Informatie over de Wet collectieve warmte (Kamerstuk 36576)
Brontekst
Versie 262d9c9f8018706b · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 30 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juni 2025Op 19 mei jl. vond het wetgevingsoverleg over het wetsvoorstel Wethoudende regels omtrent productie, transport en levering van warmte(Wet collectieve warmte) plaats. In dat debat kwamen diverse onder-werpen aan de orde waarover is toegezegd dat het kabinet in deze briefzal ingaan, voor het plenaire debat op 10 juni. Dit zijn:1)Toelichting borging integraliteit energiesysteem en rol vankavelplannen (Kamerlid Kröger – GL/PvdA)2)Appreciatie amendement «eerst komt eerst maalt» (Flach (SGP))3)Amendementen verlenging ingroeiperiode en aanwijzingstermijna)Appreciatie amendement 16 – Verlenging ingroeiperiode(Kamerleden Erkens (VVD) en Bontenbal (CDA))b)Appreciatie amendement 21 – Verlenging aanwijzingstermijnnaar 40 jaar (Kamerleden Erkens (VVD), Bontenbal (CDA),Grinwis (CU) en Flach (SGP) incl. reflectie casus Schiedam4)Toelichting ruimte voor pensioenfondsen en andere maatschappe-lijke investeerders (Kamerlid Erkens (VVD))5)Toelichting warmtebedrijven met een meerderheidsbelang van eenwarmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelang (Kamerle-den Kröger (GL/PvdA) en Grinwis (CU)) incl. reflectie rol infrastruc-tuurbedrijven bij de ontwikkeling van warmtenetten (KamerlidErkens (VVD))6)Beantwoording vraag over de mogelijkheden voor de rol van denationale deelneming bij warmtegemeenschappen (KamerlidKröger (GL/PvdA))7)Uiteenzetting voor- en nadelen warmteservicebedrijf (KamerlidGrinwis (CU))8)Beantwoording vraag over de onderbouwing van de afsluitkostenvan warmte (Vermeer (BBB))9)Beantwoording vraag over de mogelijkheden voor het differentiërenvan vaste tarieven (Postma (NSC)) kst-36576-30ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 301 10)Advies Raad van State Amendement 28 – VvE’s (Grinwis (CU) enBontenbal (CDA)) – Procesupdate11)Toelichting vereenvoudiging subsidielandschap naar aanleiding vanvragen van verschillende fractiesOndanks de val van het kabinet, bied ik u – gegeven het belangrijke engrondige debat in de Kamer, de vragen die daarbij aan bod kwamen enconform mijn toezegging op het verzoek van de Kamer deze vandaag teontvangen – hierbij deze Kamerbrief aan. Ook ontvangt u vandaag dederde nota van wijziging.1. Borging integraliteit energiesysteem en rol van kavelplannen In het debat is door Kamerlid Kröger (GL-PvdA) gevraagd naar de matevan gedetailleerdheid van kavelplannen (het globaal en uitgewerktkavelplan) en hoe de integraliteit met andere energieplannen geborgd is.In Nederland wordt de integratie van collectieve warmte in het energie-systeem vormgegeven via een samenhangend proces, waarin lokale,regionale en nationale plannen op elkaar aansluiten. Hieronder wordtuitgelegd hoe het warmteprogramma, de investeringsprogramma’s vannetbeheerders, de provinciale energievisie, het provinciaal Meerjarenpro-gramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) en de RegionaleStructuur Warmte (RSW) elkaar beïnvloeden en versterken en hoe ditproces doorwerkt in de vaststelling van een warmtekavel en de aanwijzingvan een warmtebedrijf.Vaststellen warmteprogramma•De gemeenten stellen in het kader van de Omgevingswet warmtepro-gramma’s op, waarin ze per wijk of gebied aangeven welke duurzamewarmteoplossing de beste keuze is. Deze programma’s vervangen deTransitievisie Warmte en moeten uiterlijk eind 2026 worden vastge-steld.•Bij het vaststellen van het warmteprogramma zal een gemeenteverschillende opties voor collectieve warmte verkennen. Om totuitvoerbare en gedragen plannen te komen, is het voor een gemeentebelangrijk om samen te werken met partijen die expertise hebben ophet gebied van collectieve warmte op (boven-) lokaal niveau en omburgers te betrekken. Denk hierbij aan samenwerking met omliggendegemeenten (via de RES), de netbeheerder voor elektriciteit en gas,potentiële bronhouders, het beoogde warmtebedrijf en/of de warmte-gemeenschap. Wanneer blijkt dat meerdere soorten collectievewarmtesystemen mogelijk zijn, kunnen gemeenten, in samenwerkingmet deze partijen, een maatschappelijke kosten-batenanalyse latenuitvoeren om opties op hoofdlijnen te vergelijken.•Een gemeente is in het kader van de Omgevingswet verplicht om aante geven hoe participatie op de warmteprogramma’s heeft plaatsge-vonden.Bovenlokale afstemming•Provincies en RES-regio’s borgen de samenhang van de gemeentelijkewarmteprogramma’s met de bredere energietransitie-opgave enspelen een rol bij de totstandkoming van bovenlokale projecten.•Provinciale energievisies beschrijven de gewenste ontwikkeling en (temaken) keuzes van het energiesysteem. Provinciale energievisiesworden gevoed door de warmteprogramma’s en vormen het strategi-sche kader voor het pMIEK (strategische infrastructurele projecten,zoals WarmtelinQ).