenoemde Kerstarrest) en de arresten van 6 juni 20242, 14 juni20243 en 20 december 20244. De HR oordeelde in het Kerstarrest dat hetbox 3-stelsel, zoals dat gold in 2017 en 2018, in strijd is met het eigen-domsrecht en discriminatieverbod van het Europees Verdrag voor deRechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in degevallen waarin het werkelijk behaalde rendement lager is dan hetforfaitair berekende rendement. Als reactie hierop is de Wet rechtsherstelbox 3 met een aangepast forfaitair stelsel ingevoerd voor de belasting-jaren 2017–2022. Omdat invoering van een stelsel op basis van werkelijkrendement een aantal jaren voorbereiding vergt, is na het Kerstarrest voorde tussenliggende jaren een door de Overbruggingswet box 3 aangepastforfaitair box 3-stelsel ingevoerd in de Wet IB 2001. In de hiervoorgenoemde arresten van juni 2024 heeft de HR geoordeeld dat ditaangepaste forfaitaire stelsel nog steeds in strijd is met het eigendoms-recht en discriminatieverbod. Op basis van de arresten van de HR moetenbelastingplichtigen met een lager werkelijk rendement dan het forfaitairerendement de gelegenheid krijgen om dit te stellen en, in geval vanbetwisting, aannemelijk te maken. Als het werkelijke rendement over hungehele vermogen lager is dan het forfaitaire rendement, dan moet debelasting worden verminderd zodat alleen belasting wordt geheven overhet werkelijke rendement. Op deze wijze heeft de HR een tegenbewijsre-geling voor box 3 geïntroduceerd. Met het oog op de duidelijkheid enrechtszekerheid heeft het kabinet voorgesteld om deze tegenbewijsre-geling te codificeren. Hiertoe is een separaat wetsvoorstel voorbereidwaarin een tegenbewijsregeling is opgenomen die zal gelden in detussenliggende jaren tot de invoering van een stelsel op basis vanwerkelijk rendement.5 Een forfaitair stelsel met tegenbewijsregeling is niethet gewenste eindbeeld.6 Het kabinet vindt het wenselijk en rechtvaardigom niet alleen voor belastingplichtigen die tegenbewijs leveren, maarvoor alle belastingplichtigen een stelsel in te voeren op basis vanwerkelijk rendement.De voorgaande kabinetten hebben verschillende verkenningen uitgevoerdnaar de mogelijke vormgeving van een vermogensrendementsheffing diebeter aansluit bij het werkelijke rendement. Deze verkenningen hebbenonder andere geresulteerd in de voortgangsrapportage «Heffing box 3 opbasis van werkelijk rendement»7, het «Keuzedocument box 3»8 en hetPwC-rapport naar de praktische uitvoerbaarheid van een heffing op basisvan werkelijk rendement.9 Het kabinet heeft deze verkenningen als basisgebruikt voor de verdere uitwerking van het nieuwe stelsel.1HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.2HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.3HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.4HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1788.5Kamerstukken II 2024/25, 36706.6Zie voor een nadere toelichting paragraaf 6.3, waarin onder andere de bezwaren wordenbeschreven tegen een forfaitair stelsel met tegenbewijs.7Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6 (bijlage).8Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 83 (bijlage).9Kamerstukken II 2020/21, 35 572, nr. 92 (bijlage).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 34 Box 3 in cijfersAlle inwoners van Nederland komen in beginsel in aanmerking voorbelastingheffing in box 3. In 2025 betalen naar schatting echter minderdan drie miljoen van hen daadwerkelijk belasting in box 3, omdat de resteen lager box 3-vermogen heeft dan het heffingvrije vermogen van€ 57.684. In dit wetsvoorstel zijn ook drempels voorgesteld om het aantalbelastingplichtigen in box 3 te beperken. Iedere belastingplichtige kanstraks belasting in box 3 gaan betalen als het inkomen (resultaat) uitvermogen voldoende hoog is. Onderstaande cijfers geven inzicht in deomvang van het vermogen in box 3. Huishoudens kunnen ook vermogenhebben in box 1 (bijvoorbeeld de eigen woning of ondernemingsver-mogen) of box 2 (ten minste 5% aandelen in een vennootschap). Datvermogen valt niet in box 3.De laatste volledige cijfers10 zijn van 1 januari 2022. Nederlanders haddengezamenlijk voor € 849 miljard aan box 3-bezittingen, tegen € 309 miljardbox 3-schulden. Onderstaand histogram toont de verdeling van ditvermogen over de verschillende vermogensgroepen. Te zien is dat 84%van de mensen (de twee linker groepen) een vermogen in box 3 vanminder dan € 50.000 per persoon had. De groep met een box 3-vermogenvan meer dan € 1 miljoen per persoon telt ongeveer 0,4% van de mensen,maar bezat in 2022 ongeveer 30% van al het vermogen in box 3.De € 849 miljard aan bezittingen in box 3 bestond uit € 389 miljardspaargeld, € 211 miljard onroerende zaken, € 184 miljard effecten en€ 66 miljard overige bezittingen. Deze overige bezittingen bestaan vooreen relatief groot deel uit vorderingen, maar omvatten ook kapitaalverze-keringen, cryptovaluta, aandelen in reservefondsen van verenigingen vaneigenaren (VvE’s) en andere bezittingen. Uit onderstaand histogram blijktdat de grote groep met een box 3-vermogen tussen de € 0 en € 50.000bijna uitsluitend spaargeld bezit. Ook de groep met een vermogen tussende € 50.000 en € 250.000 bezit veel spaargeld. Bij grotere vermogensneemt de relatieve omvang van de schulden, effecten, onroerende zakenen overige bezittingen toe. Zestien procent van de Nederlanders had eennegatief box 3-vermogen: meer schulden dan bezittingen. De totale10Deze cijfers zijn gebaseerd op de belastingaangifte van het jaar 2022 en de IPO-steekproef vanhet Centraal Bureau voor de Statistiek uit 2018.Figuur 1 – Het box 3-vermogen van volwassen belastingplichtigenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 35 omvang van de schuld bij deze groep was in 2022 groot, vermoedelijkomdat een klein deel van hen een grote schuld bij de eigen vennootschaphad opgebouwd.3. De voorgestelde aanpassingen 3.1 Hoofdlijnen van het voorstel Het kabinet stelt voor om in box 3 inkomstenbelasting te heffen op basisvan het werkelijk behaalde rendement van vermogen. De belasting wordtals hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Hetstelsel beoogt het totale (werkelijke) rendement van vermogen in deheffing te betrekken. Daarbij wordt jaarlijks belasting geheven over dereguliere voordelen uit vermogen (zoals rente, dividend, huur en pacht) ende gerealiseerde en ongerealiseerde waardeontwikkeling van vermogens-bestanddelen in het betreffende jaar (zoals koerswinst of koersverlies overaandelen), minus kosten. Gerealiseerde waardeontwikkelingen doen zichbijvoorbeeld voor bij verkoop. Ongerealiseerde waardeontwikkelingendoen zich voor als het vermogensbestanddeel daadwerkelijk in waarde isgestegen of gedaald, maar deze waardeontwikkeling nog niet te gelde isgemaakt. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen vanstartende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel eenvermogenswinstbelasting. De waardeontwikkeling van onroerende zakenen aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen wordtbelast als deze is gerealiseerd, namelijk te gelde is gemaakt zoals bijverkoop van het vermogensbestanddeel of wanneer er geen sprake meeris van een startende onderneming.Met dit stelsel wordt het werkelijke rendement van vermogen belast. Deforfaitaire vaststelling van het inkomen uit sparen en beleggen komt tevervallen. Een belasting over het werkelijke inkomen uit vermogen achthet kabinet rechtvaardiger dan het huidige forfaitaire regime omdat hetbeter aansluit bij de werkelijke draagkracht van een belastingplichtige. Hetkabinet heeft verschillende Kamerbrieven gestuurd over de vormgevingvan het nieuwe box 3-stelsel.11 In deze brieven en in de debatten daaroverheeft de keuze centraal gestaan of bij het belasten van het werkelijke11Onder meer: Kamerstukken II 2021/22, 32 140, nr. 105; Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139;Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 145.Figuur 2 – Het totale box 3-vermogen van volwassen belastingplichtigen uitgesplitstTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 36 rendement sprake moet zijn van een vermogensaanwasbelasting ofvermogenswinstbelasting.In dit voorstel geldt een vermogensaanwasbelasting als hoofdregel.Vermogensaanwas wordt als draagkrachtvermeerderende factor gezien.Door het jaarlijks belasten van vermogensaanwas wordt niet gewachttotdat het voordeel feitelijk wordt gerealiseerd. Van jaar tot jaar wordtgeheven op basis van de vermogensaanwas die dat belastingjaar isopgetreden. Een vermogensmutatie kan ook negatief zijn. Met eenvermogensaanwasbelasting wordt langdurig uitstel van belastingheffingvoorkomen. Ook wordt voorkomen dat belastingplichtigen en keten-partners zoals banken en verzekeraars langdurig gegevens moetenbijhouden over historische kostprijzen en investeringen. Een nadeel vaneen vermogensaanwasbelasting is voor belastingplichtigen echter datbelasting wordt geheven over waardeontwikkelingen die zij nog niet tegelde hebben gemaakt. Dit nadeel speelt met name een rol bij vermo-gensbestanddelen die niet eenvoudig te gelde te maken zijn. Dit zijnbovendien vaak vermogensbestanddelen waarvoor de gegevens nietworden aangeleverd door ketenpartners, waardoor de vanuit keten-partners geschetste nadelen ten aanzien van een vermogenswinstbe-lasting hier een minder grote rol spelen. Daarom wordt een uitzonderingvoorgesteld voor onroerende zaken en aandelen in startende onderne-mingen. Bij deze vermogensbestanddelen wordt de waardeontwikkelingbelast als deze gerealiseerd is. Een uitgebreidere uiteenzetting van devoor- en nadelen van een vermogenswinstbelasting ten opzichte van eenvermogensaanwasbelasting is opgenomen in hoofdstuk 6.In het nieuwe stelsel worden alle voordelen die worden verkregen uit debezittingen en schulden in de heffing betrokken, tenzij specifiekevoordelen expliciet worden uitgezonderd. Dit wordt in paragraaf 3.2 nadertoegelicht. Ook het onderdeel kostenaftrek komt in die paragraaf aan bod.Het uitgangspunt is dat het nieuwe stelsel geldt voor alle vermogensbe-standdelen die in het huidige box 3-stelsel vallen. Het geldt dus niet voorvermogen dat in box 1 of box 2 valt. De huidige vrijstellingen blijven instand, tenzij de overgang naar werkelijk rendement aanleiding geeft omeen vrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen. Deze gevallenworden toegelicht in paragraaf 3.3. De hoofdregel voor de waardering is,net als nu, dat bezittingen en schulden worden gewaardeerd naar dewaarde in het economische verkeer.De overgang naar een stelsel van belastingheffing op basis van werkelijkrendement leidt ook tot een aantal andere aanpassingen. Zo zal hetheffingvrije vermogen worden omgezet in een heffingsvrij resultaat(paragraaf 3.4). Omdat het werkelijke inkomen in een belastingjaar– anders dan bij het huidige forfaitaire inkomen – negatief kan zijn alsgevolg van negatieve waardemutaties of kostenaftrek, wordt demogelijkheid van verliesverrekening (paragraaf 3.5) geïntroduceerd. Inparagraaf 3.6 wordt het tarief dat in het nieuwe stelsel zal geldentoegelicht.De behandeling van onroerende zaken wordt toegelicht in paragraaf 3.7.De behandeling van aandelen in of winstbewijzen van startende onderne-mingen wordt toegelicht in paragraaf 3.8. Enkele bijzonderheden metbetrekking tot vorderingen, schulden en verzekeringsproducten komenaan bod in paragrafen 3.9 en 3.10. Paragraaf 3.11 gaat in op de leveringvan gegevens over het vermogen door de Belastingdienst aan andereuitvoeringsorganisaties, zoals de Dienst Toeslagen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 37 Dit wetsvoorstel bevat de aanpassingen die nodig zijn in de Wet IB 2001en enkele andere belangrijke aanpassingen in andere wetten. Daarnaastzal er een separaat wetgevingstraject volgen voor een aanpassingswet.Met een aanpassingswet worden een groot aantal kleine wijzigingenvoorgesteld die nodig zijn vanwege het onderhavige wetsvoorstel. Hetgaat dan bijvoorbeeld om verwijzingen in andere wetten naar eenwetsartikel dat is gewijzigd.3.2 Bepalen van het inkomen op basis van het werkelijkerendement Het inkomen uit sparen en beleggen op basis van werkelijk rendementbestaat uit een heffing over alle voordelen behaald met bezittingen enschulden in box 3. Hiermee wordt het totale voordeel behaald metbezittingen en schulden belast. Kosten zijn in beginsel aftrekbaar.Het voordeel bestaat enerzijds uit reguliere voordelen, zoals rente opspaartegoeden of dividend bij aandelen. Doordat alle voordelen (inclusiefde voordelen in natura) tot het werkelijke rendement behoren, kan ook heteigen gebruik van een vermogensbestanddeel, zoals eigen gebruik vanonroerend goed, een belastbaar voordeel opleveren. Behalve regulierevoordelen leveren bezittingen ook indirect rendement op in de vorm vanwaardeontwikkelingen. Het kan gaan om gerealiseerde en om ongereali-seerde waardeontwikkelingen. Een voorbeeld van een gerealiseerdewaardemutatie is de winst (of het verlies) bij de verkoop van aandelentegen een hogere (of lagere) koers dan waarvoor deze aandelen warengekocht. Een ongerealiseerde waardemutatie doet zich voor als deaandelen in een kalenderjaar een hogere of lagere koers hebben dan bijaanschaf, maar de aandelen nog niet zijn verkocht. Zowel bij realisatie alsbij het aanhouden van de aandelen behaalt de belegger rendement.VermogensaanwasbelastingVoor box 3 wordt als hoofdregel een vermogensaanwasbelastingvoorgesteld. De grondslag voor de vermogensaanwasbelasting bestaat uitde (positieve of negatieve) reguliere voordelen en uit de (positieve ofnegatieve) vermogensaanwas, verminderd met de aftrekbare kosten. Devermogensaanwas wordt bepaald door de volgende vermogensverge-lijking:(1)het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan het eindvan het kalenderjaarjaar van de bezittingen en schulden en de waardein het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar van debezittingen en schulden;(2)verminderd met de stortingen; en(3)vermeerderd met de onttrekkingen.Vermogen dat wordt ingebracht in box 3 en onder de vermogensaanwas-belasting gaat vallen, wordt aangemerkt als een storting. De verminderingmet de stortingen zorgt ervoor dat elementen die wel leiden tot een hogereindvermogen maar niet het resultaat zijn van een vermogensaanwasbuiten de vaststelling van het voordeel blijven. Omgekeerd wordtvermogen dat aan het vermogensaanwasregime wordt onttrokken weerbij het eindvermogen opgeteld. Stortingen en onttrekkingen worden inaanmerking genomen tegen de waarde in het economische verkeer tentijde van de storting onderscheidenlijk de onttrekking. Hierdoor worden dewaardemutaties belast die zich voordoen na het moment dat vermogenonder het vermogensaanwasregime valt en voor het moment dat hetvermogen het vermogensaanwasregime verlaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 38 VermogenswinstbelastingVoor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen wordtvoorgesteld om deze uit te zonderen van het vermogensaanwasregime.Hiervoor zal een vermogenswinstbelasting gelden, waarbij in principe dewaardeontwikkeling voor deze vermogensbestanddelen wordt belast bijrealisatie, zoals bij verkoop. Het resultaat dat wordt behaald met onroe-rende zaken of met aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming bestaat uit de reguliere voordelen (zoals ontvangendividend en andere winstuitkeringen of huur en pacht) verminderd met deaftrekbare kosten, en de vervreemdingsvoordelen. Het vervreemdings-voordeel wordt bepaald door de koopprijs van de verkoopprijs af tetrekken. Dit vervreemdingsvoordeel wordt gecorrigeerd voor de kostendie ten behoeve van een aankoop worden gemaakt, de verbeteringskostenen voor de kosten die worden gemaakt ten behoeve van de vervreemding.Het bepalen van het inkomen voor zowel de vermogensaanwas- als devermogenswinstsystematiek wordt geïllustreerd aan de hand van eenaantal voorbeelden.Voorbeeld 1 – aandelenGerwin heeft een aandeel in box 3, waarvoor de vermogensaanwas-belasting geldt. Het aandeel is aan het begin van jaar 1 € 1.000waard. Eind jaar 1 is dat aandeel € 1.010 waard en eind jaar 2 is dewaarde € 1.020. In jaar 1 en 2 is er dus een waardestijging van € 10in elk jaar. Het ontvangen dividend in jaar 1 is € 20 en in jaar 2 € 25.Gerwin verkoopt het aandeel in jaar 3 voor € 1.150, de waarde-stijging in jaar 3 bedraagt € 130. Er zijn geen kosten in dit voorbeeld.Het totale voordeel bedraagt de eindwaarde minus de beginwaarde(€ 1.150 -/- € 1.000, oftewel € 150), plus € 45 dividend is € 195.Jaar 1Jaar 2Jaar 3TotaalWaarde 1 januari€ 1.000€ 1.010€ 1.020Aanwasvoordelen€ 10€ 10€ 130€ 150Reguliere voordelen€ 20€ 25€ 0€ 45Belastbaar voordeel€ 30€ 35€ 130€ 195 Voorbeeld 2 – onroerende zaakRita koopt in jaar 1 een onroerende zaak die in box 3 hoort, waarvoorde vermogenswinstbelasting geldt. De onroerende zaak heeft eenkostprijs van € 500.000. De onroerende zaak wordt verhuurd. Deontvangen huur is in jaar 1 € 20.000 en in jaar 2 en 3 elk jaar€ 25.000. Rita verkoopt de onroerende zaak in jaar 3 voor € 520.000.Er zijn geen kosten in dit voorbeeld.Het totale voordeel bestaat uit de belaste vermogenswinst(€ 520.000 -/- € 500.000, oftewel € 20.000), plus € 70.000 aan huur.Het behaalde voordeel is dus € 90.000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 39 Jaar 1Jaar 2Jaar 3TotaalBelaste vermogenswinst€ 0€ 0€ 20.000€ 20.000Reguliere voordelen€ 20.000€ 25.000€ 25.000€ 70.000Belastbaar voordeel€ 20.000€ 25.000€ 45.000€ 90.000 Voorbeeld 3 – bankrekeningWillem heeft op 1 januari 2028 € 20.000 op zijn bankrekening staan.Gedurende het jaar ontvangt hij € 45.000 aan salaris. Dit zijnstortingen in zijn box 3-vermogen. Daarnaast doet hij voor € 40.000aan privéuitgaven. Dit zijn onttrekkingen aan zijn box 3-vermogen.Ook ontvangt hij € 400 rente. Eind 2028 staat er € 25.400 op zijnbankrekening. Er zijn geen aftrekbare kosten. Willem heeft geenander box 3-vermogen.Het jaarvoordeel bestaat uit de € 400 aan ontvangen rente. Deberekening van het jaarvoordeel is in onderstaande vermogensver-gelijking weergegeven.Berekening jaarvoordeel 2028Eindvermogen 2028€ 25.400Beginvermogen 2028€ 20.000Eindvermogen minus beginvermogen€ 5.400Af: stortingen€ 45.400Bij: onttrekkingen€ 40.000Vermogensmutatie€ 0Reguliere voordelen (rente)€ 400Jaarvoordeel€ 400 Dit is de theoretische benadering op basis van een vermogensverge-lijking. Bij bankrekeningen en spaarrekeningen in euro’s waarvan debelastingplichtige zelf de volle eigendom heeft, zal het voordeel ter zakevan die bank- of spaarrekening alleen uit de rente bestaan, minusbankkosten. In de praktijk zal het daardoor niet nodig zal zijn om allestortingen en onttrekkingen van een bankrekening in euro’s bij te houdenom het werkelijke rendement te berekenen. Beoogd wordt dat keten-partners de benodigde gegevens zo veel mogelijk renseigneren aan deBelastingdienst voor de vooraf ingevulde aangifte. Voor banktegoeden ineuro’s zullen de ketenpartners de waarde op 1 januari, de ontvangen renteen de bankkosten renseigneren.ZakelijkheidsbeginselIn gelieerde verhoudingen (bijvoorbeeld tussen ouder en kind of tussende belastingplichtige met de eigen vennootschap) kunnen transactiesworden gesloten met voorwaarden die afwijken van tussen derdengesloten vergelijkbare transacties. Dit biedt de mogelijkheid om verliezente creëren die bij zakelijke, vergelijkbare transacties niet zouden optreden.Zo zou de heffing in box 3 kunnen worden vermeden. De zakelijkheids-toets zoals gehanteerd binnen box 1 en box 2 geldt ook voor het inkomenuit sparen en beleggen. Voor de bepaling van het inkomen moet zakelijkgehandeld worden.Toepassing van het zakelijkheidsbeginsel gaat constructies met onzake-lijke vergoedingen in de verhouding tot box 1 en box 2 tegen en brengtdaarnaast meer evenwicht tussen de winst- en de box 3-sfeer. Deondernemer of de vennootschap dient immers op basis van het totaal-winstbeginsel eveneens zakelijk te handelen. Als binnen box 3 geenzakelijkheidstoets zou gelden, zou sprake zijn van een mismatch in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 310 heffing. Toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in box 3 brengtbijvoorbeeld bij een lening van de eigen vennootschap meer evenwichttussen aftrek van rente in box 3 en het zakelijke bedrag aan rente dat bijde vennootschap in aanmerking genomen wordt in de vennootschapsbe-lasting. Ook buiten de relatie met box 1 of box 2 kunnen prijzen verzake-lijkt worden. Bijvoorbeeld in het geval van verkoop van aandelen door eenouder aan zijn of haar kind tegen een lager bedrag dan de waarde in heteconomische verkeer. Dergelijke transacties vormen een onttrekking. Doorde onttrekking te waarderen op de waarde in het economische verkeerwordt het inkomen op zakelijke wijze bepaald.Voorbeeld 4 – zakelijkheidsbeginselPiet heeft op 1 januari van jaar 1 aandelen met een waarde van € 95.Op 1 mei verkoopt Piet de aandelen met een werkelijke waarde vanop dat moment € 100 voor een bedrag van € 1 aan zijn dochterEmma. Eind jaar 1 zijn de aandelen € 105 waard. Op 1 februari vanjaar 2 keldert de koers en verkoopt Emma de aandelen voor € 80.Voor Piet houdt deze transactie een onttrekking in van € 100 (€ 99vanwege de bevoordeling en € 1 resultaat vanwege de verkoop).Voor Emma betekent dit een storting in haar belast vermogen van€ 100 (€ 99 vanwege de bevoordeling en € 1 omdat ze dat heeftbetaald voor de koop).De uitkomst van Piet en Emma gecombineerd komt overeen met detotale waardemutatie, het verschil tussen € 95 (waarde begin jaar 1)en € 80 (waarde bij verkoop), namelijk een waardedaling van € 15.Beschikbaarheid voor gebruikDoordat alle voordelen (inclusief de voordelen in natura) tot het werkelijkerendement behoren, wordt ook de waarde van eigen gebruik vanbezittingen tot het inkomen uit vermogen gerekend. Economisch gezienleidt het eigen gebruik door de belastingplichtigen van een box 3-bezittingtot een voordeel. Deze situatie zal zich voordoen bij het gebruik vanfysieke goederen, zoals onroerende zaken. Het genot uit het (kunnen)gebruiken van de bezitting, zoals woongenot van een (tweede) woning,kan worden gewaardeerd. In de winstsfeer leidt bijvoorbeeld het in privéTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 311 gebruiken van een woning die tot het ondernemingsvermogen isgerekend tot een winstbijtelling op basis van een percentage van deWOZ-waarde. Overeenkomstig leidt ook de beschikbaarheid voor gebruikvan een onroerende zaak die tot het box 3-vermogen behoort tot een inbox 3 belastbaar voordeel in de vorm van de economische huurwaardevan die onroerende zaak. Voor onroerende zaken zal de economischehuurwaarde voor de beschikbaarheid voor gebruik op basis van eenvastgoedbijtelling in de belastinggrondslag worden betrokken.Overigens blijven roerende zaken voor eigen gebruik, zoals auto’s,caravans en boten, net als in het huidige box 3-stelsel buiten de belasting-heffing. Een uitzondering geldt voor roerende zaken die hoofdzakelijk terbelegging worden aangehouden, wat bijvoorbeeld bij een kunstcollectiehet geval kan zijn. Aangezien deze roerende zaken hoofdzakelijk terbelegging worden aangehouden wordt in dat geval het eigen gebruik nietbelast.Toerekening van inkomenUitgangspunt is dat elke belastingplichtige zijn eigen inkomen uit zijnvermogen aangeeft. Het bezit van het vermogen is daarbij richtinggevend.Voor vermogen dat tot een (beperkte) gemeenschap van goederenbehoort, gaat het om de gerechtigdheid daarin. Voor fiscale partnerswordt het inkomen van beide partners samen bepaald en geldt vrijetoerekening van het gezamenlijke inkomen in box 3.Genietingstijdstip reguliere voordelenReguliere voordelen worden als hoofdregel belast op het moment dat debelastingplichtige er de beschikkingsmacht over krijgt (kasstelsel). Meestalis dat op het moment dat de voordelen worden ontvangen. Daarnaast isdit het geval wanneer de reguliere voordelen worden verrekend, terbeschikking gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaarzijn geworden. Dit sluit aan bij het genietingstijdstip dat gold onder deWet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) en bij het momenteelgeldende genietingstijdstip voor onder meer loon en reguliere voordelenuit aanmerkelijk belang. Reguliere voordelen die betrekking hebben opeen tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvak dat meer dan zesmaanden voor het begin van het kalenderjaar is aangevangen, wordentoegerekend aan het kalenderjaar waarop zij betrekking hebben. Doorvoor langere periodes het vorderingenstelsel te hanteren, wordtvoorkomen dat belastingplichtigen hun inkomsten langdurig naar detoekomst kunnen verschuiven.Voorbeeld 5 – genietingstijdstipXavier ontvangt op 15 januari 2029 € 100 dividend op zijn aandelenin box 3. Het dividend heeft betrekking op het kalenderjaar 2028.Omdat Xavier het dividend in 2029 ontvangt, is het in 2029 belast.Aftrekbare kostenNaast opbrengsten zijn er kosten verbonden aan inkomen uit bezittingenen schulden, zoals onderhoudskosten of beheerkosten. Bij een opdraagkracht gebaseerde heffing over het inkomen is het passend dat dekosten die gemaakt worden om dat inkomen te genieten afgetrokkenkunnen worden. De kosten maken onderdeel uit van het inkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 312 De kostenaftrek is bekend uit het verleden onder de Wet IB 1964 en geldtook in de winstsfeer (en resultaat uit overige werkzaamheden). Deervaring leert dat kostenaftrek geregeld tot discussies en rechtszaken leidten dit zal nog meer spelen als er geen enkele wettelijke inperking is voorkosten met een consumptief element. Met het oog op de uitvoerbaarheidvan het nieuwe stelsel en om uitholling van de belastingopbrengst tevoorkomen, is het wenselijk om deze discussies zo veel mogelijk tevoorkomen. Door een vorm van regulering waarbij gedefinieerd wordtwelke kosten wel en welke kosten niet aftrekbaar zijn, is het stelsel voor deburger duidelijker en voor de Belastingdienst beter uitvoerbaar.Het uitgangspunt is dat uitsluitend kosten die verband houden met deinning, het behoud en de verwerving van de reguliere voordelen, in aftrekmogen komen. Dit zijn bijvoorbeeld onderhoudskosten of beheerkosten.De verbeteringskosten en de kosten die worden gemaakt ter verkrijgingvan een bezitting, bijvoorbeeld transactiekosten voor het aankopen enverkopen van beleggingen, worden in het vermogensaanwasregimeanders behandeld dan in het vermogenswinstregime. Bij de vermogens-aanwasbelasting worden deze kosten als storting in aanmerkinggenomen. Bij de vermogenswinstbelasting wordt de verkrijgingsprijs metdeze kosten verhoogd, waardoor de kosten op het moment van verkoopbij het bepalen van het vervreemdingsvoordeel worden afgetrokken vande verkoopprijs. De kosten van betaalde rente voor schulden die in box 3vallen, worden gezien als negatief inkomen in het vermogensaanwas-regime.Uitgaven met een gemengd karakter vallen niet onder kosten die verbandhouden met de inning, het behoud en de verwerving van de regulierevoordelen. Met een gemengd karakter wordt hierbij bedoeld: kosten dieniet uitsluitend betrekking hebben op de reguliere voordelen, maar waarinook een persoonlijke component zit besloten. Hierbij kan gedacht wordenaan een krantenabonnement waarmee men ook op de hoogte kan blijvenvan koersontwikkelingen of kosten voor een bestelbusje dat voor eenbeleggingspand maar ook voor persoonlijke doeleinden kan wordengebruikt. Kosten worden dus niet gesplitst in een aftrekbaar deel datbetrekking heeft op box 3 en een niet-aftrekbaar deel dat ziet op persoon-lijke doeleinden.Omdat de vraag wanneer kosten uitsluitend betrekking hebben opreguliere voordelen gevoelig voor discussie kan zijn, is het voorstel omwettelijk enkele kosten aan te wijzen die in ieder geval niet aftrekbaar zijn.Deze bepaling van niet-aftrekbare kosten is in belangrijke mate gebaseerdop bestaande beperkingen voor kostenaftrek in box 1. Op deze lijst staanonder andere kosten voor congressen, telefoonabonnementen enliteratuur.Ook kosten waarvan het niet wenselijk wordt geacht dat deze in aftrekkunnen komen op het resultaat, worden uitgesloten. Hierbij kan bijvoor-beeld gedacht worden aan kosten die verband houden met geldboeten,misdrijven, dwangsommen of dividend- en kansspelbelasting. Voor devormgeving van deze uitsluiting wordt ook aansluiting gezocht bij debestaande aftrekbeperkingen in box 1. Tot slot zijn er aftrekbeperkingenopgenomen die dienen ter voorkoming van potentieel misbruik. Hierbijkan gedacht worden aan het uitsluiten van kosten die samenhangen metarbeid van de partner van de belastingplichtige.Met de vormgeving van de kostenaftrekbepaling en de beperkingenhierop is gepoogd een balans te vinden tussen enerzijds de aansluiting ophet werkelijke rendement en anderzijds de praktische uitvoerbaarheidvoor burgers en de Belastingdienst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 313 Aftrekbare kosten worden als hoofdregel in aanmerking genomen op hetmoment dat de belastingplichtige niet meer de beschikking heeft over hetverschuldigde bedrag (kasstelsel). Dit is het geval wanneer het verschul-digde bedrag wordt betaald, verrekend, ter beschikking gesteld ofrentedragend is geworden. Aftrekbare kosten die betrekking hebben opeen tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvak dat later dan zesmaanden na afloop van het kalenderjaar eindigt, worden toegerekend aanhet kalenderjaar waarop zij betrekking hebben. Door voor langereperiodes het vorderingenstelsel te hanteren, wordt voorkomen datbelastingplichtigen aftrekbare kosten naar voren kunnen halen.3.3 Grondslag en waardering 3.3.1. Grondslag Het uitgangspunt bij de overgang naar een stelsel op basis van werkelijkrendement is dat de grondslag voor wat betreft bezittingen en schuldenniet wijzigt. De huidige afbakening wanneer (de inkomsten van) eenbezitting of een schuld wel of niet in box 3 wordt belast blijft bestaan ende huidige vrijstellingen worden gehandhaafd, tenzij de overgang naareen stelsel op basis van werkelijk rendement aanleiding geeft om eenvrijstelling anders vorm te geven of af te schaffen.SchuldendrempelIn het huidige box 3-stelsel gold een drempel voor schulden. Hiermeewerd voorkomen dat belastingplichtigen kleine (op 1 januari) openstaanderekeningen zouden moeten opgeven in box 3. In het voorstel is dezedrempel niet meer nodig. Vaak zijn deze rekeningen niet rentedragend endus niet van belang voor de heffing. En als ze wel rentedragend zijn, pasthet bij het stelsel op basis van werkelijk rendement om deze rente volledigin de heffing te betrekken door de rente als negatief inkomen inaanmerking te nemen.Verkrijgingen krachtens erfrechtNiet-opeisbare geldvorderingen op de langstlevende ouder van debelastingplichtige of bezittingen waarop een genotsrecht rust ten behoevevan de langstlevende ouder van de belastingplichtige die ontstaan opbasis van het wettelijke erfrecht of op grond van een testament worden inhet huidige box 3-stelsel niet in aanmerking genomen. De blote eigenaar(het kind) geeft deze bezittingen niet aan en de vruchtgebruiker (vaak delangstlevende ouder) geeft de volle waarde van de bezittingen aan. Hetbetreffende artikel is ongewijzigd overgenomen in het wetsvoorstel.Overige vrijstellingenIn het voorgestelde box 3-stelsel zijn de volgende bezittingen net zoals inhet huidige stelsel (onder voorwaarden) vrijgesteld: bos- en natuurter-reinen en landgoederen, voorwerpen van kunst en wetenschap, bepaalderechten op roerende zaken krachtens erfrecht, bepaalde levensverzeke-ringen, kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bijinvaliditeit, ziekte of ongeval, geld en cadeaubonnen tot een bepaaldbedrag, bepaalde aanspraken die voortvloeien uit de Tijdelijke wetGroningen, nettolijfrenten en nettopensioenen. Twee vrijstellingen uit hethuidige stelsel zijn niet opgenomen in het wetsvoorstel, namelijk devrijstelling voor kortlopende termijnen van inkomsten en verplichtingenen de vrijstelling voor groene beleggingen. De vrijstelling voor kortlo-pende termijnen van inkomsten en verplichtingen vervalt, omdat hetwenselijk is om bij het bepalen van het werkelijke rendement ook rekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 314 te houden met rente van kortlopende schulden. De vrijstelling voorgroene beleggingen zal op grond van het Belastingplan 2025 vervallen per1 januari 2027.12 Met betrekking tot de vrijstellingen voor verzekeringspro-ducten worden enkele inhoudelijke wijzigingen voorgesteld, deze wordentoegelicht in paragraaf 3.9.3.3.2. Waardering Net zoals in het huidige stelsel blijft de hoofdregel een waardering vanbezittingen en schulden op de waarde in het economische verkeer. Er zijneen aantal specifieke waarderingsregels, die hieronder worden toegelicht.GenotsrechtenHet genotsrecht is het recht op genot van een zaak of vermogensrecht, hetrecht om gebruik te maken van iets. Een veel voorkomend genotsrecht ishet vruchtgebruik: het recht om goederen te gebruiken die van een anderzijn en daarvan de «vruchten» te genieten (bijvoorbeeld toekomstige renteof dividend). Andere voorbeelden van genotsrechten zijn: het recht vanerfpacht (het recht om gebruik te maken van een stuk grond) en het rechtvan opstal (met een opstalrecht kun je bijvoorbeeld eigenaar zijn van eenwoning op andermans grond). Na het vestigen van het genotsrecht blijftbij de juridische eigenaar een zogenoemd «bloot eigendom» over.Periodieke vergoedingen voor een genotsrecht, zoals de jaarlijkse canonbij erfpacht, worden belast als directe inkomsten bij de blote eigenaar enzijn voor de genotsgerechtigde aftrekbaar als kosten. Een eenmaligevergoeding op het moment van vestiging van het genotsrecht tegen eenzakelijke prijs is daarentegen voor de verkoper van het genotsrecht eenvermogensmutatie waarbij het totale vermogen gelijk blijft. De verkoop-prijs van het genotsrecht is dan immers gelijk aan de totale waardedalingvan het goed waarop het genotsrecht rust. Ieder jaar wordt de resterendeperiode waarin het genotsrecht op het eigendom is gevestigd korter.Daardoor stijgt de waarde van het blote eigendom en daalt de waarde vanhet genotsrecht. De blote eigenaar heeft daarmee ieder jaar een tussen-tijds resultaat vanwege de toename van de waarde van het bloteeigendom tegenover de vermindering van de waarde van het resterendegenotsrecht. Daar staat tegenover dat de genotsgerechtigde ieder jaar dewaardedaling van het genotsrecht kan aftrekken. Met het oog op eenvoudwordt voorgesteld om de waardemutaties van het blote eigendom en hetgenotsrecht tijdsevenredig te berekenen. Dit wordt hierna verduidelijktaan de hand van een voorbeeld.Voorbeeld 6 – Vruchtgebruik aandelen voor een periode vanvijf jaarEef koopt in 2028 een aandeel voor € 100.000 en vestigt daarop vooreen periode van vijf jaren een vruchtgebruik ten behoeve van Joeptegen een (zakelijke koopsom) van € 10.000. In de jaren 2028 t/m2032 heeft het aandeel in totaal € 14.000 dividend uitgekeerd en isde intrinsieke waarde per saldo met € 9.000 gestegen. De waardevan het vruchtgebruik wordt in 5 jaar lineair afgebouwd (20% perjaar; ter waarde van € 10.000 / 5 = € 2.000).12Artikel III, onderdeel D, van het Belastingplan 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 315 Verloop blote eigendom en vruchtgebruikDatum1-1-202831-12-202831-12-202931-12-203031-12-203131-12-2032Waarde volle eigendom100.000105.000108.000109.000104.000109.000Waarde blote eigendom90.00097.000102.000105.000102.000109.000Waarde vruchtgebruik10.0008.0006.0004.0002.0000Afbraak vruchtgebruik100%80%60%40%20%0% Het jaarresultaat voor blooteigenaar EefJaar20282029203020312032TotaalWaardemutatie aandeel5.0003.0001.000– 5.0005.0009.000Afbraak vruchtgebruik2.0002.0002.0002.0002.00010.000Totaal jaarinkomen7.0005.0003.000– 3.0007.00019.000 Het jaarresultaat voor vruchtgebruiker JoepJaar20282029203020312032TotaalDividend2.0002.0003.0003.0004.00014.000Afbraak vruchtgebruik– 2.000– 2.000– 2.000– 2.000– 2.000– 10.000Totaal jaarinkomen001.0001.0002.0004.000 Op de hiervoor beschreven systematiek wordt één uitzondering voorge-steld, namelijk voor de koper van een bloot eigendom van een onroe-rende zaak of van aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming. Voor deze bezittingen wordt in box 3 een vermogenswinst-regime voorgesteld waarbij de waardeontwikkeling voor deze vermogens-bestanddelen wordt belast bij realisatie, onder andere omdat dezebezittingen niet liquide zijn. In aansluiting hierop wordt voorgesteld omook in het kader van het belasten van bezittingen waarop een genotsrechtis gevestigd rekening te houden met de illiquiditeit van deze vermogens-bestanddelen. Hierbij is van belang dat de uitzondering alleen geldt bijaankoop van een bloot eigendom. Bij de volle eigenaar die een genots-recht verkoopt, zal liquiditeit immers geen probleem zijn, omdat dezeeigenaar een vergoeding kan vragen voor de vestiging van het genots-recht. Dit is anders bij de aankoop van een bloot eigendom. In die situatieheeft de blote eigenaar niet zelf het genotsrecht gevestigd en dus ookgeen vergoeding hiervoor kunnen ontvangen, waardoor mogelijkliquiditeiten ontbreken. Daarom is het niet wenselijk dat bij de aankoopvan een bloot eigendom van een onroerende zaak of van aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming ieder jaar een tussentijdsresultaat in aanmerking wordt genomen vanwege de toename van dewaarde van het blote eigendom. In plaats daarvan geldt voor dezebezittingen dat bij de verwerving van een bloot eigendom de waarde-stijging die het gevolg is van het aflopen van het genotsrecht pas wordtbelast bij vervreemding of bij einde belastingplicht. Overigens is eenvergelijkbare uitzondering voor de genotsgerechtigde niet nodig,aangezien deze elk jaar een negatief tussentijds resultaat heeft vanwegede waardedaling van het genotsrecht. Het uitstellen van de aftrek van dewaardedaling van het genotsrecht zou juist ongunstig zijn voor debetrokken belastingplichtige.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 316 Voorbeeld 7 – Koop van bloot eigendom onroerend goed meteen vruchtgebruik voor een periode van vijf jaarEef koopt op 1 januari 2028 de blote eigendom van een loods voor€ 90.000. Op dat moment is op die loods een vruchtgebruikgevestigd voor een periode van vijf jaren ten behoeve van Joep. Dewaarde van de volle eigendom van de loods is € 100.000, maar dekoopsom die Eef moet betalen is € 10.000 lager vanwege hetwaardedrukkende effect van het vruchtgebruik dat door de vorigeeigenaar op de loods is gevestigd. In de jaren 2028 t/m 2032 verhuurtJoep de loods aan derden voor totaal € 14.000. De waarde van hetvruchtgebruik wordt in 5 jaar lineair afgebouwd (20% per jaar; terwaarde van € 10.000 / 5 = € 2.000). Eef verhuurt zelf – na einde vanhet vruchtgebruik – de loods in 2033 voor € 5.000. Uiteindelijkverkoopt Eef de loods op 31-12-2033 voor € 115.000.Verloop blote eigendom en vruchtgebruikDatum1-1-202831-12-202831-12-202931-12-203031-12-203131-12-203231-12-2033Waarde volle eigendom100.000105.000108.000109.000104.000109.000115.000Waarde blooteigendom90.00097.000102.000105.000102.000109.000Waarde vruchtgebruik10.0008.0006.0004.0002.0000Afbraak vruchtgebruik100%80%60%40%20%0%0% Het jaarresultaat voor bloot eigenaar EefJaar202820292030203120322033TotaalVerkoopprijs00000115.000115.000Aanschafprijs00000– 90.000– 90.000Huur000005.0005.000Totaalinkomen0000030.00030.000 Het jaarresultaat voor vruchtgebruiker JoepJaar202820292030203120322033TotaalHuur2.0002.0003.0003.0004.00014.000Afbraak vruchtgebruik– 2.000– 2.000– 2.000– 2.000– 2.000– 10.000Totaal jaarinkomen001.0001.0002.00004.000 LevensverzekeringenLevensverzekeringen worden gewaardeerd op de actuariële reserve-waarde. Dit wordt toegelicht in paragraaf 3.9.GeldleningenVorderingen en schulden die voortvloeien uit een geldleningsovereen-komst tussen natuurlijke personen worden gewaardeerd op de nominalewaarde. Dit wordt toegelicht paragraaf 3.10.3.4 Vervangen van het heffingvrije vermogen door eenheffingsvrij resultaat In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelselop basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bijeen heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfdewerkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht desamenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 317 het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt doorde saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk datiemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendementbehaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenpor-tefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuldwaarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van hetbehaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beteraan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement enbij het draagkrachtbeginsel.Het voorstel is om het heffingsvrije resultaat op € 1.800 te bepalen.Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen meteen inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in debelastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel eenvermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan hetheffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3.De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder hethuidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar allewaarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven.Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrensmoeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrijeresultaat (zie paragraaf 3.11).Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffingomdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen metfluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalendan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In eenverliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van hetheffingsvrije resultaat.3.5 Invoering van de mogelijkheid tot verliesverrekening In een stelsel op basis van werkelijk rendement is het mogelijk datbelastingplichtigen een verlies aangeven in box 3. Dat kan bijvoorbeeld bijkoersdalingen op de aandelenbeurs, een gerealiseerde waardedaling vanonroerende zaken en bij hoge eenmalige of periodieke kosten, maar ookbij situaties waarin er een laag of geen box 3 inkomen is terwijl er welrentekosten voor schulden worden gemaakt. De verschuldigde belastingin een kalenderjaar kan echter niet lager dan nihil worden. Het kabinetstelt voor om in het nieuwe stelsel verliesverrekening mogelijk te maken.Daarbij kunnen verliezen in box 3 worden verrekend met toekomstigeinkomsten in box 3 («carry-forward»). Hiermee wordt beter recht gedaanaan het draagkrachtbeginsel, worden grote schommelingen in box 3-inkomen enigszins gemitigeerd en is het genietingsmoment van hetinkomen minder van belang voor de belastingdruk. Bovendien hoort demogelijkheid tot verliesverrekening in een stelsel waarin het totalevoordeel uit vermogen belast wordt.Wanneer een belastingplichtige bijvoorbeeld in jaar 1 een verlies heeft inbox 3 van € 2.000 en in jaar 2 een rendement van € 2.000, zou zonderverliesverrekening in jaar 1 geen belasting worden geheven en in jaar 2over € 2.000 belasting worden geheven. Bezien over beide jaren wordtgeen recht gedaan aan het draagkrachtbeginsel omdat per saldo overdeze twee jaren geen rendement is behaald.Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozenvoor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaan-wasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestij-gingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 318 In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Dooreen ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallenvoorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen wordenbelast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.Rekening houdend met de systematiek van de inkomstenbelasting, waarinhet inkomen wordt verdeeld over de verschillende boxen, ligt het voor dehand om de verliesverrekening zo vorm te geven dat verliezen uitsluitendkunnen worden verrekend met de box 3-inkomsten. Dit wordt wel hetgesloten boxenstelsel genoemd. Een verlies in box 3 kan dus nietverrekend worden met inkomsten uit box 1 of box 2, net als verlies inbox 1 en box 2 in de regel ook niet verrekend kan worden met inkomen inandere boxen. In box 1 is verliesverrekening mogelijk met inkomsten uitde drie voorgaande kalenderjaren en de negen volgende kalenderjaren enin box 2 met inkomsten uit het voorgaande kalenderjaar en de zesvolgende kalenderjaren.13 Voor box 3 is het voorstel om verliesverre-kening zonder beperking alleen met volgende kalenderjaren mogelijk temaken. Het kabinet vindt een dergelijke ruime verliesverrekening passendbij een belasting waarbij ook waardemutaties die nog niet gerealiseerdzijn in de heffing worden betrokken. Verliesverrekening is voor het eerstmogelijk in het jaar na het jaar van invoering van het nieuwe stelsel. Hetblijft ook bij deze ruime verliesverrekeningsmogelijkheden mogelijk datsommige belastingplichtigen niet alle verliezen hebben verrekend op hetmoment dat hun belastingplicht eindigt (bij migratie of overlijden). Dit iseen nadeel dat ook geldt bij de huidige verliesverrekeningsmogelijkhedenin box 1 en box 2.VerliesverrekeningsdrempelOm doelmatigheidsredenen is het wenselijk om een drempel voorverliesverrekening op te nemen. Met een drempel kan worden voorkomendat veel belastingplichtigen aangifte voor box 3 kunnen doen om eenklein bedrag aan verliesverrekening veilig te stellen. Bijvoorbeeldbelastingplichtigen met een klein verlies door de rente op een kleineschuld of door een kleine aandelenportefeuille die in waarde daalt. Doorde verliesverrekeningsdrempel vervalt het belang van het doen vanaangifte voor een groep burgers. De drempel voor het vaststellen van eenverlies bedraagt € 500. Zie paragraaf 7 over budgettaire effecten voorenkele varianten ter illustratie.Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrensmoeten wel aangifte doen, ook als ze een verlies hebben dat kleiner is dande verliesverrekeningsdrempel. Dit heeft te maken met het verstrekkenvan gegevens over het vermogen aan bijvoorbeeld de Dienst Toeslagen(zie paragraaf 3.11). Er zijn circa 500.000 burgers met een box 3-vermogen onder de toeslagengrens en met een verlies tussen € 0 en€ 500. Door de verliesverrekeningsdrempel vallen deze belastingplich-tigen niet in box 3. Daarmee wordt hen de administratieve last van hetopgeven van box 3-gegevens in de aangifte inkomstenbelasting bespaard,wat tevens een verlichting van de uitvoeringslast voor de Belastingdienstbetekent.Het nadeel van een verliesverrekeningsdrempel is dat belastingplichtigenmet fluctuerend inkomen normaliter meer belasting betalen dan belas-tingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeftde belastingplichtige immers nadeel van een verliesverrekeningsdrempel.Ook de wijze waarop inkomen wordt berekend (vermogensaanwas- of13Een verlies in de vennootschap kan sinds 1 januari 2022 worden verrekend met hetvoorgaande kalenderjaar en onbeperkt met toekomstige belastingjaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 319 vermogenswinst) kan invloed hebben op het effect van de verliesverreke-ningsdrempel. Een belegger met een jaarlijks verlieslatende aandelenpor-tefeuille wordt vaker geconfronteerd met de verliesverrekeningsdrempelten opzichte van een belegger met een verlieslatende onroerend goedportefeuille waarbij het gecumuleerde verlies bij realisatie (eenmalig) inde heffing wordt betrokken. De verliesverrekeningsdrempel beperkt echterhet aantal burgers dat belastingplichtig wordt in box 3, terwijl denegatieve effecten beperkt blijven wanneer de drempel relatief laag is.Het heffingsvrije resultaat is hoger dan de verliesverrekeningsdrempel.Hierdoor is in de regel alleen belasting verschuldigd als het inkomen overmeerdere jaren gezien positief is. Tegenover het nadeel voor belasting-plichtigen van de verliesverrekeningsdrempel in een verliesjaar staatimmers het voordeel van een heffingsvrij resultaat wanneer een positiefrendement wordt behaald.3.6 Aanpassing van de tariefstelling Voor het belaste inkomen in box 3 wordt een vlak belastingtarief van 36%voorgesteld. Zie paragraaf 7 over budgettaire effecten voor enkelevarianten ter illustratie.3.7 Onroerende zaken In box 3 zijn ook onroerende zaken belast. Het kan bijvoorbeeld gaan omeen vakantiehuis, beleggingspanden of een weiland. Onder het stelsel inbox 3 vallen nadrukkelijk geen onroerende zaken die tot het onderne-mingsvermogen in box 1 behoren, zoals het bedrijfspand van eeneenmanszaak en ook niet de eigen woning, het hoofdverblijf, die ook totbox 1 behoort. Voor alle onroerende zaken in box 3 is een vermogens-winstbelasting voorgesteld. Daar vallen ook gebruiksrechten onder diedirect of indirect betrekking hebben op onroerende zaken. De gebruiks-rechten zijn vruchtgebruik, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal, recht vangebruik en recht van bewoning.Het rendement uit onroerende zaken in box 3 bestaat uit direct rendementén indirect rendement. Direct rendement is het voordeel dat iemandgedurende de bezitsperiode van een onroerende zaak in box 3 in hetkalenderjaar geniet, zoals huurinkomsten. Het directe rendement isjaarlijks belast. Er geldt een kostenaftrek voor onderhoudskosten enandere periodieke kosten. Indirect rendement is de waardeontwikkelingvan de onroerende zaak gedurende de bezitsperiode bij de belasting-plichtige en komt tot uitdrukking als vermogenswinst of verlies. Dezewaardeontwikkeling wordt als vermogenswinst belast bij vervreemdingvan de onroerende zaak of een deel van die onroerende zaak. Verbete-ringskosten worden verrekend met de vermogenswinst. Vanvervreemding is bijvoorbeeld sprake bij verkoop en in andere situatieswaardoor de onroerende zaak de box 3-sfeer van de belastingplichtigeverlaat, of als de belastingplichtige emigreert, ongeacht of op dat momentsprake is van realisatie van de vermogensmutatie van de onroerendezaak.Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zoudenzijn, dan zou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten totuitdrukking komende) waardestijging bij belastingplichtigen kunnenleiden tot liquiditeitsproblemen. Deze belastingplichtigen zouden dan hunonroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over dezewaardestijging van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Daarbij komtdat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. In tegen-stelling tot een aandelenportefeuille kan bij onroerende zaken niet eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 320 deel worden verkocht om de belasting over de ongerealiseerde waarde-stijging te voldoen. Als gevolg hiervan zouden zij met schuldproblematiekte maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen.Daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbe-lasting. Bezitters van onroerende zaken genieten ten opzichte van bezittersvan vermogen dat onder de vermogensaanwasbelasting wordt belast duseen voordeel: zij betalen in veel gevallen op een later moment belastingover hun waardeontwikkeling. Financieringskosten van onroerende zakenworden, als de schuld onderdeel uitmaakt van het box 3-vermogen, wel inhet vermogensaanwasregime belast, waarbij de rente als negatiefinkomen in aanmerking wordt genomen.3.7.1. Direct rendement op onroerende zaken Zoals hiervoor is toegelicht, is er bij het rendement over onroerende zakensprake van indirect en direct rendement. Het belasten van het indirecterendement werkt voor alle onroerende zaken in box 3 hetzelfde. Voor hetbelasten van het directe rendement is echter gekozen voor een indeling indrie categorieën, afhankelijk van het gebruik van de onroerende zaak.Voordat deze drie categorieën worden toegelicht, wordt eerst ingegaan ophet belasten van voordelen uit eigen gebruik van een onroerende zaak.Voor de heffing van inkomstenbelasting wordt bij eigen gebruik van eenonroerende zaak van oudsher de economische huurwaarde van diewoning als inkomen in natura tot de belastbare inkomsten uit vermogengerekend.14 Hierdoor worden zowel verhuurde als niet-verhuurdeonroerende zaken in de belastingheffing betrokken. Dit wordt hierna(onder andere aan de hand van een voorbeeld) toegelicht.Voorbeeld 8Anton en Bert bezitten beiden een tweede woning. Dit zijn tweeidentieke woningen. Anton verhuurt zijn woning tegen een markt-conforme prijs van € 1.000 per maand aan Bert en Bert verhuurt zijnwoning tegen een marktconforme prijs van € 1.000 per maand aanAnton. Ze hebben dus toegang tot elkaars woningen en ontvangenen betalen beiden € 1.000 huur per maand. Deze huurinkomsten van€ 12.000 op jaarbasis zijn bij beiden belast in box 3. Nu besluitenAnton en Bert om de huur te beëindigen en beiden weer debeschikking te krijgen over de tweede woning waarvan zij zelfeigenaar zijn. Ze wisselen dus van (identieke) tweede woning. Nugaan er geen huurbetalingen meer over en weer. In plaats daarvan isbij beiden het voordeel van de beschikbaarheid voor gebruik belast.Het voordeel van de beschikbaarheid voor gebruik is theoretisch geziengelijk aan de brutoaanvangshuur die men in een vrije markt (zonderbeperkingen) bereid zou zijn te betalen. Daarbij wordt uitgegaan van deaanvangshuur bij nieuw te sluiten huurcontracten en niet van hetgemiddelde van alle lopende huurcontracten. Het gaat immers om hetbedrag dat iemand bereid zou zijn te betalen om de onroerende zaak nubeschikbaar te krijgen voor gebruik, ook wel de «economischehuurwaarde» genoemd. In bovenstaand voorbeeld is dat € 1.000 permaand. Het bepalen van de economische huurwaarde van een individueleniet-verhuurde onroerende zaak is zowel voor belastingplichtigen als deBelastingdienst ingewikkeld. Om redenen van uitvoerbaarheid endoenlijkheid wordt voorgesteld om de economische huurwaarde van eenonroerende zaak forfaitair te bepalen, overeenkomstig de overwegingenvan de Hoge Raad hieromtrent.15 Hieronder wordt toegelicht op welke14HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, r.o. 2.5.2.15HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1788, r.o. 5.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 321 wijze de geldelijke inkomsten en het voordeel in natura in de belasting-heffing worden betrokken.Drie categorieën voor de heffing over het directe rendementVoor de heffing over het directe rendement, het directe voordeel uitonroerende zaken in box 3, zijn de onderstaande drie categorieënvoorgesteld. De categorieën gelden per kalenderjaar en per onroerendezaak die in bezit is van de belastingplichtige. Het is dus niet per se zo datde heffing bij alle onroerende zaken in bezit op basis van dezelfdecategorie plaatsvindt. Een onroerende zaak kan in een kalenderjaar slechtsonder één categorie vallen. Bij wijziging van het feitelijke gebruik van deonroerende zaak in een ander kalenderjaar kan in het andere kalenderjaarwel in een andere categorie op de onroerende zaak van toepassing zijn.Voor alle categorieën geldt dat naast de heffing over het directerendement een heffing plaatsvindt over het indirecte rendement.Op vereenvoudigde en grafische wijze weergegeven ziet het systeem metde drie categorieën voor het belasten van onroerende zaken in box 3 erals volgt uit. Deze drie categorieën worden in deze paragraaf uitgebreidertoegelicht.Categorie I: gehele jaar verhuurIn categorie I is de onroerende zaak het gehele of nagenoeg het gehelekalenderjaar verhuurd. In deze categorie zijn de huurinkomsten in hetkalenderjaar belast. Het gaat om de totale opbrengst uit betalingsverplich-tingen zoals de kale huurprijs, vermeerderd met eventuele vergoedingenvoor nutsvoorzieningen, servicekosten en de energieprestatievergoe-dingen. Op deze inkomsten worden onderhoudskosten en andereperiodieke kosten in mindering gebracht. Verbeteringskosten worden aande waarde van de onroerende zaak toegevoegd (zie hierna de toelichtingonder «Indirect rendement»). Een onroerende zaak is nagenoeg hetgehele kalenderjaar verhuurd als de onroerende zaak voor ten minste 90%van het kalenderjaar feitelijk is gebruikt voor verhuur. In een regulierkalenderjaar wordt uitgegaan van 328 dagen (90% van 365 dagen), in eenschrikkeljaar 329 dagen (90% van 366 dagen). Als een onroerende zaakniet het gehele kalenderjaar is verhuurd, maar wel minimaal 90%, zijn– naast de eventuele vervreemdingsvoordelen – alleen de huurinkomstenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 322 belast en vindt er geen heffing plaats over de periode dat de onroerendezaak niet is verhuurd (gedurende maximaal 10% van het kalenderjaar). Opdeze manier wordt enigszins rekening gehouden met eventuele (muta-tie)leegstand en met de periode dat de onroerende zaak (na oplevering)feitelijk niet beschikbaar is voor verhuur, bijvoorbeeld als gevolg van een(ingrijpende) verbouwing. Voor de vraag of een onroerende zaak incategorie I valt, is de hoogte van de huurinkomsten niet van belang.Hierdoor kunnen ook situaties met een lage huurprijs, bijvoorbeeld in hetgeval van sociale verhuur, onder de hoofdregel vallen als is voldaan aanhet 90%-criterium. Situaties die lijken op verhuur, worden met verhuurgelijkgesteld voor de beoordeling of een onroerende zaak in categorie Ivalt. