KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van het verslag

3 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 37f2282de2f1d5da · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 667Wijziging van de Wet educatie enberoepsonderwijs en enkele andere wetten terbevordering van de kansengelijkheid middelsverbetering van de begeleiding naar duurzameeconomische zelfstandigheid van jongeren meteen risico op een afstand tot de arbeidsmarkt(Wet van school naar duurzaam werk)Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 3 april 2025 Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven mede namensde Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en inovereenstemming met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap.De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel van schoolnaar duurzaam werk. De regering is erkentelijk voor de getoondebelangstelling en de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, CDA, SGP en ChristenUnie.Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk deindeling van het verslag. Een enkele keer is daarbij de beantwoording vanvragen die door meerdere fracties zijn gesteld samengenomen.Naar aanleiding van vragen van diverse fracties1 en input vanuit het veld,zoals via de internetconsultatie van het Besluit van school naar duurzaamwerk, is besloten om de duur van de loopbaanbegeleiding in hetpraktijkonderwijs (pro) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) aan tepassen. Daartoe dien ik tegelijk met deze nota naar aanleiding van hetverslag een nota van wijziging in. Het bevoegd gezag van de pro- envso-scholen krijgt ook in het tweede jaar nadat een jongere de schoolheeft verlaten een actieve taak in de loopbaanbegeleiding. Reden hiervooris dat deze groep jongeren over het algemeen meer begeleiding nodigheeft bij het vinden van werk en minder gemakkelijk bij de gemeenteaanklopt voor hulp. Dit in combinatie met het feit dat zij over hetalgemeen langer op hun school voor pro of vso hebben gezeten endaarom vaak een hechtere band hebben opgebouwd met hun voormaligeschool en de weg terug naar die school makkelijker kunnen vinden.Daarom is het gerechtvaardigd om het pro en vso enerzijds en het mboanderzijds verschillend te behandelen. Signalen uit het veld onderstrependit.1GroenLinks-PvdA, VVD, D66, ChristenUnie en NSC. kst-36667-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 61 In het wetsvoorstel zoals dat is ingediend, zou er voor deze groepjongeren in het eerste jaar een actieve ondersteuning vanuit de schoolworden geregeld en zou het bevoegd gezag in het tweede jaar slechtshoeven adviseren op verzoek van de oud-leerling (reactief). Met dehiervoor genoemde wijziging wordt in zowel het pro als het vso de(proactieve) loopbaanondersteuning vanuit de school opgerekt naar tweejaar.Hiermee wordt het beschikbare bedrag voor loopbaanbegeleiding voorhet pro en vso structureel met € 750.000 verhoogd. Dit komt bovenop dereeds beschikbare € 1,5 miljoen voor het pro en vso voor de loopbaanbe-geleiding. De verwachting is dat de begeleiding in het tweede jaar voorminder jongeren nodig is dan in het eerste jaar na het verlaten van deschool, omdat niet elke jongere de begeleiding nog nodig zal hebben ofde gemeente de begeleiding al heeft voortgezet. Het is belangrijk om tebenadrukken dat voor veel jongeren de gemeente de best toegerustepartij is om ondersteuning te bieden. Dit omdat de gemeente vanuit deParticipatiewet instrumenten in kan zetten waarmee jongeren een veelgrotere kans hebben op duurzaam werk. Idealiter wordt de gemeente albetrokken als een jongere nog op school zit, zodat de gemeente bijtijds opde hoogte is van de situatie van de jongere en diens vaardigheden entijdig ondersteuning in kan zetten, juist om te voorkomen dat de stap naarde gemeente groter wordt.De berekening voor het budget van de loopbaanbegeleiding is gebaseerdop een gemiddeld aantal uur per jongere. Waar de ene jongere meerbegeleiding nodig zal hebben direct na het verlaten van de school, heeftde ander juist begeleiding nodig in het tweede jaar. Wat nodig is verschiltsterk per jongere. De scholen kunnen het budget naar eigen inzichtinzetten. Het extra budget voor de scholen omdat de taak voor loopbaan-begeleiding in het tweede jaar wordt uitgebreid, komt uit het budget datbeschikbaar is voor dit wetsvoorstel voor het Doorstroompunt. HetDoorstroompunt heeft door deze wijziging een minder grote taak, omdathet bieden van een vangnet in het tweede jaar na uitstroom nu primairkomt te liggen bij de pro- en vso-school.Inhoudsopgaveblz.IALGEMEEN DEEL21.Inleiding en achtergrond22.Probleembeschrijving83.Maatschappelijke opgave wetsvoorstel124.Maatregelen135.Gevolgen346.Gevolgen voor de regeldruk367.Uitvoering en doenvermogen388.Toezicht en handhaving399.Financiële gevolgen40 I ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding en achtergrond Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat er sprake lijkt tezijn geweest van jojobeleid als het gaat over het aanpakken van jeugdwer-keloosheid in het verleden. Meerdere keren valt er in de paragraaf«achtergrond wetsvoorstel» te lezen dat er werd geïnvesteerd, waardoorde jeugdwerkeloosheid daalde. Vervolgens werd de financieringbeëindigd en steeg de jeugdwerkeloosheid weer. Hoe reflecteert deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 62 regering op deze geschiedenis? En hoe gaat de regering voorkomen datdit in de toekomst weer zal gebeuren?De afgelopen jaren is er telkens een tijdelijke Aanpak Jeugdwerkloosheidgeweest als reactie op een economische verslechtering en de daarmeesamenhangende stijging van de jeugdwerkloosheid. Na enkele jaren werdde inzet dan weer afgebouwd, waardoor in de meeste regio’s deopgebouwde samenwerking en projecten stopten. Dit is onwenselijk, nietdoeltreffend en niet doelmatig. Het telkens op- en afbouwen kost veelmeer inzet dan een structurele aanpak. Daarbij gaat er ook telkens tijdoverheen voordat de overheid een nieuwe regeling heeft gemaakt enregio’s aan de slag zijn, terwijl juist jongeren bij een economischeneergang als eerste hun baan verliezen. Verder doet de tijdelijkheid van deaanpak geen recht aan de structurele opgave die er ligt om jongeren teondersteunen. Ook in goede economische tijden zijn er nog veel jongerendie niet zelfstandig duurzaam aan het werk komen. Dit wetsvoorstel richtzich primair op deze groep.Door structurele taken voor scholen en gemeenten in de wet op te nemenen te zorgen voor structureel budget, wordt voorkomen dat de geschie-denis zich herhaalt.Zijn de financiële middelen die voor het wetsvoorstel zijn gereserveerdstructureel van aard? Kan de regering verzekeren dat er in de toekomstniet opnieuw op wordt bezuinigd, zodra de jeugdwerkeloosheid weer isgedaald?Ja, de middelen voor het wetsvoorstel staan structureel op de begro-tingen van OCW en SZW. Feit is dat sommige groepen jongeren eenstructureel lagere kans hebben om duurzaam aan het werk te komen. Deaanleiding van dit wetsvoorstel is dus geen tijdelijke stijging van dejeugdwerkloosheid, maar een structureel probleem dat vraagt om eenstructurele aanpak. Door een taak voor scholen en gemeenten op tenemen in de wet en hier budget voor beschikbaar te maken, wordt decontinuïteit van het beleid ten aanzien van het bestrijden van jeugdwerke-loosheid beter geborgd dan met opeenvolgende tijdelijke maatregelen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering in te gaanop de keuze om de leeftijdsgrens van 27 jaar te hanteren. Zou hier, geziende doelgroep waarbij het gaat om mensen die soms vanwege eenbeperking langer over het onderwijs doen, of pas op latere leeftijd de kanskrijgen om onderwijs te volgen, niet logisch zijn om het wetsvoorstel terichten op alle leerlingen en studenten? Wat zijn hier de voor- en nadelenvan?Scholen bieden aanvullende loopbaanbegeleiding aan alle leerlingen enstudenten die dit nodig hebben. Hiervoor is geen leeftijdsgrensopgenomen. De samenwerking met de gemeente in de Participatiewet iswel beperkt tot de leeftijdsgroep tot 27 jaar, evenals de doelgroep van hetDoorstroompunt. Als mensen ouder dan 27 jaar hun baan verliezen, is dereguliere dienstverlening van het UWV en de gemeente beschikbaar.Er is een aantal redenen om deze focus aan te brengen. Dit wetsvoorstelricht zich met name op jongeren die uitstromen uit het initiële onderwijs.Zij hebben vaak nog weinig tot geen werkervaring, waardoor ze kwets-baarder zijn op de arbeidsmarkt. Ook hebben zij nog niet altijd decompetenties om zelfstandig aan het werk te komen. Investeren injongeren is belangrijk omdat dit een langdurig positief effect heeft. Voorjongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten, streeft deregering ernaar dat zoveel mogelijk jongeren alsnog een startkwalificatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 63 halen. En als dit niet haalbaar of passend is, kunnen zij metmbo-certificaten of mbo-praktijkverklaringen zich op de werkvloer verderontwikkelen. Het Doorstroompunt krijgt informatie over onderwijs,inkomen en woonplaats. Het nog verder uitbreiden van de leeftijd van dedoelgroep en het verwerken van de bijbehorende persoonsgegevens, isniet proportioneel. Dit zou namelijk betekenen dat mensen zonderstartkwalificatie veel langer gevolgd worden, terwijl de meesten al jarenaan het werk zijn.De leden van de NSC-fractie zien het als onderdeel van goed bestuur datde gevolgen van nieuwe wetgeving niet alleen op een gedegen manierworden doordacht, maar dat ook de noodzaak ervan voldoende isonderbouwd. Nieuwe wetgeving is niet altijd de beste oplossing voor eenmaatschappelijk probleem. Deelt de regering deze opvatting? Kan zijuitleggen waarom hier de invoering van nieuwe wetgeving noodzakelijk isen andere instrumenten ontoereikend?De regering deelt de mening van de NSC-fractie dat wetgeving niet altijdde beste oplossing is voor een maatschappelijk probleem. Dat in dit gevalwetgeving wel nodig is, bleek al uit het Interdepartementaal beleidson-derzoek Jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt.2Jongeren vallen nu vaak tussen wal en schip omdat deverantwoordelijkheden van organisaties niet goed op elkaar aansluiten.Scholen hebben nu alleen een wettelijke taak totdat een jongere eendiploma behaalt. Na het verlaten van de school valt de ondersteuning dieveel jongeren krijgen weg, terwijl lang niet alle jongeren zelfstandig aanhet werk komen. Zonder wettelijke taak kunnen scholen dit niet oppakken.Zij hebben namelijk geen grondslag om deze jongeren nog te benaderenof gegevens te verwerken. Zonder wettelijke taak kunnen de scholen ookniet rechtmatig een deel van hun bekostiging besteden aan deze jongeren.Gemeenten mogen jongeren niet preventief, samen met de school, alvoorbereiden om hun weg op de arbeidsmarkt te vinden na diplomering.De Participatiewet sluit het ondersteunen van jongeren die bekostigdonderwijs (kunnen) volgen namelijk expliciet uit. Uitzondering opbovenstaande vormen 16-/17-jarigen voor wie de leerplicht of kwalificatie-plicht nog niet is geëindigd en die naar het oordeel van de gemeente baathebben bij ondersteuning bij een leer-werktraject om uitval uit school tevoorkomen.3Het Doorstroompunt van de gemeente begeleidt jongeren zonderstartkwalificatie nu tot de leeftijd van 23 jaar.4 Als zij 23 jaar worden, stoptde wettelijke taak van het Doorstroompunt. Het Doorstroompunt heeftgeen grondslag om deze jongeren te benaderen of te begeleiden, ook alvolgen deze jongeren geen onderwijs of hebben zij geen werk.Tenslotte ontbreekt een juridische grondslag voor samenwerking tussenschool en gemeente, waardoor gegevensuitwisseling nu niet mogelijk is.In de toelichting van het wetsvoorstel is uiteengezet dat de afgelopenjaren steeds een tijdelijke aanpak jeugdwerkloosheid is opgezet als reactieop een recessie en oplopende (jeugd)werkloosheid. Nadat de aanpak naenkele jaren stopte, stopte ook de aanpak en de samenwerking in demeeste regio’s. Zonder structurele wettelijke taken, lukt het niet om het2Eindrapport Interdepartementaal beleidsonderzoek Jongeren met (risico op) een afstand tot dearbeidsmarkt (2019); bijlage bij Kamerstukken II 2019/20, 29 544, nr. 952.3Artikel 10f, in samenhang met artikel 7, derde lid, onderdeel a, Participatiewet.4Met dit wetsvoorstel wordt de doelgroep verruimd tot 27 jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 64 structurele maatschappelijke probleem aan te pakken. Alternatieven dieuitgaan van het eigen initiatief van scholen en gemeenten of maatschap-pelijke organisaties, zorgen onvoldoende voor een sluitende en uniformeaanpak in elke regio. Het wetsvoorstel biedt een oplossing voor boven-staande problemen.Deze leden van de NSC-fractie lezen dat het wetsvoorstel «beterebegeleiding mogelijk [maakt]». Een van de maatregelen is bijvoorbeelddat mbo-instellingen ook na diplomering – en niet slechts tijdens –loopbaanbegeleiding zullen aanbieden. Bestaat deze (juridische)mogelijkheid momenteel dan niet? Kan de regering deze leden uitleggenin welke zin onder de bestaande wetgeving het niet mogelijk is voorscholen om ook na diplomering loopbaanbegeleiding aan te bieden?Welke bepalingen in de huidige wetgeving voorkomen dat?Mbo-instellingen hebben als (primaire) taak om onderwijs te verzorgen(artikel 1.3.1 in samenhang met artikel 1.2.1 WEB). Bij de uitvoering vandie taak dienen ze binnen de opleiding ook mogelijkheden te bieden voorloopbaanoriëntatie en -begeleiding (artikel 1.3.5, onderdeel c, WEB). Maarhun taak strekt zich niet uit tot ondersteuning van jongeren die niet (meer)zijn ingeschreven aan die instelling, dus na diplomering. Met diplomeringeindigt immers over het algemeen de inschrijving en daarmee de relatiemet de oud-student. Instellingen worden bekostigd voor het verzorgenvan beroepsonderwijs (en opleidingen voortgezet algemeen volwassenen-onderwijs). Loopbaanbegeleiding na afloop van de opleiding behoort daarniet toe. Voor zover instellingen bekostiging besteden aan de uitvoeringvan niet-wettelijke taken zijn zij daarbij gehouden aan de Beleidsregelinvesteren met publieke middelen in private activiteiten. Dat betekentonder meer dat de instelling gehouden is een financiële bijdrage te vragenaan oud-studenten die deelnemen aan activiteiten in het kader van deloopbaanbegeleiding, waardoor een drempel voor deelname aan dieactiviteiten ontstaat.Door met dit wetsvoorstel aan mbo-instellingen expliciet een taak op teleggen met betrekking tot het aanbieden van loopbaanbegeleiding nadiplomering, en daar ook budget voor beschikbaar te stellen via delumpsum, kunnen zij wel begeleiding gaan bieden aan deze groepjongeren.De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel jongerenmet een afstand tot de arbeidsmarkt meer mogelijkheden biedt passendwerk te vinden en hun talenten te ontwikkelen. Deze leden denken ook datwerken en actief deelnemen aan de samenleving voor deze groepenjongeren leidt tot meer en betere participatie op andere levensterreinen.In zijn algemeenheid zit hier ook een punt van zorg van deze leden, waarook de regering bij stilstaat in de memorie van toelichting van ditwetsvoorstel, namelijk dat overheidsbeleid de zelfredzaamheid vanjongeren – met een risico op een afstand tot de arbeidsmarkt – wordtoverschat. Deelt de regering het punt dat de zelfredzaamheid vanjongeren wordt overschat?Dit wetsvoorstel vormt een reactie op het IBO Jongeren met een afstandtot de arbeidsmarkt waarin onder meer is geconstateerd dat het doenver-mogen van jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt regelmatigoverschat wordt in beleid. Het huidige beleid gaat bijvoorbeeld uit van deverwachting dat jongeren zichzelf kunnen melden bij de juiste instantie alszij baat hebben bij ondersteuning. Dat blijkt niet terecht. Jongeren wetenvaak niet de weg te vinden naar hulp of de juiste instanties. Daardoor zijnzij nu vaak niet in beeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 65 De randvoorwaarden van dit wetsvoorstel vragen ook best een (actieve)deelname van jongeren zelf. Vindt de regering dat in het wetsvoorsteldaarmee voldoende rekening wordt gehouden?Het wetsvoorstel houdt voldoende rekening met het beperkte doenver-mogen van veel jongeren met (een risico op) afstand tot de arbeidsmarkt.Het wetsvoorstel beoogt om vroegtijdig en proactief ondersteuning aan tebieden, zodat een jongere er niet alleen voor staat. Zo moet de schoolaanvullende loopbaanbegeleiding aanbieden aan jongeren in hetpraktijkonderwijs (pro), voortgezet speciaal onderwijs (vso), de entreeop-leiding (entree) en mbo-opleidingen in de beroepsopleidende leerweg opniveau 2 (mbo bol niveau 2). Voornemen is om in het Besluit van schoolnaar duurzaam werk vast te leggen dat dit een persoonlijk en op debehoefte van de jongere gericht aanbod moet zijn.5 Het Doorstroompuntneemt zelf het initiatief bij het benaderen van jongeren, door (pro)actiefcontact te leggen en op huisbezoek te gaan. Soms denken jongeren dat zijzelfstandig werk kunnen vinden, maar blijkt dit in de praktijk tegen tevallen. Daarom legt de school of de gemeente ook na een bepaaldeperiode opnieuw contact om te kijken hoe het gaat en om hulp te bieden.Dit wetsvoorstel biedt professionals veel ruimte om maatwerk toe tepassen, zodat zij beter in kunnen spelen op de situatie en de behoefte vande individuele jongere.Dit wetsvoorstel is gebaseerd op vrijwillige deelname van jongeren. Demotivatie van de jongere is namelijk heel belangrijk voor het succes vande begeleiding en het resultaat. Jongeren verplichten om deel te nemenwerkt vaak averechts.De leden van de CDA-fractie lezen dat de Afdeling advisering van de Raadvan State (hierna: de Raad van State) stelt, dat de voorgestelde maatre-gelen van belang kunnen zijn om de ondersteuning van jongeren met een(mogelijke) afstand tot de arbeidsmarkt te verbeteren. De Raad van Statewijst er echter op dat het voorstel geen maatregelen treft voor de aanpakvan jongeren met gelijktijdige problemen op verschillende terreinen vanhet leven. Deze leden begrijpen dat dit wetsvoorstel daar niet over gaat,maar zij zien wel het probleem. Stel dat begeleiding naar duurzaam werkniet wil vlotten omdat er schuldenproblemen zijn of omdat een jongere opeen wachtlijst staat voor een specialistisch vorm van therapie of hulpver-lening. De leden van de CDA-fractie stellen dat het niet duidelijk is hoegeregeld is dat gemeenten deze jongeren kunnen voorzien van de(integrale) ondersteuning die zij nodig hebben. Vindt de regering dit geengemiste kans? Deze leden hebben namelijk de indruk dat de regering hetprobleem wel ziet; kan de regering hier op reflecteren?Er zijn jongeren die extra ondersteuning nodig hebben, omdat zij tevenste maken hebben met problemen in andere domeinen. Het is belangrijkdat deze jongeren samenhangende ondersteuning krijgen, waarbij dejongere centraal staat ongeacht of de school, het Doorstroompunt of degemeente nu aan zet is. Om dit te waarborgen is in de Ontwerpregelingregionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029, die14 februari jl. in internetconsultatie is gegaan, opgenomen dat laagdrem-pelige en toegankelijke ondersteuning geboden moet worden voorjongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele ofandere problemen, met aandacht voor samenwerking met de domeinenzorg, inkomen en veiligheid.6 Hierbij kunnen gemeenten voortborduren5https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK026136.6De Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029 is samen met hetBesluit van school naar duurzaam werk voor consultatie opengesteld;https://www.internetconsultatie.nl/besluitduurzaamwerk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 66 op de regels die zij hebben opgenomen in hun verordening over desamenwerking binnen het gehele sociale domein als dit nodig is voor eenintegrale ondersteuning, waartoe zij per 1 juli 2023 zijn verplicht met deWet uitvoering breed offensief.7De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat ook maatschappelijkeorganisaties een belangrijke rol vervullen in het begeleiden van jongerenvan school naar werk. Erkent de regering deze rol ook? Kan ze op die rolreflecteren in relatie tot dit wetsvoorstel? Op welke manier kunnenmaatschappelijke organisaties de uitvoering van dit wetsvoorstelversterken en hoe zou deze betrokkenheid idealiter vormgegeven moetenworden volgens de regering?Maatschappelijke organisaties vervullen een belangrijke rol in deondersteuning van jongeren. In het wetsvoorstel is opgenomen dat decontactgemeente in de Doorstroompuntregio verplicht is om bij deregionale samenwerking organisaties te betrekken die jongerenbegeleiden en hiermee afspraken te maken (artikel 9.2.4, derde lid,onderdeel a, onder 4°, WEB). Dit betreft bijvoorbeeld organisaties die hulpbieden aan jongeren die te maken hebben met persoonlijke problemen,zoals schulden, mentale problemen, dak- en thuisloosheid en criminaliteit.In het regionaal programma moet een regionale analyse worden gemaakt,waarin nagegaan wordt welk aanbod in de Doorstroompuntregioaanwezig is voor jongeren. Maatregelen uit het regionaal programma zijnvaak in samenwerking met of worden uitgevoerd door maatschappelijkeorganisaties, zo ook om perspectief te bieden aan jongeren die eenafstand hebben tot onderwijs of werk. Ook zijn er vaak zeer nauwecontacten tussen scholen en gemeenten enerzijds en organisaties diejongeren ondersteunen anderzijds, zoals met jongerenwerkers,persoonlijk begeleiders, taal- of schuldenmaatjes, organisaties die dak- enthuislozen helpen, etc.Hierbij vragen deze leden aan de regering om ook in te gaan op de rol diede maatschappelijke diensttijd (MDT) vervult en wellicht kan vervullen,aangezien MDT een programma is van het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap.In het programma MDT werkt het Ministerie van OCW samen metjongeren, maatschappelijke organisaties, scholen, gemeenten en andereministeries. De regering ziet zeker mogelijkheden voor de rol die MDT kanvervullen in het begeleiden van jongeren van school naar werk. Er zijn almooie voorbeelden waarbij MDT door onder andere maatschappelijkeorganisaties, gemeenten, scholen en bedrijfsleven wordt ingezet voorjongeren in een minder kansrijke positie. Denk aan jongeren zonderstartkwalificatie die door het doen van MDT beter hun weg kunnen vindenrichting onderwijs of werk. Zo werkt het Doorstroompunt in Frieslandsamen met verschillende MDT-organisaties om jongeren die thuiszitten ofmentale problemen hebben op weg te helpen naar een opleiding of werk.Ook zetten scholen MDT in om voortijdig schooluitval te voorkomen. Bijhet Albeda college in Rotterdam krijgen alle studenten met MDT demogelijkheid om zich breed te oriënteren tijdens hun opleiding om zo dejuiste keuze te maken voor hun loopbaan of een vervolgopleiding.Vanuit het actieplan vsv bekijk ik hoe deelname van jongeren aan MDTnog meer gestimuleerd kan worden. In samenwerking met de expertise-punten LOB en burgerschap, Ingrado en de betrokken sectorraden worden7Wet van 30 november 2022 tot wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten inverband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele anderewijzigingen (uitvoeren breed offensief) (Stb. 2022, 499).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 67 succesvolle praktijkvoorbeelden inzichtelijk gemaakt en inspiratiesessiesgeorganiseerd over de mogelijkheden van MDT in de regionaleprogramma’s. Vanuit MDT is er veel ervaring met jongerenparticipatie. Ditkan gebruikt worden bij het opstellen en uitvoeren van het regionaalprogramma, waarin regio’s verplicht jongeren moeten betrekken.2. Probleembeschrijving De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien in het overzicht dat 74% vande jongeren die zonder startkwalificatie van het voortgezet speciaalonderwijs (vso) komt, een jaar na uitstroom uit het onderwijs geen werkheeft. In de voetnoot valt te lezen dat een deel van deze jongeren echterwel een dagbestedingsplek heeft, dat niet is meegenomen in hetoverzicht. Waarom is daar geen aparte categorie voor opgenomen in hetoverzicht? Is de regering het met deze leden eens dat dit voor eenverkeerde beeldvorming zorgt, waardoor het lijkt dat al deze jongerengeen werk hebben? Is de regering het met de leden eens dat eendagbestedingsplek net zo waardevol is als werk en dit dan ook net zo’nvolwaardige plek in wet- en regelgeving verdient?Het overzicht waarnaar wordt verwezen beoogt weer te geven dat dekansen op werk ongelijk verdeeld zijn en dat onderwijsniveau hierin eenbepalende factor is. Ter verduidelijking is onderstaand de positie vanvso-leerlingen een jaar na uitstroom uit het onderwijs weergegeven,uitgesplitst naar uitstroomprofiel (bron: dashboard CBS schoolverlaterspro/vso).UitstroomprofielArbeidsmarktVervolgonderwijsDagbestedingMet werk45%35%12%Zonder werk, met uitkering35%26%78%Zonder werk, zonder uitkering20%39%10% De jongeren met uitstroomprofiel dagbesteding hebben veelal eendagbestedingsplek via de Wet langdurige zorg (WLZ). Dit is eenvolwaardige route voor de jongeren in dit uitstroomprofiel en net zowaardevol.Het doel van het wetsvoorstel is dat de jongeren die door kunnen stromennaar werk, dit ook succesvol doen. De meerderheid van de oudvso-leerlingen met uitstroomprofiel arbeidsmarkt, komt nu niet aan hetwerk. Mede daar richt dit wetsvoorstel zich op.De leden van de NSC-fractie vinden het van belang dat de gevolgen vannieuwe wetgeving op de uitvoeringspraktijk goed worden overzien en nietgroter zijn dan nodig. Deze leden lezen dat slechts een minderheid van deonder het wetsvoorstel vallende doelgroep het niet lukt om met debestaande ondersteuning passend werk te vinden. Zij vragen daarom ofhet wetsvoorstel wel proportioneel is. Het toepassingsbereik ervan lijkt nute groot dan idealiter wenselijk.Het wetsvoorstel richt zich op jongeren met een (risico op een) structureleachterstand op de arbeidsmarkt. De focus ligt op jongeren uit het pro, vso,entree, mbo bol niveau 2 en voortijdig schoolverlaters. Zij hebben mindervaak een baan en vaker een uitkering. Maar liefst 60% van de jongerenzonder startkwalificatie en zonder werk heeft een jaar na het verlaten vanhet onderwijs nog geen baan. Deze groep heeft een grote kans omeconomisch niet zelfstandig te zijn en dit langdurig te blijven. Zij zijn vakerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 68 werkloos, doen een groter beroep op sociale voorzieningen en de zorg enhebben een grotere kans om in criminaliteit te vervallen.Gezien de consequenties van werkloosheid, ook op de langere termijn,weegt het belang van het tijdig en goed voorbereiden van deze jongerenop de stap naar de arbeidsmarkt zwaarder dan de mogelijkheid datscholen wellicht jongeren begeleiden die zonder deze hulp ook aan hetwerk waren gekomen. Daarbij geldt onverkort dat scholen altijd zullendifferentiëren in de omvang van de ondersteuning die zij bieden. De enejongere is immers de andere niet. De verplichting om structureelaanvullende loopbaanbegeleiding te bieden kan bij scholen ook opdraagvlak rekenen. Zij hebben geen zorgen geuit over de uitvoerbaarheidervan. Sterker nog, scholen en gemeenten hebben in de voorbereidingvan dit wetsvoorstel juist gepleit voor een verruiming van de mogelijk-heden. Als gevolg hiervan kunnen mbo-instellingen nu ook aanvullendeloopbaanbegeleiding bieden voor studenten op mbo-niveau 3 en 4. Voordeze groep is het aan de scholen zelf om beleid te maken en daarin tebepalen op welke jongeren de aandacht zich richt. Hierbij kan gedachtworden aan bijvoorbeeld studenten met een beperking of chronischeziekte, met een taalachterstand of die een opleiding doen met een matigekans op werk.Een andere gerelateerde zorg die bij de leden van de NSC-fractie leeft is ofhet wetsvoorstel door dit toepassingsbereik niet de regeldruk (nog) meerverhoogt dan nodig. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Zou een meerrisicogerichte aanpak niet de voorkeur hebben en ziet de regeringmogelijkheden om het wetsvoorstel op dit punt te verbeteren?De toename van de regeldruk is relatief beperkt, want dit wetsvoorstel ende lagere regelgeving staan juist een risicogerichte aanpak voor. Hetwetsvoorstel richt zich specifiek op de jongeren die een grotere kanshebben om voortijdig van school uit te vallen en niet duurzaam aan werkte komen. Het gaat om jongeren uit het pro, vso, entree, mbo bol niveau 2en voortijdig schoolverlaters. Scholen hebben de ruimte om zelf keuzes temaken in de invulling die ze geven aan de aanvullende loopbaanbege-leiding en hun beleid zo in te richten dat zij juist de jongeren bereiken diemoeizaam aan het werk komen. Daarnaast hoeven scholen en gemeentende maatregelen in het regionaal programma alleen te richten op jongerendie een hoge kans hebben om uit te vallen of werkloos te worden en opjongeren die reeds zijn uitgevallen of geen werk hebben. Voorgaandewordt vastgelegd en uitgewerkt in de ministeriële regeling, bedoeld in hetvoorgestelde artikel 9.2.8, eerste lid, WEB. In het regionale programmamoeten regio’s aannemelijk maken dat maatregelen effectief zijn. Eengerichte aanpak is een voorwaarde hiervoor.8De leden van de NSC-fractie zijn van oordeel dat wetten alleen dienen teworden gewijzigd als daartoe een afdoende noodzaak is. Het is deze ledenniet duidelijk waarom onder de bestaande wetgeving een school geenbegeleiding kan verzorgen na diplomering. Artikel 1.3.5. lid c Wet educatieen beroepsonderwijs (WEB) lijkt alle ruimte hiervoor te laten. Deelt deregering deze interpretatie? Waarom is een wijziging van de wet op ditpunt geoorloofd?Het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding(LOB), als bedoeld in artikel 1.3.5, onderdeel c, WEB dient te passenbinnen de uitvoering van de wettelijke taak van instellingen. In de huidigesituatie ziet dit dan ook slechts op het bieden van LOB gedurende de8LPBL (2023), Meta-analyse investeren in kwetsbare jongeren; https://www.lpbl.nl/2023/02/07/meta-analyse-investeren-in-kwetsbare-jongeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 69 opleiding. Instellingen hebben op dit moment geen taak ten aanzien vande begeleiding van oud-studenten.LOB is een vast kwalificatie-onderdeel van elke kwalificatie binnen hetberoepsonderwijs en richt zich daarmee op alle mbo-studenten. Hetbehoort tot de generieke kwalificatie-eisen voor loopbaan en burgerschapin bijlage 1 van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB. LOB gaat uit vaneen grote mate van individuele zelfstandigheid waarbij studentencompetent zijn om hun eigen loopbaan richting en vorm te geven, met alsdoel ze zelfredzaam te maken. Het is aan de studenten zelf om hierinvulling aan te geven. In het IBO Jongeren met afstand tot de arbeids-markt blijkt dat het doenvermogen van sommige jongeren te hoog wordtingeschat. Dat geldt met name voor jongeren die een entreeopleiding ofeen opleiding op mbo-niveau 2 hebben gevolgd. Daarom krijgt hetaanbod van de mbo-instellingen een meer verplichtend karakter.Mbo-instellingen moeten deze studenten een aanbod doen en in hetBesluit van school naar duurzaam werk wordt gespecificeerd dat het moetgaan om een individueel op de behoefte van de student gericht aanbod.Deze individuele en intensievere vorm van ondersteuning, is nu geenonderdeel van artikel 1.3.5 WEB. Ook is het voor mbo-instellingen nietverplicht om een overgangsdocument op te stellen of beleid af testemmen met partners in de regio.De leden NSC-fractie begrijpen de behoefte van scholen aan duidelijkheidomtrent de maatschappelijke en/of wettelijke taak die ze hebben. Ookerkennen deze leden het belang ervan, zeker in het kader van kansenge-lijkheid, dat iedere scholier kan rekenen op voldoende extra begeleiding,ongeacht de school of regio. Wel vragen zij of met dit wetsvoorstel in dezeopzichten werkelijk een substantiële verbetering tot stand zal wordengebracht. Immers, het voorstel beschrijft de nazorgplicht nog steeds inslechts «algemene termen» en stelt nagenoeg geen eisen aan de invullingervan. Het wetsvoorstel laat weliswaar ruimte om dit in lagere regel-geving nader te specificeren, maar doordat die lagere regelgeving nu nietvoorhanden en bovendien optioneel is, blijft het voor deze leden evenwelmoeilijk in te schatten of het wetsvoorstel tegemoet komt aan de behoeftevan scholen aan meer duidelijkheid. Ook als het gaat om de verschillentussen scholen en regio’s lijkt het wetsvoorstel vooralsnog weinig op telossen. Het laat nog steeds veel vrijheid aan de doorstroompuntregio’som aan hun regionale programma’s op verschillende manieren invullingte geven.De leden van de NSC-fractie vragen hoe de regering tegen deze overwe-gingen aankijkt. Deze leden zijn van oordeel dat een wetsvoorstel datonvoldoende doeltreffend is, moet worden afgewezen of aangepast. Kande regering uitleggen hoe het onderhavige wetsvoorstel doeltreffend is inhet scheppen van meer duidelijkheid en een meer uniform aanbod?Dit wetsvoorstel zet per saldo een flinke stap naar duidelijke taken enmeer uniformiteit voor scholen en gemeenten. De balans tussen duide-lijkheid en ruimte is in veel bijeenkomsten en gesprekken met het veld aanbod gekomen. De kern van hetgeen scholen en gemeenten hebbenaangegeven is: geef duidelijk aan wat we moeten doen, maar laat aan onshoe we dit doen. De regering heeft in het wetsvoorstel daarom gezochtnaar een balans tussen duidelijkheid en ruimte. De gekozen balans kan opdraagvlak rekenen. Met dit wetsvoorstel worden de taken van scholen,Doorstroompunten en gemeenten expliciet vastgelegd, alsook hoe zij zichonderling tot elkaar verhouden. Op verschillende manieren wordtduidelijkheid geboden en wordt met dit wetsvoorstel een stap gezet naarmeer eenduidigheid tussen regio’s. Zo moeten scholen een aanbod doenvan aanvullende loopbaanbegeleiding en moeten zij zorgen voor eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 610 overdrachtsdocument als de gemeente de begeleiding voortzet. Scholenmoeten beleid hierover opstellen. In het Besluit van school naar duurzaamwerk zal worden vastgelegd dat het aanbod van aanvullende loopbaanbe-geleiding bestaat uit een persoonlijke benadering en een op de behoeftevan de jongere gericht aanbod. Hoe ze dit precies doen, is aan de schoolzelf.De gemeente krijgt in de Participatiewet een expliciete taak om jongerente ondersteunen (a) terug naar school als dat kan en passend is, waarbij zijde expertise van het Doorstroompunt kan inschakelen, (b) naar werk of (c)een combinatie van beide, zijnde een leerwerktraject, als dat de kans opduurzaam werk vergroot. Ook kan de gemeente al tijdens de schooltijdondersteuning bieden gericht op arbeidsinschakeling op verzoek van depro-, vso- of mbo-school dan wel de ho- of wo-student. Het beleid moetvastgelegd worden in een verordening. Ook wordt in het besluit de taakvan de centrumgemeente bij de totstandkoming en uitvoering van hetregionaal programma opgenomen. Verder wordt de taak en de doelgroepvan het Doorstroompunt geëxpliciteerd. Zo wordt verduidelijkt dat hetDoorstroompunt niet alleen maar jongeren «volgt» en «doorverwijst»,maar juist begeleiding terug naar school of werk biedt aan alle jongerentot 27 jaar zonder startkwalificatie en dat het Doorstroompunt jongerenoverdraagt aan de gemeente voor ondersteuning op grond van deParticipatiewet daar waar nodig.Ook met het regionaal programma wordt gestuurd. Met een specifiekeuitkering en een subsidie wordt geborgd dat het geld in het regionaalprogramma wordt besteed op basis van de voorwaarden die wordenuitgewerkt bij ministeriële regeling. Zo zal elk regionaal programma eenregionale analyse en smart-doelstellingen moeten bevatten. Daarnaastbenoemt de nieuwe regeling onderwerpen waarover regio’s verplichtafspraken moeten maken. Deze onderwerpen sluiten aan bij de oorzakenwaarom jongeren uitvallen of werkloos worden. Zo wordt geborgd datelke regio hiermee aan de slag gaat. Maatregelen (waar geld op ingezetwordt) moeten aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Met dezevoorwaarden wordt geborgd dat maatregelen zijn gericht op jongeren meteen hoge kans op uitval of werkloosheid, dat het aanbod op scholentoegankelijk is ongeacht de woonplaats van de leerling of student en dateffectieve interventies worden gebruikt. Hiermee stuurt het Rijk veel meerdan tot nog toe op de totstandkoming van de samenwerking en dekwaliteit van de maatregelen en op een gerichte inzet van middelen.Aan de andere kant biedt dit wetsvoorstel ook ruimte. Het is moeilijk omuniform voor alle jongeren vast te stellen hoe de ondersteuning preciesgeboden moet worden en wanneer een andere organisatie betrokkenwordt. De wetgever kan niet elke mogelijke situatie en individueleomstandigheid in algemene regels vastleggen en zal zich tot de hoofd-lijnen en de belangrijkste normen moeten beperken. Ook kan de opgaveper regio verschillen en hebben scholen en gemeenten een bepaaldemate van autonomie om hier eigen keuzes in te maken.De leden van de SGP-fractie constateren dat de gemeenten sinds 2023 opgrond van de Wet Uitvoeren breed offensief een uitbreiding van hun takeninzake het ondersteunen van kwetsbare jongeren hebben gekregen. Dezeleden vragen waarom niet eerst gedurende een aantal jaren wordt bezienhoe deze verantwoordelijkheid gestalte krijgt alvorens nieuwe wijzigingendoor te voeren.Met de Wet van 30 november 2022 tot wijziging van de Participatiewet enenkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voorloonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breedTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 611 offensief) (Stb. 2022, 499) zijn gemeenten per 1 juli 2023 verplicht om inhun verordening te regelen op welke wijze waar nodig wordt voorzien inintegrale ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, vanwerk naar onderwijs en van werk naar werk. Dit ziet specifiek op mensendie te maken hebben met multiproblematiek waarvoor samenwerkingbinnen het gehele sociale domein nodig is om integrale ondersteuning tekunnen bieden. Het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk richtzich op een bredere doelgroep; ook jongeren zonder multiproblematiekvallen onder de reikwijdte van het wetsvoorstel. Ook is het doel van hetwetsvoorstel breder; het gaat ook om preventieve begeleiding vanjongeren die nog op school zitten of voortijdig zijn uitgevallen, waarbij deschool en het Doorstroompunt aan zet zijn en daarbij desgewenst kunnensamenwerken met de gemeente.3. Maatschappelijke