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 302 •De Regionale Structuur Warmte (RSW) zorgt voor afstemming encoördinatie van warmte-infrastructuur op regionaal niveau. Deze iszelfbindend en wordt opgesteld op het niveau van de RES-regio.Verschillende gemeenten kunnen een cluster vormen en onderlingbepalen hoe bepaalde warmtebronnen verdeeld en ontsloten worden.Vaststellen warmtekavel en aanwijzen warmtebedrijf•Het ligt voor de hand dat de gemeente een warmtekavel pas vaststeltals duidelijk is wat maatschappelijk de meest aantrekkelijke route is omcollectieve warmte uit te rollen en een geschikt warmtebedrijf isgevonden. De omvang van de warmtekavel sluit aan bij de opgave diede gemeente na consultatie van het beoogde warmtebedrijf en andererelevante partijen heeft bepaald.•Ten behoeve van de aanvraag om een aanwijzing overlegt hetwarmtebedrijf een globaal kavelplan, waarin zij op hoofdlijnenuiteenzet hoe de beoogde collectieve warmtevoorziening eruit komt tezien. Dit globaal kavelplan bevat onder andere informatie over debeoogde bron(-nen), het temperatuurregime, een tracéindicatie,planning en fasering van de realisatie, voorwaarden voor verbruikersen een tariefindicatie. Het globaal kavelplan speelt een belangrijke rolbij de vraag of een gemeente een warmtebedrijf al dan niet aanwijst.Voordat in een deel van een warmtekavel een collectief warmtesys-teem wordt aangelegd, stelt het aangewezen warmtebedrijf op verzoekvan de gemeente een uitgewerkt kavelplan op. Het warmtebedrijf magin het meer gedetailleerde uitgewerkt warmtekavel alleen gemotiveerdafwijken van het globaal kavelplan. Het voordeel van deze tweestappen is dat bij iedere stap richting uitvoering de laatste inzichten entechnieken verwerkt kunnen worden. De gemeente moet instemmenmet het uitgewerkt kavelplan en kan het warmtebedrijf opdragen hetplan aan te passen en heeft ook zo de mogelijkheid om te sturen.Op deze manier worden samenhang en integraliteit bij de ontwikkelingvan het energiesysteem geborgd.2. Appreciatie amendement-Flach (10) «eerst komt eerst maalt» Het Kamerlid Flach (SGP) heeft een amendement ingediend om het «eerstkomt eerst maalt» principe te vervangen voor een selectieprocedure opbasis van selectiecriteria. Het kabinet zet ten behoeve van de beant-woording van deze vraag en de appreciatie van dit amendement uiteenhoe de vaststelling van een warmtekavel in de praktijk zal verlopen.Hierbij zal het kabinet ingaan op waarom het onwaarschijnlijk is datmeerdere warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang en eenwarmtegemeenschap zullen concurreren om dezelfde kavel. Ook licht hetkabinet in het verlengde hiervan toe waarom een selectieprocedure opbasis van criteria bij collectieve warmtewarmtevoorzieningen niet goedaansluit bij de praktijk van de ontwikkeling van collectieve warmtesys-temen.•De keuze voor een «eerst komt eerst maalt-systematiek» gaat uit vanhet hier boven beschreven proces waarin gemeenten uitgebreid metbetrokken partijen hebben gesproken over de mogelijkheden voor hetontwikkelen van collectieve warmte. En waarbij een gemeente pas eenwarmtekavel vaststelt wanneer duidelijk is wat maatschappelijk demeest voor de hand liggende route is om collectieve warmte uit terollen en een geschikt warmtebedrijf is gevonden.•Een selectieprocedure op basis van criteria belemmert dit vooroverlegomdat een gemeente het overleg op non-discriminatoire basis moetvoeren. De gemeente kan met het overleg met één partij alleenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 303 intensiveren nadat uit een formele inventarisatie is gebleken dat ergeen andere geïnteresseerde partijen zijn.•Een aandachtspunt is hierbij dat bij deze inventarisatie de omvang vande warmtekavel moet zijn vastgelegd. De gemeente kan bij devaststelling van de kavel daardoor minder leunen op de expertise vanrelevante betrokken partijen, zoals een potentieel warmtebedrijf ofwarmtegemeenschap. Met name kleinere gemeenten zullen hiervoornoodgedwongen gaan leunen op adviesbureaus, omdat ze zelf debenodigde kennis en expertise niet in huis hebben, terwijl ze dit andersvia vooroverleg met een warmtebedrijf zouden doen.•Pas als uit de inventarisatie blijkt dat er maar één partij beschikbaar engeschikt is, zouden andere partijen zijn uitgesloten van het proces enkan het vooroverleg wel worden geïntensiveerd.•Een belangrijke overweging bij dit amendement is verder datconcurrentie niet voor de hand ligt. Publieke partijen zullen vooralactief worden in regio’s waar hun aandeelhouders zitten. Een selectieop basis van criteria vergt voorts een bepaalde mate van concreetheidvan plannen die niet goed aansluit bij de complexiteit en omvang vande opgave. Het realiseren van een collectieve warmtevoorziening is inveel gevallen niet één project, maar een serie van aaneengeslotenprojecten die over tijd worden gerealiseerd en die gezamenlijkfunctioneren als één aaneengesloten systeem. De gemeente kan hiergedurende de realisatie en exploitatie van de collectieve warmtevoor-ziening op bijsturen. Een goede samenwerking tussen warmtebedrijfen gemeente(-n) is cruciaal voor het kunnen inspelen op veranderende(markt) omstandigheden en innovaties en het daarmee doen slagenvan de transitie.•Kamerlid Kröger (GL-PvdA) heeft in dit kader vragen gesteld over deruimte voor warmtegemeenschappen. Een selectieprocedure op basisvan criteria zal warmtegemeenschappen naar verwachting niet helpenom aangewezen te worden. De drempel om deel te nemen aan eenselectieprocedure is hoog en warmtegemeenschappen zullen moeilijkkunnen concurreren met grotere gevestigde partijen.