KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie op tweede reflectierapport `Werk aan de winkel’ van de Evaluatiecommissie Omgevingswet

19 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 9a1eb557d4491ff7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 118OmgevingsrechtNr. 320 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 juni 2026In deze brief treft u de kabinetsreactie op het tweede reflectierapport«Werk aan de winkel» van de Evaluatiecommissie Omgevingswet. Op24 februari 2026 bood de Evaluatiecommissie dit rapport aan mij alsstelselverantwoordelijke Minister voor de Omgevingswet aan. Op10 maart 2026 heb ik het rapport en de bijbehorende deelonderzoeken aanuw Kamer toegezonden.1 Het kabinet dankt de commissieleden opnieuwvoor hun rapport en het belangrijke werk dat zij doen voor de evaluatievan de Omgevingswet.De Evaluatiecommissie Omgevingswet is belast met de onafhankelijkeevaluatie van de Omgevingswet. Daartoe voert zij jaarlijks deelevaluatie-onderzoeken uit. De evaluatie focust zich op het behalen van de verbeter-doelen van de Omgevingswet in de praktijk. De werking van het DigitaalStelsel Omgevingswet (DSO) en de financiële effecten van deOmgevingswet vallen buiten scope van de evaluatie.In 2025 heeft de Evaluatiecommissie onderzoek gedaan naar de instru-menten omgevingsvergunning en algemene rijksregels. Naast dezeonderzoeken haalt zij breed signalen op uit onder andere haar gebrui-kersraad en expertnetwerk. Ook gebruikt zij de informatie uit de rappor-tages van de Monitor Werking Omgevingswet. De Evaluatiecommissiebiedt jaarlijks een reflectierapport aan mij aan, op 16 april 2025 ontving uhet eerste rapport.2 De eindevaluatie van de Omgevingswet volgt in 2029.In haar tweede reflectierapport schetst de Evaluatiecommissie eengemengd beeld. In 2025 werden stappen gezet met het gebruik van deinstrumenten van de Omgevingswet. Aan de ene kant zijn er positieveontwikkelingen, zo krijgen bevoegde gezagen die instrumenten duidelijksteeds beter onder de knie. Ook werken bevoegde gezagen steeds meer1Kamerstukken II 2025/26, 33 118, nr. 318.2Kamerstukken II 2024/25, 33 118, nr. 292 (bijlage). kst-33118-320ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3201 met elkaar samen. Aan de andere kant signaleert de Evaluatiecommissiedrie knelpunten:1.Oplopende druk op de beoogde samenhangende benadering van deleefomgeving2.Achterblijvende toepassing van instrumenten3.Blijvende behoefte aan ondersteuning en verbetering van het DSO.In deze brief reageert het kabinet op de positieve ontwikkelingen, deknelpunten en de aanbevelingen uit het rapport. Ook bevat de brief eentoelichting op de onderwerpen waarover de Evaluatiecommissie eenonduidelijkheid constateert: specifieke zorgplichten, het vrijwilligeprogramma en vroegtijdige participatie. De brief sluit af met een overzichtvan de verschillende andere onderzoeken rondom de Omgevingswet diedit jaar aan uw Kamer zullen worden aangeboden.Positieve ontwikkelingen: anders werken onder en met deOmgevingswetIn 2025 is het anders werken onder de Omgevingswet een nieuwe fase ingegaan. Er komt steeds meer aandacht voor het werken met de nieuweinstrumenten. Het anders werken is ook voor steeds meer overheden eenaanleiding om hun bestaande leefomgevingsbeleid en -regelgeving tegenhet licht te houden en op zoek te gaan naar samenhang. De Evaluatiecom-missie noemt in haar rapport enkele voorbeelden hiervan, zoals de inmeerdere gemeenten opgerichte «omgevingskamers» die gemeentebreedadviseren over en bijdragen aan integraliteit en uitvoerbaarheid vannieuwe beleidsideeën – bijvoorbeeld door die te relateren aan deomgevingsvisie. Ook wordt er onder de Omgevingswet steeds vakersamengewerkt tussen bevoegde gezagen, bijvoorbeeld door krachten tebundelen tussen gemeenten bij het opstellen van omgevingsplannen. Hetkabinet is verheugd dit positieve signaal te ontvangen, omdat het anderswerken de sleutel is tot behalen van de doelen van de Omgevingswet.De Omgevingswet geeft alle bevoegde gezagen van Nederland deinstrumenten om een balans tussen het beschermen en benutten van defysieke leefomgeving tot stand te brengen. De belangrijkste instrumentenzijn de kerninstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma,decentrale regels (omgevingsplan, waterschapsverordening enomgevingsverordening), (algemene) rijksregels, de omgevingsvergunningen het projectbesluit. Het gebruik van deze instrumenten stelt bevoegdegezagen in staat om samenhangend beleid voor de fysieke leefomgevingte maken, te laten doorwerken en uit te voeren. Zonder dat zij daarbijflexibiliteit in situaties waar een specifieke afweging nodig is verliezen. Zobevat het omgevingsplan bijvoorbeeld vrijwel alle regels over de fysiekeleefomgeving van een gemeente, maar kan met de omgevingsvergunningvoor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) daarvan afgewekenworden om in een specifieke situatie een activiteit toch toe te staan.Anders werken vraagt om een leerproces. Het kabinet leest in het rapportvan de Evaluatiecommissie dat dit leerproces op sommige plekkenschuurt – bijvoorbeeld in de vergunningverlening. De Evaluatiecommissiesignaleert ook terecht dat overheden merken dat deze omslag naarnieuwe werkwijzen een lange adem vergt. Het kabinet herkent dit: er isook de komende jaren nog werk