opgave wetsvoorstel De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat met ditwetsvoorstel de samenwerking tussen organisaties essentieel is en verderwordt gestimuleerd. Deze leden vragen echter of de regering de meningdeelt dat in sommige regio’s de samenwerking niet vlotjes verloopt. Hoegaat de regering ervoor zorgen dat achterblijvers koplopers worden?De regering ziet dat in sommige regio’s de samenwerking nog niet goedgenoeg verloopt. Deze samenwerking is wel essentieel om goedeondersteuning aan jongeren te bieden. Om te zorgen dat in elke regio desamenwerking van de grond komt, wordt dit wettelijk geborgd. Daarnaastwordt in de Subsidieregeling regionaal programma en Doorstroompuntvastgelegd dat partijen in het regionaal programma afspraken moetenmaken over de samenwerking. Dit is een voorwaarde voor het ontvangenvan de subsidie. Daarnaast worden regio’s ondersteund bij de totstand-koming van deze samenwerking, zoals aangekondigd in het actieplanvsv.9 Deze ondersteuning vanuit OCW en SZW bestaat onder meer uitregionale themabijeenkomsten, webinars, het delen van relevanteonderzoeksresultaten en leerbijeenkomsten waarin regio’s met eenvergelijkbare opgave van elkaar leren. Zo nodig is ook maatwerk per regiomogelijk. Alle informatie over het wetsvoorstel en veelgestelde vragenworden bijgehouden op de webpagina van het wetsvoorstel.10Het valt de leden van de SGP-fractie op dat de maatschappelijke opgaveduidelijk wordt gepositioneerd in de memorie van toelichting. Deze ledenvragen of het in die context niet allereerst voor de hand gelegen zouhebben om te verkennen of verbeteringen te realiseren zijn door hetactiever inschakelen van maatschappelijke organisaties en het beterfaciliteren van deze organisaties. De leden van de SGP-fractie vinden hetniet voor de hand liggen om allereerst te kijken naar de uitbreiding vanverantwoordelijkheid van gemeenten en van bekostigde instellingen.Graag zouden zij een toelichting ontvangen van de regering op degemaakte keuzes en overwegingen. Waarom wordt niet veel sterkeringezet op het versterken van de maatschappelijke context van jongeren?Ook de leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de rol vanmaatschappelijke organisaties. Zij lezen dat scholen en doorstroompuntenaan zet zijn om jongeren te helpen. Deze leden zien echter ook dat oplokaal en nationaal niveau veel maatschappelijke organisaties betrokkenzijn bij deze jongeren. De leden van de D66-fractie vragen welke rol deregering ziet voor het maatschappelijk middenveld bij de uitvoering vandeze wet.9Kamerstukken II 2023/2024, 26 695, nr. 143.10https://www.samenvoordeklant.nl/dossier/wetsvoorstel-van-school-naar-duurzaam-werk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 612 De taken die met dit wetsvoorstel belegd worden bij scholen, Doorstroom-punten en gemeenten passen bij hun primaire opgave. Dat laat onverletdat maatschappelijke organisaties aanvullende, dan wel specifiekeondersteuning kunnen bieden aan jongeren die van toegevoegde waardeis. Denk aan het bieden van hulp aan jongeren die te maken hebben metpersoonlijke problemen, zoals schulden, mentale problemen, dak- enthuisloosheid en criminaliteit. Het is belangrijk dat scholen, Doorstroom-punten en gemeenten samenwerken met en aansluiten op organisatiesdie actief zijn op deze gebieden.Een kenmerk van veel maatschappelijke organisaties is evenwel dat zeeen sterke lokale of regionale verbondenheid hebben. Per gemeente ofregio zijn er andere organisaties actief, verschilt het aanbod voorjongeren, en zijn er veel verschillende vormen waarin samengewerktwordt. Het vanuit het Rijk aanwijzen van één of enkele maatschappelijkeorganisaties die jongeren ondersteunen, past niet goed bij de diversiteitvan regio’s en sluit niet aan op de lokale context. Scholen, Doorstroom-punten, gemeenten en regio’s hebben veel beter in beeld welkemaatschappelijke organisaties activiteiten kunnen uitvoeren of waarmeesamengewerkt kan worden. Daarom is ook in het wetsvoorstelopgenomen dat de contactgemeente in de Doorstroompuntregio verplichtis om bij de regionale samenwerking organisaties te betrekken diejongeren begeleiden en hiermee afspraken te maken (artikel 9.2.4, derdelid, onderdeel a, onder 4°, WEB). In het regionaal programma moet eenregionale analyse worden gemaakt, waarin wordt nagegaan welk aanboder voor jongeren in de Doorstroompuntregio aanwezig is. Maatregelen uithet regionaal programma vinden ook vaak in samenwerking metmaatschappelijke organisaties plaats of worden door hen uitgevoerd, zoook om perspectief te bieden aan jongeren die een afstand hebben totonderwijs of werk. Daarnaast zijn er vaak zeer nauwe contacten tussenscholen en gemeenten enerzijds en organisaties die jongeren onder-steunen anderzijds, zoals met jongerenwerkers, persoonlijk begeleiders,taal- of schuldenmaatjes, organisaties die dak- en thuislozen helpen, etc.4. Maatregelen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de reguliere loopbaan-begeleidingsactiviteiten voldoende zijn voor de meeste studenten om zelfaan werk te komen. Dat klopt inderdaad en dat is een goede zaak. Er komtechter ook uit de JOB-monitor 2024 naar voren dat maar 32% van destudenten aangeeft positief te zijn over de hulp van school voor verderleren of gaan werken, dat 41% neutraal is en maar liefst 26% negatief is.Deze leden vragen of het doorbouwen op de huidige loopbaanbegelei-dingsactiviteiten verstandig is als studenten op dit moment niet inovergrote mate tevreden zijn over deze activiteiten.Ik ben het met de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eens dat ernog winst is te behalen in de tevredenheid van studenten over de hulpvan school bij de keuze voor verder leren of werken. Studenten geven zelfaan dat zij in LOB graag meer aandacht zien voor loopbaansturing enwerkexploratie (JOB-monitor 2024). Dit zijn ook zaken die ik belangrijkvind met het oog op de aansluiting op de arbeidsmarkt. Met deWerkagenda mbo wordt vanaf 2023 extra geïnvesteerd in de versterkingvan LOB, door middel van de kwaliteitsmiddelen en de Tijdelijke regelingaanvullende bekostiging LOB 2023 (€ 32 miljoen per jaar). Scholeninvesteren dit in extra fte’s, professionalisering van docenten, hetintensiveren van begeleiding van studenten en het organiseren van meeroriënterende beroeps- en bedrijfsbezoeken. We volgen dit door middelvan de monitoring van de werkagenda.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 613 We weten echter wel dat voor sommige jongeren LOB niet volledig zalvoorzien in de ondersteuningsbehoefte die zij hebben. Juist voor hen isindividuele aandacht nodig. Ook kan het nodig zijn dat de ondersteuningook na diplomering voortgezet kan worden. Hierin voorziet LOB nu niet.De school kent de jongere, de opleiding en het werkveld en is deaangewezen partij om dit te doen. Voor een effectieve aanpak is hetbelangrijk dat de aanvullende loopbaanbegeleiding onderdeel wordt vande begeleidingsprocessen binnen de mbo-instellingen, waarbij waarmogelijk aangesloten wordt op bestaande contacten met studenten.Volgens de leden schort het nog te veel aan de basiskwaliteit vanloopbaanbegeleidingsactiviteiten op mbo-instellingen en is er eenkwaliteitsslag nodig op de reguliere loopbaanbegeleidingsactiviteitenalvorens erop wordt voortgebouwd. Is de regering het met de leden vande GroenLinks-PvdA-fractie eens dat de basis van loopbaanbegeleiding nuniet op orde is en dat dit wel nodig is alvorens er wordt voorgebouwd metextra loopbaanbegeleidingsactiviteiten voor de specifieke doelgroep diedit wetsvoorstel behelst?Er wordt momenteel fors geïnvesteerd in LOB. De huidige LOB-taak isvoor sommige studenten niet voldoende om duurzaam aan het werk tekomen. Ook kan de ondersteuning na diplomering nu niet wordenvoorgezet, terwijl dit voor sommige studenten wel belangrijk is voor eensuccesvolle stap naar de arbeidsmarkt. De regering ziet dit wetsvoorsteljuist als een kans voor mbo-instellingen om voor specifieke groepenstudenten, die met de reguliere LOB-ondersteuning onvoldoende uit devoeten kunnen, een aanvullend aanbod te doen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in het licht van boven-staande constatering, namelijk dat de tevredenheid over loopbaanbegelei-dingskwaliteiten nog best wat te wensen over laat, in hoeverre personeelop mbo-instellingen geschoold wordt om deze extra taken uit te voeren.Volgens deze leden is er een zekere vorm van expertise nodig om dedoelgroep van dit wetsvoorstel zo goed mogelijk te begeleiden. Is deregering het ermee eens dat er ook nog wel de nodige expertise in deschool aanwezig moet zijn en (na)scholing van personeel verstandig zouzijn, zo vragen deze leden?Het is zeker nodig om medewerkers van scholen verder te bekwamen. Ditis een van de belangrijkste elementen voor effectieve ondersteuning vanjongeren. Voor mbo-instellingen is het begeleiden van jongeren naar werknog relatief nieuw. Doordat de tijdelijke inzet in de Aanpak Jeugdwerk-loosheid nu wordt omgezet naar een structurele taak, wordt het veellonender voor mbo-instellingen om te investeren in de deskundigheid enkennis van uitvoerende professionals. Veel scholen kiezen ervoor omhiervoor professionele stage- (bpv) en werkbegeleiders aan te stellen,omdat het begeleiden van jongeren naar een passende baan specifiekevaardigheden, kennis en een netwerk vergt.OCW en SZW willen de deskundigheid van professionals op verschillendemanieren bevorderen. Zo wordt in de ministeriële regeling opgenomendat regio’s afspraken moeten maken over het bevorderen van devakkundigheid van uitvoerende professionals. Ook verstrekt de regeringeenmalig aanvullend € 6,8 miljoen aan gemeenten voor de voorbereidingop dit wetsvoorstel en de nieuwe regionale programma’s. Dit isopgenomen in de verlenging van de Regeling regionale aanpak voortijdigTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 614 schoolverlaters 2020–2025, die onlangs is gepubliceerd.11 Bovendien heeftOCW, in samenwerking met Ingrado en scholen, een leergang bpv en vanschool naar duurzaam werk ontwikkeld voor mbo-instellingen. Tenslottewerken OCW en SZW samen met Ingrado, MBO Raad, VNG, sectorraadGespecialiseerd Onderwijs, Sectorraad Praktijkonderwijs en het LandelijkeOndersteuningsteam Regionale Arbeidsmarkt,12 aan verderondersteunings- en professionaliseringsaanbod.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de gemeente kanworden betrokken bij de aanvullende loopbaanbegeleiding. Hebbengemeenten hier voldoende financiële middelen voor?Gemeenten ontvangen voor de uitvoering van de extra taken in deParticipatiewet structurele middelen. Dit is gebaseerd op een inschattingvan het aantal jongeren dat aanvullend op de bestaande taken vangemeenten, ondersteuning nodig heeft. Aanvullend hierop kunnenscholen en gemeenten in het regionaal programma inzet plegen om tezorgen dat jongeren duurzaam aan het werk komen. Ook aanvullendepreventieve inzet waarbij scholen en gemeenten nauw samenwerken, kanhieruit betaald worden. Voor het regionaal programma is landelijk jaarlijksruim € 90 miljoen beschikbaar, € 40 miljoen meer dan de vorige regionalevsv-programma’s. In de evaluatie, die uiterlijk in 2028 plaatsvindt, wordtbekeken hoe de geraamde omvang van de taken van scholen engemeenten zich verhoudt tot de praktijk.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden het een goede ontwik-keling dat jongeren ook na het behalen van hun diploma nog wat extrabegeleiding krijgen vanuit de mbo-instelling waar zij vertrouwd mee zijn.Deze leden begrijpen ook dat er een periode afgebakend dient te wordenom te voorkomen dat de taken voor een school te groot worden. Welvragen zij of het na één jaar niet juist cruciaal is dat er kan wordenteruggevallen op vertrouwde begeleiding vanuit de school, gezien veelarbeidscontracten na één jaar aflopen. Als er juist op dat moment wordtovergestapt van begeleiding vanuit de school naar de gemeente, danvragen deze leden of je niet je eigen wal en schip aan het creëren bent.Kan de regering reflecteren op deze analyse en wellicht overwegen deaanvullende loopbaanbegeleiding na de mbo-opleiding te verruimen naarbijvoorbeeld één jaar en drie maanden?Er is voor de duur van één jaar gekozen omdat dit voldoende tijd biedtaan mbo-instellingen om jongeren naar werk te begeleiden of deondersteuning voort te zetten door de gemeente. De regering wil dezeperiode afbakenen, zodat de taak van de mbo-instelling niet te ver af komtte staan van de kernopdracht van het onderwijs en zodat duidelijk blijft bijwelke organisatie de jongere terecht kan voor ondersteuning. Met eenlangere duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding ontstaat het risicodat de gemeente niet vroegtijdig of op tijd in de samenwerking betrokkenwordt, wat de afstand tot de arbeidsmarkt van de jongere vergroot. Alsjongeren hun baan verliezen, is dat niet op een vast moment. Zo krijgensommige jongeren al na enkele maanden ontslag, of vinden pas na enkelemaanden na afstuderen een baan. Anderen verliezen hun baan als een11Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 5 februari 2025,nr. MBO/50032061, houdende wijziging van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolver-laten 2020–2025 en de Regeling specifieke uitkering extra financiële middelen RMC-functie inverband met een verlenging van het regionaal programma alsmede wijziging van deSubsidieregeling nazorg mbo 2022/2025 in verband met de verlenging van een activiteitenpe-riode (Stcrt. 2025, 5482).12Het Landelijke Ondersteuningsteam Regionale Arbeidsmarkt is sinds 1 januari 2025 deopvolger van de Programmaraad Regionale Arbeidsmarkt en het Landelijk Team Leerwerklo-ketten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 615 vast contract moet worden verstrekt. Ook met een duur van de aanvul-lende loopbaanbegeleiding van een jaar en drie maanden zullen erjongeren zijn die hun baan verliezen buiten deze periode. De gemeentekan deze jongeren dan ondersteuning bieden.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden het goed om te lezen datde oorzaken van het niet kunnen vinden van werk heel erg divers zijn,want de leden delen deze analyse. Wel vragen ze of een school altijd instaat is om alle oorzaken even goed aan te pakken. Deze leden denkennamelijk van niet en vragen of er wel altijd genoeg handelingsperspectiefis voor school om op sommige situaties te acteren. Hoe reflecteert deregering hierop?Het is belangrijk dat met dit wetsvoorstel de school de gemeente al tijdenshet onderwijs kan betrekken. De gemeente kan, indien nodig, meerspecifieke ondersteuning bieden zodat jongeren aan het werk komen,bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding op de werkvloer. Ook zijn erjongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele ofandere problemen waar hulp van buiten het onderwijs voor nodig is. Omte zorgen dat scholen en gemeenten hier afspraken over maken, wordt ditvastgelegd bij ministeriële regeling. Ook kunnen er vanuit het regionaalprogramma, waar landelijk ruim € 90 miljoen per jaar voor beschikbaar is,maatregelen voor genomen worden. Een voorbeeld hiervan is hetorganiseren van hulp op school, bijvoorbeeld door jongerenwerkers,hulpverleners, en budgetcoaches.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat dit wetsvoorstelvastlegt dat elke mbo-instelling beleid opstelt met betrekking tot hetaanbod van aanvullende loopbaanbegeleiding. Zoals al eerder aange-geven, hebben deze leden zorgen over de kwaliteit van de huidigeloopbaanbegeleiding, omdat de doelgroep (studenten) aangeeft daar nietaltijd tevreden over te zijn. Zij vragen de regering wie gaat toezien op dekwaliteit van de loopbaanbegeleiding, zowel de aanvullende loopbaanbe-geleiding als de nazorg.De Inspectie van het Onderwijs is verantwoordelijk voor het toezicht op dekwaliteit van de loopbaanbegeleiding door scholen. Omdat de aanvul-lende loopbaanbegeleiding een wettelijke taak wordt, valt dit ookdaaronder. Het toezicht geldt dus voor zowel de ondersteuning diescholen tijdens het onderwijs als na diplomering aanbieden. Hierbij bekijktde inspectie bijvoorbeeld of het verplichte aanbod daadwerkelijk isgedaan, of dit op een persoonlijke en op de behoefte van de jongeregerichte manier is gedaan en of de onderwijsinstelling beleid heeftvastgesteld hierover.De aanvullende loopbaanbegeleiding is een onderdeel van de regionaleopgave om te zorgen dat jongeren duurzaam aan het werk komen. In hetwetsvoorstel is vastgelegd dat regionale afspraken moeten wordengemaakt over de samenwerking tussen de partijen bij de uitvoering vande maatregelen en activiteiten in het wetsvoorstel, waaronder deaanvullende loopbaanbegeleiding (artikel 9.2.8, derde lid, onder b, WEB).De mbo-instelling moet bij het maken van het beleid rekening houden metde afspraken in het regionaal programma (artikel 9.2.12, vijfde lid, WEB).Hoewel de inspectie geen toezicht houdt op de regionale programma’s,zorgt deze bepaling er wel voor dat er tussen de partners gesprekkenplaatsvinden over de wijze waarop de aanvullende loopbaanbegeleidingwordt ingevuld, wat een positief effect heeft op de kwaliteit van deaanvullende loopbaanbegeleiding. Als een school namelijk zijn taak nietgoed uitvoert, zullen ketenpartners dit aankaarten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 616 Daarnaast vragen deze leden of in dat beleid per mbo-instelling metbetrekking tot de loopbaanbegeleiding in ieder geval kan wordenopgenomen hoe studenten worden betrokken bij het vormgeven van ditbeleid, omdat de loopbaanbegeleiding in huidige vorm niet altijd positiefwordt gewaardeerd.In het wetsvoorstel staat dat het beleid van de mbo-instelling wordtopgenomen in het studentenstatuut. Hieruit volgt dat de studentenraadvan de instelling instemmingsrecht heeft. Ook wordt bij ministeriëleregeling vastgelegd dat jongeren moeten worden betrokken bij hetregionaal programma. In opdracht van OCW en SZW heeft Bureau Emmaop meerdere bijeenkomsten in het land en in een webinar aan scholen,Doorstroompunten en gemeenten uiteengezet op welke wijze jongerengoed betrokken kunnen worden bij het maken van beleid en het regionaalprogramma.