•Een selectieprocedure is ook niet nodig voor warmtegemeenschappenom te worden aangewezen: met een «eerst komt eerst maalt-systematiek» ligt het voor de hand dat warmtegemeenschappen eenwarmtekavel of ontheffing krijgen daar waar het draagvlak voor dewarmtegemeenschap groot is. Mits dit niet ten koste gaat van demogelijkheden om voor andere bewoners de transitie op een efficiëntewijze vorm te geven.•Concurrentie tussen warmtebedrijven met een publiek meerderheids-belang onderling en tussen warmtebedrijven met een publiekmeerderheidsbelang en warmtegemeenschappen ligt om bovenge-noemde redenen niet voor de hand.•Ook de kans op «handdoekje leggen» is niet groot. Om aangewezen tekunnen worden moet een warmtebedrijf een globaal kavelplanopstellen. Ook is het warmtebedrijf door een aanwijzing gebonden aanalle andere taken en verplichtingen uit de Wet collectieve warmte(Wcw), waaronder het opstellen van uitgewerkte kavelplannen en hetrealiseren van het collectieve warmtesysteem. Deze verplichtingenvergen dermate serieuze inzet dat een bedrijf dit niet zomaar vrijblij-vend zal doen. Uit gesprekken met VNG en IPO en blijkt dat het «heteerst komt, eerst maalt-principe», beter aansluit bij de gemeentelijkepraktijk dan een selectieprocedure. De selectieprocedure vergroot deuitvoeringslast door de formele eisen aan de procedure, die uitgaatvan een mate van concurrentie die er in de praktijk niet is. Het «heteerst komt, eerst maalt-principe» biedt daarentegen de mogelijkheidvan vooroverleg en samenwerking voor de formele aanwijzing. Ditgeeft vorm aan de wens van gemeenten om in een vroeg stadiumsamen te kunnen werken met het beoogd warmtebedrijf, bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 304 voor het bepalen van een kosteneffectieve kavelgrootte en het biedenvan ruimte aan lokale initiatieven.•Ook Energie Samen geeft aan geen voorstander te zijn van hetamendement van Kamerlid Flach (10). Zij verwachten dat met devoorgestelde methode hun leden minder kans hebben om een eigenlokale warmtenet te ontwikkelen dan met «eerst komt eerst maalt».3. Amendementen verlenging aanwijzingsperiode en ingroeipe-riode (Erkens (VVD) en Bontenbal (CDA) Tijdens het wetgevingsoverleg is door Kamerleden Erkens (VVD) enBontenbal (CDA) een amendement ingediend1 dat ziet op de duur van deovergangstermijn voor bestaande warmtebedrijven en de termijn vooraanwijzingen en ontheffingen voor nieuwe situaties. Voorgesteld is dezegeneriek 40 jaar te maken. Tevens is door deze indieners een amendementingediend2 dat de ingroeiperiode van 7 jaar verlengt naar 10 jaar. Hetkabinet heeft toegezegd om de voor- en nadelen van beide amende-menten te schetsen, nadat verschillende stakeholders, waaronder deverkenner, in de gelegenheid zijn gesteld om hun visie te delen. Behalvede verkenner heeft het kabinet ook de private warmtebedrijven, depublieke warmtebedrijven, de netwerkbedrijven, EBN, VNG, IPO,Netbeheer NL, Energie NL en Fakton (de laatste vanwege betrokkenheidbij het opstellen van de methode voor de restwaardebepaling van degereguleerde assets), gevraagd om te reflecteren op de gevolgen van deamendementen voor:1)de investeringsbereidheid van private warmtebedrijven in dekomende jaren en;2)de effecten voor eventuele overnametrajecten gedurende deovergangstermijn.3a. Appreciatie amendement 16: ingroeiperiode van 7 naar 10 jaar De verschillende partijen verwachten dat de impact van dit amendementklein is. In algemene zin wordt geconstateerd dat het voor de investerings-bereidheid van private partijen geen betekenisvolle bijdrage levert. Devoorstanders van het amendement zien als beperkt voordeel dat hetwarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang meer tijd geeft omuit de startblokken te komen. Tegenstanders wijzen er op dat, los van hetgeringe effect, het amendement de opbouw van de publieke realisatie-kracht mogelijk iets kan vertragen (omdat de urgentie minder groot lijkt).Het wetsvoorstel voorziet bovendien reeds in de mogelijkheid om deingroeiperiode met 3 jaar te verlengen tot 10 jaar als dit nodig zou zijn.Daarmee voegt het op voorhand verlengen naar 10 jaar weinig toe enheeft het mogelijk een beperkt negatief effect op de voortvarende opbouwvan publieke realisatiekracht. De verlenging van de ingroeiperiode naar10 jaar maakt het, wanneer de bestaande mogelijkheid om de ingroeipe-riode nog eens 3 jaar te verlengen niet wordt geschrapt, bovendienmogelijk om uiteindelijk 13 jaar andere warmtebedrijven dan warmtebe-drijven met een publiek meerderheidsbelang of een warmtegemeen-schappen aan te wijzen. Gelet op de keuze voor een publiek meerder-heidsbelang en de Europeesrechtelijke onderbouwing daarvan zal dezeuitzondering die de ingroeiperiode biedt, tijdelijk moeten zijn. Het kabinetvindt een ingroeiperiode van 13 jaar in dat licht te lang. Uitgangspunt isimmers dat het publiek meerderheidsbelang noodzakelijk is voor hetbehalen van de doelstellingen van het wetsvoorstel. De ingroeiperiodedient zo kort mogelijk te zijn. Het op voorhand verlengen van de ingroei-periode naar 10 jaar met behoud van de mogelijkheid tot verlenging met1Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 212Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 305 nog eens 3 jaar is om die reden niet wenselijk, ook