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan pacht. De belasting-plichtige dient de informatie over het gebruik van onroerende zaken zelfbij te houden en hierover gegevens, inlichtingen en bescheiden teverstrekken als de inspecteur daarom vraagt.Categorie II: gehele jaar niet-verhuurIn categorie II wordt de onroerende zaak het gehele jaar niet verhuurd.Voor deze categorie wordt een vastgoedbijtelling voorgesteld. Devastgoedbijtelling is een forfait. In dit geval wordt geen financieelrendement belast maar rendement in natura. De hoogte van de vastgoed-bijtelling wordt in de paragraaf «nadere toelichting vastgoedbijtelling»toegelicht. Hierna wordt eerst ingegaan op categorie III.Categorie III: gemengd gebruikCategorie III geldt voor gemengd gebruik van de onroerende zaak. Bijgemengd gebruik is sprake van een combinatie van verhuur (minder dan90% van het kalenderjaar) en van niet-verhuur. Met het oog op eenvoudwordt voor gemengd gebruik een systematiek voorgesteld waarin ter zakevan een onroerende zaak ofwel de voordelen uit verhuur in aanmerkingworden genomen (zoals bij categorie I), ofwel de vastgoedbijtelling inaanmerking wordt genomen (zoals bij categorie II). Indien voor dezelfdeonroerende zaak in hetzelfde kalenderjaar een combinatie van huurin-komsten en (voor de periode van niet-verhuur) een vastgoedbijtelling zouworden belast, dan zou dit tot gevolg hebben dat belastingplichtigen indeze categorie alle perioden van verhuur moeten bijhouden in een soorturenadministratie. Gelet op het doenvermogen en de beperking vanadministratieve lasten is dit naar het oordeel van het kabinet te veelgevraagd van belastingplichtigen. Bij de keuze tussen het belasten van dehuurinkomsten of de vastgoedbijtelling, stelt het kabinet voor om tekiezen voor de hoogste van de twee. Dit betekent dat in categorie III dehoogste van de volgende voordelen wordt belast: of de huuropbrengst ofde vastgoedbijtelling. Als de belastingplichtige de onroerende zaak in eenkalenderjaar voor minder dan 90% gebruikt voor verhuur én de huurin-komsten zijn lager dan het bedrag van de vastgoedbijtelling op jaarbasis,dan geldt dus de vastgoedbijtelling. Als het kabinet in deze situatie ervoorhad gekozen om de lage huurinkomsten te belasten in plaats van devastgoedbijtelling, dan zouden onwenselijke situaties kunnen ontstaan.Als er een korte periode wordt verhuurd, kunnen de huurinkomsten lagerzijn dan de vastgoedbijtelling op jaarbasis, terwijl het totale voordeel opjaarbasis hoger is dan alleen de huurinkomsten. Het kabinet vindt het nietwenselijk om in die situatie alleen de lage huurinkomsten te belasten. Methuur wordt in deze paragraaf ook gedoeld op situaties die vergelijkbaarzijn met huur zoals pacht en andere gebruiksvergoedingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 323 Nadere toelichting huurinkomstenBij geldelijke inkomsten zoals huur van onroerende zaken wordt aange-sloten bij de totale opbrengst uit betalingsverplichtingen die zijnverbonden aan de verhuur van de onroerende zaak. De totale betalings-verplichtingen bestaan in beginsel uit de kale huurprijs, vermeerderd meteventuele vergoedingen voor nutsvoorzieningen, servicekosten en deenergieprestatievergoedingen. Naast huurinkomsten kan ook sprake zijnvan pachtinkomsten of inkomsten uit andere gebruiksvergoedingen.Onderhoudskosten en andere periodieke kosten zijn aftrekbaar, indiendeze kosten uitsluitend zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud vande huurinkomsten of de andere reguliere inkomsten. De belastingplichtigedient de informatie over huurinkomsten en kosten zelf bij te houden enhierover gegevens, inlichtingen en bescheiden te verstrekken als deinspecteur daarom vraagt.Nadere toelichting vastgoedbijtellingHet vaststellen van de vastgoedbijtelling brengt de uitdaging met zich dater voor de waarde van het directe rendement in de vorm van beschik-baarheid voor eigen gebruik geen direct observeerbare geldstroom is. DeHoge Raad geeft daarom aan dat een forfaitaire methode praktischevoordelen heeft om de omvang van het eigen gebruik van een onroerendezaak vast te stellen.16 Verder geeft de Hoge Raad aan dat een zekereruwheid inherent is aan een forfaitaire regeling. Degenen die in financieelopzicht beter presteren dan het forfait veronderstelt, worden fiscaalgunstig behandeld ten opzichte van degenen die in dat opzicht slechterpresteren. Een rechtvaardiging voor de daaruit volgende ongelijkheid kandeze eigenschap van forfaitaire regelingen opleveren voor zover bij hetvaststellen van de forfaitaire grenzen is getracht de werkelijkheid tebenaderen.17 Op basis van deze overwegingen wordt een vastgoedbij-telling ter hoogte van 3,35% van de WOZ-waarde voorgesteld. Ditpercentage wordt hieronder nader toegelicht.Op verzoek van het kabinet heeft Stichting Economisch Onderzoek (SEO)onderzoek gedaan naar de hoogte en de spreiding van de huurwaarde vanniet-verhuurde box 3-woningen. Uit dit onderzoek blijkt dat in de periode2019–2021 de gemiddelde (bruto) economische huurwaarde gelijk wasaan 5,06% van de WOZ-waarde. De ruwheid inherent aan een forfaitaireregeling, zoals genoemd door de Hoge Raad, geeft aanleiding om bij hetvaststellen van de bijtelling een aanzienlijke voorzichtigheidsmarge in tebouwen ten opzichte van deze gemiddelde huurwaarde. Daarom isgekozen voor een brutohuurwaarde die behoort bij het 10e percentiel vande verdeling. Dat betekent dat 90% van de woningen een hogerehuurwaarde heeft dan waar in het gekozen percentage rekening mee isgehouden. De brutohuurwaarde van het 10e percentiel is 3,35%. Onder-staande figuur toont het aandeel van de niet-verhuurde box 3-woningenmet een huurwaarde kleiner dan het percentage op de horizontale as. SEOgeeft aan dat een huurwaarde kleiner dan 1% sowieso niet marktconformkan zijn.Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de voorzichtigheidsmarge vande brutohuurwaarde benodigd is om recht te doen aan de spreiding vanbrutohuurwaardes in de werkelijkheid. Er wordt geen (aanvullende) margeaangehouden om te corrigeren voor een bestedingsaspect. Onroerendezaken in box 3 worden ten alle tijden geacht ter belegging te wordengehouden, waardoor zowel het rendement in natura als het financiële16HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1788, r.o. 5.5.17HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.2.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 324 rendement evenredig in de heffing worden betrokken. Dit is in tegen-stelling tot de eigen woning (in box 1) die dient als een eerste levensbe-hoefte.Voorbeeld 9Alex bezit een woning met een WOZ-waarde van € 300.000. Alexverhuurt deze woning de helft van het kalenderjaar 2028 tegen eenhuurprijs van 10% op jaarbasis; de huurinkomsten zijn dus € 15.000(50% x 10% x € 300.000). De onderhoudskosten bedragen € 2.000 ende kosten van verbetering bedragen € 4.000. Aangezien de huurin-komsten (€ 15.000) hoger zijn dan de vastgoedbijtelling op jaarbasisvan € 10.050 (3,35% x € 300.000), vindt bij Alex een heffing plaatsover € 15.000. Op dit bedrag worden de onderhoudskosten van€ 2.000 in mindering gebracht. Alex kan zijn verbeteringskosten van€ 4.000 verrekenen met de vermogenswinst bij vervreemding van dewoning.De vastgoedbijtelling zal periodiek worden herijkt op basis van actuelegegevens over de huurwaarden en over de kosten, waarbij het eerstemoment samenvalt met de evaluatie van de wet vijf jaar na de inwerking-treding.Bij het vaststellen van het te hanteren percentage voor de vastgoedbij-telling is sprake van een afruil. Aan de ene kant bestaat de behoefte aanvoorzichtigheid en om ook rekening te kunnen houden met mogelijkeindividuele omstandigheden waarvoor het gemiddelde niet opgaat. Aande andere kant betekent een laag percentage ook een minder economischneutrale belastingheffing, omdat er dan een fiscale prikkel ontstaat om(meer) vastgoed in box 3 voor niet-verhuur aan te houden ten opzichtevan verhuur of het aanhouden van andere vermogensbestanddelen. Voorde juridische houdbaarheid van een forfait is het van belang dat bij hetvaststellen van het forfait getracht moet worden de werkelijkheid tebenaderen. Daarbij moet worden bedacht dat een forfait dat uitgaat vaneen gemiddelde nadelig uitpakt voor belastingplichtigen van wie deonroerende zaak in werkelijkheid een lagere huurwaarde heeft dan hetgemiddelde. Daarom kiest het kabinet voor een relatief laag forfait tenopzichte van de gemiddelde brutohuurwaarde.Het kabinet gaat ervan uit dat het uitsplitsen van dit forfait naar twee ofmeer categorieën niet noodzakelijk is aangezien het rendement opniet-woningen niet significant lager is dan het rendement op woningen.Figuur 3 – Gemiddelde (bruto) economische huurwaardeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 325 De huurwaarde van niet-woningen is doorgaans hoger dan dehuurwaarde van woningen. Voor niet-woningen is deze bijtelling dus hoedan ook aan de lage kant. Voor bepaalde verhuurde objecten geldenrendementsdrukkende factoren, zoals huurbescherming, huur dieachterloopt op de markthuur vanwege langlopende huurcontracten enpachtnormen. Deze rendementsdrukkende factoren gelden echter nietvoor objecten die momenteel niet verhuurd worden en voor gebruikbeschikbaar zijn.De vastgoedbijtelling, die zoals toegelicht kan gelden voor de categorieënII (geen verhuur) en III (gemengd gebruik), wordt op nihil gesteld als deonroerende zaak het gehele jaar in aanbouw is. In die situatie staat slechtseen perceel grond of een bouwkavel ter beschikking van de belasting-plichtige, zijn partner of personen die behoren tot zijn huishouden. Zijkunnen feitelijk geen gebruik maken van het gebouw in aanbouw enveelal ook niet van het perceel zolang het gebouw niet is opgeleverd. Alseen onroerende zaak een deel van het kalenderjaar in aanbouw is, wordtde vastgoedbijtelling tijdsgelang herleid naar de periode waarin deonroerende zaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is.Bij algemene maatregel van bestuur zullen situaties worden omschrevenvan onroerende zaken die niet in aanbouw zijn, maar die om andereredenen feitelijk niet geschikt zijn om in gebruik te nemen. Dat isbijvoorbeeld het geval als de onroerende zaak onbewoonbaar is doorbrand of omdat er een zodanige verbouwing plaatsvindt dat het gebouwfeitelijk niet geschikt is om te gebruiken. Deze situaties worden gelijkge-steld met onroerende zaken in aanbouw.3.7.2. Indirect rendement onroerende zaken Voor het in de heffing betrekken van het indirecte rendement geldt vooralle drie de categorieën onroerende zaken hetzelfde regime. Er is dus opdit punt geen sprake van onderscheid op basis van het gebruik van deonroerende zaak. Onder de vermogenswinstbelasting wordt de vermo-genswinst – het indirecte rendement – van een onroerende zaak in deheffing betrokken bij vervreemding van deze onroerende zaak. In de regelis daarvan sprake bij verkoop. Dan zullen er liquiditeiten beschikbaarkomen waaruit de belasting over de vermogenswinst kan worden voldaanen worden liquiditeitsproblemen zo veel mogelijk voorkomen. Tegelij-kertijd vindt het kabinet het niet wenselijk om in alle gevallen voor deheffing aan te sluiten bij het moment waarop liquiditeiten beschikbaarkomen om de belasting te kunnen voldoen. Dat zou namelijk kunnenleiden tot zeer langdurig uitstel van belastingheffing. Daarom heeft hetkabinet ervoor gekozen om geen doorschuifregelingen te introduceren enis het uitstel van de heffing over de vermogenswinst beperkt tot hetmoment waarop de onroerende zaak de box 3-sfeer met de vermogens-winstbelasting bij de belastingplichtige (gedeeltelijk) verlaat, of als debelastingplichtige emigreert, ongeacht of op dat moment sprake is vanrealisatie van de waardeontwikkeling van de onroerende zaak. De heffingover de waardeontwikkeling vindt daardoor plaats bij verkoop van deonroerende zaak, bij tenietgaan van de onroerende zaak, bij gebeurte-nissen zoals het aangaan van een (al dan niet beperkte) gemeenschap vangoederen, echtscheiding, emigratie en overlijden van de belasting-plichtige, alsmede bij een schenking van de onroerende zaak door debelastingplichtige. Voor de situatie van emigratie is voorzien in uitstel vanbetaling.Het voordeel kan in beginsel worden bepaald door de verkoopprijs teverminderen met de aanschafprijs, gecorrigeerd voor kosten vanverbetering. Als geen sprake is van aanschaf- of verkoopprijs, dan wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 326 uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van de onroerendezaak op het moment dat de onroerende zaak deel gaat uitmaken van hetbox 3-vermogen van de belastingplichtige of juist het box 3-vermogenverlaat. Hierbij kan gedacht worden aan situaties van schenking, migratie,overlijden en aangaan en verbreken van een (al dan niet beperkte)gemeenschap van goederen. Een onroerende zaak kan ook bij debelastingplichtige overgaan van box 1 naar box 3 en andersom. Hierbijkan gedacht worden aan de situatie dat een onroerende zaak terbeschikking wordt gesteld aan de eigen vennootschap (terbeschikkingstel-lingsregeling in box 1) of dat de belastingplichtige permanent gaat wonenin zijn voormalige box 3-woning waardoor de woning voortaan alshoofdverblijf wordt belast in box 1. In deze situaties is ook sprake van eenvervreemding waarbij de waarde in het economische verkeer inaanmerking wordt genomen bij de berekening van de vervreemdings-winst. In omgekeerde situaties (onroerend goed vanuit box 1 wordtvoortaan belast in box 3) wordt de aanschafprijs bij de berekening van devervreemdingswinst gesteld op de waarde in het economische verkeervan de betreffende onroerende zaak ten tijde van het begin van debelastingplicht in box 3.De Hoge Raad heeft het begrip waarde in het economische verkeer alsvolgt gedefinieerd: «(...) Ingeval het gaat om de waardering van zakenwaarin geregeld handel wordt gedreven, als de waarde welke daaraan inhet economische verkeer kan worden toegekend in het algemeen dient teworden aangenomen de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaande prijs, die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschiktewijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigdedaarvoor zou zijn besteed. (...)».18Bij inwerkingtreding van dit wetsvoorstel per 1 januari 2028 wordt debeginwaarde voor alle woningen in box 3 gesteld op de WOZ-waarde vandie woning die is gebaseerd op de waardepeildatum 1 januari 2028 (dat isde WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2029). Dit wijkt af van de huidigesystematiek waarbij de WOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeil-datum 1 januari van het vorige jaar (t-1) in aanmerking wordt genomen.Het kabinet heeft er niet voor gekozen om bij inwerkingtreding van hetnieuwe stelsel in box 3 per 2028 voor de beginwaarde voor woningen deWOZ-waarde die is gebaseerd op de waardepeildatum van 1 januari 2027te hanteren. Dan zou namelijk de vermogensontwikkeling vanaf die datumbelast worden onder een stelsel dat pas per 2028 inwerking treedt. Hetkabinet vindt dat onwenselijk. Voor de beginwaarde geldt voor verhuurdewoningen die in Nederland zijn gelegen en waarvoor de huurder rechtheeft op huurbescherming, de leegwaarderatio. Dit sluit aan bij de huidigesystematiek van de leegwaarderatio. Voor alle niet-woningen, ongeacht ofdeze zijn verhuurd, wordt de beginwaarde gesteld op de waarde in heteconomische verkeer op de peildatum 1 januari 2028. Dit laatste sluit aanbij de huidige systematiek. De hiervoor beschreven regels voor devaststelling van de beginwaarde voor woningen en niet-woningen hebbentot gevolg dat alleen de waardeontwikkeling van onroerende zaken isbelast die ontstaan is vanaf de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel.3.8 Startende ondernemingen Het jaarlijks belasten van vermogensaanwas die nog niet door realisatie(zoals bijvoorbeeld verkoop) is verzilverd, kan bij de belastingplichtigepotentieel leiden tot liquiditeitsproblemen als sprake is van niet-liquidevermogensbestanddelen. Daardoor is het nodig voor investeerders omextra liquide middelen aan te houden om een belasting over eventuele,18Hoge Raad 5 februari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AX5888.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 327 nog niet verzilverde, vermogensaanwas te voldoen en wordt hetinvesteren in het type startende ondernemingen (die vaker een sterkegroei kunnen doormaken) potentieel minder aantrekkelijk ten opzichte vanmeer liquide, beursgenoteerde aandelen. Het kabinet vindt het van belangdat investeringen in startende ondernemingen niet worden ontmoedigd inhet nieuwe box 3-stelsel. Daarom wordt voorgesteld om voor dezevermogensbestanddelen een vermogenswinstbelasting te hanteren. Hetdoel van deze fiscale regeling is te voorkomen dat de investeringen instartende ondernemingen als gevolg van dit wetsvoorstel afnemen. Tenaanzien van startende ondernemingen wordt met de uitzondering op dehoofdregel (vermogensaanwasbelasting) het beleid19 ondersteund om hetondernemingsklimaat in Nederland voor startende ondernemingen teverbeteren, met name op het gebied van het verbeteren van toegang totfinanciering in de fase waarin de risico’s voor startende ondernemingenhet grootst zijn. Het gaat bij startende ondernemingen in box 3 omaandelenbelangen van minder dan 5% in het kapitaal van de vennoot-schap. Aandelenbelangen vanaf 5% worden belast in box 2 (inkomen uitaanmerkelijk belang), waar overigens ook het stelsel van een vermogens-winstbelasting wordt gehanteerd.De regeling is naar verwachting doeltreffend, omdat investeerders perdefinitie meer liquide middelen overhouden om te kunnen investeren. Degeraamde derving van deze regeling – ten opzichte van het jaarlijksbelasten van vermogensaanwas – is getoond in onderstaande tabel. Hetkabinet acht de regeling doelmatig, omdat deze is toegespitst opstartende ondernemingen en de derving bovendien slechts van tijdelijkeaard is.Tabel 1 – jaarlijkse derving vermogenswinstbelasting voor startende ondernemingen(in miljoenen euro’s)JaarDerving202832202917203010203162032320330Struc0 Startende ondernemingenOnder een startende onderneming wordt verstaan een vennootschap (eenbesloten vennootschap (BV) of een naamloze vennootschap (NV)) die eenonderneming drijft die niet langer dan vijf jaren geleden is opgericht enwaarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan € 30 miljoen. Daarnaastmoet de startende onderneming financieel onafhankelijk zijn. Dat wilzeggen dat de aandelen voor niet meer dan 25% in handen zijn van eenonderneming die zelf geen starter is. Met deze voorwaarde wordt beoogdte voorkomen dat bestaande bedrijven een startende ondernemingkunnen creëren door bestaande of nieuwe activiteiten te gaan ontplooienin een nieuw opgerichte vennootschap. Een dergelijk bedrijfsonderdeelvan een bestaande onderneming heeft doorgaans een betere toegang totfinanciering ten opzichte van startende ondernemingen waardoor eenfiscale regeling voor aandeelhouders in dergelijke bestaande bedrijvenniet strookt met het doel van de voorgestelde regeling voor aandelen enwinstbewijzen in startende ondernemingen.19Kamerstukken II 2022/23, 32 637, nr. 567.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 328 SfeerovergangOp het moment dat de aandelen niet meer aan de vereisten voldoen voortoepassing van de vermogenswinstbelasting zal sfeerovergang plaats-vinden. Voor dat moment wordt in dit wetsvoorstel een fictief vervreem-dingsmoment voorgesteld. De vermogenswinst of -verlies tot dat momentwordt dan in de heffing betrokken. In het vervolg geldt voor het vermo-gensbestanddeel de vermogensaanwasbelasting.3.9 Verzekeringsproducten Verschillende verzekeringsproducten, zoals bepaalde kapitaalverzeke-ringen, kunnen in box 3 vallen. Voor verzekeringsproducten geldt dat dezein veel verschillende vormen bestaan waarbij op een groot deel daarvanverschillende en meerdere overgangsbepalingen van toepassing zijn. Datmaakt de groep verzekeringsproducten fiscaaltechnisch complex. Naastdergelijke verzekeringsproducten vallen ook nettolijfrenten en nettopensi-oenen alsmede bepaalde overlijdensrisicoverzekeringen in box 3.Verzekeringsproducten vallen in het voorstel onder de vermogensaanwas-belasting. Dat betekent dat de jaarlijkse vermogensaanwas in de heffingwordt betrokken. De vermogensaanwas wordt berekend door het verschiltussen de waarde van het vermogensbestanddeel aan het einde van hetkalenderjaar en de waarde aan het begin van het kalenderjaar teberekenen en dat bedrag te verminderen met stortingen en te vermeer-deren met onttrekkingen. Bij verzekeringsproducten wordt de(premie-)inleg als storting in aanmerking genomen en de uitkeringen alsonttrekkingen.Op basis van het eerder in deze memorie genoemde onderzoek van PwCnaar de praktische uitvoerbaarheid van het nieuwe stelsel is deverwachting dat veel van de in dit kader benodigde gegevens voor eenvermogensaanwasbelasting bij verzekeraars beschikbaar zijn of ontslotenkunnen worden, zodat deze aan de Belastingdienst kunnen wordenaangeleverd. De verzekeraars zullen echter meer gegevens moetenaanleveren dan in het huidige stelsel, waar enkel de waarde op 1 januarivan belang is.In verband met de overgang naar het nieuwe stelsel wordt een aantalwijzigingen voorgesteld.3.9.1. Nettolijfrenten en nettopensioenen Nettolijfrenten en nettopensioenen zijn in het huidige stelsel ondervoorwaarden vrijgesteld in box 3. De aanspraken worden dan nietgerekend tot de bezittingen in box 3. Indien in een kalenderjaar niet langeraan de voorwaarden voor de vrijstelling wordt voldaan (doordat eennettolijfrente of nettopensioen bijvoorbeeld wordt afgekocht terwijl ditfiscaal niet is toegestaan), wordt dit als een onregelmatige handelingaangemerkt. Vanaf dat tijdstip vervalt de vrijstelling in box 3 en wordttevens in het volgende kalenderjaar op forfaitaire wijze het fiscalevoordeel van de vrijstelling in box 3 over de tien kalenderjaren vooraf-gaand aan het kalenderjaar van de onregelmatige handeling terugge-nomen door het, uitgaande van een forfaitaire berekening, in die jarenvrijgestelde bedrag tot de bezittingen in box 3 te rekenen, waaroververvolgens het wettelijke rendementspercentage wordt toegepast.In het nieuwe box 3-stelsel blijven nettolijfrenten en nettopensioenenonder voorwaarden eveneens vrijgesteld. Aangezien de heffingssyste-matiek in het nieuwe box 3-stelsel verandert en de Belastingdienst vanafTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 329 de datum van invoering over de daarvoor benodigde gegevens beschikt,wordt voorgesteld om de wijze waarop het box 3-voordeel bij onregel-matige handelingen wordt teruggenomen aan te passen, zodat dezeaansluit bij het stelsel van een heffing naar werkelijk rendement. Zo wordtvoorgesteld om bij een onregelmatige handeling niet de op forfaitairewijze berekende vermogensvrijstelling in aanmerking te nemen, maar hetwerkelijke rendement, berekend op basis van de vermogensaanwassyste-matiek, over de betreffende tienjaarsperiode. Omdat wordt aangeslotenbij het werkelijke rendement van die jaren is een tegenbewijsregelingzoals in het huidige stelsel is opgenomen, niet meer noodzakelijk. Voorgevallen waarin de onregelmatige handeling zich voordoet op eenmoment dat dit onderdeel van het wetsvoorstel nog geen tien jaar inwerking is, is overgangsrecht opgenomen.3.9.2. Vrijstelling zuivere overlijdensrisicoverzekeringen Een zuivere overlijdensrisicoverzekering is een verzekering die uitsluitendhet risico van overlijden dekt. Deze wordt in het algemeen niet afgeslotenmet het doel een vermogen op te bouwen. Veelal wordt deze gesloten ombij onverhoopt overlijden van de verzekerde de nabestaanden niet teconfronteren met de kosten van de uitvaart, een hypothecaire geldleningof andere onvoorziene kosten. Onder de huidige box 3-wetgeving geldteen vrijstelling voor zuivere overlijdensrisicoverzekeringen indien:a.de som van het verzekerde kapitaal niet meer bedraagt dan € 8.769(bedrag 2025); ofb.indien het verzekerde kapitaal hoger is dan € 8.769 (bedrag 2025): desom van de waarde van de betreffende rechten per persoon niet meerbedraagt dan dat bedrag.In het huidige stelsel zijn zuivere overlijdensrisicoverzekeringen, zoalshierboven toegelicht, dus vrijgesteld tot een maximumbedrag. Voorge-steld wordt om zuivere overlijdensrisicoverzekeringen in het nieuwestelsel volledig vrij te stellen van box 3-heffing. De zuivere overlijdensrisi-coverzekering valt in het algemeen onder het huidige stelsel in box 3.Uitkeringen ten gevolge van overlijden uit dergelijke verzekeringen zijn inhet nieuwe stelsel door de vrijstelling niet onderworpen aan inkomstenbe-lasting (dus in geen van de boxen). Ook in de regelgeving van vóór 2001is een uitkering bij overlijden vrijwel altijd vrijgesteld.20Het gaat hier om tijdelijke of levenslange verzekeringen die uitsluitendvoorzien in een uitkering bij overlijden. Voorziet de verzekering ook in eenuitkering bij leven (gemengde verzekering), of een opnamemogelijkheidvóór het overlijden, dan is deze vrijstelling niet van toepassing. Er geldt(onder meer) nog wel een (niet gemaximeerde) vrijstelling voor kapitaal-verzekeringen die voorzien in kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnenplaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval. De verwachting is dat deaanpassing van deze vrijstellingen door het laten vervallen van hetmaximum voor zuivere overlijdensrisicoverzekeringen verwaarloosbare21budgettaire effecten ten opzichte van de huidige vrijstelling heeft.20Alleen bij een uitkering vanaf 72 jaar boven fl. 12.400, waarbij niet binnen de verhouding 1:10ten minste 15 jaar premie is betaald, vindt er onder de regeling van vóór 2001 belastingheffingplaats (art. 26a Wet IB 1964).21Gezien het geringe aantal overlijdensrisicoverzekeringen (enkele honderden) die boven hetmaximum van de huidige vrijstelling uitkomen zal het budgettaire effect verwaarloosbaar zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 330 3.9.3. Waardering op basis van de actuariële reservewaarde Voorgesteld wordt om verzekeringsproducten met een verzekerd kapitaal(in euro’s of in een andere valuta) te waarderen op de actuariële reserve-waarde van de verzekering. Dit is een vereenvoudiging van de heffing ende gegevensuitwisseling tussen verzekeringsmaatschappijen en deBelastingdienst. De actuariële reservewaarde is de waarde die verzeke-raars jaarlijks berekenen en voor hun eigen jaarstukken nodig hebben.Deze waarde is een goede benadering van de waarde in het economischeverkeer en vrijwel gelijk aan de waarde die verzekeraars onder het huidigestelsel voor kapitaalverzekeringen al aanleveren. Aansluiten bij deactuariële reservewaarde voorkomt voor verzekeraars het op een anderemanier moeten berekenen van de waarde in het economische verkeer,terwijl zij de actuariële reservewaarde al in hun systemen hebben. Ditbetekent een vereenvoudiging en vermindering van de administratievelasten die voor verzekeraars zullen optreden bij het nieuwe stelsel. Voorbelastingplichtigen zal dit fiscaal niet tot nadelen leiden. In het eerste jaarvan het nieuwe stelsel starten deze verzekeringsproducten op 1 januarimeteen met de actuariële reservewaarde. In de vergelijking met dewaarde per 31 december van dat jaar worden voor het bepalen van devermogensaanwas alleen de waardemutaties meegenomen die in dat jaarzijn ontstaan. Voor de inkomensafhankelijke regelingen leidt de overstapnaar de actuariële reservewaarde mogelijk wel tot een hogere waarde vanhet totaalvermogen. Dit kan effect hebben op de aanspraak op dergelijkeregelingen.3.9.4. Afschaffen van het huidige overgangsrecht Verder wordt voorgesteld om het overgangsrecht voor kapitaalverzeke-ringen die zijn afgesloten vóór 2001 af te schaffen. Voor bepaaldeverzekeringsproducten is bij de invoering van de Wet IB 2001 uitgebreidovergangsrecht opgenomen in de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting2001 (Invoeringswet Wet IB 2001). Na 2001 zijn daarop nog tallozewijzigingen aangebracht. Dit heeft geleid tot een zeer ingewikkelderegeling die voor de praktijk zeer complex is geworden. De grootste groepverzekeringsproducten die onder het overgangsrecht valt, betreft dekapitaalverzekeringen die op 14 september 1999 dan wel op 31 december2000 al bestonden. Voor deze kapitaalverzekeringen gelden twee soortenovergangsrecht:•Er geldt een voorwaardelijke vrijstelling voor het rentebestanddeel inde uitkering uit een dergelijke kapitaalverzekering (hierna: uitkerings-vrijstelling) in box 1 en een op € 123.428 gemaximeerde vrijstelling inbox 3 (hierna: bezittingsvrijstelling). Alleen voor zover de waardehoger is dan de bezittingsvrijstelling vormt dit een bezitting in box 3.22Volgens de huidige wet geldt het overgangsrecht voor de uitkerings-vrijstelling in box 1 onbeperkt in de tijd; de bezittingsvrijstelling inbox 3 eindigt per 14 september 2029.•Daarnaast bestaat een beperkte groep kapitaalverzekeringen die opgrond van het overgangsrecht in 2001 volledig in box 1 in aanmerkingworden genomen en dus nooit in box 3 zijn betrokken. Bij expiratiewordt het rentebestanddeel in de uitkering belast in box 1. Op grondvan de rangorderegeling23 vallen deze kapitaalverzekeringen tot deexpiratiedatum niet in box 3.22In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, vijfde lid, Invoeringswet IB 2001 wordt de inartikel 2.14, tweede lid, Wet IB 2001 opgenomen rangorderegeling in zoverre uitgeschakeld.23Artikel 2.14, tweede lid, Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 331 Op het moment van invoering van het nieuwe box 3-stelsel zou voor allehiervoor genoemde kapitaalverzekeringen nieuw overgangsrecht moetenworden ingevoerd om te voorkomen dat zowel over het rentebestanddeelin de uitkering als over de waardemutatie (inclusief rentebestanddeel)wordt geheven. Dit zou tot nog meer stapeling van overgangsrecht leidenwaardoor alle regels bij elkaar straks nauwelijks meer toepasbaar zoudenzijn in de praktijk. Door de voorgestelde afschaffing van dit overgangs-recht hoeven de veelal zeer oude historische verzekeringsgegevens nietmeer voor zeer lange perioden te worden bewaard omdat in het nieuwestelsel de waarde aan het begin en aan het einde van een jaar moetworden opgegeven voor de berekening van de jaarlijkse vermogens-aanwas en gestart zal worden met de waarde per 1 januari 2028. Ookhoeft de oude (en complexe) wetgeving, met twee systemen van heffing(een heffing over bezit en een heffing over het rentebestanddeel in deuitkering), niet langer te worden toegepast. Dat is in het voordeel vanbelastingplichtigen, verzekeraars en de Belastingdienst.De voorgestelde afschaffing van het overgangsrecht heeft gevolgen voorde belastingheffing over het rentebestanddeel in de uitkering (momenteelvoorwaardelijk vrijgesteld in box 1), voor de belastingheffing over dewaarde van de kapitaalverzekering (momenteel vrijgesteld in box 3 tot€ 123.428) en voor de gegevensuitwisseling. Hierna worden dezegevolgen toegelicht.Toetsmoment aanwezigheid belast rentebestanddeelBij de invoering van het nieuwe stelsel wordt een toetsmoment (1 januari2028) gecreëerd. Per die datum wordt – op basis van de regelgeving vanhet huidige overgangsrecht – beoordeeld of voor nog lopende kapitaalver-zekeringen te zijner tijd gebruikt gemaakt kan worden van deuitkeringsvrijstelling.24Indien dat niet het geval is, wordt voorgesteld omin het kader van het afschaffen van het overgangsrecht de heffing over hetrentebestanddeel zoals dat op het toetsmoment voor de periode tot enmet 31 december 2027 is vastgesteld op een van de twee volgendemanieren plaats te laten vinden: (1) op het moment van het daadwerke-lijke uitkeringsmoment van de kapitaalverzekering als de datum vanexpiratie ná 31 december 2027 en vóór 1 november 2029 ligt of (2) op eenvervroegd afrekenmoment wanneer de kapitaalverzekering op of ná1 november 2029 expireert. Op basis van de renseigneringsgegevens vande afgelopen jaren zal niet meer dan 7% van de lopende kapitaalverzeke-ringen een te belasten rentebestanddeel hebben omdat niet aan devoorwaarden van de uitkeringsvrijstelling is of zal worden voldaan. Dit zalop 1 januari 2028 tussen de 11.000 en 12.000 kapitaalverzekeringenbetreffen. De omvang van het te belasten rentebestanddeel wordt bepaaldnaar de stand op 1 januari 2028.Om de fiscale heffing over het te belasten rentebestanddeel voorverzekeraars, belastingplichtigen en de Belastingdienst zo soepel mogelijkte laten verlopen wordt voorgesteld om met een inhoudingsverplichtingvoor de verzekeraars te werken. Afdracht van de verschuldigde heffinggaat dan via de loonbelasting (LB) en premieheffing voor de volksverzeke-ringen (PH) en voor het grootste deel van de kapitaalverzekeringen op hetmoment dat deze expireren en het verzekerde kapitaal vrijkomt.24Voor het gebruik van de uitkeringsvrijstelling bij kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten in deperiode 1992 – 2000 (Brede Herwaardering) gelden de volgende voorwaarden: (a) de premiesstaan in een verhouding van 1:10 tot elkaar (bandbreedte) en (b) de premies moeten jaarlijks(in elk verzekeringsjaar), gedurende de hele looptijd van het product, zijn betaald. VoorPre-Brede Herwaarderingskapitaalverzekeringen (van vóór 1992) geldt daarnaast dat hetverzekerde kapitaal na 31 december 1991 niet mag zijn verhoogd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 332 In de situatie dat een kapitaalverzekering ná 31 december 2027 en vóór1 november 2029 expireert zal de fiscale afrekening over het belastbaarrentebestanddeel in de uitkering plaatsvinden op het moment vanuitbetaling van het kapitaal. Door verzekeraars ook voor deze situatieinhoudingsplichtig te maken, kunnen zij in het kader van de beëindigingvan de kapitaalverzekering uit het vrijkomende kapitaal de verschuldigdeinkomstenbelasting via de LB/PH inhouden en aan de Belastingdienstafdragen. Door de betreffende bedragen op te geven in de aangifte LB/PHkunnen de afgedragen heffingen en de belastinggrondslag via derenseigneringsstromen van verzekeraars naar de Belastingdienst in devooraf ingevulde aangifte van de verzekeringnemer (tevens belasting-plichtige) worden verwerkt.Als echter de kapitaalverzekering niet uiterlijk op 1 november 2029(uiterste afrekenmoment; dit betreft de tweede situatie zoals aan het beginvan deze subparagraaf geschetst) volledig tot expiratie is gekomen, wordthet per 1 januari 2028 bepaalde rentebestanddeel op 1 november 2029 viade LB/PH in de heffing betrokken. Als de heffing op 1 november 2029moet plaatsvinden omdat de verzekering na die datum nog doorloopt (ditbetreft naar schatting tussen de 6.000 en 7.000 kapitaalverzekeringen)zullen verzekeraars ruim voor 1 november 2029 verzekeringnemersinformeren dat op die datum een fiscaal heffingsmoment bestaat en dat inbeginsel de verschuldigde heffing over het rentebestanddeel viainhouding van LB/PH moet plaatsvinden. Daarbij zal de keuze aan deverzekeringnemer worden voorgelegd of inderdaad inhouding van LB/PHmoet plaatsvinden (door onttrekking uit de reservewaarde van de polis) ofdat de heffing via de aanslag inkomstenbelasting over 2029 moetplaatsvinden. Met een keuze voor laatstgenoemde mogelijkheid wordtvoorkomen dat voor het deel dat aan de reservewaarde is onttrokken geenrendement meer wordt behaald tijdens de resterende looptijd van depolis. Voor deze keuze geldt een aantal additionele voorwaarden die in deartikelsgewijze toelichting nader worden toegelicht.25Continuering bezittingsvrijstelling tot en met 31 december 2029De kapitaalverzekeringen die op grond van de bepalingen van het huidigeovergangsrecht recht hebben op de bezittingsvrijstelling zullen onder hetnieuwe box 3-stelsel op een vergelijkbare wijze worden vrijgesteld. Devermogensaanwas van deze kapitaalverzekeringen zal alleen wordenbelast voor zover deze is toe te rekenen aan de waarde boven € 123.428(het bedrag van de hiervoor genoemde bezittingsvrijstelling in box 3). Dehuidige bezittingsvrijstelling eindigt met ingang van 14 september 2029.Voorgesteld wordt om de vrijstelling voor dergelijke verzekeringen tot enmet 31 december 2029 van toepassing te laten zijn. Aangezien eenbelastingjaar gelijkloopt met een kalenderjaar zou een tussentijdsewijziging in fiscale behandeling, namelijk tot en met 13 september 2029vrijstellen en vanaf 14 september 2029 wel in de heffing betrekken, naarverwachting in de praktijk tot problemen leiden. Er zou dan namelijk eenwaardering per 14 september 2029 moeten plaatsvinden om de vermo-gensaanwas tussen die datum en 31 december 2029 te kunnen berekenen.Dit zou veel vragen van het doenvermogen van belastingplichtigen enverzwarend werken voor de uitvoering door de Belastingdienst en voor deadministratieve lasten van verzekeraars.25Als voorwaarde geldt dat:a.de rente niet voor 1 november 2029 tot de inkomsten uit vermogen is gerekend;b.de belastingplichtige de inhoudingsplichtige hierom verzoekt; enc.de inhoudingsplichtige een afschrift van dit verzoek bewaart bij de loonadministratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 333 Door de voorgestelde regels wordt een dubbele heffing als gevolg van hethuidige overgangsrecht en het nieuwe box 3-stelsel voorkomen.Daarnaast blijft de huidige bezittingsvrijstelling in een vergelijkbare vorm,aangepast aan het stelsel van een vermogensaanwasbelasting, tot en met2029 van kracht. Ook wordt voor de heffing over het rentebestanddeelzoveel mogelijk aangesloten bij de expiratie van de verzekering. Na 2029zijn dan alleen nog de fiscale regels van het nieuwe box 3-regime vantoepassing. Alleen voor de beperkte groep belastingplichtigen waarbij dekapitaalverzekering met een belast rentebestanddeel doorloopt vanaf1 november 2029 geldt dat zij belasting moeten betalen voordat deverzekering tot uitkering komt.Bij verzekeringen van vóór 1 januari 2001 die op basis van het huidigeovergangsrecht in box 1 in aanmerking worden genomen gaat hetdoorgaans om koopsompolissen die nooit aan de voorwaarden voor eenvrijgestelde uitkering hebben voldaan. Van een koopsompolis is sprake alseen kapitaalverzekering wordt afgesloten tegen storting van eeneenmalige premie. Dergelijke polissen worden op grond van het huidigeovergangsrecht niet in de heffing van box 3 betrokken. Voor de heffingover het rentebestanddeel bij expiratie worden dergelijke verzekeringen inbox 1 in aanmerking genomen. Voortzetten van dit overgangsrecht zouertoe leiden dat deze kapitaalverzekeringen ook buiten de nieuwebox 3-heffing blijven vallen. Dat is naar het oordeel van het kabinetonwenselijk. Daarbij is met name van belang dat de ooit gemaaktescheiding in het overgangsrecht tussen kapitaalverzekeringen die in box 3in aanmerking worden genomen en kapitaalverzekeringen die in box 1 inaanmerking worden genomen niet altijd duidelijk blijkt uit de adminis-tratie van verzekeraars. Voorgesteld wordt daarom om deze kapitaalverze-keringen met ingang van 1 januari 2028 naar box 3 te verplaatsen.Aangezien deze kapitaalverzekeringen al vóór 2001 niet aan de vrijstel-lingsvereisten voldeden, zullen naar verwachting al deze verzekeringen ophet toetsmoment (1 januari 2028) een belast rentebestanddeel bevatten,waarover op grond van het voorgestelde overgangsrecht uiterlijk op1 november 2029 dient te worden afgerekend.GegevensuitwisselingEen groot voordeel van het afschaffen van het hiervoor beschrevenovergangsrecht voor de gegevensuitwisseling is dat de ingewikkelde entijdrovende maandelijkse aanlevering van zowel belaste als onbelasteuitkeringen van de kapitaalverzekeringen van vóór 2001 ten behoeve vande inkomstenbelasting door verzekeraars kan komen te vervallen. Opbasis van de huidige werkwijze van renseigneren zijn verzekeraarsnamelijk verplicht om bij uitkering van een dergelijke kapitaalverzekeringin de maand die volgt op de maand waarin de uitkering heeft plaatsge-vonden deze aan de Belastingdienst te renseigneren.26 De renseigne-ringen van de uitkeringen worden handmatig uitgevoerd, terwijl dejaarlijkse renseigneringen van de waardes van de betreffende kapitaalver-zekeringen geautomatiseerd gebeuren. Door de afschaffing van deimputatieregeling voor kapitaalverzekeringen in box 3 (zie de volgendeparagraaf in dit hoofdstuk) is het niet langer noodzakelijk om de onbelasteuitkeringen te renseigneren en omdat de belaste uitkeringen onder deLB/PH-aangifte gaan lopen (zie hierna) kan de maandrenseigneringvervallen. Alle verzekeringen in box 3 worden vanaf 2028 jaarlijks op basisvan dezelfde nieuwe systematiek aangeleverd. Hiertegenover staat dat deverzekeraars in de periode van 2028 tot en met 2029 alle oude kapitaalver-zekeringen moeten beoordelen op de aanwezigheid van een belast26De huidige werkwijze betreft circa 250.000 verzekeringen jaarlijks waarvan de uitkeringgerenseigneerd dient te worden, terwijl maar 7% ervan een belastbaar rentebestanddeel heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 334 rentebestanddeel op het toetsmoment (1 januari 2028). Er vindt echteralleen gegevensuitwisseling plaats met de Belastingdienst – via deLB/PH-aangifte – bij een belast rentebestanddeel. Ook in gevallen waarineen verzekeringnemer/belastingplichtige ervoor heeft gekozen om deheffing over het belastbare rentebestanddeel via zijn aangifte inkomsten-belasting te laten lopen, komt de informatie over het belastbare rentebe-standdeel via de LB/PH-aangifte van de verzekeraar in de vooraf ingevuldeaangifte van de belastingplichtige terecht.3.9.5. Afschaffen imputatieregeling voor kapitaalverzekeringen inbox 3 De zogeheten imputatieregeling maakt deel uit van het huidigeovergangsrecht en is een zeer complexe regeling die in de praktijk weinigwordt toegepast. Deze houdt in dat de (bezittings)vrijstelling van€ 123.428 voor bepaalde verzekeringsproducten maar een keer per levenmag worden toegepast op het totaal aan uitkeringen («lifetime-vrijstelling»). Bij een uitkering zou daarom altijd moeten worden gechecktof er in het verleden ook al een uitkering onder toepassing van (een deelvan) de lifetime-vrijstelling is genoten, al dan niet bij een andere verze-keraar. Een verzekeraar kan dit niet checken omdat ook bij een uitkeringuit een kapitaalverzekering bij een andere verzekeraar (een deel van) delifetime-vrijstelling kan zijn benut. Ook de Belastingdienst beschikt in hetalgemeen niet volledig over de daarvoor benodigde informatie. Doorafschaffing van de imputatieregeling kan de gegevensstroom voor derenseignering significant worden verlaagd wat de uitvoerbaarheid door deBelastingdienst ten goede komt en de administratieve lasten vanverzekeraars verlaagt. Afschaffing van de imputatieregeling is in hetvoordeel van belastingplichtigen die uitkeringen uit meerdere kapitaalver-zekeringen hebben ontvangen of gaan ontvangen. Vanwege het naarverwachting kleine aantal van dergelijke belastingplichtigen is debudgettaire impact hiervan gering.De imputatieregeling zoals opgenomen in het huidige overgangsrechtheeft op zich ook gevolgen voor de vrijgestelde producten die zijnafgesloten in de periode van 2001 tot en met 2012 voor de aflossing vande eigenwoningschuld. Dat betreft de kapitaalverzekering eigen woning,de spaarrekening eigen woning en het beleggingsrecht eigen woning dieallen in box 1 horen. Voor deze producten blijft de imputatieregeling zoalsdeze is opgenomen in artikel 10bis.6, derde lid, Wet IB 2001 in stand. Deverzekerings- of spaarproducten voor de eigen woning waarop deimputatieregeling van toepassing blijft, zijn pas met ingang van 2001geïntroduceerd. Op dergelijke producten is het overgangsrecht uit deInvoeringswet Wet IB 2001 daarom niet van toepassing. Door desamenhang met de eigen woning is de historie van deze producten beterte volgen dan bij de deels al lang vóór 2001 bestaande kapitaalverzeke-ringen, waardoor de imputatieregeling op de verzekerings- of spaarpro-ducten voor de eigen woning beter kan worden toegepast.3.10 Vorderingen en schulden Vorderingen en schulden zullen doorgaans reguliere voordelen opleverenin de vorm van (betaalde of ontvangen) rente. Daarnaast kan ook sprakezijn van een waardeontwikkeling van vorderingen en schulden. Net zoalsin het huidige stelsel worden vorderingen en schulden in beginselgewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Uit dezewaardering kunnen waardeontwikkelingen voortvloeien, bijvoorbeeld alsgevolg van op- en afwaarderingen of door kwijtschelding van de schuld.De voortzetting van dit waarderingsvoorschrift in het nieuwe stelsel zorgtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 335 voor consistentie, herkenbaarheid en een zuivere behandeling van dewaardering van vorderingen en schulden.Als de verschuldigde rente van de vordering of schuld voor een bepaaldeperiode vast staat dan kan de (markt)waarde van de vordering of deschuld fluctueren als de marktrente ten opzichte van de overeengekomenrente wijzigt. Als de marktrente stijgt, dan zal een vordering met een lagerente die langdurig vaststaat in waarde dalen. Om het beroep op hetdoenvermogen van burgers te beperken wordt voorgesteld dat vorde-ringen en schulden die voortvloeien uit een geldleningsovereenkomsttussen natuurlijke personen in afwijking van de hoofdregel gewaardeerdworden op de nominale waarde. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht wordenaan ouders die een geldlening verstrekken aan hun kind voor de finan-ciering van een eigen woning. Het jaarlijks waarderen van de vordering opde nominale waarde in plaats van op de waarde in het economischeverkeer is eenvoudig en herkenbaar.KwijtscheldingsvoordeelvrijstellingHet doel van de kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling is om fiscale belem-meringen bij het saneren van schulden weg te nemen. Bij (gedeeltelijke)kwijtschelding van de vordering door de schuldeiser of faillissement vande schuldenaar treedt een waardeontwikkeling op. Een (gedeeltelijke)kwijtschelding leidt bij de schuldeiser tot een negatieve waardemutatie.De vordering is minder of niets waard geworden. Bij het belasten van hetwerkelijke rendement past dat de schuldeiser deze waardevermindering inaanmerking kan nemen. Een kwijtschelding leidt bij de schuldenaar inbeginsel tot een positieve waardemutatie. Het is onwenselijk dat deschuldenaar inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van eenkwijtschelding vanwege zeer slechte financiële omstandigheden. Verderzullen schuldeisers mogelijk minder snel bereid zijn om mee te werkenaan een schuldsanering indien (gedeeltelijke) kwijtschelding leidt totbelastingheffing, waarmee hun verhaalsmogelijkheid wordt beperktvanwege de preferente positie van de Belastingdienst.Daarom wordt voorgesteld een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling in tevoeren. Het inkomen dat bij de schuldenaar ontstaat als gevolg vankwijtschelding van een schuld wordt daarmee onder voorwaardenvrijgesteld van heffing in box 3. De hiervoor beschreven onwenselijkegevolgen worden daarmee voorkomen. Het kwijtscheldingsvoordeel is bijde schuldenaar vrijgesteld indien sprake is van de kwijtschelding van eenfinancieel onvolwaardige vordering en voor zover het kwijtscheldings-voordeel groter is dan het heffingsvrije resultaat, eventuele andereverliezen in het jaar zelf en de verrekenbare verliezen uit eerderekalenderjaren. Ook in de winstsfeer van de inkomstenbelasting en devennootschapsbelasting bestaat een enigszins vergelijkbare kwijtschel-dingswinstvrijstelling.De kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling werkt niet volledig door in het inhet toetsingsinkomen voor de toeslagen. Dit kan het geval zijn alsschuldeisers hun niet voor verwezenlijking vatbare rechten prijsgeven eneen belastingplichtige daarnaast openstaande te verrekenen verliezenheeft. Voor het toetsingsinkomen wordt doorgaans aangesloten bij hetverzamelinkomen uit de Wet inkomstenbelasting 2001. Eventueleopenstaande te verrekenen verliezen maken geen deel uit van hetverzamelinkomen. Hierdoor zal in een situatie waarin de belastingplichtigeopenstaande te verrekenen verliezen heeft de kwijtscheldingswinst geheelof gedeeltelijk leiden tot een verhoging van het verzamelinkomen in deWet inkomstenbelasting 2001 en het toetsingsinkomen voor diversetoeslagen. Belanghebbende kan door dit «papieren inkomen» het recht opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 336 toeslagen verliezen of minder toeslagen krijgen. Hij wordt dan geconfron-teerd met een terugbetalingsverplichting van toeslagen zonder dat hijover dit inkomen heeft kunnen beschikken. Voor deze situatie in dewinstsfeer is geregeld dat de Dienst Toeslagen op verzoek van belangheb-bende voor de vaststelling van het toetsingsinkomen kan uitgaan van hetverzamelinkomen zonder de hiervoor bedoelde kwijtscheldingswinst.27Deze tegemoetkoming zal worden uitgebreid voor de kwijtschelding vanschulden in het voorgestelde nieuwe box 3-stelsel.3.11 Verstrekking van gegevens over het vermogen In het nieuwe stelsel is niet meer voor alle vermogensbestanddelen dewaarde van het vermogen op 1 januari relevant voor de belastingheffing.Echter, inzicht in de omvang van het totale vermogen kan nog steedsrelevant zijn voor de Belastingdienst. De hoogte van het totale vermogenwordt door de Belastingdienst voor verschillende doeleinden gebruikt,waaronder in het kader van toezicht.Voor de vermogenstoets in inkomens- en vermogensafhankelijkeregelingen zijn meerdere bestuursorganen afhankelijk van de gegevensvan de Belastingdienst over de hoogte van het vermogen in box 3 van eenbelastingplichtige. Het gaat dan bijvoorbeeld om het vaststellen door deDienst Toeslagen of recht bestaat op toeslagen waarbij een vermogens-toets geldt of het bepalen door de door de Raad voor Rechtsbijstand ofrecht bestaat op gesubsidieerde rechtsbijstand. Voorgesteld wordt dat deBelastingdienst ook in het nieuwe stelsel het vermogen van belasting-plichtige blijft uitvragen, bij voor bezwaar vatbare beschikking hetvermogen blijft vaststellen en dit gegeven blijft doorleveren.De hierboven genoemde afnemers zijn nu met hun processen ingesteldop het verkrijgen van gegevens van de Belastingdienst over het box 3-vermogen. Theoretisch is het mogelijk dat elke partij zelf de gegevensover het vermogen gaat opvragen. Dit is echter niet doelmatig en leidt toteen lastenverzwaring voor de belastingplichtige en een stijging van deadministratieve lasten bij ketenpartners, zoals banken, financiëleinstellingen en verzekeraars, die momenteel de gegevens over hetvermogen alleen aan de Belastingdienst leveren.Momenteel geldt dat de Belastingdienst voor een deel van de belasting-plichtigen de hoogte van het vermogen vaststelt en doorlevert, ook al isdeze hoogte niet relevant voor de box 3-heffing. Het gaat dan ombelastingplichtigen met een vermogen tussen de € 37.395 (grens voor dehuurtoeslag) en de € 57.684 voor belastingplichtigen zonder fiscaalpartner of € 115.368 met een fiscaal partner (het heffingvrije vermogen).28De Belastingdienst stelt het vermogen vast met de «beschikking bedragrendementsgrondslag». Deze beschikking vormt de grondslag voor deBelastingdienst en geeft de belastingplichtige tevens de mogelijkheid ombezwaar te maken tegen de hoogte van het vastgestelde vermogen. Debeschikking bedrag rendementsgrondslag wordt door de Belastingdienstvastgesteld, omdat de Belastingdienst van oudsher inzicht heeft in hetvermogen van belastingplichtigen en bij andere overheidsorganisaties deinformatie ontbreekt om een vermogenstoets vorm te geven.Voorgesteld wordt de waarde van bezittingen en schulden voor het gehelebox 3-vermogen (de vermogensbestanddelen die worden belast in box 3)te blijven vaststellen en dit vervolgens te blijven verstrekken aan deafnemers waarvoor nu ook een wettelijke verplichting tot verstrekking27Artikel 8, zevende lid, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.28Bedragen zoals geldend in 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 337 bestaat. Dit geldt ook voor vermogensbestanddelen waarvoor desystematiek van de vermogenswinstbelasting geldt. Uitgangspunt is omde beschikking aan te laten blijven sluiten bij de waarde van de bezit-tingen en schulden die in box 3 in de grondslag worden betrokken. Hetgevolg hiervan is dat iedereen met een vermogen boven de huurtoeslag-grens aangifte in box 3 moet doen, ook als het inkomen lager is dan hetheffingsvrije resultaat of het verlies kleiner dan de verliesverrekenings-drempel. Aangezien in het nieuwe stelsel geen rendementsgrondslagmeer wordt gehanteerd, wordt voorgesteld om het begrip «beschikkingbedrag rendementsgrondslag» te wijzigen in «beschikking bedragvermogen sparen en beleggen».4. Visie op belasten vermogen en samenhang tussen boxen 4.1 Visie op het belasten van vermogen De voorliggende hervorming van box 3 beoogt een evenwichtigebelastingdruk op het inkomen uit vermogen te bewerkstelligen in relatietot ander inkomen uit arbeid en vermogen. Omdat verschillende vermo-gensbestanddelen in verschillende boxen worden belast, wordt in dezeparagraaf toegelicht op welke wijze deze hervorming past binnen debredere visie op de belastingheffing van vermogen.In het IBO Vermogensverdeling (2022)29 is uitvoerig het belang vanevenwicht in de belastingdruk op inkomen uit arbeid en uit (verschillendevormen van) vermogen beschreven. Een evenwichtige belastingdruk wilniet zeggen dat er in het geheel geen verschillen mogelijk zijn in de fiscalebehandeling van verschillende vormen van inkomen en vermogen.Evenwicht vereist wél dat deze verschillen deugdelijk zijn gemotiveerd.Als het evenwicht verloren raakt, leidt dat tot belastingarbitrage en alsgevolg daarvan lagere belastingontvangsten en vergroot dit de verschillentussen inkomens en vermogens van huishoudens, boven op deverschillen die de markt zelf creëert. In het rapport Belastingen inmaatschappelijk perspectief (2024)30 is het belang van een evenwichtigebelastingdruk nogmaals benadrukt. Een onevenwichtig stelsel leidt totwelvaartsverlies en is uiteindelijk schadelijk voor economie enmaatschappij.In het IBO Vermogensverdeling is geconstateerd dat het evenwicht in hetbelasten van met name inkomen uit arbeid en inkomen uit vermogenzoals dat met de Wet IB 2001 is beoogd, in de jaren daarna al gauw zoek isgeraakt. Die onevenwichtigheid kwam vooral tot uitdrukking bij debelastingdruk op het inkomen van de werknemer, de directeur-grootaandeelhouder (dga) en de ondernemer in de inkomstenbelasting(IB-ondernemer). Naast deze onevenwichtigheden ten aanzien vaninkomen van werkenden wijzen beide rapporten op onevenwichtighedendie bestaan door verschillen tussen de fiscale behandeling van verschil-lende soorten vermogen, in het bijzonder de eigen woning, pensioen,box 2 én box 3.De visie op het bereiken van meer evenwicht tussen verschillende vormenvan vermogen leidt ten aanzien van box 3 consequent tot het advies omover te stappen naar een stelsel dat zoveel mogelijk het werkelijkerendement belast. Het ontbreken van een grondslag op basis vanwerkelijk rendement is de belangrijkste onevenwichtigheid in box 3 tenopzichte van de rest van het stelsel. Heffen op basis van werkelijkrendement zorgt ervoor dat de verschillen tussen de boxen verminderen29Kamerstukken II 2022/23, 36 200 IX, nr. 4.30Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 180.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 338 en sluit aan bij het streven naar het gelijker belasten van verschillendevormen van inkomsten uit vermogen. Dit staat expliciet gemeld in hetrapport IBO Vermogensverdeling en ook in het recente rapport Belas-tingen in maatschappelijk perspectief. Opeenvolgende kabinetten dragendeze lijn uit.In de ambtelijke adviezen wordt benadrukt dat er geen algehele stelselher-ziening nodig is om het belasten van werkelijk rendement in box 3 terechtvaardigen. Het belasten van het werkelijke rendement in box 3 pastbij toekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtigebelastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven. Hetwetsvoorstel beoogt niet om een wijziging aan te brengen in het aandeelvan de opbrengst uit vermogen binnen de belastingmix (de lasten oparbeid, de lasten op consumptie en de lasten op vermogen).Naast de visie die wordt uitgedragen in bovenstaande rapportenbenadrukt het rapport Belastingen in maatschappelijk perspectief voorbox 3 dat hét ideale stelsel dat werkelijk rendement belast niet bestaat endat er haken en ogen zitten aan zowel een 100% vermogenswinst- als een100% vermogensaanwasbelasting. Het hybride stelsel zoals uitgewerkt inhet wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een juridisch goedonderbouwd, evenwichtig en rechtvaardig stelsel. Hiertegenover staat datin elk geval het huidige box 3 stelsel (zonder tegenbewijsregeling)juridisch niet houdbaar is. Het rapport stelt daarom bovenal dat eenurgente aanpak gevraagd is en er een keuze moet worden gemaakt tussenimperfecte alternatieven. Als dat niet gebeurt raken we een belangrijkebelastinggrondslag kwijt en ontstaat er juist dan een grote onevenwich-tigheid in het belastingstelsel met forse budgettaire dervingen.4.2 Samenhang tussen boxen Bij de herziening van de inkomstenbelasting per 2001 is gekozen voor hetboxenstelsel. De boxen verschillen onderling van elkaar, bijvoorbeeld ophet gebied van de tarieven, het inkomensbegrip, de vrijstellingen en deaftrekposten. Deze verschillen hebben als achtergrond dat het wenselijkkan zijn om bijvoorbeeld de eigen woning anders te behandelen dan eenspaarrekening, of om ondernemingsvermogen anders te behandelen daneen belegging in de vorm van een aandelenpakket of onroerend goed.Hierbij is het van belang dat de belastingdruk tussen de boxenevenwichtig is. Het enkele feit dat er verschillen zijn tussen de boxen, wilniet zeggen dat het stelsel onevenwichtig is. Voor het toekomstige stelselvoor box 3 is ervoor gekozen om, waar dat wenselijk en passend is, aan tesluiten bij box 1 en box 2 en waar dat niet past regels te creëren dietoegesneden zijn op box 3.In box 1 wordt winst uit onderneming in de heffing betrokken via eenvermogenswinstbelasting. In box 2 worden inkomsten uit aanmerkelijkbelang belast via een vermogenswinstbelasting. Van een aanmerkelijkbelang is sprake bij een aandelenbelang van ten minste 5%. Met debezitseis van 5% is beoogd om onderscheid te maken tussen beleggen enondernemen. Het bezitspercentage ligt in de lijn met het onderscheidendecriterium dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling in devennootschapsbelasting wordt gehanteerd.31 Naast de vermogenswinst-systematiek in box 1 en box 2 zijn diverse faciliteiten beschikbaar tervoorkoming dat de continuïteit van een onderneming in gevaar komt.Hierbij kan voor de winst uit onderneming gedacht worden aan hetkunnen vormen van een voorzieningen en een herinvesteringsreserve bijverkoopwinst van activa. Daarnaast kan in box 1 en box 2 gebruik worden31Kamerstukken II 1995/96, 24 761, nr. 3, blz. 5 en 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 339 gemaakt van doorschuiffaciliteiten in het geval van bedrijfsoverdrachtenbij schenken en overlijden.Uit de opbouw van het boxenstelsel in de inkomstenbelasting volgt dathet vermogen in box 3 wordt aangemerkt als een belegging waardoor eenafwijkende fiscale behandeling ten opzichte van ondernemingsvermogenin de andere boxen is gerechtvaardigd. In het voorgestelde box 3-stelselgeldt als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting. Daarnaast zijn dehiervoor genoemde doorschuiffaciliteiten bij schenken en overlijden nietvan toepassing omdat geen sprake is van ondernemingsvermogen. Deuitzondering voor onroerend goed en aandelen in startups in hetvoorgestelde box 3-stelsel komt voort uit het niet-liquide karakter vandeze vermogensbestanddelen. Voor de berekening van het inkomen vanonroerend goed en aandelen in startups dat via de vermogenswinstbe-lasting in de heffing wordt betrokken, wordt aangesloten bij de syste-matiek van box 2 omdat deze berekeningswijze in de praktijk goed werkten begrippen zoals «verkrijgingsprijs, regulier voordeel, vervreemdings-voordeel en conserverende aanslag», herkenbaar zijn.Bij winst uit onderneming in box 1, bij inkomen uit aanmerkelijk belang inbox 2 en in het voorgestelde box 3-stelsel wordt belasting geheven overhet werkelijke rendement. Dat rendement kan bestaan uit reguliereinkomsten, zoals rente, huur en dividend en uit waardeontwikkelingen.Beide elementen verhogen de draagkracht. Het verschil tussen eenvermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting betreft hettijdstip waarop de waardeontwikkelingen worden belast. Bij een vermo-gensaanwasbelasting worden de waardeontwikkelingen jaarlijks in deheffing betrokken en bij een vermogenswinstbelasting bij realisatie doorverkoop. Vanwege het hiervoor beschreven onderscheid tussenondernemings- en beleggingsvermogen kiest het kabinet voor het nieuwebox 3-stelsel als hoofdregel een vermogensaanwasbelasting.Een belangrijke vorm van onevenwicht in het huidige boxenstelsel is datin box 3 belasting wordt geheven op basis van een forfaitair rendementen elders niet. De prikkel voor box-arbitrage neemt met de voorliggendehervorming af omdat in het voorstel net als in box 2 belasting zal wordengeheven over het werkelijke rendement en niet meer over een forfaitairrendement. Daarmee kunnen bestaande fiscale redenen om vermogen datin box 3 forfaitair hoog werd belast over te hevelen naar box 2 afnemen.Er blijven echter verschillen tussen box 2 en box 3, bijvoorbeeld metbetrekking tot het genietingstijdstip en het tarief. In onderdeel 8.2 wordtnader ingegaan op box-arbitrage. Het vergroten van evenwichtigheid inhet huidige boxenstelsel door in box 3 het werkelijke rendement tebelasten in plaats van een forfaitair rendement, past bovendien bijtoekomstige hervormingen in het belastingstelsel die een evenwichtigebelastingdruk op de verschillende inkomensgrondslagen nastreven.Het percentage van het eigenwoningforfait in box 1 wijkt af van devoorgestelde vastgoedbijtelling in box 3 van 3,35%. In box 1 bedraagt heteigenwoningforfait 0,35% voor woningen met een woningwaarde boven€ 75.000 en tot € 1.330.000. Voor woningen met een woningwaardeboven de € 1.330.000 (bedrag 2025) geldt voor de waarde vanaf€ 1.330.000 het verhoogde eigenwoningforfait van 2,35%. De ratio achterhet verhoogde eigenwoningforfait is dat boven een bepaalde woning-waarde het beleggingsaspect een grotere rol speelt. De eigen woning inbox 1 kan deels als besteding/consumptiegoed (bewoning) en deels alsbelegging/investeringsgoed worden beschouwd. In het rapport Belas-tingen in maatschappelijk perspectief is recentelijk geconstateerd dat hethuidige eigenwoningforfait van 0,35% historisch laag is. Ten opzichte vande eigen woning speelt bij een onroerende zaak in box 3 uitsluitend hetbeleggingsaspect een rol. Met het bestedingsaspect wordt geen rekeninggehouden. De bruto economische huurwaarde van de betreffendebox 3-woning is het uitgangspunt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 340 In het wetsvoorstel blijven roerende zaken voor eigen gebruik, zoalsjachten, (sta)caravans en campers, evenals onder het huidige box 3-stelselbuiten de belastingheffing. Het wetsvoorstel beoogt het werkelijkerendement te belasten. Dure gebruiksgoederen leveren doorgaans geen tebelasten rendement op en veelal is sprake van een waardedaling. Als dezeroerende zaken hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, wordtin dat geval het eigen gebruik ook niet belast, maar vindt belastingheffingop reguliere wijze in box 3 plaats.5. Internationale aspecten 5.1 Verhouding tot hoger recht Fundamentele rechtenDe Hoge Raad heeft op 24 december 2021 geoordeeld dat het forfaitairebox 3-stelsel, zoals dat gold in 2017 en 2018, in strijd is met het eigen-domsrecht (en het discriminatieverbod) van het EVRM.32 Op 6 juni 2024heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het huidige box 3-stelsel ook in strijdis met het EVRM.33 Mede gelet op deze arresten van de Hoge Raad ziet hetkabinet aanleiding expliciet in te gaan op de vraag hoe dit wetsvoorstelzich verhoudt tot het EVRM.Het recht op ongestoord genot van eigendom is neergelegd in artikel 1van het Eerste Protocol bij het EVRM (artikel 1 EP EVRM). Een inmengingin het eigendomsrecht is gerechtvaardigd indien voldaan is aan drievoorwaarden:1.De maatregel moet bij wet voorzien zijn. Dat betekent dat de beperkingvoldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de toepassing moetzijn.2.De inmenging dient een legitieme doelstelling in het algemeen belang.3.Er moet sprake zijn van een redelijke verhouding tussen de belangenvan het betrokken individu en het algemene belang, een «fair balance»tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel.In artikel 1 EP EVRM is ook opgenomen dat een staat het recht heeft om«die wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik vaneigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang ofom de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren».Rijksbelastingen, zoals de inkomstenbelasting, worden opgenomen in eenwet in formele zin34 die wordt gepubliceerd volgens de regels van deBekendmakingswet. In het onderhavige wetsvoorstel wordt zo duidelijk enprecies mogelijk omschreven hoe het werkelijke rendement wordtberekend en hoe dit vervolgens wordt belast. Daarmee is de wijze waaropbelasting wordt geheven voor belastingplichtigen toegankelijk, precies envoorzienbaar. Daarbij speelt ook mee dat het nieuwe stelsel pas over eenpaar jaar van kracht wordt, waardoor belastingplichtigen de tijd hebbenzich daarop voor te bereiden. Het primaire doel van de inkomstenbe-lasting is om de uitgaven van de Rijksoverheid te financieren. Met hetvoorliggende wetsvoorstel wordt ook beoogd beter aan te sluiten bij dewerkelijke draagkracht van belastingplichtigen. Een heffing op basis vanwerkelijk rendement sluit beter aan bij de werkelijke draagkracht en isdaarom in de ogen van het kabinet rechtvaardiger dan het huidigeforfaitaire stelsel. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarde dat deinmenging een legitiem doel in het algemeen belang dient. Aan de eerste32HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.33HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:813 enECLI:NL:HR:2024:771.34Artikel 104 Grondwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 341 twee voorwaarden wordt dus voldaan. Het wetsvoorstel dient voorna-melijk op de «fair balance» te worden getoetst.Naar het oordeel van het kabinet voldoet het voorstel om in box 3belasting te heffen op basis van het werkelijk behaalde rendement aan debenodigde «fair balance», waardoor er geen sprake is van een schendingvan artikel 1 EP EVRM. Het voorstel leidt dus tot een gerechtvaardigderegulering van het eigendomsrecht. Het kabinet komt tot dit oordeel opbasis van de volgende gronden:•Bij de beoordeling of de heffing van box 3 op stelselniveau de «fairbalance» respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportioneleverhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffingbeoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als metbetrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft dewetgever een ruime beoordelingsvrijheid.35•Door aan te sluiten bij het werkelijke rendement worden bezwaren diekunnen kleven aan een forfaitaire systematiek in box 3 weggenomen.•Met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt de doorartikel 1 EP EVRM gegarandeerde vrije beschikkingsmacht nietonevenredig beperkt. Dat wil zeggen, er wordt niet een verhoudingsge-wijs zware financiële last verbonden aan de keuze om niet over te gaantot het risicovol beleggen van vermogen. Door te heffen over werkelijkrendement deelt de staat mee in het risico van lage rendementen enverliezen. Als bijvoorbeeld door gebrek aan inzicht of fortuin36 sprakeis van een laag behaald rendement, dan wordt ook over dit lagewerkelijke rendement belasting geheven en niet over een hogergemiddeld rendement. Ook verliezen zijn in het voorstel verrekenbaar.De relatieve ongelijke behandeling op basis van een omstandigheiddie de betrokkenen niet zelf in de hand hebben waar de Hoge Raad aanrefereert, wordt hiermee opgelost.•Met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bijhet door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen enbeleggen. Dit sluit aan bij de algemene strekking van de Wet IB 2001om een heffing in het leven te roepen naar de, aan het daadwerkelijkgenoten inkomen ontleende, draagkracht.37•Door de inkomstenbelasting vorm te geven als draagkrachtheffingwordt van elke belastingplichtige – rekening houdend met de aard ende omvang van zijn inkomen – een bijdrage gevraagd aan de alge-mene middelen die is afgestemd op zijn feitelijke draagkracht.•Ook bij de belastingheffing van inkomen uit werk en woning enaanmerkelijk belang, belast in box 1 en box 2, wordt in beginselaangesloten bij de werkelijk behaalde resultaten. Met de voorgesteldeaanpassing van box 3 wordt in de inkomstenbelasting meer rechtgedaan aan het draagkrachtbeginsel. Op deze wijze draagt hetwetsvoorstel bij aan een evenwichtige belastingheffing van inkomenuit vermogen waarbij sprake is van een redelijke verhouding tussenhet nagestreefde doel en het ingezette middel.•Het kabinet wijst erop dat de Hoge Raad in het kerstarrest oordeelt datadequate rechtsbescherming wordt geboden door middel van eenheffing over het werkelijke rendement.•Het kabinet vindt dat er ook een fair balance is tussen het algemeenbelang en de belangen van degenen die door de regeling wordengeraakt. Door de heffing over het werkelijke rendement dragenbelastingplichtigen bij aan de algemene middelen waarbij hun bijdrage35HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 en HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o.3.2.1.36De Hoge Raad verwijst hier ook naar in het kerstarrest van 24 december 2021.37Kamerstukken II, 1998–1999, 26 727, nr. 3, blz. 4/5 en 38 en HR 24 december 2021,ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.3.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 342 is gebaseerd op hun feitelijke draagkracht. Daarbij worden deadministratieve lasten van belastingplichtigen zoveel mogelijk beperktdoordat voor Nederlandse banktegoeden en effecten de benodigdegegevens vooraf ingevuld zullen worden. Voor ander type vermogen,zoals onroerend goed, zullen de administratieve lasten toenemen. Hetkabinet acht deze verhoging proportioneel omdat belastingplichtigenmet dergelijk complex vermogen naar verwachting een hogerdoenvermogen hebben of financieel in staat zijn om een adviseur in teschakelen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen.•Tot slot zijn meerdere alternatieven overwogen voor het huidige stelsel(zie daarvoor ook de paragraaf «overwogen alternatieven»). Hetkabinet heeft geen minder ingrijpend alternatief gevonden – waarbijook het werkelijke rendement belast kan worden – voor het voorge-stelde hybride stelsel.•Alles afwegende is het kabinet van mening dat er sprake is van een fairbalance.De Hoge Raad stelt in het kerstarrest ook dat de heffing in box 3 zoalsdeze was opgenomen in de Wet IB 2001 voorafgaand aan de uitspraak opstelselniveau strijdig is met artikel 14 van het EVRM. De ongelijkheid diekon ontstaan als gevolg van het forfaitaire stelsel wordt weggenomendoor aan te sluiten bij het werkelijke rendement. Het onderhavigewetsvoorstel is daarmee naar de mening van het kabinet ook in overeen-stemming met het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM.De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven overde wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in hetkader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel. DeHoge Raad gaat hierbij uit van een vermogensaanwasbelasting voor allebezittingen, zonder kostenaftrek en zonder verliesverrekening. Dezeinvulling van het begrip werkelijk rendement is voldoende om deschending van artikel 14 EVRM en artikel 1 EP EVRM op te heffen. Hetinkomensbegrip in het voorgestelde stelsel voor box 3 komt in de basisovereen met het kader van de Hoge Raad. De aangebrachte toevoegingenzijn in het voordeel van de belastingplichtige, zoals de mogelijkheid totkostenaftrek en verliesverrekening. Daarnaast geldt in het voorgesteldestelsel een vermogenswinstbelasting voor onroerend goed en aandelen inof winstbewijzen van startende ondernemingen hetgeen een liquiditeits-voordeel oplevert voor belastingplichtigen. Het kabinet acht het voorge-stelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel vanbelastingplichtigen wordt voortgebouwd op het kader van de Hoge Raad.5.2 Voorkoming van dubbele belasting Nederland heeft met een groot aantal landen belastingverdragenafgesloten ter voorkoming van dubbele belasting. In een belastingverdragstaat welk land belasting mag heffen over inkomsten. Als er geenbelastingverdrag is, geldt het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001(Bvdb 2001). In dit besluit staat hoe Nederland dubbele belastingvoorkomt als er geen belastingverdrag is. De voorgestelde wijziging vanbox 3 heeft gevolgen voor het Bvdb 2001.Bij de voorkoming van dubbele belasting zal het heffingsvrije resultaatworden toebedeeld aan binnenlands en buitenlands inkomen uit sparenen beleggen. Het ligt voor de hand om daarbij een methode te kiezen dieaansluit op de methode die in het kader van de wetswijzigingen in box 3per 1 januari 2023 in het Bvdb 2001 voor de toedeling van het heffingvrijevermogen is gevolgd. Dat wil zeggen dat het vrij te stellen inkomen wordtvastgesteld door daar naar rato van het inkomen een deel van hetheffingsvrije resultaat aan toe te rekenen. Onderzocht wordt nog op welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 343 wijze dit voor de uitvoering en de automatiseringssystemen rekenkundighet best vormgegeven kan worden en hoe daartoe de teller en de noemervan de voorkomingsbreuk bepaald moeten worden.Nu de mogelijkheid van verliesverrekening binnen box 3 wordt gecreëerdligt het voor de hand om het Bvdb 2001 uit te breiden voor dedoorschuiving en inhaal van vrij te stellen buitenlands inkomen. Die treedtnu uitsluitend in werking wanneer het vrij te stellen buitenlandse inkomenuit sparen en beleggen niet leidt tot een vermindering als gevolg van hetin aanmerking nemen van de persoonsgebonden aftrek.In het wetsvoorstel is een verliesverrekeningsdrempel opgenomen. Ookhiervoor zal geregeld moeten worden hoe deze voor de voorkoming vandubbele belasting aan binnenlands en buitenlands inkomen uit sparen enbeleggen moet worden toegedeeld. Voor de gevallen dat er (uitsluitend)binnenlands respectievelijk buitenlands verlies is, maar er in totaal eenpositief inkomen uit sparen en beleggen bestaat, speelt de vraag niet. Inde gevallen waarin er in totaal een verlies uit sparen en beleggen is, maarhetzij het binnenlandse hetzij het buitenlandse inkomen uit sparen enbeleggen positief is, lijkt er geen andere mogelijkheid te bestaan dan deverliesverrekeningsdrempel aan het negatieve deel toe te rekenen.Wanneer zowel het binnenlandse als het buitenlandse inkomen uit sparenen beleggen negatief is, ligt het voor de hand de verliesverrekenings-drempel naar rato van het verlies toe te delen.De regeling voor verrekening van buitenlandse belasting op dividenden,interest en royalty’s zal aangepast worden. Onder het systeem dat tot enmet 2022 gold was een redelijke vaststelling van de Nederlandseinkomstenbelasting die toerekenbaar is aan de buitenlandse dividenden,interest en royalty’s niet goed mogelijk. Onder het nu voorgesteldesysteem is dat wel mogelijk. Daarom ligt het in de rede een zogenoemdetweede limiet in te voeren die de verrekening beperkt tot de over hetdesbetreffende buitenlandse inkomen verschuldigde belasting.5.3 Emigratie Bij emigratie wordt uitgegaan van een fictieve vervreemding vanaandelen in en winstbewijzen van startende ondernemingen en in hetbuitenland gelegen onroerende zaken. Dit heeft tot gevolg dat dewaardeveranderingen die gedurende de binnenlandse belastingplichthebben plaatsgevonden maar nog niet in de heffing zijn betrokken, alsnogin de heffing worden betrokken. Het doel is om de belastingclaim over dewaardeveranderingen veilig te stellen voordat de belastingplichtige isgeëmigreerd. Ten aanzien van in Nederland gelegen onroerende zakenblijft een belastingplichtige ook na emigratie (buitenlands) belasting-plichtig. Daarom geldt de vervreemdingsfictie ten aanzien van onroerendezaken alleen voor in het buitenland gelegen onroerende zaken.De positieve inkomensbestanddelen die als gevolg van de fictievevervreemding worden belast, worden aangemerkt als te conservereninkomen waarvoor een conserverende belastingaanslag wordt opgelegd.Evenals bij een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang38 achthet kabinet het proportioneel om voor deze conserverende belasting-aanslag uitstel van betaling te verlenen. Daarmee wordt bij een grotewaardestijging voorkomen dat belastingplichtigen bijvoorbeeld hunonroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over dewaardestijging van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Immers,omdat sprake is van een fictieve vervreemding komen er geen middelen38Artikel 25, achtste lid, van de Invorderingswet 1990.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 344 vrij waarmee de belastingplichtige de belastingaanslag kan voldoen. Hetkabinet acht dit onwenselijk. Op de eerste plaats omdat onroerende zakenniet altijd eenvoudig te verkopen zijn en belastingplichtigen als gevolghiervan met schuldproblematiek te maken zouden kunnen krijgen. Op detweede plaats zijn onroerende zaken in voorkomende gevallen naastbeleggingsobject ook gebruiksobject.Daarnaast is het noodzakelijk te voorzien in een uitstelregeling voorconserverende belastingaanslagen om te voorkomen dat de voorgesteldesystematiek van het opleggen van een conserverende belastingaanslag bijemigratie in strijd is met het Verdrag betreffende de werking van deEuropese Unie of met de Overeenkomst betreffende de EuropeseEconomische Ruimte. Het opleggen van een conserverende belasting-aanslag zonder hierbij te voorzien in automatisch uitstel van betaling kanhet recht op vrij verkeer van personen en diensten binnen de EuropeseUnie (EU) en de Europese Economische Ruimte (EER) beperken. Deconserverende belastingaanslag zou dan een belemmering vormen voorde belastingschuldige om zich in een ander land binnen de EU of EER tevestigen.De inspecteur zal ondanks de fictieve vervreemding bij emigratie inbeginsel geen (conserverende) belastingaanslag opleggen ten aanzienvan onroerende zaken die zijn gelegen in een land waarmee Nederlandeen verdrag heeft gesloten ter voorkoming van dubbele belasting. Debelastingverdragen die Nederland heeft gesloten plegen namelijk hetheffingsrecht over vermogenswinsten behaald met de vervreemding vanonroerende zaken exclusief toe te wijzen aan de staat waarin de onroe-rende zaak is gelegen. Dit op grond van het zogenoemde situsbeginsel. Defictieve vervreemding zal zodoende in de praktijk beperkt zijn tot onroe-rende zaken die zijn gelegen in een niet-verdragsland.Het kabinet vindt het passend om aan te sluiten bij bovengenoemdeuitstelfaciliteit die wordt aangeboden in geval van geconserveerdinkomen uit aanmerkelijk belang. Uitstel van betaling op grond van dezeuitstelfaciliteit wordt automatisch verleend voor onbepaalde tijd. Verderwordt gedurende het uitstel van betaling geen invorderingsrente inrekening gebracht en er wordt alleen zekerheid gevraagd wanneer debelastingschuldige zich verplaatst of woonachtig wordt buiten deEuropese Unie. Het uitstel wordt – kort gezegd – al dan niet gedeeltelijkbeëindigd wanneer er middelen vrij komen waarmee de belasting-schuldige zijn belastingaanslag kan voldoen. Hierbij wordt rekeninggehouden met de in het buitenland verschuldigde belasting.5.4 Caribisch Nederland (BES-eilanden) Voor wetsvoorstellen in Nederland dient ook gekeken te worden of devoorstellen eveneens in Caribisch Nederland van toepassing zoudenmoeten zijn. Hiervoor geldt in het algemeen het beginsel van «comply orexplain», een wijziging moet ook in Caribisch Nederland in wetgevingworden overgenomen («comply») en als dat niet mogelijk is, dient dezeonmogelijkheid toegelicht te worden («explain»). Het beginsel van«comply or explain» geldt echter niet voor de fiscale wetgeving op deBES.39 Juist voor fiscale zaken blijft maatwerk vereist en wordt afgewekenvan de Nederlandse regelgeving vanwege de geringe bevolkingsomvangaldaar, het insulaire karakter van de openbare lichamen en de grotegeografische afstand met Nederland. Door de (gedeeltelijke) voortzettingvan de voormalige Nederlands-Antilliaanse wetgeving alsmede de39Kamerstukken II 2006/07, 30 891, nr. 4, p. 30, alwaar wordt gerefereerd aan paragraaf 5 van hetbestuurlijk akkoord dat in 2006 hierover met de openbare lichamen is overeengekomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 345 invoering van geheel nieuwe (van Nederland) afwijkende wetgeving per2011 op dit punt is het sowieso onmogelijk om «comply» te volgen.De invoering van box 3 in Caribisch Nederland is ook om andere redenenonwenselijk. Niet alleen zal dit in de uitvoering praktisch onmogelijk zijn(ondercapaciteit Belastingdienst/Caribisch Nederland), er is ook geenwettelijke renseigneringplicht ten aanzien van gegevensuitwisseling,terwijl basisgegevens (zoals correcte kadastrale gegevens) vaakontbreken. Daar komt nog bij dat een box 3-stelsel op de BES-eilandenniet past bij de economische situatie van de inwoners in CaribischNederland. Ook de Commissie Sociaal Minimum Caribisch Nederland(Commissie Thodé) concludeert in haar rapport inzake de armoedebe-strijding in Caribisch Nederland dat thans voor een grondslagverbredingin de belastingwetgeving in Caribisch Nederland vooralsnog geen plaatsis.40 Weinig inwoners hebben überhaupt spaargeld of andere box 3-bezittingen. De enige significante bezitting die mogelijk voor eenbox 3-heffing in aanmerking zou kunnen komen is onroerend goed, maarjuist daarvoor is op de BES reeds een box 3-achtige vastgoedbelastingingevoerd.6. Overwogen alternatieven 6.1 Vermogenswinstbelasting Op hoofdlijnen zijn er in de fiscale theorie twee type systemen om hetwerkelijke rendement te belasten: door middel van een vermogensaan-wasbelasting of een vermogenswinstbelasting. Zoals hierboven toege-licht, stelt het kabinet als hoofdregel een vermogensaanwasbelastingvoor, in combinatie met een vermogenswinstbelasting voor onroerendezaken en aandelen in startende ondernemingen. Bij een vermogensaan-wasbelasting wordt de waardeontwikkeling van de vermogensbestand-delen van jaar tot jaar in de heffing betrokken. Bij een vermogenswinstbe-lasting wordt de waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen belastop het moment van vervreemding (bijvoorbeeld verkoop) van hetvermogensbestanddeel.Er is jarenlang door verschillende kabinetten nagedacht over de voor- ennadelen van de verschillende systemen, zie bijvoorbeeld de voortgangs-rapportage «Heffing box 3 op basis van werkelijk rendement» uit 201641,het «Keuzedocument box 3» uit 201742 en het PwC-rapport naar depraktische uitvoerbaarheid van een heffing op basis van werkelijkrendement.43 In de Kamerbrief van 29 september 202244 zijn de vermo-gensaanwasbelasting en vermogenswinstbelasting eveneens tegen elkaarafgezet. Daarnaast heeft in december 2022 een paneldiscussie plaatsge-vonden met fiscalisten, wetenschappers en voormalige leden van derechterlijke macht over de hervorming van box 3. Deze paragraaf bevateen weergave van de belangrijkste overwegingen om als hoofdregel tekiezen voor een vermogensaanwasbelasting.Een vermogenswinstbelasting sluit aan bij het realisatiebeginsel.Daarnaast voorkomt een vermogenswinstbelasting mogelijke liquiditeits-problemen. Verder is het voor de heffing van de inkomstenbelasting nietnodig om de bezittingen jaarlijks te waarderen. De heffing over de40«Een waardig bestaan. Een sociaal minimum dat voorziet in toenemend perspectief opzelfredzaamheid», Commissie Sociaal Minimum Caribisch Nederland, G.E.A. Thodé e.a.41Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 6.42Kamerstukken II 2016/17, 34 552, nr. 83.43Kamerstukken II 2020/21, 35 572, nr. 92 (bijlage).44Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139; Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 145.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 346 waardeontwikkeling vindt namelijk eenmalig plaats bij verkoop. Daarte-genover staat dat het waarderen van vermogen wel jaarlijks relevant isvoor het vaststellen van het vermogen, bijvoorbeeld ten behoeve vaninkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen.Uitstel van belastingheffing en lock-in effectHet voorstel is om als hoofdregel de waardeontwikkeling te belasten opbasis van vermogensaanwas. Doordat de waardeontwikkeling van jaar totjaar in de heffing wordt betrokken en niet pas in het jaar waarin hetvermogensbestanddeel wordt verkocht wordt langdurig uitstel vanbelastingheffing voorkomen. Belastingplichtigen betalen belastingovereenkomstig het jaarlijkse rendement in plaats van een (grote) aanslagineens over de waardeontwikkelingen tussen de aankoop, die mogelijk ineen ver verleden plaatsvond, en de verkoop.Bij een vermogenswinstbelasting kan de belastingclaim over de waarde-stijgingen van een vermogensbestanddeel over een lange periode flinkoplopen en in sommige situaties samenlopen met andere heffingen.Hierdoor kan de belastingplichtige voor onaangename verassingenkomen te staan. Bijvoorbeeld bij overlijden moet eerst de eventueleinkomstenbelasting over de door de jaren heen opgebouwde vermogens-winst worden afgerekend en daarna nog de erfbelasting.Een vermogenswinstbelasting geeft een prikkel om winsten uit te stellen.Belastingplichtigen kunnen bijvoorbeeld beslissen om aandelen die opwinst staan nog niet te verkopen om zo belastingheffing op dat momentte voorkomen. Hoe langer de periode waarover realisatie van waarde-stijging wordt uitgesteld, hoe groter het belastingvoordeel wordt. Dezeprikkel wordt het lock-in-effect genoemd. Ook kan het een prikkel gevenom aandelen die op verlies staan juist wel te verkopen. Het lock-in-effectkan een drempel opwerpen om te beleggen in het meest rendabelebeleggingsproduct en werkt dus economisch verstorend. Mogelijkhedenvoor belastinguitstel kunnen bovendien constructies uitlokken. Voor box 3is voorstelbaar dat reguliere voordelen (zoals rente en dividend, beidenormaal gesproken direct belast) worden «vervangen» door waardemu-tatie van vermogen, die pas bij verkoop belast is. Gedacht kan worden aanbeleggingsfondsen die geen dividend uitkeren en aan spaarproducten diegeen rente uitkeren, maar wel in waarde stijgen. De ervaring met de Wetinkomstenbelasting 1964, evenals in het huidige boxenstelsel bij box 2 enervaringen in het buitenland leren dat dit risico zeer reëel is. Ook neemthet risico op belastingontduiking toe wanneer er over de jaren een steedsgrotere belastingclaim ligt op een vermogensbestanddeel.Een vermogenswinstbelasting leidt tot meer verstorende gedragseffectenen introduceert kwetsbaarheden in (de duurzaamheid van de) belasting-grondslag. Daarom verdient een vermogensaanwasbelasting alshoofdregel de voorkeur.Doenvermogen en uitvoerbaarheidEen ander voordeel van een vermogensaanwasbelasting is dat belasting-plichtigen en ketenpartners (zoals banken en financiële instellingen) nietlangdurig gegevens hoeven bij te houden over de kostprijs van allevermogensbestanddelen. Voor een vermogensaanwasbelasting zijnnamelijk alleen gegevens nodig over het jaar waarover belasting wordtbetaald. Bij een vermogenswinstbelasting moet de belastingplichtige deverkrijgingsprijs (dit is meestal het aankoopbedrag) bijhouden tot hetvermogensbestanddeel wordt verkocht. De hoogte van de historischeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 347 verkrijgingsprijs is bij (veel) latere vervreemding lastig vast te stellen en tetoetsen.Indien bijvoorbeeld aandelen in een beleggingsportefeuille in tranchesworden gekocht tegen verschillende prijzen, moeten deze prijzen separaatworden bijgehouden. Bij een vermogenswinstbelasting zou bij deberekening van de vermogenswinst – mogelijk jaren later – achterhaaldmoeten worden wat de verkrijgingsprijs is geweest van de individueleaandelen die worden verkocht. Dit kan ingewikkeld zijn en gegevens uithet verleden over de kostprijs zullen niet altijd meer beschikbaar zijn. Ookkunnen er problemen ontstaan bij de overdracht van informatie indieneen belastingplichtige zijn beleggingen die worden beheerd door de enefinanciële instelling onderbrengt bij een andere financiële instelling. Inbinnenlandse situaties is het de vraag of het uitvoerbaar is dat devoormalige financiële instelling bij overdracht de verkrijgingsprijs van allein bezit zijnde vermogensbestanddelen doorgeeft aan de nieuwefinanciële instelling. Indien de overdragende instelling in het buitenland isgevestigd is het de vraag of deze instelling de verkrijgingsprijs mee zal ofkan leveren. Een desbetreffende verplichting voor financiële instellingenzal in veel landen ook ontbreken.Doordat gegevens uit het verleden niet altijd meer beschikbaar zijn,kunnen bij een vermogenswinstbelasting minder gegevens vooraf wordeningevuld bij de aangifte in box 3. Dit betekent dat een groter beroep wordtgedaan op het doenvermogen. Daarnaast is er een groter risico datbelastingplichtigen onbewust (fouten) of bewust (fraude) de aangifteonjuist invullen. Zowel de banken als de Belastingdienst hebben vanuituitvoeringsperspectief een voorkeur voor een vermogensaanwasbe-lasting.Liquiditeit en uitzondering onroerende zaken en aandelen in startendeondernemingenBij een vermogensaanwasbelasting kunnen net als in het huidigebox 3-stelsel bij een beperkt aantal belastingplichtigen liquiditeitspro-blemen optreden. Er moet immers net als in het huidige box 3-stelselbelasting worden betaald, ook als er geen liquide middelen uit vermogenworden behaald. Dit kan verstorend werken in de zin dat belastingplich-tigen hiermee gestimuleerd worden om te kiezen voor een meer liquidebeleggingsmix. Veel belastingplichtigen kiezen overigens al uit zichzelfvoor een vermogensmix met liquide middelen, bijvoorbeeld om geplandeuitgaven te kunnen doen of om ongeplande uitgaven op te kunnenvangen.In het voorstel wordt gekozen voor een vermogenswinstbelasting bijbepaalde vermogensbestanddelen waarbij liquiditeitsproblemen naar hetoordeel van het kabinet potentieel een belangrijke rol kunnen spelen,namelijk onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startendeondernemingen. Ten aanzien van onroerende zaken worden de gegevensniet aangeleverd door ketenpartners waardoor bezwaren vanuit keten-partners ten aanzien van een vermogenswinstbelasting hier een mindergrote rol spelen.Budgettaire effectenOp de lange termijn zullen een vermogensaanwasbelasting en eenvermogenswinstbelasting in beginsel dezelfde belastingopbrengst halen.Hierbij geldt als (kwetsbare) aanname dat de hierboven gesignaleerdekwetsbaarheden van een vermogenswinstbelasting zich niet voordoen.Uiteindelijk is het voordeel dat belast wordt hetzelfde. Alleen het momentvan belastingheffing verschilt. Bij invoering zal op korte termijn hetverschil echter groot zijn. Bij een vermogensaanwasbelasting wordt deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 348 waardestijging in het belastingjaar zelf belast, waardoor meteen in heteerste jaar de vermogensaanwas van dat jaar wordt belast. Bij eenvermogenswinstbelasting wordt de waardeontwikkeling alleen belast alsdeze daadwerkelijk verzilverd wordt, hetgeen nog jaren kan duren.Hierdoor is de opbrengst van een vermogenswinstbelasting in het jaarvan invoering en de eerste jaren daarna naar verwachting veel lager danhet structurele niveau. Het verschil in belastingopbrengst tussen beidestelsels wordt ieder jaar kleiner. Bij een vermogenswinstbelasting wordtde structurele opbrengst echter pas bereikt als alle bezittingen nainvoering van het nieuwe stelsel een keer zijn verkocht. Indien devermogenswinstbelasting voor het gehele box 3-vermogen zou gaangelden, zal de incidentele derving vele miljarden euro’s bedragen.Waardemutaties zijn immers een belangrijk onderdeel van de grondslag inbox 3. Een budgettaire derving zal, conform de begrotingsregels, gedektmoeten worden.6.2 Belasting op basis van het reële werkelijke rendement Het voorstel is om het nominale werkelijke rendement uit sparen enbeleggen te belasten. Het nominale werkelijke rendement is de toenamevan de waarde van het vermogen in euro’s.Tegenover het nominale werkelijke rendement staat het reële werkelijkerendement. Het reële werkelijke rendement is de toename van dehoeveelheid goederen en diensten die de belastingplichtige met hetvermogen kan kopen. Het verschil tussen het nominale en het reëlewerkelijke rendement is de geldontwaarding (inflatie).Het belasten van het reële werkelijke rendement sluit het beste aan bij hetdraagkrachtbeginsel. Het deel van het nominale inkomen dat nodig is omde koopkracht van het vermogen op peil te houden, levert de spaardergeen extra draagkracht op ten opzichte van iemand zonder spaargeld.Het vraagstuk van inflatie beperkt zich niet tot box 3, maar geldt voor alleonderdelen van het belastingstelsel waar kapitaalinkomsten wordenbelast. Ook elders in het belastingstelsel is het belasten van het nominalewerkelijke rendement de hoofdregel. Als in box 3 het reële werkelijkerendement zou worden belast, zou dat tot verschillen tussen de boxenleiden. Dividenduitkeringen zouden in box 2 bijvoorbeeld nominaalworden belast en in box 3 reëel. Dat kan tot gedragseffecten leiden.Rekening houden met inflatie is dus een vraagstuk op stelselniveau.Aanpassing hiervan zou het stelsel veel complexer maken voor debelastingplichtige en de Belastingdienst. Inflatie staat immers niet op debankafschriften. Een ander punt is dat het lastig uitlegbaar zal zijn alsspiegelbeeldig extra belasting wordt geheven in het geval van negatieveinflatie (deflatie). Aansluiten bij het nominale werkelijke rendement isbovendien herkenbaar en eenvoudig.Rekening houden met inflatie zou naar verwachting aanzienlijke budget-taire gevolgen hebben. Het reële inkomen is immers normaal gesprokenlager dan het nominale inkomen. Dit kan in box 3 (geheel of gedeeltelijk)gecompenseerd worden met een lager heffingsvrij resultaat en/of eenhoger tarief. Gemiddeld schieten belastingplichtigen er dan per saldoniets mee op. Het zou voor de te betalen belasting immers niet uitmakenof bijvoorbeeld 30% belasting verschuldigd is over € 6.000 nominaalwerkelijk rendement of bijvoorbeeld 45% over € 4.000 reëel werkelijkrendement. Verder is van belang dat het heffingsvrije resultaat indirect alin zekere mate een tegemoetkoming biedt voor het belasten van hetnominale werkelijke rendement.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 349 In de Kamerbrief van 29 september 202245 zijn twee gedachten uitgewerktals een alternatief voor een belasting op het nominale werkelijkerendement. De eerste variant is een belasting op het reële werkelijkerendement, met de voor- en nadelen zoals hierboven beschreven.Enerzijds wordt dan het nominale rendement bepaald en anderzijds dewaardedaling als gevolg van de inflatie. Als op 1 januari het vermogen€ 100.000 is en op 31 december € 106.000, dan is het nominalerendement 6%. Als de inflatie 2% was, dan is het reële rendement 4%. Hetbelastbare reële werkelijke rendement is dan € 4.000 (4% van € 100.000).Omdat de grondslag kleiner is dan wanneer wordt uitgegaan van hetnominale rendement, leidt deze optie tot een budgettaire derving. Naareerste inschatting kost dit minstens de helft van alle opbrengst van box 3.Het beoogde effect kan bereikt worden met een aftrek ter hoogte van deinflatie vermenigvuldigd met het netto box 3-vermogen aan het begin vanhet belastingjaar.Een tweede variant is om het nominale werkelijke rendement te belasten,maar met een soort noodrem voor bij hoge inflatie. De gedachte kan danzijn dat rekening houden met inflatie niet nodig is, zolang de inflatiegemiddeld rond de 2% ligt. Bij een hoge inflatie, bijvoorbeeld hoger dan4%, zou het inkomen wel gecorrigeerd worden. In het bovenstaandevoorbeeld is het belastbare inkomen dan € 6.000, zolang de inflatie lageris dan 4%. Als de inflatie in een bepaald jaar hoger is dan 4%, bijvoor-beeld 5% is, wordt voor het meerdere gecorrigeerd. Als de inflatie 5% is,wordt voor 1% (5% min 4%) gecorrigeerd voor inflatie. Het belastbareinkomen wordt dan € 5.000. Ook deze optie leidt tot een budgettairederving ten opzichte van het belasten van het nominale werkelijkerendement, maar deze is een stuk beperkter van omvang. Het nadeel vandeze variant is dat deze de complexiteit verhoogt en dat de te kiezen grensin beginsel arbitrair is.Het belasten van het reële werkelijke rendement zou complexiteittoevoegen aan het voorstel. Als de correctie op het nominale werkelijkerendement geautomatiseerd plaatsvindt, dan zijn de gevolgen voor hetdoenvermogen voor burgers en de gevolgen voor de uitvoerbaarheidbeperkt.6.3 Handhaving van het huidige box 3-stelsel met verfijningen Als alternatief voor een stelsel waarbij het werkelijke rendement wordtbelast, zou ook gekozen kunnen worden voor handhaving van het huidigeforfaitaire box 3-stelsel met verfijningen van de forfaits en een tegenbe-wijsregeling. Een forfaitair stelsel is op zichzelf minder complex en hetverfijnen van het bestaande stelsel is minder ingrijpend dan het invoerenvan een nieuw stelsel.Mogelijke verfijningen van het forfaitaire stelsel zijn toegelicht bijKamerbrief van 9 februari 2023.46 De belangrijkste elementen van ditvoorstel zijn het hanteren van meer vermogenscategorieën in box 3 en hetanders berekenen van de forfaits. Het huidige box 3-stelsel kent drievermogenscategorieën met elk een eigen forfaitair rendementsper-centage: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Door meercategorieën te onderscheiden met elk een eigen forfaitair rendementsper-centage komt het forfaitaire rendement gemiddeld dichter bij hetwerkelijke rendement. Daarbij zou dan vaker een eenjarig forfait gehan-teerd kunnen worden. Eenjarige forfaits sluiten naar hun aard aanzienlijkbeter aan bij het gemiddelde werkelijke rendement in het belastingjaar.45Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.46Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 145.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 350 Voor banktegoeden en voor schulden worden momenteel al eenjarigeforfaits gehanteerd. Eenjarige forfaits kunnen ook negatief worden. Datzou een vorm van verliesverrekening nodig kunnen maken, wat het stelselingewikkelder zou maken.Een forfaitair stelsel is op zichzelf eenvoudiger dan een stelsel op basisvan werkelijk rendement, maar sluit minder goed aan op het werkelijkerendement van individuele belastingplichtigen in een belastingjaar. Ookmet verfijningen van het forfaitaire stelsel kan het verschil tussen hetforfaitaire rendement en het werkelijke rendement van een individuelebelastingplichtige in een belastingjaar groot zijn. Bovendien, en van groterbelang, geldt dat sinds deze nadere uitwerking van een verfijnd forfaitairstelsel de juridische context is veranderd. In diverse arresten van 6 juni202447, 14 juni 202448 en 2 augustus 202449 heeft de Hoge Raad over hethuidige box 3-stelsel geoordeeld dat belastingplichtigen met een lagerwerkelijk rendement dan het forfaitaire rendement de gelegenheid krijgenom dit te stellen en, in geval van betwisting, aannemelijk te maken. Alshet werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, dan moetde belasting worden verminderd zodat alleen belasting wordt gehevenover het werkelijke rendement. Daarmee heeft de Hoge Raad eentegenbewijsregeling in box 3 geïntroduceerd. Ook met verfijningen vanhet forfaitaire stelsel blijft een dergelijke tegenbewijsregeling noodzakelijkom strijd met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod tevoorkomen.De eis om tegenbewijs mogelijk te maken leidt er ten eerste toe dat eengroot deel van het voordeel van een forfaitair stelsel, namelijk mindercomplexiteit, verdampt. Een tegenbewijsregeling vergt namelijk alsnogeen bepaling van het werkelijk rendement, inclusief alle complexiteit diedaarbij komt kijken. Ten tweede geldt dat in een forfaitair stelsel mettegenbewijsregeling het evenwicht in de belastingheffing zoekraakt. Injaren met een hoog werkelijk rendement wordt namelijk maximaalbelasting betaald over het forfaitaire rendement, terwijl in jaren met eenlaag werkelijk rendement gebruik kan worden gemaakt van de tegenbe-wijsregeling (het zogenaamde «cherry picking»). Deze selectievetoepassing van de tegenbewijsregeling kan als onrechtvaardig wordengezien, staat haaks op het beginsel in de inkomstenbelasting om te heffennaar draagkracht en leidt tot een budgettaire derving. De tegenbewijsre-geling die de Hoge Raad heeft geïntroduceerd zorgt voor een budgettairederving voor de overheid van jaarlijks circa € 2,4 miljard, afhankelijk vande behaalde rendementen. Onderstaande tabel laat zien dat naar schattinghet meeste geld terechtkomt bij beleggers met een hoog inkomen en eenhoog vermogen: ongeveer de helft komt terecht bij mensen die meer dantwee keer modaal verdienen.47HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.48HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857.49HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1086 en ECLI:NL:HR:2024:1084.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 351 Tabel 2 – Het aantal belastingplichtigen per inkomensgroep dat naar schatting geld terug krijgt met de tegenbewijsregeling, hetgeschatte bedrag dat zij kunnen terugkrijgen en hun gemiddelde vermogen.Inkomensgroep (verzamelin-komen per persoon1)Aantal mensen dat geldterug krijgt (waarvanAOW-er)Totale bedrag dat zijterug krijgen in € mln(% totaal)Gemiddelde bedrag datzij terug krijgenGemiddelde box 3-vermogen van dezemensen< Minimumloon63.600 (25.400)115 (7%)€ 1.800€ 281.000Minimumloon – modaal80.800 (37.400)153 (10%)€ 1.900€ 260.000Modaal – 2x modaal122.300 (40.500)418 (27%)€ 3.400€ 347.0002x Modaal – 3x modaal47.300 (11.700)230 (15%)€ 4.900€ 443.0003x Modaal – 4x Modaal18.600 (4.300)127 (8%)€ 6.800€ 599.000> 4x Modaal26.900 (5.800)518 (33%)€ 19.300€ 1.478.0001 Indeling is op basis van het verzamelinkomen per persoon, niet per huishouden. Bij niet-werkenden met een goed verdienende partner bestaathet hier gebruikte verzamelinkomen dus alleen uit het inkomen uit vermogen. 6.4 Vermogensbelasting Het kabinet heeft niet gekozen voor een vermogensbelasting om eenaantal redenen. Omdat de werkelijke rendementen niet worden belast,worden bij een vermogensbelasting belastingplichtigen met laagrenderend vermogen, zoals bank- en spaartegoeden, absoluut gezien evenzwaar belast over hun vermogen als succesvolle beleggers, terwijl hetinkomen uit vermogen bij laag renderend vermogen veel lager is. Dat sluitniet aan bij het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting. Als devermogensbelasting bestaat naast de inkomstenbelasting en ziet optopvermogens, zou dit beter passen bij het draagkrachtbeginsel.Een ander aandachtspunt bij een vermogensbelasting is het risico opgrondslagversmalling. Bij een vermogensbelasting doet zich de vraagvoor welke vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk vrijgesteldmoeten worden, zoals de eigen woning, ondernemingsvermogen,pensioen, lijfrentes, aanmerkelijke belangen (box 2), spaartegoeden etc.Indien er veel uitzonderingen worden gemaakt, resteert nog maar eensmalle grondslag aan vermogen waarover wel wordt geheven.Hoewel het kabinet hiervan geen voorstander is, heeft het de mogelijk-heden van een vermogensbelasting in 2022 laten onderzoeken door deLandsadvocaat.50 Een belangrijk punt bij de vormgeving van eenvermogensbelasting is een eventuele schending van het recht opongestoord genot van eigendom.51 Inbreuk op dit recht is toegestaan alser een redelijke verhouding is tussen het algemeen belang en deindividuele rechten van de belastingplichtige (de proportionaliteitstoets).De Landsadvocaat concludeert dat wanneer de vermogensbelasting nietkan worden betaald uit de inkomsten uit het vermogen en dit daarom leidttot interen op het vermogen, deze belasting de proportionaliteitstoetsmogelijk niet kan doorstaan omdat er dan sprake is van ongeoorloofdeschending van het eigendomsrecht. De Landsadvocaat heeft in het adviesmeegegeven dat het voor de beoordeling naar zijn mening niet uitmaaktof sprake is van een tijdelijke vermogensbelasting en of deze vermogens-belasting bestaat naast een belasting op inkomen uit vermogen. Om hetrecht op ongestoord genot van eigendom te waarborgen kan eenanticumulatieregeling worden ingevoerd waarbij de heffing wordtgemaximeerd. In Nederland bedroeg ten tijde van de Wet op de vermo-gensbelasting 1964 het plafond 68% (de vermogensbelasting en deinkomstenbelasting mochten samen niet meer dan 68% van hetbelastbare inkomen zijn). Omdat de anticumulatieregeling feitelijk inzichtvraagt in het werkelijke rendement, zal dit zeer waarschijnlijk niet50Kamerstukken II 2022/23, 35 927, nr. 125.51Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 352 eenvoudiger uit te voeren zijn dan een belasting op het werkelijkerendement. De introductie van een vermogensbelasting is dus nietonmogelijk, maar vanwege het recht op ongestoord genot van eigendomwel met uitdagingen in de vormgeving en uitvoering. Daarnaast kleven erbeleidsmatige nadelen aan een vermogensbelasting, zoals hiervoor istoegelicht.Als belastingplichtigen geen aanspraak maken op de anticumulatiere-geling, dan is een vermogensbelasting eenvoudig in de uitwerking omdatalleen de waarde van bezittingen en schulden op 1 januari relevant is, netzoals in het huidige forfaitaire stelsel.6.5 Conclusie overwogen alternatieven Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 kent een lange geschie-denis. De voorgaande kabinetten hebben verschillende verkenningenuitgevoerd naar de mogelijke vormgeving van een vermogensrende-mentsheffing die beter aansluit bij het werkelijke rendement. Het adviesvan de Afdeling advisering van de Raad van State is een goed momentvoor reflectie. De inhoud van het advies vereist dat deze reflectie grondigen kritisch is. Het kabinet heeft hier de ruimte en tijd voor genomenpassend bij het belang van de voorgestelde stelselaanpassing. De voor-en nadelen van het voorstel zijn afgezet tegenover de voor- en nadelenvan alternatieve opties voor de vormgeving van een heffing over(inkomsten uit) vermogen. Hierbij is nadrukkelijk aandacht besteed aanuitvoerbaarheid, doenvermogen en complexiteit. Uiteraard spelenrechtmatigheid, budgettaire gevolgen en fiscale beginselen een rol in detotale afweging.Uit het onderzoek blijkt dat de alternatieven niet beter scoren op deelementen uitvoerbaarheid, doenvermogen en complexiteit dan hetvoorstel. Een forfaitaire heffing met een noodzakelijke52 tegenbewijsre-geling heeft forse impact voor de uitvoering53, vraagt ten minste evenveelvan het doenvermogen van burgers bij het berekenen van het werkelijkerendement en is complex vanwege het van toepassing zijn van tweestelsels binnen een box (forfaitaire heffing en tegenbewijs). Een volledigevermogensaanwas- of een vermogenswinstbelasting is weliswaar quacomplexiteit relatief eenvoudiger ten opzichte van een hybride stelselwaarin beide systemen worden gecombineerd. Daartegenover staat eenvolledige vermogensaanwas- of een vermogenswinstbelasting niet beterscoort op uitvoerbaarheid en doenvermogen omdat een heffing over hetwerkelijke rendement inherent complexer is, ongeacht of gekozen wordtvoor een vermogensaanwas- of een vermogenswinstbelasting. Tot slot iseen vermogensbelasting beoordeeld. Om schending van het eigendoms-recht te voorkomen is een anti-cumulatieregeling nodig om te voorkomendat wordt ingeteerd op het vermogen. Hiervoor moet het werkelijkerendement worden berekend. Hierdoor scoort een vermogensbelastingniet beter op de elementen uitvoerbaarheid, doenvermogen encomplexiteit dan het voorstel. De genoemde alternatieven en andere inhet verleden overwogen richtingen, bieden geen betere balans in deverschillende, onvermijdelijke dilemma’s. Naar het oordeel van hetkabinet blijft het voorgestelde stelsel voor een heffing op basis vanwerkelijk rendement alles afwegende de beste optie.52Als gevolg van de arresten van de Hoge Raad van 6 en 14 juni 2024.53Zie de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 353 7. Budgettaire effecten Deze paragraaf gaat over de effecten op de inkomstenkant van debegroting. Paragraaf 9 gaat in op de uitvoeringskosten.Het kabinet acht een budget neutrale inrichting van het nieuwe box 3-stelsel van groot belang. Een lagere budgettaire opbrengst leidt ertoe datde overheidsfinanciën aanmerkelijk verslechteren. Daarmee zal juistelders meer belastingopbrengsten behaald moeten worden. Dit isonwenselijk, zowel vanuit het belang om bij de belastingheffing opverschillende inkomstenbronnen een evenwicht te behouden als vanuithet belang van een gedegen financieel beleid.Onderstaande tabel toont de budgettaire effecten aan de inkomstenkantvan dit voorstel per jaar. Na afloop van het jaar 2033 is het cumulatievebudgettaire effect aan de inkomstenkant € 678 miljoen. In de tabel is tezien dat het budgettaire effect fluctueert per jaar. De begrotingsregelsgeven geen duidelijke richtlijn hoe met een dergelijke fluctuerende reeksom te gaan. Het kabinet acht een stelsel dat in 2033 (binnen zes jaar)cumulatief op nul uitkomt budgetneutraal. Er zijn ook andere variantenoverwogen, zoals dekken over meerdere kabinetsperiodes of het elk jaarbudgettair laten sluiten. Bij dekken over meerdere kabinetsperiodes duurthet langer dan tot 2032 om cumulatief op nul uit te komen. Bij het elk jaarbudgettair laten sluiten zou sprake zijn van bijvoorbeeld jaarlijks (sterk)wisselende tarieven, of standaard een (zeer) hoog tarief hetgeen uitein-delijk resulteert in een hoge opbrengst. Dit kabinet heeft daar niet voorgekozen, vanwege de afruil tussen fiscaal stabiel beleid en het niet willenpresenteren van een (grote) rekening aan de volgende kabinetten.De uitvoeringskosten bedragen in totaal ruim € 20 miljoen aan incidentelekosten € 112 miljoen per jaar. Deze worden in dit voorstel aan delastenkant gedekt. Dit wordt gezien als een redelijke afwijking van de regelom uitgaven en inkomsten te scheiden. De uitvoeringskosten zijn eendirect gevolg van de voorgestelde fiscale hervorming en zijn bovendiendusdanig groot zijn dat dit niet redelijkerwijs binnen het bestaandeapparaatsbudget gecompenseerd kan worden. Per saldo is het budget-taire effect van dit voorstel daarmee cumulatief nul in 2033, zoalszichtbaar is in Tabel 2.Tabel 3 – Het geraamde budgettaire effect in miljoenen euro’s (+=saldoverbeterend), in prijzen van het jaar 2025. De opbrengst isafgezet tegen het basispad.Jaar202820292030203120322033Cum. t/m 2033Struc (= 2060)Budgettair1.00670– 122– 167– 96– 136781.897 In de budgettaire raming wordt het nieuwe stelsel vergeleken met hetbasispad. Het basispad voor box 3 is vanaf 2028 het oude stelsel-2022zonder rechtsherstel, inclusief de structureel aangepaste leegwaarderatioen het structureel verhoogde tarief en heffingvrij vermogen uit deBelastingplannen 2023 en 2024 (per amendement). Het nieuwe stelselwordt dus niet vergeleken met het box 3-stelsel zoals dat door deOverbruggingswet box 3 is komen te luiden. De derving die met demogelijkheid om tegenbewijs te leveren gepaard gaat dient bij introductievan een nieuw stelsel weer rechtgezet te worden. Deze lijn is door hetvorige en het huidige kabinet gehanteerd bij het opstellen van budgettairekaders. Dit verzekert bovengenoemd uitgangspunt dat de introductie vaneen nieuw stelsel niet gepaard gaat met een structurele schuif in de lastenof verslechtering van de overheidsfinanciën. Dit betekent overigens nietdat het nieuwe stelsel net zo veel belastingopbrengsten hoeft tegenereren als het oude stelsel deed in 2022. Bij toepassing van het begripTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 354 «budgetneutraal» wordt, zoals altijd, de opbrengst vergeleken met hoe hetbasispad vanaf het jaar van invoering eruit zou zien.Er zijn drie mechanismes die een belangrijke rol spelen in de budgettaireraming. Ten eerste zorgt de ingroei van de vermogenswinstbelasting oponroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen voor eenlagere opbrengst van het nieuwe stelsel in de eerste jaren. Dit verklaart degeraamde derving in de jaren 2030 tot en met 2033. Daar staat, tentweede, tegenover dat ook verliesverrekening moet ingroeien. In de eerstejaren hebben belastingplichtigen nog geen verliesvoorraden opgebouwd,wat juist voor een hogere opbrengst zorgt in de eerste jaren. Verliezenverrekenen met winsten in het eerste jaar is zelfs helemaal niet mogelijk;dit verklaart de relatief hoge opbrengst in 2028. Ten derde speelt mee datde forfaits van het oude stelsel (basispad) op basis van vijftienjaarsgemiddeldes naar verwachting ook in 2028 en de jaren daarna nog relatiefhoog zijn, met name voor onroerend goed. In de raming is ervanuitgegaan dat dit forfait langzaam gaat dalen, waardoor ook de opbrengstvan het basispad daalt en de budgettaire raming van het nieuwe stelseltoeneemt. Deze laatste twee mechanismes zullen in de raming de dervingals gevolg van de vermogenswinstbelasting langzaam steeds meercompenseren, wat zichtbaar is in de oplopende raming vanaf 2032.Onderstaande figuur toont het verloop van de geraamde opbrengstenover een langere periode.De opbrengsten van het basispad groeien in de komende jaren in deraming naar circa € 9 miljard in 2028 vanwege de recente en verwachtetoename van het box 3-vermogen en forfaitaire rendementen die in deeerste jaren naar verwachting nog relatief hoog zijn.Vanaf 2034 wordt een langzaam oplopende budgettaire opbrengst tenopzichte van het basispad geraamd. Die opbrengst weerspiegelt eenuiteindelijke toename van de box 3-grondslag in het nieuwe stelsel, onderandere als gevolg van het expliciet belasten van direct rendement uitonroerende zaken. De structurele situatie zal pas op zeer lange termijnworden bereikt, wanneer alle onroerende zaken en aandelen in start-upsin box 3 een keer zijn verkocht.Figuur 4: De geraamde opbrengst van het voorgestelde box 3-stelsel afgezet tegen degeraamde opbrengst van het basispad. Getoond is de box 3-opbrengst (zonderrekening te houden met heffingskortingen) in miljoenen euro’s in prijspeil 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 355 In tegenstelling tot het oude stelsel zal de budgettaire opbrengst sterkergaan afhangen van de conjunctuur in het betreffende belastingjaar. In eenjaar met stijgende aandelenmarkten en veel vastgoedtransacties zal deopbrengst in box 3 vermoedelijk hoger zijn dan geraamd, in een jaar metgrote vermogensverliezen en weinig vastgoedtransacties juist lager. Dejaarlijkse uitschieters kunnen oplopen tot meer dan € 1 miljard. In deraming is steeds uitgegaan van een gemiddelde van goede en slechtejaren. Deze uitschieters zijn overigens endogeen. Omdat ze niet het gevolgzijn van beleidsmaatregelen, tellen ze niet mee in het inkomstenkader. Netals bij endogene mee- en tegenvallers in andere belastingen lopen dezeafwijkingen in het EMU-saldo. Zo kent bijvoorbeeld de vennootschapsbe-lasting jaarlijkse fluctuaties van meerdere miljarden euro’s.Tegenover het nadeel van een minder voorspelbare opbrengst voor deoverheid staat het voordeel van de stabilisatiefunctie voor de economie.Door in economisch slechtere jaren minder belasting te heffen en ineconomisch goede jaren juist meer, werkt het voorgestelde stelsel lichtstabiliserend op de conjunctuur. Belastingplichtigen die hun vermogen inwaarde zien dalen, worden daar bovenop niet ook nog eens geconfron-teerd met belastingheffing zoals in het huidige stelsel. Verder kunnen zijverliezen verrekenen. In jaren dat zij veel rendement maken op hunvermogen, wordt de consumptie door de hogere belastingheffing juistenigszins afgeremd.8. Gevolgen voor het bedrijfsleven en burger 8.1 Inkomenseffecten Voor belastingplichtigen met alleen spaargeld wijzigt de belastingdrukniet of nauwelijks. Hun inkomen wordt in het huidige stelsel immersforfaitair bepaald op basis van de gemiddelde rente op bank- en spaarte-goeden in het belastingjaar, wat doorgaans goed zal aansluiten op hetwerkelijk behaalde rendement. Voor belastingplichtigen met overigebezittingen is het verschil tussen het werkelijke en het forfaitairerendement gemiddeld groter. Belastingplichtigen met een hoger werkelijkrendement dan het forfaitaire rendement gaan meer belasting betalen.In het huidige stelsel is de te betalen belasting aan het begin van het jaaral grotendeels bekend, omdat deze afhangt van de omvang van hetvermogen aan het begin van het belastingjaar. In het voorgestelde stelselhangt de te betalen belasting af van het werkelijke rendement datgedurende het jaar wordt behaald. Het werkelijke rendement is pas naafloop van het belastingjaar bekend. De belasting wordt dus mindervoorspelbaar. Daar staat tegenover dat alleen over het werkelijkerendement belasting wordt geheven.Onderstaand zijn vier voorbeelden uitgewerkt. Er is gerekend met deparameters zoals in paragraaf 3 van deze memorie van toelichtinggeïntroduceerd; een vlak belastingtarief van 36%, een vastgoedbijtellingvan 3,35%, een heffingsvrij resultaat van € 1.800 en een verliesdrempelvan € 500.Voorbeeld 10 – een spaarderXavier bezit in 2028 alleen spaartegoeden met een saldo bij hetbegin van het jaar van € 500.000. Xavier ontvangt over de spaarte-goeden € 4.000 rente in 2028. De bank brengt € 20 kosten inrekening. Xavier heeft geen persoonsgebonden aftrekposten en geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 356 te verrekenen verliezen. Het resultaat uit de spaartegoeden is gelijkaan de rente-inkomsten minus de bankkosten: € 3.980 (= € 4.000 -/-€ 20).Resultaat uit sparen en beleggen€ 3.980Inkomen uit sparen en beleggen€ 2.180 (= € 3.980 -/- € 1.800)Belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen€ 2.180 (geen te verrekenen verliezen)Belasting box 3 over 2028€ 784 (= € 2.180 x 36%) Voorbeeld 11 – een belegger die winst maaktYuri bezit begin 2029 € 100.000 spaargeld en € 500.000 aandelen opeen beleggingsrekening. Op de spaarrekening ontvangt Yuri in totaal€ 1.000 rente in 2029 en wordt € 20 aan kosten in rekening gebracht.Halverwege het jaar neemt Yuri € 10.000 op van de beleggingsre-kening. Een maand later stort Yuri juist € 20.000 bij op de beleg-gingsrekening. Aan het einde van het jaar is de beleggingsrekening€ 560.000 waard. Kosten behorende bij de beleggingsrekening zijndaarbij al van de rekening afgeschreven. Yuri heeft geen persoons-gebonden aftrekposten. Uit 2028 resteert een te verrekenen verliesvan € 25.000.Het resultaat uit banktegoeden is opnieuw gelijk aan de rente-inkomsten minus de kosten. Het resultaat uit de beleggingsrekeningkan worden bepaald middels een vermogensaanwasvergelijkingdoor te corrigeren voor stortingen en onttrekkingen.Beleggingsrekening saldo begin jaar€ 500.000Beleggingsrekening stortingen€ 20.000Beleggingsrekening onttrekkingen€ 10.000Beleggingsrekening saldo einde jaar€ 560.000Resultaat uit beleggingsrekening€ 50.000 (= saldo einde jaar -/- saldobegin jaar -/- stortingen + onttrekkin-gen)Resultaat uit spaartegoeden€ 980 (= € 1.000 -/- € 20)Resultaat uit sparen en beleggen€ 50.980 (= € 50.000 + € 980) Ten slotte dient rekening gehouden te worden met het heffingsvrijeresultaat van € 1.800 en met de te verrekenen verliezen van€ 25.000.Resultaat uit sparen en beleggen€ 50.980Inkomen uit sparen en beleggen€ 49.180 (= € 50.980 -/- € 1.800)Belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen€ 24.180 (= € 49.180 -/- € 25.000)Belasting box 3 over 2028€ 8.704 (= 36% x € 24.180) Voorbeeld 12 – een belegger die verlies maaktVoorbeeld 11 van Yuri wordt voortgezet in het jaar 2030. Yuri beginthet jaar met € 100.980 spaargeld en € 560.000 op de beleggingsre-kening. Hij ontvangt in 2030 € 930 rente op het spaargeld en betaaltweer € 20 bankkosten. Yuri doet geen stortingen of onttrekkingen opde beleggingsrekening, die gedurende 2030 in waarde daalt naar€ 540.000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 357 Resultaat uit spaartegoeden€ 910 (= € 930 -/- € 20)Resultaat uit beleggingsrekening-/- € 20.000 (= € 540.000 -/- € 560.000)Resultaat uit sparen en beleggen-/- € 19.090 (= € 910 -/- € 20.000) Een negatief resultaat betekent dat een verlies wordt vastgesteld.Daarvoor moet rekening worden gehouden met de verliesdrempelvan € 500. Yuri kan het verlies meenemen naar de volgende jaren enverrekenen met eventuele winst.Resultaat uit sparen en beleggen-/- € 19.090Verlies uit sparen en beleggen€ 18.590 (= € 19.090 -/- € 500)Belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen 2029€ 0Belasting box 3 over 2029€ 0 Voorbeeld 13 – een eigenaar van een verhuurde woningXavier koopt op 1 januari 2028 een woning voor € 400.000 enverhuurt de woning gedurende het gehele jaar voor € 25.000. DeWOZ-waarde van de woning is op 1 januari 2028 € 380.000. Tenaanzien van de woning maakt Xavier gedurende 2028 € 5.000 aanonderhoudskosten. Hij financiert de woning deels met een leningvan € 100.000 waarover hij jaarlijks € 4.000 rente betaalt. In 2028 laathij zonnepanelen plaatsen op de woning voor € 10.000. Xavier heeftgeen persoonsgebonden aftrekposten en geen te verrekenenverliezen.Het resultaat uit sparen en beleggen is gelijk aan de huurinkomstenminus de onderhoudskosten en financieringskosten: € 16.000 (=€ 25.000 – € 5.000 – € 4.000).Resultaat uit sparen en beleggen€ 16.000Inkomen uit sparen en beleggen€ 14.200 (= € 16.000 -/- € 1.800)Belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen€ 14.200 (geen te verrekenen verliezen)Belasting box 3 over 2028€ 5.112 (= 36% x € 14.200) Doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingenIn het nieuwe stelsel zal het belastbare inkomen uit sparen en beleggenmeer gaan fluctueren. Hierdoor zal ook het verzamelinkomen dat geldt alstoetsingsinkomen voor de toeslagen en andere inkomensafhankelijkeregelingen meer gaan verschillen tussen de jaren. Het toetsingsinkomenwordt minder voorspelbaar voor gerechtigden die box 3-inkomen bovenhet heffingsvrije resultaat hebben.Met behulp van een simulatie54 is onderzocht wat de gevolgen voortoeslaggebruikers zijn van een wisselend verzamelinkomen. Op basishiervan kan een beeld worden gegeven. Voor de kinderopvangtoeslag isin deze analyse uitgegaan van een inkomensonafhankelijke vormgeving,zoals het kabinet Rutte IV ook in het coalitieakkoord heeft beoogd enwaaraan het huidige kabinet op het moment van indienen van ditwetsvoorstel geen wijziging heeft aangebracht. Dit betekent dat fluctuatiesin het verzamelinkomen dan geen invloed meer hebben op de hoogte van54In het microsimulatiemodel MIMOSI.