aan de winkel voor alle gebruikers van deOmgevingswet. Het instrumentarium maakt het in samenhang werkenaan de opgaven in de fysieke leefomgeving voor bevoegde gezagen inpotentie makkelijker, maar dit vraagt wel de benodigde inzet van allegebruikers van de wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3202 Voor het kabinet is dat de rode draad van de aanbevelingen van deEvaluatiecommissie: de komende jaren moeten we met alle bevoegdegezagen samen de verdere stappen zetten in het leerproces. Zoalsafgesproken, ondersteun ik als Minister van VRO de bevoegde gezagenhier de komende jaren nog bij. Naar aanleiding van het rapport van deEvaluatiecommissie heb ik daarnaast met mijn bestuurlijke partners, dekoepels van de decentrale overheden -de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie vanWaterschappen (UvW)- afgesproken later dit jaar een breed overleg tevoeren over de Omgevingswet, onder meer over de acties die nodig zijnom de volgende stappen te zetten in het werken met de Omgevingswet.Knelpunt 1: de samenhangende benadering van de leefomgevingDe Evaluatiecommissie maakt zich zorgen over de samenhangendebenadering van de leefomgeving en stelt dat de druk op die benaderingsinds vorig jaar is toegenomen. De oorzaken hiervan zijn de effecten vanhet vaker los indienen van vergunningaanvragen, het vaak gebruiken vande BOPA-omgevingsvergunning en recente sectorale wetgevingsinitia-tieven.Het kabinet erkent het belang van de samenhangende benadering van defysieke leefomgeving. Die samenhangende benadering komt grotendeelsvoort uit het gebruik en de toepassing van álle instrumenten van deOmgevingswet. Steeds meer bevoegde gezagen hebben een omgevings-visie, bij uitstek het instrument waarmee samenhangend beleid voor deleefomgeving wordt gemaakt. Naast samenhangend beleid is ooksamenhangende regelgeving nodig. Die regelgeving komt voor eenbelangrijk deel in de gemeentelijke omgevingsplannen. Voor het opstellenvan vernieuwde omgevingsplannen geldt een overgangstermijn tot 2032.Het kabinet verwacht dat de samenhang toeneemt als bevoegde gezagende instrumenten meer en meer gaan toepassen en ervaring krijgen methet werken met die instrumenten, en roept daarom de bevoegde gezagenop zich hier onverminderd voor in te zetten. Als Minister van VRO blijf ikhierover met de bevoegde gezagen en het Bestuurlijk Overleg (BO) VRO ingesprek.Hieronder gaat het kabinet in op de twee aanbevelingen die de Evaluatie-commissie onder dit knelpunt doet en de conclusies over deBOPA-omgevingsvergunning. In het verlengde hiervan is een toelichtingop de specifieke zorgplicht opgenomen.Aanbeveling 1: voorkom afbreuk aan de samenhangendebenadering van de leefomgeving door ontwikkeling nieuwewerkwijzen voor omgang met losse vergunningaanvragenDe Evaluatiecommissie concludeert dat de wijzigingen in deOmgevingswet rondom omgevingsvergunningen niet tot meersamenhang, maar juist tot versnippering leiden. Het is onder deOmgevingswet mogelijk om -vaker dan in het oude stelsel- omgevingsver-gunningen die voor een initiatief nodig zijn afzonderlijk van elkaar aan tevragen, waardoor de informatie die bevoegde gezagen over initiatievenontvangen verspreid over meerdere aanvragen kan binnenkomen.Volgens de Evaluatiecommissie is het daarom nodig om nieuwewerkwijzen te ontwikkelen.Het kabinet onderschrijft deze aanbeveling. De nieuwe systematiek van deomgevingsvergunning vraagt om nieuwe werkwijzen. Die systematiek isnodig om flexibiliteit aan initiatiefnemers te bieden. Daarmee is ookvereenvoudiging en versnelling beoogd – twee ambities die ook in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3203 coalitieakkoord centraal staan. Die flexibiliteit heeft als inherent gevolg dater versnippering optreedt, volgens de Evaluatiecommissie is die versnip-pering groter dan voorzien.In de praktijk ziet het kabinet al de eerste oplossingen hiervoor voorbij-komen. Het kabinet moedigt de bevoegde gezagen en hun samenwer-kingspartners waaronder ook de omgevingsdiensten aan hier blijvend opin te zetten. Zo kunnen de nadelige gevolgen van de versnipperinggemitigeerd worden. Als Minister van VRO doe ik dit ook door dekomende jaren nog uitvoeringsondersteuning te bieden aan de bevoegdegezagen en te werken aan het gebruiksgemak van de vergunningcheck(zie ook aanbeveling 7). De bevoegde gezagen hebben een belangrijketaak bij het inrichten van de vergunningcheck.Hieronder volgt een toelichting op de systematiek van de omgevingsver-gunning en de nieuwe werkwijzenSystematiek van de omgevingsvergunning.Aan deze systematiek ligt een aantal keuzes ten grondslag:•De eis van onlosmakelijke samenhang uit de Wet algemene bepalingenomgevingsrecht (Wabo) is vervallen.•De aanhaakplicht uit de Wet natuurbescherming (Wnb) is vervallen.