Internationale fiscaliteit
Bron, video en gesprek →Officieel Kamerprofiel
Tjebbe van Oostenbruggen
Partijen door de tijd: Nieuw Sociaal Contract (2023-12-06–2024-11-14) ·
Uitspraken in het geselecteerde debat
Open het volledige debat en de tijdlijn →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Jazeker. Ik begreep net via de band dat er niet hoofdelijk gestemd gaat worden maar groepsgewijs.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Helemaal goed, helemaal goed.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Voorzitter, dank u wel. Ik heb heel wat tabjes, maar dat is meer omdat het allerlei verschillende onderwerpen zijn. We beginnen met het tabje dat het meest in het oog springt, en dat is Pijler 2 en de relatie met de zogenaamde "revenge taks". Ook voor de kijkers thuis: Pijler 2 is natuurlijk de belasting waarbij bedrijven in Nederland zwaarder belast worden dan concurrenten in landen die niet meedoen, zoals de VS en China. Dat tast onze investeringskracht aan. De vragen met betrekking tot Pijler 2, vooral van mevrouw Van Eijk en de heer Kouwenhoven, betreffen de volgende. Wat is de Nederlandse strategie nu grote economieën zoals de VS afzien van implementatie? Zijn er signalen dat landen met lage belasting alsnog een minimumbelasting gaan invoeren? En wat is de inzet van Nederland bij de EU en in internationale onderhandelingen? Ik ga daar zo wat over vertellen. De vragen gaan ook over de wraakbelasting, namelijk over wat Nederland hiertegen gaat doen, of Nederland hierover in gesprek is met de VS, bijvoorbeeld op basis van een bijzondere bepaling in het belastingverdrag, of dit spoedig opgepakt wordt en of de staatssecretaris de Kamer hiervan op de hoogte kan houden. Op die laatste vraag is het antwoord natuurlijk per definitie ja. Ik ga daar zo meteen wat over zeggen, maar in de breedste zin: er zijn momenteel gewoon heel veel ontwikkelingen op het gebied van Pijler 2, de wereldwijde minimumbelasting, en de zogenaamde "wraakbelasting". Daarmee geef ik graag gelijk een reactie op de vragen van mevrouw Van Eijk en de heer Kouwenhoven. Afgelopen zaterdag 28 juni hebben de ministers van Financiën van de G7-landen een gezamenlijke verklaring gepubliceerd. Nederland zit, hoezeer wij dat soms ook hopen, niet in de G7. De G7 bestaan uit Canada, overigens ook de voorzitter, de VS, het VK, Duitsland, Frankrijk, Italië en Japan. In de verklaring geven ze aan dat er een gedeelde understanding is bereikt over een side-by-sideoplossing van de Amerikaanse belastingwetgeving enerzijds en Pijler 2 anderzijds. De G7-verklaring werd door de Amerikaanse minister van Financiën, Scott Bessent, al twee dagen daarvoor aangekondigd op X. Daarbij deed hij ook de oproep aan het Congres om Section 899, de zogenaamde wraakbelasting, uit de One Big Beautiful Bill te schrappen. Sowieso triggert die naam je om voortaan je wetgeving misschien anders te formuleren. Het zou wel interessant als we het belastingplan gewoon de "Geweldige Supermooie Wet" of zo gaan noemen, maar dat even terzijde. De bepaling 899 voorzag in ieder geval in vergeldingsbelastingen voor landen met oneerlijke belastingen, overigens vanuit het gezichtspunt van de Verenigde Staten. Onderdelen van Pijler 2, die ook Nederland geïmplementeerd heeft in de nationale wet, werden door de VS beschouwd als zodanig. Het gaat dus ook over ons. Inmiddels hebben zowel de leden van de Senaat als het Huis van Afgevaardigden in verklaringen bevestigd dat Section 899 niet zal worden opgenomen in de stemmingen. De Senaat heeft inmiddels ook al voor de wet gestemd. We zijn nog in afwachting van de stemming in het Huis. Het is positief dat het Congres heeft besloten om Section 899 niet op te nemen in de wetgeving, want deze bepaling had potentieel zeer schadelijke gevolgen voor Nederlandse bedrijven die actief zijn in de VS en Nederlandse particuliere en institutionele beleggers die in de VS beleggen. Belastingverhogingen via Section 899 zouden hun heel veel extra geld kosten. Met name pensioenfondsen zouden daarbij grote risico's lopen, want die hebben een derde van hun vermogen in de VS geïnvesteerd. De understanding is tot stand gekomen in G7-verband. Wij waren dus niet betrokken bij deze gesprekken, maar staan wel in contact met onze internationale partners en volgen de ontwikkelingen op de voet. Hoewel de G7-verklaring geen bindend besluit is, geeft die wel een duidelijke richting aan de verdere onderhandelingen in de komende tijd. Daarbij is het schrappen van Section 899 essentieel voor het voeren van deze onderhandelingen. De G7 hebben daarmee dus een belangrijke stap gezet. De G7-verklaring schetst alvast wat principes op basis waarvan een side-by-sideoplossing kan worden uitgewerkt. Volgens het statement zullen Amerikaanse multinationals voor zowel hun binnenlandse als buitenlandse winsten vrijgesteld worden van Pijler 2. Daarbij wordt expliciet gesproken over commitment om substantiële risico's te adresseren met betrekking tot het gelijke speelveld alsook ten aanzien van grondslaguitholling en winstverschuiving. Ook zal volgens het statement parallel aan de uitwerking van de side-by-sideoplossing verder gewerkt worden aan vereenvoudiging van Pijler 2. Tot slot wordt gekeken of de behandeling van belastingtegoeden, zogenaamde tax credits, onder Pijler 2 ook moet worden aangepast. De komende periode zal de uitwerking van de G7-verklaring verder vorm krijgen. De onderhandelingen zullen plaatsvinden in het verband van het Inclusive Framework van de OESO. Nederland neemt hier wel aan deel. Uiteraard neemt Nederland daaraan deel. Daar zijn 150 landen nauw bij betrokken. Daarbij is het belangrijk dat we de doelstellingen van Pijler 2 niet uit het oog verliezen: een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie tussen landen en het verminderen van de prikkel voor multinationals om winsten naar laagbelastende jurisdicties te verplaatsen. Zo kunnen we belastingontwijking tegengaan en zorgen voor een eerlijk, stabiel en voorspelbaar internationaal belastingstelsel. Ook blijven we scherp letten op de belangen van Nederland, zoals het behoud van een gelijk speelveld en het EU-concurrentievermogen. Vanzelfsprekend zal ik uw Kamer op de hoogte brengen wanneer er meer duidelijkheid is. In reactie op …
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dat is exact het onderwerp van onderhandeling. Volgens mij is dat ook de inzet van de VS en willen ze dat graag zo aangepast zien. In reactie op de vraag van mevrouw Van Eijk over Pijler 2 noem ik nog een aantal andere zaken. Landen als de VS en China hebben Pijler 2 weliswaar niet ingevoerd, maar er zijn veel landen die dat wel hebben gedaan. Naast de EU-lidstaten zijn dat bijvoorbeeld het VK, Japan, Canada, Australië en Zuid-Korea, om maar een paar grote economieën te noemen. Dat sorteert effect. Daarbij is het goed om te benadrukken dat de VS een eigen minimumbelasting hanteren, namelijk de zogenaamde GILTI. Je ziet ook dat voormalig laagbelastende jurisdicties hun wetgeving met horten en stoten aan het aanpassen zijn. Zij voeren een binnenlandse bijheffing, een DMTT, of een winstbelasting in. Kijk bijvoorbeeld naar landen als Bermuda, Barbados, Guernsey, Jersey en ook de Verenigde Arabische Emiraten. Eigenlijk is dat precies het gewenste effect van alle afspraken rondom Pijler 2. Ook merken we dat in landen in Afrika en Azië door Pijler 2 een flinke zwengel is gegeven aan de beleidsdiscussie of het nou wel zo'n goed idee is om allerlei incentives en exclusive economy zones aan te bieden. Pijler 2 sorteert dus effect. Tegelijkertijd doen de recente ontwikkelingen niet af aan onze inzet. We blijven ons inzetten voor de doelstellingen van Pijler 2: een wereldwijde minimumbelasting die bijdraagt aan een gelijker speelveld voor grote multinationale ondernemingen wereldwijd. Daarbij is het uitgangspunt van Nederland dat landen niet met elkaar concurreren door uitzonderingen en steeds lagere belastingtarieven te hanteren. Deze race to the bottom willen we niet. Die staat haaks op een stabiel en voorspelbaar internationaal belastingstelsel, dat met onze open economie van cruciaal belang is. In de gesprekken die wij voeren, zowel in de context van het Inclusive Framework van de OESO als in EU-context en zelfs bilateraal, blijven wij inzetten op een praktische en goed uitvoerbare invulling van Pijler 2. Het is daarbij van belang dat de gezamenlijke doelstellingen overeind blijven, ook in de verdere uitwerking van een oplossing waarbij Pijler 2 en het Amerikaanse systeem naast elkaar bestaan. We letten daarbij scherp op de belangen van het bedrijfsleven, zoals het behoud van het gelijke speelveld en concurrentievermogen. De G7-verklaring vormt een goed uitgangspunt, omdat expliciet wordt gesproken over commitment om substantiële risico's met betrekking tot het gelijke speelveld te adresseren. En we kijken waar verbeteringen mogelijk zijn om administratieve lasten beheersbaar te houden en deze waar het kan te reduceren. Binnen het Inclusive Framework van de OESO en binnen de EU lopen daarom diverse werkstromen die gericht zijn op vereenvoudiging en praktische uitvoerbaarheid voor zowel het bedrijfsleven als de Belastingdienst. Dit gebeurt onder andere onder de noemer van de Amsterdam Dialogue, naar aanleiding van een nuttige bijeenkomst op dit vlak eind vorig jaar in Amsterdam. Nederland is zeer actief in deze werkstromen. Maar als we het hebben over Pijler 2, dan hebben we het natuurlijk ook over Pijler 1. Je zou zeggen: waarom begin je niet andersom? Dat heeft