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 358 de kinderopvangtoeslag.55 De huishoudens die te maken krijgen met dedoorwerking van een belasting op werkelijk vermogensrendement naartoeslagen betreffen dan ontvangers van zorgtoeslag, kindgebondenbudget en/of de huurtoeslag.In deze simulatie betaalde in een gemiddeld jaar naar schatting 3,5% vande ontvangers van inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen(150.000 huishoudens) tegelijkertijd belasting in box 3. Omdat dezesimulatie gebaseerd was op een heffingsvrij resultaat van € 1.000, is ditaantal bij het huidige voorstel inmiddels naar verwachting lager. Dezehuishoudens hebben een laag- of middeninkomen en komen daardoor inaanmerking voor toeslagen. Door de inkomensafhankelijke vormgevingworden toeslagen verstrekt aan diegenen die de financiële ondersteuninghet hardst nodig hebben. Tegelijkertijd hebben deze huishoudens eensubstantieel inkomen uit hun vermogen (box 3) en een vermogen onderde vermogensgrens in het kindgebonden budget en zorgtoeslag(€ 141.896 voor een alleenstaande in 2025) en huurtoeslag (€ 37.395 vooreen alleenstaande in 2025; hier is nu nog geen overlap met belastingplich-tigen in box 3, maar in het nieuwe stelsel kan er wel enige overlap zijn).Deze bovengrens aan het vermogen beperkt ook de mate waarin hetbox 3-inkomen zal fluctueren.Voornamelijk zal het voordeel uit effecten en onroerende zaken gaanfluctueren. Bij een hoger rendement op effecten en bij verkoop met winstvan onroerende zaken zal het grootste deel van deze groep te makenkrijgen met lagere toeslagen. Van de 150.000 huishoudens die in desimulatie naar voren kwamen, bezitten er circa 90.000 effecten. Eengesimuleerd 5%-punt hoger rendement van alle effecten in box 3 levert dehuishoudens in deze simulatie gemiddeld een extra inkomen op van€ 2.550. De doorwerking naar toeslagen betekent dat zij gemiddeld € 170per jaar minder toeslagen krijgen. De huishoudens die mínder toeslagkrijgen vanwege hogere rendementen genieten dus tegelijkertijd eenveelvoud van de gederfde toeslagen aan extra inkomen uit hunvermogen. Van de 150.000 huishoudens bezitten er circa 70.000 onroerendgoed. Voor onroerende zaken geldt dat bij verkoop met winst hetverzamelinkomen fors kan stijgen. In de simulatie is bij bezitters vanonroerend goed het box 3-inkomen met € 50.000 verhoogd, om verkoopmet € 50.000 winst na te bootsen. Gemiddeld genomen daalde het rechtop toeslagen als gevolg hiervan met € 2.400 per huishouden. Opnieuwgeldt dat tegenover het gedaalde toeslagrecht een veelvoud aan extrainkomen staat. Wel kan het voorkomen dat de toeslagen al zijn uitgekeerden moeten worden terugbetaald. In geval van een veel hoger inkomen uitbox 3 zou een dergelijke terugbetaling niet tot problemen moeten leiden.Het tegenovergestelde geldt overigens ook: als het inkomen uit vermogendaalt door een relatief laag rendement, zal dit tot een verhogend effect opde te ontvangen toeslagen kunnen leiden.8.2 Gedragseffecten Er worden geen grote gedragseffecten verwacht. Wel vervallen enkeleverstoringen van het huidige stelsel.In het huidige box 3-stelsel kan het lonen om het ene type vermogen teruilen voor een ander type vermogen met een vergelijkbaar verwachtrendement en risico. Spaargeld wordt immers tegen een veel lager forfait55Vanzelfsprekend hebben fluctuaties in het verzamelinkomen wel invloed op de hoogte van dekinderopvangtoeslag als het kabinet besluit om de kinderopvangtoeslag inkomensafhankelijkte maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 359 in de belastingheffing betrokken dan andere laagrenderende bezittingenzoals obligaties. Als dat ertoe heeft geleid dat belastingplichtigenbijvoorbeeld obligaties hebben verkocht en de opbrengst op eenspaarrekening hebben gezet, dan kan invoering van het nieuwe stelsel eeneenmalig tegengesteld gedragseffect inluiden. Ook vervallen fiscaleredenen voor peildatumarbitrage omdat de belasting in het voorstel nietmeer afhangt van de vermogenssamenstelling op de peildatum van1 januari, maar van het rendement uit vermogen over het gehelekalenderjaar.In het voorstel wordt in beginsel voor al het vermogen het werkelijkerendement belast. Wel kan het feit dat voor bepaalde vermogensbestand-delen, namelijk onroerende zaken en aandelen in en winstbewijzen vaneen startende onderneming, een vermogenswinstbelasting geldt eenliquiditeitsvoordeel opleveren voor belastingplichtigen met dezevermogensbestanddelen. Dit kan een prikkel vormen om een groteraandeel van dit type vermogen aan te houden. Belastingplichtigen kunnenbovendien een prikkel ervaren om dit vermogen zo lang mogelijk aan tehouden (lock-in effect), omdat pas bij verkoop belasting wordt gehevenover de waardestijging.In het nieuwe stelsel betalen belastingplichtigen met een fluctuerendinkomen naar verwachting meer belasting dan belastingplichtigen meteen gezien over meerdere jaren even hoog stabiel inkomen. Dit is eenneveneffect van de verliesverrekeningsdrempel en het heffingsvrijeresultaat. Het verschil in belastingdruk treedt met name op als hetbox 3-inkomen in sommige jaren negatief kan worden, zoals bijvoorbeeldbij een aandelenportefeuille het geval kan zijn. Dit kan een beperkteprikkel vormen om een kleiner aandeel van dit type vermogen aan tehouden.Box-arbitrageOmdat het inkomen uit vermogen van Nederlandse huishoudens inverschillende boxen wordt belast, kunnen fiscale redenen ontstaan omvermogen van de ene naar de andere box te verplaatsen, bijvoorbeeldvanuit box 3 naar box 2 of van box 1 naar box 3.De prikkel voor box-arbitrage neemt af omdat in het voorstel net als inbox 2 belasting zal worden geheven over het werkelijke rendement en nietmeer over een forfaitair rendement. Daarmee kunnen fiscale redenen omvermogen dat in box 3 forfaitair hoog werd belast over te hevelen naarbox 2 afnemen. Er blijven echter verschillen tussen box 2 en box 3,bijvoorbeeld met betrekking tot het genietingstijdstip en het tarief. Met dewetswijzigingen door de Overbruggingswet box 3 is het aanhouden vanzogenoemde «spaar-bv’s» fiscaal al minder aantrekkelijk geworden. Welzijn er enkele situaties waardoor de combinatie van vennootschapsbe-lasting en box 2 aantrekkelijker kan zijn dan de inkomstenbelasting inbox 3. Zo geldt in de vennootschapsbelasting het winstregime op basisvan het realisatiebeginsel, waardoor waardemutaties veelal op een latermoment worden belast dan bij de voor box 3 voorgestelde vermogens-aanwasbelasting. Dit geldt in het bijzonder voor liquide effecten die in devennootschapsbelasting pas bij verkoop geherwaardeerd hoeven teworden, terwijl dit in het nieuwe box 3-stelsel jaarlijks zal gebeuren. Ookregels voor kostenaftrek en verliesverrekening verschillen. Een fiscalereden om vermogen juist in box 3 onder te brengen kan ontstaan doorverschillen in het box 3-tarief ten opzichte van het vennootschapsbelas-tingtarief in combinatie met het toepasselijke box 2-tarief. Aan hetaanhouden van vermogen in een vennootschap zijn eenmalige enjaarlijkse kosten verbonden. Het oprichten van een vennootschap kostTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 360 geld en een vennootschap brengt jaarlijkse administratieve lasten metzich mee. Tot slot is de heffing van overdrachtsbelasting een drempel voorhet overdragen van onroerend goed vanuit box 3 naar een (eigen)vennootschap of andersom.8.3 Administratieve lasten en administratieplicht 8.3.1 Administratieve lasten In het huidige box 3-stelsel wordt het inkomen uit sparen en beleggenforfaitair berekend op basis van de waarde op de peildatum (1 januari)van banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Nederlandsefinanciële instellingen, zoals banken en verzekeringsmaatschappijen,leveren de waarde op 1 januari van bank- en spaartegoeden, beleggings-producten, schulden en levensverzekeringen aan de Belastingdienst. Dezegegevens worden door de Belastingdienst vooraf ingevuld bij het doenvan aangifte inkomstenbelasting.In een stelsel op basis van werkelijk rendement zijn meer gegevens nodigten opzichte van de huidige forfaitaire vermogensrendementsheffing. Hetgaat bijvoorbeeld om gegevens in verband met (a) de werkelijk genoteninkomsten, (b) waardemutaties, (c) stortingen en onttrekkingen, (d)kostenaftrek, (e) verliesverrekening, (f) toepassing van de kwijtscheldings-winstvrijstelling en (g) tijdsevenredige bepaling van inkomsten bij eenkortere box 3-belastingplicht dan het gehele kalenderjaar bij diverse lifeevents, zoals bij emigratie, immigratie, overlijden en scheiden.De hiervoor genoemde Nederlandse financiële instellingen zullen debestaande gegevensstromen met ingang van het nieuwe box 3-stelseluitbreiden zodat het werkelijke rendement berekend kan worden. Het gaathierbij niet om de aanlevering van gegevens van nieuwe producten, maarom meer gegevens van producten waarvoor momenteel de waarde op1 januari wordt aangeleverd. Het doel is dat met deze aanvullendegegevensstromen de Belastingdienst het werkelijke rendement van dezeproducten vooraf kan invullen op de aangifte inkomstenbelasting.Gegevens over verliesverrekening, toepassing van de kwijtscheldings-winstvrijstelling en tijdsevenredige bepaling van inkomsten bij diverselife-events zijn echter niet bekend bij financiële instellingen en kunnendaarom ook niet worden opgenomen in de gegevensstromen aan deBelastingdienst.Naar verwachting zullen de volgende gegevens vooraf worden ingevuldvan producten die worden aangehouden bij Nederlandse financiëleinstellingen die gegevens leveren aan de Belastingdienst.Bank- en spaartegoeden:•Saldo op 1 januari en 31 december•Ontvangen en betaalde rente•Bankkosten•ValutaresultatenBeleggingsproducten:•Saldo op 1 januari en 31 december•Ontvangen coupon- en obligatierente en dividend•Stortingen (aankopen) en onttrekkingen (verkopen)•Kosten die via de effectenrekening lopen•Ingehouden bronbelasting•ValutaresultatenKapitaal- en levensverzekeringen•Saldo/actuariële reservewaarde op 1 januari en 31 december•Stortingen (betaalde premies) en onttrekkingen (uitkeringen)•Kosten die in mindering worden gebracht op het kapitaalSchuldenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 361 •Saldo op 1 januari en 31 december•Betaalde rente•Door de financiële instelling in rekening gebrachte (advies)kostenVoor de uitbreiding van de gegevensstromen zullen afspraken wordengemaakt tussen de Belastingdienst en genoemde Nederlandse financiëleinstellingen. Bestaande gegevenslevering-overeenkomsten zullen wordenaangepast evenals de bijbehorende handleidingen. Het is van belang datin detail wordt vastgelegd welke gegevens wanneer en op welke wijzeworden aangeleverd. Daarbij worden ook afspraken gemaakt overkwaliteit en kwaliteitsborging. Deze aanpassingen zullen in overleg tussende Belastingdienst en een afvaardiging van de Nederlandse financiëleinstellingen worden afgestemd en overeengekomen. Hiervoor kunnenbestaande overlegstructuren worden gebruikt.Het tijdpad voor de gegevensaanlevering door ketenpartners en devolledigheids- en kwaliteitsanalyses daarvan door de Belastingdienstverandert. In het huidige stelsel is alleen de waarde van het vermogen op1 januari van belang dat in februari van het daaropvolgende kalenderjaarbeschikbaar moet zijn. In het nieuwe stelsel zijn gegevens over het gehelevoorafgaande kalenderjaar en ook het saldo per 31 december relevantwaardoor veel minder tijd is voor aanlevering en validatie. In plaats vancirca veertien maanden is hiervoor in het nieuwe stelsel slechts circa tweemaanden tijd.De additionele regeldrukeffecten van het wetsvoorstel zijn in kaartgebracht. Hierbij is aangesloten bij het door het Ministerie van Econo-mische Zaken (EZ) voorgeschreven Handboek meting regeldrukkosten. Deadditionele regeldrukkosten zijn afhankelijk van de situatie van belasting-plichtigenVoor belastingplichtigen met spaartegoeden, schulden en publiekverhandelbare aandelen bij Nederlandse financiële instellingen zullen derelevante gegevens net zoals nu naar verwachting door ketenpartnersgerenseigneerd worden. Hierdoor kunnen deze gegevens wordenopgenomen in de vooraf ingevulde aangifte. Het verschil met het huidigebox 3-stelsel is dat er het gerealiseerde rendement in staat in plaats vanhet vermogen. In het eerste jaar zal de belastingplichtige zich moeteninlezen in het nieuwe system. De incidentele regeldruk hiervan wordtgeraamd op € 5.700.000.Verder gaan voor sommige groepen belastingplichtigen de structureleregeldrukkosten omhoog. Dit geldt met name voor hen die hun vakantie-huizen verhuren. Ze krijgen een administratieplicht én moeten bonnetjesgaan bewaren om onderhoudskosten af te trekken. De regeldrukgevolgenvoor deze groep worden geschat op € 9 miljoen structureel en een extra€ 1 miljoen incidenteel. Om de berekening van het valutaresultaat tevergemakkelijken is het voldoende om het saldo van de stortingen enonttrekkingen tegen een gemiddelde valutakoers te waarderen. Hierdoorblijven de administratieve lasten beperkt tot € 132.000 structureel.Tot slot zullen de administratieve lasten voor belastingplichtigen metmoeilijk te waarderen vermogen structureel toenemen met € 1,4 miljoen.Verder zijn er ook gevolgen voor de regeldruk van ketenpartners. Zij zullenmeer gegevens moeten verstrekken waardoor de systemen hieropaangepast moeten worden. Daartegenover staats dat maand-renseigneringen vervallen voor verzekeraars als gevolg van het afschaffenvan het overgangsrecht voor verzekeringsproducten. Het afschaffen vanhet overgangsrecht zal incidenteel een extra inspanning vergen vanverzekeraars. Daarnaast zal een zeer beperkt aantal belastingplichtigenalleen vanwege verliesverrekening of vanwege hoge inkomsten op eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 362 klein vermogen extra box 3 belastingplichtig worden. De structurelekosten voor deze laatstgenoemde groep zullen vanwege de omvang vande groep belastingplichtigen die hiermee te maken krijgt niet noemens-waardig zijn.8.3.2. Administratieplicht Op dit moment geldt alleen een administratieplicht voor lichamen en voornatuurlijke personen die een bedrijf of een zelfstandig beroep uitoefenen,inhoudingsplichtig zijn of die vallen onder de terbeschikkingstellingsre-geling of een lucratief belang hebben. De administratieverplichting is eenbelangrijk onderdeel van de verplichtingen ten dienste van de belasting-heffing. De verplichting om een administratie te voeren en te bewarenvormt het hart van de controlemogelijkheden van de Belastingdienst. Deaanwezigheid van een administratie geeft de inspecteur meer vertrouwenop de juistheid van de aangifte waardoor minder controle achterafnoodzakelijk is. In deze paragraaf wordt eerst op de huidige situatierondom het voeren van een administratie ingegaan en daarna wordt denieuwe administratieplicht toegelicht.Een belastingplichtige met bezittingen en schulden in box 3 is, zoalshiervoor is vermeld, momenteel niet verplicht om een administratie tevoeren en daartoe boeken, bescheiden en andere gegevensdragers tebewaren waaruit te allen tijde zijn rechten en verplichtingen en de voorbelastingheffing van belang zijnde gegevens blijken. Particulieren hebbenmomenteel zodoende dan ook geen bewaarplicht. Zij zijn overigens welverplicht om op verzoek van de inspecteur gegevens en inlichtingen teverstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. In hetwinstregime van ondernemers in de inkomstenbelasting en lichamen inde vennootschapsbelasting worden diverse gegevens voor de berekeningvan de winst verplicht bijgehouden en bewaard door de lichamen ennatuurlijke personen die zijn aangemerkt als administratieplichtige. Hetgaat hierbij om dezelfde type gegevens die ook relevant zijn voor hetberekenen van het werkelijke rendement in het voorgestelde box 3-stelsel,zoals de reguliere inkomsten, verkoopopbrengsten, waardemutaties,stortingen en onttrekkingen, kostenaftrek et cetera. Het aantal gegevensdat voor het nieuwe box 3-stelsel van belang kan zijn, moet wordenafgezet tegenover de informatiepositie van de Belastingdienst.Voor onroerende zaken in Nederland kan de Belastingdienst gebruik-maken van de WOZ-waarde van de Landelijke Voorziening WOZ van deWaarderingskamer. Daarnaast heeft de Belastingdienst de mogelijkheidom via het Basisregistratie Kadaster (BRK) informatie te raadplegen overonder andere eigendom en aan- en verkoopprijzen. Wel ontbreektinformatie over huurinkomsten, periodieke lasten (onroerendezaakbe-lasting, verzekeringen, energiekosten, bijdragen VvE’s et cetera),onderhouds- en verbeteringskosten en eigen gebruik.Naast de gegevens van de Nederlandse financiële instellingen ontvangtde Belastingdienst momenteel automatisch financiële gegevens vanbuitenlandse financiële instellingen op grond van Common ReportingStandard (CRS) en Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA). Opgrond van de zogenoemde DAC8-richtlijn worden met ingang van 2027automatisch gegevens uitgewisseld over crypto-activa. De kwaliteit van deontvangen gegevens is wisselend en varieert per land. Tot op heden heeftde Belastingdienst niet voldoende vertrouwen in de ontvangen gegevensom deze volledig in de vooraf ingevulde aangifte op te nemen. Daarnaastworden deze gegevens niet eerder dan in oktober van het jaar volgend ophet jaar waar ze betrekking op hebben door de Belastingdienst ontvangen.Daarbij moet worden opgemerkt dat gegevens over onttrekkingen enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 363 stortingen niet worden uitgewisseld. Deze gegevens zijn wel relevant voorde berekening van de vermogensaanwasbelasting. Ondanks de wisse-lende kwaliteit van de financiële gegevens van buitenlandse financiëleinstellingen, de niet 100%-volledigheid en de niet tijdige beschikbaarheid,zijn deze gegevens wel van belang en bruikbaar voor de controle vanaangiftes. Deze gegevens dienen namelijk als contra-informatie op basiswaarvan de Belastingdienst gericht vragen kan stellen aan de burger. Hetkabinet acht het daarom niet proportioneel om een administratieplicht inte voeren voor bezittingen en schulden die worden aangehouden bijbuitenlandse financiële instellingen die onder de reikwijdte van CRS enFATCA vallen.Niet alle bezittingen en schulden in box 3 worden aangehouden bijbinnenlandse of buitenlandse financiële instellingen die gegevensaanleveren aan de Belastingdienst. Daarom wordt voorgesteld om eenadministratieplicht te introduceren voor belastingplichtigen met box 3-vermogen waarvoor de Belastingdienst niet automatisch gegevensontvangt van derden. Via een algemene maatregel van bestuur wordenbezittingen en schulden concreet aangewezen die niet onder de adminis-tratieplicht vallen omdat de gegevens hiervan door financiële instellingenworden aangeleverd bij de Belastingdienst. De administratieplicht gaatdaarom niet gelden voor:•Binnenlandse en buitenlandse bank- en spaarrekeningen voor zoverdeze gegevens automatisch worden aangeleverd;•Financiële instrumenten en verzekeringsproducten die wordenaangehouden bij een financiële instelling die automatisch gegevensaanlevert aan de Belastingdienst op basis van nationale of interna-tionale verplichtingen (zoals CRS en FATCA);•Schulden die zijn aangegaan bij een Nederlandse financiële instellingdie automatisch gegevens aanlevert aan de Belastingdienst (onderCRS en FATCA worden geen financiële gegevens over schuldenuitgewisseld);•Cryptovaluta (onder DAC8 zijn vanaf 2027 gegevens beschikbaar).Anders geformuleerd, gaat de administratieplicht in box 3 wel geldenvoor:•Onroerende zaken;•Overige bezittingen die rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van eenfinanciële instelling, zijn verkregen door de belastingplichtige (zoalshet uitlenen van geld of het rechtstreeks kopen van een 4% aandelen-belang in een vennootschap);•Schulden die zijn aangegaan bij particulieren en buitenlandsefinanciële instellingen.Als de gegevenspositie van de Belastingdienst in de toekomst verderwordt versterkt, bijvoorbeeld als gevolg van aanvullende nationale ofinternationale gegevensuitwisselingen of nieuwe koppelingen vandatabronnen, dan kan de administratieplicht voor box 3 in de toekomsteventueel worden afgeschaald.Bij schending van de administratieplicht kan de Belastingdienst eeninformatiebeschikking opleggen. De belastingplichtige krijgt dan eenlaatste gelegenheid om de gebreken in de administratie te herstellen. Alsde informatiebeschikking definitief vaststaat, al dan niet na afloop van eenbewaar- en beroepsprocedure, dan geldt bij een bezwaar tegen debelastingaanslag een zwaardere bewijslast.8.3.3. Menselijke maat Het begrip menselijke maat is door de Tijdelijke commissie Uitvoeringsor-ganisaties van de Tweede Kamer gedefinieerd als «recht doen aan debelangen van burgers bij de totstandkoming en uitvoering van beleid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 364 wet- en regelgeving».56 Elk wetsvoorstel dient rekening te houden met demenselijke maat. Dit wordt beoordeeld op basis van de mogelijkheden omin de uitvoering rekening te kunnen houden met individuele omstandig-heden, of er bepaalde hardheden zijn en of rekening is gehouden met deproportionaliteit en evenredigheid van de voorgestelde maatregelen tenopzichte van het beoogde doel. In een stelsel dat uitgaat van een heffingop basis van het werkelijke rendement wordt per definitie rekeninggehouden met de individuele omstandigheden van een belastingplichtige:geheven wordt over daadwerkelijk behaalde rendementen uit het in eenindividuele situatie beschikbare vermogen. Daarnaast worden flankerendemaatregelen voorgesteld die eveneens rekening houden met de indivi-duele omstandigheden en die ervoor zorgen dat eventuele hardhedenbinnen het stelsel worden voorkomen, zoals de mogelijkheid om geledenverliezen te verrekenen, een vrijstelling voor kwijtscheldingswinsten en detijdsevenredige bepaling van inkomen bij diverse life-events.De Minister van Financiën kan op grond van de Algemene wet inzakerijksbelastingen in bepaalde gevallen een hardheidsclausule toepassen.Hiermee kan de Minister van Financiën in bepaalde gevallen of groepenvan gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegendeaard. Dit heeft als doel om de gevolgen van de belastingwet weg tenemen of te verzachten, wanneer de gevolgen onredelijk zwaar zijn vooreen burger en deze door de wetgever niet zijn voorzien of bedoeld. Dezeregels zijn ook van toepassing ten aanzien van het voorgestelde box 3-stelsel.Zoals hiervoor in paragraaf 8.3.2 toegelicht, wordt voor bepaaldebezittingen en schulden een administratie- en bewaarplicht voor box 3geïntroduceerd. Dat vraagt meer van het doenvermogen van burgers,zoals in paragraaf 8.4 toegelicht, maar dit is inherent aan een stelselwaarin over het werkelijke rendement wordt geheven. Informatie die bijde Belastingdienst niet beschikbaar is kan alleen door de belasting-plichtige zelf worden opgegeven. Bij de vormgeving van de administratie-en bewaarplicht voor bepaalde bezittingen en schulden in box 3 isrekening gehouden met de menselijke maat. Zo is – in afwijking van debestaande administratie- en bewaarplicht voor lichamen, ondernemers,inhoudingsplichtigen et cetera – een kortere bewaartermijn gehanteerddan de reguliere zeven jaar. Verder is het zogenoemde derdenonderzoekniet mogelijk ten aanzien van de bezittingen en schulden in box 3. Ditbetekent onder andere dat waar huidige administratieplichtigen, in deregel ondernemingen, kunnen worden bevraagd door de inspecteur tenbehoeve van de belastingheffing van derden en de heffing van debelasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen, dit niet mogelijkis bij de administratieplichtige in box 3. Aangezien de administratieplichtvoor zo min mogelijk bezittingen en schulden wordt voorgesteld, is hetkabinet van mening dat rekening is gehouden met de proportionaliteit enevenredigheid, aangezien een andere vormgeving niet mogelijk is om hetbeoogde doel, namelijk alleen over het werkelijke rendement te heffen, tebereiken.8.4 Beroep op het doenvermogen Er is een inschatting gemaakt van de «doenlijkheid» van het voorstel. Hetgaat er dan om in hoeverre een maatregel (direct) kan leiden tot (proble-matische) belasting van het doenvermogen van de betreffende burgers.Deze inschatting is tot stand gekomen in overleg met gedragsexperts. Hetvoorgestelde stelsel is ingewikkelder en vraagt meer handelingen vanbelastingplichtigen dan het huidige box 3-stelsel. Er zijn immers meer56Kamerstukken II 2020/21, 35 387, nr. 2, p. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 365 gegevens nodig om het rendement vast te stellen over vermogensontwik-kelingen, reguliere voordelen, stortingen en onttrekkingen en kosten. Deimpact van de stelselwijziging op doenvermogen wordt bekeken pervermogensbestandsdeel.Aanpassen aan nieuwe systeemVeel van de belastingplichtigen in box 3 hebben al eens aangifte box 3gedaan onder het huidige systeem. Hierdoor weten ze in principe hoe hetproces loopt en welke stappen ze moeten nemen. Dit maakt het eenvou-diger voor belastingplichtigen om de aangifte te doen. De overgang naarhet nieuwe systeem vraagt echter aanpassing van de belastingplichtigeaan het nieuwe systeem. De belastingplichtige zal opnieuw moetenontdekken welk proces hij precies moet doorlopen onder het nieuwesysteem. Naarmate mensen in de jaren na invoering meer ervaringopbouwen met dit nieuwe systeem zal het geleidelijk minder vergen vanhet doenvermogen. Een deel van de belastingplichtigen zal voorafgaandaan de invoering van het nieuwe box 3-stelsel ervaring opdoen met hetberekenen en invullen van het werkelijke rendement in het kader van detegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.Spaartegoeden en aandelen bij Nederlandse bank of financiële instelling.Het nieuwe systeem vraagt belastingplichtigen om het rendement en deaftrekbare kosten in de vooringevulde aangifte te controleren. Hetcontroleren van het rendement en de aftrekbare kosten is een extrahandeling ten opzichte van het oude systeem. Deze handeling doet eenmarginaal extra beroep op het doenvermogen. De groep met spaarte-goeden en aandelen is erg groot en heterogeen. Hierdoor is het aanne-melijk dat er zowel mensen met veel als mensen met minder doenver-mogen in deze groep zitten. Doordat banktegoeden en aandelen voorafworden ingevuld in de aangifte is de verwachting dat het beroep op hetdoenvermogen beperkt is.Onroerende zakenBij onroerende zaken moet voor de berekening van het directe rendementonderscheid gemaakt worden tussen onroerende zaken waarvoor devastgoedbijtelling geldt en onroerende zaken waarvoor de werkelijkedirecte inkomsten worden belast.De vastgoedbijtelling geldt voor belastingplichtigen die hun onroerendezaak het gehele jaar zelf gebruiken. Het voordeel van het eigen gebruikwordt bepaald op basis van een forfait (3,35% van de WOZ-waarde). Dezeberekeningswijze komt overeen met het huidige forfaitaire stelsel in box 3waarbij op basis van de WOZ-waarde het voordeel van woningen wordtberekend. Ook voor de eigen woning (het hoofdverblijf) in box 1 wordt hetvoordeel van het eigen gebruik berekend op basis van de WOZ-waarde.Deze systematiek is eenvoudig en herkenbaar voor burgers.De vastgoedbijtelling geldt niet voor belastingplichtigen die hun onroe-rende zaak minimaal 90% van het kalenderjaar verhuren (328 dagen of 329dagen in een schrikkeljaar). Zij moeten de huurinkomsten bijhouden enopgeven. Het voordeel van het eventuele eigen gebruik in de periode datde onroerende zaak niet wordt verhuurd, wordt buiten beschouwinggelaten. Wordt een onroerende zaak voor minder dan 90% van hetkalenderjaar verhuurd, dan is sprake van gemengd gebruik. Bij gemengdgebruik wordt het hoogste bedrag belast: of de huurinkomsten of devastgoedbijtelling. Het bijhouden van de huurinkomsten van onroerendezaken vergt meer doenvermogen van belastingplichtigen. De verwachtingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 366 is dat een groot deel van de mensen die hun onroerende zaak in box 3verhuren voldoende doenvermogen heeft om de huurinkomsten bij tekunnen houden.57Voor de berekening van de vermogenswinst bij verkoop moeten belas-tingplichtigen de aankoopwaarde58 en eventuele verbeterkostenbijhouden. Omdat de verkoop soms pas lange tijd na de aankoopplaatsvindt kan het nodig zijn om deze gegevens langjarig te bewaren.Hiermee wordt een aanzienlijk beroep gedaan op het doenvermogen. Deinzet is het aangifteformulier zo te ontwerpen dat bij het invullen meteenook duidelijk is welke gegevens de belastingplichtige in de eigenadministratie moet bewaren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aanhet bijhouden van de notarisnota ter onderbouwing van de aankoopprijsen het bijhouden van offertes, aanneemovereenkomsten, facturen enbetaalbewijzen van verbeteringen, zoals een uitbouw. Op basis van degegevens die de belastingplichtige zelf opgeeft bij het doen van aangiftezal de Belastingdienst in een staffel de aankoopprijs en verbeterkostenvan onroerend goed bijhouden. Daarnaast moeten deze belastingplich-tigen jaarlijks de WOZ-waarde opgeven, zodat de hoogte van de vastgoed-bijtelling kan worden berekend. Omdat ook in de huidige systematiekjaarlijks de WOZ-waarde moet worden opgegeven, zijn belastingplichtigenhier al aan gewend.Voor alle onroerende zaken zijn de kosten aftrekbaar, ook als de vastgoed-bijtelling van toepassing is. Relevante documenten voor de onderbouwingvan kostenaftrek kunnen bestaan uit offertes, contracten, facturen enbetaalbewijzen. Kosten zijn aftrekbaar indien deze uitsluitend zijn gemaaktter verwerving, inning of behoud van de reguliere voordelen. Belasting-plichtigen moeten onderscheid maken tussen onderhoud en verbetering.Daarnaast moeten belastingplichtigen de facturen en betaalbewijzenbijhouden en bewaren. Voor belastingplichtigen die onroerende zakencommercieel exploiteren en (laten) onderhouden zal deze administratievelast naar verwachting beter doenbaar zijn ten opzichte van belastingplich-tigen die onroerende zaken het gehele jaar zelf recreatief gebruiken.Bank- en spaartegoeden in vreemde valutaIn het nieuwe stelsel wordt naast het directe rendement ook de vermo-gensaanwas belast. Bij een vermogen in een andere valuta ten opzichtevan de euro kan er vermogensaanwas ontstaan in de vorm van valutare-sultaten. Het is niet nodig om bij bank- en spaartegoeden in vreemdevaluta de waarde van alle stortingen en onttrekkingen steeds tegen dedagkoers te bepalen. Belastingplichtigen mogen het saldo van destortingen en onttrekkingen tegen een gemiddelde valutakoerswaarderen. Het saldo van de stortingen en onttrekkingen kan bij bankte-goeden relatief eenvoudig worden berekend door de beginwaarde met deeindwaarde te vergelijken. Ook met deze tegemoetkoming maakt hetnieuwe systeem een extra handeling ten opzichte van het oude systeemnoodzakelijk waardoor de aangifte van bank- en spaartegoeden invreemde valuta in het nieuwe stelsel meer doenvermogen vraagt. Degroep met bank- en spaartegoeden in het buitenland is naar verwachtingbeperkt omdat de meeste mensen er de voorkeur aan geven om hunbank- en spaartegoeden bij Nederlandse banken te hebben.57Uit het onderzoek «de rol van grenzen aan doenvermogen bij rondkomen, financiële zorgen enproblemen» van Wil Tiemeijer blijkt dat mensen met een hoger huishoudinkomen gemiddeldgenomen over meer doenvermogen beschikken.58Voor belastingplichtigen die op het moment van inwerkingtreding al in het bezit zijn van eenwoning in box 3, wordt de WOZ-waarde met de waardepeildatum 1 januari 2028 gehanteerd inplaats van de aankoopwaarde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 367 Vorderingen en schuldenIn het huidige forfaitaire stelsel is de waarde op 1 januari relevant vanvorderingen en schulden. In het nieuwe stelsel wordt de ontvangen enbetaalde rente in de heffing betrokken. Voor schulden die zijn aangegaanbij een Nederlandse financieel instellingen zal de betaalde rente zoveelmogelijk vooraf worden ingevuld in de aangifte. Voor overige vorderingenen schulden moet de belastingplichtige zelf de ontvangen en betaalderente aangeven. Naar verwachting is het beroep op het doenvermogenbeperkt bij het aangeven van de ontvangen en betaalde rente.Net zoals in het huidige forfaitaire stelsel moeten vorderingen enschulden worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer.Op deze waarderingsregel is een vereenvoudiging voorgesteld voorvorderingen en schulden uit hoofde van een geldleningsovereenkomsttussen natuurlijke personen. Deze vorderingen en schulden wordengewaardeerd op de nominale waarde.Als schulden worden kwijtgescholden is sprake van een positief resultaatuit sparen en beleggen. Om fiscale belemmeringen bij het saneren vanschulden weg te nemen is een kwijtscheldingsvoordeelvrijstellingvoorgesteld. De belastingplichtige zal moeten beoordelen of aan devoorwaarden is voldaan om aanspraak te kunnen maken op de kwijtschel-dingsvoordeelvrijstelling. Het beroep op het doenvermogen van burgersis groot omdat beoordeeld moet worden of sprake is van een niet voorverwezenlijking vatbaar recht en de berekening van de vrijstellingafhankelijk is van verschillende elementen, zoals het saldo aan nog nietverrekende verliezen uit het verleden. Bij de berekening van de hoogtevan de vrijstelling zal de belastingplichtige zoveel mogelijk wordenondersteund in het aangifteprogramma.VerzekeringsproductenIn het huidige forfaitaire stelsel is de waarde op 1 januari relevant vanverzekeringsproducten. In het nieuwe stelsel zijn daarnaast premiebeta-lingen en uitkeringen relevant voor de berekening van de jaarlijksewaardeontwikkeling. Voor verzekeringsproducten die worden beheerddoor Nederlandse financieel instellingen zullen de premiebetalingen enuitkeringen zoveel mogelijk vooraf worden ingevuld in de aangifte. Naarverwachting is het beroep op het doenvermogen beperkt bij burgerswaarin de gegevens over de verzekeringsproducten vooraf wordeningevuld.Bijzonder vermogenIn het huidige stelsel wordt de vermogensaanwas op bijzonder vermogen(zoals kunst of niet-beursgenoteerde aandelen) via een forfait bepaald. Inhet nieuwe stelsel zal de vermogensaanwas handmatig bepaald moetenworden door het waardeverschil tussen 1 januari en 31 december tecorrigeren voor de stortingen en onttrekkingen. Het handmatig bepalenvan de vermogensaanwas door stortingen en onttrekkingen mee tenemen vraagt een extra handeling van belastingplichtigen met bijzondervermogen. Daarnaast moet in het nieuwe stelsel ook het directerendement worden opgegeven als daar sprake van is. Hierdoor vraagt deaangifte van bijzonder vermogen in het nieuwe stelsel meer handelingenen daarmee meer doenvermogen. De verwachting is dat het aantalstortingen en onttrekkingen in een jaar beperkt zullen zijn net als hetrendement op bijzonder vermogen. Hierdoor zullen de extra handelingennaar verwachting slechts in een beperkt aantal gevallen van kracht zijnwaardoor het extra beroep op het doenvermogen hierbij beperkt is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 368 Aantal aanvragenIn het nieuwe stelsel moet een groep belastingplichtigen met mindervermogen dan de vermogensgrens voor toeslagen toch aangifte doen. Ditheeft onder meer te maken met het vervangen van het heffingvrijvermogen door een heffingsvrij resultaat. Op basis van een schatting vanhet Ministerie van Financiën en de Belastingdienst is de verwachting datcirca 400.000 mensen extra belastingaangifte box 3 zullen moeten doenonder het nieuwe stelsel. Het gaat hierbij om belastingplichtigen met (i)relatief weinig vermogen en een hoog rendement of (ii) weinig vermogendie verlies maken. Hierdoor neemt het aantal belastingplichtigen dataangifte doet in het nieuwe systeem toe. Dit vergt meer doenvermogenomdat een groter deel van de bevolking aangifte moet doen. Daarnaast isde verwachting dat twee groepen, dat wil zeggen (i) belastingplichtigenmet weinig vermogen en een hoog rendement en (ii) belastingplichtigenmet weinig vermogen en verliezen, vaak niet de beschikking hebben overeen belastingadviseur en minder kennis hebben van belastingaangifte dande groep van meer vermogende belastingplichtigen. De overgang naarhet nieuwe systeem kan voor een deel van de belastingplichtigen in dezetwee groepen, wanneer zij voor het eerst aangifte moeten doen, eensignificant beroep doen op het doenvermogen.VerliesverrekeningIn het nieuwe stelsel kunnen belastingplichtigen verliezen verrekenen mettoekomstige inkomsten. Dit vraagt van belastingplichtige om verliezen bijte houden en die op te geven bij de aangifte en doet daarmee een beroepop het doenvermogen. Het bedrag aan nog niet verrekende verliezen uithet verleden zal zoveel mogelijk vooraf worden ingevuld in de aangifte.Een extra aandachtspunt is dat verliezen kunnen leiden tot financiëlestress waardoor het doenvermogen onder druk staat gedurende deperiode waarin de belastingplichtige de verliezen op kan geven.Een extra kwetsbare groep is de groep met weinig vermogen en groteverliezen die onder het nieuwe stelsel ook aangifte kunnen doen, mits ersprake is van inkomsten in box 3. Een groot verlies kan tot veel financiëlestress leiden – zeker als het vermogen van de belastingplichtige niet heelhoog is – wat het doenvermogen onder druk zet. Deze stress en negatieveeffecten op het doenvermogen zouden een belemmering kunnen zijn tothet opgeven van deze verliezen.Impact op ketenpartnersHet nieuwe systeem vraagt van financiële instellingen om naast dewaarde van het vermogen, het directe rendement en de vermogens-aanwas door te geven aan de Belastingdienst. Dit vergt een aanpassingvan de systemen wat extra handelingen van de ketenpartners vraagt bijeen overgang naar het nieuwe systeem. Hierdoor doet de overgang naarhet nieuwe systeem ook een beroep op het doenvermogen van keten-partners. De verwachting is dat ketenpartners voldoende doenvermogenhebben waardoor aanpassing naar het nieuwe systeem geen probleem zalzijn.Administratie- en inlichtingenplichtParticulieren hebben momenteel geen administratieplicht (waaronder hetbewaren van de administratie voor zeven jaar). Desondanks zijn zeverplicht om op verzoek van de inspecteur gegevens en inlichtingen teverstrekken die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Het isdaarom wel raadzaam om deze gegevens te bewaren. Als zij dezegegevens en inlichtingen niet (kunnen) verstrekken, kan de inspecteurTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 369 bijvoorbeeld een aftrekpost corrigeren. Voor een deel van de belasting-plichtigen in box 3 wordt een administratieplicht voorgesteld, zoalshiervoor beschreven in paragraaf 8.3.2. De voorgestelde administratie-plicht en de bestaande verplichting tot het verstrekken van gegevens eninlichtingen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn, zijn tweeaparte verplichtingen. Voorafgaand aan de invoering van het nieuwebox 3-stelsel zal een communicatiecampagne worden ingezet ombelastingplichtigen hierover te informeren. Ook na de invoering van hetnieuwe stelsel zal hier aandacht aan worden besteed, vergelijkbaar met dehuidige webpagina van de Belastingdienst over de administratieplichtvoor ondernemers.59De voorgestelde administratieplicht houdt in dat belastingplichtigen voorsommige bezittingen en schulden verplicht de relevante gegevens voor debelastingheffing moeten gaan bijhouden en bewaren. De meestegegevens zijn ook relevant voor het doen van de jaarlijkse aangifte. Debelastingplichtige heeft deze gegevens zodoende bij de hand bij het doenvan de aangifte. De bijkomende verplichting bestaat dan uit het bewarenvan deze gegevens. De Belastingdienst zal uitvoerig communiceren voorwelke bezittingen en schulden de administratieplicht gaat gelden en welkegegevens van deze bezittingen en schulden bijgehouden en bewaardmoeten worden.Belangrijkste aandachtspunten en ondersteuningVoor belastingplichtigen met (i) weinig vermogen en veel rendement of(ii) weinig vermogen en grote verliezen zal het nieuwe stelsel een groterberoep doen in termen van doenvermogen. Gegeven dat er binnen dezegroep meer belastingplichtigen zijn met (financiële) stress en dat er juistminder belastingplichtigen zijn die gebruik (kunnen) maken van eenadviseur is de belasting van het nieuwe stelsel op het doenvermogen vandeze groep een aandachtspunt. Dit geldt in het bijzonder voor belasting-plichtigen die voorheen nog niet aangifteplichtig waren maar dit door hetnieuwe stelsel wel worden, bijvoorbeeld jongeren die hoge rendementenbehalen met cryptovaluta. Hierbij is het ook een aandachtspunt dat voorcryptovaluta er relatief veel administratieve lasten kunnen zijn bij debelastingaangifte, wat voor bovengenoemde doelgroep een groot beroepkan doen op het doenvermogen. Het is raadzaam om de doenlijkheidhierbij zoveel mogelijk te verhogen, bijvoorbeeld door gegevens vancryptoplatforms vooraf in te vullen in de belastingaangifte indien ditmogelijk is.Omdat het invullen van de aangifte – zoals in deze paragraaf uiteengezet –voor sommige belastingplichtigen een groter beroep doet op hetdoenvermogen, zal de Belastingdienst bij de invoering van het voorsteleen intensief communicatietraject starten. Het doel hiervan is belasting-plichtigen te ondersteunen bij het doen van aangifte. De Belastingdienstzal hierbij via algemene communicatiekanalen bekendheid geven aan deveranderingen en hierover uitleg geven. De complexiteit van het nieuwestelsel kan echter niet volledig worden weggenomen door goedecommunicatie en voorlichting. Het beroep op het doenvermogen bij hetdoen van aangifte is deels afhankelijk van de samenstelling van hetvermogen van een belastingplichtige. Naarmate het vermogen gevari-eerder en complexer is, zal het beroep op het doenvermogen groter zijn.Voor vermogenscategorieën die niet vooringevuld kunnen worden, zal debelastingplichtige zelf gegevens die relevant zijn voor het werkelijkerendement moeten verzamelen. Bij een gevarieerd vermogen kan het59https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/belastingdienst/zakelijk/ondernemen/onderneming_starten/houd-een-goede-administratie-bij/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 370 opzoeken en invullen van deze gegevens ingewikkeld zijn. Een deel van debelastingplichtigen zal voorafgaand aan de invoering van het nieuwebox 3-stelsel ervaring opdoen met het berekenen en invullen van hetwerkelijke rendement in het kader van de tegenbewijsregeling tegen hethuidige forfaitaire stelsel.Een groot deel van de belastingplichtigen in box 3 doet nu al aangifte metbehulp van een fiscaal dienstverlener. Dit betreft met name mensen metmeer gevarieerd vermogen, voor wie de aangifte naar verwachting in hetnieuwe stelsel ingewikkelder wordt. Belastingplichtigen kunnen vragenover de aangifte inkomstenbelasting stellen bij de BelastingTelefoon. Hetis staand beleid van de Belastingdienst dat burgers geholpen worden metvragen over en het invullen van de aangifte inkomstenbelasting.8.5 Rechtsbescherming Het wetsvoorstel bevat geen wijzigingen die zien op de rechtsbe-scherming: de bestaande regels voor het opleggen van aanslageninkomstenbelasting gelden ook binnen het voorgestelde stelsel van eenheffing op basis van werkelijk rendement. De regels omtrent bezwaar enberoep veranderen eveneens niet, de rechtsingang voor belastingplich-tigen blijft ongewijzigd in stand.9. Uitvoeringsaspecten De invoering van werkelijk rendement in box 3 is een structureelingrijpende aanpassing voor burgers en de Belastingdienst. Naar hetoordeel van het kabinet is het voorgestelde stelsel voor een heffing opbasis van werkelijk rendement alles afwegende de beste optie, ondanksde risico’s die de Belastingdienst in de uitvoeringstoets signaleert. Eerderheeft het vorige kabinet al opgeschreven dat het ideale box 3-stelselfeitelijk niet bestaat.60 Alle denkbare opties hebben naast voordelen ooknadelen op het vlak van juridische houdbaarheid, maatschappelijkdraagvlak, budgettaire gevolgen, uitvoeringsgevolgen en doenvermogen.De voor- en nadelen van een vermogensbelasting, een voortzetting vaneen forfaitair systeem (een aangepaste vorm van de huidige bepalingenvoor box 3), een vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting zijnuitvoerig geanalyseerd. Zie voor een uitgebreidere omschrijving van deoverwogen alternatieven ook paragraaf 6 waar een aantal alternatievenworden beschreven. Een toename van complexiteit is inherent aan hetintroduceren van een stelsel op basis van werkelijk rendement. Wanneervoor een dergelijk stelsel gekozen wordt, moeten de gevolgen van dezecomplexiteit geaccepteerd worden. Dat betekent echter niet dat hetkabinet de gesignaleerde risico’s lichtzinnig aanvaardt.De Belastingdienst benadrukt in de uitvoeringstoets dat het van grootbelang is dat een nieuw stelsel voor box 3 niet zal leiden tot nieuwehersteloperaties. De Hoge Raad heeft sinds 2015 in meerdere arrestenover box 3 waarschuwingen gegeven over de forfaitaire systematiek en dejuridische risico’s hiervan op het gebied van het eigendomsrecht.61 Dewetgever heeft in het Belastingplan 2016 met ingang van 2017 deforfaitaire systematiek aangepast.62 Daarna heeft de wetgever met deaanpassingen van de Wet IB 2001 door de Overbruggingswet box 3 metingang van 2023 een tweede poging gedaan om de forfaitaire systematiekin overeenstemming te brengen met de waarborgen die gelden op grond60Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 188.61ECLI:NL:HR:2015:812, ECLI:NL:HR:2016:1129, ECLI:NL:HR:2019:816, ECLI:NL:HR:2021:1963,ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705.62Zie artikel II, onderdelen C, D en E, van het Belastingplan 2016.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 371 van het eigendomsrecht. Beide wetgevingstrajecten hebben geleid totomvangrijke hersteloperaties met ingrijpende gevolgen voor burgers ende Belastingdienst. Tegen deze achtergrond wordt nu voorgesteld ombox 3 fundamenteel te herzien door de forfaitaire systematiek tevervangen door een heffing op basis van werkelijk rendement.In de uitvoeringstoets staat dat een eenvoudige forfaitaire heffing mindergoed aansluit op het rechtvaardigheidsbeginsel. Een stelsel op basis vanwerkelijk rendement is rechtvaardiger, maar ook complexer. Vanwege detoename van complexiteit is bij de Belastingdienst een uitbreiding van depersonele capaciteit van circa 900 fte nodig. De verwachting is dat dezewerving in de transitieperiode van drie tot vijf jaar na inwerkingtredingvan de wet niet gerealiseerd kan worden. In de transitieperiode zalhierdoor het niveau van dienstverlening en toezicht onvoldoende zijn. Ookzal dit leiden tot beperkingen in de mogelijkheden tot vooroverleg. Metonvoldoende dienstverlening en toezicht wordt het risico gelopen dat debereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscaleverplichtingen afneemt (compliance). Op termijn zal de Belastingdienst ernaar verwachting wel in slagen om de personeelscapaciteit op sterkte tebrengen. Vanwege de uitbreiding van personeel zijn de uitvoeringskostenhoog. De volledige uitvoeringskosten van dit voorstel van circa€ 112 miljoen worden (structureel) gedekt aan de lastenkant.Bij een heffing gebaseerd op werkelijk rendement zijn meer gegevensnodig dan bij een forfaitaire heffing. Bij een vermogensaanwasbelastingals hoofdregel kunnen veel gegevens vooraf ingevuld worden door deBelastingdienst. Denk hierbij aan rente op bankrekeningen en schulden,ontvangen dividend en vermogensaanwas van publiek verhandelbareaandelen en obligaties. Circa 2,5 miljoen aangifteplichtigen (van de intotaal circa 3,9 miljoen aangifteplichtige in box 3) hebben alleen bezit-tingen in deze categorieën. Voor hen blijft de aangifte in box 3 volledigvooraf ingevuld en daarmee relatief eenvoudig. Een belangrijkaandachtspunt is dat de Belastingdienst niet over alle relevante gegevensbeschikt wat betreft andere vermogensbronnen. Het gaat dan bijvoor-beeld om informatie over onroerende zaken, niet-beursgenoteerdeaandelen en spaar- en beleggingsrekeningen aangehouden bij buiten-landse financiële instellingen. Omdat voor die vermogensbronnen nietalle relevante gegevens beschikbaar zijn, kan de aangifte voor 1,4 miljoenbelastingplichtigen niet volledig vooraf worden ingevuld.Van belastingplichtigen die meer complex vermogen bezitten (tenopzichte van de reguliere financiële producten zoals sparen en beleggenvia een financiële instelling) wordt een extra inspanning verwacht voorhet bijhouden van gegevens die relevant zijn voor de aangifte. Het gaatdan bijvoorbeeld om belastingplichtigen die woningen verhuren in box 3.Zij zullen de aankoopprijs, de huurinkomsten en de kosten moetenbijhouden. De inzet is het aangifteformulier zo te ontwerpen dat bij hetinvullen duidelijk is welke gegevens de belastingplichtige in de eigenadministratie moet bewaren. Bij de invoering is een intensief communica-tietraject nodig met als doel belastingplichtigen te ondersteunen bij hetdoen van aangifte. Burgers en de Belastingdienst zullen voorafgaand aande invoering van het nieuwe stelsel ervaring opdoen met het opgeven encontroleren van het werkelijke rendement in het kader van de tegenbe-wijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel. De ervaringen kunnengebruikt worden voor het nieuwe stelsel.De uitvoeringstoets is vastgesteld op 31 mei 2024 en daarna herijkt. Navaststelling van de uitvoeringstoets is de beoogde inwerkingtredings-datum van het wetsvoorstel aangepast. In de uitvoeringstoets worden eenaantal randvoorwaarden genoemd waaronder invoering per 2027Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 372 mogelijk zou zijn. Inmiddels is duidelijk geworden dat aan deze randvoor-waarden niet kan worden voldaan. Dit heeft te maken met de omvangrijkeherstelwerkzaamheden die de Belastingdienst moet uitvoeren vanwege deuitspraken van de Hoge Raad op 6 juni 2024 over het box 3-stelsel.63Vanwege deze hersteloperatie is de streefdatum voor de inwerkingtredingmet een jaar uitgesteld naar 1 januari 2028. Er heeft een herijkte uitvoe-ringstoets plaatsgevonden. Er is afgesproken met de Belastingdienst enmet ketenpartners (zoals banken en verzekeraars) dat er een langeimplementatietermijn zal zijn van een jaar en negen maanden, gerekendvanaf het moment dat het wetsvoorstel is aangenomen door de TweedeKamer. Deze periode hebben de Belastingdienst en de ketenpartnersnodig om zich zo goed mogelijk voor te bereiden op de inwerkingtredingvan een stelsel op basis van werkelijk rendement. Deze implementatie-termijn betekent dat inwerkingtreding per 2028 mogelijk is, als hetwetsvoorstel uiterlijk op 15 maart 2026 aangenomen wordt door deTweede Kamer. Als deze datum niet wordt gehaald, zullen gegevensleve-ranciers (banken en verzekeraars) niet tijdig, juist en volledig hungegevens aan de Belastingdienst kunnen aanleveren. Indien tijdens deparlementaire behandeling van het wetsvoorstel tot ingrijpende verande-ringen wordt besloten, moet opnieuw worden gekeken naar de uitvoer-baarheid en naar de mogelijke inwerkingtredingsdatum. Omdat een deelvan de aanpassingen van de geautomatiseerde systemen in 2028gerealiseerd zal moeten worden, resteert in dat jaar nagenoeg geenruimte voor andere aanpassingen in de inkomstenbelasting. Een andererandvoorwaarde is dat nog lopende arresten bij de Hoge Raad, zoals dezogenoemde massaal-bezwaar-plus-procedure64, niet of nauwelijks zullenleiden tot aanvullende herstelwerkzaamheden. Tot slot blijft de uitfaseringvan Cool:gen per 31 december 2027 prioriteit houden in het IV-portfoliovan de Belastingdienst. Vertraging in de uitfasering heeft grote risico’svoor de heffing van de inkomstenbelasting. Dit is de reden dat elkeadditionele vraag aan de IH-keten, of aanvullende complexiteit in hetvoorliggende wetsvoorstel, ervoor zorgt dat inwerkingtreding per 2028niet meer gerealiseerd kan worden.Monitoring en mitigerende maatregelenVanaf de zomer van 2025 zal het formulier «Opgaaf Werkelijk Rendement»beschikbaar worden gesteld in het kader van de tegenbewijsregelingtegen het huidige forfaitaire box 3-stelsel. Hiervoor is op 13 maart 2025het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 ingediend bij de TweedeKamer.65 Naar verwachting zullen 2,6 miljoen aanslagen van burgers inaanmerking komen voor rechtsherstel. Belastingplichtigen en deBelastingdienst zullen op grote schaal ervaring gaan opdoen met hetinvullen en verwerken van het werkelijke rendement. Deze ervaringenkunnen nuttig zijn voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.Indien nodig zullen mitigerende maatregelen genomen worden vooraf-gaand aan de inwerkingtreding per 1 januari 2028.Mitigerende maatregelen kunnen, afhankelijk van de signalen uit depraktijk, bestaan uit het verder ondersteunen van de belastingplichtige bijhet berekenen en invullen van het werkelijke rendement. Hierbij kanbijvoorbeeld gedacht worden aan het intensiveren van voorlichting encommunicatie rondom het doen van aangifte. Monitoring van signalen uitde praktijk vindt in eerste instantie plaats via contactmomenten met deburgers, bijvoorbeeld via de BelastingTelefoon en via vooroverleg met de63HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705, ECLI:NL:HR:2024:704, ECLI:NL:HR:2024:813 enECLI:NL:HR:2024:771.64Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 144.65Kamerstukken II, 2024/25, 36706.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 373 inspecteur. Daarnaast vindt periodiek overleg plaats met ketenpartnerszoals banken, verzekeraars en belangenorganisaties waarin signalen uitde dienstverlening aan hun cliënten met betrekking tot het nieuwebox 3-stelsel worden gedeeld. Verder worden berichten in de media en defiscale vakliteratuur gelezen waarbij wordt gereflecteerd op het voorge-stelde nieuwe box 3-stelsel. Tot slot kunnen signalen over de uitvoeringworden ontvangen door de inspectie belastingen, toeslagen en douane(IBTD) en door de onafhankelijke belangenbehartiger voor belastingplich-tigen en toeslaggerechtigden bij het Ministerie van Financiën.De uitvoeringstoets van de Belastingdienst is een bijlage bij het onder-havige wetsvoorstel.10. Doelmatigheid en doeltreffendheid, monitoring en evaluatie De huidige situatie in box 3 is niet houdbaar. Het doel van dit wetsvoorstelis door middel van een robuust stelsel het werkelijke rendement uitsparen en beleggen te belasten. Dit leidt tot een rechtvaardige belasting-heffing. Een ander beleidsdoel is een stabiele inkomstenstroom voor destaat uit deze belasting.De voorgestelde wetswijziging is naar verwachting doeltreffend. Hetnieuwe stelsel voldoet aan de maatschappelijke en politieke wens om eenstelsel op basis van werkelijk rendement in te voeren. Een stelsel dat opmaatschappelijk draagvlak kan rekenen, is robuuster. Volgens deramingen leidt het voorstel tot een stabiele inkomensstroom en is hetbudgettair neutraal ten opzichte van het «oude» box 3-stelsel.Het voorstel is naar verwachting ook doelmatig. Uit de uitvoeringstoetsblijkt dat de uitvoeringskosten € 112 miljoen bedragen. Hoewel hetwetsvoorstel een forse uitdaging betekent voor de Belastingdienst endaarmee ook hoge uitvoeringskosten zijn gemoeid, staat dit naar demening van het kabinet in verhouding tot de budgettaire opbrengst.Bij het ontwerpen van een nieuw stelsel voor box 3 zijn veel verschillendealternatieven gewogen. De voor- en nadelen van een vermogensbelasting,een voortzetting van een forfaitair systeem (een aangepaste vorm van dehuidige wetgeving)66, een vermogensaanwas- en vermogenswinstbe-lasting zijn uitvoerig geanalyseerd.67 Alle denkbare opties hebben naastvoordelen ook nadelen op het vlak van juridische houdbaarheid,maatschappelijk draagvlak, budgettaire gevolgen, uitvoeringsgevolgen endoenvermogen. Uiteindelijk denkt het kabinet met deze vormgeving hetbeste stelsel te introduceren.Voorgesteld wordt om wettelijk te borgen dat het onderhavigewetsvoorstel binnen vijf jaar na inwerkingtreding wordt geëvalueerd.Daarbij zal in ieder geval aandacht moeten zijn voor de budgettaireopbrengst, de uitvoering door de Belastingdienst, de administratievelasten bij ketenpartners en de doenlijkheid voor en administratieve lastenbij burgers. Latere evaluaties van het stelsel zullen plaatsvinden alsonderdeel van de reguliere beleidsdoorlichtingen. Na de inwerkingtredingzal het meer dan een jaar duren voordat de eerste aangiftes van belasting-plichtigen binnenkomen en de eerste aanslagen definitief kunnen wordenopgelegd door de Belastingdienst. Omdat voor een goede evaluatie(aangifte)gegevens over meerdere jaren relevant zijn, is gekozen voor eentermijn van vijf jaar.66Kamerstukken II, 2022/23, 32 140, nr. 145.67Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139; Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 145; Kamer-stukken II 2022/23, 32 140, nr. 153.