•De overgang van het begrip «inrichting» naar «milieubelastendeactiviteiten» in de regels over bedrijven met milieugevolgen (zietoelichting onderaan deze brief).Door het vervallen van de eis van onlosmakelijke samenhang en deaanhaakplicht wordt het voor initiatiefnemers mogelijk om de verschil-lende omgevingsvergunningen die zij nodig hebben aan te vragen in eenvolgorde en met een planning die het best bij hun initiatief past. Eenafzonderlijke aanvraag voor één activiteit kan een bewuste keuze zijn vande initiatiefnemer, maar onder de Omgevingswet kan een initiatiefnemerook een meervoudige aanvraag voor meerdere of alle nodige omgevings-vergunningen doen. Door deze wijzigingen is de initiatiefnemer meercentraal gesteld.Voor initiatiefnemers van bedrijven met milieugevolgen geldt onder deOmgevingswet óók dat zij voor de verschillende vergunningplichtigemilieubelastende activiteiten die onder hun bedrijf vallen losse vergun-ningaanvragen kunnen. Een uitzondering hierop zijn complexe bedrijvenmet de zwaarste milieugevolgen, waarvoor een vergunningplicht voor hethele bedrijf geldt. Hoewel er hierdoor in aantal meer aanvragen gedaankunnen worden, zij die aanvragen een stuk minder omvangrijk danvoorheen. Dit leidt óók tot minder werk voor initiatiefnemer en bevoegdgezag bij het wijzigen van (onderdelen van) bedrijven, wat in de praktijkveel vaker voorkomt dan het oprichten van nieuwe bedrijven. In detoelichting onderaan deze brief wordt dit verder uitgelegd.Nieuwe werkwijzen in de vergunningverleningDe nieuwe werkwijzen zullen in ieder geval gericht moeten zijn op tweeuitdagingen. Ten eerste het verbeteren van de communicatie doorbevoegde gezagen naar initiatiefnemers over welke vergunningen zij nogmeer nodig hebben. Bevoegde gezagen hebben hier een inspanningsver-plichting (art 3:19 Algemene wet bestuursrecht). De vergunningcheck alsonderdeel van het DSO kan hierbij helpen. Door de vergunningchecksteeds beter in te richten kunnen bevoegde gezagen ervoor zorgen datinitiatiefnemers al voor zij een eerste aanvraag indienen kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3204 verkennen voor welke activiteiten zij mogelijk een vergunning moetenaanvragen, een melding moeten doen of informatie moeten verstrekken.Ten tweede het «aan de achterkant» bundelen van aanvragen, meldingenen informatieverstrekkingen die bij één initiatief horen wanneer devergunningverlening om meer overzicht vraagt. Uiteraard begrijpt hetkabinet de behoefte naar overzicht. Tegelijkertijd is het voor vergunning-aanvragen vaak niet nodig om een totaalbeeld van een initiatief tehebben. Een voorbeeld hiervan zijn de onder de Omgevingswet «losge-knipte» omgevingsvergunning voor de technische en de ruimtelijkebouwactiviteit. De ruimtelijke inpassing van een initiatief kan beoordeeldworden zonder informatie over de bouwtechnische kant van het initiatiefen vice versa.Omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten(BOPA)De Evaluatiecommissie stelt dat het gebruik van deBOPA-omgevingsvergunning ook druk zet op de samenhangendebenadering. Volgens de Evaluatiecommissie werd deBOPA-omgevingsvergunning in 2025 veel gebruikt, deels vanwege de noglopende transitie naar één omgevingsplan waarin het tijdelijke deel en deoude regels in gemeentelijke verordeningen verwerkt zijn.De BOPA-omgevingsvergunning is ook ná de transitie naar het nieuweomgevingsplan een essentieel instrument onder de Omgevingswet,waarmee gemeenten in specifieke gevallen kunnen afwijken van de regelsin het omgevingsplan. Bij het verlenen van eenBOPA-omgevingsvergunning wordt net als bij omgevingsplanwijzigingengetoetst aan het criterium van evenwichtige toedeling van functies aanlocaties (ETFAL). Deze toets beperkt het risico van afbreuk aan eensamenhangende benadering.Een van de voordelen van het verlenen van eenBOPA-omgevingsvergunning ten opzichte van een omgevingsplan-wijziging is de kortere doorlooptijd. Een belangrijk voordeel van eenomgevingsplanwijziging is, dat in het omgevingsplan regels voorverschillende activiteiten op verschillende locaties en dus ook voortoekomstige initiatieven gesteld worden. De BOPA-omgevingsvergunningheeft alleen betrekking op de specifieke activiteit(en) waarvoor deomgevingsvergunning wordt aangevraagd.Wel is het zo dat het veelvuldig gebruik van deBOPA-omgevingsvergunning straks extra werk oplevert: omgevingsver-gunningen voor BOPA’s die bestaan uit een voortdurende activiteitmoeten vanaf 2032 vijf jaar na onherroepelijk worden van de vergunningin het omgevingsplan worden omgezet. Ik houd deze ontwikkeling alsMinister van VRO in de monitoring van de Omgevingswet nauwgezet inde gaten.Vragen over specifieke zorgplichtenNaast vergunningplichten, meldingsplichten en informatieplichtenmoeten initiatiefnemers onder de Omgevingswet zich meestal ookhouden aan specifieke zorgplichten. De Evaluatiecommissie signaleert inhaar rapport dat er in de praktijk nog onduidelijkheid bestaat over dewerking van specifieke zorgplichten. Specifieke zorgplichten zijn opennormen en dienen als «vangnet» ter vervanging van enkele regels die alsvanzelfsprekend werden gezien. Dit betekent dat zij minder concreet zijndan de andere regels waar initiatiefnemers mee te maken hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3205 Volgens de Evaluatiecommissie kan de situatie zich voordoen dat eeninitiatiefnemer wel aan de concrete vergunningvoorschriften en algemeneregels voldoet, maar niet aan van toepassing zijnde specifiekezorgplichten.Het is echter niet de bedoeling dat de specifieke zorgplicht zo ver gaat datdaaronder ook het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen valt diein redelijkheid niet te voorzien zijn door initiatiefnemers. In de jurispru-dentie over specifieke zorgplichten is dit ook geborgd, door de criteria«evident» en «onmiskenbaar». Is het niet evident en onmiskenbaar, danzal het