er toch mee te maken dat Pijler 2 meer gaat over de wereldwijde minimumbelasting voor bedrijven en Pijler 1 nog niet volledig geïmplementeerd is. De heer Stultiens vraagt: de terugkoppeling van de IF-vergadering, de Inclusive Frameworkvergadering, is alweer een jaar oud; hoe staat het er nu voor? Klopt het beeld dat Pijler 1 er voorlopig niet gaat komen? De heer Kouwenhoven vroeg naar de stand van zaken van de uitwerking van Pijler 1. Pijler 1 betreft onder andere een herverdeling van een deel van de winsten van de ruim 100 grootste en meest winstgevende multinationals. Voor de goede orde merk ik op dat veel daarvan techbedrijven zijn, ook veel techbedrijven die uit Amerika komen, maar dat het niet alleen techbedrijven zijn. Het zijn echt de 100 grootste en meest winstgevende multinationals. De stand van zaken van Pijler 1 is dat het Inclusive Framework van de OESO op 11 april 2025 in een gepubliceerd statement heeft aangegeven dat de onderhandelingen nog steeds gaande zijn. Dat is, gezien de nieuwe samenstelling van de regering in Amerika, in ieder geval een goede zaak. Nederland blijft voorstander van Pijler 1 en steunt de onderhandelingen. Tegelijkertijd merk ik op dat er geen nieuwe termijn voor afronding van de onderhandelingen in het statement is opgenomen. Ook erken ik dat het, gezien de huidige geopolitieke ontwikkelingen, onzeker is of een akkoord op korte termijn realistisch is. Wij zijn blij dat de gesprekken in ieder geval voortduren. Dan een vraag over de digitaledienstenbelasting. Waarom bereidt de staatssecretaris niet alvast nationale maatregelen voor? Waarom voert Nederland niet de druk op met een aankondiging van een nationale dienstenbelasting? We hebben moties langs die lijn gezien, die het niet gehaald hebben of aangehouden zijn, maar het is goed om daar in ieder geval even wat toelichting op te geven. De heer Kouwenhoven vraagt naar de stand van zaken rondom de digitaledienstenbelasting. Pijler 1 kende een verbod op een dergelijke belasting, maar nu de VS zich afzijdig houden, zal Pijler 1 niet in werking treden. Dus wat is dan de inzet van Nederland op dit punt? Willen wij een digitaledienstenbelasting? Gezien het feit dat het onzeker is of Pijler 1 op korte termijn realistisch is, vind ik het belangrijk om goed voorbereid te zijn op alternatieve scenario's. Een van die scenario's kan een digitaledienstenbelasting zijn. Hier ga ik graag wat dieper op in. Misschien een kleine correctie. De heer Stultiens had het erover dat "vele landen" bezig zijn met een DST. "Vele landen" in de context van 27 Europese landen ten opzichte van een context van 200 landen vind ik wat aan de ruime kant, maar er zijn verschillende landen met een DST. Landen of staten buiten de EU met een DST zijn bijvoorbeeld Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Maryland. Landen binnen de EU met een Digital Services Tax zijn Frankrijk, Italië en Spanje. Oostenrijk heeft ook een variant daarop. Daarnaast is er een aantal landen met een beperktere vorm van de Digital Services Tax, die bijvoorbeeld alleen ziet op streaming of advertising. Er zijn verschillende manieren waarop je zo'n belasting vorm zou kunnen geven. Denemarken, Polen en Portugal hebben een bepaalde vorm van DST. Hongarije heeft er ook eentje, maar met een tarief van 0%. Die is eigenlijk meer bedoeld als voorbereiding, zodat ze die misschien, als het nodig is, kunnen verhogen. Er liggen ook voorstellen voor een DST in België, Tsjechië en Polen. Recent hebben ook sommige landen hun DST ingetrokken, zoals India en Canada, die ermee zijn gestopt. Er is de afgelopen tijd gewoon veel te doen geweest over dit onderwerp. Een digitaledienstenbelasting is een belasting geheven op digitale activiteiten in een land. Afhankelijk van de vormgeving kan deze betrekking hebben op activiteiten van platforms of advertentiestromen, of bijvoorbeeld gebaseerd zijn op het verzamelen van data. Veel landen vinden dat het internationale belastingstelsel niet meer passend is in de huidige tijd. Dat komt door de toegenomen digitalisering en globalisering van de economie. Internationaal loopt er dan ook al een aantal jaren de discussie of het stelsel gewijzigd dient te worden. De discussie gaat onder andere over de vraag of heffingsrechten verschoven dienen te worden naar de landen waar producten en diensten worden geconsumeerd in plaats van geproduceerd. Op basis van de huidige regels is namelijk fysieke aanwezigheid nodig om belasting te kunnen heffen, terwijl bedrijven niet altijd een fysieke aanwezigheid nodig hebben om wel omzet te kunnen genereren in een land. De positie van Nederland is dat wij voorstander zijn van het behoud van een stabiel, multilateraal fiscaal systeem, waarin met zo veel mogelijk landen afspraken worden gemaakt over internationale belastingheffing. Nederland erkent dat het huidige systeem onder druk staat. Daarom participeren we ook in eigenlijk alle discussies en ideeënvormingen rondom dat punt. De heer Stultiens vraagt nu of Nederland de druk moet opvoeren door een digitaledienstenbelasting aan te kondigen. Ook de heer Kouwenhoven deed een suggestie langs die lijn. De eventuele invoering van een digitaledienstenbelasting vergt een zorgvuldige afweging. Belastingen op digitale diensten kunnen op verschillende manieren worden vormgegeven. Deze vormgeving verschilt in de praktijk aanzienlijk per land. Ik geef graag een aantal overwegingen mee. Allereerst is de vraag of er valide argumenten zijn om digitale diensten anders te belasten dan andere activiteiten. Hierbij speelt ook dat het onderscheid tussen digitale en niet-digitale activiteiten in veel gevallen diffuus is. Bovendien betalen digitale bedrijven over deze inkomsten ook vennootschapsbelasting en btw. Daarnaast zijn de gevolgen voor bedrijven en consumenten in Nederland en de EU van belang, bijvoorbeeld met betrekking tot de concurrentiepositie van Nederlandse en Europese bedrijven en het gelijke speelveld. We moeten niet onderschatten dat Nederland een vrij grote digitaledienstensector heeft, groter dan het gemiddelde. Als derde wil ik meegeven dat de impact van een digital services tax op de door Nederland afgesloten belastingverdragen een juridisch risico voor de houdbaarheid van een DST met zich mee kan brengen. Daarnaast zorgt een DST vermoedelijk voor uitdagingen voor de uitvoering. Het invoeren van een nieuwe belasting vergt inzet van mensen, ICT et cetera. Het is naar verwachting een complexe belasting. Als laatste is het van belang om de geopolitieke situatie mee te wegen en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem goed te overzien. We kunnen niet ontkennen dat de Verenigde Staten vinden dat DST's Amerikaanse bedrijven discrimineren, met de potentiële vergelding van dien. Deze wegingen spelen mee. Daar hebben we nog geen eensluidend antwoord op. Ik weet zeker dat dat de komende maanden nog wel meer besproken zal worden. Mijn voorstel zou zijn om uw Kamer een brief te sturen over de kort aangehaalde dilemma's en over andere aandachtspunten die spelen bij de keuze voor een Digital Services Tax voor Nederland. Mijn voorstel is om de Kamer goed mee te nemen in de cijfers en data die eronder liggen. Ik kan daar ook een technische briefing over aanbieden, vanwege het feit dat ikzelf inmiddels overtuigd ben geraakt van het feit dat het best een complexe afweging is. Bezint eer ge begint, en als je het doet, doe het dan op de goede manier, met advertenties en data.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Helemaal eens. Ik kan dat zeker doen. Sterker nog, dat doen we al. U zegt dat u op meer gehoopt had. Ik weet niet of u erop gehoopt had dat ik nu zou zeggen dat ik volgende week een wet naar de Kamer stuur. Het is grappig dat u zegt "dat zou mooi zijn". Tegelijkertijd moet zo'n belasting natuurlijk wel ook wat opleveren. Er zijn ook varianten waarbij die voor Nederland niets oplevert en Nederland een nettobetaler zal zijn. Precies dat zal ik uiteenzetten. De vergelijking tussen die landen wordt dus ook gemaakt. Ik hoop dat u me vertrouwt in wat ik zei: het is echt heel erg complex en de afslagen en keuzes die je erin kan maken, zijn niet allemaal in het belang van Nederland, maar sommige misschien wel. Precies dat debat moet je met elkaar voeren. Laten we dat doen op basis van inhoud. Ik bied ook een technische briefing aan vanwege het feit dat je dan echt even iets meer met elkaar kan doorspreken voordat je met elkaar in debat gaat. Educatie over wat er allemaal speelt en kan op dit onderwerp is, denk ik, van het grootste belang.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik begrijp heel goed wat u zegt. Wij zullen zo'n brief en zo'n vergelijking natuurlijk zo neutraal mogelijk opstellen. Ik verwacht niet anders dan dat ze het ambtelijk ook op die wijze zullen insteken. Er is veel over te zeggen, omdat alle landen die dit overwegen, en misschien ook de landen die het nog gaan overwegen, verschillende typologieën van economieën zijn. Tegelijkertijd: moet je ook altijd het beste model kiezen voor je eigen economie of moet je juist sturen op iets wat breder is, waardoor je internationaal meer een level playing field hebt? Er spelen dus ook belangen mee die misschien niet direct einhundert Prozent in lijn liggen met onze belangen, maar die misschien verstandig zijn om mee te wegen for the greater good. Laten we dus eerst vooral beginnen met de inhoud en daarna de rest doen. Ik denk dat dit de juiste volgorde is.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Zullen we doen.