zeker bezien vanuit hetEuropees recht en daarom ontraadt het kabinet het amendement in dezevorm.3b Appreciatie amendement 21: overdrachtsperiode van 30 naar 40 jaar De landsadvocaat heeft in haar eerdere advies van 5 april 2023 deaanwijzingstermijn onder het overgangsrecht van 14 tot 30 jaar ruimgenoemd. Echter, de private warmtebedrijven en een beperkt aantalgemeenten zien mogelijkheden om op korte termijn nieuwe aansluitingente realiseren wanneer dit amendement wordt aangenomen. Energie NLgeeft aan dat het verlengen meer zekerheid geeft dat investeringen dieworden gedaan binnen de geboden overgangstermijn kunnen wordenterugverdiend. Voor deze investeringen wordt volgens de warmtebe-drijven de afhankelijkheid van de restwaardebepaling, waar nu nogonzekerheid over wordt ervaren, gereduceerd. Het kabinet merkt hierbijop dat de onzekerheid over de restwaardebepaling al beperkt wordt doorhet versneld vaststellen van de gestandaardiseerde activawaarde (GAW),zoals voorgesteld in de tweede nota van wijziging.3 Voorts wordt doorEnergie NL breder het voorbehoud gemaakt dat voor het daadwerkelijknemen van investeringsbeslissingen ook aan andere randvoorwaardenmoet worden voldaan. Concreet worden daarbij de borging van debetaalbaarheid en het draagvlak bij gemeenten en verbruikers voorprivate partijen genoemd. De verkenner, VNG, IPO en anderen verwachtenmede als gevolg van deze voorbehouden niet dat het amendement dekomende jaren daadwerkelijk een verschil maakt voor het aantal terealiseren aansluitingen.De verlenging heeft waarschijnlijk een beperkt effect op de waarde bijoverdracht. De boekhoudkundige waarde van een warmtebedrijf isvoornamelijk gebaseerd op de te verwachte toekomstige inkomsten vanhet bedrijf. Als een overdracht verder in de toekomst plaatsvindt, leidt ditzonder uitbreidingen van het warmtenet tot een lagere overdrachts-waarde. Het zittende warmtebedrijf kan dan in de periode voor deoverdracht meer inkomsten uit de tarieven halen. Als het amendementwel zou leiden tot een significant hoger aantal aansluitingen zal ook dewaarde van de warmtebedrijven meegroeien. Daar staat tegenover dat deovernemende partij na overname meer inkomsten mag verwachten. Maarbehalve de berekening van de activawaarde is een bedrijfswaarde ook hetgevolg van onderhandeling. Wanneer een publieke partij (een deel van)het private bedrijf zou willen overnemen zou met dit amendement hetprivate warmtebedrijf minder incentives hebben om mee te werken aanverkoop op korte termijn. Dat zou zich kunnen vertalen in een hogerevraagprijs, maar niet noodzakelijkerwijs in een hogere verkoopprijs.Gelet op het bovenstaande zijn er situaties denkbaar dat het amendementtot nieuwe investeringen leidt, zoals het project in Schiedam waarKamerlid Grinwis (CU) naar verwees tijdens het wetgevingsoverleg. Maarhet amendement kan op andere plekken tot vertraging van de transitieleiden. Als het zittend warmtebedrijf, ook na aannemen van ditamendement, niet bereid blijkt tot uitbreidingen van bestaande collectievewarmtesystemen blijven die investeringen stilliggen tot deze warmtebe-drijven na de overgangsperiode een publiek meerderheidsbelang krijgen.Met dit amendement wordt ook die periode verlengd. Daarom ontraadthet kabinet het amendement in deze vorm.3Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 306 De indieners kunnen overwegen om met een aanpassing van hetamendement de gemeente, als regisseur van de warmtetransitie, een rolte geven bij de beoordeling of de verlenging in een specifiek geval leidttot versnelling of juist vertraging van de transitie, en dientengevolge ofverlenging van de overgangsperiode naar 40 jaar gewenst is. Naaraanleiding van de inbreng van de stakeholders staat het kabinet positieftegenover het geven van de bevoegdheid aan gemeenten om voornieuwe collectieve warmtesystemen te kiezen voor een aanwijzing vanminimaal 20 jaar en maximaal 40 jaar. Voor bestaande collectievewarmtesystemen zou de gemeente de bevoegdheid kunnen krijgen omeen aanwijzing van 40 jaar te verlenen als de gemeente en het bestaandewarmtebedrijf dit overeenkomen.4. Ruimte voor pensioenfondsen en andere maatschappelijkeinvesteerders (Erkens VVD) Tijdens het wetgevingsoverleg is door het Kamerlid Erkens (VVD) de vraaggesteld wat de juridische mogelijkheden zijn om pensioenfondsen enandere «maatschappelijke investeerders» gelijk te stellen met deopenbare lichamen die op grond van het wetsvoorstel een meerderheids-belang kunnen hebben in een warmtebedrijf. Aangegeven is datpensioenfondsen volgens jurisprudentie van het Europees Hof vanJustitie private partijen zijn en dat zij niet gelijk gesteld kunnen wordenmet de publieke partijen die nu in het wetsvoorstel een publiek meerder-heidsbelang kunnen hebben. Ook heeft het kabinet gemeld dat hieroveradvies is gevraagd aan de landsadvocaat. Het advies treft de Kamer alsbijlage bij deze brief aan.De landsadvocaat heeft in het advies van 2 juni 2025 geconcludeerd dathet gelijkstellen van pensioenfondsen of maatschappelijke investeerdersmet openbare lichamen, gelet op de doelstellingen van het wetsvoorstel,vanuit Europeesrechtelijk perspectief niet houdbaar is. De doelstelling vanhet wetsvoorstel is om met de verplichting van een publiek meerderheids-belang de (sturing