bevoegd gezag moeten concretiseren dat maatregelen nodig zijn.Daarnaast bestaat de zorg dat de rechter de lat te hoog zou leggen bijhandhaving van specifieke zorgplichten, in de zin dat schending vanzorgplichten pas aan de orde is als er sprake is van een «ernstigeschending». De Evaluatiecommissie constateert echter terecht dat dit nietovereen zou komen met de bedoeling van de wetgever.Aanbeveling 2: neem nieuwe (sectorale) wetsinitiatieven voor deleefomgeving op binnen de systematiek van de Omgevingswet,om ondermijning van de stelselvernieuwing te voorkomenDe Evaluatiecommissie signaleert dat er sinds de inwerkingtreding van deOmgevingswet nieuwe wetgevingsinitiatieven vanuit sectorale doelen zijngestart. Volgens de Evaluatiecommissie kunnen die initiatieven afbreukdoen aan de integrale opzet van de Omgevingswet.Het kabinet is het met de Evaluatiecommissie eens dat de integrale opzetvan de Omgevingswet in stand moet blijven. Tegelijkertijd is het logischdat de verschillende departementen in de fysieke leefomgeving vanuithun beleidsverantwoordelijkheid en hun inspanningen ook sectoraledoelen nastreven. De Omgevingswet is dé wet voor de fysieke leefom-geving, en het is essentieel dat die doelen binnen het stelsel van deOmgevingswet een plek krijgen en daarmee tegen elkaar wordenafgewogen. Daarnaast is de Omgevingswet een vereenvoudigingswetomdat in de Omgevingswet vele oude (sectorale) wetten zijn samenge-voegd. Zodra nieuwe wetgevingsinitiatieven (sectoraal of integraal) ditsoort regels stellen of wijzigen dient dat binnen het stelsel van deOmgevingswet te landen. Vanuit het stelsel van de Omgevingswet en deopdracht in het coalitieakkoord om wetten en regels te vereenvoudigenzal het kabinet zich blijven inzetten dit te borgen.Als voorbeeld van wetgeving vanuit sectorale overwegingen noemt deEvaluatiecommissie het consultatievoorstel voor de Wet op de defensie-gereedheid (Wodg)3. De Wodg voegt specifieke afwijkingsmogelijkhedentoe aan de Omgevingswet om te voorzien in gereedstellingsactiviteiten.Het moet mogelijk worden om bij algemene maatregel van bestuur en bijministerieel besluit af te wijken van regels in de Omgevingswet enonderliggende algemene maatregelen van bestuur ten behoeve vangereedstellingsactiviteiten.Gereedstellingsactiviteiten kunnen soms niet wachten op noodzakelijkeaanpassingen van het stelsel. Om de integraliteit van het stelsel tebewaken zijn deze afwijkingen in principe slechts tijdelijk mogelijk. Verderbepaalt de Wodg dat afwijking van de reguliere regels in deOmgevingswet slechts plaatsvinden wanneer dat noodzakelijk is, en bevatde Wodg een inspanningsverplichting om de gereedstellingsactiviteitenmet de reguliere instrumenten mogelijk te maken. Recent heeft de Raadvan State (RvS) een advies uitgebracht over het wetsvoorstel. Over de3Zie hier voor het wetsvoorstel voor de Wet op de defensiegereedheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3206 verhouding tussen de Omgevingswet en de Wodg zegt RvS onder anderedat «binnen het ... stelsel van de Omgevingswet en de in die wetneergelegde noodzaak van een integrale belangenafweging, aan hetbelang van gereedstelling nu al een volwaardig en doorslaggevendgewicht [kan] worden gehecht».4 Het Ministerie van Defensie werktmomenteel verder aan de Wodg.Zelf werk ik als Minister van VRO met het Wetsvoorstel versterking regievolkshuisvesting aan wijziging van de Omgevingswet. Hierin wordtgeëxpliciteerd dat de instrumenten uit de Omgevingswet ook ingezetkunnen worden om te komen tot een evenwichtige samenstelling van dewoningvoorraad. Daarnaast wordt er een verplicht volkshuisvestingspro-gramma in het leven geroepen, waarover instructieregels worden gestelden waarover in het uiterste geval instructies kunnen worden gegeven. Dein het wetsvoorstel opgenomen procedurele versnellingen zijn toepasbaarop woningbouwprojecten, maar ook op andere projecten van zwaar-wegend maatschappelijk belang. Daarmee is aangesloten bij het stelselvan de Omgevingswet.Knelpunt 2: achterblijvende toepassing instrumenten in lijn metde beleidscyclusDe Evaluatiecommissie concludeert dat de toepassing van sommigeinstrumenten nog achterblijft. Dat relateert zij aan de beleidscyclus en deverschillende fasen van beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking,uitvoering en terugkoppeling.De Evaluatiecommissie geef hier een belangrijk signaal af. Het kabinetonderschrijft het belang van het gebruik van de kerninstrumenten zoalsdie bedoeld zijn en zal dat belang ook blijvend bij alle gebruikers van deOmgevingswet onder de aandacht brengen. Tegelijkertijd erkent hetkabinet dat het gebruik van de instrumenten tijd kost, waarvoor ookpassende overgangstermijnen (zoals voor het omgevingsplan) gelden. Devruchten die het ene instrument afwerpt zijn daarbij ook van de andereinstrumenten afhankelijk.Het is belangrijk hierbij te noemen dat de beleidscyclus geen verplichtevolgorde van werken onder de Omgevingswet is. De beleidscyclus is eenalgemeen hulpmiddel voor het maken en voeren van beleid, waar deinstrumenten van de Omgevingswet op aansluiten: werken met debeleidscyclus kan helpen om tot samenhang tussen instrumenten tekomen. Toch hebben bevoegde gezagen onder de Omgevingswet devrijheid om de volgorde waarin zij instrumenten gebruiken zelf te bepalen.Dat is nodig omdat de