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik heb volgens mij net gezegd dat we het zeker in breder verband moeten bezien en dat er meer belangen zijn dan alleen het belang van bijvoorbeeld geld ophalen voor de Nederlandse economie. Dus ja, dat moet je inderdaad breder bezien. Ik denk ook dat het zeer onwenselijk is als we in bijvoorbeeld alleen al in de Europese Unie 27 verschillende vormen van de Digital Services Tax starten. Dat moet je meewegen. Tegelijkertijd: als half Europa al een bepaalde vorm van zo'n belasting heeft, kan je dan achterblijven? Moet je dan je eigen plan trekken of ga je je juist richten op je buurlanden of op vergelijkbare economieën? Moet je het misschien wel niet doen, omdat dat ook voordelen oplevert? Ik weet het allemaal niet. Dat is dus precies waarom je eerst begint bij de inhoud, het met elkaar goed hebt over wat je nou precies wilt, en uiteindelijk daarna met elkaar een besluit neemt. Ik denk dat het de enige juiste volgorde is, en ook een hele goede Nederlandse volgorde, om niet als een blind paard achter de media aan te lopen op dit punt. Er wordt door de internationale pers erg veel geschreven over de Digital Services Tax en dat is niet altijd direct kopieerbaar naar de Nederlandse situatie.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dan gaan we naar een ander onderwerp, belastingontwijking. Daarin neem ik ook direct even alles mee over dividendstrippen, verrekenprijzen, earningsstrippen, dat soort grappen. Als eerste heb ik hier de vraag van de heer Stultiens: waarom neemt het kabinet geen extra stappen om ervoor te zorgen dat Nederland niet meer voorkomt in lijstjes van landen waar belastingontwijking voorkomt? Allereerst is het standpunt van het kabinet: belastingontwijking is onwenselijk. Belastingontwijking ondermijnt de belastingmoraal en schaadt de Nederlandse reputatie. Nederland heeft de afgelopen jaren heel veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Nederland doet het daardoor al veel beter op de foute lijstjes die de heer Stultiens noemt, ook die van Tax Justice. In het laatste State of Tax Justicerapport, uit 2024, zijn er zeventien landen verantwoordelijk voor een groter deel van de wereldwijde belastingontwijking. Nederland doet het in dat lijstje dan ook beter dan landen als Canada en Denemarken. We zien ook in onze eigen cijfers in de jaarlijkse monitoringsbrief dat de maatregelen tegen belastingontwijking effect hebben. We dalen dus in de lijstjes, en dat is goed. De aanpak gaat overigens onverminderd door. We focussen op een gecoördineerde internationale aanpak. Daarmee is internationale belastingontwijking namelijk het meest effectief aan te pakken. Ik ben ook bezig om nationaal constructies aan te pakken. Daarvoor moet wel nader onderzoek gedaan worden, zoals onderzoek naar dividendstripping en onderzoek naar een alternatief voor de antifragmentatieregel, die vorig jaar in het Belastingplan zat. Er lopen ook nog andere onderzoeken naar onder andere de aanpak van belastingconstructies, zoals ook in de bijlage van de Voorjaarsnota 2025 is gemeld. Om maar even wat voorbeelden te noemen: de dividend-, rente- en royaltystroom naar belastingparadijzen is gedaald van naar schatting 37 miljard in 2019 naar 7 miljard in 2023, which is a good thing and a good result. Het is niet zo dat je, als je in vijf jaar tijd van 37 naar 7 gaat, vervolgens in de volgende vijf jaar van 7 naar 0 kan, vanwege het feit dat we de grote klappers van oplossingen wel gemaakt hebben en we nu steeds meer naar de kleinere oplossinkjes gaan, die in aantallen euro's steeds minder gaan opleveren. Bedrijven die geraakt worden door de earningsstrippingmaatregel trekken circa 5 miljard minder aan rente af door de maatregel dan bedrijven die niet door de maatregel worden geraakt. Ook de cv- en bv-structuren zijn effectief aangepakt door de implementatie van ATAD 2, om maar even wat te noemen. Ik moet zeggen: ik ben zelf in ieder geval echt wel tevreden over alles wat er is gebeurd en wat er nog te doen staat. De heer Stultiens vroeg hoe lang het kabinet dan wacht met aanvullende nationale maatregelen tegen brievenbusmaatschappijen, omdat de EU-richtlijn Unshell stil lijkt te liggen. Het kabinet juicht het EU-richtlijnvoorstel Unshell toe, omdat enkel een gecoördineerde internationale aanpak effectief is. De lidstaten en de Europese Commissie zijn afgelopen maand overeengekomen dat de aanpak van brievenbusmaatschappijen via informatie-uitwisseling mogelijk is. De Commissie zal naar verwachting begin 2026 met een aangepast voorstel komen. Het kabinet wil geen nationale koppen op nieuw Europees beleid. Dat betekent dat het kabinet ook niet zal overgaan tot unilaterale maatregelen waar Europese initiatieven nog niet tot maatregelen hebben geleid. Daarom blijft het kabinet inzetten op een Europees akkoord. Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. Een vermogensaftrek lijkt wenselijker dan earnings stripping. Wat zou het budgettaire effect kunnen zijn van een vermogensaftrek? Kan ontwijking worden voorkomen bij een zorgvuldig vormgegeven variant? Graag verwijs ik naar het onderzoek naar een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen, dat in 2021 is uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat de kosten van een vermogensaftrek zeer sterk afhangen van de vormgeving, bijvoorbeeld van het rentepercentage. Ook de manier waarop de aftrek wordt vormgegeven, als een volledige of als een incrementele vermogensaftrek, is van belang. Bij een volledige vermogensaftrek mag jaarlijks voor het gehele eigen vermogen vermogensaftrek geclaimd worden. Bij een incrementele vermogensaftrek mag dat alleen voor het deel van het eigen vermogen dat hoger is dan het jaar ervoor. De budgettaire derving van de laatste variant is logischerwijs beperkter. In dat onderzoek zijn de kosten van de laatste variant geschat op circa 1 miljard euro. Daarbij moet opgemerkt worden dat meer dan de helft van dit bedrag het gevolg is van planning door ondernemingen. De introductie van een vermogensaftrek biedt namelijk in potentie ook weer nieuwe mogelijkheden voor belastingontwijking. Om dit te voorkomen, zijn in zo'n wet dus ook flankerende maatregelen noodzakelijk. Door flankerende maatregelen neemt de complexiteit van de regeling dan weer toe. Bovendien lijken deze maatregelen op voorhand dus ook niet heel effectief. Het voorkomen van belastingontwijking is dus niet volledig mogelijk. Het bezwaar van ontwijking boet aan belang in als een vermogensaftrek in zo veel mogelijk landen tegelijk wordt ingevoerd, waarbij aandacht wordt besteed aan een gemeenschappelijke grondslag en een uniform tarief. Dan was er nog een vraag van mevrouw Van Eijk. In de resultaten die genoemd worden in de recente brief over earnings stripping, wordt het Finse model een interessante optie genoemd. Mevrouw Van Eijk vroeg of dit een verruiming van de drempel voor externe financiering naar 3 miljoen euro betekent, gecombineerd met een drempel van €500.000 voor leningen van verbonden partijen. Allereerst heeft Finland voorwaarden verbonden aan de toepassing van de drempel in de earningsstrippingmaatregel. Deze voorwaarden houden verband met de vraag of en in hoeverre de belastingplichtige is gefinancierd met vreemd vermogen dat is verstrekt door verbonden lichamen of door natuurlijke personen gelieerd aan de onderneming. Ik begrijp inderdaad dat dit op hoofdlijnen betekent dat de drempel in Finland €500.000 bedraagt en wordt verhoogd naar 3 miljoen voor leningen aan niet-verbonden partijen. Ik wil dus onder meer verder onderzoeken of een maatregel die onderscheid maakt tussen externe en interne financiering, conform het Finse model, bijdraagt aan het bestrijden van de belastingconstructies waarbij de earningsstrippingmaatregel wordt ontweken. In de brief heb ik uw Kamer toegezegd haar hier uiterlijk eind 2025 over te informeren. Ik heb nog een vraag van mevrouw Van Eijk. Zou een vrijstelling voor langlopende infrastructuurprojecten in de earningsstrippingmaatregel destijds wenselijk zijn geweest? De earningsstrippingmaatregel is in Nederland strenger geïmplementeerd dan de richtlijn vereist. Met deze strenge implementatie wordt niet alleen opgetreden tegen belastingontwijking, maar wordt ook een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen nagestreefd. In algemene zin geldt dat het opnemen van een uitzonderingsmogelijkheid afbreuk doet aan het oogmerk om te komen tot een meer gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen. Zou een vrijstelling anders wenselijk geweest zijn? De onderbuik zegt dat dat niet het geval is.