op) publieke belangen met betrekking tot de warmte-transitie beter te borgen. Voor de consument wordt de hoogst mogelijkebescherming noodzakelijk geacht. Een gelijkstelling zal volgens delandsadvocaat tot gevolg hebben dat niet wordt voorzien in dezegewenste sturing op publieke belangen (bescherming leveringszekerheid,consumenten, klimaat en milieu), omdat pensioenfondsen en maatschap-pelijk investeerders zich naar kan worden aangenomen niet, of in minderemate, laten leiden door de met het wetsvoorstel nagestreefde publiekebelangen en het daarbij behorende hoge beschermingsniveau.De landsadvocaat overweegt verder dat pensioenfondsen en maatschap-pelijke investeerders zoals woningcorporaties privaatrechtelijke onderne-mingen zijn die economische activiteiten verrichten waarbij doorgaans hetbehalen van rendement voorop staat. Pensioenfondsen behartigen bij hetbeheer van hun pensioengelden daarbij in de eerste plaats de belangenvan hun deelnemers op het gebied van pensioen. Maatschappelijkeinstellingen die een wettelijke taak opgelegd hebben gekregen zullenovereenkomstig deze taak en binnen het mandaat en de toepasselijkeregelgeving moeten handelen. Woningcorporaties hebben op grond vande Woningwet bijvoorbeeld als belangrijkste taak te zorgen voorbetaalbare woningen voor mensen met lage inkomens. Zij onderscheidenzich op dat punt van openbare lichamen. Het feit dat pensioenfondsen enmaatschappelijke investeerders geen winstoogmerk hebben en strenggereguleerd zijn, maakt dat niet anders, aldus de landsadvocaat. Eengelijkstelling zal aldus afbreuk (kunnen) doen aan de doelstelling van hetwetsvoorstel en het gewenste beschermingsniveau. Een gelijkstellingondergraaft daarmee de onderbouwing van het verplicht publiekmeerderheidsbelang. Er bestaat in dat geval een grote kans dat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 307 rechter het publiek meerderheidsbelang als inconsistent zal aanmerken enderhalve als ongeschikt om de beoogde doelen te behalen, aldus delandadvocaat.Het kabinet ziet gelet op het bovenstaande geen mogelijkheid ompensioenfondsen of maatschappelijke investeerders op gelijke voet tezetten met openbare lichamen zoals de Staat, gemeente of provincie.Ook is tijdens het wetgevingsoverleg toegezegd in deze brief in te gaan opandere mogelijkheden om meer zekerheden te bieden aan pensioen-fondsen en, indien nodig, hierover contact te hebben met pensioen-fondsen.Op grond van de Wcw kunnen pensioenfondsen als minderheidsaandeel-houder deelnemen in een warmtebedrijf. In de tweede nota van wijziging4zijn de rechten van pensioenfondsen als minderheidsaandeelhouderverder versterkt. Zij kunnen als minderheidsaandeelhouder deelnemen ineen rechtspersoon waarin een publieke partij (zoals bijvoorbeeld deNationale Deelneming Warmte) een meerderheidsbelang heeft en welkerechtspersoon deelneemt in een warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang. Pensioenfondsen mogen nu ook afspraken maken overzeggenschap bij investeringen in nieuwe collectieve warmtevoorzie-ningen. Tot slot ligt het vaststellen van de tarieven nu verplicht bij hetbestuur van een warmtebedrijf.Pensioenfondsen hebben de wijzigingen in de tweede nota van wijziging5op het punt van de bescherming van de positie van de private partij meteen minderheidsbelang een lichte verbetering genoemd. Ze beraden zichnog of een minderheidsbelang voor hen opportuun is. Bij een groterminderheidsbelang (bijv. >25%) acht een aantal pensioenfondsen eenvorm van joint-control gewenst die niet verenigbaar is met de keuze voorhet publiek doorslaggevend zeggenschap in warmtebedrijven. Het isuiteindelijk aan de pensioenfondsen om te beoordelen of zij met publiekeaandeelhouders tot afspraken kunnen komen die beantwoorden aan huninvesteringsbeleid en rendementsdoelstellingen.5. Warmtebedrijven met een meerderheidsbelang van eenwarmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelang In het wetgevingsoverleg is door het Kamerlid Kröger (GL-PvdA) de vraaggesteld of publieke partijen als minderheidsaandeelhouder kunnendeelnemen in een vennootschap waarin een warmtegemeenschap eenmeerderheidsbelang heeft. Aangegeven is dat wordt nagegaan of ditwenselijk en mogelijk is.De vraag van Kamerlid Kröger (GL-PvdA) is om in aanvulling te bezien ofeen warmtebedrijf met een meerderheidsbelang van een warmtegemeen-schap en een publiek minderheidsbelang mogelijk is.Over de vraag of een dergelijke wijziging van het wetsvoorstel Europees-rechtelijk mogelijk is, heeft het kabinet advies ingewonnen bij delandsadvocaat. Het advies van 2 juni 2025 treft u als bijlage bij deze briefaan.In het advies concludeert de landsadvocaat dat het alsnog creëren vandeze mogelijkheid (als extra uitzondering) vanuit Europeesrechtelijkperspectief niet houdbaar zijn. Een dergelijke mogelijkheid zal afbreukdoen aan de doelstelling van het wetsvoorstel. Een publiek minderheids-belang verhoudt zich namelijk niet met het uitgangspunt in hetwetsvoorstel dat het voor het borgen van de publieke belangen noodza-4Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 125Kamerstukken II 2024/25, 36 576, nr. 12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 308 kelijk is dat openbare lichamen over een meerderheidsbelang van eenwarmtebedrijf