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 374 Naast de wettelijk geborgde evaluatie zullen zo snel mogelijk de daadwer-kelijke opbrengsten gemonitord worden.Bij de eerste evaluatie zullen de fiscale regelingen68 die met dit voorstelworden geïntroduceerd worden getoetst op doeltreffendheid en doelma-tigheid. Dit zal vervolgens iedere vijf jaar opnieuw gebeuren. In hetvoorstel zitten twee fiscale regelingen. Het gaat om het vermogenswinst-regime dat geldt voor onroerende zaken en voor aandelen in startendeondernemingen.11. Advies en consultatie Voor het wetsvoorstel zijn bij drie verschillende organisaties adviesrap-porten aangevraagd (Raad van de Rechtspraak, Adviescollege toetsingregeldruk en Autoriteit Persoonsgegevens). Daarnaast is het wetsvoorstelvia internet geconsulteerd. Eerst worden hieronder de bevindingen vanelk adviesrapport opgenomen, daarna volgen de uitkomsten van deinternetconsultatie.11.1 Advies Raad van de Rechtspraak De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd omeen advies te geven over het wetsvoorstel. In het advies is geen rekeninggehouden met recente wijzigingen in het wetsvoorstel. De werklastenge-volgen voor de Rechtspraak zijn gebaseerd op voorlopige inschattingenvan de Belastingdienst.De Raad verwacht aanzienlijke gevolgen voor de uitvoering bij hetwetsvoorstel. De Raad merkt op dat wetsvoorstel samenloopt met de«Wet Stroomlijnen onderdeel rechtsbescherming bij belastingschulden».De samenloop op het terrein van belastingrecht leidt bij de Raad tot zorgmet betrekking tot de grote vraag van de capaciteit van de rechtspraak.Inmiddels is echter de inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstelaangepast naar 1 januari 2028. Hierdoor is geen sprake meer vangelijktijdige inwerkingtreding met de «Wet Stroomlijnen onderdeelrechtsbescherming bij belastingschulden».Het onderhavige wetsvoorstel is aanzienlijk ingewikkelder dan het huidigestelsel. De Raad verwacht dan ook dat – met name in de eerste jaren – ditzal leiden tot correcties door de Belastingdienst. Als gevolg van decorrecties en de verwachting dat het stelsel op punten zal wordenbeproefd zal dit leiden tot meer bezwaar- en beroepsprocedures. Op basisvan de voorlopige uitvoeringstoets van de Belastingdienst en ervarings-cijfers wordt verwacht dat na invoering van het wetsvoorstel, die ten tijdevan het advies van de Raad was voorzien in 2027, de kosten voor dewerklast in 2028 € 3,5 miljoen bedragen. Dit loopt op tot € 5,5 en€ 5,3 miljoen in 2029 respectievelijk 2030. De structurele kosten voor deuitvoering worden geraamd op € 3,8 miljoen.Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege hetbelasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarommeer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd demaatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement vanvermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke68Fiscale regelingen zorgen ervoor dat bepaalde groepen belastingplichtigen minder belastinghoeven te betalen. Het gaat dan bijvoorbeeld om vrijstellingen, kortingen of een verlaagdtarief. In het geval van de vermogenswinstbelasting moet er net als over andere vermogens-bestanddelen belasting worden betaald. Dit gebeurt echter in het algemeen op een latermoment dan bij de vermogensbestanddelen die onder de hoofdregel vermogensaanwasbe-lasting vallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 375 rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt datdoor belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement alsrechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. Deverwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaar-digheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken.Het kabinet is daarnaast van mening dat bij de inschatting van detoekomstige werklast een vergelijking met het aantal procedures en zakenonder het forfaitaire stelsel op zijn plaats is.De Raad maakt ook een opmerking over het zakelijkheidsbeginsel. Dezakelijkheidstoets zoals gehanteerd binnen box 1 en box 2 gaat ookgelden voor het inkomen uit sparen en beleggen. Voor de bepaling vanhet inkomen moet zakelijk gehandeld worden. Toepassing van hetzakelijkheidsbeginsel gaat constructies met onzakelijke vergoedingen inde verhouding tot box 1 en box 2 tegen en brengt daarnaast meerevenwicht tussen de winst- en de box 3-sfeer. Omdat het zakelijkheidsbe-ginsel in de andere twee boxen al wordt toegepast, is het geen nieuwprincipe in de fiscaliteit. Ook om deze reden verwacht het kabinet dat hetaantal extra zaken en daarmee de extra werklast te overzien zal zijn.11.2 Advies Adviescollege toetsing regeldruk Het Adviescollege toetsing regeldruk (het college) is eveneens in februari2024 gevraagd om advies.1) Nut en noodzaakHet college geeft aan dat de nut en noodzaak van wettelijk ingrijpen goedzijn onderbouwd in de toelichting bij het voorstel en dat aan het voorsteleen gedegen onderzoek ten grondslag ligt. Het college ziet geenaanleiding voor opmerkingen bij de onderbouwing van nut en noodzaakvan het voorstel.2) Minder belastende alternatievenHet wetsvoorstel hanteert als hoofdregel een vermogensaanwasbelastingvoor het berekenen van het werkelijke rendement. Het college vraagtaandacht voor de voor- en nadelen (en met name de zogenoemde lock-inen push-out effecten) van het voorgestelde stelsel ten opzichte vanalternatieve stelsels. Daarnaast adviseert het college om te kiezen voor hetminder belastende alternatief waarbij burgers met enkel banktegoedenen/of een laag box 3-vermogen worden uitgezonderd van de administra-tieplicht.De huidige vormgeving van het wetsvoorstel is, beginnend bij decontourennota in april 202269, tot stand gekomen na uitgebreidegedachtewisseling met de Tweede Kamer via diverse debatten, veleKamerbrieven en beantwoording van schriftelijke vragen. In de Kamer-brief van 29 september 202270 is ingegaan op de mogelijke stelsels voorhet belasten van het werkelijke rendement, namelijk de vermogenswinst-belasting en de vermogensaanwasbelasting. Hierbij zijn de voor- ennadelen van beide stelsels uitgebreid beschreven en is ingegaan opspecifieke onderwerpen, zoals liquiditeit, budgettaire opbrengst, econo-mische verstoring, inflatie, uitvoerbaarheid en doenvermogen. Beidesystemen hebben hun relatieve voor- en nadelen. Het perfecte box 3-stelsel bestaat niet. In paragraaf 6 van deze memorie van toelichtingwordt nader ingegaan op de overwogen alternatieven.69Kamerstukken II 2021/22, 32 140, nr. 105.70Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 139.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 376 Met betrekking tot de administratieplicht is in het wetsvoorstel gekozenvoor een variant waarbij de verplichting tot het voeren van een adminis-tratie en het bijhouden van gegevens is beperkt tot bezittingen enschulden waarover de Belastingdienst niet automatisch gegevensontvangt van binnenlandse of buitenlandse financiële instellingen. Deadministratieplicht gaat daarom niet gelden voor, onder andere, binnen-landse en buitenlandse bank- en spaarrekeningen. Hiermee is desuggestie van het college opgevolgd.3) WerkbaarheidHet college merkt op dat de werkbaarheid van het wetstsvoorstel kanverbeteren door een beter onderscheid tussen courante en incourantevermogensbestanddelen, maar onderkent dat dit in de praktijk lastig is. Inde Kamerbrief van 15 mei 202471 heeft mijn ambtsvoorganger de TweedeKamer geïnformeerd over liquide en niet-liquide beleggingen in box 3 omte verduidelijken in hoeverre het mogelijk is om niet-liquide beleggingenonder een vermogenswinstregime te brengen. Er is geen eenduidigedefinitie van het begrip «liquide beleggingen». De grens tussen liquidebeleggingen aan de ene kant en niet-liquide beleggingen aan de anderekant is onduidelijk. Een onderscheid tussen liquide aandelen enniet-liquide aandelen of een onderscheid tussen beursgenoteerdeaandelen en niet-beursgenoteerde aandelen leidt bovendien tot verge-lijkbare staatssteunrisico’s als het onderscheid tussen aandelen infamilieondernemingen en aandelen in andere ondernemingen. Daarnaastheeft de Nederlandse Vereniging van Banken aangegeven dat eenvermogenswinstregime voor niet-liquide beleggingen gevolgen heeftvoor de aanlevering van gegevens door banken. Vanwege de hiervoorgenoegde redenen is ervoor gekozen geen onderscheid te maken op basisvan de mate van liquiditeit van een vermogensbestanddeel. Wel is vooronroerende zaken en aandelen in start-ups gekozen voor een regime opbasis van een vermogenswinstbelasting, onder andere omdat dezebestanddelen beter af te bakenen zijn.4) RegeldrukbeheersingHet college constateert dat de additionele regeldrukeffecten voor burgerssubstantieel zijn. In het advies wordt aangegeven dat voor de meestebelastingplichtigen de regeldrukkosten vooral bestaan uit het inlezen in denieuwe systematiek. De incidentele regeldruk hiervan wordt geraamd op€ 5.700.000. Verder gaan voor sommige groepen belastingplichtigen destructurele regeldrukkosten omhoog. Dit geldt met name voor hen die hunvakantiehuizen verhuren. Ze krijgen een administratieplicht én moetenbonnetjes gaan bewaren om onderhoudskosten af te trekken. Deregeldrukgevolgen voor deze groep worden geschat op € 9 miljoenstructureel en een extra € 1 miljoen incidenteel. Om de berekening vanhet valutaresultaat te vergemakkelijken is het voldoende om het saldo vande stortingen en onttrekkingen tegen een gemiddelde valutakoers tewaarderen. Hierdoor blijven de administratieve lasten beperkt tot€ 132.000 structureel.Het belasten van het werkelijke rendement in plaats van een forfaitairrendement gaat onvermijdbaar gepaard met een toename van deregeldruk. Waar mogelijk is bij de vormgeving van het wetsvoorstelgekozen voor de minst belastende optie voor burgers. Zo wordenvorderingen en schulden uit hoofde van een geldleningsovereenkomsttussen natuurlijke personen gesteld op de nominale waarde van devordering of schuld in plaats van de waarde in het economische verkeer.71Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 188.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 377 Daarnaast wordt in het wetsvoorstel een vastgoedbijtelling geïntrodu-ceerd voor de berekening van de economische huurwaarde vooronroerende zaken die niet worden verhuurd.11.3 Advies Autoriteit persoonsgegevens De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is in februari 2024 geraadpleegdover het wetsvoorstel. De AP heeft getoetst of het wetsvoorstel strooktmet het Handvest van de Grondrechten van de EU, de Algemeneverordening gegevensbescherming (AVG) en de Richtlijn politie enJustitie. Het wetsvoorstel is verder getoetst op onder andere geschiktheid,subsidiariteit, proportionaliteit en rechtszekerheid. De conclusie is dat deAP geen verdere aanmerkingen heeft op het wetsvoorstel.11.4 Internetconsultatie Het wetsvoorstel is via internet geconsulteerd in de periode van8 september 2023 tot en met 20 oktober 2023. Er zijn in totaal 1.737reacties binnengekomen. Parallel aan de internetconsultatie zijngesprekken gevoerd met diverse belangenorganisaties over het geconsul-teerde wetsvoorstel, namelijk met de Nederlandse Orde van Belastingad-viseurs (NOB), het Register Belastingadviseurs (RB), VNO-NCW &MKB-Nederland, de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie vanAccountants (NBA) en de Samenwerkende Registeraccountants enAccountants-Administratieconsulenten (SRA). Bij kamerbrief van25 januari 2024 is het parlement geïnformeerd over de uitkomsten van deinternetconsultatie.72 Deze uitkomsten zijn hieronder opgenomen.Vraag 1 – Algemeen: Wat vindt u van het voorstel in algemene zin?Er zijn veel reacties die de indruk geven dat het geconsulteerde voorstelniet geheel lijkt te zijn begrepen. Zo lijken verschillende respondenten tedenken dat de eigen woning (duurzaam hoofdverblijf) in box 3 valt, datvoor onroerend goed een vermogensaanwasbelasting geldt of datspaargeld nadelig wordt behandeld ten opzichte van andere vermogens-categorieën. Dit is echter niet het geval.Het belasten van werkelijk rendement wordt als rechtvaardiger ervarendan het huidige forfaitaire stelsel. Daartegenover staat dat het voorge-stelde stelsel door respondenten als erg complex wordt beoordeeld, mededoor de verschillende uitzonderingen. Veel respondenten vragen omrekening te houden met inflatie bij het berekenen van het werkelijkerendement. Sommige respondenten sluiten zich aan bij het standpunt vande Vereniging van Effectenbezitters (VEB) die een volledige vermogens-winstbelasting voorstaat. Een aantal respondenten pleit voor eenvermogensbelasting vanwege de eenvoud. Deze respondenten vragenzich af of het belasten van (inkomen uit) vermogen juist niet eenvoudigermoet in plaats van complexer.Vraag 2 – Beleidsmatige afwegingenEen aantal respondenten merkt op dat de keuze voor een vermogensaan-wasbelasting een procyclische werking kan hebben op de belastingin-komsten. Respondenten wijzen erop dat het forfait voor de eerste woningsparen en beleggen bij sommige burgers kan leiden tot een lagerebelastingdruk dan bij anderen, afhankelijk van de keuze voor financieringmet vreemd vermogen of met eigen middelen. Een aantal respondentengeeft aan dat het onduidelijk is wat de definitie is van een familiebedrijf.Veel respondenten zijn tegen het anders behandelen van aandelen in72Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 179.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 378 familiebedrijven en startende ondernemingen en zien hiervoor geennoodzaak. Zij vinden dat dit onderscheid het stelsel onnodig complexmaakt. Respondenten reageren negatief op het idee om voor de eerstewoning sparen en beleggen voor forfaits te kiezen omdat het stelselhierdoor complexer wordt en daardoor tot veel discussie kan gaan leiden.In het geconsulteerde voorstel wordt onder «de eerste woning sparen enbeleggen» een woning bedoeld waarin de belastingplichtige nietduurzaam woont, bijvoorbeeld een vakantiewoning. Een belasting-plichtige met meerdere woningen mag in het geconsulteerde voorstelkiezen voor welke woning het forfait geldt.Vraag 3 – GedragseffectenAls gedragseffect wordt onder andere het risico op lock-in bij de vermo-genswinstbelasting genoemd. Het zal volgens de respondenten aantrekke-lijker zijn om in vermogen te beleggen dat via de vermogenswinstbe-lasting in de heffing wordt betrokken. Een aantal keer wordt hetvermoeden uitgesproken dat met name mensen met (zeer) hogevermogens hier mogelijkheden toe zullen hebben. Daarnaast wordt eenaantal keer genoemd dat het forfait voor de eerste woning sparen enbeleggen voor eigen gebruik een onwenselijke prikkel kan zijn totleegstand.Vraag 4 – Valutaresultaten behaald met banktegoedenIn het consultatievoorstel was voorgesteld om vanuit praktisch oogpuntpositieve of negatieve valutaresultaten van banktegoeden die wordenaangehouden in vreemde valuta buiten beschouwing te laten en alleen deontvangen rente te belasten. De voor- en tegenstanders van dit voorstelzijn ongeveer in evenwicht. De voorstanders van het geconsulteerdevoorstel dragen de volgende argumenten aan. Het is verstandig omvalutaresultaten buiten beschouwing te laten vanwege de complexiteit.Het geconsulteerde voorstel maakt het simpeler voor de Belastingdiensten voor personen die de aangifte moeten doen. Wel wordt hiermee dekans vergroot dat er meer gespeculeerd gaat worden. Het overgrote deelvan het spaarvermogen wordt in euro’s aangehouden bij Nederlandsebanken. Het probleem van vreemde valuta is in dit voorstel dan ookweinig relevant. De tegenstanders van het geconsulteerde voorstel dragende volgende argumenten aan. Het niet belasten van valutahandel leidt toteen afwijkende behandeling ten opzichte van effecten, aandelen enobligaties in vreemde valuta. Dat leidt tot arbitrage. Het voorgesteldedilemma toont volgens de respondenten aan hoe complex heffing opbasis van werkelijk rendement is. Diverse respondenten bepleiten terug tegaan naar een forfaitaire heffing of een vermogensbelasting.Vraag 5 – Aftrekbaarheid van rente van consumptieve schuldenBehalve dat veel respondenten aangeven te denken dat de aftrek vanrente op consumptieve schulden bijzonder lastig te controleren is, zijn ermeerdere meer principiële benaderingen. De groep die vindt dat de aftrekvan consumptieve schulden beperkt zou moeten worden, is van meningdat het aangaan van schulden voor zaken als een auto of een vakantieontmoedigd zou moeten worden en daarom niet aftrekbaar zou moetenzijn. Een andere groep vindt het van belang dat de rente van een schuldalleen aftrekbaar zou moeten zijn als daartegenover een bezitting staat dieinkomen genereert in box 3. Burgers die vinden dat de aftrek van rentevan consumptieve schulden niet beperkt zou moeten worden, geven vaakals argument dat zij zelf over de samenstelling van het vermogen gaan endat dit niet fiscaal beïnvloed zou moeten worden. Tot slot zijn er respon-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 379 denten die vinden dat een consumptieve schuld slechts tot een bepaaldbedrag of percentage mag worden afgetrokken.Vraag 6 – Onroerende zakenIn het consultatievoorstel was voorgesteld om de eerste woning in box 3onder een afzonderlijk forfait te belasten. Om onder dit forfait te vallen,moet sprake zijn van hoofdzakelijk (70%) eigen gebruik van de (vakan-tie)woning. In het geconsulteerde voorstel wordt de mate van het eigengebruik bepaald door weken en dagen te tellen. De meningen onder derespondenten lopen uiteen wat de beste manier is om te bepalen datsprake is van het hoofdzakelijk gebruiken van de eerste woning sparen enbeleggen. Er lijkt een lichte voorkeur te zijn om uit te gaan van eenmaximale huuropbrengst in verhouding tot de WOZ-waarde. Respon-denten vinden het hoofdzakelijkcriterium (70%) ingewikkeld enverwachten hierbij veel gesjoemel. Dat de woning na een verhuurperiodeniet meer terug kan naar het forfaitregime, vinden de meeste respon-denten oneerlijk.Zij zijn van mening dat de omstandigheden in een mensenleven nueenmaal kunnen veranderen en dat de belastingheffing daarbij aan zoumoeten sluiten. Veel respondenten zijn van mening dat geen sprake is vanrendement wanneer een vakantiewoning alleen voor eigen gebruik isbestemd en dat daarom geen belasting geheven mag worden. Eendergelijke heffing vinden zij in strijd met het Kerstarrest van de HogeRaad. Door wel belasting te heffen over de waarde van het eigen gebruikvan een vakantiewoning die niet wordt verhuurd, zou het geconsulteerdevoorstel volgens deze respondenten niet aansluiten bij het Kerstarrest vande Hoge Raad. Een vermogenswinstbelasting voor alle onroerende zakenlijkt op meer begrip te kunnen rekenen bij de respondenten.Vraag 7 – Afbakening startende ondernemingVeel respondenten geven bij deze vraag aan niet over voldoende kennis tebeschikken om een inhoudelijke reactie te geven. Ook melden veelrespondenten dat dit punt hen niet raakt omdat zij niet investeren in ditsoort bedrijven. Respondenten die wel inhoudelijk hebben gereageerd,zijn doorgaans van mening dat deze uitzondering niet gemaakt zoumoeten worden. Veelal wordt daarbij opgemerkt dat alle bezittingen inbox 3 via een vermogenswinstbelasting in de heffing moeten wordenbetrokken. Respondenten geven aan dat uitzonderingen het systeemingewikkeld maken en dat alle investeringen in aandelen hetzelfde belastmoeten worden. In het consultatievoorstel was het begrip «innovatief»opgenomen om aandelen in deze ondernemingen af te bakenen. Veelrespondenten vinden dit begrip niet objectief genoeg.Aanpassingen naar aanleiding van de internetconsultatieNaar aanleiding van opmerkingen uit de internetconsultatie zijn devolgende inhoudelijke wijzigingen aangebracht op het geconsulteerdevoorstel.1.Het forfait voor de eerste woning in box 3 is vervallen.2.De achterwaartse verliesverrekening (carry-back) is vervallen.3.Er is een omissie hersteld over de beginwaarde bij aanvang vanbezittingen die onder de vermogenswinstbelasting vallen.4.De wijze waarop genotsrechten in de heffing worden betrokken isgewijzigd.5.De valutaresultaten van banktegoeden worden in tegenstelling tot hetgeconsulteerde voorstel wel in de heffing betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 380 Daarnaast zijn diverse technische wijzigingen doorgevoerd. De inhoude-lijke wijzigingen zijn hieronder toegelicht.1 – Forfait voor de eerste woning sparen en beleggenIn het geconsulteerde voorstel worden onroerende zaken in box 3 inafwijking van de hoofdregel via een vermogenswinstbelasting in deheffing betrokken. Daarbij is een uitzondering gemaakt voor de eerstewoning sparen en beleggen (eerste woning in box 3) die hoofdzakelijk terbeschikking staat voor eigen gebruik door de belastingplichtige ofpersonen die behoren tot zijn huishouden. Het inkomen van deze eerstewoning sparen en beleggen wordt bepaald via een afzonderlijk forfait. Bijhet vaststellen van dit forfait was rekening gehouden met het woongenotin natura, huuropbrengsten, kosten – waaronder financieringskosten – ende langjarige waardeontwikkeling van woningen. Besloten is om dezeafwijkende behandeling te schrappen. Het laten vervallen van dit forfaitmaakt het systeem beter uitlegbaar. Na schrappen van het forfait zullenalle onroerende zaken die nu in box 3 worden belast, onder de vermo-genswinstbelasting vallen. Onder de vermogenswinstbelasting leidt hetbeschikbaar zijn voor gebruik van een onroerende zaak die tot hetbox 3-vermogen behoort, tot een voordeel voor de belastingplichtige. Ditvoordeel wordt bepaald met een forfait (de vastgoedbijtelling). De eigenwoning van de belastingplichtige die anders dan tijdelijk als hoofdverblijfter beschikking staat, blijft belast in box 1. De reden voor het forfait voorde eerste woning sparen en beleggen was eenvoud. Zowel voor debelastingplichtigen met één onroerende zaak in box 3 – ongeveer eenderde van de belastingplichtigen met onroerende zaken – als voor deBelastingdienst. Uit de internetconsultatie bleek onder andere dat debeoogde eenvoud van het forfait niet altijd wordt bereikt. Bijvoorbeeld inhet geval een belastingplichtige een nieuwe vakantiewoning heeftgekocht, terwijl zijn eerste vakantiewoning nog te koop staat.2 – Achterwaartse verliesverrekeningIn het geconsulteerde voorstel is een verliesverrekeningssystematiekopgenomen. Bij de voorwaartse verliesverrekening (carry-forward) is geenbeperking in tijd opgenomen. De verliezen zijn zodoende onbeperkt in detoekomst verrekenbaar. Voor de achterwaartse verliesverrekening(carry-back) is een optie opgenomen om verrekening van verliezen methet voorgaande jaar mogelijk te maken. Het toestaan van carry-back zorgtvoor een derving in de eerste jaren van honderden miljoenen die dooraanpassing van andere parameters, zoals het tarief of het heffingsvrijeresultaat, gedekt moet worden. Daarnaast is het toestaan van carry-backcomplex voor de Belastingdienst omdat aanslagen van oude jaren moetenworden aangepast. Het vervallen van het forfait voor de eerste woningsparen en beleggen (zie toelichting bij onderdeel 1) heeft negatievebudgettaire consequenties. Ter compensatie is besloten om in hetwetsvoorstel de optie van carry-back te schrappen. De onbeperktevoorwaartse verliesverrekening blijft ongewijzigd.3 – Beginwaarde bij aanvang van de vermogenswinstbelastingBepaalde vermogensbestanddelen (onroerende zaken en aandelen in eenstartende onderneming) worden via de vermogenswinstbelasting in deheffing betrokken. Bij vervreemding wordt de verkoopprijs verminderdmet de verkrijgingsprijs. In het geconsulteerde voorstel is verzuimd om tebepalen dat voor deze bezittingen, die bij aanvang van het kalenderjaar2028 reeds in het bezit zijn van de belastingplichtigen, de verkrijgingsprijswordt gesteld op de waarde in het economische verkeer die aan het beginvan het kalenderjaar 2028 aan die bezittingen kan worden toegekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 381 Zonder een dergelijke bepaling zouden vermogenswinsten of -verliezenvan vóór 2028 in de heffing worden betrokken. Deze omissie is hersteld.4 – GenotsrechtenHet genotsrecht is het recht op genot van een zaak of vermogensrecht, hetrecht om gebruik te maken van iets. Een veel voorkomend genotsrecht ishet vruchtgebruik: het recht om goederen te gebruiken die van een anderzijn en daarvan de «vruchten» te genieten (bijvoorbeeld toekomstige renteof dividend). Andere voorbeelden van genotsrechten zijn: het recht vanerfpacht (het recht om gebruik te maken van een stuk grond) en het rechtvan opstal (met een opstalrecht kun je bijvoorbeeld eigenaar zijn van eenwoning op andermans grond). Na het vestigen van het genotsrecht blijftbij de juridische eigenaar een zogenoemd «bloot eigendom» over.In het geconsulteerde voorstel wordt de vergoeding voor het genotsrechtin het jaar van vestigen bij de blote eigenaar als inkomsten belast en inéén keer als kosten in aftrek gebracht bij de genotsgerechtigde. Omwaarderingsproblemen te voorkomen wordt vanuit praktisch oogpunt hetgenotsrecht bij fictie gesteld op nihil. Uit de literatuur blijkt echter dat hetgeconsulteerde voorstel kan leiden tot oneigenlijk gebruik. De NOB en hetRB hebben hier ook aandacht voor gevraagd. Hierbij kan gedacht wordenaan de situatie dat kort voor emigratie of in het zicht van overlijden eengenotsrecht wordt gekocht, bijvoorbeeld van een bank of de eigenvennootschap. De koopsom is in dat geval in één keer aftrekbaar, terwijlde toekomstige vruchten niet in de (Nederlandse) heffing kunnen wordenbetrokken vanwege emigratie of overlijden. In lijn met de suggestie uit deliteratuur is de eerder voorgestelde behandeling (dat wil zeggen, eennihilwaardering in combinatie met het in één keer belasten dan wel inaftrek brengen van de koopsom) vervangen door een lineaire afbouw vande waarde van het genotsrecht. Hiermee wordt het totale voordeel van hetblote eigendom en het genotsrecht op praktische wijze toegerekend aande jaren waarin het genotsrecht bestaat. Het gesignaleerde risico oponeigenlijk gebruik doet zich dan niet meer voor.5 – Valutaresultaten van banktegoedenDoorgaans zal het rendement op banktegoeden alleen bestaan uit deontvangen rente minus kosten. Van vermogensaanwas is geen sprake bijbanktegoeden die in euro’s worden aangehouden. Bij banktegoeden ineen andere valuta dan de euro kan wel sprake zijn van vermogensaanwasin de vorm van valutaresultaten. In het geconsulteerde voorstel is uitpraktisch oogpunt bepaald dat bij banktegoeden alleen het directerendement wordt belast. Door de gekozen vormgeving in het geconsul-teerde voorstel wordt deze (positieve of negatieve) vermogensaanwasniet belast. Hier is sprake van een uitruil: de gekozen methodiek in hetgeconsulteerde voorstel vermindert de complexiteit voor burgers. Ditgeldt met name voor burgers met buitenlandse betaalrekeningen invreemde valuta, waar potentieel zeer veel stortingen en onttrekkingenkunnen plaatsvinden in verband met privéuitgaven. De gekozenmethodiek doet echter afbreuk aan het zuiver bepalen van het rendement.Daarnaast kan het hanteren van aparte regels voor banktegoeden zorgenvoor afbakeningsvraagstukken die juist voor complexiteit zorgen. Derelevante voor- en nadelen van het geconsulteerde voorstel zijn naaraanleiding van de reacties uit de internetconsultatie opnieuw gewogen.Uiteindelijk is besloten om – in tegenstelling tot het geconsulteerdevoorstel – wel de valutaresultaten van banktegoeden in vreemde valuta tebelasten. Hiermee worden afbakeningsvraagstukken en complexiteitvanwege de definitie voor banktegoeden voorkomen. Dit zal wel zorgenvoor een grotere administratieve last voor belastingplichtigen metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 382 buitenlandse betaalrekeningen in vreemde valuta. Naar verwachting is ditechter een relatief kleine groep.II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel I, onderdeel A (artikel 1.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001)In het huidige artikel 5.22, derde lid, Wet IB 2001 is een definitie vangenotsrechten opgenomen die geldt voor de hele Wet IB 2001. Systema-tisch is het passend om een definitie die voor de gehele Wet IB 2001 geldt,op te nemen in hoofdstuk 1 Wet IB 2001. Daarom wordt voorgesteld omde definitie van een genotsrecht op te nemen in het voorgesteldeartikel 1.12 Wet IB 2001. Daarbij is geen inhoudelijke wijziging aange-bracht ten opzichte van het huidige artikel 5.22, derde lid, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel B (artikel 2.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2.8 Wet IB 2001 wordtbewerkstelligd dat het resultaat dat bij het einde van de binnenlandsebelastingplicht in aanmerking wordt genomen op grond van het voorge-stelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 wordt aangemerkt als teconserveren inkomen. In de artikelsgewijze toelichting bij het voorge-stelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 wordt dit nader toegelicht. Metde in artikel IV voorgestelde wijzigingen van de artikelen 24, 25, 26 en 28IW 1990 wordt onder meer geregeld op welk tijdstip de invorderingplaatsvindt van de ter zake van genoemd resultaat opgelegde conserve-rende belastingaanslag die ingevolge artikel 2.9 Wet IB 2001 mettoepassing van het voorgestelde artikel 2.8 Wet IB 2001 is vastgesteld.Artikel I, onderdeel C (artikel 2.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde tekst van artikel 2.13, eerste lid, Wet IB 2001 wordtbewerkstelligd dat het tariefpercentage voor de heffing over hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt vastgesteld op 36%. Inhet voorgestelde stelsel voor box 3 kan, in tegenstelling tot bij het huidigestelsel, ook sprake zijn van een negatief belastbaar inkomen uit sparen enbeleggen. Voor de duidelijkheid wordt in het voorgestelde artikel 2.13,tweede lid, Wet IB 2001 geregeld dat een negatief belastbaar inkomen uitsparen en beleggen voor de toepassing van het eerste lid van dat artikelop nihil wordt gesteld.Artikel I, onderdeel D (artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2.14 Wet IB 2001 wordtbewerkstelligd dat de zogenoemde antiboxhopbepalingen die zijnopgenomen in artikel 2.14, derde lid, onderdelen b, c en d, Wet IB 2001komen te vervallen. Dergelijke bepalingen zijn met het vervallen van depeildatum in hoofdstuk 5 Wet IB 2001 niet meer van belang. Ingevolge hetvoorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 zal de box 3-belasting niet meeruitsluitend afhankelijk zijn van de vermogenssamenstelling op depeildatum van 1 januari. Bij de berekening van het werkelijke rendementop grond van het voorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 wordt rekeninggehouden met het werkelijke rendement op alle vermogensbestanddelenin box 3 die de belastingplichtige ten minste op enig moment in hetkalenderjaar heeft.Artikel I, onderdeel E (artikel 2.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2.15 Wet IB 2001 komen – inlijn met het vervallen van de term «rendementsgrondslag» in hoofdstuk 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 383 Wet IB 2001 – de in dat artikel opgenomen verwijzingen naar de rende-mentsgrondslag te vervallen en wordt het resultaat uit sparen enbeleggen van een minderjarig kind toegerekend aan de ouder die hetgezag over het kind uitoefent. Hiermee wordt bewerkstelligd dat bij hetbepalen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van de ouderook het resultaat uit sparen en beleggen van een minderjarig kind in deheffing bij de betreffende ouder wordt betrokken.Bij het bepalen van het resultaat uit sparen en beleggen wordt op grondvan het voorgestelde artikel 5.3 Wet IB 2001 geen rekening gehouden methet heffingsvrije resultaat, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.40 Wet IB2001. Door het resultaat uit sparen en beleggen aan de ouder toe terekenen – en niet het belastbare inkomen uit sparen en beleggen of hetinkomen uit sparen en beleggen – wordt geregeld dat bij het berekenenvan het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van de ouder niet defacto tweemaal een heffingsvrij resultaat wordt geëffectueerd: het in hettoegerekende bedrag begrepen heffingsvrije resultaat en het heffingsvrijeresultaat van de ouder zelf. Hiermee wordt aangesloten bij de huidigesystematiek van artikel 2.15 Wet IB 2001 met betrekking tot het heffingvrijevermogen.Artikel I, onderdeel F (artikel 2.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 2.16, derde lid, Wet IB 2001wordt bewerkstelligd dat de voorgestelde wijziging van artikel 2.8 Wet IB2001, waarmee te conserveren inkomen uit sparen en beleggen ontstaat,doorwerkt naar de wijze waarop het verhaalsrecht op grond vanartikel 2.16, eerste lid, Wet IB 2001 dient te worden bepaald.Artikel I, onderdeel G (artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 2.17 Wet IB 2001 komen – inlijn met het vervallen van de rendementsgrondslag in hoofdstuk 5 Wet IB2001 – de in dat artikel met betrekking tot fiscale partners opgenomenverwijzingen naar de rendementsgrondslag te vervallen.Tevens wordt met de voorgestelde wijzigingen bewerkstelligd dat hetgezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen vóór vermindering met depersoonsgebonden aftrek als gemeenschappelijk inkomensbestandsdeelwordt aangemerkt. Het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen isingevolge het voorgestelde artikel 5.2, derde lid, Wet IB 2001 hetgezamenlijke resultaat uit sparen en beleggen van de belastingplichtigeen zijn partner, verminderd, voor zover dit gezamenlijke resultaat positiefis, met het heffingsvrije resultaat, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.40Wet IB 2001, van de belastingplichtige en zijn partner en verminderd metde persoonsgebonden aftrek van de belastingplichtige en zijn partner.Door het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen (vóór vermin-dering met de persoonsgebonden aftrek) als gemeenschappelijkinkomensbestandsdeel aan te merken, wordt bewerkstelligd dat hetheffingsvrije resultaat van beide partners in mindering wordt gebrachtvoordat het gezamenlijke inkomen wordt verdeeld. Dit voorkomt dat eenheffingsvrij resultaat verloren kan gaan door een onhandige verdeling.Artikel I, onderdeel H (artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Op grond van de huidige tekst van artikel 2.18, aanhef en onderdeel c, WetIB 2001 wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen aangemerktals het box 3-gedeelte van het verzamelinkomen. In het voorgesteldeartikel 5.1 Wet IB 2001 wordt bepaald dat het belastbare inkomen uitsparen en beleggen wordt berekend door het inkomen uit sparen enbeleggen te verminderen met de te verrekenen verliezen uit sparen enbeleggen. Omdat bij het bepalen van het verzamelinkomen geen rekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 384 dient te worden gehouden met de te verrekenen verliezen, wordtvoorgesteld om in artikel 2.18, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001 tebepalen dat het box 3-gedeelte van het verzamelinkomen bestaat uit hetinkomen uit sparen en beleggen. Dit sluit aan bij de wijze waarop hetbox 1-gedeelte en het box 2-gedeelte van het verzamelinkomen wordenbepaald.Om te verduidelijken dat de zinsnede «verminderd met daarin begrepen teconserveren inkomen» ook in het huidige artikel 2.18 Wet IB 2001 op alledrie onderdelen van de opsomming ziet, wordt voorgesteld omartikel 2.18 Wet IB 2001 opnieuw vast te stellen met een puntkomma aanhet slot van genoemd onderdeel c en met de hiervoor genoemde zinsnedeop een nieuwe regel. Tevens wordt in verband met de Aanwijzingen voorde regelgeving73 een puntkomma ingevoegd in het voorgesteldeartikel 2.18, onderdeel b, Wet IB 2001.Artikel I, onderdelen I, N en Q (artikelen 3.16, 3.119a en 4.15 van de Wetinkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van de artikelen 3.16, 3.119a en 4.15 Wet IB2001 wordt de verwijzing naar artikel 5.4, eerste lid, Wet IB 2001 – in lijnmet de voorgestelde verplaatsing van de tekst van artikel 5.4 Wet IB 2001naar artikel 5.41 Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar hetvoorgestelde artikel 5.41, eerste lid, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel J (artikel 3.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001)In het kader van de voorgestelde overgang van een forfaitair box 3-stelselnaar een stelsel op basis van werkelijk rendement is het nodig om enkelewijzigingen in artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 aan tebrengen. Daarom wordt voorgesteld dat bij het bepalen van de winst uitonderneming de aftrek van kosten ter zake van tot het privévermogen vande belastingplichtige behorende bezittingen of door hem in privégehuurde bezittingen die (mede) in de onderneming worden gebruikt,wordt beperkt tot de reguliere voordelen of de vastgoedbijtelling dieingevolge de voorgestelde artikelen 5.6, 5.15, 5.16 en 5.19 Wet IB 2001 inde box 3-heffing worden betrokken. De aanpassing ziet niet op tot hetprivévermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privégehuurde vervoermiddelen; de daarvoor geldende aftrekbeperking, die isopgenomen in artikel 3.17, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001, blijftongewijzigd in stand. Wel worden nog enkele redactionele verbeteringenvan artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 voorgesteld.Artikel I, onderdeel K (artikel 3.95a van de Wet inkomstenbelasting 2001)De voorgestelde wijziging van artikel 3.95a Wet IB 2001 houdt verbandmet de in artikel I, onderdeel D, voorgestelde verlettering van artikel 2.14,derde lid, onderdeel e, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel L (artikel 3.100 van de Wet inkomstenbelasting 2001)De voorgestelde wijziging van artikel 3.100, derde lid, Wet IB 2001 isnodig, omdat de in afdeling 5.3A Wet IB 2001 opgenomen vrijstelling voornettolijfrenten wordt opgenomen in de in artikel I, onderdeel R, voorge-stelde paragraaf 5.4.2 Wet IB 2001.73Aanwijzing 3.60 van de Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken van18 november 1992, houdende vaststelling van de Aanwijzingen voor de regelgeving(Stcrt. 1992, 230).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 385 Artikel I, onderdeel M (artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde vervanging van artikel 3.111, tweede lid, derde zin,Wet IB 2001 wordt deze zin aangepast aan het voorgestelde vervallen vanartikel 2.14, derde lid, onderdelen b en c, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel O (artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 3.127, vierde lid, Wet IB 2001wordt de daarin opgenomen verwijzing naar artikel 5.17 Wet IB 2001 – inlijn met de voorgestelde verplaatsing van de tekst van artikel 5.17 Wet IB2001 naar artikel 5.47 Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar hetvoorgestelde artikel 5.47 Wet IB 2001. Tevens wordt de verwijzing naar5.16, vierde lid, Wet IB 2001 – in lijn met de voorgestelde verplaatsing vande tekst van artikel 5.16, vierde lid, Wet IB 2001 naar artikel 5.43, vierde lid,Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar het voorgesteldeartikel 5.43, vierde lid, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel P (artikel 4.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 4.14, zevende lid, Wet IB 2001wordt de daarin opgenomen verwijzing naar de in artikel 5.22 Wet IB 2001bedoelde algemene maatregel van bestuur gewijzigd in een verwijzingnaar de voorgestelde artikelen 5.59 en 5.60 Wet IB 2001 en de daaropberustende bepalingen. In de in artikel 5.22 Wet IB 2001 bedoeldealgemene maatregel van bestuur zijn regels opgenomen voor box 3 metbetrekking tot de waardering van genotsrechten en van bezittingenwaarop een genotsrecht is gevestigd. Door deze verwijzing aan te passenin een verwijzing naar de voorgestelde artikelen 5.59 en 5.60 Wet IB 2001en de daarop berustende bepalingen wordt net zoals nu het geval is inartikel 4.14 Wet IB 2001 voor de waardering van genotsrechten en vanbezittingen waarop een genotsrecht is gevestigd aangesloten bij dewaarderingsregels van box 3.Artikel I, onderdeel R (hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van hoofdstuk 5 Wet IB 2001 wordt, zoalsnader is toegelicht in het algemene deel van deze memorie, bewerk-stelligd dat de forfaitaire rendementsheffing over bezittingen en schuldenin box 3 wordt vervangen door een heffing over de werkelijke rende-menten die worden behaald met bezittingen en schulden als bedoeld inde voorgestelde paragraaf 5.3.1 Wet IB 2001 of met onroerende zaken ofaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming als bedoeldin de voorgestelde paragraaf 5.3.2 Wet IB 2001. Hierna zal per afdeling,paragraaf of artikel een toelichting worden gegeven.Artikel 5.1. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggenHet belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt op grond van hetvoorgestelde artikel 5.1 Wet IB 2001 bepaald door het op basis van hetvoorgestelde artikel 5.2 Wet IB 2001 te bepalen inkomen uit sparen enbeleggen te verminderen met de te verrekenen verliezen. Zoals nader istoegelicht in paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze memorie is hetbehalen van een negatief inkomen uit sparen en beleggen in het voorge-stelde stelsel mogelijk in tegenstelling tot in het huidige forfaitaire stelsel.Artikel 5.2. Inkomen uit sparen en beleggenHet inkomen uit sparen en beleggen wordt op grond van het voorgesteldeartikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001 bepaald door het op basis van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 386 voorgestelde artikel 5.3 Wet IB 2001 te bepalen resultaat uit sparen enbeleggen te verminderen, voor zover dit resultaat positief is, met hetheffingsvrije resultaat en vervolgens te verminderen met de persoonsge-bonden aftrek. De vermindering van het resultaat uit sparen en beleggenmet het heffingsvrije resultaat, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.40Wet IB 2001, kan derhalve niet tot een negatief inkomen uit sparen enbeleggen leiden. Dit houdt tevens in dat als het resultaat uit sparen enbeleggen negatief is, het heffingsvrije resultaat in zijn geheel niet inmindering kan worden gebracht.Voor een belastingplichtige die het gehele kalenderjaar dezelfde fiscalepartner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 Wet IB 2001 geachtwordt te hebben gehad, wordt op grond van het voorgestelde artikel 5.2,tweede lid, Wet IB 2001 het inkomen uit sparen en beleggen gesteld ophet aan die belastingplichtige op grond van het voorgestelde artikel 2.17,tweede lid en vijfde lid, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001 toegerekendegedeelte van het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen vóórvermindering met de persoonsgebonden aftrek en verminderd met hetaan hem toegerekende gedeelte van de persoonsgebonden aftrek.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook de persoonsgebonden aftrekeen gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is. Ook de persoonsge-bonden aftrek kan dus afzonderlijk worden toegerekend. Fiscale partnerskunnen immers per gemeenschappelijk inkomensbestanddeel een anderetoerekening kiezen.Met de in het voorgestelde artikel 5.2, derde lid, Wet IB 2001 opgenomendefinitie van het gezamenlijke inkomen uit sparen en beleggen wordt insamenhang met het voorgestelde artikel 2.17, tweede en vijfde lid, Wet IB2001 bewerkstelligd dat het heffingsvrije resultaat van beide partners inmindering wordt gebracht voordat het gezamenlijke inkomen uit sparenen beleggen vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek wordtverdeeld. Dit voorkomt dat een heffingsvrij resultaat verloren kan gaandoor een onhandige verdeling. In de huidige wetgeving is een verge-lijkbare regeling opgenomen in artikel 5.2, vijfde lid, tweede zin, Wet IB2001.Artikel 5.3. Resultaat uit sparen en beleggenHet voorgestelde artikel 5.3 Wet IB 2001 regelt wat wordt verstaan onderhet resultaat uit sparen en beleggen. Voor het resultaat uit sparen enbeleggen gelden twee afzonderlijke heffingsregimes. Zoals in deparagrafen 3.1 en 3.2 van het algemeen deel van deze memorie istoegelicht, wordt als hoofdregel voor bezittingen en schulden eenvermogensaanwasbelasting voorgesteld (uitgewerkt in de voorgesteldeparagraaf 5.3.1 Wet IB 2001), maar geldt voor onroerende zaken enaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming eenvermogenswinstregime (uitgewerkt in de voorgestelde paragraaf 5.3.2Wet IB 2001). Voor beide regimes gelden dezelfde regels op het gebiedvan de aftrekbare kosten (zie de voorgestelde paragraaf 5.3.3 Wet IB 2001).Afdeling 5.2. Bezittingen en schulden (artikelen 5.4 en 5.5)In de voorgestelde afdeling 5.2 Wet IB 2001 (bestaande uit de voorge-stelde artikelen 5.4 en 5.5 Wet IB 2001) wordt geregeld uit welke bezit-tingen en schulden belaste voordelen worden genoten in box 3. Het gaathierbij zowel om de bezittingen en schulden die op grond van ditwetsvoorstel onder de vermogensaanwasbelasting vallen (bezittingen enschulden als bedoeld in de voorgestelde paragraaf 5.3.1 Wet IB 2001), alsom de bezittingen die op grond van dit wetsvoorstel onder de vermogens-winstbelasting gaan vallen (onroerende zaken en aandelen in of winstbe-wijzen van een startende onderneming als bedoeld in de voorgesteldeparagraaf 5.3.2 Wet IB 2001). Afgezien van het voorgestelde afschaffenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 387 van de schuldendrempel van het huidige artikel 5.3, derde lid, onderdeel f,Wet IB 2001, wordt met deze artikelen geen inhoudelijke wijziging beoogdten opzichte van de op grond van de huidige tekst van artikel 5.3 Wet IB2001 tot de rendementsgrondslag behorende bezittingen en schulden. Deschuldendrempel van het huidige artikel 5.3, derde lid, onderdeel f, Wet IB2001 komt in de voorgestelde tekst van artikel 5.5 Wet IB 2001 niet terug,omdat het wenselijk is dat ook de rente van kleine schulden in aanmerkingwordt genomen als negatief inkomen. Ten behoeve van de leesbaarheid iservoor gekozen de relevante bezittingen en schulden in twee losseartikelen te plaatsen en daarbij te werken met verschillende leden voor deverschillende bestaande uitzonderingen.Paragraaf 5.3.1. Resultaat behaald met bezittingen en schuldenIn het voorgestelde box 3-stelsel geldt als hoofdregel een vermogensaan-wasbelasting. De vormgeving van de vermogensaanwasbelasting isopgenomen in de voorgestelde paragraaf 5.3.1 Wet IB 2001. De hoofd-regel geldt niet voor onroerende zaken en voor aandelen in of winstbe-wijzen van een startende onderneming als bedoeld in de voorgesteldeparagraaf 5.3.2 Wet IB 2001. Alle andere box 3-bezittingen en allebox 3-schulden vallen wel onder de vermogensaanwasbelasting. In deartikelsgewijze toelichting bij de in de voorgestelde paragraaf 5.3.1 Wet IB2001 opgenomen artikelen 5.6 tot en met 5.14 Wet IB 2001 wordt met«bezittingen en schulden» steeds gedoeld op de bezittingen en schuldenwaarop de voorgestelde paragraaf 5.3.1 Wet IB 2001 van toepassing is.Artikel 5.6. Resultaat behaald met bezittingen en schuldenHet resultaat dat wordt behaald met de bezittingen en schulden die onderhet vermogensaanwasregime vallen, wordt bepaald volgens het voorge-stelde artikel 5.6, eerste lid, Wet IB 2001 waarin is opgenomen dat ditresultaat het gezamenlijke bedrag is van alle voordelen die wordenbehaald met die bezittingen en schulden. Deze voordelen bestaaningevolge het voorgestelde artikel 5.6, tweede lid, Wet IB 2001 uit dereguliere voordelen die in het kalenderjaar worden getrokken uit diebezittingen en schulden en uit de (positieve of negatieve) vermogens-aanwas in het kalenderjaar van die bezittingen en schulden. Voor hetbepalen van de voordelen geldt derhalve dat de waardeontwikkeling nietalleen tot de voordelen behoort, indien de belastingplichtige deze reedsheeft gerealiseerd, maar ook als dat nog niet het geval is. Daarbij kanworden gedacht aan aandelen die in waarde zijn gestegen of gedaald,maar nog niet zijn verkocht.Voor de bepaling van het gezamenlijke bedrag van alle voordelen wordtop grond van de voorgestelde artikelen 5.7, derde lid, 5.8, eerste lid, 5.9,tweede lid, 5.11, tweede lid, en 5.38, tweede lid, Wet IB 2001 ervanuitgegaan dat zakelijk wordt gehandeld. Voor het berekenen van dewaardemutatie wordt op grond van de voorgestelde artikelen 5.8, eerstelid, 5.9, tweede lid, en 5.11, tweede lid, Wet IB 2001 uitgegaan van dewaarde in het economische verkeer. Voor het bepalen van de regulierevoordelen bij de toepassing van de vermogensaanwasbelasting en voorde aftrekbare kosten is het zakelijkheidsbeginsel neergelegd in hetvoorgestelde artikel 5.7, derde lid, Wet IB 2001, onderscheidenlijk in hetvoorgestelde artikel 5.38, tweede lid, Wet IB 2001. Deze uitwerking van hetzakelijkheidsbeginsel gaat constructies met onzakelijke vergoedingen inde verhouding tot box 1 en box 2 tegen en brengt meer evenwicht tussende winst- en de box 3-sfeer. De ondernemer of de vennootschap wordtimmers op basis van het totaalwinstbeginsel eveneens geacht zakelijk tehandelen. Ook buiten de relatie met box 1 of box 2 wordt het resultaat bijonzakelijk handelen gecorrigeerd op basis van de voorgestelde uitwerkingvan het zakelijkheidsbeginsel. Dat geldt bijvoorbeeld in het geval vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 388 verkoop van aandelen door een ouder aan een kind tegen een lagerbedrag dan de waarde in het economische verkeer.Onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startendeondernemingen worden ingevolge het voorgestelde artikel 5.6, derde lid,Wet IB 2001 uitgezonderd van het vermogensaanwasregime. Hiervoorgeldt ingevolge de voorgestelde artikelen 5.15 en 5.16 Wet IB 2001 (naderuitgewerkt in de voorgestelde artikelen 5.17 tot en met 5.37 Wet IB 2001)een vermogenswinstbelasting, waarbij in principe de waardeontwikkelingvoor deze vermogensbestanddelen pas wordt belast bij realisatie, zoals bijverkoop. Dit wordt nader toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij devoorgestelde artikelen 5.15 en 5.16 Wet IB 2001. Alle schulden in box 3vallen onder het vermogensaanwasregime, ongeacht of deze schuldensamenhangen met een onroerende zaak of met aandelen in of winstbe-wijzen van een startende onderneming. Met het oog op eenvoud is ervoorgekozen om geen onderscheid te maken tussen verschillende schulden inbox 3.Artikel 5.7. Reguliere voordelenIn het voorgestelde artikel 5.7, eerste lid, Wet IB 2001 wordt eenniet-limitatieve opsomming gegeven van een aantal reguliere voordelendie worden getrokken uit bezittingen en schulden als bedoeld in hetvoorgestelde artikel 5.6, tweede lid, onderdeel a, Wet IB 2001. In hetvoorgestelde artikel 5.7, tweede lid, Wet IB 2001 wordt in dat kadergeregeld dat rente die verschuldigd is over schulden die onderdeeluitmaken van het box 3-vermogen wordt aangemerkt als negatief reguliervoordeel. Het voorgestelde artikel 5.7, derde lid, Wet IB 2001 regelt dat dereguliere voordelen worden gecorrigeerd, indien de overeenkomst onderonzakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. In dat geval wordtgekeken naar de voorwaarden die in het economische verkeer dooronafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, en worden dereguliere voordelen op basis daarvan bepaald.Artikel 5.8. VermogensaanwasHet voorgestelde artikel 5.8, eerste lid, Wet IB 2001 bevat de systematiekvoor het bepalen van de vermogensaanwas van bezittingen en schulden,bedoeld in het voorgestelde artikel 5.6, tweede lid, onderdeel b, Wet IB2001. Deze vermogensaanwas wordt bepaald door de volgende vermo-gensvergelijking:(1)het verschil tussen de waarde in het economische verkeer aan heteind van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schuldenen de waarde in het economische verkeer aan het begin van hetkalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden;(2)verminderd met de stortingen in het betreffende kalenderjaar; en(3)vermeerderd met de onttrekkingen in het betreffende kalenderjaar.De vermindering met de stortingen zorgt ervoor dat een vermogens-stijging niet als vermogensaanwas in aanmerking wordt genomen, indiendie vermogensstijging het resultaat is van het tot de bezittingen gaanbehoren van een vermogensbestanddeel of het niet langer tot deschulden behoren van een schuld. Omgekeerd zorgt de vermeerderingmet de onttrekkingen ervoor dat een vermogensdaling niet als negatievevermogensaanwas in aanmerking wordt genomen, indien die vermogens-daling het resultaat is van het niet langer tot de bezittingen behoren vaneen bezitting of van het tot de schulden gaan behoren van eenverplichting. In de voorgestelde artikelen 5.9, 5.10 en 5.11 Wet IB 2001wordt bepaald wanneer sprake is van een storting, onderscheidenlijk eenonttrekking.De vermogensaanwas kan net als het saldo van bezittingen en schuldeneen positief of een negatief bedrag zijn. Voor de duidelijkheid wordt in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 389 voorgestelde artikel 5.8, tweede lid, Wet IB 2001 expliciet bepaald dat eenafname van een negatief saldo van bezittingen en schulden een positievevermogensaanwas is en een toename van een negatief saldo vanbezittingen en schulden een negatieve vermogensaanwas.Artikelen 5.9 en 5.11. Stortingen en onttrekkingenDe vermogensvergelijking die wordt geregeld in het voorgesteldeartikel 5.8 Wet IB 2001 wordt toegepast op het totale box 3-vermogen voorzover dat onder het vermogensaanwasregime valt. Bij het bepalen van devermogensaanwas van bezittingen en schulden op grond van hetvoorgestelde artikel 5.8 Wet IB 2001 wordt rekening gehouden metstortingen en onttrekkingen. Het verschil tussen de waarde in heteconomische verkeer aan het eind van het kalenderjaar van het saldo vanbezittingen en schulden en de waarde in het economische verkeer aan hetbegin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schuldenwordt namelijk:–verminderd met de stortingen in het betreffende kalenderjaar; en–vermeerderd met de onttrekkingen in het betreffende kalenderjaar.In de voorgestelde artikelen 5.9 en 5.11 Wet IB 2001 wordt op hoofd-lijnen74 bepaald wanneer sprake is van een storting, onderscheidenlijk eenonttrekking. Een storting is ingevolge het voorgestelde artikel 5.9, eerstelid, Wet IB 2001 een positieve waardemutatie van het saldo van allebezittingen en schulden die het directe gevolg is van:a.het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel;ofb.het niet langer tot de schulden behoren van een schuld.Bij een nieuwe bezitting is dus sprake van een storting, net als bij eenschuld die geen onderdeel meer uitmaakt van het box 3-vermogen.Een onttrekking is het tegenovergestelde van een storting. Een onttrekkingis op grond van het voorgestelde artikel 5.11, eerste lid, Wet IB 2001namelijk een negatieve waardemutatie van het saldo van alle bezittingenen schulden die het directe gevolg is van:a.het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; ofb.het tot de schulden gaan behoren van een verplichting.Bij een bezitting die geen onderdeel meer uitmaakt van het box 3-vermogen is dus sprake van een onttrekking, net als bij een nieuweschuld.In de praktijk zal in de regel eerst de vermogensaanwas voor de verschil-lende onderdelen van het box 3-vermogen afzonderlijk worden berekenden daarna de totale vermogensaanwas die bestaat uit de vermogens-aanwas van de verschillende onderdelen van het box 3-vermogengezamenlijk. Als dit op de juiste manier wordt berekend, dan komt hierdezelfde vermogensaanwas uit als bij een gezamenlijke berekeningmeteen voor alle bezittingen en schulden in het vermogensaanwas-regime. Het kan per belastingplichtige verschillen wat de meest praktischemanier van berekenen is. Stel dat een belastingplichtige vermogen heeftin box 3 dat bestaat uit twee verschillende beleggingsportefeuilles bijtwee verschillende banken. In dat geval kan het praktisch zijn om eerst devermogensaanwas voor deze twee beleggingsportefeuilles afzonderlijk teberekenen en daarna de totale vermogensaanwas te bepalen. Eenafzonderlijke berekening voor een deel van het vermogen zal in de regelook praktisch zijn bij bankrekeningen en spaarrekeningen in euro’s diederhalve meestal geen waardemutaties ondergaan. Bij die vermogensbe-standdelen zal het inkomen in principe alleen bestaan uit de rente die debelastingplichtige ontvangt, waardoor het in de praktijk vaak niet nodig zalzijn om alle stortingen en onttrekkingen van een bankrekening bij tehouden. Hierbij is wel van belang dat er ook situaties zijn waarin een74Zie ook de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 5.10 Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 390 waardemutatie wel mogelijk is. Indien bijvoorbeeld een genotsrecht opeen bankrekening is of wordt gevestigd, moet wel een waardemutatieworden berekend (zie de voorgestelde artikelen 5.59 en 5.60 Wet IB 2001).Voor het bepalen van de verhouding tussen de boxen 1, 2 en 3 moeten devoorgestelde artikelen 5.9 en 5.11 Wet IB 2001 worden gelezen insamenhang met artikel 2.14, tweede lid, Wet IB 2001. Daar is geregeld datvermogensbestanddelen niet in aanmerking worden genomen voor debepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor zover zijinkomen, al dan niet vrijgesteld, uit werk en woning of uit aanmerkelijkbelang genereren. Dit betekent dat het begrip bezittingen in hoofdstuk 5Wet IB 2001 alleen bezittingen omvat voor zover die geen inkomen, al danniet vrijgesteld, in box 1 of box 2 genereren. Als in het voorgesteldeartikel 5.9 Wet IB 2001 wordt gesproken over «tot de bezittingen gaanbehoren», omvat dit ook de overgang van een bezitting van box 1 of box 2naar box 3. Als in het voorgestelde artikel 5.11 Wet IB 2001 wordtgesproken over «niet langer tot de bezittingen behoren», omvat dit ook deovergang van een bezitting van box 3 naar box 1 of box 2.Stortingen en onttrekkingen worden ingevolge de artikelen 5.9, tweedelid, onderscheidenlijk 5.11, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerkinggenomen tegen de waarde in het economische verkeer ten tijde van destorting, onderscheidenlijk de onttrekking. Hierdoor worden de waarde-mutaties belast die zich voordoen vanaf het tijdstip waarop vermogenonder het vermogensaanwasregime gaat vallen en tot het tijdstip waarophet vermogen het vermogensaanwasregime verlaat.Artikel 5.10. Uitbreiding en beperking begrip stortingenIn het voorgestelde artikel 5.10, eerste lid, Wet IB 2001 wordt het in hetvoorgestelde artikel 5.9 Wet IB 2001 uitgewerkte begrip «stortingen»uitgebreid met een limitatieve lijst van kosten. Het gaat om kosten ter zakevan de verkrijging, verbetering of vervreemding van een bezitting ofkosten ter zake van het aangaan, aflossen of overdragen van een schuld.Bij de kosten ter zake van de verkrijging van een bezitting of het aangaanvan een schuld is de voorwaarde gesteld dat de bezitting, onderschei-denlijk de schuld, direct na de verkrijging, onderscheidenlijk het aangaan,tot het box 3-vermogen is gaan behoren. Indien een bezitting of schuldbijvoorbeeld vanuit box 1 of box 2 naar box 3 overgaat, is immers in box 1of in box 2 al rekening gehouden met deze kosten. Bij verbeteringskostenkan bijvoorbeeld worden gedacht aan een ingrijpende restauratie van eenschilderij dat hoofdzakelijk als belegging dient of van een oldtimer diehoofdzakelijk als belegging dient. Voor zover de verbetering leidt tot eennieuw vermogensbestanddeel dat onderdeel gaat uitmaken van debezittingen, is de verbetering zelf al een storting op grond het voorge-stelde artikel 5.9, eerste lid, Wet IB 2001 en is het dus niet nodig om deverbeteringskosten als storting aan te merken.In een vermogensaanwasregime worden waardemutaties jaarlijks belasten niet pas bij vervreemding. Het past daarom bij een vermogensaanwas-regime om de genoemde kosten in aanmerking te nemen in het kalen-derjaar waarin de kosten worden gemaakt. Uit systematisch oogpuntheeft het de voorkeur om deze kosten aan te merken als een storting. Opdeze manier wordt, binnen de systematiek van de vermogensaanwas,aangesloten bij de manier waarop kosten ter zake van de verkrijging,verbetering of vervreemding worden behandeld in het voorgesteldevermogenswinstregime voor onroerende zaken en aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming. In het voorgesteldevermogenswinstregime worden de kosten ter zake van de verkrijging enverbetering opgeteld bij de verkrijgingsprijs (zie de voorgesteldeartikelen 5.23, eerste lid, en 5.25, tweede lid, Wet IB 2001). Bij hetvaststellen van de overdrachtsprijs wordt rekening gehouden met dekosten ter zake van vervreemding (zie het voorgestelde artikel 5.22, eersteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 391 lid, Wet IB 2001). In het vermogenswinstregime wordt derhalve met degenoemde kosten rekening gehouden in het kader van het bepalen vanhet indirecte rendement (de vervreemdingsvoordelen). Door degenoemde kosten in het vermogensaanwasregime aan te merken alsstortingen wordt ook in het vermogensaanwasregime met deze kostenrekening gehouden in het kader van het bepalen van het indirecterendement (de vermogensaanwas). Voor kosten die samenhangen methet directe rendement wordt verwezen naar het voorgestelde artikel 5.38Wet IB 2001 en de bijbehorende artikelsgewijze toelichting.Om te voorkomen dat de facto sprake zou zijn van een dubbele aftrekworden waardemutaties die voortvloeien uit onderhoud van een bezittingin het voorgestelde artikel 5.10, tweede lid, Wet IB 2001 uitgezonderd vanhet in het voorgestelde artikel 5.