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dan hebben we het dus specifiek over woningbouwcorporaties. Om gebruik te kunnen maken van de uitzondering voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten, moet het gaan om een project. Dat is het eerste punt. Het is goed om dat even te noemen. Het moet een project zijn. Het project moet infrastructuur betreffen, een openbaar karakter hebben en voor de lange termijn gerealiseerd worden. Infrastructuur zou daar wellicht onder kunnen vallen, maar voor woningbouwcorporaties wordt dit een wat grijzer gebied en moet er rekening worden gehouden met staatssteunregels. Het lijkt moeilijk te beargumenteren dat sociale woningbouw aan deze voorwaarden voldoet, maar langlopende openbare-infrastructuurprojecten zoals wegen, bruggen en tunnels zouden wellicht inderdaad hieronder kunnen vallen. Wij nemen dit dus mee in ons onderzoek. Tegelijkertijd heb ik niet het idee dat we hier het ei van Columbus aan het onderzoeken zijn, maar wellicht helpen alle kleine beetjes. Nog een vraag van mevrouw Van Eijk: wat is momenteel de jaaropbrengst van die CFC-maatregel? CFC staat voor Controlled Foreign Company. Het is trouwens goed om te zeggen dat de Controlled Foreign Company in principe alleen relevant is voor bedrijven met een omzet van minder dan 750 miljoen, want daarboven vallen bedrijven onder Pijler 2. De aanvullende CFC-maatregel heeft tot doel om te voorkomen dat belastingplichtigen winsten verschuiven naar laagbelastende jurisdicties, waar het inkomen niet of nauwelijks aan belastingheffing is onderworpen. De aanvullende maatregel heeft hiermee vooral een prohibitief karakter en werkt hiermee als een stopbord. Als gevolg hiervan is het niet mogelijk om vast te stellen wat de budgettaire opbrengst of derving van deze maatregel dan zou zijn. Naar verwachting is het grootste effect van deze maatregel de gedragsverandering bij de geraakte bedrijven, maar die is niet op basis van de belastingaangifte te meten. In de gevallen waarbij er nog wel sprake was van een CFC, en bedrijven deze heffing blijkbaar accepteerden en er dus geen gedragsverandering plaatsvond, resulteerde dat in een additionele grondslag in de vennootschapsbelasting van 45 miljoen in 2021. Dat is dus wat ik daarover kan zeggen. En dan natuurlijk de vraag wat de uitvoerings- en nalevingskosten van de CFC-maatregel zijn. De aanvullende CFC-maatregel heeft enige invloed op het handhavingsrisico, doordat het gaat om complexe wet- en regelgeving met internationale problematiek, die ook samenloop kent met andere bepalingen. Er zijn echter geen signalen van een significante impact van de CFC-maatregel op het uitvoeringsrisico, dat bijvoorbeeld zou kunnen worden veroorzaakt door grote aantallen aanslagen en bezwaren waar de CFC-maatregel een rol in speelt. Uit de Kamerbrief van 11 december 2024 over monitoring van de effecten van de aanpak van belastingontwijking blijkt dat er een kleine, stabiele groep van ruim 80 belastingplichtigen is die de bijtelling accepteert en de bestaande bedrijfsstructuur in de periode 2019 tot 2021 heeft voortgezet. Die groep neemt de bijtelling dus voor lief. Nog een vraag van mevrouw Van Eijk: is afschaffing van de CFC-maatregel wenselijk, gezien de kosten, baten en uitvoerbaarheid? Ik ben van mening dat de aanvullende CFC-maatregel bijdraagt aan het ontmoedigen van belastingontwijking en de andere maatregelen tegen belastingontwijking versterkt. Daarbij is het van belang dat de aanvullende CFC-maatregel geen toepassing vindt als er sprake is van een wezenlijke economische activiteit in het buitenland. Hierdoor wordt een concurrentienadeel voorkomen voor in Nederland gevestigde ondernemingen met reële activiteiten in het buitenland. Verder zijn er ook geen signalen van een significante impact van de CFC-maatregel op de uitvoerbaarheid. Zoals ik eerder heb aangegeven in de brief van 17 februari 2025 in antwoord op vragen van mevrouw Van Eijk, ben ik van mening dat er sprake is van een goede balans tussen aan de ene kant het aanpakken van belastingontwijking en aan de andere kant het behouden en versterken van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat voor in Nederland gevestigde ondernemingen. Ik heb hier nog wat informatie uit die Kamerbrief, maar dat zijn getallen die u kent. Dan een vraag van de heer Stultiens: hoe kunnen wij als Kamer controleren dat er geen sprake is van belastingontwijking bij de toepassing van het arm's-lengthbeginsel? Het arm's-lengthbeginsel is het internationaal geaccepteerde beginsel dat mede bedoeld is om belastingontwijking tegen te gaan. Ik ben daar onder andere in mijn brief van 8 mei 2025 naar aanleiding van een artikel van Follow The Money over Tesla uitgebreid op ingegaan. De Belastingdienst kijkt op basis van het arm's-lengthbeginsel of in Nederland de winst wordt aangegeven die bij de Nederlandse activiteiten past. Bepalend daarbij zijn de functies, de activa en de risico's in Nederland. De Belastingdienst heeft een Coördinatiegroep Verrekenprijzen, die specifiek aandacht heeft voor de juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel bij bedrijven. Indien nodig worden er correcties aangebracht op de door een bedrijf gehanteerde verrekenprijzen. Er lopen op dit moment ook diverse gerechtelijke procedures over verrekenprijzen. De gepubliceerde uitspraken van rechters zijn ook beschikbaar voor de Kamer, waardoor u een indruk kunt krijgen van welke standpunten daarin door de Belastingdienst worden ingenomen. Uit de gepubliceerde gerechtelijke procedures blijkt dat de rechter de Belastingdienst in rechtszaken regelmatig in het gelijk stelt. Hieruit valt af te leiden dat de Belastingdienst dus echt optreedt bij situaties waarin winst ten onrechte niet in Nederland wordt aangegeven. Zoals u weet kan ik niet op concrete gevallen ingaan. Wel heb ik u toegezegd om in een Kamerbrief nader in te gaan op onder andere het doel en de strekking van de fiscale geheimhoudingsplicht. Daarin zal ook ingegaan worden op het belang van goede informatievoorziening aan de Kamer. Deze Kamerbrief wordt naar verwachting kort na de zomer verstuurd. Als u een datum wilt hebben: dat zal in september zijn. Dat wou ik er even over zeggen. Nog een vraag van de heer Stultiens: welke manieren zijn er om transparantie …
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Allereerst is de vraag: hoe kunnen wij als Kamer controleren dat er geen sprake is van belastingontwijking? Uiteindelijk controleren jullie als Kamer natuurlijk niet op bedrijfsniveau of er sprake is van belastingontwijking. Jullie moeten eigenlijk afgaan op de rapportages die wij u daarover geven. Het gaat hier over belastingontwijking, dus het is moeilijk, want een deel van belastingontwijking zie je natuurlijk niet, omdat de belasting ontweken wordt; dat is het idee van ontwijking. Maar je ziet wel dat de Belastingdienst zeer actief is op dit onderwerp. We hebben ook een structuur ingericht binnen de Belastingdienst om handhaving en toezicht goed vorm te geven. Hoe kan je handhaving en toezicht goed meten? Door te kijken of dat daadwerkelijk leidt tot procedures wanneer je vindt dat een bedrijf zich niet aan de regels houdt. Ik moet zeggen dat je er natuurlijk altijd uit probeert te komen met een bedrijf voordat je tot een procedure komt. Tegelijkertijd denk ik dat je als Belastingdienst ook een procedure moet kunnen en willen starten, al is het alleen al omdat je de verwachting moet uitstralen dat je daadwerkelijk overgaat tot handhaving, boeteoplegging of een rechtszaak op het moment dat mensen zich niet aan de regels houden. Ik heb veel liever dat bedrijven en burgers zich aan de regels houden. Dat scheelt ons natuurlijk heel veel gedoe aan boetes, procederen en dat soort dingen. Tegelijkertijd moet je zo nu en dan wel je tanden laten zien als Belastingdienst, zeker als het gaat over complexe ontwijkingszaken. Het feit dat daar rechtszaken over zijn is dus a good thing, denk ik. En we winnen ze ook meer dan regelmatig. Dat is ook a good thing, want dat betekent dat we als Belastingdienst de situaties waarin het niet goed is toch kunnen opsporen, wat daadwerkelijk kan leiden tot meer belastingheffing voor Nederland.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Die Kamerbrief wordt nog gemaakt. We kunnen absoluut wat aangeven over de zaken en de boetes. Mijn beeld is dat het huidige systeem voldoende werkt en tot genoeg leidt. Tegelijkertijd hebben we het hier over verrekenprijzen en inschattingen. Het is allemaal niet zo hard. Het is complexe materie. Het arm's-lengthbeginsel geeft geen rond getal. Dat betekent dat het heel complex is om dat per bedrijf vast te stellen. Ik denk dat je dan ook reëel moet zijn: je kan er weleens een keer een foutje in maken. Dat is ook precies waar de Belastingdienst over in gesprek gaat. Het gaat ook vaak om grote bedrijven: de bakker om de hoek doet niet aan transferpricingberekeningen en die afstemmen met de Belastingdienst. Het gaat toch doorgaans om de multinationale ondernemingen met een omzet van meer dan 750 miljoen. Dit is natuurlijk een onderwerp van de gesprekken die we met die bedrijven hebben. Ik denk zelf dat het wel meevalt. We gaan u daar in de brief netjes over informeren. Ik denk niet dat dit op dit moment het grootste risico in Nederland is.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Misschien is dit goed om nog even te benoemen. Het is misschien iets voor de procedurevergadering. Uiteindelijk willen wij graag toelichten hoe het werkt. Wij hebben volgens mij ook een technische briefing aangeboden over het artikel in Follow the Money over Tesla. Tot onze spijt is daar uiteindelijk niemand naartoe gekomen. Of nee, volgens mij waren er onvoldoende aanmeldingen en is die niet doorgegaan. Maar dat is zonde, want juist dat willen we graag toelichten, omdat je dan ook een beeld krijgt — er zit ook een vertrouwelijk deel bij — van hoe wij als Belastingdienst de handhaving op dit dossier uitvoeren.