Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015: aanbieden analyses
Brontekst
Versie b7c93f1aa9bee1e4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 538Zorg en maatschappelijke ondersteuningNr. 369 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 1 juli 2025In het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 wordt samen met gemeenten(VNG) gekeken naar de personele, financiële en maatschappelijkehoudbaarheid van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015.Dit onderzoekstraject loopt al een geruime tijd en hierover is uw Kamer alop verschillende momenten geïnformeerd.1 In het kader van dit onder-zoekstraject worden verschillende analyses uitgevoerd om zodoende eenbeter en gezamenlijk beeld te vormen van hoe de Wmo 2015 functioneert.Eerder verschenen al de publicaties: (1) Historische Analyse Wetmaatschappelijke ondersteuning 20152 en (2) De sociale basis en dehoudbaarheid van de Wmo3.Op basis van deze analyses wordt getracht een beeld te vormen van hoede Wmo 2015 zich in de nabije toekomst ontwikkelt en welke beleids-matige opties er zijn om een reële bijdrage te leveren aan het beschikbaar,betaalbaar en uitvoerbaar houden van zorg en ondersteuning vanuitverschillende dimensies: financiële houdbaarheid, personelehoudbaarheid, maatschappelijke houdbaarheid en de juridische dimensie.Met deze brief bied ik uw Kamer de laatste rapporten aan die in het kadervan dit onderzoekstraject zijn opgeleverd. Dit doe ik zonder uitgebreidebeleidsmatige duiding, omdat ik het belangrijk vind géén voorbarigeconclusies te trekken. De onafhankelijke voorzitter van het houdbaarheids-traject levert aan het einde van dit jaar zijn eindrapportage op en op basisdaarvan zal een compleet beeld met uw Kamer gedeeld worden. Dankunnen pas conclusies worden getrokken met een beleidsmatige duiding.Dit is door de recente val van het kabinet ook aan een volgend kabinet.1Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 29 538, nr. 350 en Tweede Kamer, vergaderjaar2022–2023, 29 538, nr. 329.2Kamerbrief over Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl3Kamerbrief over houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015: deelproduct A2 | Kamerstuk |Rijksoverheid.nl kst-29538-369ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3691 In de bijlagen van deze brief treft u achtereenvolgens aan:•Onderzoek A3: Een agenderende studie naar aanpalend beleid•Onderzoek A4: Diversiteit in de uitvoeringspraktijk•Rode draden uit de rondetafelgesprekken•Tevens zal in deze brief worden stilgestaan bij onderzoek A5: Separateraming Wmo 2015Onderzoek A3: Een agenderende studie naar aanpalend beleidIn deze agenderende studie onder regie van de onafhankelijk voorzittervan het houdbaarheidsonderzoek, is naar het houdbaarheidsvraagstukgekeken buiten de Wmo 2015 zelf. Deze studie laat vooral zien dat devraag naar maatschappelijke ondersteuning voor een groot deel ookbuiten de Wmo 2015 wordt bepaald. De mate waarin het individuzelfredzaam is, wordt vooral door aspecten buiten de reikwijdte van deWmo 2015 vormgegeven. Het gaat hierbij om zaken als bestaanszekerheiden woonzekerheid. Wonen en vooral de doorstroom naar geschiktewoningen voor verschillende doelgroepen (ouderen, daklozen, beschermdwonen cliënten), is een zeer belangrijke factor ten aanzien van dehoudbaarheid van de Wmo 2015.Daarnaast wordt ingegaan op gedragseffecten bij de bevolking(wetgeving en beleid dienen «gewenst» zorggedrag te ondersteunen enmogelijk te maken) en de plek die de Wmo 2015 inneemt binnen hetgrotere zorgstelsel. Dit kan gaan om zorgbeleid of beleid buiten de zorg.Onderzoek A4: Diversiteit in de uitvoeringspraktijkHet RIVM heeft in samenwerking met onderzoeksbureau Cebeon eenanalyse uitgevoerd naar de diversiteit van de uitvoeringspraktijk bijgemeenten. De scope van dit onderzoek is met name gericht op detoegang tot zorg en ondersteuning (lokale teams) en maatwerkonder-steuning.4 Een belangrijk onderdeel van de visie achter de decentralisatieswas dat gemeenten op lokaal niveau zelf de Wmo 2015 zouden kunnenvormgeven en dat daarmee diversiteit zou ontstaan. De onderzoekersstellen dat deze diversiteit ook daadwerkelijk tot stand is gekomen en datmanifesteert zich vooral in hoe gemeenten hun sturing, contractering en(lokale) toegang (lokale teams) vormgeven. Gemeenten maken hierinkeuzes, veelal gebaseerd op hoe de lokale «taakzwaarte» en ondersteu-ningsbehoefte zich manifesteert. Hierdoor ontstaan verschillendegemeentelijke profielen.De onderzoekers constateren het volgende:•De inrichting van de toegang en inkoop van maatwerkondersteuning isvolop in beweging bij de onderzochte gemeenten. De inrichtingskeu-zes van gemeenten hangen mede samen met de taakzwaarte vangemeenten. De taakzwaarte wordt bepaald door de bevolkingssamen-stelling, zo heeft een gemeente met veel 75-plussers een zwaarderetaak vanuit de Wmo 2015.