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, WetIB 2001 uitgewerkte begrip «stortingen». Onderhoudskosten vallen onderde aftrekbare kosten, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.38 Wet IB 2001.Artikel 5.12. Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnenlandsebelastingplichtBij belastingplichtigen die het gehele kalenderjaar binnenlands belasting-plichtig zijn, worden het begin en het einde van het kalenderjaar gebruiktals peildata bij de berekening van de vermogensaanwas in dat kalen-derjaar. Het voorgestelde artikel 5.12, eerste en tweede lid, Wet IB 2001bevat een regeling voor peildata die van toepassing zijn bij belastingplich-tigen die slechts een gedeelte van het kalenderjaar binnenlands belasting-plichtig zijn. Het voorgestelde artikel 5.12, eerste lid, Wet IB 2001 geldtvoor alle situaties waarin de binnenlandse belastingplicht kan beginnen:zowel immigratie als geboorte. Het voorgestelde artikel 5.12, tweede lid,Wet IB 2001 geldt voor alle situaties waarin de binnenlandse belasting-plicht kan eindigen: zowel emigratie als overlijden.Artikel 5.13. Vrijstelling voordelen uit eigen gebruik of verbruik vanroerende zakenOp grond van het voorgestelde artikel 5.13 Wet IB 2001 behoort eenvoordeel dat is verkregen met het door de belastingplichtige, zijn partnerof personen die tot hun huishouden behoren voor persoonlijkedoeleinden gebruiken of verbruiken van roerende zaken niet tot hetresultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden. Hiermee wordtbewerkstelligd dat voordelen die worden verkregen door het in eigengebruik nemen (of verbruiken) van roerende zaken worden vrijgesteld vande belastingheffing in box 3. Daarbij gaat het ingevolge het voorgesteldeartikel 5.4, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 om roerende zaken diehoofdzakelijk ter belegging dienen, maar daarnaast wel voor privédoel-einden worden gebruikt.Artikel 5.14. KwijtscheldingsvoordeelvrijstellingOp grond van het voorgestelde artikel 5.14, eerste lid, Wet IB 2001 behoorteen voordeel dat wordt behaald door het prijsgeven door een schuldeiservan een recht dat niet voor verwezenlijking vatbaar is (gedeeltelijk) niet tothet resultaat dat wordt behaald met bezittingen en schulden. Hetkwijtscheldingsvoordeel wordt vrijgesteld voor zover dit groter is dan hetgezamenlijke bedrag van het heffingsvrije resultaat, de te verrekenenverliezen uit het verleden en het bedrag in absolute zin dat aan negatiefresultaat uit sparen en beleggen zou zijn behaald zonder de kwijt-schelding. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de kwijtscheldingsvoordeel-vrijstelling niet geldt voor het gedeelte van het kwijtscheldingsvoordeelwaarover geen inkomstenbelasting is verschuldigd als gevolg van hetheffingsvrije resultaat, voortwenteling van verlies van oudere jaren ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 392 vanwege een negatief resultaat uit sparen en beleggen dat in hetkalenderjaar zelf zou zijn behaald zonder de kwijtschelding. In artikel 3.13,eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 is een vergelijkbare regelingopgenomen voor winst uit onderneming in box 1.In het voorgestelde artikel 5.14, tweede lid, Wet IB 2001 wordt geregelddat onder niet voor verwezenlijking vatbare rechten tevens wordt verstaaneen ingevolge artikel 358 van de Faillissementswet niet afdwingbaargeworden vordering. Dit is ontleend aan artikel 3.13, eerste lid,onderdeel a, Wet IB 2001.Voor belastingplichtigen met een fiscale partner geldt ingevolge hetvoorgestelde artikel 5.14, derde lid, Wet IB 2001 dat bij de toepassing vanhet voorgestelde artikel 5.14, eerste lid, Wet IB 2001 rekening wordtgehouden met het heffingsvrije resultaat van de belastingplichtige en zijnpartner en met een negatief gezamenlijk resultaat uit sparen en beleggenvan de belastingplichtige en zijn partner. Dit houdt verband met hetvoorgestelde artikel 5.2 Wet IB 2001, waarin onder andere is geregeld datfiscale partners een gezamenlijk resultaat uit sparen en beleggen hebbendat wordt verminderd, voor zover dit gezamenlijke resultaat positief is,met (onder andere) het heffingsvrije resultaat van de belastingplichtige enzijn partner. In lijn met het voorgestelde artikel 5.2 Wet IB 2001 wordtvoorgesteld om ook bij de toepassing van het voorgestelde artikel 5.14,eerste lid, Wet IB 2001 bij fiscale partners rekening te houden met hetheffingsvrije resultaat en het resultaat uit sparen en beleggen van beidefiscale partners gezamenlijk.Voorbeeld 14 – Berekening kwijtscheldingsvoordeelvrij-stellingEef heeft een schuld van € 100.000 waarover zij € 7.000 rente isverschuldigd. Zij heeft geen bezittingen in box 3. Vanwege haarslechte financiële positie wordt de schuld kwijtgescholden. Dekwijtschelding van de schuld resulteert in beginsel in een positiefresultaat uit sparen en beleggen van € 100.000. Uit het verledenresteert nog een bedrag aan te verrekenen verliezen van € 50.000. Eris sprake van een niet voor verwezenlijking vatbaar recht zodat zijaanspraak kan maken op de kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling. Dekwijtscheldingsvoordeelvrijstelling wordt gesteld op het bedrag vanhet kwijtscheldingsvoordeel, voor zover dit groter is dan hetgezamenlijke bedrag van het (a) het heffingsvrije resultaat, (b) denog te verrekenen verliezen uit het verleden en (c) het negatieveresultaat indien niet zou zijn kwijtgescholden. Deze drie bedragenworden bij elkaar opgeteld en vervolgens vergeleken met hetkwijtscheldingsvoordeel.Berekening kwijtscheldingsvoordeelvrijstellingVoordeel van de kwijtschelding van de lening€ 100.000Heffingsvrij resultaat€ 1.800Nog te verrekenen verliezen uit het verleden€ 50.000Negatief resultaat indien niet was kwijtgescholden€ 7.000Gezamenlijk bedrag€ 58.800Kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling€ 41.200 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 393 Met een kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling van € 41.200 is hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen voor Eef nihil:Berekening belastbaar inkomen uit sparen en beleggenBetaalde rente– € 7.000Voordeel van de kwijtschelding van de lening€ 100.000Af: Kwijtscheldingsvoordeelvrijstelling– € 41.200Af: Heffingsvrij resultaat– € 1.800Af: Nog niet verrekend verlies uit voorgaande jaren– € 50.000Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen€ 0 Artikel 5.15. Resultaat behaald met een onroerende zaakHet onder de voorgestelde vermogenswinstbelasting vallende resultaatdat wordt behaald met een onroerende zaak bestaat op grond van hetvoorgestelde artikel 5.15, eerste lid, Wet IB 2001 uit de reguliere voordelendan wel de vastgoedbijtelling, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.19 WetIB 2001, en uit de vervreemdingsvoordelen. Met de hierna genoemdevoorgestelde artikelen wordt geregeld dat voor de bepaling van hetresultaat dat wordt behaald met onroerende zaken ervan wordt uitgegaandat zakelijk wordt gehandeld. De voorgestelde artikelen 5.22, tweede lid,en 5.23, tweede lid, Wet IB 2001 regelen dat het zakelijkheidsbeginsel vantoepassing is bij vervreemding, onderscheidenlijk bij verkrijging. Bij hetbepalen van de reguliere voordelen en de aftrekbare kosten is hetzakelijkheidsbeginsel neergelegd in het voorgestelde artikel 5.18, tweedelid, Wet IB 2001, onderscheidenlijk in het voorgestelde artikel 5.38, tweedelid, Wet IB 2001.Voor de formulering van het voorgestelde artikel 5.15, eerste lid, Wet IB2001 is aangesloten bij de formulering van het huidige artikel 4.12 Wet IB2001 voor het inkomen uit aanmerkelijk belang, met dien verstande dat bijde formulering van het voorgestelde artikel 5.15, eerste lid, Wet IB 2001rekening is gehouden met de vastgoedbijtelling die met dit wetsvoorstelwordt geïntroduceerd voor sommige onroerende zaken (zie het voorge-stelde artikel 5.19 Wet IB 2001). Met de vastgoedbijtelling wordt opforfaitaire wijze de economische waarde van de beschikbaarheid voorgebruik (voor verhuur, eigen gebruik of andere doeleinden) van debetreffende onroerende zaak belast. Er wordt een systematiek voorgesteldwaarin ter zake van een onroerende zaak – naast de vervreemdingsvoor-delen – ofwel de reguliere voordelen in aanmerking worden genomen,ofwel de vastgoedbijtelling in aanmerking wordt genomen.In het voorgestelde artikel 5.15, tweede lid, Wet IB 2001 wordt geregeld inwelke situaties ter zake van een onroerende zaak de reguliere voordelen inaanmerking worden genomen:1.De onroerende zaak wordt verhuurd of verpacht gedurende ten minste90% van de periode in het kalenderjaar waarin die onroerende zaak totde bezittingen behoort en niet in aanbouw is.2.Het bedrag van de reguliere voordelen ter zake van de onroerendezaak is in het kalenderjaar hoger dan de vastgoedbijtelling.In alle overige situaties worden de reguliere voordelen niet in aanmerkinggenomen en wordt op grond van het voorgestelde artikel 5.15, eerste lid,aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 in plaats daarvan de vastgoedbij-telling in aanmerking genomen. Nadere regels over de vastgoedbijtellingzijn zoals gezegd opgenomen in het voorgestelde artikel 5.19 Wet IB 2001en worden toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel.Op grond van het voorgestelde artikel 5.15, derde lid, Wet IB 2001 wordenonder onroerende zaken mede verstaan zakelijke rechten die direct ofindirect betrekking hebben op onroerende zaken. Dit heeft tot gevolg datvoor die rechten hetzelfde regime geldt als voor onroerende zakenwaarvan de belastingplichtige de volle eigendom heeft. Het gelijkstellenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 394 van zowel directe als indirecte rechten is nodig om te bereiken datbijvoorbeeld een recht van vruchtgebruik ter zake van een op een perceelerfpachtgrond gesitueerde woning in de grondslag van de heffing wordtbegrepen. In een dergelijk geval is het erfpachtrecht namelijk een rechtdat direct betrekking heeft op een onroerende zaak. Het vruchtgebruikdaarop heeft strikt genomen betrekking op dat erfpachtrecht en slechtsindirect op de onroerende zaak waarop het erfpachtrecht betrekking heeft.Onder zakelijke rechten die direct of indirect op onroerende zakenbetrekking hebben kunnen onder meer worden verstaan een op eenonroerende zaak betrekking hebbend recht van erfpacht, recht van opstal,recht van beklemming, appartementsrecht, recht van vruchtgebruik, rechtvan gebruik of recht van bewoning. Voor de duidelijkheid wordtopgemerkt dat certificaten niet vallen onder de zakelijke rechten diebetrekking hebben op onroerende zaken. Bij certificering wordt meestaleen stichting administratiekantoor (STAK) opgericht. De gecertificeerdegoederen vallen in het vermogen van de STAK en worden door de STAKbeheerd. Op grond van de beheersovereenkomst geeft de STAK aan decertificaathouders het recht op de waardemutaties en de vruchten van hetgecertificeerde vermogen. In de statuten van de STAK kan wordengeregeld dat het bestuur bepaalt of er op enig tijdstip uitkeringen aan decertificaathouders worden gedaan. Civielrechtelijk wordt een uitgereiktcertificaat als een vorderingsrecht van de certificaathouder op de STAKaangemerkt. De certificaathouder heeft geen goederenrechtelijkeaanspraak, maar een verbintenisrechtelijke aanspraak ten opzichte van deSTAK. Dit vorderingsrecht valt in het voorgestelde stelsel voor box 3onder het vermogensaanwasregime.Het voorgestelde artikel 5.15, vierde lid, Wet IB 2001 regelt dat eengenotsrecht wordt gelijkgesteld met verhuur, indien het genotsrecht totgevolg heeft dat de onroerende zaak niet door de belastingplichtige kanworden gebruikt. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een rechtvan opstal. Het recht van opstal is het recht om in, op of boven eenonroerende zaak (bijvoorbeeld een stuk grond) van iemand andersgebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben. Met eenopstalrecht kan de eigenaar van een stuk grond een ander bijvoorbeeldhet recht geven om een woning op die grond in eigendom te hebben. Deeigenaar van het stuk grond heeft die grond in dat geval niet meer terbeschikking voor gebruik. De voorgestelde gelijkstelling met verhuur heeftbijvoorbeeld tot gevolg dat de reguliere voordelen in aanmerking wordengenomen, indien een opstalrecht dat tot gevolg heeft dat de onroerendezaak niet door de belastingplichtige kan worden gebruikt op de onroe-rende zaak is gevestigd gedurende ten minste 90% van de periode in hetkalenderjaar waarin de onroerende zaak tot de bezittingen behoort en nietin aanbouw is.Het voorgestelde artikel 5.15, vijfde lid, Wet IB 2001 bevat een delegatie-grondslag om onroerende zaken die feitelijk niet geschikt zijn om ingebruik te nemen gelijk te stellen met onroerende zaken in aanbouw. Dezedelegatiegrondslag is bedoeld voor onroerende zaken die niet in aanbouwzijn, maar die om andere redenen feitelijk niet geschikt zijn om in gebruikte nemen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de onroerende zaakonbewoonbaar is door brand of omdat er een zodanige verbouwingplaatsvindt dat het gebouw feitelijk niet geschikt is om te gebruiken. Bijalgemene maatregel van bestuur zullen deze situaties nader wordenomschreven.Het voorgestelde artikel 5.15, zesde lid, Wet IB 2001 regelt dat voordelenuit eigen gebruik van een onroerende zaak niet onder de regulierevoordelen vallen. Daardoor worden de voordelen uit eigen gebruik nietbelast indien ingevolge het voorgestelde artikel 5.15, eerste lid, aanhef enonderdeel a, en tweede lid, Wet IB 2001 de reguliere voordelen inaanmerking worden genomen. Indien ingevolge die bepaling daarentegende vastgoedbijtelling van toepassing is, wordt al het gebruik, dus ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 395 eigen gebruik, meegenomen in de forfaitaire benadering van de econo-mische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik. De vormgeving vande vastgoedbijtelling wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bijde voorgestelde artikelen 5.19 en 5.20 Wet IB 2001. In paragraaf 3.7.1 vanhet algemeen deel van deze memorie is een toelichting opgenomen overhet directe rendement op onroerende zaken (reguliere voordelen envastgoedbijtelling) waarin de systematiek voor het belasten van dit directerendement nader wordt toegelicht.Artikel 5.16. Resultaat behaald met aandelen in of winstbewijzen van eenstartende ondernemingHet onder de voorgestelde vermogenswinstbelasting vallende resultaatdat wordt behaald met aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming bestaat op grond van het voorgestelde artikel 5.16, eerstelid, Wet IB 2001 uit de voordelen die worden getrokken uit aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming (reguliere voordelen) ende voordelen die worden behaald bij de vervreemding van aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming (vervreemdingsvoor-delen). Voor de formulering van het voorgestelde artikel 5.16, eerste lid,Wet IB 2001 is aangesloten bij de formulering van het huidige artikel 4.12Wet IB 2001 voor het inkomen uit aanmerkelijk belang. Voor de bepalingvan het resultaat dat wordt behaald met aandelen in of winstbewijzen vaneen startende onderneming wordt ervan uitgegaan dat zakelijk wordtgehandeld. De voorgestelde artikelen 5.22, tweede lid, en 5.23, tweede lid,Wet IB 2001 regelen dat het zakelijkheidsbeginsel van toepassing is bijvervreemding, onderscheidenlijk bij verkrijging. Voor het bepalen van dereguliere voordelen en de aftrekbare kosten is het zakelijkheidsbeginselneergelegd in het voorgestelde artikel 5.18, tweede lid, Wet IB 2001,onderscheidenlijk in het voorgestelde artikel 5.38, tweede lid, Wet IB 2001.In het voorgestelde artikel 5.16, tweede lid, Wet IB 2001 wordt geregelddat onder aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingmede worden begrepen rechten op voordelen uit dergelijke aandelen,onderscheidenlijk uit dergelijke winstbewijzen, en rechten om dergelijkeaandelen, onderscheidenlijk dergelijke winstbewijzen, te verwerven of tevervreemden. Dit heeft tot gevolg dat genotsrechten en opties ter zakevan aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming opbasis van het voorgestelde artikel 5.16 Wet IB 2001 in de heffing wordenbetrokken. Het in het voorgestelde artikel 5.16, tweede lid, Wet IB 2001opgenomen begrip «rechten op voordelen» is een ruime, materieelgeformuleerde omschrijving. Het kan hierbij zowel om zakelijke rechtengaan als om persoonlijke rechten. In de artikelsgewijze toelichting bij devoorgestelde artikelen 5.27 tot en met 5.30 Wet IB 2001 is een naderetoelichting opgenomen over genotsrechten en opties.Artikel 5.17. Startende ondernemingIn het voorgestelde artikel 5.17 Wet IB 2001 wordt bepaald wanneer voorde toepassing van de voorgestelde vermogenswinstbelasting sprake isvan een startende onderneming. De daarin opgenomen voorwaarden zijncumulatief. De eerste twee voorwaarden zijn dat de vennootschap waarinde belastingplichtige aandelen heeft of waarvan de belastingplichtigewinstbewijzen heeft niet langer dan vijf jaar geleden is opgericht enuitsluitend een onderneming drijft die maximaal vijf jaar geleden isgestart. Als de vennootschap meerdere ondernemingen drijft, geldt dezeeis voor al deze ondernemingen. Een vennootschap die bijvoorbeeldbeleggingsvermogen bevat of die een onderneming drijft die al 50 jaarbestaat en die daarnaast een nieuwe onderneming start, valt dus nietonder de voorgestelde definitie van startende onderneming. De derdevoorwaarde is een maximale jaaromzet van € 30 miljoen. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 396 voorwaarde voorkomt dat grote bedrijven onder de definitie kunnenvallen. De vierde voorwaarde is dat de aandelen of winstbewijzen nietworden verhandeld op een gereguleerde markt. Als de vennootschapbeursgenoteerd is, zijn de aandelen of winstbewijzen relatief snel liquidete maken en is er geen reden om deze aandelen of winstbewijzen onderhet voorgestelde vermogenswinstregime van box 3 te brengen. De vijfdevoorwaarde heeft als doel om de regeling voor startende ondernemingenalleen te laten gelden voor ondernemingen die een mate van zelfstan-digheid hebben. Deze voorwaarde houdt in dat de aandelen of winstbe-wijzen van de vennootschap waarin de belastingplichtige aandelen heeft,onderscheidenlijk waarvan de belastingplichtige winstbewijzen heeft, voorniet meer dan 25% rechtens dan wel in feite, direct of indirect wordengehouden door een lichaam waarvan de aandelen, onderscheidenlijkwinstbewijzen, worden verhandeld op een gereguleerde markt of waarvande jaaromzet meer dan € 30 miljoen bedraagt.Artikel 5.18. Reguliere voordelenIn het voorgestelde artikel 5.18, eerste lid, Wet IB 2001 wordt eenniet-limitatieve opsomming gegeven van een aantal reguliere voordelenuit onroerende zaken of uit aandelen in of winstbewijzen van startendeondernemingen. Het voorgestelde artikel 5.18, tweede lid, Wet IB 2001regelt dat de reguliere voordelen worden gecorrigeerd, indien deovereenkomst onder onzakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Indat geval wordt gekeken naar de voorwaarden die in het economischeverkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, enworden de reguliere voordelen op basis daarvan bepaald.Artikel 5.19. VastgoedbijtellingMet de vastgoedbijtelling wordt op forfaitaire wijze de economischewaarde van de beschikbaarheid voor gebruik (voor verhuur, eigen gebruikof andere doeleinden) van een onroerende zaak belast. In het voorge-stelde artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en tweede lid, Wet IB2001 is geregeld wanneer de vastgoedbijtelling van toepassing is. In hetvoorgestelde artikel 5.19 staan regels over het in aanmerking te nemenpercentage voor de vastgoedbijtelling. In het voorgestelde artikel 5.19,eerste lid, Wet IB 2001 wordt de vastgoedbijtelling gesteld op 3,35% vande waarde van de onroerende zaak. Op welke manier een onroerende zaakin het kader van deze regeling wordt gewaardeerd, is geregeld in hetvoorgestelde artikel 5.20 Wet IB 2001.Het voorgestelde artikel 5.19, tweede lid, eerste zin, Wet IB 2001 regelt eenbijtelling naar tijdsgelang voor situaties waarin een onroerende zaakslechts een deel van het kalenderjaar tot de bezittingen behoort of eendeel van het kalenderjaar in aanbouw is. In dat geval wordt de vastgoed-bijtelling naar tijdsgelang herleid naar de periode waarin de onroerendezaak tot de bezittingen behoort en niet in aanbouw is. Dat is immers deperiode waarin de onroerende zaak beschikbaar is voor gebruik.Indien een onroerende zaak het gehele kalenderjaar in aanbouw is, dan isde onroerende zaak het gehele kalenderjaar niet beschikbaar voor gebruik.In het voorgestelde artikel 5.19, tweede lid, tweede zin, Wet IB 2001 wordtdaarom geregeld dat de vastgoedbijtelling in dat geval nihil bedraagt.Artikel 5.20. Waardering voor vastgoedbijtellingIn het voorgestelde artikel 5.20 Wet IB 2001 wordt geregeld op welkemanier een onroerende zaak voor het bepalen van de vastgoedbijtellingwordt gewaardeerd. Ingevolge het voorgestelde artikel 5.20, eerste lid,Wet IB 2001 wordt voor onroerende zaken die geen woning zijn de waardein het economische verkeer aan het begin van het kalenderjaar gehan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 397 teerd. Dit betekent dat ook in het geval dat een onroerende zaak pas openig tijdstip na 1 januari van het kalenderjaar gaat behoren tot hetbox 3-vermogen voor het bepalen van de vastgoedbijtelling de waarde inhet economische verkeer op 1 januari van het kalenderjaar bepalend is.Met het oog op eenvoud wordt in het voorgestelde artikel 5.20, tweede lid,Wet IB 2001 geregeld dat bij de vastgoedbijtelling voor woningen wordtuitgegaan van de op grond van de Wet waardering onroerende zaken(Wet WOZ) vastgestelde waarde (WOZ-waarde) van de betreffendewoning voor het kalenderjaar. Ook het huidige artikel 5.20 Wet IB 2001bevat een waarderingsvoorschrift voor woningen dat aansluit bij deWOZ-waarde. Net zoals in het huidige artikel 5.20, tweede lid, Wet IB 2001wordt in het voorgestelde artikel 5.20, derde lid, Wet IB 2001 geregeld datbij het ontbreken van een WOZ-waarde de waarde van de woning wordtbepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 16 tot en met18 en 20, tweede lid, Wet WOZ.In tegenstelling tot het huidige artikel 5.20, derde lid, Wet IB 2001 bevathet voorgestelde artikel 5.20 Wet IB 2001 geen delegatiegrondslag voorhet vaststellen van een leegwaarderatio. De leegwaarderatio wordtgebruikt om de WOZ-waarde van woningen in verhuurde staat tecorrigeren om rekening te houden met de waardedrukkende werking vande verhuur.75 De vastgoedbijtelling benadert op forfaitaire wijze deeconomische waarde van de beschikbaarheid voor gebruik (voor verhuur,eigen gebruik of andere doeleinden) van een onroerende zaak. Bij diedoelstelling is het niet passend dat het bedrag van de vastgoedbijtellinglager zou worden vanwege de verhuurde staat van een woning. Voor devolledigheid wordt opgemerkt dat in het kader van het belasten van dewaardeontwikkeling (de vervreemdingsvoordelen) op grond van hetvoorgestelde artikel 5.21 Wet IB 2001 wordt gekeken naar de werkelijkeaankoopprijs en de werkelijke verkoopprijs. Een eventueel waarde-drukkend effect als gevolg van de verhuurde staat van een onroerendezaak heeft daardoor invloed op de omvang van het vervreemdings-voordeel, indien de onroerende zaak op het tijdstip van aankoop ofverkoop is verhuurd.In tegenstelling tot het huidige artikel 5.20, vierde lid, Wet IB 2001 bevathet voorgestelde artikel 5.20 Wet IB 2001 ook geen delegatiegrondslagvoor het bepalen van de waarde van de erfpachtcanon. Het waardedruk-kende effect van erfpacht kan, net zoals het waardedrukkende effect vanverhuur, wel van belang zijn in het kader van het belasten van dewaardeontwikkeling (de vervreemdingsvoordelen). Op grond van hetvoorgestelde artikel 5.21 Wet IB 2001 wordt bij het bepalen van devervreemdingsvoordelen gekeken naar de werkelijke aankoopprijs en dewerkelijke verkoopprijs. Een eventueel waardedrukkend effect als gevolgvan een erfpachtcanon heeft daardoor invloed op de omvang van hetvervreemdingsvoordeel, indien er een erfpacht rust op de onroerendezaak op het tijdstip van aankoop of verkoop.Artikel 5.21. VervreemdingsvoordelenHet vervreemdingsvoordeel wordt ingevolge het voorgestelde artikel 5.21Wet IB 2001 bepaald door de verkrijgingsprijs van de overdrachtsprijs af tetrekken. Er kan ook sprake zijn van een negatief vervreemdingsvoordeel.In de voorgestelde artikelen 5.22 tot en met 5.26 Wet IB 2001 wordtgeregeld wat in het kader van het voorgestelde artikel 5.21 Wet IB 2001wordt verstaan onder de overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs.75De leegwaarderatio geldt alleen voor verhuursituaties die onder de huurbescherming vallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 398 Artikel 5.22. OverdrachtsprijsOp grond van het voorgestelde artikel 5.22, eerste lid, Wet IB 2001 wordtonder de overdrachtsprijs van onroerende zaken of aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming verstaan de tegenprestatiebij de vervreemding van de onroerende zaak, het aandeel, onderschei-denlijk het winstbewijs, verminderd met de ten laste van de vervreemderkomende kosten ter zake van de vervreemding.Met het voorgestelde artikel 5.22, tweede lid, Wet IB 2001 wordt bewerk-stelligd dat bij het ontbreken van een tegenprestatie of bij een tegenpres-tatie die is bedongen bij een niet onder zakelijke omstandighedengesloten overeenkomst, de tegenprestatie wordt gesteld op de waarde inhet economische verkeer van de vervreemde bezitting op het tijdstip vande vervreemding.Artikel 5.23. VerkrijgingsprijsOp grond van het voorgestelde artikel 5.23, eerste lid, Wet IB 2001 wordtonder de verkrijgingsprijs van onroerende zaken of aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming verstaan de tegenprestatiebij de verkrijging van de onroerende zaak, het aandeel, onderscheidenlijkhet winstbewijs, vermeerderd met de ten laste van de verkrijger gekomenkosten ter zake van de verkrijging.Met het voorgestelde artikel 5.23, tweede lid, Wet IB 2001 wordt bewerk-stelligd dat bij het ontbreken van een tegenprestatie zoals het geval is bijeen verkrijging krachtens erfrecht, of bij een tegenprestatie die isbedongen bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeen-komst, de tegenprestatie wordt gesteld op de waarde in het economischeverkeer van de verkregen bezitting op het tijdstip van de verkrijging.Artikel 5.24. Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belasting-plichtIn het voorgestelde artikel 5.24 Wet IB 2001 wordt geregeld op welkbedrag de verkrijgingsprijs van onroerende zaken of van aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming wordt gesteld bij hetontstaan van binnenlandse belastingplicht. De hoogte van de verkrijgings-prijs is van belang bij de berekening van het vervreemdingsvoordeel. Hetvoorgestelde artikel 5.24 Wet IB 2001 is in lijn met het huidige artikel 4.25Wet IB 2001, dat voor het aanmerkelijkbelangregime (box 2) geldt.Op grond van het voorgestelde artikel 5.24, eerste lid, Wet IB 2001 wordtde verkrijgingsprijs bij het ontstaan van binnenlandse belastingplichtgesteld op de waarde in het economische verkeer op dat tijdstip van deonroerende zaak of van het aandeel in of winstbewijs van een startendeonderneming. Dit voorkomt dat waardemutaties die zich hebbenvoorgedaan voorafgaand aan de immigratie in de heffing wordenbetrokken.Met het voorgestelde artikel 5.24, tweede lid, Wet IB 2001 wordt bewerk-stelligd dat het voorgestelde artikel 5.24, eerste lid, Wet IB 2001 niet geldtvoor de situatie dat de belastingplichtige eerder binnenlands belasting-plichtig was of buitenlands belastingplichtig was met betrekking tot deonroerende zaken of de aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming. Voor deze situaties is in het voorgestelde artikel 5.24, derdelid, Wet IB 2001 een delegatiegrondslag opgenomen om de verkrijgings-prijs te bepalen. Bij algemene maatregel van bestuur zal worden geregelddat de verkrijgingsprijs in beginsel wordt gesteld op de historischeverkrijgingsprijs. Deze herleeft als het ware. Achtergrond hiervan is datten gevolge van een eventuele op grond van het voorgestelde artikel 5.37,tweede lid, Wet IB 2001 opgelegde conserverende belastingaanslag nogniet altijd daadwerkelijke belastingbetaling in Nederland zal hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 399 plaatsgevonden. Daarnaast zullen bij algemene maatregel van bestuurregels worden gesteld om de historische verkrijgingsprijs te corrigeren.Dit is bijvoorbeeld nodig om te voorkomen dat dubbele belastingheffingontstaat als gevolg van het hanteren van de historische verkrijgingsprijs inde situatie dat in de buitenlandse periode een waardestijging heeftplaatsgevonden. Over een dergelijke waardestijging zal immers in hetalgemeen door een mogendheid in het buitenland belasting zijn geheven.Om te voorkomen dat een belastingplichtige een verlies dubbel inaanmerking mag nemen, zal op grond van het voorgestelde 5.24, derdelid, Wet IB 2001 tevens worden geregeld dat de historische verkrijgings-prijs wordt verlaagd, indien een waardedaling is ontstaan in de buiten-landse periode. Het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (UBIB2001) zal hiervoor worden gewijzigd. Hierbij zal artikel 16 UBIB 2001 alsuitgangspunt worden genomen, aangezien in dat artikel een vergelijkbareregeling is opgenomen ten aanzien van box 2.Met het voorgestelde artikel 5.24, vierde lid, Wet IB 2001 wordt eendelegatiegrondslag opgenomen op grond waarvan conserverendebelastingaanslagen kunnen worden verminderd die op grond van hetvoorgestelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 zijn opgelegd naaraanleiding van de eerdere emigratie. Bij emigratie wordt ter behoud vande belastingclaim een conserverende belastingaanslag opgelegd. Bij het(opnieuw) ontstaan van binnenlandse belastingplicht wordt dezebelastingclaim hersteld door middel van het vaststellen van de verkrij-gingsprijs. De nog openstaande conserverende belastingaanslag kan indie situatie zodoende worden kwijtgescholden. Het UBIB 2001 zal hiervoorworden gewijzigd. Ook hierbij zal artikel 16 UBIB 2001 als uitgangspuntworden genomen, aangezien in dat artikel een vergelijkbare regeling isopgenomen ten aanzien van box 2.De tekst van artikel 4.25, zesde lid, Wet IB 2001 van het aanmerkelijkbe-langregime (box 2) is niet overgenomen in het voorgestelde artikel 5.24Wet IB 2001. Artikel 4.25, zesde lid, Wet IB 2001 is per 2010 ingevoerd voorde situatie dat de doorschuifregeling in het aanmerkelijkbelangregime bijschenken en overlijden niet kan worden toegepast omdat de begiftigdeten tijde van de verkrijging van de aanmerkelijkbelangaandelen niet inNederland woont en vervolgens binnen een periode van tien jaar inNederland gaat wonen.76 Een dergelijke bepaling is in het voor box 3voorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 niet nodig omdat hierin geendoorschuifregeling bij schenken en overlijden is opgenomen.Artikel 5.25. Nadere invulling verkrijgingsprijs onroerende zakenHet voorgestelde artikel 5.25, eerste lid, Wet IB 2001 regelt dat deverkrijgingsprijs van een onroerende zaak waarvan de verkrijging heeftplaatsgevonden vóórdat de onroerende zaak tot de bezittingen, bedoeld inartikel 5.4 Wet IB 2001, is gaan behoren (dus onder het box 3-regime iskomen te vallen), wordt vastgesteld op de waarde in het economischeverkeer van de onroerende zaak op het tijdstip waarop de onroerendezaak onder het box 3-regime is komen te vallen. Hiermee wordt bewerk-stelligd dat heffing over waardeveranderingen die eerder en buiten hetvoorgestelde box 3-regime zijn ontstaan niet in de box 3-heffing wordenbetrokken.Het voorgestelde artikel 5.25, eerste lid, Wet IB 2001 geldt op dezelfdewijze ook voor een deel van een onroerende zaak. Een onroerende zaakkan immers ook gedeeltelijk in box 3 vallen. Dit kan zich bijvoorbeeldvoordoen als een gedeelte van de eigen woning wordt verhuurd en devrijstelling van artikel 3.114 Wet IB 2001 niet van toepassing is.Het voorgestelde artikel 5.25, tweede lid, Wet IB 2001 bewerkstelligt datkosten die op enig tijdstip na vaststelling van de verkrijgingsprijs zijn76Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 3, p. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3100 gemaakt ter verbetering van een onroerende zaak de verkrijgingsprijsvermeerderen. Het maken van onderscheid tussen kosten ter verbeteringen onderhoudskosten dient op dezelfde wijze plaats te vinden als in derechtspraak van de Hoge Raad over kosten van onderhoud van eenmonumentenpand als bedoeld in artikel 6.31 Wet IB 2001 (tekst tot 2019).Dit betekent (i) dat kosten voor werkzaamheden aan een onroerende zaakzijn aan te merken als kosten van onderhoud, voor zover die werkzaam-heden ertoe hebben gestrekt de zaak zoals die bij aanvang van dewerkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden,(ii) dat in gevallen waarin bij verbouwingswerkzaamheden aan een pandzowel herstel als vernieuwing plaatsvindt, in de regel een splitsing moetworden gemaakt tussen onderhoud en verbetering, en (iii) dat eendergelijke splitsing niet aan de orde komt indien de in de verbouwingbetrokken zaak zo radicaal is vernieuwd dat in wezen nieuwbouw heeftplaatsgevonden, in welk geval van onderhoud in het geheel geen sprakeis.Artikel 5.26. Nadere invulling verkrijgingsprijs aandeel of winstbewijsstartende ondernemingHet voorgestelde artikel 5.26, eerste lid, Wet IB 2001 bewerkstelligt dat inhet geval dat een aandeel of winstbewijs na de verkrijging daarvan gaatkwalificeren als een aandeel in of winstbewijs van een startende onder-neming, de verkrijgingsprijs van dat aandeel, onderscheidenlijk winst-bewijs, wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer op dattijdstip. Hiermee wordt bewerkstelligd dat waardeveranderingen dieeerder en buiten het voorgestelde vermogenswinstregime in box 3 zijnontstaan niet in de heffing worden betrokken.Op grond van het voorgestelde artikel 5.26, tweede lid, Wet IB 2001 wordtin het geval dat een belastingplichtige meerdere aandelen of winstbe-wijzen van dezelfde soort heeft de verkrijgingsprijs altijd gesteld op degemiddelde verkrijgingsprijs daarvan. Hiermee wordt bewerkstelligd datde belastingplichtige niet een zelfgekozen waarderingsmethode kantoepassen, maar altijd moet waarderen op de gemiddelde verkrijgings-prijs, hetgeen de eenvoud ten goede komt.Met het voorgestelde artikel 5.26, derde lid, Wet IB 2001 wordt bewerk-stelligd dat na een vervreemding van een deel van de aandelen ofwinstbewijzen de verkrijgingsprijs van de niet-vervreemde aandelen,onderscheidenlijk winstbewijzen, wordt gesteld op de bij de berekeningvan het voordeel van de vervreemding van het hiervoor genoemde deelvan de aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen, gebruikte gemiddeldeverkrijgingsprijs. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de gemiddeldeverkrijgingsprijs voor de niet-vervreemde aandelen, onderscheidenlijkwinstbewijzen, niet hoeft te worden berekend aan de hand van dehistorische verkrijgingsprijzen.Artikelen 5.27 en 5.28. Genotsrechten en goederen waarop een genots-recht wordt gevestigdZowel een genotsrecht als een goed waarop een genotsrecht wordtgevestigd (een bloot eigendom) kan een bezitting zijn die onderdeeluitmaakt van het box 3-vermogen (zie voor de definitie van box 3-bezittingen het voorgestelde artikel 5.4 Wet IB 2001). Op grond van devoorgestelde artikelen 5.15, vierde lid, en 5.16, tweede lid, Wet IB 2001vallen bepaalde genotsrechten en blote eigendommen van onroerendezaken en aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingonder het vermogenswinstregime dat is opgenomen in de voorgesteldeparagraaf 5.3.2 Wet IB 2001. In de voorgestelde artikelen 5.27 en 5.28 WetIB 2001 zijn nadere regels opgenomen die hierop van toepassing zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3101 Het vestigen van een genotsrecht is de vervreemding van een deel vaneen eigendom. Bij deze vervreemding ontstaat een vervreemdings-voordeel, net zoals dat het geval is bij de vervreemding van anderebezittingen die onder het vermogenswinstregime vallen. Zonder deregeling die is opgenomen in de voorgestelde artikelen 5.27 en 5.28 WetIB 2001 zou dit vervreemdingsvoordeel op het tijdstip van vestiging vanhet genotsrecht in aanmerking worden genomen bij de vervreemder enzou de genotsgerechtigde een genotsrecht verkrijgen met een verkrij-gingsprijs die als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordtgenomen op het tijdstip dat het genotsrecht tenietgaat. Echter, indien hetvervreemdingsvoordeel op het tijdstip van vestiging in aanmerking zouworden genomen, dan zou er geen rekening mee worden gehouden dathet genotsrecht leidt tot een waardedaling van het goed waarop hetgenotsrecht wordt gevestigd. Economisch gezien wordt er op het momentvan vestiging van het genotsrecht geen voordeel behaald, omdat dewaardedaling van het goed waarop het genotsrecht wordt gevestigd inprincipe gelijk is aan de prijs van het genotsrecht. Als het genotsrecht isgeëindigd, bijvoorbeeld doordat de overeengekomen looptijd isafgelopen, heeft de vervreemder van het genotsrecht weer de volleeigendom. Vanuit economisch oogpunt heeft de vervreemder van hetgenotsrecht op dat tijdstip het volledige vervreemdingsvoordeel behaald,omdat er geen sprake meer is van een waardevermindering van zijn goedals gevolg van het genotsrecht.Gedurende de looptijd van het genotsrecht wordt het genotsrecht steedsminder waard. Een genotsrecht met een looptijd van bijvoorbeeld vijf jaaris meer waard dan een genotsrecht met een looptijd van bijvoorbeeld vierjaar. Tegelijk met de waardedaling van het genotsrecht is sprake van eenwaardestijging van het goed waarop het genotsrecht is gevestigd. Indiende looptijd van een genotsrecht nog vier jaar duurt dan is de waardever-mindering als gevolg van dat genotsrecht kleiner dan als het genotsrechteen looptijd heeft van vijf jaar. Daarom wordt in de voorgesteldeartikelen 5.27 en 5.28 Wet IB 2001 bij het in aanmerking nemen van de(negatieve) vervreemdingsvoordelen die het gevolg zijn van het vestigenvan een genotsrecht rekening gehouden met de looptijd van het genots-recht. Met het oog op eenvoud wordt een lineaire berekening op basis vande looptijd voorgesteld bij het bepalen van het (negatieve) vervreem-dingsvoordeel. Dit wordt in de volgende alinea’s nader toegelicht. Devoorgestelde artikelen 5.27 en 5.28 Wet IB 2001 zijn alleen van toepassingbij onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming, zoals gedefinieerd in de voorgestelde artikelen 5.15, vierdelid, en 5.16, tweede lid, Wet IB 2001. Voor de bezittingen die in hetvoorgestelde box 3-stelsel onder de vermogensaanwasbelasting vallen, iseen vergelijkbare systematiek opgenomen in de voorgesteldeartikelen 5.59 en 5.60 Wet IB 2001.Ingevolge het voorgestelde artikel 5.27, eerste lid, Wet IB 2001 wordtgedurende de looptijd van een genotsrecht jaarlijks een negatiefvervreemdingsvoordeel bij de genotsgerechtigde in aanmerking genomendat ingevolge het voorgestelde artikel 5.27, tweede lid, Wet IB 2001 wordtberekend op basis van de looptijd van het genotsrecht en de tegenpres-tatie voor het genotsrecht, vermeerderd met de kosten ter zake van deverkrijging. Met het oog op eenvoud is ervoor gekozen om dit negatievevervreemdingsvoordeel lineair te berekenen. Een vanuit economischperspectief meer accurate verdeling over de looptijd van het genotsrechtis zeer belastend voor burgers en de Belastingdienst. Hiervoor zoujaarlijks de actuariële waarde berekend moeten worden waarbij onderandere rekening wordt gehouden met de wijzigingen in de marktrente.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3102 Daarom wordt een eenvoudige lineaire methode voorgesteld.77 Voor deblote eigenaar geldt ingevolge het voorgestelde artikel 5.28, eerste tot enmet derde lid, Wet IB 2001 een vergelijkbare (maar uiteraard omgekeerde)systematiek als voor de genotsgerechtigde: een lineaire berekening vanhet vervreemdingsvoordeel op basis van de tegenprestatie voor hetgenotsrecht en de looptijd van het genotsrecht. Op grond van devoorgestelde artikelen 5.22, tweede lid, en 5.23, tweede lid, Wet IB 2001wordt een onzakelijke tegenprestatie gecorrigeerd naar de waarde in heteconomische verkeer.Indien de looptijd van een genotsrecht eerder eindigt dan de looptijd opbasis waarvan het jaarlijkse vervreemdingsvoordeel is berekend, wordtingevolge de voorgestelde artikelen 5.27, derde lid, en 5.28, vierde lid, WetIB 2001 het resterende vervreemdingsvoordeel (dat dus niet aan eerderekalenderjaren is toegerekend) in het betreffende kalenderjaar inaanmerking genomen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij hetoverlijden van een vruchtgebruiker voorafgaand aan het einde van eenvaste looptijd van een genotsrecht, waardoor het vruchtgebruik eerdereindigt dan beoogd.Indien het vermogenswinstregime van box 3 van toepassing wordt op eentijdstip waarop de looptijd van een genotsrecht al is aangevangen, danwordt ingevolge de voorgestelde artikelen 5.27, vierde lid, en 5.28, vijfdelid, Wet IB 2001 de lineaire berekening gebaseerd op de waarde in heteconomische verkeer op dat tijdstip en de resterende looptijd.Appartementsrechten als bedoeld in titel 9 van Boek 5 van het BurgerlijkWetboek zijn ingevolge het voorgestelde artikel 5.27, vijfde lid, Wet IB2001 uitgezonderd van de toepassing van het voorgestelde artikel 5.27Wet IB 2001, omdat deze rechten naar hun aard niet geschikt zijn voor desystematiek die voor genotsrechten wordt voorgesteld. De eigenaar vaneen appartementsrecht is van rechtswege lid van de vereniging vaneigenaren, die het blote eigendom heeft van het gebouw waarvan hetappartement een onderdeel is. Via het lidmaatschap van de verenigingvan eigenaren is de eigenaar van een appartementsrecht indirect(gedeeltelijk) ook de blote eigenaar. Dit betekent dat de positie van deeigenaar van een appartementsrecht in grotere mate vergelijkbaar is metde positie van iemand die de volle eigendom heeft van een onroerendezaak dan bij andere genotsrechten het geval is. De in het voorgesteldeartikel 5.21 Wet IB 2001 opgenomen hoofdregel voor het bepalen vanvervreemdingsvoordelen is goed toepasbaar bij appartementsrechten. Bijvervreemding van een appartementsrecht wordt het vervreemdings-voordeel op grond van het voorgestelde artikel 5.21 Wet IB 2001 bepaalddoor de overdrachtsprijs te verminderen met de verkrijgingsprijs.In het voorgestelde artikel 5.28, zesde lid, Wet IB 2001 is een uitzonderingopgenomen voor de aankoop van een bloot eigendom van een onroe-rende zaak of van een aandeel in of winstbewijs van een startendeonderneming. In die situatie wordt ingevolge het voorgestelde artikel 5.21en verder Wet IB 2001 een vervreemdingsvoordeel in aanmerkinggenomen bij vervreemding van het blote eigendom of bij einde belasting-plicht voor het vermogenswinstregime van box 3 (het vervreemdings-voordeel wordt dus op dezelfde manier bepaald als in de situatie dat debelastingplichtige de volle eigendom had van een onroerende zaak of eenaandeel in of winstbewijs van een startende onderneming). Vooronroerende zaken en voor aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming wordt, zoals nader toegelicht in paragrafen 3.2, 3.7 en 3.8van het algemeen deel van deze memorie, een vermogenswinstregimevoorgesteld, onder andere omdat deze bezittingen niet liquide zijn. Inaansluiting hierop wordt ook in het kader van het belasten van een bloot77Zie voor een beschrijving van en een pleidooi voor deze lineaire methode: Mr. E. van Uunen,«Over genotsrechten, de Wet werkelijk rendement box 3 en Willem Elsschot», FiscaalPraktijkblad 2023–0147, p. 17–25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3103 eigendom rekening gehouden met de illiquiditeit van deze vermogensbe-standdelen. Hierbij is van belang dat de uitzondering alleen geldt bijaankoop van een bloot eigendom. Bij een volle eigenaar die een genots-recht verkoopt, zal liquiditeit immers geen probleem zijn, omdat dezeeigenaar een vergoeding kan vragen voor de vestiging van het genots-recht. Dit is anders bij de aankoop van een bloot eigendom. In die situatieheeft de blote eigenaar niet zelf het genotsrecht gevestigd en dus ookgeen vergoeding hiervoor kunnen ontvangen, waardoor in zoverreliquiditeiten ontbreken. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat eenvergelijkbare regeling geldt in het winstregime in box 1 op grond vangoed koopmansgebruik.78Ingevolge het voorgestelde artikel 5.27, zesde lid, Wet IB 2001 worden bijalgemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de voorgesteldeartikelen 5.27 en 5.28 Wet IB 2001 regels gesteld over het bepalen van delooptijd van het genotsrecht. In principe zal deze contractueel zijnvastgelegd en zal de tussen partijen overeengekomen looptijd gelden.Voor genotsrechten die afhankelijk zijn van het leven van de genotsge-rechtigde, of van twee of meer levens, zullen levensverwachtingtabellenworden vastgesteld. Indien een looptijd is overeengekomen en hetgenotsrecht tevens eindigt bij overlijden, dan zal eveneens op grond vande levensverwachtingtabel een looptijd worden berekend en geldt dekortste van deze twee (ofwel de overeengekomen looptijd ofwel de opbasis van de levensverwachting berekende looptijd). Voor de situatiewaarin een genotsrecht voor onbepaalde tijd is gevestigd, wordt bijalgemene maatregel van bestuur bepaald welke looptijd in dat gevalwordt gehanteerd voor het berekenen van de vervreemdingsvoordelen.Artikel 5.29. KoopoptiesKoopopties op aandelen in of winstbewijzen van een startende onder-neming worden in het voorgestelde artikel 5.16, tweede lid, Wet IB 2001gelijkgesteld met aandelen in, onderscheidenlijk winstbewijzen van, eenstartende onderneming. Dit heeft tot gevolg dat dergelijke koopopties opbasis van het voorgestelde artikel 5.16 Wet IB 2001 in de heffing wordenbetrokken. Het voorgestelde artikel 5.29 Wet IB 2001 bevat een nadereregeling over dergelijke koopopties. Het voorgestelde artikel 5.29, eerstelid, Wet IB 2001 regelt dat de houder van een koopoptie op aandelen in ofwinstbewijzen van een startende onderneming na uitoefening van dekoopoptie de verkrijgingsprijs daarvan rekent tot de verkrijgingsprijs vande verworven aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen. Indien eenkoopoptie op aandelen in of winstbewijzen van een startende onder-neming waardeloos afloopt door niet-uitoefening is op grond van hetvoorgestelde artikel 5.32 Wet IB 2001 sprake van een fictievevervreemding. In dat geval wordt de verkrijgingsprijs van deniet-uitgeoefende koopoptie als negatief vervreemdingsvoordeel inaanmerking genomen.Het voorgestelde artikel 5.29, tweede lid, Wet IB 2001 regelt dat bij debelastingplichtige die een koopoptie op aandelen in of winstbewijzen vaneen startende onderneming verleent een vervreemdingsvoordeel inaanmerking wordt genomen dat wordt vastgesteld op het bedrag van deoverdrachtsprijs van de koopoptie. Dit vervreemdingsvoordeel wordtgenoten op het tijdstip van de verlening van de koopoptie. De verkrij-gingsprijs van de onderliggende aandelen of winstbewijzen wordt bij hetbepalen van het vervreemdingsvoordeel van de koopoptie niet inaanmerking genomen. Pas bij de daadwerkelijke vervreemding van dieaandelen of winstbewijzen wordt de verkrijgingsprijs daarvan inaanmerking genomen bij het bepalen van het vervreemdingsvoordeel.78HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1202.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3104 Artikel 5.30. VerkoopoptiesVerkoopopties op aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming worden in het voorgestelde artikel 5.16, tweede lid, Wet IB2001 gelijkgesteld met aandelen in, onderscheidenlijk winstbewijzen van,een startende onderneming. Dit heeft tot gevolg dat dergelijke verkoop-opties op basis van het voorgestelde artikel 5.16 Wet IB 2001 in de heffingworden betrokken. Het voorgestelde artikel 5.30 Wet IB 2001 bevat eennadere regeling over dergelijke verkoopopties. Het voorgesteldeartikel 5.30, eerste lid, Wet IB 2001 regelt dat de houder van een verkoop-optie op aandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming bijde uitoefening daarvan de verkrijgingsprijs van de verkoopoptie alskosten ter zake van de vervreemding van het onderliggende aandeel,onderscheidenlijk winstbewijs, in aanmerking neemt. Op grond van hetvoorgestelde artikel 5.22, eerste lid, Wet IB 2001 wordt bij het bepalen vande overdrachtsprijs van aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming rekening gehouden met de ten laste van de vervreemderkomende kosten ter zake van de vervreemding. Indien een verkoopoptieop aandelen in of winstbewijzen van een startende ondernemingwaardeloos afloopt door niet-uitoefening is op grond van het voorge-stelde artikel 5.32 Wet IB 2001 sprake van een fictieve vervreemding. Indat geval wordt de verkrijgingsprijs van de niet-uitgeoefende verkoop-optie als negatief vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen.Het voorgestelde artikel 5.30, tweede lid, Wet IB 2001 regelt dat bij debelastingplichtige die een verkoopoptie op aandelen in of winstbewijzenvan een startende onderneming verleent een vervreemdingsvoordeel inaanmerking wordt genomen dat wordt vastgesteld op het bedrag van deoverdrachtsprijs van de verkoopoptie. Dit vervreemdingsvoordeel wordtgenoten op het tijdstip van de verlening van de verkoopoptie. Indien dezebelastingplichtige als gevolg van uitoefening van de verkoopoptie deonderliggende aandelen of winstbewijzen koopt, wordt bij het vaststellenvan de verkrijgingsprijs geen rekening (meer) gehouden met deoverdrachtsprijs van de verkoopoptie.Artikel 5.31. Onroerende zaak behoort niet meer tot de bezittingenHet voorgestelde artikel 5.31 Wet IB 2001 bewerkstelligt dat op het tijdstipdat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip waarop een onroerende zaakof een deel daarvan niet meer tot de bezittingen, bedoeld in het voorge-stelde artikel 5.4 Wet IB 2001, behoort, die onroerende zaak, onderschei-denlijk dat deel daarvan, wordt geacht te zijn vervreemd tegen de waardein het economische verkeer op eerstgenoemd tijdstip van die onroerendezaak, onderscheidenlijk van dat deel daarvan. Hiermee wordt bewerk-stelligd dat met betrekking tot onroerende zaken of gedeelten daarvan dieop enig tijdstip niet meer tot de bezittingen behoren de waardeverande-ringen die tot dat tijdstip hebben plaatsgevonden maar nog niet in deheffing zijn betrokken, omdat de onroerende zaak niet is vervreemd,alsnog in de heffing worden betrokken. Deze situatie kan zich bijvoorbeeldvoordoen op het tijdstip waarop een verhuurde woning gaat kwalificerenals eigen woning waardoor deze wordt verplaatst van box 3 naar box 1.Artikel 5.32. Aandeel of winstbewijs behoort niet meer tot de bezittingenof kwalificeert niet meer als aandeel in of winstbewijs van startendeondernemingHet voorgestelde artikel 5.32 Wet IB 2001 bewerkstelligt dat een aandeel inof winstbewijs van een startende onderneming wordt geacht te zijnvervreemd op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstipwaarop dat aandeel of winstbewijs niet meer tot de bezittingen, bedoeldin het voorgestelde artikel 5.4 Wet IB 2001, behoort of niet meer kwalifi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3105 ceert als aandeel, onderscheidenlijk winstbewijs, van een startendeonderneming. Deze fictieve vervreemding vindt plaats tegen de waarde inhet economische verkeer op dat tijdstip van dat aandeel, onderschei-denlijk winstbewijs. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de waardeverande-ringen die tot dat tijdstip hebben plaatsgevonden maar nog niet in deheffing zijn betrokken, omdat een aandeel in, onderscheidenlijk winst-bewijs van, een startende onderneming niet is vervreemd, alsnog in deheffing worden betrokken. Een aandeel of winstbewijs kwalificeert nietmeer als aandeel of winstbewijs van een startende onderneming, indienniet meer wordt voldaan aan een of meer van de voorwaarden, genoemdin het voorgestelde artikel 5.17 Wet IB 2001. Zie voor een naderetoelichting over deze voorwaarden de artikelsgewijze toelichting bij hetvoorgestelde artikel 5.17 Wet IB 2001.Artikel 5.33. Vervreemding en doorschuiving in het kader van eenaandelenfusie, juridische fusie of splitsingOp grond van de Fusierichtlijn79 is het niet toegestaan dat fusies ensplitsingen waar die richtlijn op van toepassing is, leiden tot enigerleibelastingheffing over vermogenswinst. Voor aandelen in of winstbewijzenvan een startende onderneming wordt voorgesteld om de Fusierichtlijn opvergelijkbare wijze in box 3 te implementeren als is gedaan in box 2. Hetvoorgestelde artikel 5.33 Wet IB 2001 bevat een regeling voor de (fictieve)vervreemding van aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie ofsplitsing die in lijn is met de al bestaande artikelen hierover in box 2 (ziede artikelen 4.16, eerste lid, onderdeel d, en 4.41 Wet IB 2001). Integenstelling tot bij de bestaande regeling in box 2, wordt voorgesteld datde belastingplichtige geen verzoek hoeft te doen om het vervreemdings-voordeel niet in aanmerking te nemen. Dit betekent dat automatisch geenvervreemdingsvoordeel in aanmerking wordt genomen als is voldaan aande voorwaarden die zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 5.33 WetIB 2001. De verwachting is dat een automatische toepassing van hetvoorgestelde artikel 5.33 Wet IB 2001 beter werkt in de praktijk, omdat hetin box 3 gaat over kleine belangen van minder dan 5% en daardoor bij eenfusie of splitsing veel box 3-aandeelhouders betrokken kunnen zijn. Hierkomt bij dat de toepassing op verzoek als nadeel heeft dat er mogelijkgeen verzoek wordt gedaan en ondanks het ontbreken van het verzoekabusievelijk niet wordt afgerekend. Als de belastingplichtige in dat gevalbij een latere vervreemding het voordeel daarvan berekent alsof er wel isafgerekend (vanwege het ontbreken van een verzoek), kan dat lastigediscussies opleveren en mogelijk leiden tot het mislopen van eenbelastingclaim.Artikel 5.34. Doorschuiving verkrijgingsprijs in het kader van eenaandelenfusie, juridische fusie of splitsingHet voorgestelde artikel 5.34 Wet IB 2001 bewerkstelligt dat, na toepassingvan het voorgestelde artikel 5.33 Wet IB 2001, de verkrijgingsprijs van deaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming die (fictief)zijn vervreemd in het kader van een aandelenfusie, juridische fusie ofsplitsing wordt doorgeschoven naar de verkrijgingsprijs van de aandelenof winstbewijzen die de belastingplichtige direct na de aandelenfusie,juridische fusie of splitsing heeft in de verkrijgende rechtspersoon. Met79Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijkefiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa enaandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor deverplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een anderelidstaat (PbEU 2009, L 310).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3106 het doorschuiven van de verkrijgingsprijs blijft de latente belastingclaimover de nog niet gerealiseerde waardestijging van de aandelen ofwinstbewijzen behouden. Het voorgestelde artikel 5.34 Wet IB 2001 is inlijn met het al bestaande artikel over doorschuiving van de verkrijgings-prijs in box 2 (zie artikel 4.42 Wet IB 2001).Artikel 5.35. Fictief aandeel in of winstbewijs van een startende onder-nemingHet voorgestelde artikel 5.35, eerste lid, Wet IB 2001 bewerkstelligt dataandelen of winstbewijzen die zijn verkregen in het kader van eenaandelenfusie, juridische fusie of splitsing als bedoeld in het voorgesteldeartikel 5.33 Wet IB 2001 en die niet voldoen aan de definitie van aandelenin of winstbewijzen van een startende onderneming gedurende 60maanden (vijf jaar) toch worden aangemerkt als aandelen in of winstbe-wijzen van een startende onderneming. Hierbij kan bijvoorbeeld gedachtworden aan de situatie dat aandelen in of winstbewijzen van eenstartende onderneming overgaan op een verkrijgende rechtspersoonterwijl deze rechtspersoon – die aandelen of winstbewijzen uitreikt aan debelastingplichtige – zelf niet wordt aangemerkt als een startendeonderneming. Zonder het voorgestelde artikel 5.35 Wet IB 2001 zou defusie in dit voorbeeld belastingheffing tot gevolg hebben omdat debetreffende aandelen of winstbewijzen het vermogenswinstregimeverlaten waarbij moet worden afgerekend over het verschil tussen dewaarde in het economische verkeer en de verkrijgingsprijs. Dezebelastingheffing wordt door het voorgestelde artikel 5.35, eerste entweede lid, Wet IB 2001 gedurende een termijn van maximaal 60 maandenvoorkomen, omdat het op grond van de Fusierichtlijn80 niet is toegestaandat fusies en splitsingen leiden tot enigerlei belastingheffing oververmogenswinst. De termijn van 60 maanden (vijf jaar) wordt voorgesteldomdat de oorspronkelijke aandelen zonder de aandelenfusie, juridischefusie of splitsing ook maximaal vijf jaar zouden kwalificeren als aandelenin of winstbewijzen van een startende onderneming. De termijn van vijfjaar is immers opgenomen als voorwaarde voor het zijn van een startendeonderneming (zie het voorgestelde artikel 5.17 Wet IB 2001). Om aan tesluiten bij de periode die van toepassing was geweest als er geen sprakezou zijn van een aandelenfusie, juridische fusie of splitsing bepaalt hetvoorgestelde artikel 5.35, tweede lid, Wet IB 2001 dat de termijn van 60maanden (vijf jaar) wordt verminderd met het aantal maanden waarin deaandelen of winstbewijzen voorafgaand aan de aandelenfusie, juridischefusie of splitsing al aandelen in of winstbewijzen van een startendeonderneming waren.Artikel 5.36. Liquidatie-uitkeringenEen liquidatie-uitkering heeft het karakter van het teruggeven van (eenfractie van) het verstrekte kapitaal. Het voorgestelde artikel 5.36, eerste entweede lid, Wet IB 2001 regelt dat bij het betaalbaar stellen van eenliquidatie-uitkering hetgeen wordt uitgekeerd boven de verkrijgingsprijs inaanmerking wordt genomen als vervreemdingsvoordeel. Voor zover deliquidatie-uitkering niet als vervreemdingsvoordeel in aanmerking wordtgenomen, wordt de verkrijgingsprijs ingevolge het voorgesteldeartikel 5.36, derde lid, Wet IB 2001 verminderd. Indien bij ontbinding vanhet lichaam na de voltooiing van de vereffening van het vermogen een80Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijkefiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa enaandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor deverplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een anderelidstaat (PbEU 2009, L 310).