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Hier kan ik alleen maar een suggestie doen. Ik weet dat er ook commissies zijn waarin een technische briefing al doorgaat bij slechts drie deelnemers. Vijf is dus vrij ruim. We zitten hier ook weer met drie van de vijftien partijen. Ik denk dat het goed is om daarover na te denken, want juist over dit soort dossiers geven wij ook heel graag technische briefings. Zoals ik net ook aangegeven heb: dit is echt supercomplexe materie. Juist om goede afwegingen te maken in het belang van het vestigingsklimaat en het belang van Nederland denk ik dat het goed geïnformeerd zijn van Kamerleden van groot belang is. Wij staan dus open voor suggesties, ook vanuit de pv. Dan gaan we door. Een vraag van de heer Stultiens. "Waarom kondigt de staatssecretaris na het onderzoek over dividendstripping niet duidelijk aan: dit ga ik implementeren? Waarom eerst een internetconsultatie?" Als ik het andersom zou doen, was nu de vraag geweest: waarom gaat u dit implementeren en doet u niet eerst een internetconsultatie? Uiteindelijk hebben wij in Nederland volgens mij in goed gebruik gezegd dat je, als je iets wil gaan implementeren, dat eerst in internetconsultatie brengt, zoals we recent ook het lucratief belang in internetconsultatie hebben gebracht.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik ga natuurlijk niet over de politieke keuzes van de Kamer. Ik heb volgens mij al een stuk of drie, vier internetconsultaties meegemaakt in mijn termijn als staatssecretaris, waarbij we op een gegeven moment ook gewoon zeggen: nou jongens, we kunnen nu zelf kiezen. Het is ook goed om even langs de maatschappij te gaan om te kijken of we alle invalshoeken gehad hebben. Ik vind dat in ieder geval een vorm van zorgvuldig besturen. Laten we het daarop houden. Als u die politieke keuze maakt, ben ik natuurlijk als was in uw handen; dat is heel simpel. Ik wou in ieder geval zeggen: we zitten niet stil als het gaat om het aanpakken van dividendstrippen. We kennen allang maatregelen tegen dividendstripping. Vorig jaar zijn ook nog aanvullende maatregelen tegen dividendstripping genomen en in werking getreden. Daarnaast is de aanpak van dividendstripping door de Belastingdienst sinds eind 2023 geïntensiveerd, en met succes. De inzet van specialistische kennis en extra mensen heeft in de afgelopen jaren tot resultaten geleid. De huidige bestrijding vergt echter wel schaarse en kostbare toezichtcapaciteit. Vorige week heb ik aan uw Kamer gerapporteerd over het onderzoek naar aanvullende maatregelen. Dividendstripping is complexe materie. Ik wil misbruik bestrijden, maar zonder dat dit leidt tot overkill en verstoring van reële economische transacties. Ook goede uitvoerbaarheid voor zowel de Belastingdienst als marktpartijen is van groot belang bij de nieuwe maatregelen. Uiteindelijk is zo'n internetconsultatie er ook voor bedoeld om, waar het complexe materie betreft, een goed beeld te krijgen van de casus en de situatie. Ik heb dat ook in mijn hoorzitting gezegd, weet ik nog: eerst moet je smoel op het terrein krijgen en dan pas besluiten. Met een compleet beeld kunnen we in ieder geval zien welke gevolgen eventuele wetswijzigingen hebben voor de praktijk en welke maatregelen het meest passend zijn. Dan gaan wij naar ons vestigingsklimaat. Mevrouw Van Eijk constateerde dat directe buitenlandse investeringen met 25% zijn gedaald sinds 2015, gecorrigeerd voor inflatie, en ze noemde ook het recente rapport van EY. Ze vroeg of dit te maken heeft met het invoeren van nationale koppen, waar deze investeringen nu wel naartoe gaan en of het afschaffen van koppen leidt tot meer investeringen. Dat is een mooie vraag. Het klopt dat de directe buitenlandse investeringen in Nederland, gecorrigeerd voor inflatie, met een kwart zijn afgenomen. Het gaat om ongeveer — hou je vast — 900 miljard euro. Anderzijds zijn ook Nederlandse directe investeringen in het buitenland met ongeveer een kwart afgenomen. Dat betreft ook ongeveer 900 miljard euro. Dat is dus geen daling van reële investeringen in Nederland. Het is vooral een daling van doorstroomactiviteiten, waarbij investeringen vanuit het buitenland via Nederland in een ander land worden gedaan. Deze daling is het gevolg van een succesvolle nationale en internationale aanpak van belastingontwijking en dus geen indicatie van een verslechtering van ons vestigingsklimaat. Dat neemt niet weg dat ik ook het rapport van EY gezien heb. Het kabinet neemt de zorgen omtrent het investeringsklimaat serieus. Op fiscaal terrein zet het kabinet in op stabiel en voorspelbaar fiscaal beleid en volgens mij ziet u dat ook van mij in het afgelopen jaar. Ook zet het kabinet geen nationale koppen op Europees beleid. Mevrouw Van Eijk heeft nog enkele vragen gesteld over het onderzoek naar innovatiekredieten. Ze heeft de indruk dat onderzoek suggereert dat geen enkel land hiermee bezig is. Ze vroeg of dat klopt. Verder vroeg ze of ik meer kan zeggen over Zwitserland en Singapore. Ook vroeg ze of andere lidstaten, zoals Frankrijk, fiscale regelingen aan het aanpassen zijn. Laat ik vooropstellen dat ik in het onderzoek dat ik met u gedeeld heb, zeker niet de indruk heb willen wekken dat geen enkel land bezig is met innovatiekredieten. Ik heb in mijn onderzoek juist willen bezien in hoeverre een systeem van innovatiekredieten van meerwaarde kan zijn voor Nederland. Een fiscale maatregel om innovatie te stimuleren, is heel landspecifiek. De vraag of een belastingtegoed doelmatig en doeltreffend is, is afhankelijk van de nadere invulling van een dergelijk belastingtegoed in het betreffende land en van de internationale economische context waarin dit wordt verstrekt. Daarom is het alleen nuttig om te kijken naar landen met een soortgelijke economische context als Nederland. Ook in evaluaties van innovatie-instrumenten wordt daarom gekeken naar een selectie van landen. In beginsel heb ik net als in de evaluatie van de Innovatiebox België, Ierland, Singapore en het Verenigd Koninkrijk als uitgangspunt genomen. Duitsland is daarin niet meegenomen, omdat dat geen innovatieboxregime kent, maar Duitsland is economisch goed vergelijkbaar met Nederland en daarom toegevoegd aan dit specifieke onderzoek. Voor belastinginstrumenten zijn we gebonden aan EU-wetgeving. Ik heb vervolgens uitsluitend de EU-lidstaten België, Duitsland en Ierland geselecteerd. Tot slot heb ik besloten om specifiek te focussen op Duitsland en België, vanwege hun vergelijkbaarheid qua vpb-tarief. Ierland hanteert een vpb-tarief van 12,5%, dat minder vergelijkbaar is met Nederland. Dit heeft natuurlijk sterke gevolgen voor de wenselijkheid van een eventueel belastingtegoed. Dat wilde ik dus daarover zeggen. Mevrouw Van Eijk verwees naar de gisteren gepubliceerde aanbevelingen van de Europese Commissie voor verrekenbare belastingkredieten in het kader van de Clean Industrial Deal. Ze vroeg of ik bereid ben om nog een slag te maken en vervolgonderzoek uit te voeren. Nou, gisteren zat ik hier. Ik heb de aanbevelingen nog niet tot mij kunnen nemen en zal deze nader bestuderen. We hebben natuurlijk al wel heel veel onderzocht, zowel in de eerdere brief, van 25 oktober 2024, als in de brief die u maandag ontvangen heeft. Om belastingen goed in te voeren, zijn er een aantal factoren waar je naar moet kijken. Wat is het beleidsdoel? Welke innovaties wil je stimuleren? Maar ook staatssteunkaders, uitvoeringsaspecten en budgettaire aspecten zijn van belang. Dit zijn allemaal politieke vragen, waarbij ik ook een grote rol zie voor uw Kamer. De doelmatigheid en doeltreffendheid van een belastingtegoed in plaats van of naast de reeds bestaande subsidies en fiscale faciliteiten ten aanzien van innovatie zijn echt afhankelijk van de nadere invulling van een dergelijk belastingtegoed in het betreffende land en de internationale economische context waarin dit wordt verstrekt. In mijn brief van 30 juni heb ik nader onderzoek gedaan en ben ik ingegaan op de volgende aspecten. Ten eerste de minimumbelasting. Doordat in Nederland groepen vrijwel altijd reguliere winst hebben die hier tegen 25,8% wordt belast, heeft de minimumbelasting een zeer beperkte invloed op de effectiviteit van fiscale regelingen. Hierdoor vormt de invoering van een minimumbelasting momenteel geen aanleiding om de fiscale regelingen in Nederland aan te passen. We kijken ook naar het bestaand fiscaal instrumentarium. We hebben al veel verschillende instrumenten en besteden ten opzichte van andere OESO-landen bovengemiddeld veel van ons bbp aan het stimuleren van innovatie. Deze bestaande instrumenten worden als positief ervaren en zijn grotendeels doeltreffend en doelmatig. Voorts verstrekt Nederland een scala aan subsidies, waarmee het innovatie-ecosysteem in Nederland wordt ondersteund. Ook volgt later dit jaar een periodieke rapportage over het totale innovatiebeleid van Nederland. Dan vroeg mevrouw Van Eijk: wat zijn volgens de SEO-methodologie …
