KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening “Blind voor mens en recht” (Kamerstuk 35867)

5 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 3610610263b87bc5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202435 867Parlementaire enquête fraudebeleid endienstverleningNr. 8 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 5 april 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de parlementaire enquêtecommissieFraudebeleid en Dienstverlening over het rapport van 26 februari 2024«Blind voor mens en recht» (Kamerstuk 35 867, nr. 6).De parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverleningheeft deze vragen beantwoord bij brief van 5 april 2024. Vragen enantwoorden, voorzien van een erratum en een verduidelijking ten aanzienvan hoofdstuk 7 van het rapport, zijn hierna afgedrukt.De fungerend voorzitter van de commissie,L. de JongDe griffier van de commissie,Post kst-35867-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 81 1. Erratum: Voorafgaand aan de beantwoording informeert de parlementaireenquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening u dat in het redactie-proces bij haar rapport «Blind voor mens en recht» d.d. 26 februari 2024een tweetal omissies zijn opgetreden, te weten:Blz. 317 – van het KamerstukOp deze pagina staat:*«Eerste Kamerlid Scholten (PvdA)»Dit moet zijn:*«Eerste Kamerlid Scholten (D66)»Blz. 433, bijlage E (nr. 72) – van het KamerstukOp deze pagina staat:*E. (Ellen) Pasman – Advocaat in kinderopvangtoeslag en socialezekerheidsrechtenrechtszaken (1987–heden).Dit moet zijn:*E. (Ellen) Pasman – Advocaat, gespecialiseerde rechtsgebieden:bestuursrecht, arbeidsrecht en onrechtmatige overheidsdaad(1987–heden). Tevens auteur van het boek «Kafka in de rechtsstaat»(2021).Blz. 451 – van het KamerstukBronnenlijst bijlage L – toevoegen:*E. (Ellen) Pasman (2021). Kafka in de rechtsstaat.2. Verduidelijking Daarnaast wenst de commissie het volgende te verduidelijken.In hoofdstuk 7 van het rapport wordt in meerdere casussen gesprokenover CAF dan wel het CAF Team. De commissie wenst te verduidelijkenwat zij daarmee bedoelt omdat dit zowel smal te interpreteren is alsbreder te lezen. De commissie bedoelt daar waar CAF of het CAF Teamwordt genoemd de fraudeaanpak van facilitators zoals ingezet onder hetMT-fraudebestrijding en de werkwijze daarbij zoals uitgevoerd door allebetrokkenen. Hierbij gaat het om de manier waarop daarbij persoonsge-gevens worden uitgewisseld en gekoppeld door verschillende onderdelenvan de Belastingdienst in de keten van de fraudeaanpak. Specifiek hetverrijken van fraudesignalen met bijzondere persoonsgegeven waarondernamen, adressen en (tweede) nationaliteit in sommige gevallen. Debevinding die de commissie in haar rapport doet, is dat gegevens binnende Belastingdienst vrijelijk werden uitgewisseld en gebruikt zonderbewustzijn over het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.De geconstateerde redactionele omissies en verduidelijking rondom hetCAF hebben geen gevolgen voor de inhoud van het rapport van decommissie.3. Beantwoording vragen 1Heeft de commissie kunnen constateren dat betrokkenen bewust of zelfsopzettelijk gebruik hebben gemaakt van het gegeven nationaliteit omonderscheid te maken in risicogericht werken? Zo ja, heeft de commissiekunnen achterhalen waarom ambtenaren dit bewuste onderscheidhebben gemaakt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 82 De parlementaire enquêtecommissie fraudebeleid en dienstverlening(hierna: commissie) heeft geen onderzoek gedaan naar de intenties vanbetrokkenen en de bevindingen van het onderzoek kunnen hierover dusook geen uitsluitsel geven.2Kan de commissie een overzicht geven per genoemde aanbeveling uit hetrapport over in hoeverre er na de onderzoeksperiode al invulling isgegeven aan de genoemde aanbevelingen? Staan er aanbevelingen in hetrapport die (deels) al worden uitgevoerd? En zo ja, kan de commissieaangeven hoe de uitvoering van de aanbevelingen is vormgegeven?Bij het formuleren van de aanbevelingen heeft de commissie zich ophoofdlijnen laten informeren over de stand van zaken van de onder-werpen waarop de aanbevelingen betrekking hebben. Diepgravendonderzoek (zoals het vorderen van documenten of schriftelijke inlich-tingen) heeft de commissie niet uitgevoerd – logischerwijs valt de situatiena de onderzoeksperiode buiten de scope van het onderzoek van decommissie. De aanbevelingen van de commissie sluiten wel aan oplopende discussies en/of (verbeter)trajecten. In een brief naar aanleidingvan het rapport van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderop-vangtoeslag (aftreden van kabinet-Rutte III) wordt de inzet van hetdemissionaire kabinet beschreven rondom de toeslagen (herstel envoorkomen dat het weer gebeurt) (Kamerstuk II 2020/21, 35 510, nr. 4). Indie brief wordt bijvoorbeeld ook ingegaan op het afschaffen van hettoeslagenstelsel, versterken van de dienstverlening van de overheid (Werkaan Uitvoering), voorkomen van discriminatie en gebruik van het gegevennationaliteit. De aanbevelingen van de commissie sluiten hierbij aan enspecificeren deze nader op bijvoorbeeld urgentie van de doorvoering(toeslagenstelsel) en inzet op kwaliteiten en vaardigheden van ambte-naren (diverse teams en meer kennis van de rechtsstatelijke rol).3In hoeverre vindt de commissie dat de manier waarop slachtoffers van dein het rapport beschreven schendingen van mensenrechten gecompen-seerd en gerehabiliteerd worden passend en recht doen aan dewaarborging van een goed rechtsherstel?De commissie heeft onderzoek gedaan naar de vraag hoe kan wordenverklaard dat de wijze waarop de overheid fraude bestrijdt, heeft geleid tottekortschietende dienstverlening aan en rechtsbescherming van burgers.De commissie heeft onder meer geconcludeerd dat hierbij grondrechtenvan mensen zijn geschonden en de rechtsstaat terzijde is geschoven. Decompensatie van individuele burgers als gevolg van de hersteloperatiekinderopvangtoeslag maakt geen onderdeel uit van het onderzoek van decommissie. Die operatie is onderdeel van het lopende dossier dat door devaste Kamercommissie voor Financiën wordt behandeld.De commissie constateert wel dat het compenseren van mensen nietgoed loopt en tot veel onvrede en wantrouwen leidt. Dat helpt allerminstbij het herstel van vertrouwen in de betrouwbaarheid van de overheid.4Welke manieren ziet de commissie hoe de betrokkenheid van maatschap-pelijke organisaties en belanghebbenden bij de uitvoering van hetgewenst beleid dat voortvloeit uit het rapport «Blind voor mens en recht»gestimuleerd en versterkt kan worden?De commissie heeft zich in zijn aanbevelingen vooral gericht op de«hoeders van de rechtsstaat»: de wetgever (Kamerleden en regering), deuitvoering (bewindspersonen en ambtenaren) en de rechtspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 83 (rechters). Zij zijn aan zet om de aanbevelingen uit te voeren. Daarmeebedoelt de commissie niet dat geen sprake zou hoeven zijn van betrok-kenheid van belanghebbenden zoals burgers en maatschappelijkeorganisaties bij de uitvoering van de aanbevelingen. Om geluiden uit desamenleving beter door te laten werken in het gewenste beleid beveelt decommissie aan meer te werken met divers samengestelde teams metsensitiviteit voor verschillende culturen, leefsituaties en financiëleomstandigheden en via personeelsbeleid, werving en selectie enleiderschap te stimuleren dat ambtenaren zich bewust zijn van hunrechtsstatelijke rol.Verder verwijst de commissie hier ook naar de antwoorden op vragen 6en 56, waarin respectievelijk wordt ingegaan op de rol van burgers engedupeerden bij het monitoren van de uitvoering van de aanbevelingenen de rol van ervaringsdeskundigen bij de totstandkoming en uitvoeringvan wetten en beleid.5Welke maatregelen kan de regering nemen volgens de commissie om deintegriteit en ethiek binnen de overheid te bevorderen en belangenver-strengeling te voorkomen, zoals ook aanbevolen is?De commissie heeft onder meer aanbevolen om te zorgen voor eensterkere rechtsstaat, waarin grondrechten worden gerespecteerd enrechtsstatelijk wordt gehandeld, voor een overheid die altijd oog heeftvoor mensen, en voor een overheid met een menselijk gezicht. Deregering kan volgens de commissie onder meer de volgende maatregelennemen:–hervorming van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de mensuitdrukkelijk centraal staat bij al het handelen van de overheid;–in de uitvoering en rechtspraak vaker gebruik maken van de «drin-gende reden», zodat schrijnende gevallen worden voorkomen;–toespitsing van wetten op de praktijksituatie van mensen in plaats vaneen tekentafelwerkelijkheid. Dit kan worden bereikt door veel meer tewerken met divers samengestelde teams met sensitiviteit voorverschillende culturen, leefsituaties en financiële omstandigheden vanmensen;–bewustwording bij ambtenaren van hun rechtsstatelijke rol: zij moetenervoor zorgen dat de overheid zich aan haar eigen regels houdt. Ditzijn kerncompetenties van hun handelen en deze moeten als zodanigook tot uiting komen in het personeelsbeleid, werving en selectie enleiderschap.6Op welke manier zou volgens de commissie de rol van de burgers enslachtoffers van mensenrechtenschendingen kunnen worden versterkt bijhet monitoren van de uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport«Blind voor mens en recht»?Met dit rapport, en de aanbevelingen in het bijzonder, ligt er een zwareverantwoordelijkheid bij de Tweede Kamer om hier serieus mee aan deslag te gaan, zodat een nieuw grondrechtenschandaal wordt voorkomen.De commissie kan zich voorstellen dat de Tweede Kamer bij hetmonitoren van de uitvoering van de aanbevelingen uit het rapport een rolziet weggelegd voor burgers en slachtoffers van mensenrechtenschen-dingen. Het is aan de Kamer om daar, in samenspraak met burgers enslachtoffers, een nadere invulling aan te geven.7Werd de maximale boete van 100% van het benadelingsbedrag altijdtoegepast? hoe vaak werd er vanaf geweken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 84 Nee. Vanaf de invoering van de Fraudewet (1 januari 2013) tot deuitspraak van de Centrale Raad van Beroep (24 november 2014) werd erstandaard een maximum boete van 100% gegeven die alleen kon wordenverminderd als er sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Decriteria om dit toe te passen waren erg beperkt, waardoor de maximumboete vaak werd opgelegd. De commissie heeft geen overzicht van hoevaak hiervan werd afgeweken, omdat niet alle uitvoeringsorganisatiesonderdeel waren van het onderzoek.Na de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep moet de hoogte van deboete in alle gevallen worden afgestemd op de ernst van de overtreding,de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval.Hiermee vervalt de standaard maximum boete van 100%.8Is er een uitputtende lijst van kleine foutjes?De commissie heeft geen uitputtende lijst van kleine foutjes opgesteld.Wel is zij in haar onderzoek verschillende voorbeelden van kleine foutjestegengekomen, die hebben geleid tot het volledig terugvorderen van dekinderopvangtoeslag:–een verkeerd ingevulde geboortedatum;–een foutje in de duur van de overeenkomst;–een foutief uurtarief voor de opvang;–een fout in het totaal aantal uren opvang;–een fout in de bemiddelingskosten;–het ontbreken van de naam van het kind;–het ontbreken van het adres van het kind;–het ontbreken van de handtekening van de ouder;–het niet volledig kunnen aantonen van de betaling.Daarnaast verwijst de commissie naar de verklaring van een UWVgedupeerde in Bijlage B van het rapport. Deze gedupeerde werd door hetUWV beboet, omdat hij informatie niet op de juiste wijze aan het UWVhad doorgegeven.9Kan per toeslag worden uitgewerkt welke omstandigheden ervoorzorgden dat deze toeslagen nodig waren, en welke beleidsopties destijdsbediscussieerd werden?De commissie heeft, gezien de breedte van haar onderzoeksopdracht,keuzes moeten maken over de onderwerpen waar zij zich al dan niet inging verdiepen en de diepgang daarin (zie paragraaf 1.2 en 10.4).De commissie heeft zich in haar onderzoek dan ook beperkt tot de analysevan de invoering van de Wet Kinderopvang, waarmee de kinderopvang-toeslag werd geïntroduceerd en de Algemene wet inkomensafhankelijkeregelingen (Awir), de kaderwet die de inkomensafhankelijke regelingenstroomlijnde op het gebied van zorg, kinderen en wonen: de zorgtoeslag,huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, en het kindgebonden budget. Zij heeftgeen onderzoek gedaan naar de omstandigheden rondom de invoeringvan de zorgtoeslag, huurtoeslag en kindgebonden budget.De Wet Kinderopvang, waarin de kinderopvangtoeslag wordt geregeld isvanaf 2002 in voorbereiding onder het kabinet-Kok II en wordt ingevoerdop 1 januari 2005 onder kabinet-Balkenende II. Het doel van de wet is hetvergemakkelijken van de combinatie werk en zorg/ouderschap (arbeids-participatie), onder andere door de financiële toegankelijkheid van opvangte garanderen. Deze financiële toegankelijkheid is geregeld met dekinderopvangtoeslag: een inkomensafhankelijke toeslag die ouders van deoverheid ontvangen voor de kosten van de opvang van kinderen. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 85 kosten voor kinderopvang worden daarnaast gefinancierd door dewerkgever en ouders zelf.Met de invoering van de Wko wordt kinderopvang de verantwoorde-lijkheid van de rijksoverheid in plaats van de gemeenten en de wet gaatuit van de bekostiging van het kinderopvanggebruik door drie partijen:ouders, overheid en werkgevers. In de memorie van toelichting van dewet wordt in hoofdstuk 1 de achtergronden en historische context van dewet omschreven (Kamerstuk II 2001/02, 28 477, nr. 3). Daarnaast verwijstde commissie naar haar literatuurlijst waarin diverse Kamerstukken staandie hier op ingaan.10Wat hebben de toeslagen die beschreven zijn in het rapport gedaan metde marginale druk op een modaal verdienende Nederlander?Hier heeft de commissie geen onderzoek naar gedaan. Zoals in hetantwoord op vraag 9 staat heeft de commissie keuzes moeten maken overde onderwerpen waar zij zich al dan niet in ging verdiepen en de diepgangdaarin.Informatie over marginale druk is onder meer terug te vinden in debijlagen die jaarlijks worden meegestuurd bij het Belastingplan.Ook in de literatuurlijst van het rapport Blind voor mens en recht staandiverse Kamerstukken die hierop ingaan, zoals Kamerstuk II 2006/07,29 764, nr. 48. Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid inzake aanbieding van het rapport «De armoedeval, een nieuwekijk op een oud probleem» en interdepartementale beleidsonderzoekenwaarin inkomenseffecten van verschillende opties beschreven staan.11In hoeverre geldt de beschreven complexiteit van het belastingsysteemook voor andere systemen binnen de overheid?De commissie herkent de onderliggende patronen die leiden totcomplexiteit, ook overheidsbreed, maar zij heeft daar zelf geen onderzoeknaar gedaan.In het rapport van de commissie wordt bijvoorbeeld in paragraaf 5.3.7 welaangegeven dat naast het belastingsysteem ook het sociale zekerheids-systeem complex is (p.179).12Zou een vermindering van het aantal regels de complexiteit in processenzoals het aanvragen van toeslagen kunnen verminderen?De commissie heeft hier zelf geen onderzoek naar gedaan, maar in haarrapport worden in paragraaf 4.2.6 wel verschillende rapporten aangehaalddie pleiten voor vereenvoudiging van regelgeving.Zie bijvoorbeeld het rapport «Klem tussen balie en beleid» van de tijdelijkcommissie Uitvoeringsorganisaties (TCU) (Kamerstuk II 2020/21, 35 387,nr. 2) en de verschillende onderzoeken die het kabinet heeft uitgevoerdnaar het toeslagenstelsel en het sociale zekerheidsstelsel, zoals interde-partementale beleidsonderzoeken (bijvoorbeeld Kamerstuk II 2019/20,31 066, nr. 540 en Kamerstuk II 2022/23, 29 362, nr. 328).13In het rapport lazen we dat veel toeslagen een cruciale inkomstenbron zijnvoor de burgers die moeilijk rondkomen, wordt in Nederland die groephet vaakst geconfronteerd met complexe systemen, of speelt de confron-tatie met de complexiteit van het systeem in alle lagen van de bevolking?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 86 De confrontatie met de complexiteit van het toeslagensysteem ofbijvoorbeeld het sociale zekerheidssysteem speelt in alle lagen van debevolking, maar mensen die moeilijk rond kunnen komen zijn ook diegenedie vaak afhankelijk zijn van de overheid, van uitkeringen en toeslagen enworden dus ook relatief vaker geconfronteerd met de uitvoering vancomplex beleid.De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) stelt in haarrapport «Weten is nog geen doen» uit 2017 dat de overheid vanuit eenmeer realistisch perspectief naar burgers moet kijken. Uitgangspunt is datde burger de wet niet alleen moet kennen, maar ook moet «kunnen».14Zou het betrekken van uitvoerders die zo dicht mogelijk bij de uitvoeringvan een wet staan helpen bij het gedegen kunnen uitvoeren van eenuitvoeringstoets?De commissie constateert dat uitvoeringstoetsen niet altijd serieusworden genomen. De commissie is dit op verschillende momententegengekomen, zoals in paragraaf 4.5.3 bij het Boetebesluit waar UWV ineen kritische uitvoeringtoets onder andere wijst op het op het feit dat voorhet opleggen van een boete in de fraudewet zowel objectieve alssubjectieve verwijtbaarheid moet worden vastgesteld, waarbij criteriavoor deze laatste ontbreekt (p.143). Daarmee wordt vervolgens niksgedaan met als gevolg dat UWV de wet strikt gaat uitvoeren.De tijdelijk commissie Uitvoeringsorganisaties (TCU) (Kamerstuk II2020/21, 35 387, nr. 2) gaat hier ook uitvoerig op in, in haar rapport Klemtussen balie en beleid». Zie bijvoorbeeld op p. 122: «Als signalen hetdepartement wel bereiken, worden die niet altijd serieus genomen. Ditspeelt onder meer bij de «mitsen» die uitvoeringsorganisaties inuitvoeringstoetsen opnemen. Als zo’n organisatie concludeert dat eenbepaalde maatregel uitvoerbaar is, mits aan een aantal voorwaarden isvoldaan, komt het nogal eens voor dat de «mits» uit beeld verdwijnt in dewens de Tweede Kamer of de bewindspersoon ter wille te zijn. Alleen de«ja» blijft dan over.»Bovendien geeft de TCU bij haar conclusies aan dat niet alle uitvoerings-toetsen aangeboden worden aan de Kamer en de toetsen die wel wordenaangeboden, verschillen in vorm en diepgang. «Ook stellen de toetsen deuitvoerbaarheid van wet- en regelgeving soms rooskleuriger voor danprofessionals deze op de werkvloer ervaren. De TCU constateert dat soms«vergroening» van informatie plaatsvindt: een maatregel die volgens dewerkvloer niet of lastig uitvoerbaar is (rode of oranje vlag) kleurt steedsgroener naarmate die maatregel op een hoger niveau binnen de organi-satie wordt beoordeeld. Informatie verwerven over de vraag of burgers uitde voeten kunnen met wet- en regelgeving staat bij uitvoeringsorgani-saties veelal nog in de kinderschoenen. Daardoor heeft de Kamer beperktinzicht in de mate waarin voorgenomen wet- en regelgeving rekeninghoudt met het doenvermogen van burgers. Tot slot is het belangrijk op temerken dat de Kamer zelf ook informatie kan verwerven over de uitvoer-baarheid van wet- en regelgeving, maar dit niet standaard doet. De Kamerkan bijvoorbeeld technische briefings, rondetafelgesprekken, hoorzit-tingen of werkbezoeken organiseren.» (zie p. 148, Kamerstuk II 2020/21,35 387, nr. 2).Ook de Kamer zelf kan bijdragen aan goede wetten. De commissieverwijst daarvoor naar «Werken aan wetten: praktische handreikingwetgevingskwaliteit voor Kamerleden» die is opgesteld door de rappor-teurs wetgevingskwaliteit van de commissie Justitie en Veiligheid (JenV),de leden Sneller en Van der Staaij.