KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op het onderzoek naar de mogelijkheid tot verlaging van het aantal proeven met niet-humane primaten

11 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7e464a65973ca6f3 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 336DierproevenNr. 164 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 11 april 2025Wereldwijd neemt het aantal proeven met niet-humane primaten (NHP’s)toe, terwijl het aantal proeven in Nederland als een van de weinigeEuropese landen, naast het Verenigd Koninkrijk, een scherp dalende trendlaat zien. Dat komt door een heldere ambitie van de maatschappij,wetenschap en politiek, een inspanning van het Biomedical PrimateResearch Centre (BPRC) en de partners in het programma TransitieProefdiervrije Innovatie (TPI). Daarmee zetten we voortdurend stappenrichting onze nationale ambitie om volledig zonder proeven op NHP’s af tekunnen.Deze ambitie wil ik voortzetten in Nederland én Europa. Dit vereist grotezorgvuldigheid, gegeven de verschillende waarden en belangen zoalsdierenwelzijn, gezondheid, pandemische paraatheid en strategischeautonomie. Nederland moet, conform de motie Kostic´, een voorlopersrolblijven spelen in de ontwikkeling en versnelling van proefdiervrijeinnovaties.1Er is een onafhankelijke commissie gevraagd onderzoek te doen naar demogelijkheid om het aantal proeven op NHP’s verder te verlagen zonderdat dit gevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor debestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziektendie de volksgezondheid bedreigen.Met deze brief bied ik uw Kamer het eindrapport aan van de onafhanke-lijke onderzoekscommissie (zie bijlage 1). Hiermee voldoe ik aan de motievan het lid Wassenberg c.s.2 Ik dank de commissieleden voor het rapporten voor het zorgvuldige en complexe werk dat zij hebben verricht.1Kamerstukken II 2024/2025, 32 336, nr. 1582Kamerstukken II 2022/2023, 36 200 VIII, nr. 113 kst-32336-164ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1641 LeeswijzerDeze brief gaat in op de huidige situatie van wetenschappelijkNHP-onderzoek in Nederland, de opzet van het door uw Kamer gevraagdeonderzoek, en de uitkomsten van dit onderzoek. Tevens treft uw Kamer,mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS),de Minister van Economische Zaken (EZ) en de Staatssecretaris vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), mijn beleidsre-actie op het onderzoek. Dit vanwege hun verantwoordelijkheid voor deimplicaties op de volksgezondheid en geneesmiddelenontwikkeling(VWS), innovatie en economie (EZ) en het bredere dierproevenbeleid(LVVN).In deze brief kom ik ook terug op een aantal toezeggingen die zijn gedaanin eerdere brieven en in het commissiedebat dierproevenbeleid van29 januari 2025 (Kamerstuk 32 336, nr. 157), zijnde:•Terugkijken op en monitoring van de gemaakte afspraken met hetBPRC om de fokkolonie te verkleinen naar ongeveer 1.000 apen in 2025en het aantal proeven met NHP’s te verlagen tot gemiddeld 120–150 opjaarbasis in 2025.•Als de uitkomst van het onderzoek van de commissie daar aanleidingtoe geeft en ik nieuwe afspraken ga maken met het BPRC, zal ik inieder geval afspraken toevoegen over het percentage van de subsidiedat het BPRC dient te besteden aan proefdiervrije onderzoeks- entestmethoden en, indien dit op basis van het onderzoek van decommissie veilig kan, het laten toenemen van dit percentage (conformmotie Teunissen (Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 963).•Nagaan bij het BPRC hoe vaak er NHP’s worden geëxporteerd naar hetbuitenland en wat redenen zijn voor de export (zie bijlage 2).Huidig onderzoek met NHP in NederlandInleidingOp dit moment gebeurt NHP-onderzoek in Nederland alleen bij het BPRCen bij het Nederlands Herseninstituut (NIN). Het Erasmus MedischCentrum heeft een vergunning en faciliteiten voor NHP-experimenten,maar er zijn geen NHP’s gehuisvest. NHP-onderzoek gebeurt alleen als ergeen andere methode beschikbaar is en na zorgvuldige en onafhankelijketoetsing door Dierexperimentencommissies (DEC’s) en de CentraleCommissie Dierproeven (CCD). Deze werkwijze vloeit voort uit deimplementatie van de Europese Dierproevenrichtlijn4, waarin eisenworden gesteld aan de ethische beoordeling en de rechtvaardiging vandierproeven, de zorg voor de dieren, en de bevordering van nieuwe,alternatieve methoden om het gebruik van dieren te verminderen.Nederland heeft sinds 2014 de Europese Dierproevenrichtlijn in denationale wet- en regelgeving geïmplementeerd door middel van eenherziening van de Wet op de dierproeven (Wod).Onderzoek in het BPRCHet BPRC is in Nederland de plek waar het meeste onderzoek met NHP’swordt gedaan. Het BPRC voert het NHP-onderzoek uit met apen uit