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Laat ik het zo zeggen: dat onderzoek van gisteren moet ik echt nog tot mij nemen en nader bestuderen. Als dat aanleiding geeft om nog vervolgonderzoek te doen, dan doen we dat natuurlijk. Dat doen we ook als de Kamer dat niet vraagt, want we vinden het gewoon belangrijk om on top of our toes te blijven met betrekking tot de laatste inzichten op dit dossier. Maar om nu toe te zeggen dat ik dat dan ga doen … Ik hoop dat u mij er ook in vertrouwt dat we eerst even dat rapport goed gaan bestuderen. Dan kijken we daarna wat de handige en goede stappen naar aanleiding daarvan zijn. Als het nodig is, starten wij elk onderzoek dat wenselijk is. Dan nog een vraag. Wat zijn volgens de SEO-methodologie de budgettaire effecten van volledig herstel van de 30%-regeling voor de expats? SEO heeft niet berekend wat de budgettaire effecten zijn van volledig herstel van de regeling. SEO heeft een vergelijking gemaakt tussen de 30%-regeling en de 30-20-10-regeling voor één cohort. Dit is geen budgettaire raming geweest. SEO heeft twee berekeningen van de netto-opbrengst. In de eerste berekening is deze gelijk aan de opbrengsten van betaalde loonbelasting van alle 30%-gebruikers, minus de misgelopen loonbelasting van alle 30%-gebruikers. In de tweede berekening is deze gelijk aan de opbrengsten van de betaalde loonbelasting van alleen de 30%-gebruikers die door de regeling naar Nederland komen, minus de misgelopen loonbelasting van alle 30%-gebruikers. SEO gebruikt een elasticiteit van 0,4. Dat betekent een instroom van -13,3% bij gebruik van de 30-20-10-regeling ten opzichte van de 30%-regeling. In beide berekeningen van SEO is de opbrengst van de 30%-regeling hoger dan die van de 30-20-10-regeling, maar zijn de kosten ook hoger. De netto-opbrengsten van de 30-20-10-regeling uit het amendement-Omtzigt zijn in beide gevallen hoger dan die van de 30%-regeling. Daarmee concludeert SEO dat de 30-20-10-regeling van het amendement-Omtzigt budgettair doelmatiger is dan de 30%-regeling zoals we die kenden. Hoe wordt belastingregeldruk geëvalueerd? Dat was een vraag van mevrouw Van Eijk. In periodieke evaluaties van beleid wordt aandacht besteed aan regeldrukkosten. Vaak wordt informatie over regeldruk via enquêtes of interviews bij gebruikers uitgevraagd. De regeldrukkosten worden waar mogelijk, ook in evaluaties, kwantitatief in kaart gebracht aan de hand van het rijksbrede Standaard Kostenmodel. Evaluaties waarbij aandacht is besteed aan regeldruk zijn bijvoorbeeld de evaluatie van de Wbso, de evaluatie van de zorgkostenaftrek en de evaluatie van de EIA. De regeldruk is zogezegd een aspect waar we standaard naar kijken bij de evaluatie van beleid. Komt er een vereenvoudigingsagenda voor belastingwetgeving? Dit kabinet onderschrijft de noodzaak van vereenvoudiging van het fiscale stelsel. Zoals gezegd in de aanpak vereenvoudiging fiscaal stelsel kijk ik hierbij naar ondoelmatige en ondoeltreffende fiscale regelingen. Het aanpakken van fiscale regelingen leidt tot een minder complex en minder ondoenlijk belastingstelsel. Het ambtelijk rapport Kansen voor lagere tarieven en beter beleid, dat ik op 30 juni aan uw Kamer heb gestuurd, schetst hiervoor een aantal beleidsopties. Het is aan een volgend kabinet om verdere stappen hierin te zetten. Tegelijkertijd loopt er in Europa ook een vereenvoudigingsexercitie. Begin 2026 zal de Europese Commissie met een voorstel hierover komen. Als u vraagt wat we al vereenvoudigd hebben: neem bijvoorbeeld de bpm-vrijstelling voor ondernemers met een nieuwe bestelauto. Die is afgeschaft per 1 januari 2025. Om misbruik van de regeling te voorkomen, hanteerde de fiscus een andere definitie van "bestelbusje" dan de RDW. Door het afschaffen van de bpm-vrijstelling was het mogelijk om de voertuigdefinitie direct gelijk te trekken met die van de RDW. Met het Belastingplan 2025 is dit allemaal geregeld. Dat is even een voorbeeld van hoe we daarmee bezig zijn. Wat betreft goede vormen van het doelmatiger maken van regelingen en daarmee ook het afschaffen van ondoelmatige regelingen: we zijn speciaal voor start-ups nu de regeling voor medewerkersparticipatie aan het uitwerken. Daarvoor schaffen we de stakingsaftrek en de meewerkaftrek af. Dat is echt precies hoe ik vind dat het zou moeten. Draghi heeft een rapport geschreven waarin hij landen oproept om significant te investeren. Zoals u weet — dat heb ik gisteren ook in het debat over nationale fiscaliteit gezegd — is er natuurlijk altijd een tekort aan geld in dit land. Dan ga je dus kijken wat je kan doen met de middelen die je hebt. Als je dan ziet dat je tientallen miljarden niet doelmatig besteedt … Doe je ogen dicht en stel je voor wat je met tientallen miljarden kan doen als je het wél doelmatig zou besteden. Ik denk dat daar de uitdaging ligt. Dat is ook de inzet van dit kabinet en dat is ook precies de reden waarom er niet voor tientallen miljarden aan bezuinigingen is gefinancierd door deze regelingen af te schaffen. Dat is vanwege het feit dat dit geld uiteindelijk echt doelmatig besteed moet worden aan de zaken die we graag willen stimuleren als land. Dan kom ik bij de volgende vraag. Mevrouw Van Eijk vraagt of het mogelijk is om verplichtingen uit DAC-richtlijnen te verminderen. Allereerst: we zijn ook juist heel blij met DAC-richtlijnen, vanwege het feit dat ze ons enorm helpen in zaken rondom gegevensuitwisseling, waardoor we in het kader van belastingontwijking de afgelopen jaren hele goede en grote stappen gezet hebben. Het verminderen van verplichtingen uit de DAC-richtlijnen is in beginsel alleen mogelijk via aanpassing van de richtlijnen zelf. De Europese Commissie evalueert momenteel ook de DAC. Ervaringen van zowel overheden als het bedrijfsleven worden door er de Commissie bij betrokken om te bezien waar vereenvoudiging mogelijk is. Nederland heeft hier actief aan bijgedragen. Op basis van deze evaluatie wordt begin 2026 een voorstel tot herziening van de DAC-richtlijnen verwacht. Ik verwelkom dit proces. Nederland zet zich samen met onder andere Duitsland actief in voor vereenvoudiging van Europese fiscale regels, waaronder de DAC. Ik ben afgelopen week nog in Duitsland geweest. Een van de gevolgen van de NAVO-top was dat wij als bewindspersonen, en ook onze staf, bepaald niet welkom waren, dus zijn we op een werkbezoek naar Duitsland geweest. We hebben een goed gesprek gehad met de staatssecretaris van Fiscaliteit aldaar. Juist op dit punt hebben we de samenwerking met elkaar verder bekrachtigd. We zetten in op verduidelijken van bestaande regels zodat interpretatieverschillen tussen lidstaten afnemen, gestroomlijnde rapportageverplichtingen met minder overlap en betere afstemming en opschoning van overbodige lasten, zeker waar informatie geen meerwaarde heeft, waar informatie elders wordt verkregen of waar al specifieke antimisbruikmaatregelen voor gelden. Een voorbeeld — ik maak het voorbeeld even af, als u het goed vindt — van waar dit allemaal speelt, is DAC6. DAC6 verplicht intermediairs en belastingplichtigen om grensoverschrijdende structuren te melden. In de praktijk verschillen lidstaten sterk qua interpretatie en uitvoering, bijvoorbeeld rond het verschoningsrecht en de technische rapportage. Daarnaast leidt DAC6 tot dubbele rapportages. Meldingen gaan vaak over transacties die al door antimisbruikmaatregelen worden bestreden. Het kabinet pleit dan ook voor de herziening en vereenvoudiging van specifiek DAC6, maar dit vereist wel overeenstemming op EU-niveau, vanwege het feit dat het een EU-richtlijn is.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Geen enkel probleem. Volgens mij is dit een nuance in de standaardcommunicatie over deze evaluaties. Sterker nog, we zijn er vrij trots op, dus maakt u zich geen zorgen; hier willen wij graag dingen over vertellen. Dan gaan wij naar het volgende onderwerp, de hyperrijken. De heer Kouwenhoven vraagt mij of het kabinet bereid is nadere opties voor exitheffingen en trailing taxes uit te werken in de context van de belastingheffing voor zeer vermogenden en naar de follow-up van de evaluatie van de woonplaatsbepaling. De heer Stultiens vroeg vervolgens naar de laatste stand van zaken van de aanpak van belastingontwijking door superrijken, nationaal en internationaal, en wat er concreet is bereikt. Hij vroeg ook: wanneer kunnen we als Kamer een wetsvoorstel voor een exitheffing voor superrijken verwachten? Allereerst is het goed om te beseffen welke exitheffingen en trailing taxes Nederland al heeft. Bij een exitheffing wordt bij emigratie belasting geheven over de vermogensaanwas en over het inkomen dat is opgebouwd in de periode voor emigratie. Er is een exitheffing voor als iemand met winst uit onderneming of resultaten over werkzaamheden verhuist naar het buitenland. Er wordt dan afgerekend op basis van de opgebouwde reserves. Een aanmerkelijkbelanghouder krijgt bij emigratie een conserverende heffing opgelegd. Dit voorkomt dat de aanmerkelijkbelanghouder op een later moment onbelast zijn aandelen kan verkopen in het buitenland. Verder stelt Nederland bij emigratie zijn heffingsrechten zeker over opgebouwde pensioenen en lijfrenten. Ten slotte bevat het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 ook een exitheffing voor box 3-vermogen. Exitheffingen kunnen niet voorkomen dat inkomen en vermogensaanwas die na emigratie in een ander land worden opgebouwd, niet of laag belast worden. Een verlengde belastingplicht, een "trailing tax" genaamd, kan dat wel. Nederland heeft al een trailing tax in de schenk- en erfbelasting. Momenteel wordt onderzocht of een trailing tax in de inkomstenbelasting wenselijk en uitvoerbaar is. Hierbij moet goed worden beseft dat een trailing tax met name ter invulling en/of op basis van internationale afspraken kan fungeren en dat het effect ervan de komende jaren beperkt is. Gezien het uitgebreide verdragennetwerk van Nederland kan een trailing tax slechts in een beperkt aantal gevallen geëffectueerd worden, namelijk in het geval van landen waarmee geen verdrag bestaat. Daartussen zitten overigens wel landen met geen of een lage belastingheffing, zoals Monaco. Nederland heeft echter met veel landen met een lage belastingdruk of een voordelig fiscaal regime voor zeer vermogende personen wél een belastingverdrag. Daarvoor geldt dat het belastingverdrag eerst aangepast moet worden voordat een trailing tax geëffectueerd kan worden. Om maar even de verwachtingen te managen: dit is een langdurig proces. Om de keuze te maken of het introduceren van een trailing tax wenselijk is, moet worden afgewogen of