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 87 15Waarom hebben jullie ervoor gekozen om het rapport «Blind voor mensen recht» niet te beginnen met een hoofdstuk genaamd «effect opmensenlevens» wat ingaat op de uitwerking van het gehandhaafde beleidop echte mensen?Er is steeds beter zicht op wat zich heeft afgespeeld bij de Kinderopvang-toeslag, en wat het effect op mensenlevens is geweest. Maar de vraagwaarom dit heeft kunnen gebeuren, was nog niet beantwoord. Daaromheeft de Tweede Kamer de commissie de opdracht gegeven hieronderzoek naar te doen, en daarom richt het rapport «Blind voor mens enrecht» zich met name op de verklaringen voor het feit dat levens vanmensen zijn vermorzeld.De effecten op de levens van mensen en hun belangen heeft decommissie gedurende het onderzoek steeds voor ogen gehad. Zo heeft decommissie verschillende ervaringsdeskundigen (gedupeerden) betrokkenbij het onderzoek (zie ook paragraaf 10.4 van het rapport). Tevens zijn deeffecten voor mensen aan de orde gekomen in de besloten voorge-sprekken (zie ook bijlage E Overzicht besloten voorgesprekken). Ten slotteheeft de commissie een aantal gedupeerden openbaar verhoord (zie ookbijlage F Overzicht openbare verhoren). In het rapport komen deervaringen van gedupeerden op verschillende plekken aan de orde.16Wat is de betekenis van de afbakening van 30 jaar, ook in het licht van hetfeit dat het rapport zich primair lijkt te richten op de jaren 2005 en verder?De commissie heeft in haar onderzoek de focus gelegd op een aantalbelangrijke wetten in het fraudebeleid, waaronder de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir, 2005) en de Wet Kinderopvang(Wko, 2005). Hierdoor richt het rapport van de commissie zich primair opde jaren 2005 en verder. Hieronder wordt dit nader toegelicht.De Tweede Kamer heeft de commissie opdracht gegeven om hetfraudebeleid van de afgelopen dertig jaar te onderzoeken. Dit heeft zichvertaald in de onderzoeksvragen 1 t/m 5, die vallen onder de context-analyse:1.Hoe zag het discours rondom fraude er de afgelopen dertig jaar uit enwelke invloed heeft dat gehad op het fraudebeleid in de afgelopendertig jaar?2.Welk fraudebeleid is daaruit voortgevloeid en hoe heeft zich datvertaald in wet- en regelgeving, welke ambtelijke en politieke keuzeszijn daarbij gemaakt en waarom? Welke adviezen/rapporten speeldendaarbij wel of geen rol, en waarom?3.Welke rol heeft New Public Management en de toenemendemogelijkheden van ICT-toepassingen hierbij gespeeld?4.In hoeverre was bij het opstellen van dit fraudebeleid oog voor dedienstverlening aan en rechtsbescherming van burgers?5.Op welke wijze heeft de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer)haar rol in deze context ingevuld?De commissie heeft de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) gevraagd dezeeerste vijf onderzoeksvragen – op basis van openbare informatie – teonderzoeken. De contextanalyse van de VU met als titel «Tussen Ambitieen Uitvoering» is als bijlage bij het rapport «Blind voor Mens en Recht»van de commissie gepubliceerd. Op basis van openbare bronnen heeft deVU het maatschappelijke en politieke discours en de totstandkoming vande belangrijkste wetgeving geanalyseerd.Hiermee wordt duidelijk in welke context de verschillende politieke keuzestot stand zijn gekomen, tot welk beleid dit heeft geleid en welke gevolgendit uiteindelijk heeft gehad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 88 De commissie heeft vervolgens deze contextanalyse betrokken bij haareigen analyses van de vertrouwelijke informatie die de commissie heeftgevorderd bij diverse actoren. In de loop van haar onderzoek is decommissie een aantal wetten tegengekomen die in het fraudebeleid eenbelangrijke rol hebben gespeeld, onder meer de Algemene wet inkomens-afhankelijke regelingen (Awir) en de Wet kinderopvang (Wko), beide vankracht sinds 2005 (zie ook paragraaf 1.2 Onderzoeksaanpak). Daarnaastwaren de (wijziging van de) Wet aanscherping handhaving en sanctie-beleid SZW-wetgeving (de Fraudewet, 2013) en de Wet aanpak fraudetoeslagen en fiscaliteit (Waftf, 2014) onderwerp van onderzoek.17Hoe is de commissie tot de twee perspectieven op de rechtstaatgekomen?In het kader van de specifieke opdracht voor deze enquête vond decommissie het belangrijk het begrip «rechtsstaat» nader in te vullen. Decommissie is in dat kader uitgekomen op twee perspectieven op derechtsstaat: het perspectief van de burger als toeslag- of uitkeringsgerech-tigde (op individueel niveau) en het perspectief van de burger inalgemene zin (op institutioneel niveau). Omdat iedere burger op enigmoment in zijn of haar leven te maken kan krijgen met een toeslag ofuitkering, staan de twee perspectieven niet los van elkaar (zie ookparagraaf 1.3).18Vindt de commissie dat in de fraudebestrijding naast de schending vangrondrechten op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer engelijke behandeling ook sociale grondrechten in het geding zijn? Zo ja,welke?In haar rapport stelt de commissie vast dat op verschillende momenten inde fraudebestrijding de overheid mensen dusdanig ernstig in de (finan-ciële) problemen heeft gebracht, dat levens van mensen zijn vermorzeld.Dit alles overziend concludeert de commissie dat de drie staatsmachtenblind zijn geweest voor mens en recht, waardoor grondrechten vanmensen zijn geschonden en de rechtsstaat terzijde is geschoven.19Zijn cijfers over de omvang van de fraude betrokken in de discussie overde te nemen maatregelen, zowel ambtelijk als politiek?Ja. De commissie constateert daarbij wel dat deze cijfers niet eenduidigwaren, onder meer omdat het begrip «fraude» niet was gedefinieerd.20Wil de commissie met haar aanbeveling over constitutionele toetsing datde rechter ook aan sociale grondrechten gaat toetsen?De commissie onderschrijft in haar aanbevelingen het belang vanconstitutionele toetsing achteraf (door de rechter) en beveelt aan dezetoetsing mogelijk te maken. Deze aanbeveling sluit aan op actueleontwikkelingen rondom dit thema (zie bijvoorbeeld de hoofdlijnenbrief diede Ministers Bruins Slot en Weerwind aan de Eerste en Tweede Kamerstuurden, Kamerstuk II 2021/22 35 925-VII, nr. 169). Wat de plaats wordtvan constitutionele toetsing van sociale grondrechten door de rechter isonderdeel van politieke besluitvorming.21Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 89 «Tot op de dag van vandaag faalt de wetgever in het oplossen van dezeproblemen die al bijna 20 jaar in de wet en regelgeving zit.» Kan decommissie een opsomming geven van de, volgens de commissie, meesthardnekkige fouten?De commissie concludeert in haar rapport dat het kabinet fouten enverkeerde keuzes heeft gemaakt bij het ontwerpen, invoeren en uitvoerenvan wetten en systemen in de sociale zekerheid en toeslagen. Sommigevan deze fouten zitten al bijna twintig jaar in wet- en regelgeving.Zo constateert de commissie dat bij het gebruik van de voorschotfinan-ciering in het toeslagenstelsel er nog steeds veel financiële risico’s enonrealistische verantwoordelijkheden zijn neergelegd bij mensen.Daarbovenop komt dat de informatieplicht voor mensen onduidelijk is,waardoor een fout snel gemaakt is. Dit systeem, dat bedoeld is voorinkomensbescherming, leidt tot onverantwoorde financiële risico’s aan dekant van de burger. Daarnaast heeft de gedeelde verantwoordelijkheid vanmeerdere departementen (voor beleid en uitvoering) tot problemengeleid, vanwege verschillende (tegen elkaar indruisende) belangen. Dezefouten, die het gevolg zijn van politieke keuzes, zijn al meer dan vijftienjaar bekend en desondanks niet opgelost.22«Het kabinet koos ervoor om wetten met een groot risico op problemenvoor mensen op te stellen.» Is de commissie van mening dat deze keuzesmoedwillig waren, en dus besluit waren waarin alle risico’s op dezeproblemen voor mensen geaccepteerd werden?De commissie constateert in haar rapport dat het kabinet ten tijde van deinvoering van verschillende wetten op de hoogte was van de mogelijkerisico’s en problemen die deze konden veroorzaken en dat de wettendesondanks zijn ingevoerd. Zo is het kabinet bij de totstandkoming van deAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) door de Raad vanState gewezen op het belang van een hardheidsclausule en was er zowelbij de totstandkoming van de Awir als bij de Wet kinderopvang (Wko)kritiek op de keuze voor de Belastingdienst als uitvoeringsorganisatie.23In hoeverre is het kabinet (en het parlement) gewaarschuwd vooronduidelijke regels in de AWIR ten tijde van de behandeling van deze wet?Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over hetwetsvoorstel gaat niet in op de (on)duidelijkheid van de regelgeving voormensen. Tijdens de wetsbehandeling stelt het kabinet juist dat de Awirzaken makkelijker zal maken voor mensen, doordat er voortaan met éénloket wordt gewerkt en één aanvraagformulier voor huur-, zorg-, enkinderopvangtoeslag.De duidelijkheid van wet- en regelgeving voor burgers is geen dominantonderwerp tijdens de wetsbehandeling. Zowel het kabinet als demeerderheid van de Kamer heeft vooral aandacht voor de noodzaak omhet toeslagenstelsel te vereenvoudigen. Een aantal Kamerleden stellenwel vragen over de duidelijkheid van de regels voor burgers. Zo wordt eraandacht gevraagd voor de aanname dat iedere burger in Nederland dewet kent en geacht wordt te weten wat hij moet doen. Er wordt gevraagdof dit niet tot grote risico’s en kwetsbaarheden kan leiden bij grotegroepen, zoals ouderen. Ook krijgt de Staatssecretaris van Financiën Wijnde vraag of de situatie voor mensen helderder, toegankelijker en beterwordt. De Staatssecretaris stelt dat deze groepen in beeld zijn en wordengeïnformeerd over de wijzigingen en dat hij niet bang is voor problemen.Wel zegt hij toe om bij de evaluatie statistieken mee te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 810 24Kan de commissie nader uitleggen waarom de uitspraak van de rechterniet in lijn was met het beleidsvoornemen van het kabinet zelf?De uitspraak van de rechter betreft artikel 26 van de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir). Dit artikel gaat over de terugvor-dering van een toeslag en is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak vande Raad van State dwingendrechtelijk: het bestuursorgaan kan er niet vanafwijken. In dit geval betekent dat dat de Dienst Toeslagen geen ruimteheeft om af te zien van een volledige terugvordering. Zij moeten altijd hetgehele bedrag terugvorderen.Dit is niet in lijn met het beleidsvoornemen van het kabinet zelf, zoalsblijkt uit de wetsbehandeling van de Awir. Tijdens de wetsbehandelingstelt Staatssecretaris van Financiën Joop Wijn: «Als wij overgaan totterugvordering bij mensen, zullen wij dat op een soepele wijze doen engoed kijken naar de betaalcapaciteit van mensen. Het is namelijk niet debedoeling om mensen bij terugvordering in al te grote liquiditeitspro-blemen te brengen.» Een zeer strenge wijze van terugvorderen, zonderruimte voor de uitvoering om deze aan te passen aan de omstandighedenvan het geval, was dus nooit de bedoeling van de wetgever.25De 100%-boete werd standaard als gevolg van het boetebesluit, terwijl ditin de wet een maximumboete was. Is dit bij de parlementaire behandelingvan het boetebesluit ter sprake gekomen en/of weloverwogen besloten?Nee, tijdens de wetsbehandeling van de Fraudewet is er alleen nog eenconcept versie van het boetebesluit. De discussie gaat dan vooral over decriteria voor verminderde verwijtbaarheid die in dit boetebesluit uitge-werkt zullen worden.De definitieve tekst van het boetebesluit wordt op 19 oktober 2012 naarzowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer gestuurd, waarbij hetboetebesluit ook direct wordt gepubliceerd als definitief besluit. Er is geenparlementaire behandeling van het boetebesluit. Het boetebesluit wordtop 28 november 2012 in een algemeen overleg Handhaving door de vastecommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid besproken met denieuwe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher.In reactie op vragen van Kamerleden over de criteria voor verwijtbaarheidantwoordt Asscher in dezelfde lijn als zijn voorganger Kamp: in defraudewet en het boetebesluit is de ruimte voor de uitvoering omverminderde verwijtbaarheid vast te stellen, hetzelfde gebleven alsvoorheen.26Het begrip verwijtbaarheid is door de wetgever onduidelijk ingevuld. Ishiervoor ambtelijk gewaarschuwd en zijn deze signalen genegeerd? Is erbewust gekozen om de invulling van het begrip verwijtbaarheid teverschuiven naar de uitvoering en rechterlijke macht?De commissie heeft in haar onderzoek niet kunnen vaststellen of debewindspersonen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-genheid (SZW) ambtelijk zijn gewaarschuwd over de onduidelijkeinvulling van het begrip verwijtbaarheid bij de totstandkoming van defraudewet.27Welke voorstellen doet de enquêtecommissie om het boetebesluit en defraudewet te verbeteren? Is het voldoende om bij alleen extremefraudegevallen een maximale boete te vragen en bij kleinere gevallen deboete lager te houden? Zo ja, welke verhoging stelt de enquêtecommissieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 811 voor? In hoeverre acht de commissie dat inkomensafhankelijke boetes ditprobleem zouden oplossen?De commissie vindt dat er een menselijk handhavings- en sanctionerings-beleid moet komen en adviseert een fundamentele herziening van hethandhavings- en sanctioneringsbeleid in de sociale zekerheid. Er moetmeer ruimte komen voor de uitvoering om naar eigen inzicht tehandhaven en, met oog voor de mens en diens persoonlijke omstandig-heden, tot terugvordering of beboeting over te gaan. De commissiebeveelt daarom aan om een verplichting om te beboeten of geld terug tevorderen te vervangen door een bevoegdheid. Het nieuwe wettelijkeregime moet garanderen dat een bestuursorgaan bij belastende beslis-singen altijd een integrale afweging maakt en het besluit motiveert.Daarnaast moeten begrippen als «fraude», maar ook de begrippen dieonder de inlichtingenplicht vallen, zoals «leefvormen», «partnerbegrip»,en «op geld waardeerbaar werk», eenduidig worden gedefinieerd.Daarmee is het volgens de commissie dus niet voldoende om bij alleenextreme fraudegevallen een maximale boete te vragen en bij kleineregevallen de boete lager te houden: de commissie adviseert om tot eenfundamentele herziening van het handhavings- en sanctioneringsbeleidover te gaan.28Welke andere uitvoerders van de toeslagen zijn overwogen maar door depolitiek terzijde geschoven?De keuze voor de Belastingdienst als uitvoerende instantie is gemaakttijdens de formatie van het kabinet-Balkenende II. In de brief van deinformateurs van 16 mei 2003 wordt het hoofdlijnenakkoord van hetkabinet uiteengezet. Daarin staat: «In het kader van het nieuwe zorgstelselwordt een zorgtoeslag ingevoerd, die de kosten voor zorg voorhuishoudens aan een maximum bindt. Een aan de belastingdienstgelieerde uitvoeringsinstantie zal deze en andere inkomensafhankelijkeregelingen gaan uitvoeren.» De commissie heeft niet verder onderzochthoe de formerende partijen tot deze keuze zijn gekomen.Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel van de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn er wel kritische vragen overde keuze voor de Belastingdienst als uitvoerende instantie, maar wordener geen alternatieven gesuggereerd of besproken.29Door wie of welke organisatie is het kabinet gewezen op problemen metde interpretatie van de Awir en de gevolgen daarvan in de praktijk?Zie paragraaf 4.2.6 van het rapport. Door de ambtelijke werkgroep die hetInterdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) Vereenvoudiging Toeslagenopstelt (Kamerstuk II 2009/10, 31 580, nr. 3). Dit onderzoek concludeert dathet toeslagenstelsel eenvoudiger moet. Door de behoefte aan maatwerkzijn de regels te ingewikkeld geworden en is de kans op fouten groot.Daardoor komen mensen in de problemen, bijvoorbeeld door groteterugvorderingen. De problemen met toeslagen zijn volgens dewerkgroep ontstaan door de ingewikkelde wet- en regelgeving waar hettoeslagenstelsel op gebaseerd is. Met name de grondslagen die de hoogtevan de toeslag bepalen zijn problematisch: ze zijn te talrijk, ze bevatten teveel uitzonderingen, ze zijn lastig te begrijpen voor mensen en moeilijk tecontroleren door de Dienst Toeslagen, ze zijn onvoorspelbaar en zijn nietgelijk voor de verschillende toeslagen.In datzelfde jaar publiceert de Landelijke Organisatie van SociaalRaadslieden (LOSR) het rapport Toeslag of Tegenslag, waarbij verschil-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 812 lende fundamentele kanttekeningen bij de Awir worden aangekaart. Veelvan de conclusies komen overeen met die van het IBO.De Nationale ombudsman publiceert zowel in 2006 als in 2015 overtoeslagen (Van aanslag naar toeslag (2006) en Gevraagd: maatwerk!Onderzoek naar de uitvoeringspraktijk Belastingdienst Toeslagen (2015). Inbeide rapporten gaat het over de massaliteit van het toeslagenproces enworden maatregelen genoemd om de problemen hiervan te ondervangen.Op 29 maart 2017 stuurt Staatssecretaris Eric Wiebes van Financiën, eenbrief naar de Tweede Kamer met daarbij de tweede evaluatie van de Awir(Kamerstuk II 2016/17, 31 580, nr. 6). Ook in deze evaluatie komen decomplexiteit van het toeslagenstelsel en de gevolgen van de voorschot-systematiek aan bod. Wederom wordt er geconcludeerd dat de voorschot-systematiek financieel kwetsbare burgers raakt en kan leiden tot schulden.In 2019 is er nogmaals een interdepartementaal beleidsonderzoek. Ookhier wordt geconcludeerd dat er problemen zijn met het ontwerp van hettoeslagenstelsel (Kamerstuk II 2019/20, 31 066, nr. 540).30De voorschotsystematiek is nog steeds van toepassing bij alle toeslagen.In hoeverre zijn, naar oordeel van de commissie, de oorzaken van deproblemen in de kinderopvangtoeslagaffaire verminderd en/of opgelost?Of is de definitieve oplossing er pas wanneer er geen sprake meer zou zijnvan inkomensafhankelijke toeslagen die via een voorschotsystematiekworden uitbetaald?De commissie heeft in haar rapport vastgesteld dat door te werken meteen voorschotsystematiek, waarbij mensen zelf hun inkomen moestenschatten terwijl niet duidelijk werd gemaakt wat er onder inkomen moestworden verstaan, een groot financieel risico bij mensen werd neergelegd.Dit risico is er tot op de dag van vandaag, ondanks het feit dat dewetgever meerdere keren is gewezen op de problemen met de voorschot-systematiek en er oplossingen zijn aangereikt. De commissie vindt dat eenfundamentele oplossing nodig is om de problemen van het toeslagen-stelsel aan te pakken. In de Kamerbrief van 9 februari 2024 betreffende«Eindrapport Toekomst Toeslagenstelsel» worden 18 concrete alterna-tieven uitgewerkt (Kamerstuk II 2023/24, 31 066, nr. 1340). En hoewel deverschillende opties gepaard gaan met lastige keuzes, wordt wel duidelijkdat het mogelijk is om een andere koers te gaan varen. Daarom roept decommissie de wetgever op: toon politiek lef en schaf het toeslagenstelselaf.31Kan de commissie voorbeelden noemen van politieke belangen die eenhinderblok zijn geweest voor corrigerende maatregelen?De commissie benoemt in haar rapport verschillende momenten waarpolitieke belangen de boventoon hebben gevoerd. Een voorbeeld hiervanis de discussie tussen het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-genheid (SZW) en het Ministerie van Financiën over artikel 26 van deAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Hoewel debetrokken beleidsdepartementen, het Ministerie van SZW en hetMinisterie van Financiën, in 2013 beide op de hoogte zijn van de alles-of-nietsbenadering, leidt dit niet tot een concreet voorstel om de benaderingen de harde gevolgen ervan te beëindigen. De beide beleidsdeparte-menten hebben een andere interpretatie van het artikel. Dit leidt tot eenlopende discussie tussen de departementen, zonder dat er een oplossingwordt aangedragen die de gevolgen voor mensen van de alles-of-nietsbenadering oplost.32Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 813 Is het nog steeds zo dat op grond van de Wko de aanvrager van kinderop-vangtoeslag te allen tijde verantwoordelijk is voor het aanleveren van dejuiste informatie, ook als een deel van het proces via het gastouderbureauof kinderopvangorganisatie loopt?Deze vraag betreft de huidige stand van zaken van de rechten, plichten enverantwoordelijkheden onder de Wet kinderopvang (Wko), waar decommissie geen onderzoek naar heeft gedaan. In overweging wordtgegeven deze vraag te stellen in het Kamerdebat met de verantwoordelijkbewindspersoon.33In hoeverre realiseerde de Dienst Toeslagen zich dat de methode die in2013 ontwikkeld werd voor fraudebestrijding het onderscheid tussenfouten en fraude volledig deed wegvallen waardoor deze in de praktijkgericht was op het stoppen van foute aanvragen in plaats van hetbestrijden van fraude?De commissie gaat ervan uit dat deze vraag het risicoclassificatiemodelvan de Dienst Toeslagen betreft. Het oorspronkelijke doel van hetrisicoclassificatiemodel was de aanvragen met een hogere kans op fouten(en daardoor hogere terugvorderingen) te classificeren. De heerBlankestijn, directeur Dienst Toeslagen destijds, verklaarde tijdens zijnopenbaar verhoor dat Deloitte de opdracht heeft gekregen om eenzelflerend model te maken, dat vooraf kan bepalen welke aanvragen eenverhoogd risico op fouten en of fraude hebben (verslag openbaar verhoormet de heer Blankestijn, 28 september 2023, Kamerstuk II 2023/24, 35 867nr. 7).Bij de inzet van het risicoclassificatiemodel wordt het risico op fouteaanvragen en het risico op frauduleuze aanvragen echter door elkaargehaald. In de brief van 8 december 2021 aan de Tweede Kamer vanStaatssecretaris van Financiën Alexandra van Huffelen over het risicoclas-sificatiemodel van de Dienst Toeslagen wordt dit samengevat als:«burgers waarvan de aanvragen door het risicoclassificatiemodel alsdegene met de hoogste kans op fouten werden aangemerkt, hadden (doorgebruik van indicatoren en risico-scores) daarna, door de achteraf beziente strikte toepassing van wet- en regelgeving, meer kans op een grotecorrectie.» (Kamerstuk II 2021/22, 31 066, nr. 938).34Wat is de huidige hoogte van de aangiftegrens?In de sociale zekerheid ligt de aangiftegrens in beginsel op € 50.000,–. Ditis opgenomen in de beleidsregel Aanwijzing sociale zekerheidsfraude(2023A003) (Stcrt. 2023, 26247) Deze zogeheten categorie-I zaken (tot eenbenadelingsbedrag van € 50.000,–) worden in beginsel bestuursrechtelijkafgedaan. Wel zijn er enkele wegingscriteria, zoals recidive of eengeorganiseerd crimineel verband, die aanleiding kunnen geven om eenzaak alsnog voor te leggen aan het OM ter beoordeling of deze alsnogstrafrechtelijk moet worden afgedaan.Voor toeslagen is de aangiftegrens bepaald op € 100.000,–, mits sprake isvan een vermoeden van opzet. Dit staat in het Protocol aanmelding enafdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane entoeslagen (Protocol AAFD 2023) (Stcrt. 