beschikken. De landsadvocaat meent dat het opnemen vaneen extra uitzondering voor een warmtebedrijf met een meerderheids-belang van een warmtegemeenschap en een publiek minderheidsbelangde argumentatie voor een verplicht publiek meerderheidsbelang kanondergraven. Daarbij komt in de ogen van de landsadvocaat dat opvoorhand geen rechtvaardiging te zien is om een minderheidsbelang voorte behouden aan een publieke partij en private partijen (zonder enigepublieke zeggenschap) uit te sluiten als minderheidsaandeelhouder. Delandsadvocaat concludeert dat ten aanzien van deze variant een grotekans bestaat dat een rechter het publiek meerderheidsbelang alsinconsistent zal aanmerken en derhalve als ongeschikt om de beoogdedoelen te behalen.Gelet op dit advies en de mogelijke gevolgen voor de onderbouwing vanhet publiek meerderheidsbelang is het in de ogen van het kabinet nietmogelijk ook warmtebedrijven met een meerderheidsbelang van eenwarmtegemeenschap aan te wijzen op grond van artikel 2.5.In het wetsvoorstel kunnen warmtegemeenschappen naast warmtebe-drijven met een publiek meerderheidsbelang aangewezen worden vooreen warmtekavel. Het kan hier gaan om de warmtegemeenschap zélf(artikel 2.2, eerste lid, onderdeel c) of een warmtebedrijf waarvan alleaandelen in handen zijn een warmtegemeenschap (artikel 2.2, eerste lid,onderdeel d). Hiermee kunnen warmtegemeenschappen in lijn metrichtlijn 2018/2001/EU actief worden op de warmtemarkt. Dat laatste is inafstemming met de koepel van warmtegemeenschappen toegevoegd inde eerste nota van wijziging.6 Ook kunnen zij deelnemen in een warmte-bedrijf met een publiek meerderheidsbelang. Hiermee hebben warmtege-meenschappen ruime mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan dewarmtetransitie waar burgers betrokken zijn. Een groot voordeel vanwarmtegemeenschappen is dat draagvlak gegarandeerd is. Dit isonmisbaar om collectieve warmte van de grond te krijgen.6. Beantwoording vraag over de mogelijkheden voor de rol van denationale deelneming bij warmtegemeenschappen Het Kamerlid Kröger (GL-PvdA) heeft gevraagd of de NationaleDeelneming Warmte ook een ondersteunende rol kan spelen bij warmte-gemeenschappen. Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) enEnergie Beheer Nederland (EBN) zijn in gesprek met Energie Samen, delandelijke koepel van energiecoöperaties, om mogelijke toekomstigesamenwerkingsvormen in kaart te brengen. Het wetsvoorstel biedt ruimtevoor warmtegemeenschappen om aangewezen te worden voor eenwarmtekavel en daar zelfstandig een collectieve warmtevoorziening teontwikkelen.Ongeacht of één van de andere aandeelhouders een warmtegemeenschapis, gelden bij de uiteindelijke afweging van een eventuele NationaleDeelneming Warmte om medeaandeelhouder te worden in een warmte-bedrijf dezelfde uitgangpunten. Er moet sprake zijn van een professioneleorganisatie, er is perspectief op een regionaal warmtebedrijf, en de matevan zeggenschap is evenredig aan het financieel belang.Ook zijn samenwerkingsvormen met bijvoorbeeld een eventueleNationale Deelneming Warmte mogelijk als de warmtegemeenschap eenminderheidsbelang heeft in een partij die regionaal is of daar naartoegroeit.6Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1437, Bijlage «Ontwikkelperspectief duurzamewarmtebronnen».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 309 7. Uiteenzetting voor- en nadelen warmteservicebedrijf Tijdens het wetgevingsoverleg zijn vragen gesteld door de KamerledenKröger (GroenLinks-PvdA), Rooderkerk (D66) en Grinwis (CU) over dewenselijkheid van door infrastructuurbedrijven op te richten warmteser-vicebedrijven. Met de infrastructuurbedrijven is gesproken over hetwarmteservicebedrijf. Een lokaal aangewezen warmtebedrijf kan diensten,zoals facturatie en klantenservice, uitbesteden aan een warmteservicebe-drijf. Het door infrastructuurbedrijven voorgestelde model heeft voor- ennadelen. Met een regionaal warmteservicebedrijf kunnen gemeenten in deopstartfase sneller een lokaal warmtebedrijf opzetten en tegelijkertijdschaalvoordelen benutten. Dit draagt bij aan het tempo in de transitie. Erzijn in de markt echter al partijen actief die deze rol kunnen vervullen. Omverstoring van gezonde marktwerking met andere partijen te voorkomenzijn aanvullende maatregelen nodig. Infrastructuurbedrijven lijken ernamelijk naar te neigen om afname/inbesteding bij hun warmteservicebe-drijf afhankelijk te maken van hun investering in het lokale warmtebedrijf.De concurrentie kan worden bevorderd door een verbod op verplichteinbesteding. Dit bevordert de keuzevrijheid van lokale warmtebedrijven.Ook dient geborgd te worden dat lokale warmtebedrijven voldoendeautonomie houden richting het regionale warmteservicebedrijf. Bijvoor-beeld door het verbieden van uitbesteden van een aantal cruciale takenaan een warmteservicebedrijf.Uitgangspunt voor het kabinet is dat in de wet zowel gemeentelijke alsregionale warmtebedrijven de ruimte krijgen om te ontwikkelen. Ditmodel draagt daar op een specifieke manier ook aan bij. Een amendementvan deze strekking zal het kabinet om deze reden welwillend tegemoettreden.., mits dit rekening houdt met de genoemde bezwaren.Aandachtspunt is wat het kabinet betreft ook of dit model de doorontwik-keling van gemeentelijke