lokale beleidspraktijk niet altijd te voorspellen is,omdat de urgentie van sommige instrumenten er simpelweg altijd kan zijnen zich niet tot één moment in een cyclus laat reduceren, én om aan tesluiten bij lokale behoefte. Zo kan het voorkomen dat een bevoegd gezagal volop omgevingsvergunningen verleent (uitvoering) terwijl het noggeen omgevingsvisie (beleidsontwikkeling) heeft. Hier komt bij dat deinstrumenten vaak niet automatisch juridisch in elkaar doorwerken.Beleidsambities in de omgevingsvisie zijn bijvoorbeeld zelfbindend voorhet bevoegd gezag, maar zorgen niet automatisch voor doorwerking in deregels van het bevoegd gezag.Hieronder gaat het kabinet in op de drie aanbevelingen die de Evaluatie-commissie onder dit knelpunt doet en de onduidelijkheden rondom hetvrijwillige programma.4Zie hier voor het advies van de Raad van State.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3207 Aanbeveling 3: waarborg een tijdige transitie van omgevings-plannen voor 2032De Evaluatiecommissie signaleert dat er nog veel werk te verzetten is inde transitie naar gemeentelijke omgevingsplannen. Het kabinet is het metde Evaluatiecommissie eens dat het omgevingsplan voor gemeenten envoor burgers een cruciaal instrument onder de Omgevingswet is, omdathet vrijwel alle gemeentelijke regels voor de fysieke leefomgeving bevat.Het kabinet omarmt daarom deze aanbeveling en moedigt de gemeentengezien het grote belang van het omgevingsplan graag aan volop in tezetten op het gebruik van dit instrument.Het voormalige bestemmingsplan bevatte in principe alleen de regels dienodig waren vanuit een goede ruimtelijke ordening. Wel bestond ervooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet al demogelijkheid om een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte vast testellen op grond van de Crisis- en herstelwet. Daarbij was het ookmogelijk gemeentelijke regels te stellen over bijvoorbeeld milieu.In het omgevingsplan worden met het oog op de doelen van deOmgevingswet regels gesteld over activiteiten die gevolgen hebben ofkunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarmee is een integralebenadering van de fysieke leefomgeving mogelijk en kunnen er regelsworden gesteld vanuit een ander motief dan een goede ruimtelijkeordening, zoals een milieumotief. Er worden in het omgevingsplan inieder geval regels gesteld die nodig zijn met het oog op een evenwichtigetoedeling van functies aan locaties (ETFAL). Daarnaast zijn er met deinwerkingtreding van de Omgevingswet milieuregels van het Rijk naargemeenten overgedragen (de «overgedragen milieuregels», voorheen«bruidsschat»). Gemeenten kunnen deze regels in hun omgevingsplannenovernemen, laten vervallen of wijzigen.Het opstellen van een omgevingsplan omvat niet alleen het overzettenvan oude gemeentelijke bestemmingsplannen en het opnemen ofheroverwegen van de overgedragen milieuregels. Gemeenten hebbenonder de Omgevingswet namelijk ook meer ruimte om lokale regels testellen. Een belangrijke mogelijkheid is de mogelijkheid om sommigevergunningplichten te vervangen door algemene regels, wat ertoe leidtdat initiatiefnemers voor minder activiteiten een omgevingsvergunningvoor een omgevingsplanactiviteit hoeven aan te vragen. Ik ontvangdiverse signalen van eerste voorstellen van gemeenten om vergunningvrijbouwen mogelijk te maken, zoals de gemeente Vught die voornemens ishet bouwen van woningen vergunningvrij te maken in haaromgevingsplan. In dit soort gevallen moeten woningbouwprojectenalsnog aan alle regels in het omgevingsplan voldoen, maar als dat hetgeval is hoeft er geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanac-tiviteit te worden aangevraagd wat een aanzienlijke tijdswinst oplevert.In de interbestuurlijke samenwerking met de VNG blijft het kabinetvoortdurend in gesprek over deze transitie. De VNG biedt gemeentenondersteuning bij het opstellen van omgevingsplannen. Ook in deondersteuning die ik als Minister van VRO bied krijgt dit aandacht. Detransitietermijn voor het omgevingsplan wordt volgens de bestaandeafspraken volgend jaar geëvalueerd met de VNG.Aanbeveling 4: pas bij voorkeur kerninstrumenten Omgevingswettoe voor leefomgevingsbeleidDe Evaluatiecommissie constateert dat er in 2025 nog instrumentenwerden gebruikt buiten het juridisch kader van de Omgevingswet om.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3208 Daarnaast ziet zij ook dat sommige instrumenten binnen het juridischkader van de Omgevingswet soms onder een andere naam wordengebruikt. Ook constateert zij dat er onduidelijkheid bestaat over hetvrijwillige programma. Het kabinet onderschrijft de hieruit volgendeaanbeveling om de kerninstrumenten van de Omgevingswet consequenttoe te passen en moedigt alle bevoegde gezagen aan dit te doen. Dat laatonverlet dat het naast de formeel juridische instrumenten van deOmgevingswet ook mogelijk en gebruikelijk is dat bevoegde gezagen«informele» instrumenten gebruiken, zoals bestuurlijke afspraken.Zelf pas ik als Minister van VRO ook kerninstrumenten van deOmgevingswet toe. De Evaluatiecommissie noemt in dat kader de NotaRuimte. Ik werk inderdaad aan de nieuwe nationale omgevingsvisie dieals titel «Nota Ruimte» heeft. In de inleiding van de ontwerpNota Ruimtewordt dit ook aangegeven. In de slag van ontwerp naar definitieve notazal ik blijven