2023, 16878). Ook hier kunnenaanvullende wegingscriteria ertoe leiden dat zaken met een benadelings-bedrag onder de € 100.000,– worden voorgelegd aan het OM termogelijke strafrechtelijke afdoening.35Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 814 Is onderzocht waarom de Belastingdienst aan bestuursrechters voorspie-gelden dat mensen een persoonlijke betalingsregeling zouden kunnenkrijgen (waardoor de terugvordering niet in zijn geheel zou worden geïnd),terwijl deze betalingsregeling in de praktijk niet mogelijk was?De commissie heeft op deze vraag geen eensluidend antwoord kunnenkrijgen. Wel is duidelijk geworden dat de procesvertegenwoordigers vande Belastingdienst die op zitting het woord voerden, ook niet volledig opde hoogte waren van alle specifieke gevolgen van een bepaaldebeslissing.Dit had onder meer te maken met de systematiek van het al dan niettoekennen van de kwalificatie opzet/grove schuld en het feit dat dezekwalificatie tot gevolg had dat geen persoonlijke betalingsregeling werdtoegekend. Hierdoor was het mogelijk dat de procesvertegenwoordigervan De Belastingdienst op zitting van mening was dat geen sprake wasvan opzet/grove schuld (en dit ook zo voorspiegelde aan de rechter(s).Hiermee zou een ouder, middels een persoonlijke betalingsregeling, na 24maanden van de schuld af zijn, waarbij bij de vaststelling van hetmaandbedrag rekening werd gehouden met de draagkracht. De kwalifi-catie opzet/grove schuld werd echter pas beoordeeld en eventueeltoegekend als het besluit in rechte was komen vast te staan en een oudereen verzoek deed tot een persoonlijke betalingsregeling. Dit gebeurde ookdoor een andere afdeling en een andere belastingambtenaar dan deprocesvertegenwoordiger, die van mening was dat geen sprake was vanopzet/grove schuld. Daardoor kon het gebeuren dat aanvankelijk werdvoorgespiegeld dat geen sprake was van opzet/grove schuld en oudersaanspraak konden maken op een persoonlijke betalingsregeling, wat laterin het traject niet waar bleek te zijn, omdat alsnog de kwalificatieopzet/grove schuld werd toegekend en de ouders in kwestie alleen nogmaar aanspraak konden maken op een standaardbetalingsregeling. Bijdeze regeling moesten zij de volledige schuld in 24 maanden afbetalen.Hierbij werd bovendien geen rekening gehouden met de draagkracht vande ouders, waardoor zij soms grote sommen geld elke maand moestenterugbetalen.36Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voerde onderdruk en sturing van het Ministerie van SZW een strikte uitvoering van defraudewet uit. Hoe zag deze druk en sturing van het ministerie eruit?Ondanks herhaaldelijke verzoeken van UWV om ruimte voor hetmeewegen van de subjectieve verwijtbaarheid bij het uitvoeren van defraudewet hield SZW vast aan het Boetebesluit Socialezekerheidswettenen gaf UWV deze ruimte niet. Dit blijkt ook uit de definitieve nota vanbevindingen Sturingsrelatie tussen SZW en UWV van de AlgemeneRekenkamer waarin staat dat er juridische ruimte was voor het UWV omte waarschuwen in plaats van te beboeten, maar dat SZW deze ruimte nietgaf. Zie ook paragraaf 4.5.3 en paragraaf 6.3.5 in het rapport.37Eerder werd het praktische voorbeeld van een verkeerd ingevuldegeboortedatum genoemd, waardoor burgers het volledige bedrag aantoeslag moesten terugbetalen. Waar moeten we nog meer aan denken bijkleine foutjes?De commissie is in haar onderzoek verschillende voorbeelden van kleinefoutjes tegengekomen, die hebben geleid tot het volledig terugvorderenvan de kinderopvangtoeslag:•de duur van de overeenkomstTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 815 •het uurtarief voor de opvang,•het totaal aantal uren opvang,•bemiddelingskosten•naam van het kind•adres van het kind•handtekening van de ouder•het niet volledig kunnen aantonen van de betalingZo verklaarde voormalig bestuursrechter bij de Rechtbank Rotterdam,Roeland Cooijmans, in zijn openbaar verhoor dat als het dan op één puntmisging «Dan werd de toeslag op nul gesteld. [...] Ik heb zelfs meege-maakt dat het adres of de postcode van het kind niet was ingevuld en datdat aanleiding gaf voor dit soort besluiten. Dan kunt u zich de verbijs-tering en de wanhoop bij de ouders, denk ik, wel voorstellen, want er wasdan geen enkele discussie over de vraag of dat kind wel thuis woonde ennaar de opvang was geweest. Dus: hoezo het adres van het kind? Dat kanook op tien andere manieren worden aangetoond.» (Verslag openbaarverhoor van de heer Cooijmans, 4 oktober 2023, Kamerstuk II 2023/24,35 867, nr. 7).38Wat waren de verschillende risico-indicatoren op basis waarvan hetrisicogericht toezicht werd uitgevoerd?Risicogericht toezicht is een vorm van toezicht waarbij controle inspan-ningen worden gericht op personen waarbij de trefkans op fraude hetgrootst is. Risicogericht toezicht wordt onder andere op basis vanrisicoprofielen uitgevoerd. Een risicoprofiel bestaat uit een specifiekecombinatie van risico-indicatoren. Risico-indicatoren zijn in dit gevalkenmerken die correleren met een significant hoger risico op fraude. Dezerisico-indicatoren verschillen per casus en door de tijd heen. In hoofdstuk7 worden verschillende casussen en risico-indicatoren beschreven. Tabel7.3 op pagina 294–298 van het rapport bevat een overzicht van derisico-indicatoren van het in 2018 aangepaste risicomodel wijkgerichteaanpak.39Kan de commissie duiding geven aan waarom er gekozen is voor eenzachte benadering van het feit dat er sprake zou zijn van discriminatie eninstitutioneel racisme?De parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening hadals doel te verklaren waarom de wijze waarop de overheid fraudebestrijdt, heeft geleid tot tekortschietende dienstverlening aan enrechtsbescherming van burgers. De commissie kon zich daarbij baserenop rapporten en kabinetsbevindingen over wat er is gebeurd, ook tenaanzien van discriminatie en racisme. Dat is de reden dat er in hoofdstuk 7veel aandacht is voor de onderliggende mechanismen van selectie vanmensen voor een controle op fraude plaatsvond. Deze selectiemecha-nismen verklaren waarom bepaalde groepen mensen vaker in beeld zijngekomen bij de overheid als mogelijke fraudeurs. Dat was geen toeval,maar volgde uit het systeem.Mensen werden niet gezien als individuen maar als groep met bepaaldekenmerken en «dus» een hoger risico op het plegen van fraude, volgensdie logica. Dit is in strijd met het grondrecht op gelijke behandelingoftewel discriminatie. Hierdoor zijn alleenstaande moeders, ouders meteen niet-Nederlandse nationaliteit en ouders met de laagste inkomensvaker getroffen bij de fraudeaanpak van de Belastingdienst.40Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 816 Heeft de commissie onderzocht op basis waarvan de politiek van meningwas pijnloos te kunnen bezuinigen op de uitvoering?De commissie heeft daar geen specifiek onderzoek naar gedaan, maar zietdaarin vooral politieke overwegingen. Zo bleek uit de openbare verhorenmet voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid LodewijkAsscher en voormalig Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers datbezuinigingen op een organisatie of apparaat beter te verkiezen warenboven het versoberen of het verlagen van een uitkering, of het stoppenvan andere dingen die direct in het leven van burgers ingrepen. En voorde Belastingdienst werd er voor mensen gekozen in plaats van stenen endus werden er kantoren gesloten om op die manier voldoende mensen enkennis te behouden om de taken uit te voeren.» (zie p. 351).Het was lang niet altijd duidelijk wat de gevolgen waren van algemenegenerieke bezuinigingen op de uitvoering, laat staan wat de gevolgenwaren van de opeenstapeling van die bezuinigingen op de uitvoering. Erheerste wel een geloof dat de uitvoering doelmatiger kon, door bijvoor-beeld digitalisering.41Op welke verkeerde aannames van het Centraal Planbureau (CPB) was deingeboekte bezuiniging van 180 miljoen gebaseerd?Zoals in paragraaf 5.3.4 en p.168 en 169 van het rapport «Blind voor mensen recht» is beschreven heeft het Centraal Planbureau (CPB) eenberekening gemaakt, waarbij is uitgegaan van het drie maanden stoppenvan de uitkering in geval van fraude.Voor de doorrekening van de maatregelen uit het regeerakkoord heeft hetCPB gebruik gemaakt van beleidsinformatie uit de begroting van SocialeZaken en Werkgelegenheid (2010) (Kamerstuk II 2009/10, 32 123-XV, nr. 2).In deze begroting staat vermeld dat het aantal geconstateerde fraudege-vallen in 2008 in de Wet werk en bijstand 29.180 en het aantal overtre-dingen in de werknemersverzekeringen 27.000. Het CPB vermenigvuldigtdeze aantallen fraudegevallen en overtredingen vervolgens met eengemiddelde uitkering over drie maanden (€ 3.200), met als uitkomst hetbedrag van de taakstelling: € 180 miljoen.Het aantal geconstateerde fraudegevallen is gebaseerd op de Bijstandsde-biteurenstatistiek (BDS) en Bijstandsfraudestatistiek (BFS) van hetCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De BFS bevat gegevens oververmeende fraudezaken die door de Nederlandse gemeenten onderzochtén geregistreerd zijn. Het CBS stelt het schenden van de inlichtingenplichtbovendien gelijk aan bijstandsfraude. Uitspraken doen over de totalehoeveelheid gepleegde bijstandsfraude is op basis van dit bestandvolgens het CBS niet mogelijk. In het regeerakkoord is deze foutieveinschatting van de opbrengsten van fraudebestrijding overgenomen,zonder dat duidelijk gemaakt is hoe deze ingevuld moet worden.42Kan de commissie enkele voorbeelden noemen van situaties waarbijKamerleden de vinger op de zere plek legden en vervolgens onterechtgerustgesteld werden door het kabinet?In hoofdstuk 9 zijn diverse voorbeelden hiervan beschreven bij deverschillende casussen. Zo worden bij de behandeling van de Algemenewet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) door diverse leden zorgengeuit over de uitvoering door de Belastingdienst. Staatssecretaris vanFinanciën Joop Wijn geeft in antwoord op de zorgen aan dat de Belasting-dienst is toegerust op massale processen van inning en dit binnenkort ookzal zijn voor uitbetaling. Ook ten aanzien van de zwaarte van het terugvor-deringsbeleid worden leden gerustgesteld. Bij de plenaire behandelingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 817 van de Awir wordt door het lid Noorman-den Uyl (PvdA) gevraagd of debewindslieden «bereid zijn om een gematigder terugvorderingsregeling tehanteren.» Staatssecretaris van Financiën Joop Wijn stelt haar gerust datzij dat zullen doen. «Als wij overgaan tot terugvordering bij mensen,zullen wij dat op een soepele wijze doen en goed kijken naar de betaalca-paciteit van mensen. Het is namelijk niet de bedoeling om mensen bijterugvordering in al te grote liquiditeitsproblemen te brengen (Hande-lingen II 2004/2005, nr. 40, p.2661).» (pp.378–379). Bij de plenairebehandeling van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleidSZW-wetgeving (fraudewet) geeft de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid Henk Kamp op vragen van het lid Karabulut (SP) en hetlid Kos¸er Kaya (D66) aan dat de verwijtbaarheidscriteria helemaal nietsgaat veranderen en dat in het boetebesluit, de AMvB de hoogte van deboete en de wijze waarop gehandeld gaat worden, vastgelegd zal worden,maar dat op het punt van de verwijtbaarheid de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) blijft gelden. (p.388)Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher geeftbij het algemeen overleg over handhaving op 28 oktober 2012 aan dat defraudewet niet bedoeld is voor mensen die zich vergissen of een formulierverkeerd invullen, en dat de wet in de praktijk ook niet zo zal gaan werken.In het eerste debat na invoering van de fraudewet over handhaving op31 oktober 2013 geeft hij aan dat het beleid erop gericht is dat de boetewordt aangepast aan de ernst van de overtreding en dat, op basis vanklachten bij de Nationale ombudsman, de eerste indruk van de uitvoeringvan de wet goed is. In het tweeminutendebat van 21 november 2013 geeftde Minister wederom aan dat de boete wordt aangepast aan de ernst vande overtreding en beschouwt de motie die dan wordt ingediend alsondersteuning van zijn beleid. Voormalig Kamerlid Heerma (CDA) geeft inzijn openbaar verhoor aan dat de bedoeling van de motie echter niet wasom te wachten tot 2017 wanneer de evaluatie zou plaatsvinden en dit inde tussentijd te laten bestaan, maar om nu actie te ondernemen en tebezien of er in de uitvoering van de wet meer ruimte moest komen voormaatwerk en meer ruimte om invulling te geven aan dat begrip «verwijt-baarheid». (p.433)43In hoeverre zijn volgens de commissie de aanbevelingen uit het rapportgeïntegreerd in wetgeving en beleid om structurele veranderingen tebewerkstelligen en herhaling van misstanden te voorkomen?Zie het antwoord op vraag 2.44Welke maatregelen zijn volgens de commissie tot nu toe al genomen omte voorkomen dat vergelijkbare schendingen van mensenrechten enrechtvaardigheid in de toekomst plaatsvinden, zoals beschreven in hetrapport?Zie het antwoord op vraag 2.45De commissie stelt dat de wetgever voldoende mogelijkheden moethebben om wetten vooraf te toetsen op grondwettigheid. Welke instru-menten adviseert de commissie hiervoor te versterken of te ontwikkelen?De commissie adviseert om de volgende instrumenten te versterken of teontwikkelen (daarbij moet het begrip «instrumenten» breed wordenopgevat, evenals de begrippen «versterken» en «ontwikkelen»):Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 818 –de rol van de Minister van Binnenlandse Zaken als hoofdverantwoor-delijke voor de toetsing van grondrechten moet beter wordenverankerd in het wetgevingsproces;–bij alle departementen en uitvoeringsorganisaties, van topambtenaartot programmeur, moet sprake zijn van continue kennisopbouw overde inhoudelijke wet- en regelgeving en de kwaliteit en risico’s van hetgebruik van data in deze snel veranderende digitale maatschappij;–het jaarbudget van de Autoriteit Persoonsgegevens moet structureelgroeien naar minimaal 100 miljoen euro, zodat de AP haar wettelijketaak naar behoren kan vervullen.Ten slotte adviseert de commissie de Tweede Kamer om voldoende tijd inte blijven ruimen voor de zorgvuldige behandeling van wetten. Ditbetekent dat de adviezen van de Raad van State serieus moeten wordenmeegenomen tijdens de wetsbehandeling. Ook het werken met wetge-vingsadviseurs en het binnenhalen van kennis van buiten wordt verderaangemoedigd.46Bij de ontwikkeling van de gelijkebehandelingswetgeving is er voorgekozen om «eenzijdig overheidshandelen» niet onder het bereik van dezewetgeving te laten vallen. De commissie adviseert dit nu wel te doen.Heeft de commissie onderzocht wat de motieven waren om dit in beginselniet te doen?Motieven om eenzijdig overheidshandelen niet onder de Algemene wetgelijke behandeling (Awbg) te laten vallen zijn vijftien jaar geleden doorde Minister van BZK in een brief aan de Kamer omschreven (Kamerstuk II2008/09, 28 481 nr. 5, zie laatste paragraaf): «Er zijn al voldoendebepalingen waarop een beroep kan worden gedaan indien sprake is vandiscriminatie bij eenzijdig overheidshandelen (o.a. in de Grondwet, deAlgemene wet bestuursrecht, de algemene beginselen van behoorlijkbestuur en in verschillende internationale verdragen)», Zij onderbouwdedit met een onderzoek uit 2006 van de UvT/RuG (Bijlage bij Kamerstuk II2006/07, 28 481 nr. 4).In recent onderzoek door de Eerste Kamer (Bijlage bij Kamerstuk I 2021/22,CXLVI, nr. X) wordt er echter op gewezen dat de gelijkebehandelingswet-geving voor burgers buitengewoon complex is, en dat er geenmogelijkheid in de Awbg bestaat om te klagen in het geval van eenzijdigoverheidshandelen (tenzij het gaat om de discriminatiegrond «ras» in hetdomein van de sociale voorzieningen). Voor de burger is de doorvertalingvan de Grondwet in de Awbg en andere gelijke behandelingswetgevingessentieel in de rechtsgang. [...] Juist als het gaat om het handelen van deoverheid, is de weg voor een klacht [...] minder bekend en niet zomakkelijk te bewandelen.Aangezien de commissie in haar onderzoek heeft vastgesteld dat deoverheid in de bestrijding van fraude in de sociale zekerheid heeftgediscrimineerd en het voor burgers lastig is om hun recht te halen isdeze van mening dat er belangrijke redenen zijn om de versperringen vanrechtsgang voor burgers weg te nemen.Ook de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), hetCollege voor de Rechten van de Mens en de Staatscommissie tegendiscriminatie en racisme adviseerden recent aan Minister Bruins Slot vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om «eenzijdig overheidshan-delen» onder de Algemene wet gelijke behandeling te brengen. (Adviesaan Minister: Verstevig rechtsbescherming tegen discriminatie door deoverheid, 20 maart 2023)47Hoe beoordeelt de commissie het risico op oplopende achterstanden enverslechteringen in de uitvoering vanwege de benodigde reorganisatieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 819 van de Raad van State als gevolg van de voorgestelde splitsing van deAfdeling bestuursrecht?De splitsing van Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State betekent inderdaad een reorganisatie en in de ogenvan de commissie een verbetering. Het is van belang dat deze reorgani-satie zorgvuldig gebeurt en de kwaliteit en snelheid van de rechtspraak enadviezen daarbij niet in het gedrang komt.48Wat zou volgens de commissie het ideale jaarbudget voor de AutoriteitPersoonsgegevens (AP) zijn, gezien de commissie 100 miljoen euro perjaar een minimum noemt?De commissie is van mening dat de waakhondfunctie van de AutoriteitPersoonsgegevens (AP) versterkt moet worden. In de digitaliserendemaatschappij zijn razendsnelle ontwikkelingen aan de orde van de dag endeze brengen forse uitdagingen met zich mee voor de privacy vanmensen. Om de wettelijke taken (toezicht, advisering en voorlichting,informatieverstrekking en verantwoording) naar behoren te kunnenvervullen, beveelt de commissie aan om het jaarbudget van de APstructureel te laten groeien naar minimaal 100 miljoen euro. Dezeinschatting volgt uit een onderbouwing van de AP van de middelen die zijnodig heeft om serieuze knelpunten in het toezicht op te pakken. De APgeeft aan onder andere forse investeringen nodig te hebben op het gebiedvan toezicht op algoritmes & AI, sectoraal toezicht en juridische doorzet-tingskracht. Wanneer dit gehonoreerd zou worden, zou het jaarbudget vande AP neerkomen op 111 miljoen euro.49Acht de enquêtecommissie de Roemernorm voldoende om kennisopbouwbij departementen en uitvoeringsorganisaties te faciliteren, zoals zij datvoor zich zien? Zijn andere (mogelijk verdergaande) maatregelen nodig?Het faciliteren (en borgen) van kennisopbouw bij departementen enuitvoeringsorganisaties kan gebaat zijn bij het inzetten van eigenmedewerkers en beperken van externe inhuur. Er zijn ook anderemanieren om kennisopbouw binnen overheidsorganisaties te faciliteren.Het is aan de organisaties zelf om de bij hen best passende manier tekiezen om kennisopbouw over de inhoudelijke wet- en regelgeving en dekwaliteit en de risico’s van het gebruik van data te faciliteren.50Heeft de commissie ook onderzocht of er nu nog steeds Rijksuitvoerings-organisaties (incl. de Belastingdienst) enkel werken met risicogestuurdtoezicht?De onderzoekperiode van de commissie liep van 1990 tot de presentatievan het rapport van de Tijdelijke commissie uitvoeringsorganisaties (TCU)op 25 februari 2021. De commissie heeft zich in haar onderzoek vooralgericht op de Belastingdienst en het UWV en heeft zich geen beeldkunnen vormen van de wijze van toezicht van Rijksuitvoeringsorganisatiesin den brede.51Heeft de commissie ook gesproken met de Autoriteit Persoonsgegevensover de aanbeveling om het budget structureel te verhogen? Ziet de APdeze aanbeveling ook als noodzakelijk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 820 In het openbaar verhoor met de voorzitter van de Autoriteit Persoonsge-gevens Aleid Wolfsen gaf hij aan dat er gaten vallen in het werk van de APen er (ook met behulp van externe bureaus) onderzocht is wat nodig is«om heel basaal goed ons werk te kunnen doen en de klachten een beetjeredelijk te kunnen behandelen». Volgens de heer Wolfsen zou de APtussen de 600 en 700 formatieplekken en rond de 100 miljoen euromoeten hebben (verslag openbaar verhoor met de heer Wolfsen,5 oktober 2023, Kamerstuk II 2023/24, 35 867, nr. 7). In nader overleg metde AP is deze claim meer in detail onderbouwd. Volgens de AP zorgt eenuitbreiding van het budget van 67 miljoen euro naar 111 miljoen per jaardat de AP serieuze knelpunten in het toezicht kan oppakken, met alseinddoel: voldoende bescherming van de persoonsgegevens en grond-rechten van alle burgers in de digitale wereld.52De commissie adviseert om het begrip «dringende reden» een ruimereinvulling te geven. Kan de commissie dit nader concretiseren?Het handelen van de overheid mag nooit leiden tot onevenredig grotenadelige gevolgen voor mensen. Daarom is de commissie van mening datin de Algemene wet bestuursrecht een algemene evenredigheidsbepalingmoet worden opgenomen. Tot het zover is kan in de uitvoering enrechtspraak meer gebruik gemaakt worden van de «dringende reden». Ditis een hardheidsclausule die in verschillende wetten (zoals de Participa-tiewet, de WW en de WAO) is vastgelegd en kan leiden tot geheel ofgedeeltelijk afzien van herziening of terugvordering van een uitkering alsdit zou leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende. Inde praktijk blijkt echter dat een beroep op de dringende reden bijna nooitwordt gehonoreerd en de hardheidsclausule wordt dan ook al jarennauwelijks toegepast. Ook raadsheer advocaat-generaal De Bock kwamrecent tot de conclusie (ECLI:NL:CRVB:2023:2086) dat de bestuursrechtereen ruimere invulling kan geven aan de dringende reden dan tot nu toe isgedaan. Bij de toepassing van de wettelijke bepaling dat bij een dringendereden kan worden afgezien van herziening of terugvordering van eenuitkering, moet volgens haar eveneens getoetst worden aan de algemenebeginselen van behoorlijk bestuur. Hier speelt het evenredigheidsbeginseleen belangrijke rol: zijn de gevolgen van herziening en terugvorderingvoor betrokkene wegens bijzondere omstandigheden onevenredig inverhouding tot het doel van herziening en terugvordering? Als voorbeeldzou in het geval dat iemand door een terugvordering onder het bestaans-minimum zakt, moeten worden aangenomen dat sprake is van eendringende reden omdat betrokkene dan wordt geraakt in zijn funda-mentele recht op bestaanszekerheid. De dringende reden moet op zo’nmanier worden ingevuld, dat zij als wettelijke hardheidsclausule eenwezenlijke rol kan spelen in het stelsel van herziening en terugvorderingvan uitkeringen.53De commissie beveelt aan om de Algemene wet bestuursrecht aan tepassen zodat de mens uitdrukkelijk centraal staat bij al het handelen vande overheid, hoe ziet de commissie dat voor zich?Er is momenteel sprake van een herziening van de Algemene wetbestuursrecht (Awb): de Wet versterking waarborgfunctie Awb (bijlage bijKamerstuk II 2022/23, 29 279, nr. 763). De commissie vindt deze herzieningeen stap in de goede richting en zou daar een algemene evenredigheids-bepaling en een recht op persoonlijk contact aan toe willen voegen. Ditzijn de wijzigingen die op korte termijn daarin doorgevoerd zoudenkunnen worden en op korte termijn nodig zijn. Maar deze herziening isniet de fundamentele herziening die voor de lange termijn nodig is. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 821 wetsvoorstel versterking waarborgfunctie Awb spreekt wel over nieuweontwikkelingen en het belang van de menselijke maat, maar komt niet meteen samenhangende visie op de doelstelling van de Awb. Daardoor is hetwetsvoorstel meer een verzameling van – op zichzelf vaak goede –voorstellen om de wet meer burgergericht te maken, dan een systema-tische doordenking van de wijzigingen die in het bestuursrecht vanuit denieuwe visie nodig zijn.In de ogen van de commissie zou het wetsvoorstel gepaard moeten gaanmet een nieuwe visie op de responsieve rechtsstaat, uitgaande van deresponsieve rechtsstaat, in contrast met de huidige wat meer formelevanuit het rechtssysteem vormgegeven benadering. Daarmee kan eenandere basis worden gegeven voor het werken met de Awb. Wanneer hetbevorderen van een responsieve rechtsstaat als kader voor de verhoudingtussen burger en overheid als nieuwe doelstelling van de Awb zouworden gezien, zou dat het omgaan met de wet anders kleuren. In deuitvoeringspraktijk zou dit kader steeds op de achtergrond mee moetenspelen, en ook de rechter zou in zijn rechtspraak meer met dit gegevenrekening moeten houden.54Op welke manier zou de commissie willen zien dat de aanbevelingen uithet rapport om institutioneel racisme en discriminatie aan te pakken in depraktijk worden gebracht?De commissie concludeert dat bepaalde groepen mensen vaker in beeldzijn gekomen bij uitvoeringsorganisaties als mogelijke fraudeurs, en datdaarbij de grondrechten op de eerbiediging van de persoonlijke levens-sfeer en gelijke behandeling zijn geschonden. Daarom beveelt decommissie aan dat bij alle departementen en uitvoeringsorganisaties, vantopambtenaar tot programmeur, sprake moet zijn van continue kennis-opbouw over de inhoudelijke wet- en regelgeving en de kwaliteit enrisico’s van het gebruik van data in deze snel veranderende digitalemaatschappij. Daarnaast verwijst de commissie naar lopende initiatievenop dit vlak, zoals de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme, dieop basis van onderzoek de overheid adviseert over de verbetering vanbeleid, wet- en regelgeving met als doel om discriminatie en racismetegen te gaan. De commissie vindt dat bij alle staatsmachten en bij allelagen van de overheid oog moet zijn voor de belangen van mensen, opdatzij te allen tijde kunnen rekenen op een rechtvaardige behandeling.55De commissie schrijft dat de overheid mensen begrijpelijk moet infor-meren, doelt de commissie daarbij ook op het aanschrijven van mensen inbrieven in begrijpelijke taal op b1 niveau of verschillende taalniveauszodat ook de 2,5 miljoen mensen die laaggeletterd zijn de informatiekunnen begrijpen? Gebeurt dit volgens de commissie nu voldoende? Hoeworden laaggeletterde mensen nu meegenomen in hun rechten enplichten?De commissie heeft geen nader onderzoek gedaan naar de wijze waaroplaaggeletterde mensen nu worden meegenomen in hun rechten enplichten. De commissie beveelt wel aan om voor iedereen een recht oppersoonlijk contact te introduceren. In de Algemene wet bestuursrecht(Awb) moet het recht op persoonlijk contact worden vastgelegd en elkbestuursorgaan moet kijken hoe zij dat het beste kunnen vormgeven.Persoonlijk contact kan juist voor laaggeletterde mensen een oplossingzijn om hen begrijpelijk te informeren over hun rechten en plichten.56Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 822 Ziet de commissie ook een rol voor ervaringsdeskundigen bij een beteretotstandkoming en uitvoering van wetten en beleid? Zo ja, welke rol? Enzou dit dan op basis van vrijwilligheid zijn of ook in betaalde functies?De commissie heeft zelf gedurende haar onderzoek contact gehad metervaringsdeskundigen en heeft dit als bijzonder waardevol ervaren (zieook paragraaf 10.4 van het rapport). In dat licht kan de commissie zichgoed voorstellen dat bij de totstandkoming en uitvoering van wetten enbeleid ook een rol is weggelegd voor ervaringsdeskundigen. Decommissie wijst erop dat dit in de praktijk, onder meer via de LandelijkeCliëntenraad (LCR) en de Nationale ombudsman, vaak al gebeurt. Ook deTweede Kamer heeft contact met ervaringsdeskundigen via de commissievoor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven, waar burgers middelseen verzoekschrift een klacht tegen de rijksoverheid kunnen indienen ofvia een burgerinitiatief een onderwerp op de agenda van de TweedeKamer kunnen zetten. Het is aan de wetgever en de uitvoering om tebezien of de rol van ervaringsdeskundigen beter kan worden ingevuld.57De commissie wil het recht op persoonlijk contact introduceren envastleggen in de Algemene Wet Bestuursrecht, hoe ziet de commissie ditvoor zich en hoeveel schat de commissie in dat hiervoor budgettair aanbestuursorganen toegekend moet worden voor de uitvoering?Naarmate wetgeving gecompliceerder is, of de verplichtingen voor deburger ingewikkelder zijn of grotere consequenties hebben, behoort deburger beter ondersteund te worden. Veel burgers raken de weg in deverschillende regelingen kwijt, en overzien niet goed welke verplichtingener voor hen gelden. Volstrekt onverwacht kunnen er dan sancties volgendie hen in de problemen brengen. De commissie meent dat burgersaanspraak op een goede begeleiding en op persoonlijk contact moetenkunnen maken.In artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt inalgemene zin geregeld dat een bestuursorgaan voor een passendeondersteuning moet zorgen. Daar wordt het initiatief bij het bestuurs-orgaan gelegd. In gevallen waarin het om voor de burger belangrijkevoorzieningen gaat, zou de burger van zijn kant ook aanspraak daaropmoeten kunnen maken. Die aanspraak zou mede de mogelijkheid vanpersoonlijk contact moeten omvatten.De commissie meent dat die behoefte in ieder geval bestaat wanneer hetom voor de burger belangrijke financiële ondersteuning gaat, of wanneerde burger in verband daarmee een informatieplicht jegens de overheidheeft. Die plicht kan de aanvraag betreffen, of rapportages tijdens de loopvan de financiële ondersteuning. Bij een persoonlijk contact kan wordennagegaan of de invulling van de verplichting door de burger goedgebeurt, en kunnen eventueel correcties of aanvullingen wordenaangebracht. Voorkomen kan dan ook worden dat aanvragen wegensonvoldoende gegevens worden afgewezen. Tevens kan de burgergeholpen worden wanneer hij de weg in de formulieren of systemenkwijtraakt.In hoeverre dit tot meer kosten leidt voor de overheid valt nog te bezien.Ippel en Scheltema (2023, p. 31) schreven hierover: «Het belang van deoverheid wordt ook gediend met een goede vormgeving van dezorgplicht. Zorgen voor goede informatie kan de uitvoering enorm helpen.Kennen de mensen de regels niet, dan kunnen die regels hun veel werkbezorgen. Zij kunnen voorzieningen aanvragen waar zij geen recht ophebben, voldoen niet aan verplichtingen die belangrijk zijn of makenbezwaar zonder dat dit voor hen zinvol is. Stelt men uitkeringenbeschikbaar, dan wordt de doelstelling van de overheid niet bereikt alsvelen daar geen beroep op doen, zoals vaak het geval blijkt te zijn. OokTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 823 kan een goede ondersteuning uitvoeringsinstanties helpen [en] deuitvoering sterk vereenvoudigen.»58Welke suggesties heeft de commissie om – op korte termijn – de «effectenvan de voorschotsystematiek zo beperkt mogelijk te houden»?De commissie heeft in haar rapport vastgesteld dat door te werken meteen voorschotsystematiek, waarbij mensen zelf hun inkomen moestenschatten terwijl niet duidelijk werd gemaakt wat er onder inkomen moestworden verstaan, een groot financieel risico bij mensen werd neergelegd.Keer op keer is de wetgever gewezen op de problemen met de voorschot-systematiek en de complexiteit van de regeling. Voorgestelde corrige-rende maatregelen, zoals het vaststellen van de kinderopvangtoeslag opbasis van een genormeerde uurprijs of het uitkeren van 90% van hetvoorschot, werden niet genomen. De commissie stelt vast dat politiekebelangen hierbij de boventoon hebben gevoerd en dat de wetgever blindwas voor de gevolgen voor mensen.Daarom roept de commissie de wetgever op om het toeslagenstelstel af teschaffen. Daarbij moeten middels een uitvoerings- en transitieplan denadelen in de tussenliggende periode worden beperkt. De commissiebeveelt voor de kinderopvangtoeslag aan om met directe financiering tewerken.De commissie realiseert zich dat afschaffing van het toeslagenstelsel jarenin beslag kan gaan nemen. In de Kamerbrief van 9 februari 2024 betref-fende «Eindrapport Toekomst Toeslagenstelsel» worden 18 concretealternatieven uitgewerkt (Kamerstuk II 2023/24, 31 066, nr. 1340). Enhoewel de verschillende opties gepaard gaan met lastige keuzes, wordtwel duidelijk dat het mogelijk is om een andere koers te gaan varen. Het isaan de politiek om keuzes te maken. Daarom roept de commissie dewetgever op om politiek lef te tonen.59Zou de enquêtecommissie hun aanbeveling «pak echte fraude aan, maarsla niet door» verder kunnen toelichten? Zouden zij voorbeelden kunnengeven van business cases en perverse prikkels in fraudebestrijding?De commissie is van mening dat fraudeurs moeten worden aangepakt,maar niet de mensen die per ongeluk de regels overtreden. Daarbij moetde mate van beleidsinzet en de middelen voor de bestrijding van fraudesamenhangen met de geschatte omvang van de fraude. Volgens decommissie horen businesscases en andere perverse prikkels geen rol tespelen in de fraudebestrijding.In haar onderzoek is de commissie twee voorbeelden tegengekomen vanperverse prikkels die werden veroorzaakt door businesscases gericht opfraudebestrijding. Het eerste voorbeeld is de businesscase fraude van deDienst Toeslagen. Daarin werd van tevoren bepaald wat de fraudebe-strijding moest opleveren. Daar werd dan ook op gestuurd. Toen duidelijkwerd dat de Dienst Toeslagen de jaarlijks afgesproken 25 miljoen euro nietging halen, werden de teugels aangetrokken: de dienst ging 2.000 extratoeslaggerechtigden bij wie zij een hoger risico op fraude vermoedde, aaneen intensieve controle onderwerpen. De mankracht om dit te doen werdweggehaald bij de afdeling Bezwaar en Beroep. Dit betekende ook dat debezwaarafhandeling langer duurde.Ook het UWV kreeg te maken met een businesscase. Terugvorderingenvan onterechte uitkeringen werden daarbij als winst aangemerkt. Dezebusinesscase was aanleiding voor het UWV om risicogericht toezicht teintroduceren. Toen andere ontwikkelingen zorgden voor een geringeraantal fraudegevallen werd dat problematisch; het werd daarmeemoeilijker de geraamde opbrengsten van de businesscase te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 824 60Op welke manier heeft het rapport «Blind voor mens en recht» volgens decommissie tot op heden bijgedragen aan het verstevigen waarborgen vanrechtvaardigheid en gelijkheid voor alle burgers?Het rapport «Blind voor mens en recht» is gepubliceerd op maandag26 februari. De commissie vindt het lastig te beoordelen of het rapport totop heden (bij het indienen van de antwoorden op de schriftelijke vragenop donderdag 4 april) al heeft bijgedragen aan het verstevigen van dewaarborgen van rechtvaardigheid en gelijkheid voor alle burgers. Decommissie hoopt dat haar conclusies en aanbevelingen de verschillendestaatsmachten aan het denken heeft gezet en dat dit zal leiden tot eencultuurverandering. Daarbij rust volgens de commissie een zware taak opde Tweede Kamer. Het is aan de Kamer om een nieuw grondrechten-schandaal te voorkomen door voortvarend aan de slag te gaan met deaanbevelingen van de commissie. Maar het is vooral van belang dat allestaatmachten weer kijken naar wat beslissingen voor mensen betekenen.Dat er weer oog is voor mensen en voor hun rechten.61Hoe is het volgens de commissie nu gesteld met een landelijk dekkendnetwerk van laagdrempelige en toegankelijke voorzieningen voor mensenbij sociaaljuridische vraagstukken? Hoeveel voorzieningen zijn er nu enhoeveel moeten erbij? Wat zou het budgettair beslag zijn van zo’nuitbreiding?In het paper dat Prof. mr. Y.E. Schuurmans (hoogleraar Staats- enBestuursrecht) schreef ten behoeve van de parlementaire enquêtecom-missie (bijlage C in het rapport) geeft zij aan dat het stelsel van rechtshulpzeer versnipperd is, diensten verschillen per instantie en de dienstver-lening door het Juridisch Loket smal is. Het loket mag een juridisch adviesgeven, maar het mag niet aan belangbehartiging doen. Ook geeft zij aandat er een problematisch tekort aan sociaal advocaten is. Naar hoeveelvoorzieningen er nu zijn en hoeveel er bij zouden moeten heeft decommissie geen onderzoek gedaan. Dat verschilt ook per gemeente.Duidelijk is wel dat er nu geen landelijk dekkend netwerk van voorzie-ningen is waar mensen terecht kunnen voor hulp en ondersteuning bijsociaaljuridische vraagstukken. Het is van belang dat deze juridischekennis beschikbaar komt en ingezet wordt op zorgvuldige groei. Ook hetbeter organiseren van bestaande hulp, ondersteuning en voorzieningen(en de samenwerking daartussen) kan een rol spelen in het oplossen vande tekorten.62Hoe zou de commissie de verhoging van de vergoeding voor socialeadvocatuur vormgeven? Wat voor tarieven wil de commissie hanteren enwat zou het budgettair beslag van zo’n verhoging?In het paper van prof. mr. Y.E. Schuurmans (bijlage C) geeft zij aan dat eeninadequate beloning van sociaal advocaten vaak wordt genoemd als éénvan de oorzaken van het tekort aan sociaal advocaten. De commissie-Barkhuysen heeft in 2015 in haar eindrapport aangegeven wat nodig isvoor een duurzaam stelsel van gefinancierde rechtsbijstand. Inmiddels iscommissie Van der Meer II aangetreden die de vergoedingen in het stelselvoor gesubsidieerde rechtsbijstand gaat herijken. De commissie verwachtdat de uitkomsten van de commissie Van der Meer II een duidelijkeindicatie zullen geven over de tarieven en budgettair beslag.63Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 825 Hoe zou de commissie de verruiming van de criteria voor gesubsidieerderechtsbijstand willen invullen? En wat zou het budgettair beslag zijn vanzo’n verruiming?Rechtsbijstand is een grondrecht op basis van artikel 18 van de Grondwet.Daarbij hoort een passende financiering vanuit de overheid. Decommissie heeft geen onderzoek gedaan naar het budgettair beslag vande voorgestelde verruimingen. Voor wat betreft de verruiming van decriteria constateert de commissie dat de overheid (via de Wet op derechtsbijstand, Wrb) vaak ten onrechte veronderstelt dat burgers over demogelijkheden beschikken om een juridisch probleem op te lossen. Prof.mr. Y.E. Schuurmans geeft een aantal denkrichtingen voor wat betreft deverruiming van deze criteria. Ze bepleit in het paper dat ze ten behoevevan de commissie schreef dat in de praktijk, waarin burgers bijvoorbeeldonder hoge druk staan, het voor veel mensen onmogelijk is hun recht tezoeken. Daarnaast is gedurende het toeslagenschandaal regelmatig tenonrechte subsidie voor rechtsbijstand onthouden, op grond van dezogenaamde zelfredzaamheidstoets. Volgens het WetenschappelijkOnderzoek- en Datacentrum (WODC) schoten randvoorwaarden voor hetbereiken van het nagestreefde resultaat van de zelfredzaamheidstoetsschoten tekort. Een in te zetten zelfredzaamheidstoets zou in de toekomstdus de daadwerkelijke zelfredzaamheid rondom juridische zaken moetenreflecteren. Schuurmans geeft daarnaast aan dat veel mensen die netboven de inkomensgrens uit de Wrb vallen ook hun recht niet weten tevinden. Financiën is volgens haar voor rechtszoekenden de meestgenoemde reden voor het niet tot stand komen van contact met rechts-hulpverleners.64De commissie stelt dat adviezen bij wetten beter verwerkt moetenworden, is de commissie van mening dat dit ook concreet afgedwongenmoet worden? Is de commissie bijvoorbeeld van mening dat de Raad vanState bij vergaande aanpassing van een wet standaard opnieuw adviesmoet worden gevraagd?De commissie heeft de Tweede Kamer aanbevolen de wijze van verwerkenvan commentaren van de Afdeling advisering van de Raad van State ende Autoriteit Persoonsgegevens in wetsvoorstellen te controleren. Het isaan het kabinet om altijd heel goed inzichtelijk te maken hoe hetcommentaar is verwerkt, dan wel is verworpen en dat goed te beargu-menteren. Het is aan de Tweede Kamer om per geval te beoordelen of eennieuwe beoordeling moet worden gevraagd.65Wat zou het effect zijn van het verminderen van de complexiteit op hetaantal benodigde advocaten in de sociale advocatuur? Zouden erdaardoor minder sociale advocaten nodig zijn?Dit valt moeilijk te zeggen. In theorie zou het verminderen vancomplexiteit van regelgeving kunnen zorgen voor een betere uitvoer-baarheid voor uitvoerenden en betere begrijpelijkheid voor burgers endaarmee het aantal juridische conflicten kunnen terugdringen. Op ditmoment is de regelgeving complex en is het voor burgers lastig om hunrecht te halen in geval van een conflict met de overheid. Daarom isversterking van de sociale advocatuur op dit moment hard nodig.66Hoe kan de onafhankelijkheid van die uitvoeringstoets worden gewaar-borgd? In hoeverre is het wenselijk dat ambtenaren van hetzelfdeministerie deze uitvoeringstoets gaan uitvoeren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 826 De in de aanbevelingen bedoelde lichte uitvoeringstoets naar aanleidingvan amendementen kan worden uitgevoerd door ambtenaren vanhetzelfde ministerie omdat het hier gaat om de eerste appreciatie van dewijziging van het wetsvoorstel. Deze lichte uitvoeringstoets betreft geenvervanging van de meer uitgebreide uitvoeringstoets die zoals te doengebruikelijk door uitvoeringsinstanties wordt uitgevoerd voorafgaand aande invoering van nieuwe regelgeving.67In hoeverre zou het verminderen van het aantal wetten en regels inNederland helpen om de Tweede Kamer haar taken beter te kunnen latenuitvoeren?De Tweede Kamer gaat zelf over de wetten en regels en kan alleen zelfbepalen of dit er minder moeten worden. Via de staten van de uitvoeringwordt regelmatig gewezen op de problemen die complexe en groteaantallen wetten geven in de uitvoeringspraktijk. Dit staat in de TweedeKamer inmiddels ook op het netvlies.68Hoe ziet de commissie de uitvoering van de afkoelperiode voor amende-menten voor zich? Hoe verhoudt dit zich tot het reglement van orde en hetrecht van amendement van Kamerleden?Het doel achter deze aanbeveling is om de zorgvuldigheid van wetgevingte bevorderen door meer tijd te nemen om voorgestelde wijzigingen goedte doordenken. Wanneer amendementen uiterlijk een week voorafgaandaan de stemming worden ingediend, kunnen de Minister, de uitvoering,de Tweede Kamer en de rest van de samenleving er nog goed naar kijken.Als een amendement toch op het laatste moment wordt ingediend en deconsequenties hiervan voor bijvoorbeeld de uitvoering of de samenhangmet andere wetten niet direct worden overzien, kan ervoor wordengekozen een stemming uit te stellen. Het recht van amendement blijfthiermee ongewijzigd van kracht. Mogelijk vergt de doorvoering van dezeaanbeveling een aanpassing van het reglement van orde; de Commissievoor de Werkwijze zou gevraagd kunnen worden met een voorstel tekomen voor introductie van deze afkoelperiode.69Kan de commissie nader uiteenzetten waarom individuele ondersteu-ningsbudgetten van Kamerleden een verbetering zou kunnen zijn en hoedit anders is ten opzichte van de huidige situatie?De ondersteuning van Kamerleden is van groot belang. IndividueleKamerleden kunnen het verschil maken voor mensen. Aangezien fractiesmomenteel deze ondersteuning ontvangen, en niet de Kamerleden zelf,zijn zij voor hun ondersteuning afhankelijk van gestelde regels,voorschriften en/of werkwijze van de fractie. In voorkomende gevallen kanhiermee de onafhankelijkheid van individuele Kamerleden onder drukkomen te staan. Het is daarom nodig te onderzoeken hoe de positie vanKamerleden kan worden versterkt en of zij individueel beschikking kunnenkrijgen over ondersteuningsbudgetten.Daarnaast wijst de commissie op de beschikbare ondersteuning vanuit deambtelijke organisatie van de Tweede Kamer. Kamercommissies krijgenextra ondersteuning vanuit de Dienst Analyse en Onderzoek, bijvoorbeeldbij de begrotings- en verantwoordingscyclus en het uitzetten van externonderzoek. De commissie vindt dat ook de ondersteuning vanuit deambtelijke diensten in de Tweede Kamer verder versterkt moet worden.70Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 827 Zou het meer betrekken van bijvoorbeeld marktpartijen en uitvoerders inde praktijk helpen bij het verbeteren van wetsvoorstellen?De commissie heeft zelf geen onderzoek gedaan naar de betrokkenheidvan bijvoorbeeld marktpartijen en uitvoerders bij de totstandkoming vanwetsvoorstellen, en kan hier dan ook geen nadere uitspraken over doen.71Wat wordt bedoeld met de passage dat er vooral oog was voor hetoplossen van de problemen van de overheid? Op welke problemen wordtgedoeld?De commissie constateert in haar onderzoek dat het kabinet bij detotstandkoming en aanpassing van wetgeving vooral kijkt naar degevolgen voor overheidsinstellingen, zoals capaciteitsproblemen.Een voorbeeld hiervan is de keuze om de uitvoering van de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir) bij de Belastingdienst tebeleggen, ondanks kritiek van de uitvoeringsorganisatie zelf. Het kabinetkiest voor de Belastingdienst als uitvoerder, omdat de organisatie albeschikt over inkomensgegeven en gewend is aan massale processen.Ook hier wordt niet gedacht vanuit de belangen van mensen en welkeuitvoeringsorganisatie verstand heeft van de doelgroep, maar deorganisatorische belangen van de uitvoeringsorganisatie.72Welke alternatieven waren er destijds voor de uitvoering en waarom isdaar destijds niet voor gekozen?Een alternatief voor de Belastingdienst was bijvoorbeeld de SocialeVerzekeringsbank (SVB, zie p.114). Het kabinet kiest ervoor om deuitvoering van het toeslagenstelsel bij de Belastingdienst te leggen omdatde Belastingdienst veel ervaring heeft met massale processen en beschiktover informatie van inkomens van Nederlanders.Een alternatief voor de boekhoudingscontroles bij de GGD was eenlandelijke inspectie, een nieuwe rijksinspectie of bijvoorbeeld aansluitenbij de Inspectie voor het Onderwijs. In de nota naar aanleiding van hetverslag op de vragen over de Wet basisvoorziening kinderopvang geefthet kabinet aan dat een uitgangspunt bij de inrichting van toezichtarrange-menten, overeenkomstig de kabinetsnota Kaderstellende visie op toezichtis dat waar er rijksverantwoordelijkheid ligt voor toezichthoudende taakdeze gekoppeld is aan de ministeriële verantwoordelijkheid voor eenbepaald beleidsterrein. «In het geval de toezichthoudende taak zouworden belegd bijvoorbeeld bij de Inspectie voor het Onderwijs zou dituitgangspunt worden verlaten. Dit heeft niet de voorkeur van de regering.Bovendien zou dit ertoe leiden dat er steeds extra aandacht moet zijn vooreen zorgvuldige verdeling van de ministeriële verantwoordelijkheid voorhet toezicht. Bij positionering van een mogelijke rijksinspectie bij deMinister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) is dat geen issue.»Zie Kamerstuk II 2002/03, 28 447, nr. 7. (en voor de vragen Kamerstuk II2002/03, 28 447, nr. 5).73Is er in het politieke debat aandacht geweest voor de hoge bedragen diemet de kinderopvangtoeslag gemoeid gingen in relatie tot de voorschotre-geling en eventuele terugvorderingen en zo ja op welke wijze?In de plenaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir) op 19 januari 2005 is daar ondermeer aandacht voor geweest. Zo vraagt het lid Noorman-den Uyl (PvdA)de bewindslieden of zij bereid zijn om een gematigder terugvorderingsre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 828 geling te hanteren: «Ik vraag dat, omdat mensen zonder dat zij dat wetenin een lopend jaar, een schuld kunnen opbouwen die vervolgens wordtteruggevorderd op basis van de vrij starre Invorderingswet 1990.» [...] »Jeweet pas aan het eind van het jaar wat je krijgt. Omdat je van tevoren jeinkomen niet kent, is het een gok. Sommige mensen durven geen risico tenemen en vragen om minder toeslag. Dat is risicovol, omdat zij dat geldeigenlijk heel hard nodig hebben. Andere mensen kunnen niet zo goedrekenen en vragen om een te hoge toeslag. Dat is ook risicovol, want zijbouwen een schuld op en niet zo’n kleine ook. Wij hebben het overduizenden euro’s!» Zie Handelingen II 2004/05, nr. 39, pag. 2594–2624.74Was er een verjaringstermijn voor een terugvordering?Ja, 5 jaar (na de laatste dag van het berekeningsjaar).75Wat was de aard van de principiële bezwaren van Minister Zalm?In het rapport «Tussen ambitie en uitvoering. Een contextanalyse van dedynamiek tussen media, politiek en beleid bij totstandkoming enuitvoering 30 jaar sociale zekerheid» dat de commissie heeft latenuitvoeren door de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) wordt ditbeschreven. De Minister van Financiën Gerrit Zalm vond dat eenuitvoeringsorganisatie niet verantwoordelijk moest zijn voor zowel hetinnen als het uitdelen van belastinggeld. De fiscus was er volgens hemom geld te innen, niet om uit te delen. Hij stelde dat het geen «uitkerings-fabriek» moest worden (zie bijlage bij Kamerstuk II 2023/24, 35 867 nr. 6,p.77).76De commissie stelt dat het feit dat het een nieuwe taak en doelgroep voorde Belastingdienst betrof en er zorgen waren over de uitvoerbaarheiddoor de Belastingdienst van ondergeschikt belang in de discussie leek tezijn, welke overwegingen waren wel doorslaggevend voor het besluit?Het kabinet kiest ervoor om de uitvoering van het toeslagenstelsel bij deBelastingdienst te leggen omdat de Belastingdienst veel ervaring heeftmet massale processen en beschikt over informatie van inkomens vanNederlanders.Dit staat onder andere beschreven in de memorie van toelichting van deWet kinderopvang (Kamerstuk II 2001/02, 28 477, nr. 3) Zie verder ook hetantwoord op vraag 71.77Waaruit blijkt dat het kabinet niet genoeg tijd heeft gegeven voor deinrichting van de systemen, was dit bij invoering kenbaar en wat was dereden om toch door te zetten?Dit blijkt uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer. De AlgemeneRekenkamer deed van mei tot augustus 2007 onderzoek naar deICT-systemen van de Belastingdienst die zijn gebouwd naar aanleidingvan de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen(Awir). Vanwege politieke druk werd het ICT-project toch doorgezet. In hetrapport «ICT-project huur- en zorgtoeslag» staat: «De Minister vanFinanciën heeft de Tweede Kamer in het voorjaar van 2004 laten weten datde Belastingdienst per 1 januari de huur- en zorgtoeslag zou kunnenuitvoeren. Op dat moment was er nog niet voldoende detailinformatiebeschikbaar om goed te kunnen vaststellen of het ICT-project haalbaarwas in de tijd en binnen de begroting. Daarna is er voor de zorgtoeslagTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 829 geen tussentijds evaluatiemoment geweest om de haalbaarheid tebeoordelen. De politieke druk om per 1 januari 2006 de eerstevoorschotten voor de zorgtoeslag uit te betalen was zo groot, dat uitstelniet goed mogelijk was. Op die datum ging namelijk het nieuwezorgstelsel in.»