warmtebedrijven met een gedeeld warmteser-vicebedrijf naar integrale regionale warmtebedrijven niet in de weg staat.Een mogelijkheid is om de (beoogde) Nationale Deelneming Warmte teverzoeken onderzoek te doen naar het gewenste eindbeeld ten aanzienvan organisatiemodellen, zodat we hier in de samenwerking op kunnenbijsturen wanneer nodig. Ook kan dit onderwerp onderdeel uitmaken vande evaluatie van de Wcw na zeven jaar. Als tegen die tijd blijkt dataanvullende maatregelen nodig zijn om bij te sturen, kunnen deze wordengenomen.Kamerlid Erkens (VVD) uitte in het kader van deze discussie zijn zorgen ofinfrastructuurbedrijven wel in staat zijn om een taak op collectieve warmteop te pakken, aangezien zij ook een groot deel van hun capaciteit moeteninzetten op netcongestie. Hoewel de systeembeheerders en de infrastruc-tuurbedrijven vaak in één adem worden genoemd en opereren binnendezelfde groep, zijn het gescheiden entiteiten. De systeembeheerder voertde wettelijke taken uit rondom het beheer van elektriciteits- en gasnettenen opereert onafhankelijk. Het infrastructuurbedrijf is het zusterbedrijf datzich richt op aangrenzende activiteiten, zoals warmtediensten. Demogelijkheid, die reeds in de Wcw is opgenomen, voor het infrastructuur-bedrijf om aangewezen te worden voor een warmtekavel doet daarmeedus geen afbreuk aan de capaciteit van systeembeheerders om netcon-gestie op te lossen. De ontwikkeling van collectieve warmtevoorzieningenkan wel bijdragen aan het voorkomen van onnodige netverzwaring. Doorvanuit het overkoepelende infrastructuurbedrijf integraal te sturen op deontwikkeling van het totale energiesysteem worden maatschappelijkekosten zodoende beperkt. Het verruimen van de bevoegdheid vaninfrastructuurbedrijven om ook als niet-aangewezen warmtebedrijf (maarals warmteservicebedrijf) actief te worden op de warmtemarkt zal omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 3010 dezelfde redenen geen afbreuk doen aan de capaciteit van systeembe-heerders om netcongestie op te lossen.8. Beantwoording van de vraag over de onderbouwing van deafsluitkosten voor warmte Het Kamerlid Vermeer (BBB) stelde vragen over de tarieven voor afsluitingvan het warmtenet. De ACM bepaalt de maximumtarieven voor afsluitenop basis van de bepalingen in de Warmtewet en het Warmtebesluit. HetWarmtebesluit onderscheidt een aantal categorieën van afsluitingen enbepaalt dat de tarieven per categorie gebaseerd moeten zijn op degemiddelde daadwerkelijke kosten van warmtebedrijven, mogelijkaangevuld met de door de ACM verzamelde marktgegevens. De ACM vulthet in door bij een steekproef van warmtebedrijven een aantal gegevensuit te vragen. Het gaat om informatie over het aantal afsluitingen, kostenvan materialen, kosten van door de werknemers gemaakt uren, en kostenvan inhuur. Dit wordt per categorie afsluiting uitgevraagd. De gemiddeldekosten voor elke categorie worden dan bepaald door de totale kosten tedelen door het aantal aansluitingen. De ACM kijkt daarbij naar de kostenover de vier meest recente jaren. Voor tarieven 2025 heeft de ACMgegevens gebruikt over de jaren 2020–2023 en gecorrigeerd met CPI naarhet prijsniveau van 2025. Voor twee categorieën van afsluitingen zijn er teweinig gegevens beschikbaar, namelijk de categorie tijdelijk, centraal engedeeltelijk. Deze tarieven worden daarom bepaald op basis van dekosten van andere soorten afsluitingen. Deze werkwijze zal naarverwachting ook in fase 1 en 2 van de Wcw worden gehanteerd.De resulterende tarieven voor 2025 staan in de onderstaande tabel.Soort afsluitingMaximumtarief incl. btw(eenmalig)Tijdelijke afsluiting1 van een individuele aansluiting€ 586,73Tijdelijke afsluiting van een centrale aansluiting2€ 586,73Definitieve afsluiting van een individuele aansluiting€ 5.250,99Definitieve afsluiting van een centrale aansluiting€ 10.189,65Gedeeltelijke afsluiting van3 een individuele aansluiting€ 586,731 Een tijdelijke afsluiting is een afsluiting voor maximum maximum 2 jaar.2 Er is sprake van een centrale aansluiting als een verhuurder of een VVE warmte afneemt tenbehoeve van meerdere huishoudens.3 Bij een gedeeltelijke afsluiting gaat het om afsluiten van het leveren van koude, in de gevallendat afsluiten van koude mogelijk is omdat de levering van koude niet onlosmakelijk verbonden ismet de levering van warmte. Omdat warmtebedrijven kosten maken om een klant af te sluiten, is hetook redelijk dat ze hiervoor kosten in rekening mogen brengen. Als datniet via een afsluittarief kan, worden deze kosten vanaf fase 2 namelijkverrekend in het vaste tarief, dat als gevolg hiervan hoger wordt voor deresterende warmteklanten. Ook voor het afsluiten of definitief verwijderenvan een elektriciteitsaansluiting moet een klant betalen.Anders dan bij warmte en elektriciteit betaalt een klant in de meestegevallen niet om zich van aardgas te laten afsluiten.7 Een ongebruiktegasaansluiting moet namelijk binnen bepaalde tijd worden verwijderd omveiligheidsredenen, terwijl netbeheerders alleen een tarief voor afsluitenin rekening mogen brengen als er een afsluitverzoek van de klant is. Om7Er worden geen kosten in rekening gebracht als de netbeherder zelf het moment kan bepalenwaarop de afsluiting wordt verwijderd. Als de klant wenst dat de afsluiting