•Gemeenten met een lichtere taakzwaarte hebben de toegang vaker ineigen beheer of kiezen voor een netwerksamenwerking tussengemeente en welzijns- en/of zorgpartners. Gemeenten met eenzwaardere taakzwaarte kiezen vaker voor uitbesteding van de toegangaan een hoofdaanbieder of speciale rechtspersoon.4Beschermd wonen en opvang zijn enkel meegenomen in het landelijke uitgavenbeeld, niet inhet verdiepende onderzoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3692 •De gemeenten met een zwaardere taakzwaarte5 geven bij uitbestedingvaker een brede taakopdracht mee voor het verzorgen van activiteitenvoor de toegang tot ondersteuning.•Ook kiezen gemeenten met een zwaardere taakzwaarte vaker voortaakgerichte bekostiging bij de inkoop van maatwerkondersteuning. Bijdeze bekostigingsvorm is er een algemeen budget voor aanbieders opbasis van een set van resultaatafspraken voor een (deel)populatie. Opdeze manier proberen gemeenten professionals meer ruimte enmogelijkheden te bieden voor ondersteuning van een brede populatiemet langdurige en/of complexe problematiek.•Gemeenten met een lichtere taakzwaarte hebben de activiteiten dievallen onder toegang tot de Wmo veelal in eigen beheer om grip tehouden op de vraag naar ondersteuning. Dit wordt vaak gecombineerdmet inspanningsgerichte bekostiging (P*Q) en tussentijdse toetredingvan aanbieders. Zo kunnen gemeenten meerdere aanbieders contrac-teren en keuzevrijheid bieden aan inwoners.•Landelijk zijn de uitgaven aan de toegang tot ondersteuning (brederdan de Wmo) toegenomen in de periode 2017–2023, met name in delaatste jaren. De uitgaven aan maatwerkondersteuning tonen ook eenstijgende trend, maar zijn in verhouding minder hard gestegen dan deuitgaven aan de toegang tot ondersteuning. Ruim 80 procent van delandelijke uitgaven aan maatwerk gaat naar hulp bij het huishouden enbegeleiding/dagbesteding. De stijging in uitgaven bij hulpmiddelen enhulp bij het huishouden hangt samen met de stijging in het aantalcliënten. Tegelijkertijd zijn, met name in 2023, ook de gemiddeldeuitgaven per cliënt gestegen. Daarnaast beslaan de uitgaven aanbeschermd wonen en opvang ongeveer een derde van de totale Wmouitgaven.•Er is geen eenduidige relatie tussen inrichtingskeuzes en uitgaven.Indien de inrichtingskeuzes voor de toegang en inkoop van maatwerk-ondersteuning goed op elkaar aansluiten zijn gemeenten beter in staatom te sturen op de uitgaven aan maatwerkondersteuning.•Gemeenten met een zwaardere taakzwaarte hebben vaker een bredetaakopdracht in de toegang en kiezen vaker voor taakgerichtebekostiging. Hierdoor zijn de uitgaven aan de toegang gemiddeldhoger, maar de uitgaven en het aantal cliënten maatwerkondersteu-ning lager dan bij gemeenten met een smalle taakopdracht. Deuitgaven en cliënten maatwerkondersteuning zijn gemiddeld het laagstbij gemeenten met een zeer smalle taakopdracht in de toegang. Dezegemeenten hebben de toegang vaak in eigen beheer. De lage uitgavenvoor maatwerk hangen hierbij mogelijk samen met een sterkeresturing op samenredzaamheid (en uitgaven aan de sociale basis) enmeer eigen kracht en samenredzaamheid van inwoners.Onderzoek A5: Separate raming Wmo 2015In februari 2025 publiceerde het CPB de Middellangetermijnramingzorguitgaven 2027–2033 (MLT-Zorg).6 Nieuw in deze raming was despecifieke aandacht voor de Wmo 2015 (en de Jeugdwet). In eerdereramingen en verkenningen was het voor het CPB niet mogelijk om deWmo 2015 als separaat domein te ramen. In het kader van het Houdbaar-heidsonderzoek hebben gemeenten geaggregeerd gegevens kunnendelen met het CPB waardoor het voor het CPB mogelijk was een speci-fieker beeld van de ontwikkelingen in de Wmo 2015 ten aanzien van5Een brede taakopdracht houdt in dat er wordt gekeken naar welke hulp het meest geschikt is(binnen en/of buiten de Wmo) en dat er preventief wordt gewerkt door bijvoorbeeld hetafleggen van huisbezoeken op basis van signalen.6Middellangetermijnraming zorg 2027–2033Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3693 maatwerkondersteuning (geïndiceerde ondersteuning) te betrekken in deraming.De raming laat zien dat de uitgaven van gemeenten bij huidig beleid(inclusief voorgenomen kabinetsbeleid ten aanzien van de Inkomens enVermogensafhankelijke Eigen Bijdrage) de komende jaren zullen stijgen.De raming geeft een beeld van hoe de Wmo 2015 zich zal ontwikkelen enmoet vooral gezien worden als een