(Kamerstuk II 2007/08, 31 333, nr. 2).78Wat wordt bedoeld met «onder druk van Sociale Zaken en werkgele-genheid»?Dit verwijst naar de discussie over de alles-of-nietsbenadering. De heerBlankestijn verklaarde in zijn openbaar verhoor dat hij druk voelde van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om de strengelijn aan te houden (verslag openbaar verhoor met de heer Blankestijn,28 september 2023, Kamerstuk II 2023/24, 35 867 nr. 7). In paragraaf 4.4staat uitgebreid beschreven hoe de betrokken partijen aankeken tegen dealles-of-nietsbenadering en welke standpunten zij daarin innamen.79Is het onderscheid tussen terugvorderingsverplichting en terugvorde-ringsbevoegdheid ook onderwerp van politieke discussie geweest ofbetrof het enkel een juridische discussie die politiek en ambtelijk isopgevolgd?De combinatie van onduidelijke wetgeving (de Algemene wet inkomensaf-hankelijke regelingen, Awir, in samenhang met de Wet kinderopvang,Wko) en het gebrek aan een inhoudelijke politieke discussie daarover,heeft ertoe geleid dat de uitvoering (de Belastingdienst en de DienstToeslagen) en in navolging daarvan de rechtspraak (de Afdeling Bestuurs-rechtspraak van de Raad van State) de wet- en regelgeving zelf moestenduiden en interpreteren, waaruit uiteindelijk de alles-of-nietsbenadering isontstaan.80Wat is de reden dat er geen definitief wetsvoorstel wordt ingediend?Zoals in paragraaf 9.3.2 (pp. 106–107) staat beschreven, stuurt Staatsse-cretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Tamara van Ark op25 april 2018 een brief aan de Tweede Kamer met de toelichting van hetkabinet. Zij stelt: «De afgelopen jaren zijn er echter veel verbeteringeningezet bij de Belastingdienst, met als doel het terugdringen van de (hoge)terugvorderingen bij burgers. De Belastingdienst heeft, naar mijn oordeel,meer grip op de processen gekregen en stabiliteit in de uitvoering van dekinderopvangtoeslag gebracht.» Ook stelt zij dat de Belastingdienstverbetervoorstellen heeft gedaan binnen de kinderopvangtoeslagwaarmee de negatieve effecten van de voorschotsystematiek wordenverzacht. Daarom wil het kabinet koersen op verbeteringen binnen hetstelsel. (Kamerstuk II 2017/18, 31 322, nr. 361).De commissie constateert in haar rapport dat de wetgever vaak nietbereid was om problemen op te lossen en meerdere kansen heeft gemistom deze problemen aan te pakken. De keuze van de wetgever om hiergeen definitief wetsvoorstel in te dienen, ziet de commissie als een van degemiste kansen.81Wat was de reden waarom de geschetste opties niet in de Kamerbriefterecht zijn gekomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 830 In haar rapport constateert de commissie dat bij besluitvormingaangaande het fraudebeleid, het toeslagenstelsel en sociale zekerheids-systeem, steeds andere zaken belangrijker waren dan de belangen voormensen. Organisatorische belangen van uitvoeringsorganisaties,financiële belangen van ministeries of politieke belangen speelden telkensde boventoon. De commissie heeft geen reconstructie gemaakt van detotstandkoming van deze Kamerbrief, maar ook in de periode van dezeKamerbrief ziet de commissie dit bredere patroon waarin politiekeafwegingen belangrijker waren dan het oplossen van de inhoudelijkeproblemen.82Zijn er mitigerende maatregelen naar aanleiding van de signalen getroffenen zo ja welke?Zoals de commissie aangeeft, zijn er vanaf het begin veel waarschu-wingen en signalen geweest dat de Algemene wet inkomensafhankelijkeregelingen (Awir) burgers hard zou raken en werden er verschillendeoplossingen aangereikt, maar die zijn nooit opgevolgd. Uit het onderzoekvan de commissie blijkt dat bij de behandeling van het wetsvoorstelverschillende amendementen werden ingediend om de nadelen van devoorschotsystematiek te beperken, maar die werden allemaal afgewezen(zie ook paragraaf 9.2.4).In de daaropvolgende jaren zijn diverse rapporten verschenen over deproblemen van het toeslagenstelsel. Desondanks werden er geenfundamentele stappen gezet om het stelsel te vereenvoudigen. De kernvan het probleem werd niet aangepakt, namelijk het onderscheid tussende voorlopige en de definitieve toeslag. Een mogelijke oplossing voor ditprobleem, zoals directe financiering van de kinderopvangtoeslag, kreegonvoldoende politieke steun (zie ook paragraaf 4.2.6).83Geeft de Raad van State ook alternatieven over hoe de knelpunten zoudenkunnen worden opgelost zonder ingrijpende reorganisatie?Nee, in het Raad van State advies worden geen alternatieven gegevenvoor het oplossen van deze knelpunten. Het advies vraagt of dezeknelpunten kunnen worden opgelost zonder ingrijpende reorganisatie envraagt het kabinet hier in de toelichting op in te gaan.84Wat was de achterliggende motivatie van het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) om de input van het Ministerie vanFinanciën zwaarder te laten wegen dan de eigen punten?De Belastingdienst achtte de maatregel – het koppelen van het aantal uurarbeid aan het aantal uur opvang – niet uitvoerbaar. De Staatssecretarisvan Onderwijs Cultuur en Wetenschap Sharon Dijksma verklaarde in haaropenbaar verhoor dat OCW deze maatregel heel graag wilde, maar dat hetin de praktijk ook moest kunnen. Omdat de koppeling niet uitvoerbaarwas, heeft de Staatssecretaris deze maatregel niet doorgezet.85Wat waren de overwegingen dat ouders die de dupe waren vanproblemen van de administratie van of door fraude van de gastouder nietonder de pardonregeling vielen?De pardonregeling betrof een andere casus dan fraudezaken metgastouderbureaus. De pardonregeling zag specifiek op gastouders die nietop tijd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerdTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 831 stonden. Vraagouders zouden daardoor hun recht op kinderopvang-toeslag verliezen. Met deze regeling werd dat voorkomen.86Op welke wijze werden de gastouderbureaus die fouten hadden gemaaktof fraude hadden gepleegd zelf (financieel) geraakt?Als op basis van onderzoek door de Belastingdienst en de GGD werdgeconstateerd dat een gastouderbureau fraudeerde, werd het gastouder-bureau en de gastouders uitgeschreven uit het Landelijk RegisterKinderopvang (LRK). Daarmee voldeden zij niet langer aan de benodigdekwaliteitseisen en kregen vraagouders die hier stonden ingeschrevengeen kinderopvangtoeslag meer, met als gevolg dat vraagouders zich bijeen ander gastouderbureau moesten inschrijven als zij nog kinderopvang-toeslag wilden ontvangen. Het gastouderbureau verloor daarmee zijninkomsten.87Wat was de reden dat het Ministerie van SZW niet wilde afwijken en inhoeverre is dit enkel op ambtelijk niveau gewogen binnen SZW of ook oppolitiek niveau?De precieze reden dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-genheid (SZW) niet wilde afwijken, is niet duidelijk geworden. Wel wassprake van complexe problematiek door de wijze waarop de wet wasvormgegeven, in combinatie met de uitspraak van de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Een wetsaanpassing om het«lek» (waardoor feitelijk gratis kinderopvang mogelijk was) te dichten,was volgens alle betrokkenen niet eenvoudig.De problematiek is aanvankelijk zowel op ambtelijk als op politiek niveaugewogen, zoals staat beschreven op p. 133 van het rapport. Dit zag danmet name op (de impact van) de uitspraak van de ABRvS inzake deAppelbloesem, waardoor de wet feitelijk ruimte bood voor gratiskinderopvang. Ten aanzien van het invorderingstraject en de impactdaarvan op de ouders is in elk geval op ambtelijk niveau overleg geweesttussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van SZW, zoals naarvoren is gekomen in het openbaar verhoor met de heer Blankestijn op28 september 2023 (Kamerstuk II 2023/24, 35 867 nr. 7). Op politiek niveauheeft de commissie geen nadere afstemming kunnen vinden. ToenmaligMinister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscher heeft inzijn openbaar verhoor voor de parlementaire ondervragingscommissieKinderopvangtoeslag op 23 november 2020 ook verklaard zich niet tekunnen herinneren expliciet in te hebben gestemd met invordering.88Betekent het ontbreken van «subjectieve verwijtbaarheid» dat er perdefinitie werd uitgegaan van verwijtbaarheid in de definitie van objectieveverwijtbaarheid omdat verwijtbaarheid in algemene zin niet nadergedefinieerd was?Voorop wordt gesteld dat niet langer aan objectieve, dan wel subjectieveverwijtbaarheid wordt getoetst.De mate van verwijtbaarheid wordt bepaald op grond van objectieve ensubjectieve verwijtbaarheid:Objectief: heeft de belanghebbende feitelijk de inlichtingenplichtgeschonden?Subjectief: wist de belanghebbende of kon hij redelijkerwijs weten dat hijde inlichtingenplicht schond?Voor het toetsen aan de verwijtbaarheid moest eerst worden vastgestelddat de belanghebbende feitelijk de inlichtingenplicht had geschonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 832 Oftewel: eerst werd beoordeeld of de objectieve verwijtbaarheid wasgeschonden, daarna werd beoordeeld of dit ook – in subjectieve zin – aande belanghebbende kon worden toegerekend.89Waar zat het verschil van inzicht tussen de Minister van SZW en het UWVover de ruimte die er al dan niet was om een waarschuwing te geven? Enis hier nog nader juridisch advies over ingewonnen?Het verschil van inzicht tussen het UWV en het Ministerie van SocialeZaken en Werkgelegenheid (SZW) betrof een verschillende lezing van defraudewet. De juristen van SZW stelden dat de wet ruimte bood op hetmoment dat een zelfmelder binnen maximaal tien dagen alsnog aan hetUWV meldde weer aan het werk te zijn. Op het moment dat iemand eenuitkering heeft ontvangen is er feitelijk sprake van een benadeling envolgens SZW was er dan geen ruimte voor een waarschuwing. De Raadvan Bestuur van het UWV zag deze ruimte wel door deze casussen tebehandelen alsof er nog geen benadelingsbedrag was.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lodewijk Asscherheeft naar aanleiding van de discussie gevraagd om beide standpuntenvoorgelegd te krijgen met de mogelijke risico’s en de betreffendewetteksten. Uit de notitie over de knelpunten van de fraudewet die hieropvolgt, blijkt dat UWV-juristen de ruimte hebben gezocht in de bedoelingvan de wetgever («geest der wet»). SZW-juristen hebben naar deletterlijke tekst van de wet- en regelgeving gekeken («letter der wet»).Hierdoor ontstaat het verschil in interpretatie over de werkelijke beleids-ruimte.In het geval van het voorstel van UWV om een waarschuwing op teleggen, stelt SZW dat op het moment dat zelfmelders al een uitkeringhebben ontvangen er altijd sprake is van een benadelingsbedrag. Opgrond van de wet kan een waarschuwing alleen worden opgelegd als ergeen sprake is van een benadelingsbedrag.Het UWV stelt voor om uit te gaan van «een juridische fictie» dat bij degroep zelfmelders geen sprake is van een benadelingsbedrag. Dit isvolgens het UWV in de geest van de wet. SZW stelt dat deze optiecontra-legem is en stelt bovendien dat dit ook niet in de geest van de wetis: de fraudewet gaat juist uit van streng sanctioneren van het overtredenvan de inlichtingenplicht, zo stelt het ministerie.Op basis van deze voorstellen besluit de Minister geen ruimte te gevenaan het UWV om een waarschuwing te geven.90Waarom heeft de brief van 13 mei 2011 geen plek gekregen in het beleiden de jurisprudentie?Deze brief heeft wel degelijk een plek gekregen in het beleid en dejurisprudentie. De eerdere brief van 10 maart 2011 van Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid Henk Kamp en de Staatssecretaris vanSociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de Krom betrof maatregelen voorfraudeaanpak binnen de sociale zekerheid en een eerste voorstel voormaatregelen voor de kinderopvangtoeslag. De brief van 13 mei 2011 vanMinister Kamp (SZW) en de Staatssecretaris van Financiën Frans Weekersbetrof alleen maatregelen voor de fraudeaanpak van kinderopvang-toeslag.In de brief van 10 maart 2011 wordt gesproken over een boete van 100%voor verwijtbare fraude met kinderopvangtoeslag. In de brief van 13 mei2011 wordt gesproken over een maximale boete van 100% voor fraudemet kinderopvangtoeslag. De lijn van deze tweede brief, die van 13 meiTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 833 2011, krijgt uiteindelijk een plek in het beleid van de kinderopvangtoeslag.(Kamerstuk II 2010/11, 17 050, nr. 403 en Kamerstuk II 2010/11, 31 322, nr.123).91Hoe lang heeft dit verschil bestaan?Dit verschil komt deels voort uit het feit dat het altijd twee verschillendebeleidslijnen zijn geweest: die aan de kant van toeslagen en die aan dekant van uitkeringen. Uit de Kamerbrief van 10 maart 2011 van de Ministervan Sociale Zaken en Werkgelegenheid Henk Kamp en de Staatssecretarisvan Sociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de Krom blijkt wel dat hetkabinet het voornemen had om de fraudeaanpak van het kabinet vooruitkeringen ook te laten gelden voor toeslagen. In die brief staat: «Wegebruiken voor de aanpak van fraude met kinderopvangtoeslag dezelfdeuitgangspunten en dezelfde aanpak. In principe is de boete op verwijtbarefraude 100% van het fraudebedrag.» Dit wordt dus uiteindelijk nietgerealiseerd: bij kinderopvangtoeslag wordt gewerkt met een daadwerke-lijke maximumboete in plaats van het maximum als standaardboete.De standaardboete aan de uitkeringenkant vervalt per 24 november 2014door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Vanaf datmoment moeten overtredingen altijd beoordeeld worden op de ernst vande overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden vande burger. Vanaf dat moment is er dus geen verschil meer tussentoeslagen en de sociale zekerheid als het gaat om het uitdelen van eenstandaardboete van 100%.92Welke stappen zijn er naar aanleiding van het eindgroep van dewerkgroep die het interdepartementale beleidsonderzoek Vereenvou-diging Toeslagen opstelt genomen om de aanbevelingen uit te latenvoeren?Zie paragraaf 4.2.6 van het rapport. In de kabinetsreactie op het rapportschrijft Staatssecretaris van Financiën Jan Kees de Jager dat een aantalvan de voorgestelde maatregelen wordt overgenomen en ingevoerd per1 januari 2011. Het gaat dan vooral om kleine aanpassingen, zoals hetterugbrengen van gebruikte categorieën en definities en het verruimenvan de aanvraagtermijn. Andere, meer vergaande maatregelen, zoals hetvaststellen van de kinderopvang-toeslag op basis van een genormeerdeuurprijs of het uitkeren van 90% van het voorschot, kunnen niet op kortetermijn worden ingevoerd. Deze wil het kabinet verder laten onderzoeken.Echter, vier maanden na het verschijnen van dit rapport valt het kabinet-Balkenende IV op 20 februari 2010. Door de demissionaire status van hetkabinet worden de aanbevelingen van de werkgroep niet verder uitge-werkt.93Ligt de verantwoordelijkheid van het inschatten van het kantelpunt bij eenuitkeringsgerechtigde bij een individuele medewerker van een gemeente?Zo ja, welke bevoegdheden heeft deze medewerker nog meer die vaninvloed kunnen zijn op het eventueel aanmerken als fraudeur van eenuitkeringsgerechtigde?De commissie heeft geen onderzoek gedaan naar de uitvoeringspraktijkvan gemeenten. Elke gemeente gaat over haar eigen uitvoering. Dezevraag valt daarmee buiten de scope van het onderzoek. Wel acht decommissie het van belang dat verplichtingen waar mensen aan moetenvoldoen om in aanmerking te komen voor een toeslag of uitkeringTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 834 duidelijker moeten zijn. Mensen mogen niet de dupe worden vanonduidelijk beleid.94Wat zijn de redenen dat er door het kabinet is gekozen voor een ruimerbegrip bij de toepassing van de term fraude dan door de AfdelingAdvisering van de Raad van State is geadviseerd?Zie paragraaf 5.3.7 van het rapport: Het kabinet schrijft in haar reactie ophet Raad van State advies om alleen fraude te gebruiken als bedrogbedoeld wordt, het volgende: «Fraude is geen juridisch maar eenmaatschappelijk begrip. Het advies van de Afdeling om in de geheletoelichting het begrip fraude alleen te gebruiken als daarmee bedrog isbedoeld, wordt niet overgenomen. In dit wetsvoorstel wordt een ruimerbegrip fraude gehanteerd.»Het voornemen om fraude met uitkeringen harder aan te pakken, komtvoort uit het regeerakkoord Rutte-I. Daarin staat: «Hardere aanpak fraudeuitkeringen. Fraude met uitkeringen ondermijnt de solidariteit. Onterechtverstrekte uitkeringen zullen daadwerkelijk worden teruggevorderd,ongeacht de hoogte van de fraude.» Dit voornemen wordt uitgewerkt inde kamerbrief van de Minister van Sociale Zaken en WerkgelegenheidHenk Kamp en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en WerkgelegenheidPaul de Krom van 10 maart 2011. Daarin staat: «Fraude mag niet lonen, teveel ontvangen uitkering door burgers of genoten economisch voordeeldoor bedrijven wordt geheel teruggevorderd.»95Hoe vaak zijn er in totaal signalen afgegeven tussen de GGD en Belasting-dienst na aanpassing van de Wet kinderopvang?De commissie heeft een verklarend onderzoek gedaan en heeft geenreconstructie gemaakt van (aantallen van) specifieke fraudegevallen ofcasussen. Wel heeft de commissie geconstateerd dat de samenwerkingtussen de GGD en de Belastingdienst na de aanpassing van de Wetkinderopvang (Wko) in 2010 incidenteel is. Dit contact krijgt in 2014 eenstructureel karakter met de start van het project «Kwaliteitsverbetering enfraudebestrijding gastouderopvang», waarin de GGD en de Belasting-dienst samenwerken om de pedagogische kwaliteit van gastouderopvangte verbeteren en fraude tegen te gaan.96Van hoeveel gevallen is bekend dat een gastouderbureau heeft gefrau-deerd en dat ouders uiteindelijk een terugvordering van de kinderopvang-toeslag hebben gekregen?De commissie heeft een verklarend onderzoek gedaan en heeft geenreconstructie gemaakt van (aantallen van) specifieke fraudegevallen ofcasussen.97Worden ouders bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag geïnformeerdover hun wettelijke verantwoordelijkheid voor een juiste aanvraag? Zo ja,op welke wijze gebeurd dit en is dit gebeurd?De commissie heeft niet specifiek onderzoek gedaan naar de wijze waaropmensen werden geïnformeerd over het aanvragen van een kinderopvang-toeslag. Wel blijkt uit het onderzoek van de commissie dat de wetgeverervoor had gekozen om veel verantwoordelijkheid bij mensen te leggen.Het risico op het maken van een fout bij een aanvraag voor kinderopvang-toeslag was groot – zo moesten wel 70 vakjes op een formulier wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 835 ingevuld, en dat voor ieder kind. De gevolgen van het maken van een fout– een volledige terugvordering van de kinderopvangtoeslag volgens dealles-of-nietsbenadering – werd bij de mensen gelegd.De commissie stelt vast dat er een mismatch was tussen wat de overheidvan mensen verwachtte en wat er van mensen verwacht kon worden.Vaak was onduidelijk welke gegevens mensen moesten aanleveren en/ofwas daar verwarring over. Zo werd bijvoorbeeld van mensen gevraagdom van tevoren hun inkomen te schatten. Dat kan heel lastig zijn, zeker alsje een wisselend inkomen hebt. Daarbij konden mensen iets andersverstaan onder «inkomen» dan de overheid. Sommige mensen warenbovendien in de veronderstelling dat de overheid de beschikking had overal hun actuele (inkomens)gegevens, waardoor zij ervan uitgingen dat zijniet bij iedere wijziging bij alle instanties zelf een wijziging moestendoorgeven. Door de complexiteit van het stelstel werd het mensen heellastig gemaakt om de verantwoordelijkheid te dragen voor een juisteaanvraag.98Waren er vanaf 2010 aanleidingen om het beleid bij fraudebestrijding tewijzigen van meer preventieve handhaving naar handhaving achteraf? Zoja, wat waren deze aanleidingen?De commissie constateert dat het nieuwe handhavingsprogramma