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de aanvullendeloopbaanbegeleiding niet is bedoeld voor studenten die voortijdigstoppen met hun studie, maar dat zij terecht kunnen bij het Leerplicht ofhet Doorstroompunt. Deze leden vinden dat jammer om te lezen, omdatdit wetsvoorstel de insteek heeft om te versimpelen voor jongeren, maarhet voor de doelgroep voortijdig schoolverlaters alsnog twee punten zijnwaar zij terecht kunnen. Is de regering zich er bewust van dat hier eendiscrepantie zit tussen wat het wetsvoorstel beoogt en wat er op dit puntgebeurt voor voortijdig schoolverlaters?De aanvullende loopbaanbegeleiding is gericht op doorstroom naar werkvoor jongeren die hun diploma gaan halen of behaald hebben. Bijvoortijdige uitval zonder diploma, is het primaire doel dat jongeren zosnel mogelijk doorstromen naar een andere opleiding zodat zij alsnog hundiploma halen. Voor leer- en kwalificatieplichtige studenten is het verplichtom onderwijs te volgen. Het is dan ook niet passend om de mbo-instellingeen taak te geven om deze jongeren naar werk te begeleiden. Voorjongeren die geen startkwalificatie hebben maar niet meer leer- enkwalificatieplichtig zijn, moeten mbo-instellingen zich inspannen omjongeren die willen stoppen met hun opleiding te begeleiden naar eenandere opleiding. Zij zetten extra ondersteuning in voor jongeren diedreigen uit te vallen, schakelen hulp in van de leerplichtambtenaar van degemeente, het Doorstroompunt, (jeugd)hulp of andere organisaties en,indien een opleiding toch niet past bij een jongere, gaan zij samen met dejongere op zoek naar een andere passende opleiding.Veel van de jongeren die stoppen met hun opleiding, switchen naar eenandere opleiding. Voor de jongeren die dit niet doen, moetenmbo-instellingen een mbo-verklaring meegeven waarop alle resultatenvan de student staan. Ook moet de mbo-instelling het Doorstroompuntalle bescheiden verstrekken die nodig zijn voor een verdere begeleiding.Het Doorstroompunt heeft de wettelijke taak ondersteuning te bieden aandeze jongeren, bijvoorbeeld door samen op zoek te gaan wat bij hen past,de mogelijkheden te verkennen in het onderwijs of op de arbeidsmarkt, ente bekijken of en welke hulp hierbij eventueel nodig is. De ondersteuningvan (potentiële) voortijdig schoolverlaters en de overdracht van gegevensis daarmee in de wet en in de praktijk al geregeld.Voor jongeren die wél hun diploma (gaan) halen en toch hulp nodighebben in de stap van school naar werk, is nu heel weinig geregeld. Dembo-instelling heeft geen taak meer na diplomering, het Doorstroompuntricht zich alleen op jongeren zonder startkwalificatie en jongeren weten degemeenten (als uitvoerder van de Participatiewet) moeizaam zelf tevinden. Daarbij worden zij nu vaak uitgesloten van dienstverlening. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 617 probleem wordt met dit wetsvoorstel aangepakt. Jongeren die dat nodighebben krijgen dadelijk ondersteuning, ongeacht of ze een startkwalifi-catie halen. De route ziet er voor jongeren zonder startkwalificatie alleenanders uit dan voor jongeren met startkwalificatie.Daarnaast vragen zij hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het Actieplanaanpak voortijdig schoolverlaters. In hoeverre hebben dit wetsvoorstel endat actieplan met elkaar te maken of staan ze los van elkaar?Het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk is onderdeel van hetactieplan vsv. In het actieplan vsv is namelijk één van de vijf actielijnen:«5. Betere begeleiding naar werk voor jongeren met en zonder diploma».In deze actielijn wordt dit wetsvoorstel aangekondigd. Met ditwetsvoorstel en de bijbehorende lagere regelgeving wordt vanuit het Rijkgestuurd op de totstandkoming van de samenwerking in de regio, enwordt geborgd dat scholen, Doorstroompunten en gemeenten ookafspraken maken op belangrijke onderwerpen om vsv terug te dringen,zoals toegankelijke en laagdrempelige ondersteuning, ongediplomeerdeuitstroom naar werk en de overgang van het v(s)o naar het mbo. Onlangsheb ik uw Kamer een brief gestuurd waarin dit verder wordt uitgelegd.13De leden van de GroenLinks-PvdA fractie maken zich al lang hard voor devolwaardige behandeling van mbo-studenten en vinden dat hier ookvolwaardige inspraak van de medezeggenschap bij hoort. Deze ledenlezen dat er instemmingsrecht is vanuit de studentenraad van de instellingen vinden dit terecht. Maar juist gezien de omvang van veel regionaleopleidingencentra (ROC’s) en de veelheid aan opleidingsrichtingen vragenzij hoe dit recht er dan in praktijk uitziet. Betekent dit dat enkel de centralemedezeggenschapsraad van een ROC instemmingsrecht heeft, ook alsdeze meerdere vestigingen in verschillende steden heeft? Hoe wordenstudenten aan de verschillende opleidingen betrokken? Deelt de regeringde analyse van deze leden dat de beroepspraktijk van de opleidingen ophet mbo zeer verschillend kan zijn en is de regering bereid om te kijkennaar een manier van inspraak die hier meer recht aan doet?Ja, de centrale studentenraad heeft instemmingsrecht, ook als ermeerdere vestigingen in verschillende steden zijn. De wet stelt enkel hethebben van een studentenraad verplicht. Daarnaast hebben instellingenzelf de mogelijkheid om de studenten aan verschillende opleidingen oflocaties te betrekken bij de besluitvorming. Dit gebeurt in de praktijk opverschillende manieren, mede omdat instellingen variëren in omvang ende clustering van opleidingen. Een voorbeeld hiervan is dat sommigeinstellingen werken met klassenvertegenwoordigers en deelraden. Andereinstellingen schakelen studentenpanels in om de stem van de studenteneen plek te geven. Ook wordt er bij sommige instellingen gewerkt metzogeheten studentambassadeurs die een schakel vormen tussen destudenten en de studentenraad.Naar aanleiding van de motie van de leden Hans Teunissen (D66), ElYassini (VVD) en Westerveld (GroenLinks-PvdA)14 verkent de regeringmomenteel of het mogelijk is om studenten meer medezeggenschap tegeven door formele taken en bevoegdheden van medezeggenschapsor-ganen op verschillende niveaus in het mbo te beleggen. Ik verwacht uwKamer hier voor de zomer van 2025 over te informeren.13Kamerbrief «Voortgang actieplan voortijdig schoolverlaten», d.d. 24 maart 2025; Kamer-stukken II 2024/25, 26 695, nr. 145.14Kamerstukken II 2023/24, 31 524, nr. 585.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 618 De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de regering met ditwetsvoorstel nazorg voor jongeren uit het pro en vso eenduidig wilvastleggen en formuleren. Nu hing deze nazorg nog te vaak af van deschool of regio. Deze leden vinden nazorg voor deze jongeren ook ergbelangrijk en ondersteunen de wens van de regering om dit eenduidigvast te leggen. Zij stellen echter vragen bij de keuze van de regering omonderscheid te maken tussen het eerste en tweede jaar nazorg. De ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat deze keuze is gebaseerd op deverkenning van onderzoeksbureau De Beleidsonderzoekers. Dezeverkenning is ingesteld na verzoek van de Tweede Kamer in het commis-siedebat over praktijkonderwijs. Deze leden hebben de verkenning van DeBeleidsonderzoekers gelezen en vinden de conclusies die de regering eruittrekt te sterk. De onderzoekers geven zelf aan dat de verkenning maar eendoorlooptijd van één maand had, omdat het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) en het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (SZW) het wetsvoorstel zo snel mogelijk wildenaanbieden aan de Tweede Kamer. Ze stellen dat ze niet goed onderzoekhebben kunnen doen naar de huidige invulling van de nazorg door dekorte doorlooptijd en dat echt gegronde uitspraken meer onderzoekvereisen. Kan de regering hierop reageren en uitleggen waarom ervoorgekozen is om de verkenning zo’n korte doorlooptijd te geven? Is deregering van mening dat zij met deze verkenning voldoende opvolgingheeft gegeven aan de wens van de Kamer om dit te onderzoeken? Is deregering van mening dat deze verkenning wel genoeg basis geeft omconclusies te trekken? Zo ja, kan de regering dat onderbouwen? Inhoeverre is de verkenning ook representatief voor het hele land?De onderzoekers hebben met name de argumenten opgehaald voor entegen een langere duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding. Zijconcluderen dat er goede argumenten zijn voor één jaar aanvullendeloopbaanbegeleiding, maar ook voor twee jaar. Zoals aangegeven in deinleiding van deze nota naar aanleiding van het verslag heeft de regeringmede naar aanleiding van uw vragen en input uit het veld besloten om deduur van de aanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het pro en vsotoch te verlengen tot twee jaar na het verlaten van de school en om hetbevoegd gezag daarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb iktegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag een nota vanwijziging ingediend.Een korte doorlooptijd van het onderzoek was belangrijk voor het veld.Langdurig onderzoek had namelijk automatisch een nog latere inwerking-tredingsdatum van het wetsvoorstel betekent. Dit heeft de nodigenegatieve consequenties voor scholen en gemeenten en is daarom zeeronwenselijk. De doorlooptijd van het onderzoek kon vooral ook kort zijndoordat er aangesloten kon worden bij een lopend onderzoek naar deinvulling van het overgangsdocument waarin alle gesprekken met eenrepresentatieve groep organisaties al gepland stonden. Omdat deonderzoekers met name de argumenten opgehaald hebben voor en tegeneen langere duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding, zou hetbetrekken van meer scholen, of een langere doorlooptijd van hetonderzoek, niet tot wezenlijk andere uitkomsten leiden, temeer omdat ookmet de landelijke sectorraden is gesproken die veel input van hunachterban hebben opgehaald. Ook speelt mee dat het onderzoek uitgaatvan een toekomstige situatie, namelijk na inwerkingtreding van hetwetsvoorstel. Dit is altijd lastig om te onderzoeken, omdat de effecten vaneen nieuwe situatie niet altijd vooraf goed in te schatten zijn. In deevaluatie, die uiterlijk in 2028 wordt uitgevoerd, zal nadrukkelijk bekekenworden of het wetsvoorstel leidt tot de gewenste resultaten en of met debeschikbaar gestelde middelen voor scholen, Doorstroompunten engemeenten de extra taken afdoende uitgevoerd kunnen worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 619 De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de regering ervoorkiest om pro- en vso-scholen het eerste jaar een actieve rol te geven in deondersteuning van oud-leerlingen en in het tweede jaar een reactieve rol,die vooral bestaat uit doorverwijzen naar de gemeente. Uit de praktijkhoren deze leden dat in dit tweede jaar veel oud-leerlingen juist steunkunnen gebruiken bijvoorbeeld omdat tijdelijke contracten aflopen en datjuist deze groep dan beter terecht is bij vertrouwde gezichten dan bij degemeente, waar deze groep niet snel zelf aanklopt. Kent de regering dezesignalen ook? Waarom heeft de regering er desondanks toch voorgekozen om het tweede jaar anders in te vullen? Klopt het ook dat pro- envso-scholen niet financieel gecompenseerd worden voor het hunreactieve nazorgtaak in het tweede jaar? Waarom heeft de regeringhiertoe besloten? Ziet de regering ook dat deze scholen wel degelijk werkverzetten, aangezien een doorverwijzing naar de gemeente tijd kost, enhiervoor gecompenseerd moeten worden?Er zijn inderdaad signalen bekend dat leerlingen soms eerder aankloppenbij school en dat de route naar gemeente nog onbekend is. Zoalsaangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van het verslagheeft de regering mede naar aanleiding van uw vragen besloten om deduur van de aanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het pro en vsote verlengen tot twee jaar na het verlaten van de school en om hetbevoegd gezag daarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb iktegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag een nota vanwijziging ingediend.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de mbo-instelling debegeleiding van leerlingen overneemt als pro-leerlingen de overstapmaken naar het mbo. Dit om dubbel werk te voorkomen. Deze ledenbegrijpen deze redenering, maar horen uit de praktijk dat leerlingen tochvaak terugkomen naar de pro-school als ze vragen hebben of begeleidingwillen, omdat dit een vertrouwde plek voor ze is. Kent de regering ditsignaal uit de praktijk ook? Ziet de regering dat pro-scholen hier in depraktijk een extra taak verzorgen?De signalen dat leerlingen na een overstap naar het mbo toch terugkerennaar de pro-school zijn minder bekend. Mbo-instellingen kennen eenuitgebreide ondersteuningsstructuur met medewerkers die jongeren meteen extra ondersteuningsbehoefte begeleiden. Bij het verzorgen vanonderwijs dienen mbo-instellingen mede zorg te dragen voor passendeondersteuning en maken ze afspraken met de student die extra onder-steuning nodig heeft.15 In de praktijk wordt fors ingezet op een soepeleovergang van pro- en vso-leerlingen naar het mbo. Jongeren uit hetpraktijkonderwijs doen het relatief goed in het mbo: zij vallen relatiefminder vaak uit dan andere jongeren die op hetzelfde niveau instromen.In de ministeriële regeling die een nadere invulling geeft aan ditwetsvoorstel, is de overstap van het pro en vso naar het mbo eenbelangrijk thema. Hierin moeten v(s)o-scholen en mbo-instellingenafspraken maken over de overstap naar het mbo in het regionaalprogramma. Voor deze regionale programma’s is jaarlijks € 90 miljoenbeschikbaar (dit is € 40 miljoen meer dan nu). Dit geld moet gericht zijnop jongeren met een hoge kans op schooluitval of werkloosheid, zoalsoud pro- of vso-leerlingen. Het is niet aan de Rijksoverheid om scholen opte leggen hoe ze de overstap precies moeten verbeteren. Er zijn namelijkmeerdere effectieve maatregelen en het is belangrijk dat de inzet past bijde situatie van de scholen in de regio’s. Gezien de taak van het mbo, degoede prestaties van oud pro-leerlingen in het mbo en de aandacht vanuit15Artikel 1.3.5, onderdeel a, en artikel 8.1.3a WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 620 de regionale programma’s, is het niet nodig pro-scholen hiervooraanvullend te bekostigen.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de regering er nu nietvoor kiest om ook voor het hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschap-pelijk onderwijs (wo) aanvullende loopbaanbegeleiding tot een wettelijketaak te maken, omdat die leerlingen een relatief hoge kans op werkhebben. De regering acht een wettelijke plicht voor het bieden vanaanvullende loopbaanbegeleiding voor hbo- en wo-instellingen daaromniet proportioneel. De gemeente kan wel voor individuele studentenbegeleiding bieden. Deze leden vragen waarom er gekozen is om dezeknip te maken. Ook binnen het hbo of wo zijn er studenten die extrabegeleiding nodig hebben om de arbeidsmarkt op te komen, denkbijvoorbeeld aan studenten met een beperking. Waarom heeft de regeringer niet voor gekozen om in dit wetsvoorstel ook deze groep op te nemenals groep voor wie een wettelijke ondersteuningstaak verplicht is?Het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk focust zich op jongerendie een structurele achterstand hebben op de arbeidsmarkt. Dan gaat hetom jongeren uit het pro, vso, mbo entree en niveau 2 bol en voortijdigschoolverlaters. Met het wetsvoorstel worden de tijdelijke maatregelenvan de Aanpak Jeugdwerkloosheid, gestart tijdens de coronatijd,structureel gemaakt. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan hetInterdepartementaal Beleidsonderzoek Jongeren met (risico op) eenafstand tot de arbeidsmarkt uit 2019.Jongeren uit het hbo of wo hebben geen structurele achterstand op dearbeidsmarkt. Het aandeel jongeren uit het hbo en wo dat niet zelfstandigaan het werk komt, is laag. Niet alleen hun opleidingsniveau draagthieraan bij, maar ook het doenvermorgen van deze jongeren is gemiddeldgroter dan van jongeren die zonder startkwalificatie het onderwijsverlaten. Van mensen met een hbo- of wo-diploma mag verwacht wordendat zij zelfstandig of op advies van de onderwijsinstelling hun weg op dearbeidsmarkt kunnen vinden dan wel naar instanties die hen daarbijkunnen helpen. Hbo- en wo-instellingen verplichten om aanvullendeloopbaanbegeleiding te bieden zou dan ook een te brede opdracht zijn enniet passen bij hun kerntaak. Deze instellingen zijn ook niet gebaat bij hetaangaan van een structurele samenwerkingsrelatie met gemeenten, waardit wetsvoorstel daar voor pro-, vso- en mbo-scholen nadrukkelijk wel opziet. Voor theoretisch opgeleiden is de plek waar je studeert immers veelaleen andere dan waar je woont en gaat werken. Om voorgaande redenenmaken deze onderwijsinstellingen van origine dan ook niet of nauwelijksonderdeel uit van de regionale samenwerking in de Doorstroompuntre-gio’s of de arbeidsmarktregio’s.Voorgaande argumentatie laat onverlet dat het wetsvoorstel wel mogelijk-heden biedt om jongeren uit het hbo en wo te ondersteunen. Alsgemeenten ervoor kiezen om ook jongeren te willen ondersteunen uit hetho en wo, dan kan dat op grond van het nieuwe artikel van de Participa-tiewet. Ook kunnen Doorstroompuntregio’s in hun regionaal programmamaatregelen nemen gericht op studenten uit het hbo of wo, als blijkt uitde regionale analyse dat hier aanleiding toe is. Tot nog toe kon dit niet. Ennatuurlijk kunnen deze jongeren altijd terecht bij de regionale Werkcentrain de arbeidsmarktregio’s, die in het kader van de hervorming van dearbeidsmarktinfrastructuur verder vorm en invulling krijgen, als zij eenondersteuningsvraag hebben bij het zoeken naar werk.Een voorbeeld hiervan is het project «Sterk aan het Werk» vanHogeschool Windesheim, dat afgestudeerden met een lichamelijkebeperking of functiebeperking helpt bij het vinden van een passendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 621 baan. Is de regering bekend met het project? Is de regering er ook meebekend dat dit project in 2024 de «Bridge of Fame»-award kreeg uitgereikt,juist omdat zij aantoonbaar en succesvol een brug vormen tussenonderwijs en de arbeidsmarkt voor jongeren met een ondersteunings-vraag? Is de regering het ook met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat juist dit soort aantoonbaar succesvolle projecten ookbijdragen aan de doelstellingen zoals ondertekend in het Verenigde Naties(VN)-verdrag Handicap en dus ook van Rijksoverheid steun verdienen?Kent de regering ook de maatschappelijks businesscase waarin ook hetfinanciële rendement van Sterk aan het Werk is berekend en waarin wordtaangetoond dat dit project rendeert, omdat uitgaande van de investeringvan € 5.000,– voor twee jaar begeleiding, deze zich in één jaar via deinkomstenbelasting terugbetaalt? Zo ja, is de regering het eens met dezeleden dat dit soort ondersteuning breder aangeboden moet worden en datdit niet afhankelijk van de instelling moet zijn? Is de regering bereid omstructureel gewaarborgde en gefinancierde loopbaanondersteuning voorleerlingen met een beperking in het hbo en wo ook mogelijk te maken?Kan de regering reflecteren op de maatschappelijke business case? Kande regering aangeven of ze de aanbevelingen herkent? Hoe verhoudt zichdit tot de opmerking dat het doortrekken van dit wetsvoorstel naar hethoger onderwijs «niet proportioneel» zou zijn?Ja, de regering is bekend met het project «Sterk aan het Werk» en ditproject draagt inderdaad bij aan de doelstellingen zoals ondertekend inhet Verenigde Naties (VN)-verdrag Handicap. Het onderhavigewetsvoorstel richt zich evenwel niet (primair) op jongeren uit het hbo enwo, ondanks dat dit wetsvoorstel wel mogelijkheden voor hen biedt.Verder verwijs ik naar het antwoord op uw vraag hiervoor.De leden van GroenLinks-PvdA zijn benieuwd welk afwegingskadergemeenten gebruiken om te besluiten of onderwijs al dan niet een optieis. Ziet de regering het risico dat dit in praktijk gaat leiden tot groteverschillen tussen gemeenten?De gemeenteraad moet op basis van artikel 8a van de Participatiewet eenverordening vaststellen met regels met betrekking tot het ondersteunenvan jongeren op grond van artikel 7a in de Participatiewet, waaronder deafweging of een jongere uit ’s Rijks kas bekostigd, voltijds initieelonderwijs