het doel in verhouding staat tot de lasten voor de Belastingdienst en de belastingplichtige. Daarom wordt ook onderzocht of er betrouwbare cijfers zijn te geven over hoeveel personen en met welk fiscaal belang er geëmigreerd wordt naar een land met geen of lage belastingheffing waarmee Nederland geen belastingverdrag heeft gesloten. Ook worden de uitvoeringsgevolgen nauwkeuriger in kaart gebracht. Het is de verwachting dat de uitkomsten van dit onderzoek later dit jaar met de Tweede Kamer gedeeld kunnen worden. Wat betreft het vervolg op de evaluatie van de woonplaatsbepaling het volgende. Uit de evaluatie is gebleken dat in internationale verhoudingen niet altijd eenvoudig over de relevante gegevens en inlichtingen kan worden beschikt. De informatiebeschikking kan worden vastgesteld als verzochte, fiscaal relevante informatie door de belastingplichtige niet wordt verstrekt. Bezwaar en beroep tegen de informatiebeschikking staat open. Dit kan leiden tot langdurige procedures. De Kamer is dit voorjaar geïnformeerd over een beleidsdocument met oplossingsrichtingen voor de informatiebeschikking. De informatiebeschikking kan worden vastgesteld als verzochte relevante fiscale informatie door de belastingplichtige niet wordt verstrekt. Bezwaar en beroep tegen de informatiebeschikking staat open. Dit kan dan weer leiden tot langdurige procedures. De Kamer is dit voorjaar geïnformeerd over een beleidsdocument met oplossingsrichtingen voor de informatiebeschikking. Dit beleidsdocument is inmiddels in pre-consultatie geweest en die heeft vanuit verschillende partijen nuttige reacties opgeleverd. Het kabinet is voornemens om dit jaar met definitieve oplossingsrichtingen te komen om onder andere de problemen van de lange doorlooptijd van informatiebeschikkingsprocedures aan te pakken. Verder is vorig jaar de Instructie woonplaatsonderzoeken gepubliceerd als uniform waarborgkader bij de uitvoering van woonplaatsonderzoeken. Deze instructie voorziet in een afstemmings- en vastleggingsproces, waarbij ook de vaktechnische lijn en het management een duidelijke rol hebben. Daarnaast is er een expertisecentrum woonplaatsonderzoeken opgericht, dat verplicht advies geeft in de diverse fasen van het onderzoek en op de hoogte wordt gebracht van belangrijke mijlpalen. Op deze wijze is monitoring van de werkinstructie ingeregeld. De Belastingdienst is op dit moment bezig met de implementatie van de instructie, waarbij tevens wordt bezien op welke wijze de Kamer periodiek geïnformeerd kan worden. Tot slot staat voor wat betreft woonplaatsonderzoeken op de website van de Belastingdienst op dit moment een overzicht met voorbeelden van omstandigheden waar de Belastingdienst naar kijkt bij het bepalen van de fiscale woonplaats. De Belastingdienst zet zich in algemene zin in voor het bieden van meer voorlichting over belastingzaken als onderdeel van zijn dienstverlening. De fiscale woonplaats is er daar uiteraard één van. Tot zover de onderwerpen waar ik nationaal mee bezig ben. De aanpak van belastingheffing van zeer vermogenden vergt ook internationale samenwerking en een gezamenlijke aanpak, net als de belastingheffing van multinationals. Nederland zet zich daarom zeer actief in om internationale Europese samenwerking te bereiken, waarbij wordt ingezet op een gelijk speelveld. Nederland trekt daarin waar mogelijk samen op met gelijkgestemde landen, conform de breed aangenomen moties om een voortrekkersrol te pakken op dit dossier. Met het oog op dat doel is het zeer belangrijk om een stapsgewijze aanpak te hanteren, waarbij de problematiek eerst nader wordt onderzocht voordat direct voor een bepaalde oplossingsrichting wordt gepleit. Dat laatste werkt contraproductief, want het leidt tot weerstand bij een aantal landen, niet in de laatste plaats bij de Verenigde Staten.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Volgens mij wordt dat meegewogen, dus in die zin kan ik dat bevestigen. Het is goed om je te realiseren dat juist de landen waar wij de minste belastingverdragen mee hebben ook de landen zijn waar de meeste mensen graag fiscaal naartoe vluchten, zeg maar. Dat is ook wel een beetje logisch, want dat zijn landen die niet heel erg uit zichzelf meewerken aan belastingverdragen. Tegelijkertijd heb je ook gewoon de emigratie waarbij mensen niet om fiscale redenen naar een land emigreren. Juist met die landen hebben wij wel weer fatsoenlijke verdragen. Nou, goed, om een lang verhaal kort te maken, nemen we volgens mij precies mee wat u vraagt. Tegelijkertijd zijn op zich juist die kleintjes voor de Nederlandse schatkist het leukst om nader te onderzoeken.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik ben helemaal uit mijn cadans, meneer Kouwenhoven. We hadden het net even over wat we internationaal gaan doen. Het Inclusive Framework van de OESO heeft in april daarom besloten om gefaseerd en evidencebased met het onderwerp tax policy, inequality and growth aan de slag te gaan. Daarnaast zet Nederland in op uitbreiding van internationale uitwisseling van informatie over vastgoed. Binnen de OESO is al een eerste stap gezet door te besluiten dat landen er alvast voor kunnen kiezen om de informatie die ze hebben, te delen. Op de langere termijn wordt nagedacht over het stellen van nadere kwaliteitseisen aan uit te wisselen data. Ik denk dat het goed is om u te realiseren dat de kadasterdata in ons land op zijn zachtst gezegd redelijk op orde zijn. Dat is zelfs in de Europese Unie niet overal het geval. Onze kwaliteitseisen aan dit soort data zijn in ieder geval niet normaal voor de rest van de wereld. We kunnen dus ook niet precies hetzelfde verwachten van andere landen, maar de wens om daarnaartoe te groeien is er in andere landen ook. Nederland probeert te bewerkstelligen dat de OESO of de EU gaat kijken naar de fiscaal voordelige regimes die landen introduceren om deze groep rijken aan te trekken. Tijdens de paneldiscussie van het EU Tax Symposium in Brussel eerder dit jaar — de heer Stultiens was daar ook bij — heb ik de Code of Conduct Group opgeroepen om zich hiermee bezig te houden. Die heeft goed werk gedaan op het gebied van richtlijnen en regels voor multinationals en wat mij betreft kan die de aandacht verschuiven, of in ieder geval uitbreiden, richting de groep superrijken. Wat doet Nederland hier verder zelf aan? Sinds die tijd zijn we met allerlei landen in gesprek om ervoor te zorgen dat andere landen op eenzelfde manier gaan denken over dit onderwerp en ons gaan helpen met verdere gegevensuitwisseling. Daarbij moet ik wel zeggen dat landen over dit onderwerp uiteenlopende opvattingen hebben. Het animo is niet bij ieder land even groot, zeg ik maar even op de meest politieke manier. Dit is een langetermijnproces. Laten we het erop houden dat we niet achter in de bus zitten.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Dat zijn een hoop vragen achtereen. Ja, we zijn bezig. We hebben hier met meerdere landen over gesproken. Overigens is een land spreken niet een kwestie van het opbellen van 40 landen in een week van 40 uur. We zijn daar dus goed mee bezig. We hebben inmiddels wel gezien dat zelfs in de landen waarmee wij de beste contacten hebben er verschillend over gedacht wordt. U vraagt of we op korte termijn resultaat kunnen hebben van de Code of Conduct Group. Daar is nog meer draagvlak voor nodig dan er nu is. Dat wil niet zeggen dat wij het vlaggetje neerleggen. Wij zijn daar hard mee bezig. Frankrijk is een land waarmee we graag samen optrekken en waarmee we op dit dossier een good understanding hebben. Om het samen te vatten: we zijn op beide fronten, nationaal en internationaal, bezig met de belastingheffing van vermogenden. Tot slot wil ik in dit kader ook aangeven dat een box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement past bij de evenwichtige belastingheffing van vermogen. Ook op dat punt zet ik alles op alles en hoop ik op een spoedige wetsbehandeling hier in uw Kamer. Dit is wel grappig. Voor de kijker thuis: er loopt hier een fotograaf. Ik word altijd helemaal afgeleid als er een fotograaf binnenloopt. Ja, dat heb ik weleens. Hebben jullie dat niet? Duizenden kijkers voor een fiscaal debat, hoor ik. Ik durf er een fles wijn op in te zetten dat dat wel meevalt! Uiteraard gokken wij niet in dit fiscaal samenzijn. Dan een vraag van de heer Stultiens van GroenLinks-PvdA. Wat is de laatste stand van zaken van de aanpak van fossiele subsidies en hoeveel is er op dit onderwerp concreet bereikt? Daarbij is er specifiek gevraagd naar de vrijstelling op vliegtuigkerosine en diesel voor de scheepvaart. Allereerst: de vrijstellingen voor de intra-Europese luchtvaart en zeevaart zijn opgenomen in de huidige Richtlijn energiebelastingen. De onderhandelingen over de herzieningen van deze Richtlijn energiebelastingen zijn na vier jaar nog steeds gaande. Besluitvorming geschiedt met unanimiteit. Wat betreft het opheffen van het verbod op het belasten van lucht- en zeevaart, specifiek dus kerosine en stookolie, staat Nederland nagenoeg alleen. Het is niet dat we nog maar één land moeten overtuigen. We staan nagenoeg alleen als het gaat over het opheffen van dat verbod. Nederland blijft zich inzetten voor een ambitieuzer voorstel waarin ook deze sectoren belast worden, maar als we een compromis willen bereiken, moeten we tegelijkertijd pragmatisch afwegen wat haalbaar is. Er zitten meer positieve onderdelen in de Richtlijn energiebelastingen waar we aan hechten. Dan kunt u onder meer denken aan de verhoging van de minimumtarieven, het