van2010 wordt gewijzigd van meer preventieve handhaving naar handhavingachteraf naar aanleiding van het regeerakkoord Rutte-I.Dit vindt onder andere zijn uitwerking in de fraudewet. De Afdelingadvisering van de Raad van State en ambtelijk SZW waren kritisch over denoodzaak van de fraudewet. De Raad van State stelt in haar advies overde fraudewet dat de noodzaak van de strengere fraudeaanpak onvol-doende is onderbouwd. In het advies staat: «De Afdeling is van oordeeldat de argumentatie om tot een forse verzwaring van het sanctieregime(sociale zekerheid) te komen, beperkt is en niet overtuigd. Nodig is eensluitend betoog over het verband tussen de omvang van de «fraude» ende voorgestelde verzwaring van het sanctieregime. De Afdeling adviseertdaartoe.» Daarnaast concludeert de Raad van State dat het niet isuitgesloten dat de omvang van fraude een gevolg is van niet optimalehandhaving en dat een verzwaring van het sanctieregime pas aan de ordeis als alle bestaande middelen van handhaving niet voldoen.99In 2009 was de schatting dat 5,8% van de uitkeringsgerechtigden in deWW zwart werk had verricht. Hoe verhoudt dit percentage zich tot de jarendaarvoor? Is er sprake van een stijging of daling in zwart werk?Een onderzoek naar de informele economie (zwartwerk) onder uitkerings-gerechtigden werd in 2011 voor het vijfde opeenvolgende jaar uitgevoerddoor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), in samenwerking methet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW): https://www.cbs.nl/-/media/imported/documents/2012/39/2012-onderzoek-zwartwerk-2011-art.pdf?la=nl-nl. In dit onderzoek werd een schattinggegeven van het percentage zwartwerkers onder uitkeringsgerechtigden.Voor de WW was dit van 2007 tot en met 2011 respectievelijk 5,3%, 5,4%,5,8%, 6,9% en 6,6%. Er is dus sprake van een ingeschatte lichte stijgingtussen 2007 en 2009.100Kan de commissie een overzicht geven van de ontwikkeling van hetnalevingsniveau van socialezekerheidswetgeving in de afgelopen 15jaren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 836 De commissie kan hier geen totaalbeeld van geven.101Is het waar dat boetes in de sociale zekerheid sinds 1997 niet meer warenaangepast aan inflatie? Zo ja, wat waren hiervoor de redenen?De boetes onder de Wet Boeten, maatregelen, terug- en invorderingsociale zekerheid (BMTI) zijn niet geïndexeerd aan de inflatie maar welaangepast. De reden weet de commissie niet.De Wet Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving(fraudewet) kende bij de inwerkingtreding van de wet in 2013 eenminimumboete van € 150,00 die nooit is aangepast. De minimumboete iskomen te vervallen naar aanleiding van de uitspraak van Centrale Raadvan Beroep (CRvB) in november 2014. In 2017 is dit ook wettelijkaangepast via de Wet wijziging van de socialezekerheidswetten in verbandmet de regeling van de bestuurlijke boete (aanpassing fraudewet). Dehoogte van alle andere boetes onder de Fraudewet worden berekend alspercentage van het benadelingsbedrag naar gelang de mate vanverwijtbaarheid. Deze boetes kennen sinds de uitspraak van de CRvB eenboetemaximum dat gekoppeld is aan de boetemaxima per categorie inhet wetboek van Strafrecht (art. 23), de bestuurlijk boete bedraagt tenhoogste het bedrag uit de vijfde categorie. De generieke boetemaxima inhet wetboek van strafrecht zijn voor het laatst aangepast per 1 januari2024.102Heeft de commissie ook gekeken naar de wijze van rechterlijke toetsing(marginale toetsing) in het bestuursrecht? Heeft de commissie de indrukdat de recente uitspraken van de hoogste bestuursrechters voldoenderuimte geeft aan de rechtspraak om een betere belangenafweging temaken in individuele gevallen?Zie het antwoord op vraag 104.103Hoe beoordeelt de commissie het feit dat door de marginale toetsing inhet bestuursrecht (artikel 3.4 Awb) een besluit pas in strijd met hetevenredigheidsbeginsel was als er sprake was van een kennelijk onrede-lijke belangenafweging?Zie het antwoord op vraag 104.104Hoe beoordeelt de commissie het feit dat de menselijke maat sinds deuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op2 februari 2022 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van11 oktober 2022 meer wordt toegepast in het bestuursrecht? Heeft decommissie in haar onderzoek een gewijzigde lijn in het bestuursrechtwaargenomen?De commissie heeft uiteraard oog gehad voor de wijze van toetsing in debestuursrechtspraak, waarbij lange tijd werd getoetst aan het «willekeur-criterium»: een besluit was pas in strijd met het evenredigheidsbeginselals sprake was een kennelijk onredelijke belangenafweging. Daarbij heeftde commissie geconstateerd dat deze wijze van toetsing niet altijd rechtdoet aan de rechtspositie en rechtsbescherming van mensen. Meerrecent, en buiten de onderzoeksperiode van de commissie, heeft debestuursrechtspraak nadrukkelijk meer aandacht gekregen voor de mensen de menselijke maat met een ruimere toetsing aan het evenredigheids-beginsel, wat onder andere tot uitdrukking is gekomen in de uitspraak vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 837 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 februari 2022(ECLI:NL:RVS:2022:285), de uitspraak van de Centrale Raad van Beroepvan 11 oktober 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2207) en onlangs nog deuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190). Dit neemt echter niet weg dat dezeverhoogde aandacht in de rechtspraak en jurisprudentie nog niet bij wet isgeregeld. Dit is ook reden geweest voor de commissie om een aanbe-veling te doen om een algemene evenredigheidsbepaling in de wet teverankeren, zodat in alle gevallen en ten aanzien van iedereen oog moetzijn voor een evenredige uitkomst.105Wat kunnen criteria zijn om een boete met verminderde verwijtbaarheid tegeven?De criteria voor verminderde verwijtbaarheid staan uitgebreid beschrevenin paragraaf 4.5 van het rapport. Bij invoering van de fraudewet werden inhet bijbehorende boetebesluit de volgende criteria genoemd om iemandverminderd verwijtbaar te achten:–de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandighe-den, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hemweliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan deinlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrich-tend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtin-gen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;–de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hemde overtreding niet volledig valt aan te rekenen [...];–de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist ofonvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandighe-den niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juisteinlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzijde betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader vantoezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.De lijst van criteria is niet limitatief: uitvoeringsorganisaties zouden deruimte krijgen om ook in andere gevallen verminderde verwijtbaarheidaan te nemen. Deze ruimte wordt echter ook weer ingeperkt door de notavan toelichting van het boetebesluit. Als iemand de Nederlandse taal nietmachtig is of als een uitkeringsgerechtigde langere tijd niet in staat is zijnbelangen te behartigen, komt diegene in elk geval niet in aanmerking voorverminderde verwijtbaarheid.106Wat verklaart de stijging van het totale boetebedrag in 2014 ten opzichtevan het totale boetebedrag in 2013?De gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bevattenalle terug- en boetevorderingen voor het schenden van de inlichtingen-plicht voor de algemene bijstand. Op basis van deze gegevens is het nietmogelijk om uitspraken te doen over de oorzaak van de stijging van hettotale boetebedrag in 2014 ten opzichte van 2013.107Wat verklaart het verschillende optreden in vergelijkbare gevallen doorgemeenten waar het sanctionering van overtredingen betreft? Zijn erhiervoor duidelijke criteria in de fraudewet voorgeschreven en kan er bijde toepassing hiervan sprake zijn van discretionaire bevoegdheden vanambtenaren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 838 De commissie heeft geen onderzoek gedaan naar de uitvoeringspraktijkvan gemeenten. Deze vraag valt daarmee buiten de scope van hetonderzoek. Het onderzoek van de commissie heeft laten zien dat dediscretionaire bevoegdheid van ambtenaren is ingeperkt met de komstvan de fraudewet. Onder de Wet boeten, maatregelen en terug- eninvordering sociale zekerheid (BMTI) was het opleggen van een boetegeen verplichting, na invoering van de fraudewet wel. De commissie heeftgeen onderzoek gedaan naar de uitvoeringspraktijk van gemeenten enheeft niet gekeken naar hoe criteria van verminderde verwijtbaarheid zijngeïnterpreteerd en toegepast door verschillende gemeenten en uitvoe-ringsorganisaties.108Waarom is er voor gekozen om voor wisselende grensbedragen te kiezenbij het beoordelen of er sprake is van opzet/grove schuld?Deze wisselende grensbedragen werden ingevoerd vanuit efficiencyover-wegingen. Zo blijkt uit onderzoek van de Auditdienst Rijk (ADR) dat ervoor bepaalde periodes grensbedragen werden aangepast zodat dewerkpakketten beheersbaar bleven. Ze waren bedoeld als «versnellings-maatregelen», zo blijkt uit interne memo’s van de Dienst Toeslagen(Onderzoeksrapport ADR Grensbedragen opzet/grove schuld (O/GS) enminnelijke schuldsanering MSNP. Bijlage bij Kamerstuk II 2020/21, 31 066,nr. 915). Grensbedragen werden dus afhankelijk van de beheersbaarheidvan de werkpakketten aangepast.109Hoe oordeelt de commissie over de reacties op de bevindingen van deenquêtecommissie met betrekking tot het toezicht op en de handhavingvan wet- en regelgeving om misstanden te voorkomen?De commissie heeft onderzoek gedaan en haar bevindingen in eenrapport, inclusief conclusies en aanbevelingen, aan de Tweede Kameraangeboden. De commissie vindt het niet gepast om vervolgens eenoordeel te hebben over de reacties (na de presentatie van het rapport) opde bevindingen van de commissie.110Kan de commissie aangeven welke overwegingen er bij de wetgever zijngeweest bij het besluit tot afzien van het toevoegen van een hardheids-clausule in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen? Zo ja,waar bestonden deze overwegingen uit?Zoals staat beschreven in paragraaf 4.2.5 van het rapport heeft het kabineter uiteindelijk voor gekozen om geen hardheidsclausule op te nemen,onder meer omdat de vrees bestond dat dit een bron van conflicten konzijn en kon leiden tot een veelvuldig beroep op de bestuursrechter. Hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State om juist wel eenalgemene hardheidsclausule (die bij massale processen niet kan wordengemist) op te nemen, werd dan ook niet overgenomen. In de TweedeKamer wordt overigens nauwelijks gepraat over een algemene hardheids-clausule, maar vooral over een hardheidsclausule voor zeer bijzonderegroepen (oorlogsgetroffenen, asbestslachtoffers of mijnwerkers metsilicoseproblematiek). Ook een amendement van Kamerlid Omtzigt omalsnog een hardheidsclausule toe te voegen ziet op dergelijke bijzonderegroepen (Handelingen II 2004/05, nr. 40, pp. 2676–2711). Dit amendementwordt overigens niet in stemming gebracht.111Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 839 Hoe kijkt de commissie aan tegen het aanbieden van trainingen enbewustwordingsprogramma’s om ambtenaren en medewerkers binnenoverheidsinstanties te voorzien van de nodige kennis en vaardigheden ommensenrechten te respecteren en te beschermen?De commissie heeft geconstateerd dat meer dan eens (grond)rechten vanmensen zijn geschonden in het kader van fraudebestrijding, onder meerdoor het gebruik van data en digitale toepassingen, zoals risicomodellen.Daarbij waren de rechten van mensen onvoldoende gewaarborgd. Decommissie beveelt dan ook aan dat alle departementen en uitvoeringsor-ganisaties zorg moeten dragen voor gedegen en continue kennisopbouwover de risico’s van data en digitale toepassingen, waarbij de rechten vanmensen altijd zijn gewaarborgd. Het aanbieden van trainingen enbewustwordingsprogramma’s over mensenrechten kan hier onderdeelvan uitmaken. Hierbij benadrukt de commissie dat de aanbevelinghierover (p. 71 van het rapport) niet alleen ziet op kennis over mensen-rechten, maar ook over data en digitale toepassingen. Enkel kennis-opbouw over mensenrechten is in de ogen van de commissie dan ook nietgenoeg. Een overheidsorganisatie moet zich in al haar geledingen bewustzijn van haar rol, taak en functie, waarbij tijdens de uitvoering van haarwerkzaamheden continu aandacht moet zijn voor eventuele risico’s voormensen en een potentiële inbreuk op hun rechten.112Welke mogelijkheden ziet de commissie naast een hardheidsclausule omde rechtsbescherming van mensen te waarborgen en bestaat ermomenteel wetgeving waarbij de commissie het risico ziet dat derechtsbescherming onvoldoende wordt gewaarborgd?Er bestaan, behalve een hardheidsclausule, verschillende mogelijkhedenom de rechtsbescherming van mensen te waarborgen. Hier heeft decommissie ook expliciet aandacht voor in haar aanbevelingen. In hetbijzonder wordt gewezen op de algemene evenredigheidsbepaling in deAlgemene wet bestuursrecht (Awb), een herwaardering van het leerstukvan de «dringende reden», een recht op persoonlijk contact, een juridischvangnet voor mensen, het borgen van de toegankelijkheid van het rechten het toetsen van wetten aan de Grondwet.De commissie heeft geen onderzoek gedaan naar actuele wetgeving waarhet risico op onvoldoende rechtsbescherming bestaat.113Hoe vaak is er sinds het in werking treden van de Wet aanscherpinghandhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving sprake van recidive geweesten is er een boete van 150% van het benadelingsbedrag opgelegd?De commissie kan hier geen cijfers noemen. Er zijn onder het strengeregime van de fraudewet, van 1 januari 2013 tot aan de uitspraak van deCentrale Raad van Beroep (CRvB) op 24 november 2014 (ECLI:N-L:CRVB:2014:3754), vele boetes opgelegd, niet alleen door het UWV, maarook door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en verschillende gemeenten,die ook met deze wet- en regelgeving in aanraking kwamen. Alleen voorhet UWV ging het al om ongeveer 66.000 boetes. Gelet op de beperkte«looptijd» van het strenge sanctieregime, in samenhang met het feit daneen maximumboete van 150% alleen bij recidive kon worden opgelegd,lijkt het aannemelijk dat het aantal boetes van deze hoogte beperkt isgeweest. Zo waren er tot 26 mei 2014 (dus nog vóór de uitspraak van deCRvB) enkele tientallen gevallen bij UWV (38) en SVB (14) waarin sprakewas van recidive (Kamerstuk II 2013/14, 17 050, nr. 474). Of in al dezegevallen ook daadwerkelijk de maximumboete is opgelegd, is niet bekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 840 114Kan de commissie aangeven wat de achterliggende argumentatie was bijhet verzoek van het Ministerie van SZW om de aangiftegrens voor zowelwitte als zwarte fraude in 2009 te verhogen? Zo ja, wat was de argumen-tatie hier achter? Zo nee, waarom is dit niet mogelijk?Het verzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid(SZW) om de aangiftegrens te verhogen had meerdere redenen. Primairbestond de wens om meer bestuursrechtelijke handhaving mogelijk temaken. Dat is op dat moment ook de visie van SZW op de toepassing vanbestuurlijke handhaving in relatie met strafrechtelijke handhaving voorspecifieke situaties van sociale zekerheidsfraudes. Daarnaast waren dehandhavingsprocessen van UWV en SVB verbeterd en was de WetOM-afdoening op 1 februari 2008 in werking getreden, waardoor meerbestuursrechtelijke handhaving ook realistisch werd geacht (Stcrt 2008,249 en Kamerstuk II 2011/12, 33 207, nr. 3).115Kan de commissie aangeven waarom het ruim drie jaar heeft geduurdvoordat het kabinet met een officiële reactie kwam op een ongevraagdadvies van de Afdeling Advisering van de Raad van State betreffende derechtsbescherming van burgers bij bestuurlijke boetes? Zo ja, waaromheeft dit drie jaar geduurd?De commissie heeft geen inzicht gekregen in redenen dat het drie jaarheeft geduurd voordat het kabinet met een officiële reactie kwam op hetongevraagd advies van de Afdeling advisering van de Raad van Statebetreffende de rechtsbescherming van burgers bij bestuurlijke boetes. Deheer Rutte heeft daar desgevraagd in zijn openbaar verhoor op 4 oktober2023 ook geen verklaring voor kunnen geven.116Is er vaak sprake geweest van moeite bij het verzamelen van bewijs-stukken door personen en rechtsbijstandsverleners en ziet de commissiehierbij ook een rol voor de uitvoeringsinstanties om te helpen bij het actiefverstrekken van bewijsstukken en dossieropbouw?Het beeld dat bij de commissie is ontstaan en is bevestigd in openbareverhoren (van gedupeerden, advocaten en rechters), is dat mensen heelvaak maar heel moeilijk aan hun (volledige) dossier konden komen. Zoraakte de Belastingdienst veel bewijsstukken kwijt en werden rechtersgeconfronteerd met onvolledige dossiers. Daar is dus heel veelmisgegaan. De commissie ziet absoluut een actieve rol voor uitvoeringsin-stanties bij het aanleveren van een volledig dossier en het desgevraagdaanleveren van alle relevante bewijsstukken. Uitvoeringsinstanties zijnhier overigens al toe verplicht op grond van algemene beginselen vanbehoorlijk bestuur, zoals het motiveringsbeginsel en het beginsel van fairplay.117Hoe kan het zo zijn dat mensen een betalingsregeling opgelegd krijgenvan een hoger maandbedrag dan dat zij aan inkomsten hebben?Als een verzoek van een ouder tot een persoonlijke betalingsregeling wasgehonoreerd, werd het te betalen maandbedrag vastgesteld, waarbijrekening werd gehouden met de draagkracht van de betrokkene. Ditbedrag moest gedurende 24 maanden worden betaald, waarna derestschuld vaak niet werd geïnd. Een verzoek tot een persoonlijkebetalingsregeling werd echter afgewezen als de kwalificatie opzet/groveschuld was toegekend. Dit werd beoordeeld op het moment dat een ouderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 841 een verzoek tot een persoonlijke betalingsregeling deed. Als volgens deBelastingdienst sprake was van opzet/grove schuld, werd het verzoek toteen persoonlijke betalingsregeling afgewezen en kon een ouder enkelaanspraak maken op de standaardbetalingsregeling. Conform dezeregeling moest de volledige schuld in 24 maanden worden terugbetaald,waarbij geen rekening werd gehouden met de draagkracht vanbetrokkene. Een grote schuld van tienduizenden euro’s en soms zelfsbedragen tot ruim meer dan een ton, konden dan ook tot gevolg hebbendat mensen zaten opgescheept met een zeer hoog maandbedrag, dat hunmaandelijkse inkomsten oversteeg (zie voor een uitgebreide uiteenzettingparagrafen 6.2.2 en 6.3.4 van het rapport).118Wat zijn de criteria om toeslagaanvragers aan een intensieve controle ophun aanvraag te onderwerpen en welke bewijsstukken moeten zijaandragen?Ouders konden op grond van vele criteria worden geselecteerd voor eenintensieve controle. Deze criteria konden door de jaren heen ook wordenaangepast. Gehanteerde criteria zijn onder andere hot/hor (hoge toeslag,hoog risico) of een verdacht gastouderbureau. Ook konden oudersworden geselecteerd op basis van een risicoclassificatiemodel, waarbijbijvoorbeeld persoonskenmerken zoals nationaliteit een rol speelden.Zoals uit het openbaar verhoor van de heer El Bali is gebleken, lag op deouders een enorme bewijslast. Niet alleen omdat zij veel verschillendestukken (jaaropgave, urenregistraties, betaalbewijzen etc.) moestenaandragen, maar ook omdat een controle soms over meerdere jaren werduitgevoerd, waardoor ouders een veelvoud aan stukken moestenaanleveren.119Krijgen ouders die een deel van de eigen bijdrage niet hebben betaaldhier bericht over en wordt er met hen bijvoorbeeld een betalingsregelinggetroffen, voordat het gehele ontvangen bedrag aan toeslagen wordtteruggevorderd? Hoe werkt dit in de praktijk?Op grond van de voorschotsystematiek met controle achteraf kwam hetniet betalen van de eigen bijdrage pas aan het licht als ouders (achteraf)aan een controle werden onderworpen. De lijn onder de «alles-of-niets»-zienswijze was dat als ouders een deel van hun eigen bijdrage niethadden betaald, zij niet hadden voldaan aan essentiële voorwaarden voorkinderopvangtoeslag, met als conclusie dat de gehele kinderopvang-toeslag onterecht was uitgekeerd. In de praktijk (bijvoorbeeld op zitting inde rechtszaal) kon soms nog wel een schikking worden bereikt, waarbijovereen werd gekomen dat ouders alsnog de eigen bijdrage kondenbetalen, waarna werd afgezien van integrale terugvordering. Dit is ondermeer gebleken uit openbare verhoren van rechter de heer Cooijmans enstaatsraad de heer Van Ettekoven (Kamerstuk II 2023/24, 35 867, nr. 7).120Hoe kan het dat de Dienst Toeslagen terugvorderingsbedragen heeftverrekend met andere toeslagen, maar dat hierbij bepaalde schulden nietzijn meegenomen waardoor er bij ouders meer is teruggevorderd danreëel mogelijk was? Wat kan worden gedaan om dit in de toekomst tevoorkomen?De achtergrond van het al dan niet verrekenen van toeslagen en het al danniet meenemen van schulden is gelegen in de wet- en regelgeving inzakein- en terugvordering. Zoals eerder (antwoord op vraag 35 en 117) naarvoren is gebracht, voorzag de standaardbetalingsregeling erin dat mensenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 842 in 24 maanden hun gehele schuld moesten terugbetalen, maar niet in eenminnelijke regeling waarbij rekening werd gehouden met hun persoon-lijke omstandigheden en draagkracht. Dit was immers slechts aan de ordebij een persoonlijke betalingsregeling, maar deze werd niet toegekend aanmensen aan wie de kwalificatie opzet/grove schuld was toegekend.Dit kan worden voorkomen door bijvoorbeeld gebruik te maken van dealgemene evenredigheidsbepaling, zoals door de commissie isopgenomen als aanbeveling, op grond waarvan een besluit nooitonevenredig mag uitpakken voor een betrokkene.121Is er afstemming geweest tussen de Afdeling bestuursrechtspraak en deDienst Toeslagen over hoe de wet geïnterpreteerd en uitgevoerd moetworden? Zo ja, op welke wijze heeft dit plaatsgevonden?De commissie heeft geen specifiek onderzoek gedaan naar, en is nietbekend met, afstemming tussen de Afdeling bestuursrechtspraak van deRaad van State en de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft eenzienswijze op de wet- en regelgeving ontwikkeld en die in een zaakvoorgelegd aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,die de Dienst Toeslagen in het gelijk heeft gesteld.122Heeft de commissie een overzicht van alle