aangeven dat het instrument de nationale omgevingsvisie ismet als titel «Nota Ruimte».Vrijwillig programmaDe Evaluatiecommissie signaleert dat er in de praktijk onduidelijkheidover het vrijwillige programma bestaat. Het instrument «programma»moet onder de Omgevingswet in een aantal gevallen verplicht gebruiktworden (bijvoorbeeld het nationaal waterprogramma), maar bevoegdegezagen kunnen het instrument ook vrijwillig inzetten (bijvoorbeeld voorruimtelijke ontwikkelingen). Om die onduidelijkheid te verhelpen volgt eenuitleg over dit instrument.Om te beginnen wordt er in de beleidspraktijk ook met andere soortenprogramma’s gewerkt, bijvoorbeeld begrotingsprogramma’s. Dat zijn dangeen programma’s als bedoeld in de Omgevingswet. Het maken vankeuzes over de fysieke leefomgeving staat in een programma onder deOmgevingswet centraal. De praktijk maakt onderscheid tussenprogramma’s en andere (beleids)stukken door te spreken over«omgevingsprogramma» bij programma’s onder de Omgevingswet,constateert de Evaluatiecommissie.Er bestaat onduidelijkheid over de eisen waaraan een document moetvoldoen om een programma te zijn. Artikel 3.5 van de Omgevingswetnoemt twee eisen. Als aan één van beide of beide voldaan wordt, is hetdocument een programma:Een programma bevat, (...) voor een of meer onderdelen van de fysiekeleefomgeving:a.een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, hetgebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan,b.maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen ofeen of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving tebereiken.Bij het gebruik van het programma is het van belang dat het bevoegdgezag rekening houdt met deze eisen en waar mogelijk ook concreetmaakt dat er sprake is van de genoemde uitwerking en of maatregelen.Een programma zoals bedoeld onder de Omgevingswet kan namelijkgrondslag zijn voor de inzet van bijvoorbeeld grondbeleidsinstrumenten,terwijl beleidsstukken buiten het stelsel van de Omgevingswet dit nietkunnen zijn.Het consultatievoorstel van de Wijzigingswet Omgevingswet stelse-laspecten (WOws) waar ik als Minister van VRO aan werk bevat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 3209 verduidelijking van bovenstaande en een publicatieplicht voor vrijwilligeprogramma’s, wat de vindbaarheid en inzichtelijkheid van (de inhoud van)vrijwillige programma’s zal vergroten.Aanbeveling 5: verken de mogelijkheden van bestuurlijkeafwegingsruimte en maatwerkOnder de Omgevingswet hebben decentrale bevoegde gezagen meermogelijkheden om in hun beleid en regelgeving lokale afwegingen temaken en maatwerk toe te passen. De Evaluatiecommissie concludeertdat deze mogelijkheden in 2025 nog weinig gebruikt werden, maar dat zijnog geen conclusies kan trekken over de oorzaken hiervan. Ook beveelt deEvaluatiecommissie decentrale bevoegde gezagen aan deze mogelijk-heden ten minste te verkennen.Het kabinet is omarmt deze aanbeveling, voor zover dit verdere vereen-voudiging van regels en versnelling van de verschillende maatschappe-lijke opgaven niet in de weg staat maar juist bevordert. De mogelijkhedenwaar de Evaluatiecommissie op doelt zijn vrijwillige mogelijkheden: het isaan bevoegde gezagen zelf om de keuze te maken die mogelijkheden tegebruiken. Zo biedt de Omgevingswet mogelijkheden voor het decentraalafwijken of aanvullen van rijksregels, waarmee een bevoegd gezag regelskan toespitsen op de lokale behoefte.Deze mogelijkheden voor bestuurlijke afwegingsruimte bieden in lijn metde versnellingsambitie in het coalitieakkoord kansen voor versnelling vanhet toestaan van specifieke lokale initiatieven. Het kan voorkomen dat erlokaal meer ruimte voor initiatieven nodig is. Ook het eerdergenoemdeschrappen van vergunningplichten voor activiteiten door algemene regelsin het omgevingsplan is een belangrijke afweging voor decentralebevoegde gezagen en kan leiden tot versnelling. Het uitgangspunt daarbijis decentraal wat kan, centraal wat moet. Dat betekent dat er ookrijksregels zijn die centraal uniform gelden en waarbij geen afwegings-ruimte bestaat, bijvoorbeeld regels in het Besluit bouwwerken leefom-geving (Bbl) over nieuwbouwwoningen.Bij de door de Evaluatiecommissie voorgestelde verkenning wil ik alsMinister van VRO de decentrale overheden aanmoedigen om ook te kijkenwelke regels geschrapt, versoepeld en versimpeld kunnen worden, zoalshet kabinet dat ook doet met de jaarlijkse Vereenvoudigingswetten.Aanbeveling 6: verduidelijk het doel van vroegtijdige participatiebij de omgevingsvergunningDe Evaluatiecommissie constateert dat er in de uitvoeringspraktijk opsommige punten onduidelijkheid bestaat over vroegtijdige participatie bijde omgevingsvergunning. Het kabinet onderschrijft de aanbeveling en hetbelang van vroegtijdige participatie. Om invulling aan deze aanbeveling tegeven volgt hieronder een toelichting op enkele punten van onduide-lijkheid.Participatie betreft in algemene zin het betrekken van burgers bij plannen,besluiten of projecten. Binnen de context van de Omgevingswet kanparticipatie diverse vormen hebben maar in de context van deze aanbe-veling gaat het om participatie voorafgaand aan het indienen van eenaanvraag voor een omgevingsvergunning. Het betrekken van burgers inde directe omgeving van een project kan initiatiefnemers helpen bij hetvergroten van draagvlak