indexeren daarvan en het opnemen van nieuwe producten, zoals waterstof. Het komende voorzitterschap wil naar een afronding toe tijdens de Ecofin in november. In aanloop naar de Ecofin kom ik op de gebruikelijke manier met een definitief kabinetsstandpunt naar u toe. It's an uphill battle, so to speak. Dan kom ik bij een vraag van de heer Kouwenhoven: hoe wordt de onderhandelingscapaciteit bij belastingverdragen geprioriteerd en zijn buurlanden topprioriteit, ten behoeve van de grensregio's? Nederland heeft als open economie een groot belang bij een uitgebreid verdragennetwerk en voert een actief beleid ten aanzien van het uitbreiden en onderhouden van het verdragennetwerk. Afspraken met buurlanden over het wegnemen van fiscale belemmeringen zijn daarbij belangrijk voor Nederland en met name voor de grensregio's, omdat daar veel grensoverschrijdend verkeer plaatsvindt en de economische betrekkingen groot zijn. Daarom staat Nederland in nauw contact met België en Duitsland. Met Duitsland is recent een wijzigingsprotocol ondertekend dat na de zomer aan het parlement wordt voorgelegd. Hierin is een regeling opgenomen die onder meer thuiswerken fiscaal makkelijker maakt. Met België is ook overeenstemming bereikt over een nieuw verdrag, dat ook naar uw Kamer toe zal komen. U vraagt om de prioriteiten. We zijn de afgelopen tijd veel met België en Duitsland bezig geweest. Tegelijkertijd: we hebben een open economie. We handelen met de hele wereld; daar zijn we al 400 jaar goed in. We sluiten dus ook verdragen met landen ver buiten ons continent. Daar wordt goed over nagedacht en natuurlijk wordt dat aan de hand van economisch belang geprioriteerd.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ja, als wij het naar het parlement sturen, treedt het volgens mij kort daarna toch ook in werking, mits jullie daarmee akkoord zijn? Hoe het zit aan de Belgische kant weet ik eigenlijk niet. Dat gaan we even uitzoeken. Je zou zeggen van wel, toch? Maar goed, dat zoeken we uit. Wat betreft die 34 dagen wil ik wel iets meer tekst en uitleg geven. Ik ben van mening dat er twee soorten grenswerkers zijn, ook al hebben we het altijd over "grenswerkers" of "cross-border werkers". Daar zit wel een probleem in, want de problematiek van iemand die elke dag de grens overgaat, is een ander soort problematiek dan die van iemand die in principe thuis zijn laptop opendoet. Ik moet wel zeggen: als je over "grenswerkers" praat, heb je het over de totale groep, in fiscale context. Dat helpt niet in de gesprekken. Die 34 dagen is een compromisvoorstel. Nederland heeft hoger ingezet. Laat helder zijn waar wij staan. Als je kijkt naar alle afspraken met de ruwweg tien landen om Duitsland heen, dan zie je dat 34 geen gekke afspraak is, vanwege het feit dat ze dat eigenlijk vaker hanteren als getal. Ze hebben hier en daar wat bijzondere afspraken. Er is een bijzondere afspraak tussen een speciale provincie in Oostenrijk en een speciale provincie in Duitsland. Binnen die grensregio hebben ze bijzondere afspraken gemaakt. Ze zitten daar natuurlijk ook met verschillende Bundeslanden. Ze hebben wat dat betreft een veel ingewikkeldere omgeving om afspraken in te maken. Polen is bijvoorbeeld een ander land dan Luxemburg, om maar even een dwarsstraat te noemen. Mijn insteek is om specifiek bij de Duitsers begrip te vragen voor het feit dat wij in die zin anders zijn. Er zijn vooral heel veel Nederlanders die net in Duitsland wonen en bij een Nederlands bedrijf werken, en gewoon thuis even hun laptop willen openklappen en daar willen werken. In de context met Duitsland, maar ook met andere landen om ons heen, waaronder België en Luxemburg, zetten wij op het volgende in. Ik zou het mooi vinden als we de dagengrens zouden kunnen vastplakken aan die van de sociale zekerheid. Ik vind het eigenlijk gek dat het nog niet gebeurd is. Het andere punt is de handhaving, met name als het gaat om thuiswerken in een ander land. Ik ken geen land in Europa waar mensen thuis gecontroleerd worden op hun arbeidsstatus op dat moment. Het is dus ook een hele rare discussie, want er is geen Arbeidsinspectie die komt aanbellen met de vraag of u vandaag aan het thuiswerken bent. Het is dus echt wel een gekke discussie waar je moeilijk uit komt. De Duitse en Nederlandse belangen zijn een stuk homogener dan de Duitse belangen ten opzichte van allerlei verschillende landen. Er zijn ook landen waar het helemaal geen probleem is. Neem Denemarken: er liggen weinig grote steden in de buurt van de grens tussen Denemarken en Duitsland. Het is een heel klein, smal stukje grens. Er wonen echt heel weinig Denen in Duitsland die in Denemarken werken en andersom, alleen al vanwege het feit dat het geografisch gewoon wat anders ligt dan Nederland. Limburg en de regio Enschede zijn gewoon echt uitdagingen, want daar bestaat de grens bijna niet. Dat wou ik er even over zeggen. Mijn insteek is dat dit eigenlijk meer moet worden. Voorzitter, we gaan naar het laatste onderwerp, uw favoriet: overig. Ik heb maar één vraag in dat mapje zitten, dus u wordt hier vast blij van. Het is een vraag van de heer Stultiens. Hij vraagt of ik kan toezeggen dat Nederland zich blijft inzetten voor transparantie bij de onderhandelingen over het VN-raamwerkverdrag voor internationale belastingsamenwerking. Ik hecht veel waarde aan transparantie over de onderhandelingen over het VN-raamwerkverdrag. De onderhandelingen zijn een door VN-lidstaten geleid proces. Wij hebben ons daarom ook ingezet voor deelname van stakeholders. Ik ben tevreden dat stakeholders bij alle plenaire vergaderingen aanwezig kunnen zijn en spreektijd krijgen. Daarnaast worden door het VN-secretariaat stakeholderbriefings georganiseerd om hen mee te nemen in wat er bij informele vergaderingen wordt besproken. Ook kunnen zij input leveren op de documenten die worden geproduceerd door het secretariaat. Daarmee denk ik dat het proces transparant is. Daar blijf ik mij uiteraard ook voor inzetten.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik wilde zeggen dat ik klaar was.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Volgens mij zijn er niet heel veel vragen gesteld, maar er zijn, denk ik, wel een paar dingen te benoemen. Allereerst doen jullie jezelf tekort. Jullie zijn de fiscale harde kern, een soort F-side van de Tweede Kamer, dus in die zin is dit, ook met zijn drieën, een goed debat. Alles op het gebied van fiscaliteit duurt lang. Ik ben het met u eens dat het te lang duurt. Ik hoop dat ik u heb kunnen aantonen dat dat niet ligt aan de mate van inspanning van Nederland — dan heb ik het echt even over Nederland in den brede — maar vooral aan het feit dat dingen in Europa heel langzaam gaan, en dan zijn het ook nog eens een keertje dingen die je wereldwijd voor elkaar moet boksen. Nederland heeft dus echt een voortrekkersrol in allerlei dossiers. Dus ook mijn dank aan alle ambtenaren die me hierbij ondersteunen. Ook vandaag weer luisteren er meer dan tien ambtenaren mee die hier dagelijks mee bezig zijn, dus alle lof en hulde voor hun werk. Over de doelstellingen hoor ik u eigenlijk alle drie wel zeggen dat het belangrijk is om de integriteit van ons belastingsysteem nationaal en internationaal te waarborgen. "Pay your fair share" is een principe dat bij elke partij draagvlak heeft, en zo ook bij mij. Daar wilde ik het graag bij laten.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Gisteren waren het ook érg gedetailleerde toezeggingen, dus we zitten even heel nauwkeurig te luisteren wat het precies allemaal voor consequenties heeft. De link met de Miljoenennota zag ik bijvoorbeeld even niet. Die eerste ging ook vrij snel. Volgens mij heb ik in mijn spreektekst gewoon een aantal zaken genoemd en heb ik die ook in de tijd geplaatst in brieven die al gepland staan. Ik vraag me af of dat dan een toezegging moet zijn in het toezeggingenregister. Tegelijkertijd ga ik het ook gewoon doen.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Sorry?
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ja.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Volgens mij heb ik aangegeven dat wij de Tweede Kamer zullen informeren wanneer er duidelijkheid is over de side-by-sideoplossing met de VS over Pijler 2. Dat gaat niet specifiek over tax credits. In the bigger scheme zit dat er natuurlijk in, maar dat heeft niet zozeer met tax credits te maken. Ik zou bijna zeggen dat het meer te maken heeft met de lopende onderhandelingen over dit onderwerp. Wij zullen u volledig informeren. Tax credits zijn daar uiteraard een onderdeel van. Misschien maakt "tax credits" het een beetje verwarrend, dus ik zou dat vooral weglaten.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ik vind het helemaal gezegend.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ja, prima. Maar het gaat vooral om de onderhandelingen en dat we de uitkomsten daaruit delen. Ik denk dat het goed is dat het parlement wordt geïnformeerd over de oplossing die nu internationaal klaargekookt wordt.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Exact. Zo hebben we dat besproken.
Bron, video en gesprek →Staatssecretaris Van Oostenbruggen: Ja. Ik wil nog een opmerking maken over de rechtszaken. Het is wel goed om te benoemen dat wij natuurlijk niet ingaan op individuele gevallen, vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht. Wij zullen dus ingaan op hoe de handhaving precies zit en aan u aangeven hoe we het beoordelen, binnen de geheimhoudingsbandbreedtes die ik helaas heb.
Bron, video en gesprek →