geschonden privacy rechten diezij geconstateerd hebben?De tabel hieronder bevat een overzicht van de in de casussen geconsta-teerde geschonden privacy rechten onder de Wet bescherming persoons-gegevens (Wbp), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM) en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG):Wbp art. 6BehoorlijkheidWbp art. 8Noodzakelijkheid gegevensverwerkingWbp art. 10Bewaartermijnen persoonsgegevensWbp art. 13Beveiliging persoonsgegevensWbp art. 34Informeren betrokkenen verwerkingAVG art. 5Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevensAVG art. 6Rechtmatigheid van de verwerkingAVG art. 9Bijzondere persoonsgegevensAVG art. 10Strafrechtelijke gegevensAVG art. 32Beveiliging van de verwerkingAVG art. 38Positie van de functionaris voor gegevensbeschermingEVRM art. 8Recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven 123Wat was de internationale context van gegevensuitwisseling ter bevor-dering van fraudebestrijding? Baseerden beleidsmakers zich in hetopstellen van dit fraudebeleid op succesvol beleid uit het buitenland?De internationale context van gegevensuitwisseling ter bevordering vanfraudebestrijding valt buiten de reikwijdte van het onderzoek. Wel is decommissie in haar onderzoek voorbeelden tegengekomen waarbijinspiratie is opgedaan in het buitenland. Zo verklaarde voormaligdirecteur-generaal Belastingdienst, de heer Veld, in zijn openbaar verhoorover een werkbezoek aan de Australische belastingdienst in 2012 hetvolgende: «Dus toen ik van dat bezoek terugkwam, dacht ik: hé, dat is ietswat wij ook in gedachten moeten houden. We zijn natuurlijk geenAustralië, we zijn maar een klein land, maar we hebben wel het punt: hoekunnen we uit allemaal verschillende dingen gegevens halen die wenuttig kunnen omzetten in producten voor het handhavingsbeleid, of voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 843 de dienstverlening of voor wat dan ook?» (verslag openbaar verhoor vande heer Veld, 3 oktober 2023, Kamerstuk II 2023/24, 35 867, nr. 7).124Waarom is besloten om geen bewindspersonen uit de jaren ’90 (toen defraudebestrijding met behulp van data en gegevensuitwisseling begon) teverhoren?De commissie heeft op basis van haar tussentijdse bevindingen personengeselecteerd voor de openbare verhoren (zie ook paragraaf 10.3 van hetrapport voor de verantwoording over zowel de besloten voorgesprekkenals de openbare verhoren). Bijlage E en F bevatten overzichten van degenodigden bij de besloten voorgesprekken en openbare verhoren.125Was het stimuleren van (effectiever) handhaven op fraude hoofdzakelijkeen politieke wens of een ambtelijk idee?Het bestrijden en voorkomen van fraude met uitkeringen is een politieketrend die vanaf de jaren ’80 opkomt. Sindsdien is er een verhard politiekmaatschappelijk klimaat ontstaan ten aanzien van fraude met socialezekerheid. Dit zien we ook terug in de ambtelijke stukken (zie ookparagraaf 7.2.3, paragraaf 7.2.4 en paragraaf 7.2.5 van het rapport).126Vond er op andere dossiers ook een toename aan gegevensuitwisselingplaats? Of was dit exclusief een trend op het gebied van fraudesignaleringin de sociale zekerheid?Het onderzoek van de commissie richt zich enkel op het gebruik van(persoons)gegevens bij fraudebestrijding in de sociale zekerheid entoeslagen.Het toenemende gebruik, koppelen en uitwisselen van gegevens bijfraudebestrijding is echter een bredere trend. Zo komt in het workingpaper «Big Data voor fraudebestrijding» (2016) van de WetenschappelijkeRaad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het WRR rapport «Big Data ineen vrije en veilige samenleving» (2016) naar voren dat onder andere inhet zorgdomein, het veiligheidsdomein, de fiscale kant van de Belasting-dienst ook sprake is van een toename in gegevensuitwisseling en de inzetvan gegevens ten behoeve van fraudebestrijding.127Zorgde de Fraude Scorekaart aantoonbaar ook voor vertekendeuitkomsten die het risicoprofielbeeld bevestigden? Klopten de onderlig-gende assumpties wel?De Fraude Scorekaart was niet één van de casussen in het onderzoek vande commissie.128Heeft de komst van de Algemene verordening gegevensbescherming(AVG) er (mede) voor gezorgd dat nieuwe wetgeving aangaandegegevensuitwisseling sociale zekerheid en toeslagen is uitgebleven?Gezien er sinds 2015 geen nieuwe wetgeving meer is verschenen. Of heeftdit andere redenen?De commissie constateert dat de Algemene verordening gegevensbe-scherming (AVG) meer voorwaarden met een verplichtend karakter steltaan gegevensuitwisseling dan haar voorganger de Wet beschermingpersoonsgegevens (WBP). Hierbij gaat het onder andere over het recht opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 844 rectificatie, het recht op vergetelheid, het recht op beperking vanverwerking, het recht op bezwaar en het recht op een menselijke blik bijbesluitvorming voor betrokkenen. De commissie heeft niet onderzocht ofer een verband is tussen de inwerkingtreding van de AVG in 2016 en hetontstaan van wetgeving, maar wijst wel op het Wetsvoorstel gegevensver-werking door samenwerkingsverbanden (Wgs) dat is ingediend toen deAVG gold.129Is de Kaderwet gegevensuitwisseling ooit aangevochten bij het EuropeesHof voor de Rechten van de Mens (EHRM)? Zo nee, waarom niet? Zo ja,wat oordeelde het EHRM?Dit is niet het geval. Het wetsvoorstel Gegevensverwerking door samen-werkingsverbanden (Wgs) ligt op dit moment voor bij de Eerste Kamer enis nog in behandeling.130Hoe had de AP beter kunnen acteren op de Wet gegevensverwerking doorsamenwerkingsverbanden (Wgs) als ze meer budget hadden gehad? Inhoeverre deed de AP niet al het maximale wat de AP kon doen?De commissie heeft geen onderzoek gedaan naar hypothetische «wat als»situaties.131Wat verklaart de dalende trend in klachten?Deze vraag betreft de bedrijfsvoering van de Autoriteit Persoonsgegevens(AP)en kan de commissie niet beantwoorden.De Autoriteit Persoonsgegevens geeft hierover zelf het volgende aan bijde toelichting op figuur 7.1: «[...] In 2021 en 2022 heeft de AP minderinformatieverzoeken en minder klachten ontvangen dan de jaren ervooromdat door capaciteitstekort het telefonische spreekuur minder lang openwas.» (Zie ook voetnoot 2 op pagina 259.)132Waarom daalt het aantal onderzoeken terwijl het budget fors stijgt?Deze vraag betreft de bedrijfsvoering van de Autoriteit Persoonsgegevens(AP) en kan de commissie niet beantwoorden.133Waarom stijgt het aantal fte weinig ondanks de forse intensivering van debudgetten?Deze vraag betreft de bedrijfsvoering van de Autoriteit Persoonsgegevens(AP) en kan de commissie niet beantwoorden.134Kan nader toegelicht worden waarom een causaal verband tussenpersoonskenmerk en gedrag niet voldoende is? Hoe zou een objectieverechtvaardiging van het inschatten van gedrag er uit zien?De commissie gaat ervan uit dat deze vraag over risicoprofielen gaat. Deontwikkeling en toepassing van risicoprofielen moet voldoen aan degeldende wet- en regelgeving: de Algemene verordening gegevensbe-scherming (AVG), de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechtenvan de Mens (EVRM) (zie paragraaf 7.4.1 en 7.4.2 voor de juridischekaders). Daarnaast moeten bij de ontwikkeling en toepassing vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 845 risicoprofielen de juiste waarborgen worden toegepast: methoden enalgoritmen die worden gebruikt bij data-analyse, zoals risicoprofilering,moeten deugdelijk zijn en aan de wetenschappelijke criteria voor goed(statistisch) onderzoek voldoen, gegevens moeten up to date zijn endatasets mogen geen bias bevatten en de gebruikte datasets, algoritmesen methoden moeten toegankelijk zijn voor toezicht (zie ook paragraaf7.4.3).Bij risicoprofilering gaat het om statistische correlatie (een statistischverband) tussen risico-indicatoren (kenmerken van de persoon) en hetplegen van fraude (gedrag) en niet om causaliteit (oorzakelijk verband)tussen risico-indicatoren (kenmerken van de persoon) en het plegen vanfraude (gedrag).135Is de commissie casussen tegengekomen waarin concrete risicoprofielenof risicogerichte selectie zonder feitelijke menselijke controle leidden toteen registratie van personen als «fraudeur»? Zo ja, kan de commissie eenoverzicht geven welke concrete processen dat zijn/waren?In de door de commissie onderzochte casussen was geen sprake vangeautomatiseerde besluitvorming by design. Met andere woorden: er wasgeen sprake van geautomatiseerde besluiten over het toekennen,verstrekken of stoppen van uitkeringen of toeslagen op basis van eenverhoogd risico op het plegen van fraude. Besluiten over de uitkering oftoeslag van personen die volgens een risicoprofiel een verhoogd risico opfraude hadden, werden in de casussen door medewerkers genomen. Dater sprake was van menselijke tussenkomst betekende niet dat debesluitvorming altijd goed verliep. De commissie stelt bijvoorbeeld vastdat fraudesignalen in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van deBelastingdienst niet altijd werden geverifieerd door medewerkers en dater onder andere door de Dienst Toeslagen op basis van niet geverifieerdefraudesignalen is gehandeld. Bijvoorbeeld door het plaatsen vanbetreffende personen op een «toezichtlijst» of «uitsluitlijst» (zie paragraaf7.12.2 en paragraaf 7.12.3).136Was het voor een burger (technisch of praktisch gezien) mogelijk geweestom op te vragen en te ontvangen hoe en door wie jouw persoonsge-gevens gebruikt werden?De Dienst Toeslagen voldeed niet aan de wet- en regelgeving rondomgegevensbescherming en de Wet bescherming persoonsgegevens is nietgoed nageleefd. Gegevens zijn daardoor wijdverspreid geraakt, binnen deBelastingdienst zelf maar soms ook daarbuiten. Ouders die als fraudeurgeregistreerd stonden, kregen tot 2019 geen inzage in hun dossier. Decommissie acht het aannemelijk dat het voor mensen praktisch gezien nietmogelijk was om hun gegevens in te zien.137Kan er toegelicht worden waar de risicoclassificatiemodellen aan getoetsthadden moeten worden? En had dit feitelijk gekund?De commissie gaat ervan uit dat deze vraag het risicoclassificatiemodelvan de Dienst Toeslagen betreft. Er is sprake van structurele tekortko-mingen bij de totstandkoming en uitvoering van het risicoclassificatie-model. Zo zijn de risico-indicatoren niet vastgelegd en getoetst opvaliditeit en betrouwbaarheid, vond er geen statische correctie voor biasplaats, zijn er geen effectrapportages gemaakt en is er geen gegevensef-fectbeoordeling uitgevoerd. Het risicoclassificatiemodel had getoetstTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 846 moeten worden aan de geldende wet- regelgeving. Zie ook paragraaf 7.4.1en 7.4.2 van het rapport voor de juridische kaders.138Kan de commissie specificeren welke fraudesignaleringssystemen decommissie in haar onderzoek is tegengekomen waarin zij een risico opschending van mensenrechten hebben geconstateerd? Gaat dit enkel omde casussen uit Deel II of zijn er nog meer systemen? Als dit het geval is,kan de commissie dan een overzicht delen en daarbij aangeven welkesystemen nog actief zijn?De commissie heeft alleen de casussen die in Deel II van hoofdstuk 7worden beschreven nader onderzocht en kan daardoor geen uitsprakendoen over welke andere systemen er mogelijk bestaan dan wel actief zijn.139Kunnen de «efficiencykortingen» in de sociale zekerheid in de afgelopen30 jaar gekwantificeerd worden? Hoe hebben de uitgaven aan uitvoeringzich in relatieve zin ontwikkeld in de sociale zekerheid?De commissie heeft tijdens haar onderzoek geprobeerd om de bezuini-gingen in de sociale zekerheid van de afgelopen dertig jaar in kaart tebrengen, door per kabinet ombuigingen (besparingen aan de uitga-venkant, zoals efficiencykortingen) en lastenverzwaringen (verhoging vaninkomstenkant, zoals verhogen sociale premies) in kaart te brengen, maarhet blijkt niet goed mogelijk om dit totaalbeeld en de opeenstapelingdaarvan inzichtelijk te maken. Ook de begrotingsstukken van het Minis-terie van Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid kunnen geen duidelijktotaalbeeld geven van de totale uitgaven en uitvoeringskosten van desociale zekerheid.Efficiencykortingen/maatregelen worden niet systematisch bijgehouden,waardoor een tijdreeks over afzonderlijke kabinetsperioden heen lastig temaken is. Daarom heeft de commissie ook geen totaalbeeld opgenomenin haar rapport.140Zijn er Kamerstukken of andere beleidsstukken bekend waaruit volgt datde focus op «New Public Management» kabinetsbeleid was? Wat warende uitgangspunten van het kabinetsbeleid bij deze eventuele beleidsver-andering?De commissie heeft in het kader van haar onderzoek een historischeterugblik op de invloed van New Public Management (NPM) bij diverseministeries gevorderd. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-genheid (SZW) heeft deze vordering laten uitvoeren door ABDTOP-Consult. In het essay «De invloed van New Public Management (NPM) ophet Ministerie van SZW» wordt onder meer de volgende conclusiegetrokken:«Uit de bestudeerde documenten blijkt nergens dat NPM expliciet endoelbewust is ingezet. Wel is een sterke inzet op een zuinige, doelmatigeen doeltreffende uitvoering te vinden waarbij in de systeeminrichting ensturingsrelatie gestuurd wordt op het leveren van de gevraagdeprestaties. In de loop der jaren zijn er allerlei prikkels in het socialezeker-heidsstelsel ingebouwd om de zuinigheid, doelmatigheid en doeltref-fendheid te vergroten. De Wet SUWI is ingezet om tot een strakkeresturing te komen op het UWV en de SVB. Met de WWB werd een objectiefverdeelmodel geïntroduceerd, waarbij de meerkosten ten opzichte van hetverdeelmodel ten laste van de gemeente komen en de besparingen doorgemeenten gehouden mogen worden. De re-integratiemarkt werdgeprivatiseerd vanuit de gedachte dat met elkaar concurrerendeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 847 re-integratiebedrijven tot betere prestaties zullen leiden.» (p.36) Decommissie heeft het hele essay als bijlage gevoegd bij de beantwoordingvan de feitelijke vragen.Het Ministerie van Binnenlands Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) geeft inantwoord op de vordering aan dat het NPM-gedachtegoed een belangrijkerol heeft gespeeld bij het onderwerp «verzelfstandiging» binnen desociale zekerheid. Zij noemen drie vormen van verzelfstandiging:privatisering, externe verzelfstandiging (taakuitvoering door een organi-satie die niet valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid, bijv. ZBO)en interne verzelfstandiging (taakuitvoering door een organisatie die valtonder de ministeriële verantwoordelijkheid, bijv. agentschap). Zij stellendat het NPM-gedachtegoed vooral in de jaren 80 en 90 tot uiting kwamenin beleidsinitiatieven en adviezen die zich richtten op afslanking,vergroting van de beheersbaarheid en verbetering van de effectiviteit enefficiënte van de rijksdienst. «Minder en beter» was daarbij het devies.Privatisering, deregulering, decentralisatie en zelfbeheer, reorganisatie envermindering van personeelsformatie worden allemaal genoemd alsoperaties die onder invloed van NPM plaats vonden in de jaren 80. In dejaren negentig vond de operatie «Grote Efficiency» plaats, met als doel deefficiency en effectiviteit van de rijksoverheid te verbeteren. Ook werdeninitiatieven zoals integraal management, centrale sturing op hoofdlijnen,afspraken over producten/prestaties en gerelateerde kosten, systema-tische verantwoording en periodieke doorlichting, scheiding vanuitvoering en beleidsorganisaties en de invoering van agentschappengeïntroduceerd.141In hoeverre zijn de genoemde efficiencytaakstellingen in box 8.1 daadwer-kelijk gerealiseerd?Zoals de commissie in antwoord op vraag 139 heeft aangegeven, wordenefficiencytaakstellingen niet systematisch bijgehouden. Hierdoor is eentijdreeks lastig te maken. Dat geldt niet alleen voor het totale overzicht vande taakstellingen, maar ook voor de realisatie daarvan.De genoemde efficiencytaakstellingen in box 8.1 zijn afkomstig uit hetAlgemene Rekenkamer rapport «Bezuinigingen op uitvoeringsorgani-saties» (bijlage bij Kamerstuk II 2012/13, 31 490, nr. 104). In dat rapport uit2013 wordt op p.3 aangegeven dat de effecten die bezuinigingen hebbenop doelmatigheid en op de inhoud van de taakuitvoering nergens(systematisch) worden bijgehouden en het dus onbekend is of ze wordengerealiseerd. De Algemene Rekenkamer heeft zelf geprobeerd inzicht tekrijgen in (de effecten van) taakstellingen voor uitvoeringsorganisaties.Een compleet beeld is er niet, maar de commissie heeft in paragraaf 8.3de gevolgen van de bezuinigingen op de uitvoering bij UWV en deBelastingdienst beschreven. Zo staat op pagina 353: «Om te voldoen aande taakstellingen kiest het UWV ervoor de bemiddeling van werkzoe-kenden uit efficiencyoverwegingen te digitaliseren. De fysieke dienstver-lening voor werkzoekenden wordt geleidelijk afgebouwd en omgevormdtot een voornamelijk digitale dienstverlening in 2015. Met deze digitalise-ringsoperatie, die bekend staat onder de naam «Redesign» van UWVWERKbedrijf wordt 155 miljoen euro bespaard.» En op p. 354 staat: «DeAlgemene Rekenkamer geeft in haar rapport «UWV, Balanceren tussenambities en middelen» uit 2017 aan dat het UWV er ondanks velebeleidswijzigingen en bezuinigingen in geslaagd is in de afgelopen jarende opgedragen kerntaken adequaat uit te voeren. Het UWV slaagt ervolgens de Algemene Rekenkamer gedeeltelijk in deze bezuinigingen in tevullen door de doelmatigheid te vergroten. Daarnaast leidt vereenvou-diging van wet- en regelgeving tot een goedkopere uitvoering.» (bijlagebij Kamerstuk II 2016/17, 26 448, nr. 586).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 848 Op pagina 354 van haar rapport geeft de commissie aan dat de Belasting-dienst in 2010 een budgettaire taakstelling krijgt van structureel € 172,5miljoen. Omdat deze op eerder opgelegde taakstellingen volgt, is de totaletaakstelling op dat moment structureel € 395 miljoen. Deze taakstellingmoet worden behaald met efficiency- en versoberingsmaatregelen, metvereenvoudiging van regelgeving en met taakverlichting. Daarnaast wordter voor gekozen digitaal te gaan communiceren met burgers en bedrijven.Voor de Dienst Toeslagen wordt veel verwacht van de inzet van hetnieuwe ICT-systeem voor het oplossen van de uitvoeringsproblemen enhet wegwerken van achterstanden. De Dienst Toeslagen krijgt er geenpersoneel bij. Zoals in paragraaf 8.2.3 beschreven, geeft Staatssecretarisvan Financiën Frans Weekers in zijn openbaar verhoor aan dat zij voor deefficiencymaatregelen als uitgangspunt hebben genomen «liever mensendan stenen». Er worden kantoren gesloten om de taakstelling in te vullen.142Kan per jaar vanaf 2000 tot en met 2023 aangegeven worden hoe debudgetten van de Belastingdienst en het UWV zich hebben ontwikkeld, inabsolute zin en als percentage van de totale rijksuitgaven?Zoals reeds in het antwoord op vraag 139 is aangegeven, wordenefficiencykortingen/maatregelen niet systematisch bijgehouden, waardooreen tijdreeks over afzonderlijke kabinetsperioden heen lastig te maken is.Hetzelfde geldt voor budgetten voor uitvoeringsorganisaties en voor detotale rijksuitgaven. Daarom heeft de commissie ook geen totaalbeeldopgenomen in haar rapport.143Zijn er andere onderzoeken beschikbaar waaruit volgt in hoeverretaakstellingen bij UWV en Belastingdienst hebben geleid tot een verso-bering van de uitvoering of tot een grotere doelmatigheid, naast hetgenoemde Rekenkamer-onderzoek?In de literatuurlijst van de commissie staan enkele andere onderzoekenwaarin dit aan de orde komt:Kamerstuk II 2016/17, 26 448, nr. 586. Brief Algemene Rekenkamer; Bijlage:Rapport «UWV, balanceren tussen ambities en middelen» (waarbij ookverwezen wordt naar het rapport uit 2013).Kamerstuk II 2019/20, 31 066, nr. 599 . Brief van de Algemene Rekenkamer,Lessen uit 15 jaar onderzoek naar toeslagen door de Algemene Reken-kamer. Bijlage: Overzicht bevindingen en publicaties Algemene Reken-kamer over toeslagenstelsel.Kamerstuk II 2020/21, 35 387, nr. 2 . Brief van de tijdelijke commissieuitvoeringsorganisaties met aanbieding van het rapport «Klem tussenbalie en beleid».In het rapport «Tussen ambitie en uitvoering. Een contextanalyse van dedynamiek tussen media, politiek en beleid bij totstandkoming enuitvoering 30 jaar sociale zekerheid» wat de commissie heeft latenuitvoeren door de VU en die als bijlage is gevoegd bij rapport «Blind voormens en recht» wordt ook ingegaan op taakstellingen, ook bij de SVB (p.41 en 125) (bijlage bij Kamerstuk II 2023/24, 35 867, nr 6). Daarbij wordtonder meer verwezen naar de memorie van toelichting van de wijzigingvan de Wet SUWI ( Kamerstuk II 2012/13, 33 579, nr. 3 ) waarin de ambitiestaat «om met minder middelen een vergelijkbaar niveau [van dienstver-lening] te bereiken». Ook wordt er verwezen naar Witkamp, A. et al. (2015,25 augustus). Van beheersing naar veerkracht, Evaluatie en beleidsdoor-lichting uitvoering sociale zekerheid (Suwi) 2007–2014, p. 37. Zoetermeer.(Bijlage bij Kamerstuk II 2015/16, 30 982, nr. 26) en ABDTOPConsult (2020).Werk aan uitvoering. Fase 1: Probleemanalyse. p. 24 (Kamerstuk II2020/21, 35 387, nr. 2, bijlage).