kan volgen en of dit voor de jongere ook passend is. Is dit hetgeval dan is overdracht aan een onderwijsinstelling aan de orde. Op tweemanieren kunnen grote verschillen hierbij in de uitvoeringspraktijk vangemeenten worden voorkomen. Ten eerste stelt de VNG een modelveror-dening op, die door gemeenten wordt gebruikt bij het opstellen van deeigen verordening, waardoor grote onderlinge verschillen wordenvoorkomen. Ten tweede is de centrumgemeente als partner betrokken bijde totstandkoming van het regionaal programma, waarin samenwerkings-afspraken moeten worden opgenomen. Er is voor de gemeenten ruimtevoor lokale inkleuring bij de uitvoering van artikel 7a van de Participa-tiewet, maar veel of grote onderlinge verschillen kunnen onwenselijk zijn.Dit houdt de centrumgemeente in de gaten. In het Besluit van school naarduurzaam werk, dat 14 februari jl. in internetconsultatie is gegaan, wordende taken van de centrumgemeente nader uitgewerkt.16De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat het wetsvoorstel onderandere als doel heeft om de samenwerking tussen de gemeente, hetDoorstroompunt en de scholen te verbeteren en dat gemeenten voor hetondersteunen van jongeren extra financiële middelen krijgen. Deze ledenvinden dit een goede ontwikkeling omdat het doel van dit wetsvoorstel16https://www.internetconsultatie.nl/besluitduurzaamwerk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 622 naar hun inziens het beste gehaald kan worden door goed samen tewerken. Wel blijft het voor de leden soms wat vaag in hoeverre deMinister de partners gaat ondersteunen in het uitvoeren van deze nieuwetaken. Er is de nodige vrijheid als het aankomt op de samenwerking, watvolgens de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie goed is, want het is heelsituatieafhankelijk. Het vraagt echter wel om kennis. Op welke wijze gaatde samenwerking gestimuleerd worden en geborgd worden in dezenieuwe wet? Is er ook ruimte voor scholing? Deze leden kunnen zichvoorstellen dat daar vooral in de opstartfase van deze nieuwe werkwijzebehoefte aan is, maar lezen daar nu niets over terug.Om te zorgen dat in elke regio de samenwerking van de grond komt,wordt dit wettelijk verplicht. Daarbovenop wordt in de Subsidieregelingregionaal programma en Doorstroompunt 2026–2029 vastgelegd datpartijen in het regionaal programma afspraken moeten maken over desamenwerking. Dit is een voorwaarde voor toekenning van de subsidieaan de contactschool. Daarnaast worden regio’s ondersteund bij detotstandkoming van deze samenwerking, zoals aangekondigd in hetactieplan vsv.17 Deze ondersteuning bestaat onder meer uit regionalethemabijeenkomsten, webinars, het delen van relevante onderzoeksresul-taten en de mogelijkheid om regio’s met een vergelijkbare opgave vanelkaar te laten leren. Zo nodig is ook maatwerk per regio mogelijk.In antwoord op een eerdere vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, over de expertise die nodig is bij het verzorgen van loopbaanbege-leiding, is reeds benadrukt dat goed geschoold personeel belangrijk is omjongeren hier effectief in te ondersteunen. Nu mbo-instellingen met ditwetsvoorstel een structurele taak krijgen in de loopbaanbegeleiding ook inhet eerste jaar na het verlaten van de school, wordt het lonender voormbo-instellingen om te investeren in de deskundigheid en kennis vanuitvoerende professionals. In dat antwoord is ook ingegaan op demaatregelen die genomen worden om de vakkundigheid ten aanzien vanloopbaanbegeleiding te bevorderen.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie hebben er begrip voor dat deregering zo veel mogelijk probeert aan te sluiten bij bestaande structuren.Wel constateren deze leden dat er inmiddels zo veel organen bij betrokkenzijn dat het vaak al moeilijk genoeg is om de weg te vinden. Dat wordt ookduidelijk in het organogram. Heeft de regering bij het voorbereiden vandit wetsvoorstel ook gekeken naar mogelijkheden om het bestaandestelsel en bijbehorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden tevereenvoudigen?Er is bekeken of de gemeentelijke ondersteuning van jongeren in dezelfdewet vastgelegd kon worden. Het gaat hierbij om de gemeentelijkeDoorstroompuntfunctie en de ondersteuning van jongeren op basis vanartikel 7a van de Participatiewet. Dit zijn beiden gemeentelijke taken, maarvastgelegd in andere wetgeving. Hier is niet voor gekozen. Allereerstomdat in de praktijk gemeenten deze taken al kunnen onderbrengen bijdezelfde afdeling en de ondersteuning door dezelfde medewerkerskunnen laten uitvoeren. Door ervoor te zorgen dat het Doorstroompunt ende afdeling die de Participatiewet uitvoert de gegevens indien nodig aande ander kunnen verstrekken en verwerken, is geen overheveling nodig.Door in de WEB de taken van het Doorstroompunt apart te benoemen,wordt gewaarborgd dat er voldoende aandacht blijft voor het tegengaanvan voortijdig schoolverlaten, dat de kennis, competenties en het netwerkvan het Doorstroompunt behouden blijft, dat rekening wordt gehoudenmet de regio’s waar de taken van het Doorstroompunt regionaal zijn17Kamerstukken II 2023/2024, 26 695, nr. 143.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 623 georganiseerd en wordt er voorkomen dat de bestaande infrastructuurvoor het leveren van gegevens opnieuw moet worden ingericht.Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie in hoeverre ditwetsvoorstel en de structuren die opgebouwd worden zich verhouden totde hervorming arbeidsmarkinfrastructuur. Deze twee structuren lijken zichnu naast elkaar te ontwikkelen, terwijl er volgens deze leden een behoor-lijke mate van overlap is. Kan de regering reflecteren op hoe ditwetsvoorstel zich verhoudt tot de hervorming arbeidsmarktinfrastructuur?In het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk en het onderliggendeontwerpbesluit wordt geregeld dat de centrumgemeente van de arbeids-marktregio partner is bij de totstandkoming en uitvoering van hetregionale programma en hiertoe aansluit bij het regionaal bestuurlijkoverleg en een bijdrage levert aan de effectrapportage. Anderzijds moetde centrumgemeente op grond van de wet- en regelgeving SUWIafstemmen met UWV en sociale partners in de arbeidsmarktregio over dedienstverlening die daar geboden wordt voor onder meer het onder-steunen van jongeren naar werk. Dat betreft nu bijvoorbeeld dienstver-lening door het regionale werkgeversservicepunt, het regionale leerwerk-loket of het regionale mobiliteitsteam. Met de voorgenomen wijzigingenin de wet- en regelgeving SUWI in verband met de hervorming van dearbeidsmarktinfrastructuur,18 wordt de regionale dienstverleningondergebracht in het regionale Werkcentrum. Werkzoekenden, werkendenen werkgevers kunnen hier terecht voor vragen over werk, volgendeloopbaanstappen, (arbeidsmarktgerichte) scholing en personeelsvraag-stukken. Dit betekent dat in het Werkcentrum ook dienstverlening kanworden geboden aan jongeren. Daarnaast komt er een regionaal beraaddat een meerjarenagenda moet maken en uitvoeren. Hier nemen partijenaan deel die geen partner zijn in het regionaal programma van deDoorstroomregio, maar wel relevant zijn voor het ondersteunen vanjongeren. Denk bijvoorbeeld aan het UWV, met wie gemeenten afsprakenkunnen maken over het voortzetten van de ondersteuning van jongerenmet een werkloosheidsuitkering. Denk ook aan sociale partners, SBB envertegenwoordigers van het post-initiële onderwijs voor het maken vanafspraken over instroom en bijscholing van jongeren zonder startkwalifi-catie voor wie het behalen van een diploma in het voltijds initieelonderwijs (vooralsnog) niet mogelijk is. De centrumgemeente vormt deschakel tussen de partners in de Doorstroomregio en de partners in dearbeidsmarktregio en kan zo bijdragen aan onderlinge samenwerking enafstemming.Het Ministerie van SZW, de VNG en het Landelijke OndersteuningsteamRegionale Arbeidsmarkt faciliteren centrumgemeenten bij de invulling vanhun rol.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de regering hetbelangrijk vindt dat jongeren met meervoudige problematiek samenhan-gende ondersteuning krijgen op meerdere domeinen waarbij de jongerecentraal staat. De regering wil via een aantal andere wegen waarborgendat scholen en gemeenten de ondersteuning kunnen bieden voorjongeren met meervoudige problemen. Over welke andere wegen heeftde regering het dan? Heeft de regering het bijvoorbeeld over veelbelo-vende initiatieven zoals Bouwdepot? Is de regering bekend met hetinitiatief en zo ja, hoe kijkt de regering hiernaar? Op welke manier18Kamerstukken II 2023/24, 33 566, nr. 109. Kamerbrief hervorming arbeidsmarktinfrastructuurd.d. 29 april 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 624 stimuleert de regering dergelijke projecten en op welke manier laat deregering dit soort projecten passen binnen de kaders van de Participa-tiewet?Er zijn jongeren die extra ondersteuning nodig hebben, omdat zij tevenste maken hebben met problemen in andere domeinen. Ongeacht welkepartij (de school, het Doorstroompunt of de gemeente) nu aan zet is, is hetbelangrijk dat deze jongeren samenhangende ondersteuning krijgen,waarbij zij zelf centraal staan. Om dit te waarborgen is in de Ontwerpre-geling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029opgenomen dat laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning gebodenmoet worden voor jongeren die kampen met psychische, fysieke,financiële, criminele of andere problemen, met aandacht voor samen-werking met de domeinen zorg, inkomen en veiligheid.19 Als dit nodig isvoor een integrale ondersteuning kunnen gemeenten hierbij voortbor-duren op de regels die zij hebben opgenomen in hun verordening over desamenwerking binnen het gehele sociale domein, waartoe zij per 1 juli2023 zijn verplicht op grond van de Wet uitvoering breed offensief.De regering is bekend met het initiatief van het Bouwdepot. Het is positiefdat gemeenten naar manieren zoeken om jongeren in een kwetsbarepositie te ondersteunen, maar de hulp moet wel passen binnen de kadersvan de wet. Het Bouwdepot resulteert in een periodieke ontvangst vaneen geldbedrag van de overheid als algemene inkomensondersteuning enis daarmee inkomensbeleid. Het doorkruist het rijksinkomensbeleid.Binnen de kaders van de Participatiewet op basis van individueelmaatwerk zijn er mogelijkheden om alle jongeren in een kwetsbare positiete ondersteunen. In navolging van de toezegging van de StaatssecretarisParticipatie en Integratie aan het lid Dassen tijdens de Begrotingsbehan-deling SZW20 is het Ministerie van SZW in gesprek met aan hetBouwdepot deelnemende gemeenten over de mogelijkheden voorondersteuning van jongeren binnen de kaders van de wet.De leden van de VVD-fractie constateren dat een goede uitvoering vanonderhavig wetsvoorstel afhankelijk is van een aantal partijen, waaronderlokale overheden. Deze leden weten dat gemeenten positief hebbengereageerd op het wetsvoorstel maar tegelijkertijd hebben geadviseerdom nader te kijken naar een wettelijke basis om gegevens uit te wisselen.Zij onderschrijven de wenselijkheid van het kunnen uitwisselen vanpersoonsgegevens voor een effectieve samenwerking tussen gemeenten,scholen en Doorstroompunten. De leden van de VVD-fractie vragen deregering hier nader op te reflecteren. Zijn er gesprekken met gemeentengevoerd over deze gegevensuitwisseling? Is de regering van mening dater in het huidige wetsvoorstel voldoende tegemoet is gekomen aan dewensen dan wel zorgen van lokale overheden?De hoofdlijnen van dit wetsvoorstel zijn zeer uitgebreid besproken metscholen en gemeenten. Zo zijn er tien bijeenkomsten verspreid in het landgeorganiseerd waar in totaal meer dan 350 mensen aan hebben deelge-nomen. Gegevensdeling is al sinds de start van dit wetsvoorstel eenbelangrijk aandachtspunt. Scholen en gemeenten geven aan dat hetbelangrijk is dat duidelijk is welke gegevens uitgewisseld kunnen wordentussen scholen, gemeenten en Doorstroompunt. Het IBO jongeren met19Het Besluit van school naar duurzaam werk en de Regeling regionaal programma enDoorstroompuntfunctie 2026–2029 zijn van 14 februari tot 14 maart jl. samen voor consultatieopengesteld; https://www.internetconsultatie.nl/besluitduurzaamwerk.20Plenaire behandeling van het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2025 (36 600 XV) in deTweede Kamer, 28 november 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 625 (risico op) afstand tot de arbeidsmarkt uit 2019 raadt ook aan om«spiegelbepalingen» op te nemen, waarin expliciet en helder naar elkaarstaken en verantwoordelijkheden wordt verwezen.Deze wensen en aanbevelingen zijn opgevolgd in dit wetsvoorstel en opbasis van het advies van de Raad van State verder aangescherpt. Zowordt er geregeld dat:–Scholen gegevens delen met de gemeente indien de ondersteuningwordt voortgezet door de gemeente. Hierbij moet de school eenovergangsdocument gebruiken.–In de WEB wordt een grondslag gecreëerd voor verdere verwerkingvan persoonsgegevens van het gemeentelijke Doorstroompunt doorde afdeling binnen de gemeente die de Participatiewet uitvoert, indiendit noodzakelijk is. Andersom was dit al mogelijk.–Het gemeentelijke Doorstroompunt gegevens kan verwerken. Nu kandit voor jongeren tot 23 jaar oud, dat wordt tot 27 jaar.–Ook bijzondere persoonsgegevens kunnen worden verwerkt door hetDoorstroompunt indien dit relevant is voor de taak.De regering wil ook de knelpunten op het gebied van gegevensverwerkingbij de bredere aanpak van meervoudige problematiek in het sociaaldomein wegnemen. Het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematieksociaal domein ligt daarvoor bij uw Kamer.21 Dat wetsvoorstel zorgt vooreen wettelijk kader voor het verwerken van gegevens die nodig zijn om toteen gecoördineerde aanpak en samenwerking te komen voor mensen metmeervoudige problematiek in het sociaal domein.Om te zorgen dat scholen en gemeenten goed op de hoogte zijn van demogelijkheden en aandachtspunten bij gegevensuitwisseling, zal Ingradoop basis van dit wetsvoorstel het servicedocument «Delen van persoons-gegevens tussen onderwijs, zorg en arbeid» actualiseren.22 Daarnaastondersteunen OCW en SZW regio’s bij de implementatie van ditwetsvoorstel en het regionaal programma, waar het thema «samen-werking tussen organisaties» centraal staat. Hiermee is de regering vanmening dat voldoende tegemoet is gekomen aan de wensen dan welzorgen van lokale overheden.De leden van de VVD-fractie merken op dat werkgevers en bedrijven nietexpliciet voorkomen in de samenwerking tussen gemeenten, onderwijs-instellingen en Doorstroompunten. Deze leden zijn van mening dat hetook belangrijk is dat werkgevers betrokken worden bij een duurzaamwerkgelegenheidsbeleid. Kan de regering aangeven of en in hoeverrewerkgevers betrokken zijn bij het begeleiden van de in onderhavigwetsvoorstel beschreven doelgroep naar duurzaam werk? Zij vragen ookhoe werkgevers zich dan verhouden tot de samenwerkingsdriehoek vangemeenten, onderwijsinstellingen en Doorstroompunten.Zonder werkgevers kunnen jongeren niet duurzaam aan het werk komen.Werkgevers zijn essentieel bij de oriëntatie op werk, tijdens de opleidingdoor het bieden van stageplekken en leerbanen, voor de instroom in werken de eventueel benodigde bij- of omscholing tijdens het werk. Dearbeidsmarktregio is de plek waar afspraken over de rol van werkgeversgemaakt kunnen worden met sociale partners en desgewenst specifiekesectoren en waar dienstverlening aan werkgevers wordt geboden in hetregionaal Werkcentrum. De centrumgemeente vormt in de governance-21Kamerstukken 36 295.22https://ingrado.nl/kennisbank/items/delen-van-persoonsgegevens-tussen-onderwijs-en-zorg-met-arbeid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 626 structuren de schakel tussen de partners in de Doorstroomregio en departners in de arbeidsmarktregio en kan zo bijdragen aan afstemming.Verder verwijs ik naar het antwoord op pagina 24 en 25 op de vraag vande leden van de GroenLinks-PvdA fractie over hoe dit wetsvoorstel zichverhoudt tot de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur.De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat eraan scholen in het praktijkonderwijs met onderhavig wetsvoorstel eentaak wordt gegeven om leerlingen in het eerste jaar na het verlaten van deschool actieve nazorg te bieden. Deze leden vragen de regering waaromer voor één jaar nazorgplicht gekozen is en voorts hoe dit zich verhoudttot andere doelgroepen. Kan de regering aangeven in hoeverre hetuitlegbaar is dat één doelgroep langer nazorgondersteuning zouontvangen ten opzichte van andere groepen? Deelt de regering datwillekeur daarin niet wenselijk is?Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van hetverslag heeft de regering mede naar aanleiding van de vragen van deTweede Kamer over dit wetsvoorstel besloten om de duur van deaanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het pro en vso te verlengentot twee jaar na het verlaten van de school en om het bevoegd gezagdaarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb ik tegelijk met dezenota naar aanleiding van het verslag een nota van wijziging ingediend.De gemiddelde pro- en vso-leerling heeft veel langer onderwijs gevolgdop de desbetreffende school dan een student op het mbo doet. Datbetekent dat oud-leerlingen uit het pro en vso vaak een hechtere bandhebben met hun voormalige school en dat ze de weg terug naar dieschool gemakkelijker vinden. Omdat deze groep jongeren over hetalgemeen meer begeleiding nodig heeft bij het vinden van werk enminder gemakkelijk bij de gemeente aanklopt voor hulp, is het gerecht-vaardigd om het pro en vso enerzijds en het mbo anderzijds verschillendte behandelen. Signalen uit het veld onderstrepen dit.De leden van de VVD-fractie vragen tevens of het klopt dat de groeppro-leerlingen bij gemeenten terecht kan voor ondersteuning enbegeleiding naar werk na het jaar nazorg door de onderwijsinstelling.Klopt het dat dit een reguliere taak is van gemeenten?Met het wetsvoorstel wordt geregeld dat pro-, vso- en mbo-scholen naafloop van de aanvullende loopbaanbegeleiding desgewenst de jongereover kunnen dragen aan de gemeente voor ondersteuning bij arbeidsin-schakeling op grond van de Participatiewet. Ook wordt geregeld dat in hetregionaal programma dergelijke samenwerkingsafspraken moetenworden vastgelegd. Dat geldt eveneens voor het gebruik van hetovergangsdocument bij overdracht van de jongere door de school aan degemeente.Het klopt dat gemeenten op grond van de Participatiewet nu al de taakhebben om voormalige leerlingen uit het praktijkonderwijs te onder-steunen naar werk. Met het wetsvoorstel wordt aanvullend mogelijkgemaakt dat de gemeente al tijdens het onderwijs door de schoolbetrokken kan worden, om een soepele overgang naar werk te realiseren.Anderzijds heeft het gemeentelijke Doorstroompunt de wettelijke taak eenvangnet voor deze jongeren te vormen door hen na uitstroom van schoolin beeld te houden. En als zij onverhoopt hun baan verliezen en geenuitkering ontvangen, hen actief ondersteuning aan te bieden. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 627 doelgroep van het Doorstroompunt wordt met dit wetsvoorstel verruimdvan jongeren tot 23 jaar naar jongeren tot 27 jaar.De leden van de NSC-fractie lezen dat deelname van de student aanaanvullende loopbaanbegeleiding vrijwillig is. Scholen zijn weliswaarverplicht om de student (eenmalig) erop te attenderen dat ze een jaar langna diplomering aanspraak kunnen maken op extra loopbaanbegeleiding,maar het is aan de student zelf om dat ook daadwerkelijk wel of niet tedoen. Deze leden vragen daarom of het wetsvoorstel voldoende rekeninghoudt met het beperkte doenvermogen van de doelgroep.De leden van de NSC-fractie maken zich zorgen dat, bij het uitblijven vanlagere regelgeving en gezien het feit dat scholen vrij zijn slechts minimaleinvulling aan de nieuwe taakstelling te geven, er mogelijk een te grootberoep zal worden gedaan op het doenvermogen van de doelgroep.Louter het onder de aandacht brengen van de mogelijkheid tot aanvul-lende loopbaanbegeleiding schiet voor deze doelgroep wellicht tekort,vooral als de communicatie hierover door de school summier is enonvoldoende de doelgroep weet te bereiken; een scenario dat onvol-doende wordt uitgesloten door het voorstel zoals het er nu ligt. Ziet deregering dit risico en erkent zij dat het wetsvoorstel daarom misschien zoumoeten worden aangescherpt?Dit wetsvoorstel houdt rekening met het beperkte doenvermogen van veeljongeren met (een risico op) afstand tot de arbeidsmarkt. Dit wetsvoorstelbeoogt om vroegtijdig en proactief ondersteuning aan te bieden, zodateen jongere er niet alleen voor staat. Zo moet de school aanvullendeloopbaanbegeleiding aanbieden aan jongeren in het pro, vso, entree enmbo bol niveau 2. In het Besluit van school naar duurzaam werk wordtvastgelegd dat dit een persoonlijk en op de behoefte van de jongeregericht aanbod moet zijn. Om jongeren te bereiken en te motiveren voorbegeleiding, is aandacht voor de individuele behoefte van jongeren enmaatwerk heel belangrijk. Daarom laat dit wetsvoorstel veel vrijheid aanprofessionals in de wijze waarop hulp aangeboden wordt en hoe zijhiermee in kunnen spelen op wat de jongere nodig heeft. De regering zietnu geen reden om het wetsvoorstel aan te scherpen op dit punt. Het is welbelangrijk om de effectiviteit in de praktijk te monitoren. Daarom is deregering voornemens al in 2028 deze wet, het besluit en de regeling teevalueren. Op basis hiervan kan besloten worden de eisen aan tescherpen, bijvoorbeeld voor de invulling van de aanvullende loopbaanbe-geleiding.De leden van de NSC-fractie lezen dat het wenselijk is om de mogelijkheidtot een gesprek als minimale vereiste in de lagere regelgeving op tenemen. Kan de regering deze leden uitleggen waarom er niet voor isgekozen dit vereiste in het wetsvoorstel zelf op te nemen?In het wetsvoorstel is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur(amvb) nadere invulling kan worden gegeven aan de aanvullendeloopbaanbegeleiding. In het Besluit van school naar duurzaam werkworden scholen ertoe verplicht dat de aanvullende loopbaanbegeleidingin ieder geval bestaat uit een persoonlijke benadering van de jongere eneen op de behoefte van de jongere gericht aanbod. Dit gaat bijvoorbeeldom een gesprek, maar kan eventueel ook op andere wijze wordeningevuld door de school.Het voornemen is om in 2028 de werking van de wet, het besluit en deministeriële regeling te evalueren. Dit wordt bewust dan al gedaan zodatde uitkomsten van deze evaluatie gebruikt kunnen worden voor aanvangvan de volgende periode van het regionaal programma, die begin 2030Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 628 start. Ook kan blijken dat aanscherping van de invulling van aanvullendeloopbaanbegeleiding nodig is. Door de invulling van de aanvullendeloopbaanbegeleiding bij amvb te regelen, kan een dergelijke wijzigingsneller doorgevoerd worden en gelijktijdig ingaan met het nieuweregionale programma.Voor de leden van de NSC-fractie is het van groot belang dat onder-wijzend personeel voldoende inspraak heeft bij de totstandkoming vanbeleid, zeker wanneer deze een directe impact heeft op de onderwijs-praktijk. Deze leden lezen dat de betrokken partijen op regionaal niveauworden verplicht om afspraken te maken over de nadere invulling van deaanvullende loopbaanbegeleiding. Zij vragen hoe de besluitvorming inhet maken van deze afspraken eruitziet en hoe de inspraak hierbij van decontactschool geregeld is.De scholen moeten beleid opstellen over de invulling van aanvullendeloopbaanbegeleiding. Het gaat dan bijvoorbeeld over de wijze waaropstudenten worden benaderd, het aanbod dat beschikbaar is en derolverdeling binnen de instelling. De school kan hierin differentiëren opbasis van verschillen tussen opleidingen, onderwijsniveau, leerweg ofanderszins. In het pro en vso heeft de personeelsgeleding van demedezeggenschapsraad instemmingsrecht op dit beleid voor zover hetbetrekking heeft op de nascholing en de taakverdeling van het personeel(artikel 12 Wet medezeggenschap op scholen). In het mbo heeft deondernemingsraad adviesrecht op basis van artikel 25 van de Wet op deondernemingsraden, omdat er sprake is van een uitbreiding van de taakvan de instelling, het beleid invloed heeft op de bevoegdheden vanmedewerkers en mogelijk tot het groepsgewijs aannemen van mensen.Daar waar het beleid van de school raakt aan de samenwerking metgemeenten, is het belangrijk dat dit op elkaar is afgestemd. Dit gaatbijvoorbeeld over het betrekken van de gemeente bij de aanvullendeloopbaanbegeleiding of de overdracht door de school naar de gemeente.Daarom bevat het regionaal programma afspraken over de samenwerkingtussen de scholen en de gemeenten en het gebruik van het overgangsdo-cument. De contactschool wordt aangewezen door de v(s)o- enmbo-scholen in de regio en vertegenwoordigt de scholen in het regionalebestuurlijke overleg, waaraan ook de contactgemeente en de centrumge-meente deelnemen. Het is belangrijk dat de afspraken kunnen rekenen opsteun van medewerkers van de scholen.De leden van de D66-fractie zijn bezorgd als het gaat om de nazorg bij hetpro en vso. De regering kiest ervoor om enkel het eerste jaar van denazorg te bekostigen voor vso- en pro-scholen en scholen daar eenwettelijke taak voor te geven. Hoe reageert de regering op het verzoek vanpro-scholen zelf om ook het tweede jaar te bekostigen en hen daarbij tevoorzien in een wettelijke taak? De Sectorraad Praktijkonderwijs merktbovendien op dat in het tweede jaar na het uitstromen naar de arbeids-markt veel tijdelijke contracten aflopen en dat deze oud-leerlingen zichvaak wenden tot hun voormalige school in plaats van tot een gemeentedie de vaardigheden en situatie van de oud-leerling niet zodanig goedkent. Ook Ingrado stelt dat jongeren juist na een periode van twaalfmaanden uitvallen wegens de proeftijden van arbeidsovereenkomsten.Ziet de regering dat ook zo? En zo ja, waarom kiest de regering er dan nietvoor om begeleiding voor het tweede jaar vanuit de pro- of vso-school tefinancieren? Zeker gezien het kleine aandeel van de bekostiging voor hetpraktijkonderwijs in de totaalsom.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 629 Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van hetverslag heeft de regering mede naar aanleiding van uw vragen beslotenom de duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het proen vso te verlengen tot twee jaar na het verlaten van de school en om hetbevoegd gezag daarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb iktegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag een nota vanwijziging ingediend.Hoe reageert de regering bovendien op de kritiek van de SectorraadPraktijkonderwijs dat de notitie «Verkenning aanvullende loopbaanbege-leiding wetsvoorstel «Van school naar duurzaam werk»» vooral gebaseerdis op aannames en niet-representatief onderzoek? Kan de regering in hetbijzonder ingaan op de stelling dat deze notitie in te korte tijd is gemaakten er daarom volgens de onderzoekers meer onderzoek nodig is endaarnaast ingaan op de claim dat er maar met slechts vijf gemeenten endrie pro-scholen is gesproken?Een korte doorlooptijd van het onderzoek was belangrijk voor het veld.Langdurig onderzoek had namelijk automatisch een nog latere inwerking-tredingsdatum van het wetsvoorstel betekent. Dit heeft de nodigenegatieve consequenties voor scholen en gemeenten en is daarom zeeronwenselijk. De doorlooptijd van het onderzoek kon vooral ook kort zijndoordat er aangesloten kon worden bij een lopend onderzoek naar deinvulling van het overgangsdocument waarin alle gesprekken met eenrepresentatieve groep organisaties al gepland stonden. Omdat deonderzoekers met name de argumenten opgehaald hebben voor en tegeneen langere duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding, zou hetbetrekken van meer scholen, of een langere doorlooptijd van hetonderzoek, niet tot wezenlijk andere uitkomsten leiden, temeer omdat ookmet de landelijke sectorraden is gesproken die veel input van hunachterban hebben opgehaald. Ook speelt mee dat het onderzoek uitgaatvan een toekomstige situatie, namelijk na inwerkingtreding van hetwetsvoorstel. Dit is altijd lastig om te onderzoeken, omdat de effecten vaneen nieuwe situatie niet altijd vooraf goed in te schatten zijn. In deevaluatie, die uiterlijk in 2028 wordt uitgevoerd, zal nadrukkelijk bekekenworden of het wetsvoorstel leidt tot de gewenste resultaten en of met debeschikbaar gestelde middelen voor scholen, Doorstroompunten engemeenten de extra taken afdoende uitgevoerd kunnen worden.De leden van de CDA-fractie stellen dat, ondanks dat de arbeidsmarkt-kansen van jongeren uit het hbo of wo in zijn algemeenheid goed zijn, zijook ondersteuning nodig kunnen hebben van de gemeente om aan hetwerk te komen. Dan gaat het vooral om jongeren met een handicap of eenchronische ziekte. Daarom stelt de regering voor dat gemeenten in deParticipatiewet ook de mogelijkheid krijgen om studenten uit het hbo ofwo te begeleiden op verzoek van de student zelf. Deze leden lezen dit deelvan het voorstel als een «kan-bepaling»; begrijpen zij dit goed en zo ja,hoe moeten studenten met een lichamelijke handicap of chronische ziektehiervan weten? Hoe worden zij op de hoogte gebracht dat deze mogelijk-heden er zijn?Het aandeel jongeren uit het hbo en wo dat niet zelfstandig aan het werkkomt, is laag. Niet alleen hun opleidingsniveau draagt hieraan bij, maarook het doenvermorgen van deze jongeren is gemiddeld groter dan vanjongeren die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten. Van mensenmet een hbo of wo-diploma mag verwacht worden dat zij zelfstandig of opadvies van de onderwijsinstelling hun weg op de arbeidsmarkt kunnenvinden dan wel naar instanties die hen daarbij kunnen helpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 630 Hbo- en wo-instellingen zijn ook niet altijd gebaat bij het aangaan van eenstructurele samenwerkingsrelatie met gemeenten, waar dit wetsvoorstelvoor pro-, vso- en mbo-scholen nadrukkelijk wel op ziet. Voor theoretischopgeleiden is de plek waar je studeert, woont en gaat werken immersveelal een andere. Om voorgaande redenen maken deze onderwijs-instellingen van origine dan ook niet of nauwelijks onderdeel uit van deregionale samenwerking in de Doorstroompuntregio’s of de arbeidsmarkt-regio’s.Als gemeenten ervoor kiezen om ook jongeren te willen ondersteunen uithet ho en wo, dan kan dat op grond van het nieuwe artikel van deParticipatiewet. Ook kunnen Doorstroompuntregio’s in hun regionaalprogramma maatregelen nemen gericht op studenten uit het hbo of wo,als blijkt uit de regionale analyse dat hier aanleiding toe is. Tot nog toekon dit niet. Hierin kunnen dan ook afspraken worden gemaakt over dewijze waarop hbo en wo-studenten hierover worden geïnformeerd. Ookkunnen deze jongeren altijd terecht bij de regionale Werkcentra in dearbeidsmarktregio’s, die in het kader van de hervorming van de arbeids-marktinfrastructuur verder vorm en invulling krijgen, als zij een ondersteu-ningsvraag hebben bij het zoeken naar werk.De leden van de CDA-fractie lezen dat uit onderzoek volgt dat eenverandering van de regio-indeling op dit moment niet wenselijk is. In ditkader wordt erop gewezen dat de incongruente regio-indeling eerdergebruikt lijkt te worden als excuus waarom de samenwerking niet goedverloopt dan dat dit de werkelijke oorzaak is. Verbetering van de samen-werking betreft vooral de onderlinge communicatie. Ook het onderlingevertrouwen en de continuïteit van het personeel is in dit verband vanbelang. De Raad van State stelt echter, wat deze leden betreft terecht, devraag of de regio-indeling ook niet meespeelt. Deze leden denken echt datdit een onderdeel van het probleem is. Zij vragen de regering nog eensgoed naar dit onderdeel van de wet te kijken en hierop te reflecteren.De regio-indeling is door scholen, Doorstroompunten en gemeenten alvroeg bij de totstandkoming aangestipt als aandachtspunt voor deregionale samenwerking. Daarom hebben OCW en SZW onderzoek latenuitvoeren naar de regio-indeling. Dit rapport was nog niet beschikbaar ophet moment dat het wetsvoorstel voor advies aan de Afdeling adviseringvan de Raad van State is voorgelegd. Dat is de reden dat de Afdeling hierin haar advies een opmerking over heeft gemaakt. In het wetsvoorstelzoals dat aan uw Kamer is aangeboden, zijn de uitkomsten van hetonderzoek meegenomen.Onderzoeksbureau De Beleidsonderzoekers heeft uitgebreid gesprokenmet scholen, Doorstroompunten en gemeenten in acht zeer diverseregio’s.23 Het advies luidt dat het veranderen van de regio-indeling doorhet van bovenop opleggen van een andere regio-indeling op dit momentniet verstandig is. Zij geven aan dat het verstandiger is de regie over ditonderwerp aan de regio’s te laten. De meeste regio’s willen de indeling(nu) niet aanpassen, en als zij dit wel willen, kunnen zij zelf een verzoekdoen om de regio-indeling te wijzigen. Een niet congruente regio-indelingvan Doorstroompunt en arbeidsmarkt is ook geen belemmering ombinnen de huidige regio-indeling het wetsvoorstel uit te werken. Eenniet-overlappende regio-indelingen lijkt eerder gebruikt te worden alsexcuus waarom de samenwerking niet goed verloopt dan de oorzaakhiervan. De kwaliteit van de samenwerking hangt ook niet één op éénsamen met de mate van overlap van Doorstroompuntregio’s en arbeids-marktregio’s. Het gaat erom dat organisaties elkaar weten te vinden,23De Beleidsonderzoekers (2024), Onbegrensde samenwerking van school naar duurzaam werk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 631 ongeacht welke regio-indeling er is. Voor een jongere is de bereikbaarheidvan organisaties van belang, dit staat los van de regio-indeling. Ook speeltmee dat het opnieuw indelen van de regio’s betekent dat er dan nieuwesamenwerkingsverbanden moeten worden vormgegeven. Dit zorgt voorextra bestuurlijke drukte, en kost moeite en tijd. Dit leidt af van de taak omde maatregelen goed uit te werken. Regio’s stoppen hun tijd liever in hunregionale aanpak.Op basis van dit advies hebben OCW en SZW besloten nu geen herin-deling van de Doorstroompuntregio’s op te leggen. Wel kunnen regio’s inonderling overleg besluiten om een andere indeling te kiezen. Zij kunnendit aangeven bij OCW, waarna dit aangepast wordt in de ministeriëleregeling waarin de regio-indeling wordt vastgelegd.24 Drie regio’s hebbenmomenteel aangegeven hiervan gebruik te willen maken. In 2028 zal in deevaluatie van het wetsvoorstel bekeken worden of de samenwerking goedvan de grond is gekomen. Een door het Rijk opgelegde nieuwe indelingkan op basis hiervan alsnog doorgevoerd worden.De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering het verstandig entoelaatbaar vindt om scholen te verplichten ondersteuning te verlenenaan jongeren die niet meer staan ingeschreven. Deze leden vragen dittegen de achtergrond van de opvatting van de regering inzake debegeleiding van startende leraren, waarbij gesteld wordt dat het juridischgezien lastig is om verplichte begeleiding in de inductiefase te regelen.Op dit moment hebben mbo-instellingen geen wettelijke taak ten aanzienvan de ondersteuning van oud-studenten. Daarmee hebben ze nu ookgeen grondslag om een deel van hun bekostiging hieraan te besteden.Door ze in artikel 9.2.12 WEB wel die taak te geven, krijgt de jongere deondersteuning die nodig is in de belangrijke overgang van school naarwerk. Zonder wettelijke taak, stoppen scholen de begeleiding zodra dejongere het diploma haalt of de school heeft verlaten. Veel jongerenhebben juist dit diploma behaald door de begeleiding van de school. Zijweten vaak niet zelfstandig de weg te vinden naar de gemeente of andereinstantie die eventueel hulp kan bieden. Scholen kennen de jongeren algoed en weten wie extra ondersteuning nodig heeft, wat een belangrijkerandvoorwaarde is voor het succes van de begeleiding.De aanvullende loopbaanbegeleiding die scholen bieden kan, indiennodig, doorlopen na diplomering. Dit verschilt op twee wezenlijke puntenvan het door lerarenopleidingen begeleiden van beginnende leraren nauitstroom van de lerarenopleiding:–Jongeren die het onderwijs verlaten zonder werk, hebben geenwerkgever. Er is dus ook geen werkgever die verantwoordelijk is voorde begeleiding, zoals wel het geval is bij startende leraren.–Jongeren zonder werk hebben meestal niet zelf de financiële middelenof het doenvermogen om begeleiding in te kopen of de weg naar hulpte vinden. Dit leidt tot een onwenselijke situatie voor zowel de jongereals de maatschappij. Daarom is het gerechtvaardigd als overheid hiereen actievere rol in te pakken.Zij vragen ook waarom gemeenten niet een meer voor de hand liggendepartij zijn om deze verantwoordelijkheid te dragen.De doorslaggevende reden om aanvullende loopbaanbegeleiding tebeleggen bij de school is de bestaande band tussen de school en dejongere en het voorkomen van een overdracht in een kwetsbare transitie-periode. Voor de doelgroep waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft, is24Regeling regionaal programma en Doorstroompuntfunctie 2026–2029.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 632 een vertrouwd gezicht tijdens de transitiefase van school naar werk vangroot belang. Ook is de school beter in staat in te schatten welke leerlingof student aanvullende loopbaanbegeleiding nodig heeft en deze af testemmen op zijn behoefte. Veel pro- en vso-scholen hebben al jarengoede ervaringen opgedaan met het bieden van nazorg. Mbo-instellingendoen dit nu enkele jaren op basis van tijdelijke subsidieregelingen. Zijwillen deze taak graag structureel ter hand nemen.