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3107 bedrag aan verkrijgingsprijs resteert, wordt dit ingevolge het voorgesteldeartikel 5.36, vierde lid, Wet IB 2001 aangemerkt als negatief vervreem-dingsvoordeel dat ingevolge het voorgestelde artikel 5.36, vijfde lid, WetIB 2001 in aanmerking wordt genomen op het tijdstip waarop devereffening is voltooid.Artikel 5.37. Einde binnenlandse belastingplichtIn geval van overlijden van de belastingplichtige worden op grond van hetvoorgestelde artikel 5.37, eerste lid, Wet IB 2001 onroerende zaken enaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming op hettijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden geacht te zijnvervreemd tegen de waarde in het economische verkeer op dat tijdstipvan die onroerende zaken, aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen.Hiermee wordt bewerkstelligd dat waardeveranderingen die hebbenplaatsgevonden maar nog niet in de heffing zijn betrokken, omdat eenonroerende zaak, aandeel of winstbewijs niet is vervreemd, alsnog in deheffing worden betrokken.Op grond van het voorgestelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001worden de in het buitenland gelegen onroerende zaken en de aandelen inof winstbewijzen van een startende onderneming op het tijdstip onmid-dellijk voorafgaande aan het anders dan door overlijden ophouden van debinnenlandse belastingplicht geacht te zijn vervreemd tegen de waarde inhet economische verkeer op dat tijdstip van die onroerende zaken,aandelen, onderscheidenlijk winstbewijzen. Dit geldt tevens voor debelastingplichtige met een dubbele woonplaats die volgens de Neder-landse wetgeving nog binnenlands belastingplichtige is, maar die ook ineen ander land als inwoner van dat land wordt aangemerkt en op grondvan de Belastingregeling voor het Koninkrijk, de Belastingregeling voorhet land Nederland of een verdrag ter voorkoming van dubbele belastinggeacht wordt inwoner van dat andere land te zijn. Met het voorgesteldeartikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 wordt bewerkstelligd dat de waarde-veranderingen die gedurende de periode van de binnenlandse belasting-plicht hebben plaatsgevonden maar nog niet in de heffing zijn betrokken,alsnog in de heffing worden betrokken. Als gevolg van de voorgesteldewijziging van artikel 2.8, tweede lid, Wet IB 2001 wordt het resultaat dat opgrond van het voorgestelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 inaanmerking wordt genomen aangemerkt als te conserveren inkomen.Gelet op de tekst van artikel 2.8, tweede lid, Wet IB 2001 wordt in datkader alleen een positief resultaat als te conserveren inkomen aange-merkt. Een negatief resultaat dat voortvloeit uit het voorgesteldeartikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 wordt niet aangemerkt als teconserveren inkomen en kan in het betreffende belastingjaar wordenverrekend met eventuele positieve resultaten in box 3 of (gedeeltelijk)worden aangemerkt als te verrekenen verliezen op grond van devoorgestelde afdeling 5.7 Wet IB 2001. De inspecteur zal in beginsel geen(conserverende) belastingaanslag opleggen ten aanzien van onroerendezaken die zijn gelegen in een land waarmee Nederland een verdrag heeftgesloten ter voorkoming van dubbele belasting. De belastingverdragendie Nederland heeft gesloten plegen namelijk het heffingsrecht oververmogenswinsten behaald met de vervreemding van onroerende zakenexclusief toe te wijzen aan de staat waarin de onroerende zaak is gelegen.Ten aanzien van in Nederland gelegen onroerende zaken blijft eenbelastingplichtige ook na emigratie belastingplichtig. Daarom worden inhet voorgestelde artikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 alleen in hetbuitenland gelegen onroerende zaken genoemd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3108 Artikel 5.38. Aftrekbare kostenOp grond van het voorgestelde artikel 5.38, eerste lid, Wet IB 2001 wordenalleen kosten in aftrek toegestaan die uitsluitend zijn gemaakt terverwerving, inning of behoud van reguliere voordelen die wordenbehaald met bezittingen en schulden of met onroerende zaken ofaandelen in of winstbewijzen van een startende onderneming. Hiermeewordt bewerkstelligd dat kosten alleen in aftrek kunnen worden gebrachtindien zij geen privékarakter hebben en ook geen gemengd karakter. Meteen gemengd karakter wordt bedoeld dat zij deels zijn gemaakt terverwerving, inning of behoud van reguliere voordelen en deels voorandere, persoonlijke of consumptieve, doeleinden. Aan sommige kostenis inherent dat de kosten geheel of gedeeltelijk een privékarakter hebben.Die kosten zijn op grond van het voorgestelde artikel 5.38, eerste lid, WetIB 2001 dus altijd van aftrek uitgesloten. Dit is bijvoorbeeld het geval bijkosten van voedsel, drank en genotmiddelen, kosten voor het voeren vaneen zekere staat, kosten voor representatie (waaronder kosten voorvaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden), kostenvoor kleding, verhuiskosten en kosten voor persoonlijke verzorging. Metde termen verwerving, inning en behoud is aansluiting gezocht bij dekostenaftrekbepaling uit artikel 35 Wet IB 1964 en bij de bepaling diemomenteel geldt in box 2 op grond van artikel 4.15 Wet IB 2001.Het voorgestelde artikel 5.38, tweede lid, Wet IB 2001 is van toepassingindien de overeenkomst onder onzakelijke omstandigheden tot stand isgekomen. In dat geval wordt gekeken naar de voorwaarden die in heteconomische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeenge-komen, en wordt op basis daarvan een bedrag aan kosten bepaald. Degemaakte kosten zijn niet aftrekbaar voor zover zij dat bedrag overtreffen.Artikel 5.39. Van aftrek uitgesloten kostenOp grond van het voorgestelde artikel 5.39, eerste lid, Wet IB 2001 wordenrenten van schulden als bedoeld in het voorgestelde artikel 5.5 Wet IB2001 van aftrek uitgesloten, zodat een dubbele vermindering wordtvoorkomen. Deze renten worden namelijk op basis van het voorgesteldeartikel 5.7, tweede lid, Wet IB 2001 reeds als negatieve voordelen in deheffing betrokken.In het voorgestelde artikel 5.39, tweede tot en met vijfde lid, Wet IB 2001zijn een aantal bepalingen opgenomen die zien op het van aftrek uitsluitenvan bepaalde kosten. Hierbij is aansluiting gezocht bij de artikelen 3.14,3.15 en 3.16 Wet IB 2001. Hierbij zijn slechts de bepalingen overgenomendie relevant worden geacht bij de bepaling van het resultaat uit sparen enbeleggen. Daarnaast is er rekening mee gehouden dat een deel van dekosten die worden genoemd in de artikelen 3.14, 3.15 en 3.16 Wet IB 2001op grond van het voorgestelde artikel 5.38, eerste lid, Wet IB 2001 al nietin aanmerking kan worden genomen. Bij de kosten waar twijfel zoukunnen bestaan over het al dan niet uitsluitend zakelijke karakter, zijn dezevoor de zekerheid opgenomen.Artikel 5.40. Heffingsvrij resultaatOp grond van het voorgestelde artikel 5.40 Wet IB 2001, in combinatie methet voorgestelde artikel 5.2 Wet IB 2001, wordt het resultaat uit sparen enbeleggen tot € 1.800 vrijgesteld van de belastingheffing in box 3. Hiermeewordt bewerkstelligd dat belastingplichtigen met een laag resultaat uitsparen en beleggen niet in de box 3-heffing worden betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3109 Afdeling 5.4. Vrijgestelde bezittingen en schulden (artikelen 5.41 tot enmet 5.56 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Op grond van de voorgestelde afdeling 5.4 Wet IB 2001 en de daartoebehorende voorgestelde artikelen 5.41 tot en met 5.56 Wet IB 2001 wordenbepaalde bezittingen en schulden vrijgesteld, waardoor alle voordelen dieworden behaald met deze bezittingen en schulden niet worden belast inbox 3. Het betreft hier nagenoeg dezelfde vrijgestelde bezittingen enschulden als de bezittingen en schulden die thans nog als vrijgesteldebezittingen en schulden zijn opgenomen in de forfaitaire rendements-heffing, met uitzondering van de vrijstelling voor kortlopende termijnenvan inkomsten en verplichtingen (huidig artikel 5.12 Wet IB 2001) en devrijstelling voor groene beleggingen (huidige artikelen 5.13 en 5.14 Wet IB2001). De huidige vrijstelling voor kortlopende termijnen van inkomstenen verplichtingen ziet op bezittingen en schulden in de vorm van lopendetermijnen die betrekking hebben op een tijdvak van een jaar of korter.Deze vrijstelling past niet in een systeem waarin werkelijk rendementwordt belast. Een voorbeeld van een kortlopende termijn is de aange-groeide rente die wordt meegekocht bij de aankoop van een obligatie.Voor het bepalen van het werkelijke rendement van obligaties is hetwenselijk om hier rekening mee te houden. De vrijstelling voor groenebeleggingen vervalt ingevolge het Belastingplan 2025 per 1 januari 2027en om die reden is in de voorgestelde afdeling 5.4 Wet IB 2001 geenvrijstelling opgenomen met betrekking tot de voordelen die wordenbehaald met groene beleggingen.81De paragrafen en artikelen in de voorgestelde afdeling 5.4 Wet IB 2001 zijnten opzichte van de huidige tekst van de Wet IB 2001 geherstructureerd envernummerd. Hieronder worden alleen de artikelen uit deze voorgesteldeafdeling toegelicht die inhoudelijk of redactioneel zijn aangepast tenopzichte van de huidige wetteksten. De inhoudelijke aanpassingenbetreffen de voorgestelde artikelen 5.46, 5.52 en 5.56 Wet IB 2001. Devoorgestelde redactionele aanpassingen zijn aangebracht in de voorge-stelde artikelen 5.41, 5.54 en 5.55 Wet IB 2001.Artikel 5.41. Vrijstelling bepaalde verkrijgingen krachtens erfrechtMet uitzondering van het opschrift is het voorgestelde artikel 5.41 Wet IB2001 gelijkluidend aan het huidige artikel 5.4 Wet IB 2001. Met devoorgestelde wijziging van het opschrift vindt geen inhoudelijke wijzigingvan het artikel plaats. De wijziging van het opschrift wordt slechts tenbehoeve van de consistentie met de opschriften van de andere vrijstel-lingen aangebracht.Artikel 5.46. Onregelmatige handelingen met nettolijfrentenHet voorgestelde artikel 5.46 Wet IB 2001 ziet op de heffing bij onregel-matige handelingen bij nettolijfrenten en komt in de plaats van hethuidige artikel 5.16c Wet IB 2001. Indien sprake is van een onregelmatigehandeling als bedoeld in het huidige artikel 5.16c, eerste lid, Wet IB 2001vervalt op grond van het huidige artikel 5.16c, eerste lid, Wet IB 2001 debox 3-vrijstelling voor het betreffende kalenderjaar en voor de toekomsten wordt op grond van het huidige artikel 5.16c, derde lid, Wet IB 2001 dein de aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande tien kalenderjarengenoten box 3-vrijstelling op forfaitaire wijze teruggenomen. In hethuidige artikel 5.16c, derde lid, Wet IB 2001 wordt namelijk bepaald datindien in het voorafgaande kalenderjaar een onregelmatige handelingheeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 5.16c, eerste lid, Wet IB 2001,de waarde van de helft van de aanspraak aan het begin van het betref-81Artikel III, onderdeel D, van het Belastingplan 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3110 fende kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien, in aanmerking wordtgenomen als bezitting in box 3. Hiermee wordt op forfaitaire wijze de indie afgelopen tien kalenderjaren ingevolge het huidige artikel 5.16, eerstelid, Wet IB 2001 genoten box 3-vrijstelling berekend, uitgaande van deveronderstelling dat de aanspraak in gelijke stappen is opgebouwd. Dereden voor deze forfaitaire benadering was dat gegevens over die tienkalenderjaren slechts in beperkte beschikbaar waren.Omdat inmiddels wel alle benodigde gegevens over de afgelopen tienkalenderjaren beschikbaar zijn, wordt in het voorgestelde artikel 5.46,derde lid, Wet IB 2001 uitgegaan van de feitelijke situatie in de afgelopentien kalenderjaren. In het voorgestelde artikel 5.46, derde lid, Wet IB 2001wordt daarom geregeld dat indien in het voorafgaande kalenderjaar eenonregelmatige handeling als bedoeld in het voorgestelde artikel 5.46,eerste lid, Wet IB 2001 heeft plaatsgevonden, het resultaat in aanmerkingwordt genomen dat bij overeenkomstige toepassing van de voor anderebezittingen en schulden geldende regels over de aan het afgelopenkalenderjaar voorafgaande tien kalenderjaren is behaald met de betref-fende aanspraak. Hiermee wordt het ingevolge het voorgesteldeartikel 5.46, eerste lid, Wet IB 2001 in die tien kalenderjaren genotenbox 3-voordeel teruggenomen. Door daarbij te verwijzen naar hetvoorgestelde artikel 5.6 Wet IB 2001 wordt ook voor het bepalen van hetterug te nemen fiscale voordeel aangesloten bij de berekeningssyste-matiek voor het werkelijke rendement. Een tegenbewijsregeling, zoals diein het huidige artikel 5.16c, vierde lid, Wet IB 2001 is opgenomen, isdaarmee overbodig. Voor het geval dat de onregelmatige handeling zichvoordoet op een moment dat het voorgestelde artikel 5.46 Wet IB 2001nog geen tien kalenderjaren geldt, voorziet het voorgestelde artikel 10a.15Wet IB 2001 in overgangsrecht.Artikel 5.52. Onregelmatige handelingen met nettopensioenVoor een toelichting op het voorgestelde artikel 5.52 Wet IB 2001, dat in deplaats komt van het huidige artikel 5.17e Wet IB 2001, wordt verwezennaar de artikelsgewijze toelichting op het voorgestelde artikel 5.46 Wet IB2001.Artikelen 5.54 en 5.55. Vrijstelling bos- en natuurterreinen en landgoe-deren en vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschapIn de voorgestelde artikelen 5.54 en 5.55 Wet IB 2001 is een wijzigingopgenomen ten opzichte van de huidige tekst van de artikelen 5.7 en 5.8Wet IB 2001 om ervoor te zorgen dat de in de eerstgenoemde artikelenopgenomen vrijstellingen voor bos- en natuurterreinen en landgoederenen voor voorwerpen van kunst en wetenschap alleen van toepassing zijnals de belastingplichtige of zijn partner de volle eigendom heeft van debetreffende bezittingen. De volle eigendom houdt in dat het goedcivielrechtelijk eigendom is van de belastingplichtige of zijn partner, debelastingplichtige of zijn partner de voordelen geniet, de kosten en lastenop de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeveranderingde belastingplichtige of zijn partner aangaat. Deze voorwaarde geldt ookop dit moment al, maar bij de huidige wetssystematiek is het niet nodigom dit expliciet in de betreffende artikelen op te nemen.82 In het voorge-stelde artikel 5.15, derde lid, Wet IB 2001 is opgenomen dat onderonroerende zaken mede worden begrepen zakelijke rechten die direct ofindirect op onroerende zaken betrekking hebben. De aanpassing in devoorgestelde artikelen 5.54 en 5.55 Wet IB 2001 ten opzichte van dehuidige artikelen 5.7 en 5.8 Wet IB 2001 zorgt ervoor dat deze gelijkstellingaan onroerende zaken niet onbedoeld de vrijstellingen voor bos- en82Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 229.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3111 natuurterreinen en landgoederen en voor voorwerpen van kunst enwetenschap verruimt. De voorgestelde artikelen 5.54 en 5.55 Wet IB 2001leiden niet tot een inhoudelijke wijziging ten opzichte van de huidigevrijstellingen voor bos- en natuurterreinen en landgoederen en voorvoorwerpen van kunst en wetenschap.Artikel 5.56. Vrijstelling bepaalde rechtenHet voorgestelde artikel 5.56 Wet IB 2001 is in beginsel gelijkluidend aanhet huidige artikel 5.10 Wet IB 2001. Het voorgestelde artikel 5.56 Wet IB2001 wijkt uitsluitend af van het huidige artikel 5.10, eerste lid,onderdeel a, Wet IB 2001. Dat betreft de box 3-vrijstelling van rechten opkapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitendbestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belasting-plichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestatiesin natura ter zake van de verzorging van een uitvaart. In het voorgesteldeartikel 5.56, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 wordt, in afwijking van hethuidige artikel 5.10, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001, met betrekkingtot het al dan niet in aanmerking komen voor de vrijstelling geenmaximumbedrag meer genoemd voor de som van het verzekerde kapitaaluit dergelijke levensverzekeringen dan wel, indien de som van hetverzekerde kapitaal meer bedraagt dan dat maximumbedrag, de som vande waarde van die rechten per persoon. Daarmee wordt onder meerbereikt dat overlijdensrisicoverzekeringen die uitsluitend bij overlijden vande belastingplichtige tot uitkering komen (zuivere overlijdensrisicoverze-keringen) in alle gevallen, dus ongeacht de hoogte van het verzekerdebedrag, worden vrijgesteld in box 3, zoals in paragraaf 3.9.2 van hetalgemeen deel van deze memorie is toegelicht.Bij de inwerkingtreding van het voorgestelde artikel 5.56 Wet IB 2001worden de bedragen die zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 5.56,onderdeel d, Wet IB 2001 geactualiseerd op grond van het voorgesteldeartikel VI.Artikel 5.57. Waardering geldleningen tussen natuurlijke personenOp grond van het voorgestelde artikel 5.57, eerste lid, Wet IB 2001 wordtbij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald met bezittingen enschulden de waarde in het economische verkeer van vorderingen enschulden uit hoofde van een geldleningsovereenkomst tussen natuurlijkepersonen voor de toepassing van de voorgestelde artikelen 5.8, eerste lid,5.9, tweede lid, en 5.11, tweede lid, Wet IB 2001 gesteld op de nominalewaarde van de vordering of schuld. Als hoofdregel worden vorderingenen schulden, net zoals in het huidige box 3-stelsel, gewaardeerd op dewaarde in het economische verkeer (zie de voorgestelde artikelen 5.8,eerste lid, 5.9, tweede lid, en 5.11, tweede lid, Wet IB 2001). Op die manierwordt bewerkstelligd dat jaarlijks de genoten vermogensaanwas in deheffing wordt betrokken. Met de uitzondering in het voorgesteldeartikel 5.57, eerste lid, Wet IB 2001 wordt voor geldleningen tussennatuurlijke personen een vereenvoudiging voorgesteld. Hiermee wordtvoor deze gevallen een nominalistisch waarderingssysteem bewerk-stelligd, waardoor belastingplichtigen niet jaarlijks de waarde in heteconomische verkeer van deze vorderingen en schulden hoeven tebepalen voor het bepalen van het resultaat dat wordt behaald metbezittingen en schulden. Omdat het waarderingsvoorschrift voor dezevorderingen en schulden in dat geval wijzigt ten opzichte van het huidigebox 3-stelsel, wordt in het voorgestelde artikel 10a.30 Wet IB 2001overgangsrecht opgenomen voor het bepalen van het resultaat dat wordtbehaald met bezittingen en schulden, indien een dergelijke vordering ofschuld met ingang van de datum van inwerkingtreding reeds tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3112 vermogen van de belastingplichtige behoorde en geheel of gedeeltelijkwordt vervreemd of kwijtgescholden.In het voorgestelde artikel 5.57, tweede lid, Wet IB 2001 wordt geregelddat de vordering wordt gewaardeerd op de waarde in het economischeverkeer indien de vordering wordt verkregen of vervreemd voor eentegenprestatie die afwijkt van de nominale waarde. Dit wordt toegelichtaan de hand van een voorbeeld. Stel A verkoopt een vordering metnominale waarde van € 100 voor € 60 aan B. A heeft de vordering vooreen lager bedrag dan de nominale waarde aan B verkocht, omdat A denktdat de schuldenaar niet in staat zal zijn om te betalen. Indien B dezevordering zou waarderen op de nominale waarde van € 100, dan zou B ophet moment van aankoop een resultaat hebben van € 40. Dat is niet debedoeling. Het voorgestelde artikel 5.57, tweede lid, Wet IB 2001 regelt datde vordering in die situatie wordt gewaardeerd op de waarde in heteconomische verkeer van € 60. Ook in daaropvolgende jaren blijft geldendat de vordering van B wordt gewaardeerd op de waarde in het econo-mische verkeer. Stel dat de financiële positie van de schuldenaar een jaarlater verbetert, waardoor de schuldenaar in staat is om te betalen, dan kande waarde in het economische verkeer van de vordering stijgen naarbijvoorbeeld € 100. Aangezien B de vordering heeft gekocht voor € 60leidt een waardestijging naar € 100 tot een resultaat bij B van € 40.Indien slechts een gedeelte van de vordering wordt verkocht, is hetvoorgestelde artikel 5.57, tweede lid, Wet IB 2001 alleen van toepassing ophet gedeelte van de vordering dat wordt verkocht. Stel A verkoopt eenvordering met nominale waarde van € 100 voor de helft aan B voor € 30.In dat geval houdt A nog een vordering over met een nominale waardevan € 50. Op dit niet verkochte gedeelte van de vordering blijft op grondvan het voorgestelde artikel 5.57, eerste lid, Wet IB 2001 een waarderinggelden op basis van de nominale waarde (in dit geval € 50). Het deel vande vordering dat wordt verkocht, wordt op grond van het voorgesteldeartikel 5.57, tweede lid, Wet IB 2001 gewaardeerd op de waarde in heteconomische verkeer (in dit geval € 30).In het voorgestelde artikel 5.57, derde lid, Wet IB 2001 wordt geregeld datde schuld wordt gewaardeerd op de waarde in het economische verkeerindien de schuld wordt overgenomen of overgedragen voor een tegen-prestatie die afwijkt van de nominale waarde. Dit wordt toegelicht aan dehand van een voorbeeld. Stel B neemt een schuld van € 100 over van Aen A betaalt aan B een bedrag van € 90. Dit bedrag is lager dan denominale waarde, omdat voor de schuld een lagere rente dan demarktrente is afgesproken. Indien B deze schuld zou waarderen op denominale waarde van € 100, dan zou B op het moment van overname eenverlies hebben van € 10. Het voorgestelde artikel 5.57, derde lid, Wet IB2001 regelt daarom dat de schuld in die situatie wordt gewaardeerd op dewaarde in het economische verkeer van € 90. Ook in daaropvolgendejaren blijft gelden dat de schuld van B wordt gewaardeerd op de waardein het economische verkeer. Stel dat de marktrente een jaar later daalt,waardoor de marktrente even hoog is als de voor de schuld afgesprokenrente. In dat geval stijgt de waarde in het economische verkeer van deschuld in absolute zin naar € 100. Aangezien B de schuld heeft overge-nomen voor € 90 leidt een waardering van de schuld op € 100 tot eenverlies bij B van € 10.Indien slechts een gedeelte van de schuld wordt overgenomen, is hetvoorgestelde artikel 5.57, derde lid, Wet IB 2001 alleen van toepassing ophet gedeelte van de schuld dat wordt overgenomen. Stel B neemt eenschuld van € 100 voor de helft over van A en A betaalt aan B een bedragvan € 45. In dat geval houdt A nog een schuld over met een nominalewaarde van € 50. Op dit niet overgenomen gedeelte van de schuld blijftop grond van het voorgestelde artikel 5.57, eerste lid, Wet IB 2001 eenwaardering gelden op basis van de nominale waarde (in dit geval € 50).Het deel van de schuld dat wordt overgenomen, wordt op grond van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3113 voorgestelde artikel 5.57, derde lid, Wet IB 2001 gewaardeerd op dewaarde in het economische verkeer (in dit geval € 45).Artikel 5.58. Waardering levensverzekeringenOp grond van het voorgestelde artikel 5.58 Wet IB 2001 wordt de waardein het economische verkeer van in box 3 vallende levensverzekeringen inde zin van artikel 1.6a Wet IB 2001 voor het bepalen van het resultaat datwordt behaald met bezittingen en schulden gesteld op de actuariëlereservewaarde. De voorgestelde waardering op de actuariële reserve-waarde geldt ook voor het uitzonderlijke geval dat een levensverzekeringin de zin van artikel 1.6a Wet IB 2001 niet bij een professionele verzekeraaris ondergebracht en niet onder de terbeschikkingstellingsregeling vanartikel 3.92, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, Wet IB 2001 valt.Artikelen 5.59 en 5.60. Waardering genotsrechten en waarderingbezittingen waarop een genotsrecht is gevestigdOp grond van de voorgestelde artikelen 5.59, eerste lid, en 5.60, eerste lid,Wet IB 2001 worden genotsrechten en bezittingen waarop een genotsrechtis gevestigd bij het bepalen van het resultaat dat wordt behaald metbezittingen en schulden als bedoeld in het voorgestelde artikel 5.6 Wet IB2001 gewaardeerd op basis van de genoemde artikelen 5.59 en 5.60. Doorbij de waardering van genotsrechten en van bezittingen waarop eengenotsrecht is gevestigd rekening te houden met de looptijd van hetgenotsrecht, worden kosten en opbrengsten toegerekend aan hetkalenderjaar waarop ze betrekking hebben. Met het voorgesteldeartikel 5.59, tweede en derde lid, Wet IB 2001 wordt in dat kader geregelddat een genotsrecht op het tijdstip van vestiging wordt gewaardeerd opde verkrijgingsprijs, waarna gedurende de looptijd van het genotsrechteen jaarlijkse afwaardering geldt. Met het oog op eenvoud is ervoorgekozen om deze afwaardering lineair te berekenen op basis van deverkrijgingsprijs en de looptijd. Een vanuit economisch perspectief meeraccurate verdeling van de totaalopbrengst over de looptijd van hetgenotsrecht is zeer belastend voor burgers en de Belastingdienst.Hiervoor zou jaarlijks de actuariële waarde berekend moeten wordenwaarbij onder andere rekening wordt gehouden met de wijzigingen in demarktrente. Daarom wordt een eenvoudige lineaire methode voorge-steld.83Voor de blote eigenaar geldt op grond van het voorgestelde artikel 5.60,tweede en derde lid, Wet IB 2001 dezelfde (maar uiteraard omgekeerde)systematiek als voor de genotsgerechtigde: een lineaire berekening vande waardeverandering die het gevolg is van de afname van de looptijdvan het genotsrecht op basis van de verkrijgingsprijs van het genotsrechten de looptijd van het genotsrecht. Een eenmalige vergoeding op hettijdstip van vestiging van het genotsrecht tegen een zakelijke prijs is eenvermogensmutatie waarbij op dat tijdstip het totale vermogen van deblote eigenaar gelijk blijft. De verkoopprijs van het genotsrecht is danimmers gelijk aan de waardedaling van de bezitting waarop het genots-recht rust. Elk kalenderjaar wordt de resterende periode waarin hetgenotsrecht op het eigendom is gevestigd korter. Daardoor stijgt dewaarde van het blote eigendom en daalt de waarde van het genotsrecht.De blote eigenaar heeft elk kalenderjaar een positief resultaat vanwege dewaardestijging van het blote eigendom als gevolg van de afname van dewaarde van het genotsrecht. Daar staat tegenover dat de genotsgerech-83Zie voor een beschrijving van en een pleidooi voor deze lineaire methode: Mr. E. van Uunen,«Over genotsrechten, de Wet werkelijk rendement box 3 en Willem Elsschot», FiscaalPraktijkblad 2023–0147, p. 17–25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3114 tigde elk kalenderjaar een negatief resultaat heeft als gevolg van diewaardedaling van het genotsrecht.Bij een onzakelijke verkrijgingsprijs wordt deze ingevolge de voorgesteldeartikelen 5.59, vierde lid, en 5.60, vierde lid, Wet IB 2001 gecorrigeerd engeldt voor de waardering van het genotsrecht op het tijdstip vanverkrijging de waarde in het economische verkeer.Indien de looptijd van een genotsrecht eerder eindigt dan de looptijd opbasis waarvan de waardeverandering is berekend, vindt ingevolge devoorgestelde artikelen 5.59, vijfde lid, en 5.60, vijfde lid, Wet IB 2001 eenvrijval plaats van de resterende waardeverandering. Dit kan zich bijvoor-beeld voordoen bij het voor het einde van de looptijd van het genotsrechtoverlijden van de vruchtgebruiker waardoor het vruchtgebruik eerdereindigt dan beoogd. Het restant van de volgens het voorgesteldeartikel 5.59, tweede tot en met vierde lid, Wet IB 2001 berekende waardevan het genotsrecht valt dan ineens vrij, hetgeen resulteert in een positiefresultaat bij de blote eigenaar en een negatief resultaat bij de genotsge-rechtigde.Indien het vermogensaanwasregime van box 3 van toepassing wordt opeen tijdstip waarop de looptijd van een genotsrecht al is aangevangen,dan wordt op grond van de voorgestelde artikelen 5.59, zesde lid, en 5.60,zesde lid, Wet IB 2001 de lineaire berekening gebaseerd op de waarde inhet economische verkeer van het genotsrecht op dat tijdstip en deresterende looptijd.Ingevolge het voorgestelde artikel 5.59, zevende lid, Wet IB 2001 wordenbij algemene maatregel van bestuur voor de toepassing van de voorge-stelde artikelen 5.59 en 5.60 Wet IB 2001 regels gesteld over het bepalenvan de looptijd van het genotsrecht. In principe zal deze contractueel zijnvastgelegd en zal de tussen partijen overeengekomen looptijd gelden.Voor genotsrechten die afhankelijk zijn van het leven van de genotsge-rechtigde, of van twee of meer levens, zullen levensverwachtingtabellenworden vastgesteld. Indien een looptijd is overeengekomen en hetgenotsrecht tevens eindigt bij overlijden, dan zal eveneens op grond vande levensverwachtingtabel een looptijd worden berekend en geldt dekortste van deze twee (ofwel de overeengekomen looptijd ofwel de opbasis van de levensverwachting berekende looptijd). Voor de situatiewaarin een genotsrecht voor onbepaalde tijd is gevestigd, wordt bijalgemene maatregel van bestuur bepaald welke looptijd in dat gevalwordt gehanteerd voor het berekenen van de waardemutaties.Artikel 5.61. Waardering periodieke uitkeringenIn het voorgestelde artikel 5.61 Wet IB 2001 is een delegatiebepalingopgenomen op grond waarvan door middel van een algemene maatregelvan bestuur regels worden gesteld over de waardering van periodiekeuitkeringen voor de heffing op basis van het voorgestelde hoofdstuk 5Wet IB 2001. Dit artikel komt in de plaats van de delegatiegrondslag die isopgenomen in het huidige artikel 5.23 Wet IB 2001. Alhoewel in hethuidige artikel 5.23 Wet IB 2001 een ruime delegatiegrondslag isopgenomen die gebruikt kan worden voor het stellen van regels over dewaardering van alle bezittingen en schulden, is het huidige artikel 5.23Wet IB 2001 tot nu toe alleen gebruikt voor het stellen van regels over dewaardering van periodieke uitkeringen (zie artikel 19 UBIB 2001). Het isniet te verwachten dat de delegatiegrondslag in de toekomst wel nodig isvoor de waardering van andere bezittingen of schulden. Daarom wordt inhet voorgestelde artikel 5.61 Wet IB 2001 een delegatiegrondslagopgenomen die alleen ziet op de waardering van periodieke uitkeringen.Op deze wijze wordt de delegatiegrondslag zo concreet en nauwkeurigmogelijk begrensd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3115 Artikel 5.62. Genietingstijdstip reguliere voordelenMet het oog op eenvoud voor de belastingplichtige geldt op grond vanhet voorgestelde artikel 5.62, eerste lid, Wet IB 2001 voor regulierevoordelen als hoofdregel het kasstelsel. Door op grond van het voorge-stelde artikel 5.62, tweede lid, Wet IB 2001 het vorderingenstelsel tehanteren voor reguliere voordelen die betrekking hebben op een tijdvakvan langer dan een jaar of op een tijdvak dat meer dan zes maanden voorhet begin van het kalenderjaar is aangevangen, wordt voorkomen datbelastingplichtigen de heffing over dergelijke reguliere voordelenlangdurig naar de toekomst kunnen verschuiven.Artikel 5.63. Genietingstijdstip vervreemdingsvoordelenHet in het voorgestelde artikel 5.63 Wet IB 2001 opgenomen genietings-tijdstip voor vervreemdingsvoordelen is gelijkluidend aan de vergelijkbarebepaling in box 2 (artikel 4.46, eerste lid, Wet IB 2001). Met het begripvervreemding wordt gedoeld op de obligatoire overeenkomst waarmeewordt beoogd om de bezitting te vervreemden. Het tijdstip vanvervreemding is het tijdstip waarop de obligatoire overeenkomst perfectis geworden. Het tijdstip van levering of het tijdstip van betaling is nietrelevant.Artikel 5.64. Tijdstip aftrekbare kosten en verschuldigde renteMet het oog op eenvoud voor de belastingplichtige geldt op grond vanhet voorgestelde artikel 5.64, eerste lid, Wet IB 2001 voor aftrekbarekosten en verschuldigde rente als hoofdregel het kasstelsel. Op grond vanhet voorgestelde artikel 5.64, tweede lid, Wet IB 2001 geldt het vorderin-genstelsel voor aftrekbare kosten en verschuldigde rente die betrekkinghebben op een tijdvak van langer dan een jaar of op een tijdvak dat laterdan zes maanden na afloop van het kalenderjaar eindigt, zodat dezeaftrekbare kosten en verschuldigde rente in aanmerking worden genomenin het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben. Door voor dezeaftrekbare kosten en verschuldigde rente het vorderingenstelsel tehanteren, wordt voorkomen dat belastingplichtigen deze aftrekpostennaar voren kunnen halen.Artikel 5.65. VerliesOp grond van het voorgestelde artikel 5.65 Wet IB 2001 wordt ingeval hetinkomen uit sparen en beleggen in een kalenderjaar een negatief bedragis, dit aangemerkt als verlies uit sparen en beleggen, voor zover ditbedrag in absolute zin hoger is dan € 500. Met deze drempel van € 500wordt bewerkstelligd dat een klein negatief inkomen in box 3 niet wordtaangemerkt als een verrekenbaar verlies. Zoals is toegelicht inparagraaf 3.5 het algemeen deel van deze memorie wordt deze drempelom doelmatigheidsredenen voorgesteld. Met de drempel kan wordenvoorkomen dat veel belastingplichtigen aangifte voor box 3 gaan doenom een klein bedrag aan verliesverrekening veilig te stellen.Met de in het voorgestelde artikel I, onderdeel G, opgenomen aanpassingvan artikel 2.17 Wet IB 2001 wordt in dat artikel geregeld dat het gezamen-lijke inkomen uit sparen en beleggen vóór vermindering met de persoons-gebonden aftrek een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel is. Fiscalepartners kunnen dit gemeenschappelijke inkomensbestanddeel verdelen.Indien het gezamenlijke inkomen negatief is en het gehele negatievebedrag aan één partner wordt toegerekend, dan geldt alleen voor diepartner de in het voorgestelde artikel 5.65 Wet IB 2001 opgenomendrempel van € 500. Indien het bedrag wordt verdeeld tussen beidepartners, dan hebben beide partners een negatief inkomen uit sparen enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3116 beleggen en geldt voor beide partners de in het voorgestelde artikel 5.65Wet IB 2001 opgenomen drempel van € 500. In veel gevallen zal het dusvoordelig zijn om een negatief gezamenlijk inkomen uit sparen enbeleggen aan één partner toe te rekenen. Dit hoeft echter niet altijd zo tezijn. Het geldt bijvoorbeeld niet indien de fiscale partners voor eenvolgend kalenderjaar geen fiscale partners meer zijn, en de voormaligefiscale partner aan wie het negatieve inkomen is toegerekend niet degelegenheid heeft om dit te verrekenen vanwege het ontbreken van een(positief) inkomen uit sparen en beleggen.Artikel 5.66. Te conserveren inkomen buiten beschouwingDe tekst van het voorgestelde artikel 5.66 Wet IB 2001 is ontleend aanartikel 4.48 Wet IB 2001. Op grond van het voorgestelde artikel 5.66 Wet IB2001 wordt voor de toepassing van de voorgestelde afdeling 5.7 Wet IB2001 te conserveren inkomen uit sparen en beleggen buiten beschouwinggelaten. Hierdoor wordt de voorgestelde afdeling 5.7 Wet IB 2001toegepast alsof de te conserveren inkomensbestanddelen niet inaanmerking zijn genomen. In concreto betekent dit dat een uit het gewoneinkomen uit sparen en beleggen voortvloeiend verlies – dus uit hetinkomen dat is geschoond van te conserveren inkomen – kan wordenverrekend met positief gewoon inkomen uit sparen en beleggen uitvolgende jaren. Dit positieve gewone inkomen uit volgende jaren wordtuiteraard eveneens bepaald zonder rekening te houden met te conser-veren inkomen. Op deze wijze wordt bijvoorbeeld voorkomen dat eenverlies uit sparen en beleggen uit enig jaar wordt verrekend met positiefte conserveren inkomen uit sparen en beleggen uit een volgend jaar. Ookwordt indien de berekening van het gewone inkomen uit sparen enbeleggen leidt tot een negatief bedrag dat negatieve bedrag niet gesal-deerd met positief te conserveren inkomen uit sparen en beleggen vanhetzelfde jaar.Artikel 5.67. VerliesverrekeningOp grond van het voorgestelde artikel 5.67, eerste lid, Wet IB 2001 wordteen verlies uit sparen en beleggen in een kalenderjaar onbeperkt in de tijdverrekend met inkomens uit sparen en beleggen van de opvolgendekalenderjaren. Op grond van het voorgestelde artikel 5.67, tweede lid, WetIB 2001, dat is ontleend aan artikel 4.49, tweede lid, Wet IB 2001, wordteen verlies uit sparen en beleggen dat een buitenlandse belastingplichtigeheeft geleden, ook aangemerkt als een verlies uit sparen en beleggen.Op grond van het voorgestelde artikel 5.67, derde lid, Wet IB 2001, dat isontleend aan artikel 4.49, vierde lid, Wet IB 2001, kan de overblijvendepartner een verlies uit sparen en beleggen van zijn overleden partnerverrekenen met inkomens uit sparen en beleggen van de opvolgendekalenderjaren, voor zover dit verlies is ontstaan door de toerekening vannegatieve gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en het daardoorontstane verlies uit sparen en beleggen niet (volledig) is verrekend op hettijdstip waarop de partner aan wie deze inkomensbestanddelen zijntoegerekend overlijdt. Daarnaast geldt de voorwaarde dat zowel debelastingplichtige als de partner op het tijdstip van beëindiging van hetpartnerschap binnenlandse belastingplichtige of kwalificerende buiten-landse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet IB 2001 waren.Artikel 5.68. Vaststelling verliesDe tekst van het voorgestelde artikel 5.68 Wet IB 2001 is ontleend aanartikel 4.50 Wet IB 2001. Op grond van het voorgestelde artikel 5.68, eerstelid, Wet IB 2001 stelt de inspecteur het bedrag van een verlies uit sparenen beleggen vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Op grond van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3117 voorgestelde artikel 5.68, tweede en derde lid, Wet IB 2001 wordt debeschikking gegeven gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag overhet jaar waarin het verlies is ontstaan en wordt het bedrag van het verliesuit sparen en beleggen afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld. Met dezekoppeling aan het vaststellen van de aanslag wordt bereikt dat voor hetgeven van de beschikking dezelfde termijn geldt als voor het vaststellenvan de aanslag. Als de beschikking niet of niet tijdig wordt gegeven,terwijl de inspecteur daartoe wel verplicht was omdat een aanslag isvastgesteld of vastgesteld had moeten worden, kan de belastingplichtigeop grond van artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht eenbezwaarschrift indienen bij de inspecteur om het geleden verlies alsnogbij voor bezwaar vatbare beschikking te laten vaststellen. De koppelingvan de verliesvaststellingsbeschikking aan het vaststellen van de aanslagbetekent in dit geval ook dat voor het indienen van een dergelijk bezwaar-schrift dezelfde termijn geldt als voor het indienen van een bezwaarschrifttegen het niet tijdig vaststellen van de aanslag. Indien geen belastingverschuldigd is en om die reden geen aanslag wordt opgelegd, kan debelastingplichtige die een verlies wil laten vaststellen aangifte doen opgrond van artikel 9.4, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001. De inspecteurzal in dat geval een nihilaanslag opleggen en gelijktijdig met die aanslaghet bedrag van het verlies bij beschikking vaststellen.Het voorgestelde artikel 5.68, vierde lid, Wet IB 2001 geeft de inspecteurde bevoegdheid de beschikking te herzien indien enig feit grond oplevertvoor het vermoeden dat het bedrag van het verlies uit sparen en beleggente hoog is vastgesteld. Deze herziening vindt plaats bij voor bezwaarvatbare beschikking.In het voorgestelde artikel 5.68, vijfde lid, Wet IB 2001 wordt geregeld dateen feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnenzijn, geen grond voor herziening oplevert, tenzij de belastingplichtige terzake van dit feit te kwader trouw is.Het voorgestelde artikel 5.68, zesde lid, Wet IB 2001 bewerkstelligt datartikel 16, tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, derde lid en vierde lid,van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing wordtverklaard op deze herzieningen. Aangezien het vaststellen van een verlieste vergelijken is met het vaststellen van de aanslag, wordt voor deherzieningsmogelijkheden aangesloten bij de in artikel 16 AWRopgenomen navorderingsmogelijkheden voor het geval dat een aanslagten onrechte achterwege is gebleven of te laag is vastgesteld. De termijnwaarbinnen de inspecteur de beschikking kan herzien, begint, door hetvan overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 16 AWR, te lopenvanaf het einde van het jaar waarop het verlies betrekking heeft.Artikel 5.69. Formalisering verliesverrekeningDe tekst van het voorgestelde artikel 5.69 Wet IB 2001 is ontleend aanartikel 4.52 Wet IB 2001. Op grond van het voorgestelde artikel 5.69, eerstelid, Wet IB 2001 vindt verrekening van een verlies uit sparen en beleggenmet het inkomen uit sparen en beleggen van een volgend kalenderjaarplaats bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. Hiermeewordt duidelijkheid geboden omtrent het bedrag van het verrekendeverlies.Het voorgestelde artikel 5.69, tweede lid, Wet IB 2001 bewerkstelligt datdeze beschikking gelijktijdig wordt gegeven met het vaststellen van deaanslag over het betreffende kalenderjaar. Hierdoor wordt het proces vande aanslagregeling gevolgd en is de termijn voor het geven van dezebeschikking gelijk aan de termijn voor het vaststellen van de aanslag overhet kalenderjaar waarin de verliesverrekening plaatsvindt.Op grond van het voorgestelde artikel 5.69, derde lid, Wet IB 2001 wordthet bedrag van het verrekende verlies afzonderlijk op het aanslagbiljetvermeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3118 Het voorgestelde artikel 5.69, vierde lid, Wet IB 2001 regelt de rechtsmid-delen tegen de beschikking. De belastingplichtige kan uitsluitend bezwaarmaken tegen de toepassing van het voorgestelde artikel 5.67 Wet IB 2001,alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van hetverrekende bedrag. Het eerste rechtsmiddel ziet dus op de toepassing vanhet voorgestelde artikel 5.67 Wet IB 2001. Bij dit rechtsmiddel is de hoogtevan het verrekende verlies niet in geding. Bij het tweede rechtsmiddel isdit wel het geval: het voorziet in een bezwaarmogelijkheid tegen hetbedrag van het verrekende verlies voor gevallen waarin er geen bezwaarkan worden gemaakt tegen de aanslag over het jaar waarnaar het verlieswordt voortgewenteld (bijvoorbeeld omdat er ten gevolge van deverliesverrekening geen belasting is verschuldigd en er dus geen«belang» is). In de gevallen waarin de belastingplichtige wel tegen deaanslag bezwaar kan maken, zou een afzonderlijke bezwaarmogelijkheidtegen de grootte van het verrekende bedrag een doublure vormen en isdit daarom uitgesloten.Artikel I, onderdeel S (artikel 6.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Volgens het voorgestelde artikel 5.1 Wet IB 2001 wordt het belastbareinkomen uit sparen en beleggen bepaald door het inkomen uit sparen enbeleggen te verminderen met de te verrekenen verliezen uit sparen enbeleggen. Aangezien de persoonsgebonden aftrek wordt afgetrokken vóórvermindering met de te verrekenen verliezen uit sparen en beleggen,wordt voorgesteld om in artikel 6.2, tweede en derde lid, Wet IB 2001 deverwijzing naar het belastbare inkomen uit sparen en beleggen – in lijnmet de verwijzingen naar het box 1-inkomen en box 2-inkomen – tewijzigen in een verwijzing naar het inkomen uit sparen en beleggen. Devoorgestelde aanpassing van artikel 6.2, vierde lid, Wet IB 2001 is nodig,omdat in dit wetsvoorstel met de voorgestelde wijziging van artikel 2.8,eerste lid, Wet IB 2001 wordt geregeld dat ook in box 3 sprake zal kunnenzijn van te conserveren inkomen. Tevens worden enkele redactioneleverbeteringen voorgesteld.Artikel I, onderdeel T (artikel 7.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met het voorgestelde artikel 7.7, eerste tot en met derde lid, Wet IB 2001wordt bewerkstelligd dat het nieuwe stelsel voor het bepalen van hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen, zoals opgenomen in hetvoorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 (met uitzondering van de persoons-gebonden aftrek, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.2 Wet IB 2001),overeenkomstig van toepassing is voor buitenlandse belastingplichtigen,waar het gaat om de bezittingen in Nederland en de schulden die met diebezittingen verband houden. Dit betreft dezelfde bezittingen en schuldendie thans bij buitenlandse belastingplichtigen belast zijn in de forfaitairerendementsheffing. Hierin is verder geen wijziging beoogd.Veelal gaat het hier om in Nederland gelegen onroerende zaken of rechtendie direct of indirect betrekking hebben daarop. Het resultaat dat wordtbehaald met deze bezittingen wordt in het vermogenswinstregimebepaald op grond van het voorgestelde artikel 5.15 Wet IB 2001. Ook deschulden die verband houden met deze bezittingen worden in de heffingbetrokken. Het resultaat dat wordt behaald met schulden wordt in hetvermogensaanwasregime bepaald op grond van het voorgesteldeartikel 5.6 Wet IB 2001.In het voorgestelde artikel 7.7, vierde tot en met zevende lid, Wet IB 2001staan regels over verliesverrekening. Net zoals voor binnenlandsebelastingplichtigen wordt in het voorgestelde artikel 7.7, vierde lid, Wet IB2001 ook voor buitenlandse belastingplichtigen een drempel van € 500voorgesteld. Deze drempel houdt in dat een negatief inkomen alleenwordt aangemerkt als verlies, voor zover het negatieve inkomen inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3119 absolute zin hoger is dan € 500. Indien de buitenlandse belastingplichtigeeen deel van het kalenderjaar binnenlands belastingplichtig is en negatiefbox 3-inkomen heeft uit die periode, dan wordt op grond van hetvoorgestelde artikel 7.7, vijfde en zesde lid, Wet IB 2001 de drempel voorhet negatieve inkomen uit de buitenlandse periode verlaagd voor zovervan de drempel gebruikgemaakt wordt in de binnenlandse periode.Buitenlandse belastingplichtigen mogen op grond van het voorgesteldeartikel 7.7, eerste, vierde en zevende lid, Wet IB 2001 zowel de verliezen inbox 3 uit een eventuele binnenlandse periode als de verliezen in box 3 uitde buitenlandse periode verrekenen met box 3-inkomen uit de opvol-gende kalenderjaren overeenkomstig de regels van de voorgesteldeafdeling 5.7 Wet IB 2001. Een vergelijkbare regeling voor binnenlandsebelastingplichtigen is opgenomen in het voorgestelde artikel 5.67, tweedelid, Wet IB 2001. Op grond van het voorgestelde artikel 5.67, tweede lid,Wet IB 2001 kunnen binnenlandse belastingplichtigen verliezen in box 3uit een eventuele buitenlandse periode verrekenen met box 3-inkomen uitde opvolgende kalenderjaren.Artikel I, onderdeel U (artikel 7.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001)In verband met het voorgestelde vervallen van de schuldendrempel inbox 3 wordt voorgesteld artikel 7.8, derde lid, onderdeel b, Wet IB 2001 telaten vervallen en de redactie van artikel 7.8, derde lid, Wet IB 2001 daaropaan te passen.Artikel I, onderdeel V (artikel 9.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 9.4 Wet IB 2001 worden – inlijn met het vervallen van het begrip «rendementsgrondslag» in hetvoorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 – de in dat artikel opgenomenverwijzingen naar het begrip «rendementsgrondslag» vervangen doorverwijzingen naar het begrip «vermogen sparen en beleggen». Dat begripwordt uitgewerkt in het voorgestelde artikel 9.4bis Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel W (artikelen 9.4bis en 9.4ter van de Wet inkomstenbe-lasting 2001)In het voorgestelde artikel 9.4bis, eerste lid, Wet IB 2001 wordt geregeldop welke wijze het zogenoemde vermogen sparen en beleggen en hetzogenoemde gezamenlijke vermogen sparen en beleggen wordenberekend. Het vermogen sparen en beleggen wordt bepaald door dewaarde van de bezittingen, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.4 Wet IB2001, te verminderen met de waarde van de schulden, bedoeld in hetvoorgestelde artikel 5.5 Wet IB 2001. Het voor fiscale partners geldendegezamenlijke vermogen sparen en beleggen wordt bepaald door dewaarde van de gezamenlijke bezittingen, bedoeld in het voorgesteldeartikel 5.4 Wet IB 2001, te verminderen met de waarde van de gezamen-lijke schulden, bedoeld in het voorgestelde artikel 5.5 Wet IB 2001.Voor de waardering van bezittingen en schulden wordt bij het bepalen vanhet (gezamenlijke) vermogen sparen en beleggen ingevolge het voorge-stelde artikel 9.4bis, tweede lid, eerste zin, Wet IB 2001 in principeaangesloten bij de waarde in het economische verkeer aan het begin vanhet kalenderjaar, met overeenkomstige toepassing van de bepalingen inde voorgestelde afdeling 5.5 Wet IB 2001. Bij het bepalen van het(gezamenlijke) vermogen sparen en beleggen wordt de waarde vanwoningen op grond van het voorgestelde artikel 9.4bis, tweede lid,tweede zin, Wet IB 2001 echter bepaald volgens het voorgesteldeartikel 9.4ter Wet IB 2001. De waarderingsregels die voor woningen zijnopgenomen in het voorgestelde artikel 9.4ter Wet IB 2001 zijn gelijk aan dewaarderingsregels in het huidige artikel 5.20 Wet IB 2001. Er is voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3120 gekozen om bij de waardering van woningen niet aan te sluiten bij eenwaarderingsregel uit het voorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001. In hetvoorgestelde artikel 5.20 Wet IB 2001 is een waarderingsregel opgenomenin het kader van de vastgoedbijtelling, maar in dat artikel wordt geenrekening gehouden met het waardedrukkende effect van verhuur en vanerfpacht,84 terwijl het in het kader van het bepalen van het vermogensparen en beleggen wenselijk is om hier wel rekening mee te houden.Het voorgestelde artikel 9.4bis, derde lid, Wet IB 2001 bevat een regelingvoor de toerekening van bezittingen en schulden van het minderjarigekind. Bezittingen en schulden van het minderjarige kind worden door hetvoorgestelde van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 2.15,tweede tot en met vierde lid, Wet IB 2001 voor het bepalen van hetvermogen sparen en beleggen van de ouder die het gezag uitoefent overdat kind, toegerekend aan die ouder. Met de ouder die het gezag over hetkind uitoefent, wordt, indien niet tevens een andere ouder het gezaguitoefent, gelijkgesteld de ouder van wie het gezag is beëindigd op grondvan artikel 1:266 BW. Indien het gezag over het kind aan meer dan éénouder toekomt, worden de bezittingen en schulden, bedoeld in hetvoorgestelde artikel 9.4bis, eerste lid, Wet IB 2001 in gelijke delen aanieder van hen toegerekend.Het bedrag van het vermogen sparen en beleggen of het gezamenlijkevermogen sparen en beleggen wordt op grond van het voorgesteldeartikel 9.4a, eerste lid, Wet IB 2001 bij beschikking vastgesteld, zie vooreen toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting bij de in het voorge-stelde artikel I, onderdeel X, opgenomen wijzigingen van artikel 9.4a WetIB 2001.Artikel I, onderdeel X (artikel 9.4a van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 9.4a Wet IB 2001 wordtbewerkstelligd dat – in lijn met het vervallen van het begrip «rendements-grondslag» in het voorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001 – de beschikkingbedrag rendementsgrondslag komt te vervallen. Deze wordt ingevolge hetvoorgestelde artikel 9.4a, eerste lid, Wet IB 2001 vervangen door debeschikking bedrag vermogen sparen en beleggen. Met de beschikkingbedrag vermogen sparen en beleggen wordt net als met de beschikkingbedrag rendementsgrondslag beoogd het box 3-vermogen op 1 januarivan het kalenderjaar vast te stellen. Voor de vermogenstoets in inkomens-en vermogensafhankelijke regelingen zijn namelijk meerdere bestuursor-ganen afhankelijk van de gegevens van de Belastingdienst over de hoogtevan het vermogen, waaronder de Dienst Toeslagen, het Centraal Adminis-tratiekantoor, de Dienst Uitvoering Onderwijs, de Raad voor de Rechtsbij-stand, de Sociale Verzekeringsbank en gemeenten.Bij de inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging van artikel 9.4a WetIB 2001 worden de bedragen die zijn opgenomen in het voorgesteldeartikel 9.4a, eerste lid, Wet IB 2001 geactualiseerd op grond van hetvoorgestelde artikel VI.De belastingplichtige die het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft ofgeacht wordt te hebben gehad, heeft ingevolge het voorgesteldeartikel 9.4a, eerste lid, Wet IB 2001 met zijn partner een gezamenlijkvermogen sparen en beleggen. Het voorgestelde artikel 9.4a, tweede lid,eerste zin, Wet IB 2001 regelt dat de belastingplichtige en zijn partner hetgezamenlijke vermogen sparen en beleggen onderling vrij kunnentoerekenen. Voor zover de belastingplichtige en zijn partner geenonderlinge verhouding kiezen voorziet het voorgestelde artikel 9.4a,tweede lid, tweede zin, Wet IB 2001 in een gelijke toerekening tussenbeide partners van het gezamenlijke vermogen sparen en beleggen.84Zie voor een toelichting hierop de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel 5.20Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3121 Ingevolge het voorgestelde artikel 9.4a, tweede lid, derde zin, Wet IB 2001kan de toerekening worden gewijzigd tot het tijdstip waarop debeschikking bedrag vermogen sparen en beleggen onherroepelijkvaststaat of, in voorkomend geval, tot zes weken na een uitspraak van deHoge Raad waardoor de beschikking onherroepelijk komt vast te staan.Artikel I, onderdeel Y (artikel 9.5a van de Wet inkomstenbelasting 2001)In artikel 9.5a Wet IB 2001 is een delegatiebepaling opgenomen voor hetvaststellen van forfaitaire rendementspercentages voor banktegoeden enschulden voor op te leggen voorlopige aanslagen. Bij de berekening vanhet werkelijke rendement op grond van het voorgestelde hoofdstuk 5 WetIB 2001 wordt er voor banktegoeden en schulden geen forfaitair rende-mentspercentage meer gehanteerd. Om deze reden wordt voorgesteld omartikel 9.5a Wet IB 2001 te laten vervallen.Artikel I, onderdeel Z (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.1, eerste lid, Wet IB 2001wordt geregeld welke in het voorgestelde hoofdstuk 5 Wet IB 2001opgenomen bedragen jaarlijks zullen worden geïndexeerd en dat hetenkele malen in het voorgestelde artikel 7.7 Wet IB 2001 opgenomenbedrag jaarlijks zal worden geïndexeerd. Het gaat om bedragen inzake hetheffingsvrije resultaat (zie het voorgestelde artikel 5.40 Wet IB 2001), devrijstelling van bepaalde rechten (zie het voorgestelde artikel 5.56 Wet IB2001) en de verliesverrekeningsdrempel (zie het voorgestelde artikel 5.65Wet IB 2001 en het voorgestelde artikel 7.7 Wet IB 2001). Daarnaast wordthiermee geregeld voor welke bepalingen in het huidige hoofdstuk 5 WetIB 2001 geen indexatie meer hoeft plaats te vinden, omdat de voorge-stelde tekst van die bepalingen geen bedragen bevatten. Dat betreft deartikelen 5.3, 5.5 en 5.10 Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel AA (artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbelasting2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.6ter Wet IB 2001 komt in lijnmet de voorgestelde vervanging van de forfaitaire rendementsheffingdoor een heffing op basis van werkelijk rendement de jaarlijksevervanging van de forfaitaire rendementen voor sparen en beleggen tevervallen. Wel blijft de jaarlijkse vervanging van het forfaitaire rendementin box 2 voor aandelen in of winstbewijzen van een ingevolge artikel 6avan de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 vrijgestelde beleggingsin-stelling als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 ofvoor aandelen in of winstbewijzen van een buitenlands beleggingsli-chaam als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 instand. Het onderhavige wetsvoorstel bevat uitsluitend wijzigingen dienoodzakelijk zijn voor de invoering van een heffing over werkelijkrendement in box 3. Voor het forfaitaire rendement in box 2 vooraandelen in of winstbewijzen van een vrijgestelde beleggingsinstelling ofvoor aandelen in of winstbewijzen van een buitenlands beleggingsli-chaam wordt daarom geen wijziging voorgesteld.Artikel I, onderdeel BB (artikel 10.8a van de Wet inkomstenbelasting 2001)Het voorgestelde artikel 10.8a, eerste lid, Wet IB 2001 introduceert eenadministratie- en bewaarplicht voor een natuurlijk persoon die eenresultaat uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001behaalt. Het voorgestelde artikel 10.8a, eerste lid, Wet IB 2001 regeltnamelijk dat artikel 52 AWR van overeenkomstige toepassing is in diesituatie. Dit betekent onder andere dat de administratieplichtige metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3122 betrekking tot het behaalde resultaat uit sparen en beleggen is gehoudenvan de vermogenstoestand en van alles betreffende het resultaat uitsparen en beleggen naar de eisen van dat resultaat op zodanige wijze eenadministratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden enandere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijdede rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belastingoverigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Deuiteindelijke inhoud en omvang van de administratie- en bewaarplichthangt af van de omvang, aard en complexiteit van het resultaat.Het voorgestelde artikel 10.8a, tweede lid, Wet IB 2001 biedt demogelijkheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuurresultaten die vallen onder het voorgestelde artikel 10.8a, eerste lid, WetIB 2001 uit te sluiten van de administratie- en bewaarplicht. Dit is mogelijkin het geval dat op andere wijze voldoende gegevens en inlichtingenworden verkregen door de Belastingdienst. In dit geval is eenadministratie- en bewaarplicht voor de belastingplichtige niet langernoodzakelijk.Huidige voorbeelden waarvoor de uitsluiting van de voorgesteldeadministratie- en bewaarplicht zal gelden zijn de resultaten uit sparen enbeleggen waarvan voldoende gegevens en inlichtingen worden verkregenop grond van artikel 10.8, eerste lid, Wet IB 2001 en artikel 22 UBIB 2001.Op grond van voornoemde wet- en regelgeving zijn bepaalde administra-tieplichtigen, waaronder banken en andere soorten financiële instellingen,onder andere verplicht om jaarlijks de waarde in het economische verkeervan beleggingsproducten alsmede gegevens inzake genoten opbrengstenen ingehouden belastingen inzake die beleggingsproducten te verstrekkenaan de Belastingdienst. De uitsluiting van de voorgestelde administratie-en bewaarplicht zal ook gelden in het geval dat voldoende gegevens eninlichtingen, nationaal en internationaal, worden verkregen door deBelastingdienst.Op grond van artikel 10.8, eerste lid, Wet IB 2001 en artikel 22 UBIB 2001leveren banken, beleggingsinstellingen, financiële instellingen, levensver-zekeraars et cetera automatisch financiële gegevens en inlichtingen aande Belastingdienst aan over diverse bezittingen en schulden in box 3.Buitenlandse financiële instellingen leveren op basis van de CommonReporting Standard (CRS) en Foreign Account Tax Compliance Act(FATCA) automatisch financiële gegevens en inlichtingen aan de Belas-tingdienst aan over bankrekeningen, kapitaal- en lijfrenteverzekeringen enfinanciële producten zoals effecten. Op grond van de zogenoemdeDAC8-richtlijn worden met ingang van 2026 automatisch gegevens overcrypto-activa verstrekt aan de Belastingdienst. Resultaten die wordenbehaald met bezittingen en schulden waarvan via de genoemde financiëleinstellingen gegevens worden verstrekt vallen niet onder de administratie-en bewaarplicht.Op grond van het voorgestelde artikel 10.8a, derde lid, Wet IB 2001kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tothet nakomen van de voorgestelde administratie- en bewaarplicht. Via eendergelijke regeling kan meer invulling worden gegeven aan de verplich-tingen waaraan een belastingplichtige dient te voldoen. Hierdoor zal debelastingplichtige meer rechtszekerheid ervaren door de aangereiktehandvatten.Het voorgestelde artikel 10.8a, vierde lid, Wet IB 2001 ziet op de termijnvan de bewaarplicht. Teneinde de bewaarplicht voor deze groep adminis-tratieplichtigen proportioneel te maken, wordt voorgesteld om de termijnvan de bewaarplicht korter te maken dan de reguliere zeven jaar.85 Devoorgestelde bewaartermijn sluit aan bij de aanslagtermijn van artikel 11,derde lid, AWR. In de regel bedraagt deze termijn drie jaar na het tijdstipwaarop de belastingschuld is ontstaan. In gevallen waarin uitstel voor het85Artikel 52, vierde lid, AWR.