puzzelstuk in het geheel, omdat deraming zich alleen richt op maatwerkondersteuning.7 Andere belangrijkeonderdelen van de Wmo (zoals de sociale en maatschappelijke basis,maar ook wijkteams) zijn géén integraal onderdeel van deze raming,omdat eenduidige gegevens hierover die bruikbaar zijn voor eendergelijke raming, niet beschikbaar zijn.Rode draden uit de rondetafelgesprekkenIn aanvulling op de (wetenschappelijke) analyses zijn in de periodeoktober 2024 tot en met maart 2025 rondetafelgesprekken georganiseerd.In deze bijeenkomsten is gesproken met vertegenwoordigers van cliënten,branches, gemeenten en inhoudelijke experts over de opgaven tenaanzien van de Wmo 2015. Tijdens deze gesprekken zijn naast«knelpunten» ook veel oplossingsrichtingen gedeeld. De rode draden(input uit de rondetafelgesprekken samengevat) vormen een belangrijkeaanvulling op de inhoudelijke analyses en worden nauw betrokken bij deeindrapportage van de gehele studie. Ook deze rapportage is terug tevinden, als bijlage bij deze brief.Rapportage verlenging van vitaliteit en uitstel van zware zorg in eenverouderende samenleving door LASA en SCPIn deze brief wil ik ook graag aandacht vragen voor een onderzoek datonderzoekers van de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) vanhet Amsterdam UMC en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)recentelijk hebben gepubliceerd.8 In dit onderzoek wordt gekeken naarwelke factoren van invloed zijn op twee cruciale levensmomenten voorouderen, het moment van zorgafhankelijkheid en van sociale afhanke-lijkheid. Het moment van zorgafhankelijkheid is het moment waaropouderen langdurig zorg thuis ontvangen of worden opgenomen in eenwoonzorgcentrum. Het moment van sociale afhankelijkheid is het momentwaarop ouderen afhankelijk worden van anderen voor dagelijkseactiviteiten (boodschappen, persoonlijke verzorging). De factoren dieonderzocht zijn, zijn het hebben van hulpbronnen (zoals gezondheid ofinkomen), participatiemogelijkheden (zoals aan werk, zorg, sport ofcultuur) en het welbevinden van ouderen. Bij sociale afhankelijkheid isook zorggebruik een mogelijke factor. De levensloop van ouderen isslechts ten dele voorspelbaar en maar beperkt te beïnvloeden doorbeleidsinterventies. Deze studie geeft gemeenten, die sociale én zorgaf-7De raming van de collectieve zorguitgaven richt zich alleen op de collectieve Wmo zorguit-gaven aan de private zorgaanbieders voor de maatwerkondersteuning en een klein deel van dewijkteams, conform definitie van de sociale uitkeringen in de Nationale rekeningen. In dezesystematiek zijn de Wmo uitgaven die gemeenten zelf dragen (inbesteding bijvoorbeeld) geenonderdeel van de collectieve MLT zorguitgaven. Andere uitgaven van de Wmo (zoals voor desociale en maatschappelijke basis en een groot deel van de wijkteams) zijn géén integraalonderdeel van deze raming, omdat eenduidige gegevens (bruikbaar voor een raming) hieroverontbreken, dan wel dat deze geen onderdeel uitmaken van de systematiek van de «socialeuitkeringen».8https://lasa-vu.nl/wp-content/uploads/2025/05/Rapportage-Verlenging-derde-levensfase-uitstel-zware-zorg_final.pdf, https://www.scp.nl/actueel/nieuws/2025/05/22/verlengen-vitaliteit-draagt-bij-aan-uitstel-van-zware-zorg-ouderen en https://lasa-vu.nl/nieuws/verlengen-vitaliteit-draagt-bij-aan-uitstel-van-zware-zorg-ouderen/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3694 hankelijkheid van oudere inwoners willen uitstellen aanknopingspuntenom ouderen te faciliteren in het goed ouder worden in hun buurt, hetgeenook een opdracht is, voortvloeiend uit de Wmo 2015.VervolgDe onafhankelijk voorzitter van het houdbaarheidsonderzoek gaat samenmet het ambtelijk secretariaat (een gezamenlijk secretariaat van Rijk engemeenten) werken aan een eindrapportage, die voorzien is voor heteinde van dit jaar. In de komende periode worden ook nog enkeleconsulterende gesprekken gevoerd met onder andere vertegenwoordigersvan cliëntorganisaties en (zorg)branches. In deze eindrapportage wordtgeschetst waar reële mogelijkheden liggen om bij te dragen aan dehoudbaarheid van de Wmo 2015. Het benutten van die mogelijkhedenvraagt om duidelijke en strakke keuzes, die in het eindrapport geschetstzullen worden.Mijn ministerie en het ambtelijk secretariaat van het houdbaarheidson-derzoek zijn van harte bereid om invulling te geven aan een eventueletechnische briefing naar aanleiding van deze brief en de studies die zijnuitgevoerd.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,N.J.F. Pouw-VerweijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 538, nr. 3695
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.