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 849 144Werden CPB-ramingen ten tijde van de 180-miljoen taakstelling ook algecertificeerd? Zo nee, op welke wijze werden ramingen destijds wel opjuistheid (van aannames en uitkomst) en onzekerheidsmarges getoetst?Het Centraal Planbureau (CPB) is begonnen met het certificeren in 2017 endit vindt alleen plaats bij de budgettaire ramingen van fiscale maatre-gelen. Bij het regeerakkoord uit 2010 (Kamerstuk II 2010/11, 32 417, nr. 15)zat als bijlage de CPB analyse van het financieel kader die deels gebaseerdwas op de doorrekening conform Keuzes in Kaart»(bijlage bij Kamerstuk II2010/11, 32 417, nr. 15). Bij de berekening in Keuzes in Kaart (waarin demaatregel onderdeel was van een groter pakket aan ombuigingen in desociale zekerheid) is een aanname gehanteerd voor het verwachte aantalstop te zetten uitkeringen.145Welke Nederlandse toezichthouders maken gebruik van risicogestuurd ofrisicogericht toezicht? In hoeverre is dit in internationale context gebrui-kelijk?De commissie heeft hier geen onderzoek naar gedaan.146Op basis van welke criteria werden aanvragen als «hoog risico»bestempeld?De commissie gaat ervan uit dat deze vraag de aanvragen kinderopvang-toeslag betreft. Gehanteerde criteria zijn onder andere hot/hor (hogetoeslag, hoog risico) of een verdacht gastouderbureau. Ook kondenouders worden geselecteerd op basis van het risicoclassificatiemodel,waarbij onder andere de kenmerken nationaliteit, inkomen en alleen-staand ouderschap als risico-indicator werden toegepast. Hot/hor en hetrisicoclassificatiemodel versterken elkaar, waardoor er sprake is geweestvan een overselectie van mensen met bepaalde kenmerken bij detoepassing van het risicoclassificatiemodel en hot/hor. Dit betreft mensenmet een niet-Nederlandse nationaliteit, een laag jaarinkomen, alleen-staanden en mensen die veel uren kinderopvang afnemen (zie ookparagraaf 7.2 voor risicoselectie door de Dienst Toeslagen).147Opereert de Belastingdienst op dit moment op basis van «business cases»bij fraudebestrijding?De commissie heeft zich in haar onderzoek gericht op de periode 1992 totde presentatie van het rapport van de tijdelijke commissie Uitvoeringsor-ganisaties (TCU) op 25 februari 2021. Wat daarna is gebeurd, valt buitende scope van het onderzoek.148Op welke wijze krijgt de geschatte omvang van een fraude een rol bij deverdeling van toezichtcapaciteit? Is hierbij naast het aantal fraudegevallenook de misgelopen belastinginkomsten of onterechte uitgaven een openigerlei wijze relevante overweging?De commissie heeft geen onderzoek gedaan naar de verdeling vantoezichtcapaciteit.149Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 850 Kan per binnen de context van het gehele rapport bekeken wetsvoorstelaangegeven worden met welke meerderheden in de Tweede en EersteKamer het wetsvoorstel is aangenomen?In bijlage D wordt een overzicht gegeven van de stemverhoudingenwetten, moties en amendementen. Per onderzochte wet is een tabelopgenomen waarin de stemmingsuitslag en verhouding is weergegeven.150Kan de verhouding tussen de tijd die de Tweede Kamer besteed aandebatten waarin wetten behandeld worden en de tijd die wordt besteedaan andersoortige debatten gekwantificeerd worden? Hoe heeft dezeverhouding zich in de afgelopen jaren ontwikkeld en is hierin een trendwaarneembaar?De commissie heeft daar zelf geen onderzoek naar gedaan, maar deTweede Kamer houdt een overzicht bij van relevante feiten en cijfers diegaan over het Kamerwerk. Deze kunnen worden geraadpleegd in deverschillende dashboards met datavisualisaties waarin gegevens over hetKamerwerk staan vanaf 2008.151Kan een samenvatting van de verschillende inbreng bij het debat over dewetsbehandeling van de Wet Awir gegeven worden? Op welke puntenverschilden deze inbrengen van elkaar? Op welke punten kwamen zijovereen?De commissie geeft in paragraaf 9.2.4 een overzicht van kritische puntendie werden ingebracht op het wetsvoorstel, zoals de hardheidsclausules,vangnetregelingen, liquiditeitsproblemen en terugbetalingsregelingen. Deafzonderlijke inbrengen zijn terug te vinden in het wetgevingstraject,Kamerstukdossier 29 764 en de handelingen: Handelingen II 2004/05, nr.39, nr. 40, nr. 46 en nr. 49 en Handelingen I 2004/05, nr. 28 en nr. 29.152In hoeverre zijn de risico’s van een systeem dat gebaseerd is opvoorschotsystematiek in de totstandkoming van het wetsvoorstel erkenden beoordeeld?Bij de totstandkoming van de Algemene wet inkomensafhankelijkeregelingen (Awir) was al bekend dat de voorschotsystematiek risico’s metzich meebrengt. Onder meer paragraaf 4.2 gaat hier nader op in. Zo staatin de memorie van toelichting bij de Awir: «Belanghebbenden zullen zichbewust moeten zijn van de (financiële) risico’s van foutieve schattingen envan andere gegevens die op basis van verwachtingen worden verstrekt.»(Kamerstuk II 2004/05, 29 764, nr. 3). De keuze voor de voorschotsyste-matiek en de afweging dat de meeste mensen in staat zijn zelf verant-woordelijkheid te dragen voor het aanleveren van de juiste informatiewordt destijds breed gesteund, omdat het ervoor zou zorgen dat het geldsnel bij de toeslagaanvrager terecht kon komen. Een aantal fracties –waaronder VVD, LPF, CDA, PvdA en ChristenUnie – stelt Kamervragenover de terugbetalingsverplichting bij terugvorderingen en de rol van deBelastingdienst bij het proactief informeren van aanvragers dat zijmogelijk te veel of te weinig toeslagen ontvangen, maar dit leidt niet toteen andere afweging over de keuze voor de voorschotsystematiek.Daarnaast stelt Staatssecretaris van Financiën Joop Wijn dat het de eigenverantwoordelijkheid is van de burger om inkomenswijzigingen door tegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 851 De grote problemen van het nieuwe toeslagensysteem waar burgers meete maken krijgen, komen vooral door de keuze voor de voorschotsyste-matiek in combinatie met een aantal fundamentele ontwerpfouten. Bijdeze ontwerpfouten kiest de wetgever voor een uitvoeringsorganisatie dieop dat moment niet goed voorbereid is op deze nieuwe taak, kiest dewetgever voor beperkte waarborgen voor een behoorlijke uitvoering, enkiest de wetgever ervoor om adviezen van de Afdeling advisering van deRaad van State over mogelijke uitvoeringsproblemen en de noodzake-lijkheid van een hardheidsclausule niet op te volgen (zie pp. 92–93 en p.378).153In hoeverre zijn de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel naar vorengebracht in het wetsvoorstel en aan de orde gekomen bij de totstand-koming en behandeling daarvan?In de memorie van toelichting worden uitvoeringsaspecten, zoals hetonderbrengen van toeslagen bij de Belastingdienst beschreven(Kamerstuk II 2004/05, 29 764, nr. 3, p.26). De Afdeling advisering van deRaad van State wijst in zijn advies op mogelijke uitvoeringsproblemen,pleit onder meer voor een vollediger taakomschrijving van de Belasting-dienst en is van mening dat een hardheidsclausule bij massale processenniet kan worden gemist. (Kamerstuk II 2004/05, 29 764, nr. 5).In paragraaf 9.2.4 (pp. 376–380) wordt de wetsbehandeling van de Awir,waaronder uitvoeringsaspecten als het onderbrengen van de toeslagen bijde Belastingdienst. Zo problematiseren een aantal fracties bij de schrifte-lijke en plenaire behandeling van het wetsvoorstel het onderbrengen vande toeslagen bij de Belastingdienst.154Op basis waarvan werd geconcludeerd dat de Belastingdienst toegerustzou zijn op massale processen voor uitbetaling, zoals tijdens de behan-deling van de Wet Awir gesteld werd?Het kabinet heeft er destijds voor gekozen om de uitvoering van hettoeslagenstelsel bij de Belastingdienst te leggen, omdat de Belasting-dienst veel ervaring had met massale processen en beschikte overinformatie van inkomens van Nederlanders. Dit staat onder anderebeschreven in de memorie van toelichting van de Wet kinderopvang(Kamerstuk II 2001/02, 28 477, nr. 3).155Op welke wijze is de «zelfevaluatie» van de Eerste Kamer tot standgekomen?Naar aanleiding van het verslag «Ongekend Onrecht» van de parlemen-taire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) van de TweedeKamer heeft het Eerste Kamerlid Recourt (PvdA) voorgesteld om in deEerste Kamer een werkgroep in te stellen ter zelfevaluatie, om na te gaanop welke wijze de Eerste Kamer wetgeving heeft behandeld die in beeld isgekomen naar aanleiding van de kinderopvangtoeslagenaffaire in de jaren2003–2019. De plenaire en schriftelijke behandeling van wetsvoorstellen,toezeggingen, evaluaties en rapporten is hiervoor doorgenomen. Tevensis bekeken in hoeverre de Eerste Kamer signalen van misstanden heeftontvangen en opgepakt. Voor een volledige beschrijving van de onder-zoeksaanpak zie het Rapport werkgroep zelfevaluatie naar aanleiding vande toeslagenaffaire (2003–2019), p.5 (bijlage bij Kamerstuk I 2021/22,CXLVIII, A).156Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 852 Kan geschetst worden op welke wijze de signaalfunctie vanuit desamenleving richting de volksvertegenwoordiging in andere landenvormgegeven is? Hoe komen problemen van burgers met (de uitvoeringvan) wetgeving bij volksvertegenwoordigers terecht?Hier heeft de commissie geen onderzoek naar gedaan.157Wanneer was de eerste publicatie over de Bulgarenfraude? Op welke wijzewerd door de Kamer op deze publicatie gereageerd?Dat was op 21 april 2013. In een tweet kondigt het KRO-programmaBrandpunt het onderwerp aan van de uitzending van die avond: «Gratisgeld uit Holland». RTL Nieuws, dat al een tijdje bezig was met eenonderzoek naar adresfraude, reageert daar direct op door nog diezelfdeavond een item te maken voor het nieuws. RTL Nieuws onthult op 21 april2013 op basis van een vertrouwelijk politierapport dat Bulgaren inNederland via nep-adressen op grote schaal toeslagen hebben aange-vraagd. Het NOS journaal kondigt de uitzending van Brandpunt die avondaan in het 8 uur journaal.De Tweede Kamer reageert middels mondelinge vragen van het KamerlidNeppérus (VVD) op 23 april aan de Staatssecretaris van Financiën FransWeekers over het bericht dat Bulgaren de Nederlandse fiscus oplichten(Brandpunt.kro.nl, 21 april 2013). Tijdens dit vragenuur stelt Kamerlid VanVliet (PVV) ook vragen (Handelingen II 2012/13, nr. 78, item 5). Bij deregeling van werkzaamheden van 25 april 2013 wordt een brief met eenfeitenrelaas en een debat aangevraagd door het lid Omtzigt (CDA)(Handelingen II 2012/13, nr. 80, item 13, p. 80). Dit debat vindt plaats op14 mei 2013 (Handelingen II 2012/13, nr. 81, item 13). Tijdens dat debatwordt een motie van wantrouwen van Omtzigt c.s. ingediend (KamerstukII 2012/13, 17 050, nr. 433), welke wordt verworpen. Zie paragraaf 9.3.2, p.414 en paragraaf 9.3.4, pp. 437–439 van het rapport.Ook in de contextanalyse «Tussen Ambitie en Uitvoering», die als bijlageis gevoegd bij het rapport «Blind voor mens en recht», wordt de Bulgaren-fraude beschreven (bijlage bij Kamerstuk II 2023/24, 35 867 nr. 6, pp.113–119).158Hoe vaak werden er binnen de context van de Bulgarenfraude Kamer-vragen gesteld aan de hand van een publicatie in de media?In paragraaf 9.5.5 wordt op p. 450 in figuur 9.1 de aandacht vanuit demedia en politiek voor fraude en misbruik in de sociale zekerheidweergegeven. Daaruit blijkt dat er in 2013, rondom de, wat in de media isgaan heten Bulgarenfraude, bijna twee keer zoveel media aandacht is dangemiddeld voor fraude en misbruik in de sociale zekerheid. Ook depolitieke aandacht is hoger dan gemiddeld: het leidt tot bijna twee keerzoveel plenaire debatten en een anderhalf keer meer Kamervragen.In de contextanalyse «Tussen Ambitie en Uitvoering» wordt in paragraaf2.3b nader ingegaan op Kamervragen. Het specifieke aantal Kamervragenbinnen de context van de Bulgarenfraude heeft de commissie nietonderzocht, maar figuur 2.3 op p. 30 van de contextanalyse geeft eenglobaal beeld. (bijlage bij Kamerstuk II 2023/24, 35 867 nr. 6, pp. 29–31).159Op welke wijze werd door de Kamer gereageerd op de waarschuwing vantoenmalig Staatssecretaris Weekers dat een aanscherping van hetfraudebeleid tot gevolg zou hebben dat «de goeden onder de kwadenzullen lijden»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 853 De Kamer heeft op dat moment meer aandacht voor een harde fraude-aanpak. De Kamer zet Staatssecretaris van Financiën Frans Weekersvooral onder druk om maatregelen te nemen (zie Handelingen II 2012/13,nr. 81, item 13).160Is deze waarschuwing in de periode rondom de Bulgarenfraude ook opandere wijze vanuit de regering naar de Kamer gecommuniceerd? Zo ja,waar en op welke wijze? Gebeurde dit voor of na de indiening van degenoemde motie van wantrouwen?De commissie heeft daar geen onderzoek naar gedaan. Zoals in vraag 9reeds aangegeven, heef de commissie gezien de breedte van haaronderzoeksopdracht keuzes moeten maken over de onderwerpen waar zijzich al dan niet in ging verdiepen en de diepgang daarin. De parlemen-taire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) geeft in haarverslag »Ongekend onrecht» aan dat de Staatssecretaris van FinanciënFrans Weekers naar aanleiding van de Bulgarenfraude de Tweede Kamermeldt dat «goedwillende burgers vaker hinder gaan ondervinden van hetaangescherpte toezicht, bijvoorbeeld omdat zij langer op een toeslagmoeten wachten. De ambtelijke top van de Belastingdienst accepteert eengroepsgewijze aanpak, waarbij de gevolgen voor goedwillenden verdergaan dan alleen langer wachten. Zij nemen zich voor de politiek hierinmee te nemen, maar het is niet gebleken dat dit daadwerkelijk is gebeurd.In elk geval kan de Staatssecretaris van Financiën Eric Wiebes het zich nietherinneren.» (Kamerstuk II, 35 510, nr. 2, p. 20).161Kan de parlementaire discussie rondom de ingediende motie vanwantrouwen (in samenvatting) geschetst worden? Wat waren deoverwegingen om deze motie in te dienen of te steunen of om dat juistniet te doen?De motie van wantrouwen wordt ingediend tijdens het debat rondom hetfeitenrelaas betreffende de fraude met toeslagen op 14 mei door de ledenOmtzigt, Van Vliet, Bashir, Koolmees, Van Ojik, Klein en Thieme.De Kamerleden die de motie steunden, gaven onder meer de volgendeoverwegingen:–verstoorde vertrouwensrelatie is tussen de Staatssecretaris en deBelastingdienst;–De aard en de omvang zijn fors;–Iedereen was van deze fraude op de hoogte behalve de Staatssecreta-ris;–problemen zijn door de Staatssecretaris verschillende keren gebagatel-liseerd;–ten tijde van de Brandpunt-uitzending had de Staatssecretaris in denoodzakelijke communicatie met de opsporingsdienst niet de regie;–de informatievoorziening aan de Tweede Kamer was rommelig enmiste daardoor overtuiging.–De Staatssecretaris heeft geen inzicht in zijn eigen functioneren en ziethij niet in hoe slecht dit is voor het vertrouwen in de politiek;–onvoldoende vertrouwen dat deze Staatssecretaris de grootschaligestructurele fraude voortvarend kan aanpakken.De Kamerleden die de motie van wantrouwen niet steunden, gaven ondermeer de volgende overwegingen:–Wij geven de Staatssecretaris nog een kans om te laten zien dat hij hetgevraagde vertrouwen waard is;–De Staatssecretaris sprak wat ons betreft krachtig en met passie;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 854 –Door de manier van communiceren is het beeld ontstaan van eenStaatssecretaris die niet adequaat optrad. De Kamer werd niet snel enals eerste geïnformeerd, maar de Staatssecretaris heeft wel toegezegddat de communicatie in de toekomst adequaat zal zijn.–De Staatssecretaris heeft een grote motivatie aan de dag gelegd omzich hiervoor te willen inzetten en de Tweede Kamer over de voortgangte rapporteren.–De hardwerkende medewerkers van de Belastingdienst verdienen onzesteun.Zie Handelingen II 2012/13, nr. 81, item 13, pp. 82–85 voor een volledigeweergave van de overwegingen.162Op welke wijze heeft de ingediende motie zijn weerslag gehad op hetkabinetsbeleid? Op welke wijze werd deze besproken binnen de regering,het ministerie of de uitvoering?Zie vraag 163.163Is de motie hierna bijvoorbeeld intern als argument gebruikt om eenscherpe fraudeaanpak te verantwoorden of op andere wijze te onder-bouwen? Zo ja, kan de context waarin dit gebeurde geschetst worden?De commissie heeft geen reconstructie gemaakt van interne discussiesrondom de motie van wantrouwen.164Op welke wijze heeft zelfreflectie vanuit de Kamer ten aanzien van deoorzaak van de genoemde problematiek (te weten het feit dat demaatregel waarop de Kamer zo aandrong deze problematiek deels hadveroorzaakt) een plek gekregen in het Kamerdebat op 29 januari 2014 ofdaarna?De commissie heeft dit niet nader onderzocht.165Welke impact heeft het aftreden van de Staatssecretaris gehad op hettempo en de wijze waarop de geschetste problematiek is aangepakt?De commissie gaat ervan uit dat dit over het aftreden van de Staatssecre-taris van Financiën Frans Weekers gaat. De commissie heeft hier geenonderzoek naar gedaan.166Hoe vaak is in de geschetste periode (2010–2019) gedebatteerd over hetonderwerp fraude met sociale zekerheid aan de hand van mediabe-richten?In paragraaf 9.5.5 wordt op p. 450 in figuur 9.1 de aandacht vanuit demedia en politiek voor fraude en misbruik in de sociale zekerheid globaalweergegeven.In de contextanalyse «Tussen Ambitie en Uitvoering» die als bijlage bij hetrapport Blind voor Mens en Recht van de commissie is gepubliceerdwordt in paragraaf 2.4 (pp.27–33) meer inzicht gegeven in het aantalplenaire debatten en Kamervragen sociale zekerheid in het algemeen ende wisselwerking met de media (bijlage bij Kamerstuk II 2023/24, 35 867nr. 6, pp. 29–33).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 855 167In hoeverre legde de Kamer door het aanjagen van een streng fraude-beleid extra druk op het behalen van de genoemde fraudetaakstellingen?Met de genoemde fraudetaakstellingen wordt gedoeld op de businesscase intensivering toezicht toeslagen die onderdeel vormt van de Wetaanpak fraude toeslagen en fiscaliteit (Waftf). In de business caseintensivering toezicht toeslagen werd van tevoren bepaald wat defraudebestrijding moest opleveren. Daar werd dan ook op gestuurd vanuithet kabinet. Toen duidelijk werd dat de Dienst Toeslagen de jaarlijksafgesproken 25 miljoen euro niet ging halen, werden de teugels aange-trokken: de dienst ging 2.000 extra toeslaggerechtigden bij wie zij eenhoger risico op fraude vermoedde, aan een intensieve controle onder-werpen. Zie paragraaf 8.5.2 (pp.362–365) van het rapport.De commissie heeft niet onderzocht in hoeverre de Kamer hierop extradruk legde. De commissie constateert wel dat de Kamer juist vragenhierover stelt, zoals het lid Leijten (SP) die vragen stelt over morelecorruptie bij de Belastingdienst door het stellen van een minimumbedragvoor het terugvorderen van toeslagen (zie p.364). Ook constateert decommissie in paragraaf 9.4.4 (p.441) dat de toonzetting in de Kamer vaninvloed is op ambtenaren en uitvoeringsorganisaties.168Hoe wordt er volgens de commissie nu toezicht gehouden op deimplementatie van de aanbevelingen uit het rapport om ervoor te zorgendat de rechten en waardigheid van alle individuen worden beschermd?Voordat toezicht kan worden gehouden op de implementatie van deaanbevelingen gericht aan de regering en de Tweede Kamer, zal de Kamerhierover eerst het debat met de commissie voeren. Het is aan de TweedeKamer of, en zo ja, welke aanbevelingen zij wil overnemen. Zij kan daaropeen reactie van het kabinet vragen. De commissie acht het verstandig omeen vorm van monitoring op de voortgang van de implementatie van deaanbevelingen af te spreken.Los van bovenstaande richt de commissie zich in haar rapport niet alleenop alle staatsmachten (de wetgever, de uitvoering waaronder deambtenarij en de rechtspraak), maar ook op de media. Die hebben, iederop zijn eigen manier, een rol gespeeld in het fraudebeleid. De commissiedoet een dringend appel op alle betrokkenen om, ieder vanuit zijn eigenrol, blijvend te reflecteren op het handelen en te beoordelen wat ieder zelfkan doen om een volgend grondrechtenschandaal te voorkomen.169Hoe verhoudt de aandacht van de media en de aandacht van de politiekvoor fraude zich tot de financiële omvang daarvan?De commissie geeft in paragraaf 9.5.5 aan dat er disproportioneel veelaandacht is gegaan naar fraude in de sociale zekerheid. Dit is hetduidelijkst te zien bij wat de media de «Bulgarenfraude» zijn gaannoemen. In de periode vanaf 21 april 2013, het moment dat Brandpuntkomt met de uitzending over de Bulgaren die fraude plegen, tot en met19 mei 2013, komt deze affaire terug in totaal 36 uitzendingen en 123krantenartikelen. Vervolgens stellen Kamerleden vragen in het vragenuur,volgen er debatten en een motie van wantrouwen.De daadwerkelijk omvang is in het begin nog niet duidelijk. De Staatsse-cretaris van Financiën Frans Weekers stuurt naar aanleiding van dezecasus enkele cijfers over misbruik en oneigenlijk gebruik van toeslagennaar de Tweede Kamer (Kamerstuk II 2012/13, 17 050, nr. 434). Van het opdat moment (maart 2013) openstaande terug te vorderen bedrag van 1,2miljard euro (betreffende toeslagjaren vanaf 2006) heeft ongeveer 8%Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 856 (ruim 95 miljoen euro) te maken met fraude of oneigenlijk gebruik. De restbetreft het regulier terugbetalen van te hoog uitgekeerde toeslagen(bijvoorbeeld vanwege een onjuiste schatting van de hoogte van hetinkomen).Uiteindelijk blijkt het om circa € 4 miljoen euro te gaan (bijlage bijKamerstuk II 2013/14, 17 050 nr. 465). Op een totaal aantal inkomensafhan-kelijke toeslagen van 10 miljard is dat 0,04%.170Hoe heeft de commissie de bijstandsverlening door ministeries ervaren?Heeft de commissie ongehinderd haar onderzoek kunnen verrichten?De commissie onderschrijft het wettelijk recht van genodigden om zich telaten bijstaan tijdens een besloten voorgesprek. Maar zij ziet ook toe datde genodigde daarbij een vrije afweging kan maken ten aanzien van het aldan niet laten bijstaan alsmede ten aanzien van de keuze wie alsbijstandsverlener aanwezig is.De commissie heeft zich daarom, via ambtelijk contact met genodigde,voorafgaand aan het besloten voorgesprek ervan vergewist dat hiervansprake was. Desondanks is in de praktijk ervaren dat in één geval deaangemelde bijstandsverlening geen vrije keuze van de genodigde was ende genodigde voorafgaand druk ervoer in de keuzebepaling, daar dewerkgever ook een belang had bij aanwezigheid van de bijstandsverlener.Interventieoverleg voorafgaand aan het besloten voorgesprek heeft ertoegeleid dat genodigde uiteindelijk een vrije afweging heeft kunnen makenzoals beoogd in de Wet op de parlementaire enquête (Wpe 2008).De commissie merkt, net als voorgaande enquêtecommissies zoals dieover Woningcorporaties, Fyra en Groningen, op dat vanuit een aantalwerkgevers vaak dezelfde bijstandsverlener aanwezig was. Enerzijds biedtdit de werkgever de gelegenheid toe te zien op de verklaringen van dewerknemer tegenover de commissie. Anderzijds doet de werkgever opdeze wijze bij meerdere besloten voorgesprekken kennis op in eenvertrouwelijke fase van het onderzoek.De commissie beveelt daarom aan om bij de volgende herziening van deWet op de parlementaire enquête 2008 (Wpe 2008) onder meer helder hetdoel van de bijstandsverlener vast te leggen.171Wat zou het gevraagde aantal advocaten in de sociale advocatuur moetenzijn om de tekorten op te lossen?Dit is niet precies te zeggen. Het betreft veel rechtsgebieden. En dit hangtonder andere ook af van hoe streng wetgeving en beleid wordentoegepast in de uitvoering, en of dit veel tot juridische conflicten leidt ofniet. De indruk bestaat nu (zie het paper «Rechtsbescherming tegen deoverheid», door prof. mr. Y.E. Schuurmans, bijlage C van het rapport) dater tekorten zijn. Dat leidt er concreet toe dat rechtszoekenden niet altijdeen sociaal advocaat kunnen vinden om hun zaak te behartigen. Hoegroot deze leemte in de rechtshulp nu precies is, kan de commissie nietvaststellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 35 867, nr. 857

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · cbf6f891c6bb7762

14 okt 2026 · 2bbac8080b2caac0

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.