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3123 doen van aangifte is verkregen, wordt deze termijn met de duur van dituitstel verlengd. In de meer uitzonderlijke situatie dat binnen zes maandenvoor het einde van de aanslagtermijn een «spontane aangifte» inkomsten-belasting wordt ingediend, dat wil zeggen dat gegevens als bedoeld inartikel 9, vierde lid, AWR worden verstrekt zonder dat daaraan eenuitnodiging tot het indienen van een aangifte is voorafgegaan, wordt dietermijn met zes maanden verlengd. Deze verlenging geldt ook in desituatie waarbij iemand niet de gegevens spontaan verstrekt, maar eerstop grond van artikel 6, tweede of derde lid, AWR de inspecteur heeftverzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.Het voorgestelde artikel 10.8a, vijfde lid, Wet IB 2001 ziet op de gevolgenvan het niet nakomen van de administratie- en bewaarplicht ingevolge hetvoorgestelde artikel 10.8a, eerste lid, Wet IB 2001. Een schending van dezeverplichtingen kan door de inspecteur worden vastgesteld door middelvan een informatiebeschikking op grond van artikel 52a AWR. In het gevaldat een informatiebeschikking onherroepelijk wordt, treedt op grond vanartikel 25, derde lid, AWR bij bezwaar en op grond van de artikelen 27e,eerste lid, en 27h, tweede lid, AWR bij beroep en hoger beroep dezogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast in werking. Hetvoorgaande houdt kort samengevat in dat de belastingplichtige dient tedoen blijken (overtuigend aantonen) dat de belastingaanslag, debeschikking of de uitspraak op bezwaar met betrekking tot die belasting-aanslag of beschikking onjuist is. Uit jurisprudentie volgt dat niet elkgebrek in de administratie leidt tot de conclusie dat de administratiever-plichting is geschonden86en dat niet elke schending van de administratie-verplichting voldoende zwaar is om de omkering en verzwaring van debewijslast in werking te laten treden. Hiermee wordt reeds de proportio-naliteit gewaarborgd.Teneinde de proportionaliteit bij de omkering en verzwaring van debewijslast nog meer te waarborgen, wordt met het voorgesteldeartikel 10.8a, vijfde lid, Wet IB 2001 expliciet vastgelegd dat de omkeringen verzwaring van de bewijslast alleen geldt ten aanzien van een resultaatuit sparen en beleggen als bedoeld in het voorgestelde artikel 10.8a,eerste lid, Wet IB 2001. Daarmee geldt de omkering en verzwaring van debewijslast bij een schending van de verplichtingen ingevolge hetvoorgestelde artikel 10.8a, eerste lid, Wet IB 2001 niet voor de gehele(onderliggende) belastingaanslag of beschikking. Een dergelijke partiëleomkering van de bewijslast is bij een (bij een informatiebeschikkingvastgestelde) schending van de administratie- en bewaarplicht injurisprudentie87 niet uitgekristalliseerd. Tot het tijdstip waarop hierovermeer duidelijkheid bestaat in jurisprudentie of in het kader van hetonderzoek naar de informatiebeschikking88 nadere beleidskeuzes wordengemaakt, zal het voorgestelde artikel 10.8a, vijfde lid, Wet IB 2001 reedseen partiële omkering van de bewijslast introduceren tijdens bezwaar en(hoger) beroep en daarmee als lex specialis gelden.Artikel I, onderdeel CC (artikel 10.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 10.11, eerste lid, Wet IB 2001worden de verwijzingen naar de artikelen 5.16a en 5.17 Wet IB 2001gewijzigd in verwijzingen naar de voorgestelde artikelen 5.44 en 5.47 WetIB 2001. Deze aanpassing is in lijn met de voorgestelde verplaatsing vande tekst van artikel 5.16a Wet IB 2001 naar artikel 5.44 Wet IB 2001,onderscheidenlijk de voorgestelde verplaatsing van de tekst vanartikel 5.17 Wet IB 2001 naar artikel 5.47 Wet IB 2001.86HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:986.87HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767.88Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 6, p. 15–16.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3124 Artikel I, onderdeel DD (artikel 10a.15 van de Wet inkomstenbelasting2001)Het huidige artikel 10a.15 Wet IB 2001 bevat het inmiddels uitgewerkteovergangsrecht met betrekking tot de invoering van nettolijfrenten ennettopensioenen per 1 januari 2015. Voorgesteld wordt om thans ingenoemd artikel het bij de voorgestelde artikelen 5.46, derde lid, en 5.52,tweede lid, Wet IB 2001 behorende overgangsrecht op te nemen. Opgrond van die bepalingen wordt – kort gezegd – in het kalenderjaar na hetkalenderjaar waarin een onregelmatige handeling plaatsvindt het in deafgelopen tien kalenderjaren ter zake van die nettolijfrenten en netto-pensioenen vrijgestelde resultaat behaald met bezittingen en schulden inaanmerking genomen. Het voorgestelde artikel 10a.15 Wet IB 2001 regelthoe deze regeling moet worden toegepast met betrekking tot kalender-jaren voorafgaand aan 1 januari 2028.89Het voorgestelde artikel 10a.15, eerste lid, Wet IB 2001 voorziet voor diekalenderjaren in toepassing van het huidige artikel 5.2 Wet IB 2001 en dehuidige artikelen 5.16c, derde lid, onderscheidenlijk 5.17e, tweede lid, WetIB 2001 voor de berekening van het na een onregelmatige handeling inaanmerking te nemen voordeel uit sparen en beleggen. Daarbij wordt opgrond van het voorgestelde artikel 10a.15, eerste lid, Wet IB 2001 perkalenderjaar het voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking genomendat ter zake van dat kalenderjaar in aanmerking zou zijn genomen alsgevolg van de toepassing van de huidige artikelen 5.16c, derde lid,onderscheidenlijk 5.17e, tweede lid, Wet IB 2001. Bij de berekening vandat voordeel uit sparen en beleggen wordt uitgegaan van de rendements-grondslag die in dit kader op grond van de huidige artikelen 5.16c, derdelid, onderscheidenlijk 5.17e, tweede lid, Wet IB 2001 in aanmerking zouzijn genomen. Op grond van die bepalingen wordt de in totaal (voor tienkalenderjaren) in aanmerking te nemen rendementsgrondslag gesteld opde helft van de waarde van de aanspraak aan het begin van het jaarwaarin de onregelmatige handeling plaatsvindt op de betreffendenettolijfrente, onderscheidenlijk het betreffende nettopensioen.Uitgangspunt daarbij is dat de waarde van de betreffende nettolijfrente,onderscheidenlijk het betreffende nettopensioen, in tien kalenderjarengelijkmatig is opgebouwd.Op de kalenderjaren die volgen op 31 december 2027 vindt gelijk devoorgestelde structurele regeling (dat wil zeggen de voorgesteldeartikelen 5.46, derde lid, onderscheidenlijk 5.52, tweede lid, Wet IB 2001)toepassing. Daarbij wordt het resultaat dat wordt behaald met bezittingenen schulden van de aanspraak op een nettolijfrente of een nettopensioenberekend conform de systematiek van het voorgestelde artikel 5.6 Wet IB2001.De in het voorgestelde artikel 10a.15, eerste lid, Wet IB 2001 opgenomenforfaitaire berekening conform artikel 5.16c, derde lid, Wet IB 2001,onderscheidenlijk artikel 5.17e, tweede lid, Wet IB 2001, zoals die artikelenluidden op 31 december 2027 kan ertoe leiden dat er over de genoemdekalenderjaren meer belasting is verschuldigd dan het totale bedrag aanbelasting en belastingrente dat verschuldigd zou zijn indien de in debetreffende kalenderjaren genoten vrijstelling door middel van navorde-ringsaanslagen ongedaan zou zijn gemaakt. Om belastingplichtigen op ditpunt tegemoet te komen is in het voorgestelde artikel 10a.15, tweede lid,onderdeel a, Wet IB 2001 geregeld dat de huidige tegenbewijsregelingenvan de artikelen 5.16c, vierde lid, en 5.17e, derde lid, Wet IB 2001 voor debetreffende kalenderjaren van overeenkomstige toepassing zijn. Indien debelastingplichtige aannemelijk kan maken dat het bedrag aan belasting89De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding worden de data 1 januari 2028 en 31 december 2027 in hetvoorgestelde artikel 10a.15 Wet IB 2001 nog aangepast op grond van artikel VII.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3125 dat is verschuldigd over het op grond van het voorgestelde artikel 10a.15,eerste lid, Wet IB 2001 berekende voordeel uit sparen en beleggen,bedoeld in het huidige artikel 5.2 Wet IB 2001, van de aanspraak hoger isdan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente die zoudenzijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de kalender-jaren voorafgaand aan 1 januari 2028 genoten vrijstelling van het voordeeluit sparen en beleggen door middel van navorderingsaanslagenongedaan te maken, wordt in afwijking van het voorgesteldeartikel 10a.15, eerste lid, Wet IB 2001 een bedrag in aanmerking genomenals voordeel uit sparen en beleggen ter grootte van laatstgenoemdbedrag.Voor de uitvoerbaarheid en de duidelijkheid van de regeling wordt in hetvoorgestelde artikel 10a.15, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 geregelddat ter zake van elk van die kalenderjaren een tiende deel van de aldusberekende rendementsgrondslag in aanmerking wordt genomen. Het opbasis daarvan conform het huidige artikel 5.2 Wet IB 2001 voor debetreffende kalenderjaren in aanmerking te nemen voordeel uit sparen enbeleggen wordt voor de toepassing van de voorgestelde artikelen 5.46,derde lid, onderscheidenlijk 5.52, tweede lid, Wet IB 2001, als bijtelling inaanmerking genomen.Het voorgestelde artikel 10a.15, tweede lid, onderdeel c, Wet IB 2001bepaalt dat bij toepassing van het voorgestelde artikel 10a.15, eerste lid,Wet IB 2001 geen rekening wordt gehouden met het heffingvrijevermogen. Daarmee wordt voor de betreffende jaren de berekeningssys-tematiek van het huidige stelsel gecontinueerd.Artikel I, onderdeel EE (artikel 10a.25 van de Wet inkomstenbelasting2001)Met de voorgestelde wijzigingen van artikel 10a.25, tweede lid, Wet IB2001 wordt de verwijzing naar artikel 5.17 Wet IB 2001 – in lijn met devoorgestelde verplaatsing van de tekst van artikel 5.17 Wet IB 2001 naarartikel 5.47 Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar het voorge-stelde artikel 5.47 Wet IB 2001. Tevens wordt de verwijzing naar 5.16,vierde lid, Wet IB 2001 – in lijn met de voorgestelde verplaatsing van detekst van artikel 5.16, vierde lid, Wet IB 2001 naar artikel 5.43, vierde lid,Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar het voorgesteldeartikel 5.43, vierde lid, Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel FF (artikel 10a.26 van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de voorgestelde wijziging van artikel 10a.26, eerste lid, Wet IB 2001wordt de verwijzing naar artikel 5.17 Wet IB 2001 – in lijn met de voorge-stelde verplaatsing van de tekst van artikel 5.17 Wet IB 2001 naarartikel 5.47 Wet IB 2001 – gewijzigd in een verwijzing naar het voorge-stelde artikel 5.47 Wet IB 2001.Artikel I, onderdeel GG (artikel 10a.27 van de Wet inkomstenbelasting2001)De voorgestelde wijziging van artikel 10a.27 Wet IB 2001 is nodig, omdatde in de huidige afdeling 5.3B Wet IB 2001 opgenomen vrijstelling voornettopensioenen is opgenomen in de voorgestelde paragraaf 5.4.3 Wet IB2001, die wat de mogelijke toepassing van artikel 10a.27 Wet IB 2001betreft niet afwijkt van de huidige afdeling 5.3B Wet IB 2001.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3126 Artikel I, onderdeel HH (artikel 10a.30 van de Wet inkomstenbelasting2001)In het voorgestelde artikel 5.57, eerste lid, Wet IB 2001 wordt bepaald datvorderingen en schulden uit hoofde van een geldleningsovereenkomsttussen natuurlijke personen jaarlijks worden gewaardeerd op de nominalewaarde. Dit wijkt af van de waarderingsmethode voor vorderingen enschulden die tot 1 januari 202890 in box 3 is voorgeschreven, namelijkwaardering tegen de waarde in het economische verkeer. De inartikel 10a.30, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 voorgestelde overgangs-bepaling is bedoeld om te voorkomen dat waardeontwikkelingen die zichvoor 1 januari 2028 hebben voorgedaan en reeds forfaitair zijn belast inhet huidige box 3-stelsel, nogmaals in de heffing worden betrokken alseen vordering of schuld die op 1 januari 2028 tot het vermogen van debelastingplichtige behoort, geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd ofprijsgegeven, onderscheidenlijk geheel of gedeeltelijk wordt overge-dragen of kwijtgescholden. Daartoe wordt bepaald dat voor dergelijkevorderingen en schulden het resultaat dat wordt behaald met bezittingenen schulden in het kalenderjaar waarin de vordering geheel of gedeeltelijkwordt vervreemd of prijsgegeven, onderscheidenlijk de schuld geheel ofgedeeltelijk wordt overgedragen of kwijtgescholden, wordt gesteld op hetbedrag dat in aanmerking zou zijn genomen indien de vordering,onderscheidenlijk de schuld, aan het begin van het kalenderjaar 2028 wasgewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer.Artikel I, onderdeel HH (artikel 10a.31 van de Wet inkomstenbelasting2001)Met het voorgestelde artikel 10a.31, eerste lid, Wet IB 2001 wordt geregelddat de verkrijgingsprijs van onroerende zaken en aandelen in of winstbe-wijzen van een startende onderneming die op 1 januari 2028 tot debezittingen behoren wordt gesteld op de waarde in het economischeverkeer van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalen-derjaar 2028.91Voor woningen wordt in het voorgestelde artikel 10a.31, tweede lid, WetIB 2001 aangesloten bij de waardepeildatum van de Wet WOZ. Dewaardepeildatum die wordt gebruikt in de Wet WOZ ligt één jaar voor hetbegin van het kalenderjaar waarvoor de WOZ-waarde wordt vastgesteld.Er is voor gekozen om aan te sluiten bij de waardepeildatum aan hetbegin van het kalenderjaar 2028. Dit is dus de waarde die wordt gebruiktin de beschikking waarin de WOZ-waarde wordt vastgesteld die in hetkader van de Wet WOZ geldt voor het kalenderjaar 2029. Hierdoor blijft dewaardeontwikkeling van woningen in het kalenderjaar 2027 bij detoepassing van het voorgestelde artikel 10a.31 Wet IB 2001 buitenbeschouwing. Dat is wenselijk om te voorkomen dat er sprake is vandubbele belasting. De waardeontwikkeling van woningen in het kalen-derjaar 2027 wordt immers al forfaitair belast op grond van de huidigewetgeving inzake box 3. In het voorgestelde artikel 10a.31, tweede lid, WetIB 2001 wordt het voorgestelde artikel 9.4ter, eerste lid, tweede zin, entweede tot en met vierde lid, Wet IB 2001 van overeenkomstigetoepassing verklaard. De waarderingsregels die voor woningen zijnopgenomen in het voorgestelde artikel 9.4ter Wet IB 2001 zijn gelijk aan dewaarderingsregels in het huidige artikel 5.20 Wet IB 2001.90De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding wordt het jaartal 2028 in het voorgestelde artikel 10a.30 Wet IB2001 nog aangepast op grond van artikel VII.91De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding wordt die datum in het voorgestelde artikel 10a.31 Wet IB 2001nog aangepast op grond van artikel VII.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3127 Artikel II, onderdeel A (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, Invoeringswet Wet IB 2001 regelt hetovergangsrecht voor op 31 december 2000 bestaande levensverzeke-ringen waarbij een kapitaal is verzekerd en die via box 1 wordenafgewikkeld. Met de voorgestelde wijziging van hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AL, tweede lid, Invoeringswet Wet IB 2001 wordt het rentebe-standdeel dat op grond van dat lid wordt aangemerkt als inkomen uitwerk en woning, slechts als inkomen uit werk en woning in aanmerkinggenomen voor zover dit rentebestanddeel is aangegroeid in de periode toten met 31 december 2027.92 Het voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AL, vierde lid, Invoeringswet Wet IB 2001 regelt dat dielevensverzekeringen per 1 januari 2028 worden aangemerkt als bezittingbij het bepalen van het box 3-inkomen.Met het voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, vijfde lid,Invoeringswet Wet IB 2001 wordt een afrekentijdstip geïntroduceerd voorlevensverzekeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL,eerste lid, eerste zin, Invoeringswet Wet IB 2001. Indien in de periode van1 januari 2028 tot en met 31 oktober 2029 geen (volledige) afrekening inbox 1 heeft plaatsgevonden over het belaste rentebestanddeel dat wordtberekend volgens de regels van de Wet IB 1964, dan vindt een volledigeafrekening plaats per 1 november 2029, waarbij het rentebestanddeel datin de heffing wordt betrokken de facto (door uit te gaan van de waarde inhet economische verkeer van die levensverzekeringen op 1 januari 2028 inplaats van op 1 november 2029) wordt gesteld op het op 1 januari 2028vastgestelde bedrag aan rente. De vanaf 1 januari 2028 behaalde rente opdergelijke levensverzekeringen wordt als werkelijk behaald rendement inhet belastbare inkomen uit sparen en beleggen betrokken.Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, Invoeringswet Wet IB 2001 kan per1 januari 2030 in zijn geheel vervallen, zoals in artikel III van ditwetsvoorstel wordt voorgesteld en bij dat artikel wordt toegelicht.Artikel II, onderdeel B (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, Invoeringswet Wet IB 2001 regeltonder meer het overgangsrecht voor op 31 december 2000 bestaandelevensverzekeringen waarbij een kapitaal is verzekerd en die sinds1 januari 2001 tot de bezittingen in box 3 worden gerekend. Indien wordtvoldaan aan de regels die daarvoor golden onder de Wet IB 1964, wordthet rentebestanddeel in de uitkering uit die levensverzekeringen nietbelast als inkomen uit werk en woning (box 1). Indien niet meer aan dezeregels wordt voldaan, regelt hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM,Invoeringswet Wet IB 2001 dat een belast rentebestanddeel in box 1 inaanmerking wordt genomen bij expiratie. Met de voorgesteldeaanpassing van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, eerste lid, Invoe-ringswet Wet IB 2001 wordt een eventueel rentebestanddeel dat volgensde regels van de Wet IB 1964 tot de inkomsten uit vermogen wordtgerekend, slechts in box 1 in aanmerking genomen voor zover deze renteis aangegroeid in de periode tot en met 31 december 2027.93 Het tot enmet dat moment aangegroeide (belaste) rentebestanddeel wordt in de92De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding worden de data die worden genoemd in de voorgesteldewijziging van artikel I, onderdeel AL, Invoeringswet Wet IB 2001 nog aangepast op grond vanartikel VII.93De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding worden de data die worden genoemd in de voorgesteldewijziging van artikel I, onderdeel AM, Invoeringswet Wet IB 2001 nog aangepast op grond vanartikel VII.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3128 heffing betrokken op het moment van expiratie dan wel op 1 november2029 als de betreffende levensverzekering op die datum nog niet isgeëxpireerd. De rente die na 31 december 2027 aangroeit is voor deheffing in box 1 dus niet langer relevant, maar wordt geheel of gedeel-telijk in het belastbare inkomen uit sparen en beleggen betrokken (indiende bezittingsvrijstelling van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, Invoe-ringswet Wet IB 2001 geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is).In het voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, zevende lid,Invoeringswet Wet IB 2001 wordt evenals in hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AL, vijfde lid, Invoeringswet Wet IB 2001 een afrekentijdstipgecreëerd voor de betreffende levensverzekeringen met een belastrentebestanddeel in box 1, die niet uiterlijk op 31 oktober 2029 zijngeëxpireerd en ook niet uiterlijk op die datum anderszins volledig in debox 1-heffing zijn betrokken. Na deze datum wordt een rentebestanddeeluit een levensverzekering waarbij een kapitaal is verzekerd immers in hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen betrokken volgens de dangeldende regels. Dit geldt eveneens voor dergelijke levensverzekeringendie op 31 december 2000 bestonden en als kapitaalverzekeringen eigenwoning in de zin van artikel 3.116 Wet IB 2001 zoals dat artikel luidde op31 december 2012 en artikel 10bis.4 Wet IB 2001 in aanmerking zijngenomen in box 1 en waarvoor op enig moment voorafgaand aan hetafrekentijdstip een fictieve uitkering in aanmerking is genomen. Metfictieve kapitaalsuitkering wordt hier gedoeld op de fictieve uitkering,bedoeld in artikel 3.116, derde lid, Wet IB 2001 zoals dat luidde op31 december 2012 en in artikel 10bis.4, derde lid, Wet IB 2001. Na datmoment horen deze levensverzekeringen in box 3 thuis. Voor de hierbedoelde kapitaalverzekeringen eigen woning die na afrekening over defictieve uitkering in box 3 thuishoren en langer dan tot en met 31 oktober2029 lopen, geldt eveneens het uiterste afrekenmoment op 1 november2029. Door het voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, achtstelid, Invoeringswet Wet IB 2001 wordt voorkomen dat op het afreken-moment nogmaals wordt geheven over het rentebestanddeel waarover bijfictieve afrekening al in box 1 is geheven. Er wordt dus alleen gehevenover het rentebestanddeel dat is aangegroeid nadat de fictieve uitkering inaanmerking is genomen.Met de voorgestelde wijziging van het huidige hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AM, zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001, dat op grond vande bijbehorende wijzigingsopdrachten wordt vernummerd tot negendelid, wordt geregeld dat de tekst van dat lid niet alleen afwijkt vanhoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, eerste lid, van die wet maar ook vanhoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, zevende lid (nieuw), van die wet.Omdat in artikel II, onderdeel D, van dit wetsvoorstel wordt voorgesteldde in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, Invoeringswet Wet IB 2001opgenomen imputatieregeling te laten vervallen, is het ook nodig omartikel 26a, derde lid, Wet IB 1964 zoals dat luidde op 31 december 2000buiten beschouwing te laten voor de berekening van de omvang van hetbelaste rentebestanddeel in box 1. Hierdoor wordt de omvang van degenoemde uitkeringsvrijstelling niet verminderd indien deze eerder vantoepassing is geweest.Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, Invoeringswet IB 2001 kan per1 januari 2030 in zijn geheel vervallen, zoals in artikel III van ditwetsvoorstel wordt voorgesteld en bij dat artikel wordt toegelicht.Artikel II, onderdeel C (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, Invoeringswet Wet IB 2001 regelt devrijstelling in box 3 voor op 14 september 1999 bestaande levensverzeke-ringen waarbij een kapitaal is verzekerd. Met de voorgestelde wijzigingvan hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, eerste lid, eerste zin, Invoe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3129 ringswet Wet IB 2001 wordt geregeld dat naar de correcte bepaling inhoofdstuk 5 Wet IB 2001 wordt verwezen zoals deze op grond van ditwetsvoorstel geldt per 1 januari 202894 en wordt met het voorgesteldehoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, eerste lid, tweede zin, InvoeringswetWet IB 2001 geregeld dat vanaf 1 januari 2028 in geval van overschrijdingvan het voor de toepassing van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN,Invoeringswet Wet IB 2001 vrijgestelde bedrag van € 123.428, genoemd inhoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, eerste lid, eerste zin, InvoeringswetWet IB 2001, alleen over het meerdere deel van de waarde in heteconomische verkeer het werkelijke rendement van een dergelijkelevensverzekering wordt berekend.Met de voorgestelde toevoeging van een zin aan hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AN, tweede lid, Invoeringswet Wet IB 2001 wordt geregeld dathet voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, eerste lid, tweedezin, Invoeringswet Wet IB 2001 van overeenkomstige toepassing is ophoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, tweede lid, Invoeringswet Wet IB2001. In die bepaling wordt voor een belastingplichtige die het gehelekalenderjaar dezelfde partner in de zin van de Wet IB 2001 heeft of voor detoepassing van artikel 2.17 van die wet geacht wordt te hebben gehad,geregeld dat het bedrag van de genoemde vrijstelling op € 246.856 wordtgesteld.Het huidige hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, vierde lid, InvoeringswetWet IB 2001 regelt dat de bezittingsvrijstelling van het hiervoor genoemdeeerste lid met ingang van 14 september 2029 komt te vervallen. Voorge-steld wordt om de huidige tekst van hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN,vierde lid, Invoeringswet Wet IB 2001 te laten vervallen, zodat dieeinddatum komt te vervallen. Voorgesteld wordt de genoemde bezittings-vrijstelling per 1 januari 2030 te laten vervallen. Dat wordt kortheidshalvebewerkstelligd door met ingang van 1 januari 2030 hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AN, Invoeringswet Wet IB 2001 te laten vervallen, zoals inartikel III van dit wetsvoorstel is opgenomen.Het voorgestelde hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, vierde lid, Invoe-ringswet Wet IB 2001 regelt dat de in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN,eerste lid, Invoeringswet Wet IB 2001 opgenomen vrijstelling niet geldtvoor levensverzekeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I,onderdeel AL, eerste lid, eerste zin, Invoeringswet Wet IB 2001. Vanwegede sfeerovergang van de dergelijke levensverzekeringen van box 1 naarbox 3 per 1 januari 2028, zou dan ook voor die levensverzekeringen eenbezittingsvrijstelling gaan gelden. Dat is ongewenst, omdat de ingenoemd onderdeel AN opgenomen vrijstelling specifiek bedoeld is voorlevensverzekeringen die al sinds 1 januari 2001 tot de bezittingen in box 3worden gerekend. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is voor levensver-zekeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, eerste lid,eerste zin, Invoeringswet Wet IB 2001 alleen voorzien in een uitkeringsvrij-stelling die ziet op het belastbare rentebestanddeel in dergelijke levens-verzekeringen, en dus niet in de bezittingsvrijstelling zoals die geregeld isin hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, Invoeringswet Wet IB 2001 voorlevensverzekeringen die al sinds 1 januari 2001 als bezitting in box 3 inaanmerking worden genomen. In het kader van het herzien van hetbox 3-stelsel, het laten vervallen van langdurig overgangsrecht en hetingaan van een bestendige systematiek is deze voorgestelde wijziging opde beschreven manier vormgegeven.Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, Invoeringswet IB 2001 kan zoalsgezegd per 1 januari 2030 in zijn geheel vervallen, zoals in artikel III van ditwetsvoorstel wordt voorgesteld en bij dat artikel wordt toegelicht.94Dit is de beoogde datum van inwerkingtreding. De definitieve datum van inwerkingtredingwordt bij koninklijk besluit vastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3130 Artikel II, onderdeel D (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, Invoeringswet Wet IB 2001 is eenzogenoemde imputatieregeling opgenomen. Deze regeling is vantoepassing indien belastingplichtigen eerder de maximale lifetime-vrijstelling95 (of een gedeelte daarvan) hebben benut voor de rente bij eenkapitaalsuitkering uit levensverzekering. Dit geldt voor zowel de kapitaal-verzekering, bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, eerste lid,tweede zin, Invoeringswet Wet IB 2001, als de kapitaalverzekering die isomgezet in een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld inartikel 10bis.4 Wet IB 2001. Het geldt eveneens voor een vrijstelling die isbenut voor een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning die na31 december 2000 is afgesloten dan wel een vrijstelling die is benut bij dedeblokkering van een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrechteigen woning. Deze bepaling waarborgt dat de lifetime-vrijstelling nietmeerdere keren kan worden benut. Indien een gedeelte van dezevrijstelling reeds van toepassing is geweest, wordt de hoogte van demaximale vrijstelling voor een eventuele volgende kapitaalsuitkeringverminderd met dat bedrag.Met het voorstel om hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, InvoeringswetWet IB 2001 te laten vervallen wordt bewerkstelligd dat de genoemdeimputatieregeling wordt afgeschaft voor levensverzekeringen als bedoeldin hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL, eerste lid, tweede zin, Invoe-ringswet Wet IB 2001. Dit betreft conform de verwijzing in hoofdstuk 2,artikel I, onderdeel AP, eerste lid, Invoeringswet Wet IB 2001 naarhoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, eerste lid van die wet op14 september 1999 bestaande levensverzekeringen waarbij een kapitaal isverzekerd en voor een deel van ver vóór de genoemde datum zijn. In depraktijk blijkt dat de benodigde informatie voor de toepassing van deimputatieregeling in die gevallen bij geen van de betrokken partijen– belastingplichtige, verzekeraar en Belastingdienst – (meer) beschikbaaris. De toepassing van de imputatieregeling zou daarmee voor dergelijkelevensverzekeringen tot nóg meer complexiteit zorgen bij de overstapnaar het nieuwe box 3-stelsel. Als gevolg van de voorgestelde wijzigingwordt bij de berekening van het belaste rentebestanddeel in box 1,conform hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AM, Invoeringswet Wet IB 2001,derhalve geen rekening meer gehouden met een eventueel eerdergenoten vrijstelling als bedoeld in artikel 26a, tweede lid, Wet IB 1964zoals dat luidde op 31 december 2000 dan wel op grond van deartikelen 10bis.6 of 10bis.7 Wet IB 2001.Voor de volledigheid wordt hierbij benadrukt dat de imputatieregeling,bedoeld in artikel 10bis.6, derde lid, Wet IB 2001, in stand blijft. Op grondvan die bepaling wordt rekening gehouden met een eerder genotenvrijstelling op grond van artikel 10bis.6, eerste lid, Wet IB 2001 of vanartikel 10bis.7 van die wet. Door het voorgestelde vervallen vanhoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, Invoeringswet Wet IB 2001 zal echtergeen imputatie meer plaatsvinden op de bedragen, genoemd inartikel 10bis.6, eerste en zevende lid, Wet IB 2001, indien bij een belasting-plichtige een kapitaalsuitkering uit levensverzekering in aanmerking isgenomen waarop artikel 26a, tweede lid, Wet IB 1964 zoals dat luidde op31 december 2000 toepassing heeft gevonden.95Dat het totale bedrag van de vrijstelling per persoon maar één keer mag worden gebruikt (enhet dus een lifetime-vrijstelling is), volgt uit hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, eerste lid,Invoeringswet Wet IB 2001 in samenhang met artikel 26a, derde lid, Wet IB 1964, zoals datluidde op 31 december 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3131 Artikel II, onderdeel E (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel APa, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)In hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel APa, Invoeringswet Wet IB 2001 isonder meer geregeld op welke wijze hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP,van die wet moet worden toegepast bij fiscale partners. Als gevolg vanhet voorstel om hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AP, Invoeringswet Wet IB2001, zoals in artikel II, onderdeel D, wordt voorgesteld, te laten vervallenwordt deze verwijzing overbodig en daarom wordt voorgesteld de tekstvan hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel APa, eerste lid, Invoeringswet Wet IB2001 hierop aan te passen.Artikel III (hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, AM en AN, van deInvoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)Voorgesteld wordt om per 1 januari 2030 hoofdstuk 2, artikel I, onder-delen AL, AM en AN, Invoeringswet Wet IB 2001 te laten vervallen, omdatdeze bepalingen als gevolg van het voorgestelde artikel II, onderdelen A,B en C, met ingang van het belastingjaar 2030 hun belang hebbenverloren. Er kan dan immers geen heffing in box 1 meer plaatsvinden overeen eventueel belast rentebestanddeel bij de levensverzekeringen waardie bepalingen betrekking op hebben.Artikel IV, onderdelen A en B (artikelen 24 en 25 van de Invorderingswet1990)Met de voorgestelde invoeging van artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW1990 wordt bewerkstelligd dat voor onbepaalde tijd uitstel van betalingwordt verleend voor de bij emigratie op grond van de voorgesteldewijziging van artikel 2.8 Wet IB 2001 in samenhang met het voorgesteldeartikel 5.37, tweede lid, Wet IB 2001 opgelegde conserverende belasting-aanslag inkomstenbelasting bij een fictieve vervreemding96 van aandelenin of winstbewijzen van startende ondernemingen of van in het buitenlandgelegen onroerende zaken. Het kabinet acht het passend om te voorzien ineen uitstelregeling voor de eerdergenoemde conserverende belastingaan-slagen, omdat er sprake is van een fictieve vervreemding waarbij inprincipe geen liquide middelen vrijkomen waarmee de belastingschuldigede in dat kader verschuldigde belasting kan voldoen. Het opleggen vaneen conserverende belastingaanslag naar aanleiding van een fictievevervreemding zonder dat er gelijktijdig middelen vrijkomen waarmee debelastingschuldige de daaruit voortvloeiende verschuldigde belasting kanvoldoen, kan er namelijk voor zorgen dat de belastingschuldige inliquiditeitsproblemen komt. Voorts is het wenselijk om te voorzien in eenuitstelregeling voor de eerdergenoemde conserverende belastingaan-slagen om te voorkomen dat de voorgestelde systematiek van hetopleggen van een conserverende belastingaanslag bij emigratie in strijd ismet het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of met deOvereenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Hetopleggen van een conserverende belastingaanslag zonder hierbijautomatisch te voorzien in langdurig uitstel van betaling kan het recht opvrij verkeer van personen en diensten binnen de Europese Unie (EU) ende Europese Economische Ruimte (EER) beperken. De conserverende96Bij een fictieve vervreemding wordt op grond van het voorgestelde artikel 5.37, tweede lid,Wet IB 2001 gedaan alsof een voorwerp is verkocht. De belastingschuldige hoeft het voorwerp– bijvoorbeeld zijn vakantiehuis – bij emigratie niet daadwerkelijk te hebben verkocht om teworden geconfronteerd met een belastingaanslag. Voor het bepalen van de vermogenswinstwordt uitgegaan van de waarde in het economische verkeer van het voorwerp op het tijdstipwaarop de fictieve vervreemding plaatsvindt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3132 belastingaanslag zou dan een belemmering vormen voor de belasting-schuldige om zich in een ander land binnen de EU of EER te vestigen.Gedurende het uitstel van betaling dienen eventuele teruggaven niet teworden verrekend met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstelvan betaling is verleend, tenzij de belastingschuldige dit verzoekt. Hetstrookt niet met de aard van de regeling dat zou kunnen wordenverrekend op initiatief van de ontvanger.97 Om dat te bewerkstelligenwordt voorgesteld artikel 24, zesde lid, IW 1990 aan te vullen met eenverwijzing naar artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW 1990.In de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990) zal wordenuitgewerkt onder welke voorwaarden uitstel van betaling zal wordenverleend. Om in aanmerking te komen voor uitstel van betaling hoeft debelastingschuldige uitsluitend een schriftelijk verzoek te doen wanneer hijzich verplaatst uit of woonachtig is buiten de EU of EER. Het voorgaandemoet ook gaan gelden voor het verstrekken van zekerheid. De belasting-schuldige hoeft dus uitsluitend zekerheid te verstrekken wanneer hij zichverplaatst uit of woonachtig is buiten de EU of EER.Het uitstel van betaling wordt op grond van het voorgestelde artikel 25,tweeëntwintigste lid, IW 1990 – kort gezegd – beëindigd wanneer ermiddelen vrijkomen waarmee de belastingschuldige zijn belastingaanslagkan voldoen. Hiervan kan sprake zijn als de belastingschuldige deonroerende zaak, bijvoorbeeld een vakantiehuis in het buitenland,verkoopt. In dat geval ontvangt de belastingschuldige middelen waarmeehij de openstaande belastingaanslag kan voldoen en vervalt de noodzaakom het uitstel van betaling te laten voortduren. Het wordt niet onredelijkgeacht om aan een belastingschuldige te vragen zijn openstaandebelastingschuld te voldoen als hij middelen ontvangt waarmee hij deopenstaande belastingaanslag kan voldoen en de ontvangst van diemiddelen nauw samenhangen met het voorwerp − de aandelen, dewinstbewijzen, de onroerende zaken of de rechten daarop − dat aan hetuitstel ten grondslag ligt.Uit het voorgestelde artikel 25, drieëntwintigste lid, IW 1990 volgtwanneer uitstel van betaling onder voorwaarden kan worden voortgezetals vervreemding van het voorwerp heeft plaatsgevonden. Op verzoek vande belastingschuldige98 kan het uitstel worden voortgezet als devervreemding heeft plaatsgevonden in het kader van een aandelenfusieals bedoeld in artikel 3.55 Wet IB 2001, een aandelensplitsing als bedoeldin artikel 3.56 Wet IB 2001 of een juridische fusie als bedoeld in artikel 3.57Wet IB 2001.Artikel IV, onderdeel C (artikel 26 van de Invorderingswet 1990)Als de belastingschuldige na emigratie nog voordelen geniet uit deaandelen dan wel winstbewijzen die hij heeft in een startende onder-neming die in Nederland is gevestigd, dan wordt in beginsel dividendbe-lasting ingehouden op die voordelen. Dit vindt ook plaats als dezeaandelen of winstbewijzen bij emigratie − vanwege een fictievevervreemding − in de belastingheffing zijn betrokken en voor de daaruitvoortvloeiende belastingaanslag uitstel van betaling is verleend. Thansvoorziet artikel 26, vierde lid, IW 1990 in kwijtschelding tot een bepaaldbedrag als op grond van artikel 25, achtste lid, IW 199099 uitstel vanbetaling is verleend en sprake is van de situatie dat de belastingschuldige97Om dezelfde reden is verrekening niet mogelijk met betrekking tot bedragen aan inkomstenbe-lasting ter zake van de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen,winstbewijzen of schuldvorderingen in geval van emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder.Zie ter toelichting Kamerstukken II 1997/98, 25 688, nr. 3, p. 19.98In de URIW 1990 zal worden geregeld dat het uitstel op verzoek van de belastingschuldige kanworden voortgezet.99Artikel 25, achtste lid, IW 1990 ziet onder andere op de situatie dat een conserverendebelastingaanslag is opgelegd vanwege de emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3133 dividendbelasting is verschuldigd over voordelen die ten grondslag liggenaan het uitstel. De wetgever heeft hierbij overwogen dat hij rekening wilhouden met de dividendbelasting die een belastingschuldige in het kadervan de aandelen of winstbewijzen die ten grondslag liggen aan deconserverende belastingaanslag is verschuldigd.100 Door de belasting-schuldige kwijtschelding te verlenen voor het bedrag van de in Nederlandverschuldigde dividendbelasting of van de in Nederland verschuldigdeinkomstenbelasting wordt voorkomen dat de belastingschuldigetweemaal belasting betaalt over dezelfde winstreserves.De situatie van de belastingschuldige die op grond van artikel 25, achtstelid, IW 1990 uitstel van betaling verkrijgt en vervolgens dividendbelastingverschuldigd is als gevolg van voordelen die worden genoten uit deaandelen of winstbewijzen dat ten grondslag ligt aan het uitstel, isvergelijkbaar met de situatie van de belastingschuldige die op grond vanhet voorgestelde artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW 1990 uitstel vanbetaling krijgt en vervolgens dividendbelasting is verschuldigd over devoordelen die worden genoten ter zake van de aandelen of winstbewijzenin een startende onderneming. Gelet daarop wordt voorgesteld artikel 26,vierde lid, IW 1990 aan te vullen zodat ook kwijtschelding kan wordenverleend voor het bedrag van de in Nederland verschuldigde dividendbe-lasting of van de in Nederland verschuldigde inkomstenbelasting als opgrond van het voorgestelde artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW 1990uitstel van betaling is verleend. Hiermee wordt voorkomen dat dubbeleheffing plaatsvindt over dezelfde winstreserves: eerst bij de conserve-rende belastingaanslag die bij emigratie wordt opgelegd en vervolgensdoor de dividendbelasting bij het genieten van voordelen van de aandelenof winstbewijzen die ten grondslag liggen aan de conserverendebelastingaanslag.Als het voorwerp − de aandelen, de winstbewijzen, de onroerende zakenof de rechten daarop − daadwerkelijk wordt vervreemd, dan vervalt opgrond van het voorgestelde artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW 1990 hetuitstel van betaling. Het is mogelijk dat bij de daadwerkelijkevervreemding van het voorwerp dat aan het uitstel ten grondslag heeftgelegen, het voorwerp minder waard is geworden dan waarvan isuitgegaan bij het opleggen van de conserverende belastingaanslag alsgevolg van emigratie of dat de belastingtarieven zijn gewijzigd. Deverschuldigde inkomstenbelasting bij de daadwerkelijke vervreemdingzou dan lager zijn geweest in vergelijking met de verschuldigde belastingdie uit de opgelegde conserverende belastingaanslag volgt. Op grond vanhet voorgestelde artikel 26, negende lid, onderdelen a en b, IW 1990 wordtde conserverende belastingaanslag − door kwijtschelding te verlenen voorhet verschil − verminderd en slechts ingevorderd voor zover de daarinbegrepen vermogenswinst daadwerkelijk is gerealiseerd. Hiermee wordtvoorkomen dat de belastingschuldige inkomstenbelasting betaalt overeen voordeel dat hij uiteindelijk nooit heeft gerealiseerd en daarmee dusslechter af zou zijn ten opzichte van de situatie dat hij niet was geëmi-greerd.Voor de situatie dat een ander land ook een heffingsrecht heeft bijvervreemding van het voorwerp volgt uit het voorgestelde artikel 26,negende lid, onderdeel c, IW 1990 dat dan kwijtschelding kan wordenverleend voor het bedrag dat de belastingschuldige in een ander land isverschuldigd als gevolg van de vervreemding. Hiermee wordt voorkomendat de belastingschuldige zowel in Nederland als in het buitenlandbelasting betaalt over dezelfde gerealiseerde vermogenswinst.Met het voorgestelde artikel 26, negende lid, onderdeel d, IW 1990 wordtgeregeld dat de ontvanger op verzoek kwijtschelding kan verlenen voorhet bedrag aan inkomstenbelasting dat de belastingschuldige niet zou zijnverschuldigd als de belastingschuldige bij vervreemding van het100Kamerstukken II 1996/97, 24 761, nr. 8, p. 22.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3134 voorwerp nog in Nederland zou hebben gewoond.101 De belasting-schuldige zou bijvoorbeeld een lager bedrag aan belasting verschuldigdzijn als hij op het moment van vervreemding in Nederland zou hebbengewoond en op dat moment het tarief lager is dan het tarief waarop deconserverende aanslag ten tijde van de emigratie is gebaseerd. Ook is hetmogelijk dat de belastingschuldige een lager bedrag aan belastingverschuldigd zou zijn als hij op het moment van vervreemding inNederland zou hebben gewoond en aanspraak kan maken op eenvermindering ter voorkoming van dubbele belasting, bijvoorbeeld opgrond van het Bvdb 2001.Uit het voorgestelde artikel 26, tiende lid, IW 1990 volgt dat het bedragaan kwijtschelding, bedoeld in het voorgestelde artikel 26, negende lid, IW1990, niet meer bedraagt dan het belastingbedrag dat nog openstaat opde conserverende belastingaanslag die ten grondslag ligt aan het uitstelvan betaling.Artikel IV, onderdeel D (artikel 28 van de Invorderingswet 1990)Met de voorgestelde wijziging van artikel 28, derde lid, IW 1990 wordtgeregeld dat het ingevolge het voorgestelde artikel 25, tweeëntwintigsteof drieëntwintigste lid, IW 1990 te verlenen uitstel van betaling renteloosis. Dit betekent dus dat er over de periode dat uitstel van betaling wordtverleend geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht. Uit devoorgestelde wijziging van artikel 28, vierde lid, IW 1990 volgt dat in diesituatie weer invorderingsrente in rekening wordt gebracht als hetverleende uitstel van betaling wordt beëindigd. In dat kader zal in artikel 6van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 nader worden geregeldvanaf wanneer invorderingsrente wordt berekend als het uitstel vanbetaling is beëindigd. Invorderingsrente zal worden berekend met ingangvan de dag waarop zes weken zijn verstreken na de eerste dag van hetjaar volgend op het jaar waarin het uitstel van betaling is beëindigd.Artikel IV, onderdeel E (artikelen 70g en 70h van de Invorderingswet 1990)De verwijzingen in de artikelen 70g, vijfde lid, en 70h, vijfde lid, IW 1990naar artikel 25, tweeëntwintigste lid, IW 1990 dienen te worden gewijzigdals gevolg van de voorgestelde vernummering van artikel 25, tweeëntwin-tigste lid, IW 1990.Artikel VMet het voorgestelde artikel V, eerste lid, onderdelen a en b, wordtgeregeld dat rente die onderdeel uitmaakt van bepaalde uitkeringen uitlevensverzekeringen waarbij een kapitaal is verzekerd als inkomen in deLB/PH wordt betrokken. Dit wordt in het voorgestelde artikel V, eerste lid,onderdeel a, bepaald voor een op grond van de bepalingen uit de Wet IB1964 belastbaar rentebestanddeel van een op 1 januari 2028102 bestaandelevensverzekering als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AL,eerste lid, eerste zin en tweede zin, onderdelen a tot en met d, Invoe-ringswet Wet IB 2001 dat tot de inkomsten uit vermogen wordt gerekend.Dit betreft alle gevallen waarin in de periode vanaf 1 januari 2028 tot enmet 31 oktober 2029 een dergelijke levensverzekering expireert en hetrentebestanddeel daarin als inkomsten in aanmerking wordt genomen.101In de URIW 1990 zal worden geregeld dat de ontvanger de belastingschuldige op diensschriftelijk verzoek kwijtschelding zal verlenen alsmede in welke situatie een schriftelijkverzoek hiertoe achterwege kan blijven.102De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding wordt de datum van 1 januari 2028 in artikel V nog aangepast opgrond van artikel VII.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3135 Het voorgestelde artikel V, eerste lid, onderdeel b, bepaalt dit voor desituatie dat op een belastbaar rentebestanddeel het voorgesteldehoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, vijfde lid, en AM, zevende lid,Invoeringswet Wet IB 2001 van toepassing is. Dit betreft alle gevallenwaarin een levensverzekering als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I,onderdelen AL, vijfde lid, of AM, zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001op het uiterste afrekenmoment van 1 november 2029 nog niet is geëxpi-reerd en op basis van hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, vijfde lid, enAM, zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001 een wettelijk afrekenmomentvoor die datum is gecreëerd.Op basis van het voorgestelde artikel V, tweede lid, worden de betreffendeverzekeraars als gevolg van de overeenkomstige toepassing van artikel 6,eerste lid, onderdeel b, Wet LB 1964 inhoudingsplichtig voor de LB/PH dieover het rentebestanddeel in de uitkering uit de betreffende kapitaalverze-keringen is verschuldigd, tenzij de belastingplichtige gebruikmaakt vanzijn keuzerecht, zoals bepaald in het voorgestelde artikel V, derde lid. Voordie inhoudingsplicht is gekozen om de afwikkeling van dergelijkekapitaalverzekeringen te vergemakkelijken voor belastingplichtigen,verzekeraars en de Belastingdienst. Er komt in dat geval een nieuwewaarde onder de code «soort inkomstenverhouding» die inhoudingsplich-tigen kunnen gebruiken om dit voordeel te rubriceren in de loonaangifte.Zoals in paragraaf 3.9.4 van het algemeen deel van deze memorie istoegelicht, is het de bedoeling om de belastingheffing over het belasterentebestanddeel niet op het tijdstip van de overstap naar het nieuwebox 3-stelsel te laten plaatsvinden, maar op het tijdstip waarop deverzekering tot uitkering komt, maar uiterlijk op het uiterste afreken-tijdstip, dat wil zeggen op 1 november 2029. Dit is bepaald in de metonderhavig wetsvoorstel voorgestelde bepalingen in hoofdstuk 2, artikel I,onderdelen AL, vijfde lid, en AM, zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001.Per 1 januari 2028 wordt alleen de omvang van het te belasten rentebe-standdeel bepaald (toetstijdstip). Door opname in de aangifte LB/PHgebeurt de aanlevering van de gegevens via die weg. Daarom vervalt per1 januari 2028 voor de betreffende verzekeraars de maandrenseigneringvan gegevens voor levensverzekeringen, waarbij een kapitaal is verzekerd,niet zijnde kapitaalverzekeringen eigen woning. Die maandrenseigneringis meestal niet geautomatiseerd mogelijk en moet dus veelal handmatigworden gedaan. Het laten vervallen van die verplichting betekent voor debetreffende verzekeraars een enorme vereenvoudiging die zwaarderweegt dan de gevolgen van de voorgestelde inhoudingsplicht.In het voorgestelde artikel V, tweede lid, worden ook de artikelen 26, 27 en27b Wet LB 1964, artikel 8, tweede en derde lid, van de Wet financieringsociale verzekeringen (Wfsv) en hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL,vijfde lid, en AM, zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001 van overeen-komstige toepassing verklaard. Met de overeenkomstige toepassing vanartikel 8, tweede en derde lid, Wfsv wordt geregeld dat de rente ook tot degrondslag voor de PH behoort. Met de overeenkomstige toepassing vande artikelen 26, 27 en 27b Wet LB 1964 wordt geregeld dat de inhoudingvan LB/PH op de gebruikelijke wijze plaatsvindt. Met de overeenkomstigetoepassing van hoofdstuk 2, artikel I, onderdelen AL, vijfde lid, en AM,zevende lid, Invoeringswet Wet IB 2001 wordt geregeld dat LB/PH nietalleen kan worden ingehouden in de situatie dat de kapitaalverzekering opeen reguliere wijze wordt afgewikkeld, maar ook indien het uitersteafrekentijdstip is gepasseerd en op grond van die bepalingen het per1 januari 2028 bepaalde belaste rentebestanddeel op 1 november 2029 inaanmerking wordt genomen.Met het voorgestelde artikel V, derde lid, wordt bewerkstelligd dat derente wordt aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarvooris gekozen omdat over loon uit vroegere dienstbetrekking/arbeid, andersdan over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking/arbeid, geen premieswerknemersverzekeringen zijn verschuldigd. Om doelmatigheidsredenenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3136 wordt voorgesteld de inhoudingsplichtigen geen heffingskortingen telaten toepassen bij de inhouding van de LB/PH op het belaste rentebe-standdeel. De heffingskortingen waar de belastingplichtige recht op heeftkan hij te gelde maken via zijn belastingaanslag inkomstenbelasting overhet betreffende jaar.Voor de bepaling van het tarief van de verschuldigde LB/PH past deinhoudingsplichtige, op basis van de in het voorgestelde artikel V, eerstelid, opgenomen overeenkomstige toepassing van artikel 26 Wet LB 1964,de tabel voor bijzondere beloningen toe, waarbij de inhoudingsplichtigeovereenkomstig artikel 26, derde lid, onderdelen a, b en c, Wet LB 1964het jaarloon berekent aan de hand van:a.als de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar geen loonvan de inhoudingsplichtige heeft genoten: het bedrag van het belasterentebestanddeel, dan wel aan de hand van dit bedrag vermeerderdmet, voor zover van toepassing tot een jaarloon te herleiden, anderloon dat in het jaar van verloning van de inhoudingsplichtige isgenoten;b.als de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar loon vande inhoudingsplichtige heeft genoten: het, waar nodig tot eenjaarloon te herleiden, in dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtigete genieten loon.Ook wordt voorgesteld te regelen dat de inhoudingsplichtige en degerechtigde tot het rentebestanddeel beiden geen inkomensafhankelijkebijdrage Zvw (IAB Zvw) zijn verschuldigd over de als loon aangemerkterente. Dit is in lijn met de behandeling die zonder de voorgesteldebepaling zou gelden voor dergelijke inkomensbestanddelen. Omdat hetrentebestanddeel in levensverzekeringen als bedoeld in hoofdstuk 2,artikel I, onderdeel AL, eerste lid, eerste zin en tweede zin, onderdelen atot en met d, Invoeringswet Wet IB 2001 op basis van de ingevolge diebepaling van toepassing gebleven bepalingen in de Wet IB 1964 kwalifi-ceert als inkomen uit vermogen, zou ook geen IAB Zvw zijn verschuldigd.In het voorgestelde artikel V, vierde lid, aanhef en onderdelen a en b,wordt voor de afwikkeling van levensverzekeringen als bedoeld in hetvoorgestelde artikel V, eerste lid, onderdeel b, die niet voor het uitersteafrekentijdstip van 1 november 2029 zijn geëxpireerd een keuzemoge-lijkheid voor de belastingplichtige/verzekeringnemer geregeld. Zoals inparagraaf 3.9.4 van het algemeen deel van deze memorie is toegelicht,zullen verzekeraars ruim voor 1 november 2029 verzekeringnemersinformeren dat op die datum een fiscaal afrekentijdstip bestaat en dat inbeginsel de verschuldigde belasting over het rentebestanddeel viainhouding van LB/PH moet plaatsvinden. Daarbij zal de keuze aan deverzekeringnemer worden voorgelegd of hij ermee akkoord is om deinhouding uit de reservewaarde van de verzekering te laten doen of dathet kapitaal onaangetast zal blijven en de heffing via de aangifte inkom-stenbelasting van deze belastingplichtige/verzekeringnemer over het jaar2029 zal plaatsvinden. In dat laatste geval wordt de inhouding achterwegegelaten. Het is in dat geval niet nodig dat ten behoeve van die inhoudingeen deel aan de reservewaarde wordt onttrokken waarover geenrendement meer zou worden behaald tijdens de resterende looptijd vande polis. Indien de belastingplichtige/verzekeringnemer voor demogelijkheid kiest om de belasting en de PH via de belastingaanslaginkomstenbelasting/PH te betalen en aan de inhoudingsplichtige verzoektom de inhouding van LB/PH achterwege te laten, wordt het bedrag aanLB/PH uiteraard ook op nihil gesteld in de aangifte LB/PH. Voor devolledigheid wordt opgemerkt dat het betreffende rentebestanddeel in diesituatie als loon uit vroegere dienstbetrekking/arbeid zonder inhouding inde aangifte LB/PH wordt opgenomen. Verzekeraars worden op grond vanhet voorgestelde artikel V, vierde lid, aanhef en onderdeel c, als inhou-dingsplichtige verplicht om een afschrift van het verzoek van de verzeke-ringnemer in de loonadministratie op te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3137 Artikel VIHet voorgestelde artikel VI, eerste lid, regelt dat de bedragen voor hetheffingsvrije resultaat en de verliesverrekeningsdrempel die zijnopgenomen in de voorgestelde artikelen 5.40, 5.65 en 7.7 Wet IB 2001 bijhet begin van het kalenderjaar 2028103 nog niet worden geïndexeerd. Inhet wetsvoorstel zijn reeds de voor het kalenderjaar 2028 beoogdebedragen opgenomen. Indexatie van deze bedragen zal plaatsvindenvanaf 2029.Met de voorgestelde aanpassingen in artikel VI, tweede lid, wordtgeregeld op welke wijze aan het begin van het kalenderjaar 2028 deindexatie van de in de voorgestelde artikelen 5.56, onderdeel d, en 9.4a,eerste lid, Wet IB 2001 opgenomen bedragen zal plaatsvinden. Dezebedragen corresponderen met bedragen in de huidige wetgeving (deartikelen 5.10, onderdeel d, en 9.4a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001)die jaarlijks worden geïndexeerd. Beoogd wordt dat de indexering zoalsdie in de jaren tussen de indiening van dit wetsvoorstel en de inwerking-treding van de wet is aangebracht in deze corresponderende bedragenwordt geëerbiedigd. De bedragen in het voorgestelde artikel 5.56,onderdeel d, Wet IB 2001 voor de vrijstelling van geld, elektronisch geld inde vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemdvoor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, wordenvervangen door de bedragen voor deze vrijstelling zoals die op31 december 2027 in het huidige artikel 5.10, onderdeel d, Wet IB 2001 zijnopgenomen. De bedragen voor de beschikking bedrag vermogen sparenen beleggen die zijn opgenomen in het voorgestelde artikel 9.4a, eerstelid, Wet IB 2001 worden vervangen door de bedragen voor de huidigebeschikking bedrag rendementsgrondslag zoals die op 31 december 2027in het huidige artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 zijnopgenomen. Per 1 januari 2028 worden deze bedragen vervolgens doortoepassing van artikel 10.1 Wet IB 2001 meegenomen bij de indexatie envermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2 WetIB 2001.Artikel VIIDe streefdatum voor de inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstelopgenomen maatregelen is 1 januari 2028. Bij het schrijven van de tekstvan de voorgestelde artikelen I, onderdelen DD en HH, II, onderdelen A enB, V en VI is uitgegaan van deze streefdatum. Voor het geval dat dedefinitieve datum van inwerkingtreding een andere datum wordt dan1 januari 2028, regelt het voorgestelde artikel VII dat de voorgesteldeartikelen I, onderdelen DD en HH, II, onderdelen A en B, V en VI wordenaangepast aan de definitieve datum van inwerkingtreding.Artikel VIIIVoor een toelichting over de evaluatie wordt verwezen naar paragraaf 10van het algemeen deel van deze memorie.Artikel IXHet voorgestelde artikel IX regelt de inwerkingtreding. De streefdatumvoor de inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel opgenomenmaatregelen is 1 januari 2028. Indien de definitieve datum van inwerking-treding een andere datum wordt dan 1 januari 2028 worden de voorge-103De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2028. Afhankelijk van de definitievedatum van inwerkingtreding worden het jaartal 2028 en de datum van 31 december 2027 inartikel VI nog aangepast op grond van artikel VII.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3138 stelde artikelen I, onderdelen DD en HH, II, onderdelen A en B, V en VI opgrond van het voorgestelde artikel VII aangepast (zie voor een naderetoelichting de artikelsgewijze toelichting bij het voorgestelde artikel VII).Om die reden wordt in het voorgestelde artikel IX geregeld dat in diesituatie het voorgestelde artikel VII wordt toegepast voordat de voorge-stelde artikelen I, onderdelen DD en HH, II, onderdelen A en B, V en VItoepassing vinden.De Staatssecretaris van Financiën,T. van OostenbruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 748, nr. 3139

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2734fcdf7d029105

14 okt 2026 · f2e5479c11813d5d

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.