en mogelijk het voorkomen van bezwaren in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 32010 later stadium.5 Tegelijkertijd vergoot participatie een gevoel van betrok-kenheid bij de eigen omgeving.De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie en bevat regels omparticipatie te borgen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning iseen aanvraagvereiste opgenomen waarbij de initiatiefnemer aangeeft ofer participatie heeft plaatsgevonden. Hoe de participatie is vormgegevenis aan de initiatiefnemer, want de activiteit waarvoor de vergunning wordtaangevraagd, de locatie en de betrokkenen zijn elke keer anders.De initiatiefnemer is onder de Omgevingswet echter meestal niet verplichtdeze participatie te organiseren. Het bevoegd gezag kan het wel of nietaan participatie gedaan hebben in die gevallen niet meewegen bij debeslissing op de aanvraag. Als een initiatiefnemer aan participatie heeftgedaan6 en hierover informatie aanlevert bij de vergunningaanvraag,heeft het bevoegd gezag wel beter in beeld welke belangen er rondom deaanvraag spelen. In sommige gevallen kan het bevoegd gezag ervoorkiezen om zelf meer informatie in te winnen over die belangen.Dat participatie in dit soort gevallen niet verplicht is, betekent ook dat debeslissing over de aanvraag op dit punt niet in bezwaar of beroep kanworden aangevochten. Dit laat de mogelijkheid onverlet om in bezwaar- ofberoep inhoudelijke gronden aan te voeren tegen een verleendeomgevingsvergunning.De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin zij participatie bijBOPA-vergunningen wel verplicht stelt. Wanneer in deze gevallen eeninitiatiefnemer volgens het bevoegd gezag onvoldoende aan participatieheeft gedaan, kan zij de aanvraag buiten behandeling laten.Rondom andere instrumenten uit de Omgevingswet gelden voor debevoegde gezagen ook regels om participatie te borgen: bij de vaststellingvan onder meer het omgevingsplan, de omgevingsverordening en dewaterschapsverordening moet het bevoegd gezag aangeven hoe deomgeving is betrokken en wat de uitkomsten daarvan zijn. Hiervoor is eenmotiveringsplicht vastgelegd in de regelgeving, mede ter uitvoering vanmotie Nooren.7Knelpunt 3: blijvende grote behoefte aan verbetering DSO en aanondersteuningAanbeveling 7: vergroot de inzet op verbetering DSOHet evalueren van het DSO valt buiten de opdracht van de Evaluatiecom-missie. Toch ontvangt zij signalen over het DSO. Op basis daarvan stelt deEvaluatiecommissie enerzijds dat er in 2025 verbeteringen in het DSO zijndoorgevoerd, anderzijds ziet zij dat er in de praktijk nog steeds negatieveervaringen bestaan. Daarom doet zij de oproep om de inzet op deverbetering van het DSO te vergroten. Het kabinet neemt deze aanbe-veling serieus, gezien de cruciale rol die het stelsel speelt in de uitvoeringvan de wet.5Zie Participatie bij de omgevingsvergunning | Informatiepunt Leefomgeving.6In het Omgevingsloket wordt bij de vergunningaanvraag gesproken over «contact metanderen». Soms wordt het woord «omgeving» gebruikt. Deze termen zijn noodzakelijkalgemeen geformuleerd omdat zij voor elk initiatief een andere invulling behoeven. In hetomgevingsloket worden onder andere deze voorbeelden gegeven: «U heeft met uw buren enanderen gesproken, omdat u van plan bent een boom te kappen» en «U heeft een workshopgeorganiseerd over uw plannen, omdat u een zonnepark wilt aanleggen».7Kamerstukken I 2019/20, 34 986, AA (was letter X).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 32011 Deze ontwikkeling vraagt samenspel met mijn bestuurlijke partners diemede opdrachtgever zijn op de ontwikkeling van het DSO. Ik zal dit alsMinister van VRO met hen bespreken in het kader van de verdereontwikkeling van het DSO waarbij ik specifiek aandacht zal vragen voor deinzichtelijkheid van BOPA-vergunningen en vrijwillige programma’s inRegels op de Kaart.Aanbeveling 8: blijf inzetten op ondersteuning van leren werkenonder de OmgevingswetDe Evaluatiecommissie sluit haar laatste aanbeveling af met de conclusiedat de klus van het anders werken met en onder de Omgevingswet nogniet geklaard was in 2025. Dat anders werken vraagt om verdieping,uitproberen en leren. Het blijvend faciliteren van dat leerproces is volgensde Evaluatiecommissie van groot belang.Het kabinet omarmt deze aanbeveling. Graag benadruk ik dat ik alsMinister van VRO ook na afloop van het programma «Aan de Slag met deOmgevingswet» in overeenstemming met eerdere toezeggingen debevoegde gezagen minimaal 5 jaar na inwerkingtreding blijf ondersteunenbij de uitvoering van de Omgevingswet. Dit doe ik door gerichte onder-steuning door experts in de regio en door het bieden van (verdiepende)kennisbijeenkomsten en werkplaatsen. De regionale implementatie-coaches zijn een eerste aanspreekpunt voor bevoegde gezagen enuitvoeringsorganisaties in een regio en kunnen vragen beantwoorden ofondersteunen bij het verdere proces in de veranderopgave. Belangrijkesignalen uit de uitvoeringspraktijk neem ik mee en ik bekijk, indien nodig,samen met mijn bestuurlijke partners, welke mogelijkheden er zijn om tekomen tot verbetering.Ook de koepels van de decentrale overheden -de VNG, het IPO en deUvW- zetten zich in voor de ondersteuning en het leerproces van debevoegde gezagen. Het kabinet bedankt hen hiervoor en moedigt hen aandeze ondersteuning