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om in te gaan ophoe de regering de verschillende partners die betrokken zijn bij deuitvoering gaat ondersteunen bij hun nieuwe taak, inclusief de uitbreidingvan de doelgroep met jongeren tot en met 27 jaar.Regio’s worden ondersteund bij de voorbereiding op dit wetsvoorstel ende totstandkoming van de regionale programma, zoals aangekondigd inhet actieplan vsv.25 Deze ondersteuning vanuit de Ministeries van OCW enSZW bestaat onder meer uit regionale themabijeenkomsten, webinars, hetdelen van relevante onderzoeksresultaten en leerbijeenkomsten waarinregio’s met een vergelijkbare opgave van elkaar leren. Zo nodig is ookmaatwerk per regio mogelijk. Alle informatie over het wetsvoorstel enveel gestelde vragen worden bijgehouden op de webpagina van hetwetsvoorstel.26De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat onderhavigwetsvoorstel, bijvoorbeeld op het gebied van doelgroep, raakvlakkenheeft met divers beleid en wetgeving dat meerdere ministeries beslaat.Daarbij denken deze leden bijvoorbeeld aan de hervorming arbeidsmarkt-infrastructuur en het actieplan vsv. Kan de regering een opsomminggeven van beleid en wetgeving waarbij ze raakvlakken ziet met onder-havig wetsvoorstel en hoe wil ze borgen dat dergelijke inzet elkaarversterkt in plaats van langs elkaar heen loopt?Jongeren kunnen te maken krijgen met veel verschillende situaties,organisaties en beleid. Dit kan afhangen van de onderwijssoort, onder-steuningsbehoefte, financiële positie, thuissituatie of woonplaats. De kernvan goede begeleiding is dat de behoefte en de situatie van de jongerecentraal staat en dat op basis hiervan wordt gekeken wat passend is bij desituatie. Vaak wordt de situatie van de jongere in kaart gebracht op basisvan de «Big 5»: wonen, inkomen, welzijn, school & werk en support.Het is belangrijk dat de ondersteuner van de school of de gemeente inbeeld heeft wat de situatie is, en waar knelpunten zijn om goed mee tedoen op school of op de werkvloer. Eventueel kunnen andere organisatiesworden betrokken bij de ondersteuning. Goede kennis van de lokalesociale kaart is daarom van belang, zodat tijdig geschakeld kan wordenmet de benodigde expertise.Gezien de breedte en diversiteit van de vraagtukken is het niet mogelijkom een allesomvattend overzicht te geven, maar dit wetsvoorstel en delagere regelgeving leggen de verbinding met de belangrijkste domeinendie van invloed zijn om te zorgen dat jongeren onderwijs volgen of aanhet werk zijn. Zo moeten in het regionaal programma afspraken wordengemaakt over laagdrempelige en toegankelijke ondersteuning voorjongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele ofandere problemen, met aandacht voor samenwerking met de domeinenzorg, inkomen en veiligheid. Veel regio’s kiezen er bijvoorbeeld voor omhulpverlening, jongerenwerkers of andere externe ondersteuning op de25Kamerstukken II 2023/2024, 26 695, nr. 143.26https://www.samenvoordeklant.nl/dossier/wetsvoorstel-van-school-naar-duurzaam-werk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 633 school te organiseren. In dit regionaal programma kunnen regio’s,aanvullend op bestaande taken, maatregelen opnemen om jongerenintegraal te ondersteunen.Ook vormt de centrumgemeente de schakel tussen de partners in deDoorstroompuntregio en de partners in de arbeidsmarktregio en kan zobijdragen aan onderlinge samenwerking en afstemming. De rol van decentrumgemeente bij de totstandkoming en uitvoering van het regionaalprogramma wordt expliciet vastgelegd in het wetsvoorstel en het Besluitvan school naar duurzaam werk. In het kader van de hervorming van dearbeidsmarktinfrastructuur wordt de regionale dienstverlening onderge-bracht in het regionale Werkcentrum. Werkzoekenden, werkenden enwerkgevers kunnen hier terecht voor vragen over werk, volgendeloopbaanstappen, (arbeidsmarktgerichte) scholing en personeelsvraag-stukken. Dit betekent dat in het Werkcentrum ook dienstverlening kanworden geboden aan jongeren. Daarnaast komt er een regionaal beraaddat een meerjarenagenda moet maken en uitvoeren. Hier nemen partijenaan deel die geen partner zijn in het regionaal programma van deDoorstroomregio, maar wel relevant zijn voor het ondersteunen vanjongeren, denk bijvoorbeeld aan het UWV, waarmee gemeenten afsprakenkunnen maken over het voortzetten van de ondersteuning van jongerenmet een werkloosheidsuitkering. Denk ook aan sociale partners, SBB envertegenwoordigers van het post-initiële onderwijs voor het maken vanafspraken over bijscholing van jongeren zonder startkwalificatie, voor wiehet behalen van een diploma in het voltijds initieel onderwijs (vooralsnog)niet mogelijk is. Dit wetsvoorstel en de lagere regelgeving zijn eenbelangrijk onderdeel van het actieplan vsv, waarover ik uw Kamer onlangsheb geïnformeerd.27De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te reflecterenop onder andere de inbreng van de pro-vso-scholen en Ingrado, dieaangeven dat het gewenst is dat de scholen voor praktijkonderwijs tweejaar na uitstroom loopbaanbegeleiding mogen bieden in plaats van enkelhet eerste jaar. Waarom heeft de regering hier niet voor gekozen en meentze dat doorverwijzing naar de gemeente een beter idee zou zijn? De ledenvan de ChristenUnie-fractie vragen de regering tevens waarompro-scholen niet worden bekostigd voor de doorverwijzing naargemeenten. Welke tijdsinvestering gaat dit vragen van de scholen?Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van hetverslag heeft de regering mede naar aanleiding van uw vragen beslotenom de duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het proen vso te verlengen tot twee jaar na het verlaten van de school en om hetbevoegd gezag daarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb iktegelijk met deze nota naar aanleiding van het verslag een nota vanwijziging ingediend.5. Gevolgen De leden van de VVD-fractie onderschrijven zeer het belang van eenduurzame plek op de arbeidsmarkt en moedigen een doorlopende aanpakvoor jongeren tot 27 jaar aan. Deze leden stellen vast dat veel ROC’s alaanpakken en initiatieven hebben lopen op leven lang ontwikkelen endaarmee een bestaande infrastructuur hebben van oud-studenten. Zijvragen de regering of zij dat ook ziet en op welke manier deze reedsbestaande initiatieven aansluiten op de extra loopbaanbegeleiding dievoortkomt uit onderhavig wetsvoorstel.27Kamerbrief «Voortgang actieplan voortijdig schoolverlaten», d.d. 24 maart 2025; Kamer-stukken II 2024/25, 26 695, nr. 145.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 634 Voor sommige jongeren die uitstromen naar de arbeidsmarkt enaanvullende loopbaanbegeleiding ontvangen, is het halen van eenstartkwalificatie in een reguliere opleiding niet haalbaar of passend. Ditgeldt bijvoorbeeld voor veel jongeren die uitstromen uit het pro, vso ende entreeopleiding. Een directe terugkeer naar het reguliere onderwijs isvoor sommige vsv’ers een te grote stap. Ook kan het zijn dat jongeren weleen mbo-diploma hebben behaald, maar zich willen om- of bijscholen ineen sector met betere arbeidsmarktkansen.Het is belangrijk dat deze jongeren zich blijven ontwikkelen en meervaardigheden opdoen, waarmee zij hun arbeidsmarktpositie verbeteren.Dat kan door een deel van een mbo-opleiding in de derde leerweg tevolgen en die af te ronden met een mbo-certificaat of een praktijkver-klaring. Door een deel van een mbo-opleiding in de praktijk te volgen,krijgen jongeren de kans om zich stapsgewijs te ontwikkelen en wellichtop termijn alsnog een mbo-diploma te behalen. Opleidingen gericht ophet halen van een mbo-verklaring of praktijkverklaring hebben ook eenplek in de zogeheten sectorale ontwikkelpaden. Deze sectorale ontwikkel-paden bevatten laagdrempelige in- en opstapfuncties in maatschappelijkcruciale sectoren en brengen in beeld welke opleidingen hiervoor gevolgdkunnen worden. Hierdoor wordt het gemakkelijker om in- of door testromen in een sector of over te stappen tussen sectoren.28 Juist voorjongeren zonder startkwalificatie voor wie het halen van een mbo-diploma(nog) een brug te ver is, biedt dit een mooie kans om zich verder teontwikkelen en hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren.Om te zorgen dat scholen en gemeenten ook het aanbod voor leven langontwikkelen (LLO) benutten, wordt het in de nieuwe regionaleprogramma’s verplicht om afspraken te maken over het stimuleren vanduurzame arbeidsinschakeling van jongeren zonder startkwalificatie.Hiermee kunnen zij zich tijdens hun baan verder ontwikkelen via hetpraktijkleren in het mbo of een praktijkgerichte non-formele opleiding meteen branchewaardering, zoals opgenomen in de sectorale ontwikkel-paden. De centrumgemeente heeft een belangrijke rol bij de verbindingtussen de partners in het regionaal programma, en de partners in dearbeidsmarktregio. De Ministeries van SZW en OCW zullen deze samen-werking de komende maanden faciliteren samen met de vertegenwoor-digers van scholen, Doorstroompunten, gemeenten en andere partners.Bij de leden van de NSC-fractie wordt de suggestie gewekt dat hetwetsvoorstel ertoe zal leiden dat «professionals binnen de mbo-instellingin gesprek gaan met jongeren in de laatste fase van de opleiding over demogelijkheden en wensen met betrekking tot de overstap naar vervolgon-derwijs of werk». Deze leden zien hiervoor echter geen juridische basis inhet wetsvoorstel. Kan de regering nader toelichten waarom dit gesprekeen gevolg zal zijn van (naleving van) het wetsvoorstel?In het wetsvoorstel staat dat bij algemene maatregel van bestuur nadereinvulling kan worden gegeven aan de aanvullende loopbaanbegeleiding.29In het Besluit van school naar duurzaam werk zullen scholen ertoe wordenverplicht dat de aanvullende loopbaanbegeleiding in ieder geval te latenbestaan uit een persoonlijke benadering van de jongere en een op debehoefte van de jongere gericht aanbod. Dit gaat bijvoorbeeld om eengesprek, maar kan eventueel ook op andere wijze worden ingevuld doorde school.28Meer informatie over sectorale ontwikkelpaden is te vinden op de websitehttps://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hervormingen-arbeidsmarkt/meer-geschikt-personeel-en-blijven-ontwikkelen-tijdens-werk.29Artikel 9.2.12, zesde lid, WEB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 635 Een andere suggestie die wordt gewekt bij de leden van de NSC-fractie isdat de mbo-instellingen bij het aanbieden van de aanvullende loopbaan-begeleiding risicogericht te werk zouden moeten gaan («Een tijdige enadequate signalering van mbo-studenten met een hoger risico op eenafstand tot de arbeidsmarkt, is hiervan een belangrijk onderdeel.»). Ookdit lijkt niet als zodanig een vanzelfsprekend gevolg van het wetsvoorstel.Kan de regering dit nader toelichten?De mbo-instelling moet in ieder geval aanvullende loopbaanbegeleidingaanbieden aan alle studenten en gediplomeerden van de entreeopleidingen bol niveau 2. Hierin heeft de mbo-instelling geen keuze, omdat juist bijdeze studenten het risico op werkloosheid relatief groot is.Tevens kan de mbo-instelling aanvullende loopbaanbegeleiding biedenaan studenten en gediplomeerden uit de bbl niveau 2 en studenten opniveau 3 en 4. Ongeveer 90% van deze studenten lukt het om zelfstandigaan het werk te komen. Het is daarom niet nodig of doelmatig datmbo-instellingen aan al deze studenten aanvullende loopbaanbegeleidingbieden, zoals bij entree en bol niveau 2. Om de jongeren te bereiken diewel begeleiding nodig hebben, is een tijdige en adequate signaleringnodig van jongeren met een hoger risico op afstand tot de arbeidsmarkt.Het is aan de mbo-instelling om in het beleid te beschrijven hoe dit vormwordt gegeven. Gedacht kan worden aan studenten met een extraondersteuningsbehoefte, een taalachterstand, een moeilijke thuissituatie,een opleiding waar de kansen op werk matig zijn of studenten die moeitehadden met de stage.6. Gevolgen voor de regeldruk De leden van de NSC-fractie lezen dat het onderhavige wetsvoorstel voormbo-instellingen en pro- en vso-scholen zal leiden tot een toename in deregeldruk. Is de regering het ermee eens dat het voorkomen van eenverdere toename van de werkdruk op scholen op dit moment de hoogsteprioriteit heeft? Zo ja, kan zij voor deze leden inzichtelijk maken waaromde regering de toename van de regeldruk die dit wetsvoorstel tot gevolgheeft toch acceptabel acht?Het is belangrijk dat zoveel mogelijk mensen gediplomeerd en duurzaamaan het werk gaan. Dit is positief voor de jongere, maar levert ookvakmensen op die bijdragen aan de toekomst van Nederland. Uitonderzoek blijkt dat gericht investeren in jongeren veel meer oplevert danhet kost. Niet alleen omdat jongeren productiever zijn, maar ook omdat zijdan veel minder vaak gebruik maken van sociale voorzieningen.Scholen kennen hun leerlingen en studenten vaak al jaren. Er is vaak eenvertrouwensband waardoor de school met relatief weinig extra inzet perjongere het verschil kan maken tussen een succesvolle stap naar werk, ofthuis komen te zitten zonder werk. Hoe langer een jongere thuis zit zonderonderwijs of werk, hoe moeilijker het wordt om hem weer in beweging tekrijgen. Dit vergt veel inspanningen van bijvoorbeeld gemeenten,jongerenwerkers en zorgorganisaties. Door de begeleiding naar werk al testarten op school, wordt veel inspanning later voorkomen. De instellingenzijn positief dat zij een wettelijke taak en budget krijgen om jongeren goednaar de arbeidsmarkt te begeleiden, ondanks dat dit extra inspanningenvergt. Scholen bouwen voort op hun huidige aanpak ten aanzien vannazorg. De loopbaanbegeleiding op de scholen wordt in de meestegevallen niet door docenten maar door gespecialiseerde begeleidersgedaan, die bijvoorbeeld veel ervaring hebben in de begeleiding bijstages. Ook zorgen we dat scholen al tijdens het onderwijs gemeentenkunnen betrekken, als er intensieve(re) ondersteuning nodig is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 636 Opgemerkt moet worden dat scholen in veel gevallen al begeleidingbieden op basis van de (tijdelijke) Aanpak Jeugdwerkloosheid. Daaromzijn de mensen die deze taak gaan uitvoeren veelal al hiermee bezig. Hetwetsvoorstel geeft hen structurele zekerheid, in plaats van een tijdelijketaak, zoals nu.De leden van de NSC-fractie lezen dat het wetsvoorstel ook mogelijkelders een afname van de regeldruk tot gevolg heeft doordat het nietmeer nodig zal zijn subsidie aan te vragen voor het uitvoeren van deSubsidieregeling. Kan de regering een inschatting geven, desnoods opbasis van verschillende mogelijke scenario’s, welke invloed dezemogelijke afname zou hebben op de totale van de met dit wetsvoorstelverwachtte toename van de regeldruk?In de huidige Subsidieregeling nazorg mbo 2022/2025 is de regeldruk voormbo-instellingen geraamd op jaarlijks € 180.000. Het gaat hier met nameom het doen van de jaarlijkse subsidieaanvraag en de verantwoordinghierover. Deze regeldrukkosten vervallen omdat de nazorg onderdeelwordt van de aanvullende loopbaanbegeleiding voor mbo-instellingen, debekostiging plaatsvindt via de lumpsum en geen subsidieaanvraag meergedaan hoeft te worden. Daarnaast scheelt dit ongeveer € 90.000 per jaaraan uitvoeringskosten van DUS-I, de organisatie die namens OCW zorgtvoor het beheer en betaling van deze subsidieregeling.In de memorie van toelichting lezen de leden van de NSC-fractie dat hetwetsvoorstel tot een intensievere samenwerking moet leiden tussenscholen, Doorstroompunt en gemeenten. Er zal dus ook meer overlegtussen deze instanties moeten plaatsvinden, iets waarvoor deze ledenaanwijzingen zien in de memorie van toelichting. Deze overleggen lijkenniet te worden genoemd in de beschrijving van de verwachte regeldruk inde memorie van toelichting. De leden willen graag van de regering wetenin welke mate deze intensievere samenwerking inderdaad zal leiden totmeer overleg en vergaderingen en of hiermee rekening is gehouden in hetbepalen van de verwachte toename van de regeldruk.Op de regeldrukeffecten van het wetsvoorstel zelf wordt reeds ingegaan inparagraaf 9 van de memorie van toelichting. Daar zit de regeldruk vanbovengenoemde overleggen inderdaad nog niet bij. Momenteel wordenin regio’s al regionale vsv-programma’s gemaakt.30 Het klopt dat deverplichte en intensievere samenwerking uit dit wetsvoorstel tot extraregeldruk leidt. Omdat deze verplichtingen worden uitgewerkt in deRegeling regionaal programma en Doorstroompunt 2026–2029 zal in detoelichting bij die regeling nader op de bijbehorende regeldrukeffectenworden ingegaan. Hieronder volgt een indicatie daarvan.De totstandkoming van het regionaal programma kost aanvullende inzetvan de contactschool ten opzichte van de subsidieaanvraag in de Regelingregionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2025. Dit komt doordatdeze regeling aanvullende eisen stelt aan het regionaal programma. Hetgaat hierbij specifiek om de afspraken die gemaakt moeten worden metde contactgemeente van de Doorstroompuntregio en de centrumge-meente(n) van de arbeidsmarktregio(’s). Daarbij moeten de gesteldemaatregelen voldoen aan de voorwaarden. De geraamde eenmaligetijdsinvestering per contactschool is 100 uur. Met 40 contactscholen en opbasis van een tarief van € 54,– per uur, kost dit incidenteel € 216.000.30Op grond van de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2020–2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 637 Tijdens de looptijd van het regionaal programma verantwoordt decontactschool de voortgang op het regionaal programma. Aanvullend isin deze regeling opgenomen dat ingegaan wordt op de voortgang van deafspraken en een gesprek met OCW plaats kan vinden. De andereverantwoordingseisen zijn al onderdeel van de Regeling regionale aanpakvoortijdig schoolverlaten 2020–2025. De extra inzet kost per contactschooljaarlijks 15 uur. Op basis van 40 contactscholen en € 54 per uur, is deextra structurele regeldruk € 32.400. Zowel de kosten van de incidenteleals die van de structurele regeldruk worden bekostigd uit het beschikbarebudget uit het regionaal programma voor de contactschool.7. Uitvoering en doenvermogen De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat de regering vindt datdit wetsvoorstel rekening houdt met het beperkte doenvermogen van veeljongeren met (een risico op) afstand tot de arbeidsmarkt. De regeringschrijft echter ook dat uit de probleemanalyse van het wetsvoorstel blijktdat jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt vaak niet de weg wetente vinden naar hulp of de juiste instanties en dat zij zich lang niet altijd zelfmelden met problemen. Deze leden vragen hoe deze laatste constateringsamengaat met de keuze van deze regering om het tweede jaar nazorgvoor pro- en vso-leerlingen reactief vorm te geven. Is het niet juist zo datdeze groep jongeren proactief benaderd moet worden, ook in het tweedejaar, omdat zij zichzelf lang niet altijd melden met problemen?Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van hetverslag heeft de regering mede naar aanleiding van uw vragen beslotenom de duur van de aanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het proen vso te verlengen tot twee jaar na het verlaten van de school en om hetbevoegd gezag daarvoor budget beschikbaar te stellen. In het tweede jaarhoeft het bevoegd gezag van de pro- of vso-school dus niet meer af tewachten tot de oud-leerling zelf om hulp vraagt, maar kan proactiefloopbaanbegeleiding aangeboden worden.De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader in te gaan op de rolvan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in loopbaanbege-leiding en te duiden hoe deze rol zich verhoudt tot de extra loopbaanbege-leiding die voortvloeit uit onderhavig wetsvoorstel.Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) heeft geenspecifieke taak en speelt geen specifieke rol bij loopbaanbegeleiding vanjongeren van school naar werk. Jongeren kunnen zich wél – net als andereburgers – bij een Werkcentrum melden voor algemeen advies over hunloopbaan-, scholings- en ontwikkelmogelijkheden in relatie totbeschikbare vacatures op de arbeidsmarkt. Als onderdeel van deversterking van de arbeidsmarktinfrastructuur richten het UWV engemeenten regionale Werkcentra in waarin zij informatie en adviesverstrekken over arbeidsmarktdienstverlening en eventueel (door)ver-wijzen naar deze dienstverlening. Het UWV heeft daarnaast een wettelijkere-integratietaak bij de ondersteuning van jongeren met eenwerkloosheids-, ziektewet- of arbeidsongeschiktheidsuitkering naarduurzaam passend werk. Mocht in dat kader meer intensieve loopbaanbe-geleiding nodig zijn, dan kan het UWV deze aanbieden vanuit de eigenUWV-dienstverlening. Deze taken staan los van de aanvullende loopbaan-begeleiding die een school kan bieden.De leden van de NSC-fractie merken op dat hier niets staat over hetdoenvermogen van de scholen die de aanvullende loopbaanbegeleidingmoeten gaan uitvoeren. Kan de regering uitleggen waarom dit zo is? Is erzicht op het doenvermogen van de scholen? Zouden scholen over hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 638 algemeen voldoende in staat zijn om dit wetsvoorstel ten uitvoer tebrengen?De meeste pro- en vso-scholen bieden al begeleiding naar werk, waarbijwel de intensiteit van die begeleiding tussen scholen sterk wisselt. Hetmbo biedt als onderdeel van de tijdelijke Aanpak Jeugdwerkloosheid nuextra begeleiding en nazorg. De scholen zijn dus bekend met het biedenvan begeleiding naar werk. Sommige scholen zullen wel meer moetengaan doen. Doordat het een wettelijke en structurele taak wordt, wordt hetvoor scholen echter gemakkelijker om hier structureel op in te zetten. Hetgaat hierbij bijvoorbeeld om het opleiden van medewerkers en hetaanpassen van werkprocessen en ICT-systemen.De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering stelt dat ditwetsvoorstel professionals veel ruimte biedt om maatwerk toe te kunnenpassen, zodat zij beter in kunnen spelen op de situatie en de behoefte vande individuele jongere. Deze leden delen dit uitgangspunt, want juist dezejongeren hebben meer maatwerk nodig. Onderhavig wetsvoorstel biedthier ook tal van mogelijkheden voor. De leden vragen wel of de wet in depraktijk zo zal worden toegepast. Hoe gaat de regering bevorderen dat ermaatwerk wordt geboden? Worden jongeren in praktijk gevolgd of ervoldoende maatwerk wordt aangeboden, zeker gezien de (beperkte)zelfredzaamheid van deze groep jongeren? Vindt de regering dat zij nogmeer kan doen om «de jongere» centraal te zetten? Zo ja, waar denkt deregering dan aan?In het Besluit van school naar duurzaam werk zal worden vastgelegd dathet aanbod van aanvullende loopbaanbegeleiding dient te bestaat uit eenpersoonlijke benadering en een op de behoefte van de jongere gerichtaanbod. Dit borgt dat scholen per jongere bekijken wat nodig is en eenaanbod bieden dat past bij de jongere. Ook is er voor gekozen om eenaanzienlijk deel van de middelen aanvullend op de reguliere taken teverstrekken voor het regionaal programma en hierin juist niet in schottente denken, zodat regio’s juist maatregelen kunnen nemen die inspelen opde behoefte van de jongere met een hoog risico op schooluitval ofjeugdwerkloosheid. In de ministeriële regeling die hoort bij ditwetsvoorstel, zal worden vastgelegd dat scholen en gemeenten jongerenmoeten betrekken bij het regionaal programma, zodat het aanbod beteraansluit op de behoefte van jongeren. Het opleiden van professionals iserg belangrijk om te stimuleren dat er maatwerk wordt geboden. Tervoorbereiding op deze wet en het nieuwe regionale programma, is in 2025€ 6,8 miljoen extra beschikbaar gesteld aan regio’s waarmeemedewerkers kunnen worden geschoold. Dit is ook een verplicht themawaar scholen en gemeenten afspraken over moeten maken. Tenslotteondersteunen OCW en SZW de regio’s bij invoering van de wet. Hierbij zalblijvend aandacht worden besteed aan de visie in het wetsvoorstel dat ermaatwerk nodig is voor jongeren en dat dit in de aanpak van scholen engemeenten een prominente plaats moet krijgen.8. Toezicht en handhaving De leden van de NSC-fractie begrijpen dat de Inspectie va het Onderwijs(hierna: de inspectie) verantwoordelijk zal zijn voor het toezicht op denaleving van het wetsvoorstel. Het is bij deze leden bekend dat deinspectie in de regel risicogericht te werk gaat. Mocht de naleving van hetwetsvoorstel in de praktijk tekort blijken te schieten, dan zal het corrige-rende toezicht daarop naar verwachting dus vooral gedreven worden doorvan buiten aangereikte signalen dat scholieren onvoldoende aanvullendeloopbaanbegeleiding krijgen. De leden vragen vanuit wie deze signalen deinspectie zullen bereiken, aangezien juist het doenvermogen van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 639 betrokken jongeren beperkt is. De leden van de NSC-fractie maken zichzorgen dat deze jongeren onvoldoende aan de bel zullen trekken wanneerzij het idee hebben onvoldoende aanvullende begeleiding te krijgen en,het wetsvoorstel ten spijt, alsnog onder de radar blijven. Erkent deregering dit risico? Ziet zij mogelijkheden zo nodig te sturen op de aanpakvan het toezicht door de inspectie?Het is inderdaad een risico dat sommige scholen zich onvoldoende zulleninspannen om de jongeren die het nodig hebben, ondersteuning tebieden. Dit is een risico bij alle wettelijke taken die scholen hebben, maarwe hebben er vertrouwen in dat scholen deze taak zullen oppakken. Omdit risico te beperken, wordt in het Besluit van school naar duurzaam werkvastgelegd dat het aanbod van aanvullende loopbaanbegeleiding bestaatuit een persoonlijke benadering en een op de behoefte van de jongeregericht aanbod. Dit maakt het voor de inspectie gemakkelijker contro-leerbaar of een instelling dit aanbod heeft gedaan. Een andere manierwaarop scholen worden gestimuleerd om te leveren, zijn de verplichteafspraken die zij moeten maken in het regionaal programma. Scholenmoeten afspraken maken met gemeenten en het Doorstroompunt. Als eenschool geen of onvoldoende actie onderneemt, zullen deze ketenpartnersdit opmerken. Bijvoorbeeld doordat de school de gemeente niet vroeg-tijdig betrekt of omdat jongeren vertellen over hun ervaringen op schoolaan de gemeente of het Doorstroompunt. Deze partners kunnen eensignaal geven aan de inspectie. Tenslotte wordt de samenwerking en hetresultaat niet alleen door het Rijk gevolgd, maar ook besproken in deregionale bestuurlijke overleggen. Jaarlijks wordt het landelijkedashboard geactualiseerd, waarin per regio en per school de resultatenworden uitgesplitst, zoals op het vsv-dashboard.31 Dit geeft een stokachter de deur om te sturen op de resultaten.9. Financiële gevolgen De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen in het financiële overzichtdat de Contactgemeente Doorstroompunt de financiële middelen viaspecifieke uitkeringen (spuks) zullen ontvangen. Deze leden vinden datopvallend, omdat in het hoofdlijnenakkoord van dit kabinet is besloten datspuks naar het gemeentefonds worden overgeheveld met een budget-korting van 10%. Ook in de beslisnota’s die bij dit wetsvoorstel zijnmeegestuurd wordt over dit dilemma gesproken. Lezen de leden het goeddat ondanks het hoofdlijnenakkoord toch besloten is om een deel van ditwetsvoorstel te financieren via spuks? Is het voornemen rondom de spuksuit het hoofdlijnenakkoord teruggedraaid? Kan de regering hierop ingaan?Zal er op de spuks voor dit wetsvoorstel wel of niet een budgetkorting van10% plaatsvinden?In het regeerprogramma is opgenomen dat spuks zoveel mogelijk wordenovergeheveld naar het gemeentefonds. De ministerraad heeft op11 november jl. besloten dat een uitzondering wordt gemaakt voor despuk voor de contactgemeente in dit wetsvoorstel, waarmee deze spukblijft bestaan. De eerder beoogde nieuwe spuk voor de coördinatie van decentrumgemeente van de arbeidsmarktregio is omgezet naar eendecentralisatie-uitkering. Op basis van het hoofdlijnenakkoord is eenkorting van 10% toegepast op de spuk voor de contactgemeente. Dezekorting is volledig ten laste gekomen van het budget voor het regionaalprogramma, zodat niet gekort hoeft te worden op de wettelijke taak vanhet gemeentelijke Doorstroompunt.31https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/dashboardvsvopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 640 Het budget voor de contactgemeente voor het regionaal programmastijgt, ondanks de budgetkorting van 10% op de spuk aan de contactge-meente, nog steeds van € 19,2 naar € 48,2 miljoen. Zonder de budget-korting zou dit bedrag € 11,3 miljoen hoger zijn geweest. Er zitten geenresultaatverplichtingen direct vast aan het budget voor de contactge-meente voor het regionaal programma, behalve dat er een gezamenlijkregionaal programma komt. De budgetkorting leidt daardoor weliswaartot minder inzet voor jongeren, maar leidt er niet toe dat bepaaldeverplichtingen niet goed meer uitgevoerd kunnen worden door medeover-heden.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie lezen dat er op basis van hetamendement De Hoop/Westerveld € 2 miljoen beschikbaar is gesteld voornetwerkcoördinatoren pro en vso die in de arbeidsmarktregio’s deverbinding leggen tussen de pro- en vso-scholen enerzijds en vervolgon-derwijs, gemeenten, zorgorganisaties en andere relevante partijenanderzijds. Het amendement liep destijds vooruit op het structureelborgen van dit budget. Hoe staat het daarmee?Het budget voor de netwerkcoördinatoren, dat met het amendement vande leden De Hoop en Westerveld (GroenLinks-PvdA)32 in de begrotingvoor het jaar 2023 incidenteel was vastgelegd, is in de eerste suppletoirebegroting in 2023 structureel gemaakt. De huidige subsidie aan deSectorraad Gespecialiseerd Onderwijs, op grond waarvan op dit momentde netwerkcoördinatoren worden bekostigd voor het pro en vso, loopt tot1 augustus 2026. Een passende manier van bekostiging vanaf dat momentwordt de komende periode uitgewerkt.De leden van de NSC-fractie ontvangen signalen dat de financiering vande aanvullende begeleiding voor pro-scholen zal worden beperkt tot eenjaar na diplomering en dat de nazorgplicht in het tweede jaar financieelongedekt blijft. Kan de regering zeggen of dit juist is? Zo ja, acht deregering dit gerechtvaardigd en waarom? De leden van de NSC-fractievragen of de regering van oordeel is dat het afschuiven van een wettelijketaak op scholen zonder daar middelen tegenover te stellen een voorbeeldis van eerlijk en evenwichtig beleid, vooral gezien de kwetsbare positievan praktijkschoolleerlingen die juist in het tweede jaar extra begeleidingnodig hebben om duurzaam aan het werk te blijven.Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota naar aanleiding van hetverslag heeft de regering mede naar aanleiding van de vragen van deTweede Kamer over dit wetsvoorstel besloten om de duur van deaanvullende loopbaanbegeleiding (nazorg) in het pro en vso te verlengentot twee jaar na het verlaten van de school en om het bevoegd gezagdaarvoor budget beschikbaar te stellen. Daartoe heb ik tegelijk met dezenota naar aanleiding van het verslag een nota van wijziging ingediend.Wettelijke gezien kent het pro nu geen taak en bekostiging om te voorzienin aanvullende loopbaanbegeleiding, al wordt deze taak maatschappelijkwel al jaren gevoeld. De scholen worden in dit wetsvoorstel bekostigdvoor de taak om loopbaanbegeleiding aan te bieden. Met de genoemdenota van wijziging worden er ook in het tweede jaar na het verlaten vande school middelen beschikbaar gesteld voor loopbaanbegeleiding.De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om de uitvoerbaarheid bijgemeenten. Deze leden vinden het goed dat er financiering wordtvrijgemaakt, maar zien wel dat gemeenten een intensieve taak krijgen,terwijl gelijktijdig het ravijnjaar optreedt met een tekort van € 2,6 miljard32Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VIII, nr. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 641 en de regering ervoor kiest om een bezuiniging van tien procent te heffenop specifieke uitkeringen. Deze leden merken op dat deze regering weigertiets aan het ravijnjaar te doen en bovendien de situatie verergert met eenkorting op specifieke uitkeringen. Hoe ziet de regering deze samenloopvan dit wetsvoorstel met het ravijnjaar? Acht de regering alle, ook minderkapitaalkrachtige, gemeenten in Nederland voldoende in staat omuitvoering te geven aan het wetsvoorstel? Bovendien merken de leden opdat er bij twee taken in het wetsvoorstel gebruik wordt gemaakt van eenspecifieke uitkering. Hoe verhoudt dat zich tot de ambitie van dezeregering om juist in 2026 afscheid te nemen van specifieke uitkeringen enis de regering voornemens om ook in dit geval een korting van 10% teheffen zoals bij andere specifieke uitkeringen?In dit wetsvoorstel zitten een aantal budgetten voor gemeenten die zijngebaseerd op de verwachte omvang van de taak. Een groot deel van hetbudget wordt met een spuk verstrekt aan de contactgemeente.In het regeerprogramma is opgenomen dat spuk’s zoveel mogelijk zullenworden overgeheveld naar het gemeentefonds, tenzij de ministerraadanders besluit. Over het proces van omzetting is uw Kamer door deMinister van Binnenlandse Zaken bij brief van 4 oktober 2024 geïnfor-meerd.33 De ministerraad heeft er op 11 november jl. mee ingestemd dateen uitzondering wordt gemaakt voor de specifieke uitkering aan decontactgemeente in dit wetsvoorstel, waarmee deze blijft bestaan. Opbasis van het hoofdlijnenakkoord is wel een 10% korting toegepast opdeze spuk. Deze korting komt volledig ten laste van het beschikbarebudget voor het regionaal programma, zodat niet gekort hoeft te wordenop de wettelijke taak van het gemeentelijke Doorstroompunt.Het budget voor de contactgemeente voor het regionaal programmastijgt, ondanks de budgetkorting van 10% op de specifieke uitkering aande contactgemeente, nog steeds van € 19,2 naar € 48,2 miljoen. Zonderde budgetkorting zou dit bedrag € 11,3 miljoen hoger zijn geweest. Erzitten geen resultaatverplichtingen direct vast aan het budget voor decontactgemeente voor het regionaal programma, behalve dat er eengezamenlijk regionaal programma komt. De budgetkorting leidt daardoorweliswaar tot minder inzet voor jongeren, maar leidt er niet toe datbepaalde verplichtingen niet goed meer uitgevoerd kunnen worden doorgemeenten. Doordat het budget via een specifieke uitkering wordtverstrekt, wordt geborgd dat contactgemeenten het geld besteden aan hetbeoogde doel.De eerder beoogde nieuwe spuk voor de coördinatie van de centrumge-meente van de arbeidsmarktregio is omgezet naar een decentralisatie-uitkering. Dit budget blijft gelijk aan het budget dat centrumgemeenten toten met 2025 ontvingen in het kader van de Aanpak Jeugdwerkloosheid.Tenslotte ontvangen individuele gemeenten extra budget voor deuitvoering van de taken uit artikel 7a van de Participatiewet. Dit wordt meteen decentralisatie-uitkering verstrekt aan individuele gemeente.Gemeenten hebben de autonomie om eigen afwegingen te maken over dewijze waarop zij invulling geven aan de uitvoering van artikel 7a van deParticipatiewet.Bovendien vragen de leden van de D66-fractie naar de keuze om demiddelen voor loopbaanbegeleiding voor mbo-instellingen via delumpsum te verstrekken en op welke wijze navolgbaar gaat zijn hoe dezemiddelen besteed zijn en of de gestelde doelen behaald worden.33Kamerstukken II 2024/25, 36 600 B, nr. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 642 Aanvullende loopbaanbegeleiding wordt een wettelijke taak van het mbo.Wettelijke taken worden in beginsel bekostigd via de lumpsum. Hierdoorkunnen mbo-instellingen zelf keuzes maken in de wijze waarop zij de taakuitvoeren en kunnen zij deze taak onderdeel maken van de regulierebegeleidingsprocessen. Ook kunnen ICT-systemen hierop aangepastworden. Het met een subsidie verstrekken van middelen voor eenstructurele taak, is niet passend en onwenselijk. Het geeft instellingen veelminder ruimte om een eigen invulling te geven van hun taak en zou leidentot veel meer administratieve lasten. Als budget wordt verstrekt met delumpsum, is het belangrijk om wel kaders in wet en regelgeving mee tegeven. Dit wordt gedaan in dit wetsvoorstel en het Besluit van school naarduurzaam werk. Het beleid dat mbo-instellingen moeten maken, wordtook afgestemd met de partners in het regionaal programma.OCW en SZW willen, samen met de regio’s, vooral sturen op de resul-taten. Hiervoor wordt een «NEET-dashboard» gemaakt, waarin zichtbaarwordt hoeveel jongeren er geen werk of onderwijs hebben in een regio enper mbo-instelling. Op deze wijze wordt al jaren het aantal nieuwevoortijdig schoolverlaters inzichtelijk gemaakt via het vsv-dashboard.34Ook wordt samen met ECBO en de mbo-instellingen gewerkt aan eenlandelijke loopbaanmonitor waarin cohorten studenten na het verlatenvan de instelling worden gevolgd om te zien of ze aan het werk komen.Mbo-instellingen kunnen inzicht krijgen in de uitstroom per opleiding,zodat zij hun aanvullende loopbaanbegeleiding kunnen richten op deopleidingen waar de kans op werk relatief laag is. Uiterlijk in 2028 wordtde wet en de lagere regelgeving geëvalueerd, en zal worden bezien ofmbo-instellingen zich voldoende inspannen. Op basis van deze evaluatieis het mogelijk om de eisen voor de aanvullende loopbaanbegeleiding inhet Besluit van school naar duurzaam werk aan te scherpen.De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering inzet op eenuitbreiding van taken van scholen en gemeenten op het moment dat doorbezuinigingen juist noodzaak bestaat tot meer focus op kerntaken. Dezeleden wijzen erop dat inmiddels ook voor de beoogde taken een korting isingeboekt. Is dit voorstel op dit moment passend gelet op de uitdagingenwaar gemeenten en scholen voor staan?Dit wetsvoorstel pakt een structureel probleem aan. Het is belangrijk datzoveel mogelijk mensen gediplomeerd en duurzaam aan het werk gaan.Dit is positief voor de jongeren, maar levert ook vakmensen op diebijdragen aan de toekomst van Nederland. Uit onderzoek blijkt dat gerichtinvesteren in jongeren veel meer oplevert dan het kost. Niet alleen omdatjongeren productiever zijn, maar ook omdat zij dan veel minder vaakgebruik maken van sociale voorzieningen.Scholen kennen hun leerlingen en studenten vaak al jaren. Er is vaak eenvertrouwensband waardoor de school met relatief weinig extra inzet perjongere het verschil kan maken tussen een succesvolle stap naar werk, ofthuis komen te zitten zonder werk. Hoe langer een jongere thuis zit zonderonderwijs of werk, hoe moeilijker het wordt om hem weer in beweging tekrijgen en des te meer inspanningen van bijvoorbeeld gemeenten,jongerenwerkers en zorgorganisaties dit vergt. Door de begeleiding naarwerk al te starten op school, wordt veel inzet later voorkomen.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins34https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/dashboardvsvopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 667, nr. 643

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 64e62d9d6769c317

14 okt 2026 · 267f811e26a875af

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.