vóór een bepaalddatum wordt verwijderd, kan de netbeheerder daar wel kosten voor rekenen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 3011 te voorkomen dat klanten ongebruikte gasaansluitingen in stand latendoor geen verzoek tot afsluiten in te dienen, heeft de ACM besloten datnetbeheerders hiervoor geen tarief meer mogen vragen. Daarnaast is hetmet het oog op de warmtetransitie gewenst om het afsluiten van aardgaste faciliteren, terwijl dat voor warmte- en elektriciteitsaansluitingen niethet geval is.9. Beantwoording van de vraag over de mogelijkheden voor hetdifferentiëren van vaste tarieven Het Kamerlid Postma (NSC) heeft gevraagd naar de hoogte van het vastetarief bij een kostengebaseerd tarief en de mogelijkheid om hierin tedifferentiëren. Met kostengebaseerde tariefregulering wordt naarverwachting gemiddeld een groter deel van de warmterekening in hetvaste tarief verrekend. Hoe hoog het tarief wordt, kan per warmtesysteemverschillen afhankelijk van de kosten van dat systeem. Het wetsvoorstelbiedt de mogelijkheid om in lagere regelgeving de vaste tarieven tedifferentiëren tussen de klanten van hetzelfde warmtesysteem. Hetkabinet is van plan om dit te regelen vanaf fase 2 van het wetsvoorstel. DeACM kan dan vaste tarieven differentiëren bijvoorbeeld op basis van deoppervlakte van de woning, of piekverbruik van warmte. Uiteraard zorgtdifferentiatie er enkel voor dat de totale kosten anders over aangeslotenenworden verdeeld. De verlaging van het vastrecht voor sommigeverbruikers zal resulteren in een verhoging voor andere verbruikers. Hetvaste tarief kan ook omlaag worden gebracht via een subsidie. Zo gaat deSAH (Stimulering Aardgasvrije Woningen) waar het budget door de veleaanvragen nu is overtekend, leiden tot een verlaging van het vaste tariefin een aantal projecten die hier subsidie voor hebben gekregen. Ook deWIS (Warmtenetten Investeringssubsidie), die de investeringskostenverlaagt, zal de vaste kosten bij kostengebaseerde tariefregulering latendalen.10. Advies Raad van State Amendement 28 – Procesupdate De Raad van State is verzocht om een voorlichting uit te brengen op hetamendement van de Kamerleden Grinwis (CU) en Bontenbal (CDA) overdoorzettingsmacht voor verenigingen van eigenaren (VvE’s) voor eenaansluitovereenkomst op een collectieve warmtevoorziening (36 576-20).De voorlichting is gevraagd in verband met de mogelijke inmenging in heteigendomsrecht van appartementseigenaren en de geschiktheid endoeltreffendheid van de regeling. De voorlichting wordt kort voor hetvervolg van het plenaire debat op 19 juni verwacht.11. Toelichting vereenvoudiging subsidielandschap naaraanleiding van vragen van verschillende fracties In het wetgevingsoverleg is door de Kamer gevraagd hoe het kabinetwerkt aan het vereenvoudigen van het subsidielandschap. Een groot deelvan de warmte sector, verenigd in de Warmtealliantie, heeft begin dit jaarin het Warmtebod opgeroepen om het subsidiesysteem integraler temaken. Met de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) is een belangrijksubsidie-instrument in het leven geroepen die de ontwikkeling van bron,net en klant aan elkaar verbindt en waarmee die integraliteit wordtgeborgd. Elk jaar wordt gekeken hoe de regeling beter kan aansluiten bijde praktijk en zo collectieve warmte helpt opschalen. In de zomer wordtde WIS opnieuw opengesteld. De regeling is op diverse punten aangepastin een poging om het eenvoudiger te maken subsidie aan te vragen en uitte voeren en om een grotere diversiteit aan projecten goed te accommo-deren. De gewijzigde regeling is op 3 juni gepubliceerd in deStaatscourant. In de nieuwe ronde van de WIS wordt de hoogte van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 3012 subsidie niet meer berekend aan de hand van de onrendabele top, maarals percentage van de investering. Er komt een uitzondering op hetverbod op herindienen voor projecten. En er zijn diverse verruimingen insubsidiabele activiteiten en kosten opgenomen, zoals de toevoeging vanthermische opslag, grotere dimensionering van buizen en het meetellenvan woningen achter de blokaansluiting voor het minimaal aantalaansluitingen.Tot slot: op 13 mei 2025 heeft het kabinet een Kamerbrief gestuurd meteen update over de financiële tegenvaller van WarmtelinQ8. In deze briefis aangegeven dat het huidige warmtenet in Leiden op dit moment wordtgevoed door een fossiele warmtebron die in 2028 wordt uitgefaseerd. Deeigenaar van desbetreffende energiecentrale geeft echter aan dat hij dezecentrale operationeel wil houden en afhankelijk van de regionale vraag inde toekomst warmte wil leveren vanuit duurzame bronnen. Van eenbesluit of voornemen tot sluiting of uitfasering is op dit moment geensprake.Het kabinet hoopt hiermee alle toezeggingen uit het debat ingevuld tehebben. Het kabinet kijkt uit naar de plenaire behandeling en werkt graagop constructieve wijze samen met de Tweede Kamer aan een goed enrobuust wetsvoorstel zodat warmtenetten aangelegd gaan worden enmensen kunnen rekenen op een goed alternatief voor aardgas.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.Th.M. Hermans8Kamerstukken II 2024/25, 31 239, nr. 421Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 3013
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.