voort te zetten, in het bijzonder de ondersteuning diede VNG biedt bij de transitie naar het omgevingsplan, onder andere doorhet aanbieden van leer- en werktrajecten in de regio.Het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) vervult een sleutelrol in deondersteuning van bevoegde gezagen bij de uitvoering van deOmgevingswet. Als kenniscentrum voor de fysieke leefomgeving biedt hetIPLO praktische hulp, advies en informatie over de wet- en regelgeving ophet gebied van bodem, bouwen, cultureel erfgoed, water, natuur, ruimteen milieu, en het DSO. Verder beantwoorden zij vragen van gemeenten,provincies, waterschappen en brancheorganisaties via de IPLO-website ende helpdesk. Dit informatiepunt zet zich door middel van duidelijkecommunicatie, deskundig advies en praktische ondersteuning dagelijks invoor de implementatie en uitvoering van de Omgevingswet.Onderzoeken rondom de OmgevingswetNaast het reflectierapport ontvangt uw Kamer dit jaar diverse andererapporten vanuit onderzoeken rondom de Omgevingswet van mij. Hettweede rapport vanuit de Monitor Werking Omgevingswet over het jaar2025 en de eerste integrale financiële evaluatie van de Omgevingswetontvangt u tegen het eind van het tweede kwartaal. De invoeringstoetsover de Omgevingswet is in uitvoering, ik streef ernaar het rapport in detweede helft van 2026 toe te zenden. Onlangs ontving u de voortgangs-brief over de uitvoering van de Omgevingswet in het vierde kwartaal van2025. Voortaan ontvangt u jaarlijks een dergelijke voortgangsbrief. Devolgende voortgangsbrief verwacht ik in het eerste kwartaal van 2027 toeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 32012 te zenden. Ook werk ik aan de actualisatie van de beleidsvisie op het DSOen werk ik samen met mijn bestuurlijke partners aan de actualisatie vanhet Bestuursakkoord.AfsluitendDe Evaluatiecommissie schetst een waardevol beeld van waar we staan inhet werken met de Omgevingswet. De wet biedt alle bevoegde gezageneen wenkend perspectief om te komen tot een balans tussen hetbeschermen en benutten van de fysieke leefomgeving – maar het anderswerken om daar te komen vraagt om een leerproces. Het kabinet kijkternaar uit om de komende jaren samen met alle bevoegde gezagen devolgende stappen te zetten.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,E. Boekholt-O’SullivanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 32013 Toelichting – milieubelastende activiteiten onder deOmgevingswetVoor wat betreft bedrijven die milieugevolgen hebben zijn de regels onderde Omgevingswet hoofdzakelijk toegespitst op drie categorieën:–Bij bedrijven met beperkte milieugevolgen die vooral in samenhangmet ruimtelijke keuzes kunnen worden gereguleerd gelden geenrijksregels meer voor het gehele bedrijf, maar alleen voor specifiekeonderdelen c.q. milieubelastende activiteiten (vaak gaat het ominstallaties, zoals stookinstallaties). Voor zover er nog algemene regelsgolden voor het gehele bedrijf, zijn deze overgedragen aan gemeentenen waterschappen. Dat maakt het beter mogelijk om deze af testemmen op de ruimtelijke problematiek en de in samenhang daarmeegeldende lokale ruimtelijke regels.–Bij bedrijven met grotere milieugevolgen worden die gevolgen zomogelijk met algemene regels gereguleerd, net als onder het ouderecht. Anders dan onder het oude recht worden echter alleen voorspecifieke onderdelenc.q. milieubelastende activiteiten van het bedrijfvergunningplichten gesteld. Ten opzichte van het voorgaande rechtgaan de rijkregels nog steeds over het hele bedrijf, maar geldt devergunningplicht alleen voor het deel daarvan dat een voorafgaandetoetsing en belangenafweging vergt. Dat beperkt vooral het aantalmomenten waarop vergunningen bij veranderingen van activiteitenmoeten worden aangepast, omdat voor aanpassingen buiten hetvergunningplichtige deel geen wijziging van de vergunning meernodig is. Hiermee worden administratieve en bestuurlijke lastenbeperkt.–Bij bedrijven met de zwaarste milieugevolgen (zogenoemde complexebedrijven) blijft de vergunningplicht voor het hele bedrijf gelden, netals onder het oude stelsel, en is meer dan voorheen die vergunninghet centrale instrument om de milieugevolgen te reguleren.Voor de eerste twee categorieën van bedrijven geldt dat onder deOmgevingswet wellicht in aantal meer vergunningaanvragen mogelijk zijn– voorheen was alleen één aanvraag voor de inrichting mogelijk – maardie aanvragen zijn wel een stuk minder omvangrijk omdat zij slechts op derelevante onderdelen van het bedrijf zien. Bij het veel vaker voorkomendewijzigen van (onderdelen van) bedrijven leidt dit tot minder werk voorinitiatiefnemer en het bevoegd gezag. Daardoor kunnen bedrijveneenvoudiger en sneller activiteiten aan hun bedrijf wijzigen of toevoegen.Bij de oprichting van een nieuw bedrijf kan de initiatiefnemer zelf kiezenvoor meerdere aanvragen of één enkele aanvraag. Voor de derdecategorie van bedrijven, het complexe bedrijf, gaat de in het reflectie-rapport genoemde versnippering niet op: daar blijft de vergunning voorhet hele bedrijf van kracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 118, nr. 32014

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0417120564a5665e

14 okt 2026 · 11b3de88710ff3fa

12 okt 2026 · 8dac759609bb7b78

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.