eigenfok. De kolonie bestaat uit resusapen, Java-apen en witoorpenseelapen.Bij het BPRC wordt onderzoek gedaan naar infectieziekten zoals malaria,tuberculose en HIV/AIDS. Zo worden momenteel in samenwerking metuniversiteiten nieuwe vaccinbenaderingen tegen malaria getest in NHP’s3Kamerstukken II 2023/2024, 33 336, nr. 1524«Directive 2010/63/EU on the protection of animals used for scientific purposes»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1642 van het BPRC. Ook hebben tuberculoseonderzoekers van het BPRCaangetoond resusapen via een alternatieve vaccinatieroute te kunnenbeschermen tegen zowel de infectie als de ziekte. De resultaten stimulerenverder onderzoek naar de ontwikkeling van nieuwe vaccinatiestrategieëntegen tuberculose in de mens. Daarnaast doet het BPRC onderzoek naaropkomende infectieziekten, zoals dengue en het West Nile virus.Het BPRC heeft, samen met verschillende universiteiten en farmaceu-tische partners, een rol gespeeld in het testen van verschillendeSARS-CoV-2-vaccins en droegen hiermee bij aan de internationaleinspanningen voor veilige en effectieve vaccins tegen SARS-CoV-2.Ook speelt het BRPC een belangrijke rol in het onderzoek naar(post-)COVID-19, waarbij onder andere wordt gekeken wat de langdurigeneurologische gevolgen (breinschade) zijn van een COVID-19 infectie. HetBPRC doet ook onderzoek naar andere neurologische aandoeningen, zoalsParkinson, Alzheimer en Multiple sclerose. Daarnaast voert het BPRConderzoek uit naar auto-immuunziekten en ontstekingsziekten. Voorheenheeft het BPRC een bijdrage geleverd aan het transplantatieonderzoek vanorganen en weefsels en het voorkomen van afstotingsreacties. Door dekennis die mede door NHP-onderzoek is verkregen zijn transplantatiesverbeterd en inmiddels toepasbaar in de kliniek. Door alle onderzoeks-lijnen heen heeft het BPRC het onderzoek naar nieuwe modellen voordierproeven ingebed en daarmee ingezet op het verminderen van denoodzaak van dierproeven. Zo heeft het BPRC samen met een Franslaboratorium kweektechnieken opgezet, waarbij belangrijke onderdelenvan de bestrijding van malaria nu in een kweekschaal kunnen wordenonderzocht.De financiering van het BPRC komt vooral uit publieke middelen. Degrootste inkomstenbron voor het BPRC is de subsidie van de Nederlandseoverheid (ongeveer € 12 miljoen per jaar). Voor de rest haalt het BPRC zijninkomsten uit projectinkomsten vanuit bijvoorbeeld de EU, het Ameri-kaanse National Institute of Health en fondsen zoals de Bill and MelindaGates Foundation. De externe inkomsten bedragen ongeveer € 5 miljoenper jaar.Lopende afspraken met het BPRC en de monitoring daarvanIn 2019 heeft het BPRC op verzoek van OCW het «Ambitieplan BPRC2019–2025» opgesteld.5 In het ambitieplan is afgesproken dat het BPRC defokkolonie geleidelijk verkleint van 1437 naar ongeveer 1.000 apen in2025. Ook is afgesproken dat het BPRC met ingang van 1 januari 2020 hetaantal dierproeven van gemiddeld 200–250 proeven per jaar stapsgewijsvermindert, zodat vanaf 2025 gemiddeld 120–150 dierproeven op jaarbasisworden uitgevoerd.Jaarlijks rapporteert het BPRC aan de Nederlandse Voedsel en Warenauto-riteit (NVWA) het aantal dierproeven dat het doet. Daarnaast rapporteerthet BPRC in het proefdierkundig jaarverslag over het aantal studies en hetaantal dieren dat hiervoor is ingezet, over de rol van de Dierexperimenten-commissie en de Instantie voor Dierenwelzijn en over de ontwikkelingenbij het BPRC op het gebied van alternatieven voor dierproeven. Het BPRCgeeft aan dat in 2024 er 133 dierproeven zijn uitgevoerd en de kolonieeind 2024 uit 933 apen bestond.Het terugbrengen van het aantal dierproeven is onder andere gelukt dooreen aantal extern gefinancierde opdrachten niet te accepteren, maar ookdoor ontwikkeling van andere methoden ter vervanging van dierproeven.5Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 32 336, nr. 88.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1643 De zorgvuldige verkleining van de kolonie is op verschillende manierenbereikt. Allereerst heeft het BPRC – al vanaf 2018 – geboortebeperkingtoegepast. De verkleining van de kolonie is ook het gevolg geweest vanhet COVID-onderzoek, waarvoor meer NHP’s zijn ingezet voor onderzoek(met terminale afloop). Als laatste is er sprake van het verkleinen van dekolonie door middel van het overbrengen van NHP’s naar het buitenland.Ik verwijs naar de bijlage 2 voor meer informatie over de export van NHP’sdoor het BPRC, conform de vraag van uw Kamer naar de omvang enredenen, gesteld tijdens het commissiedebat dierproeven van 29 januarijl.Onderzoek in het NINNaast het BPRC wordt ook bij het Nederlands Herseninstituut (NIN) opkleine schaal onderzoek met NHP uitgevoerd. Er zijn zo’n 16–20 resusapenbij het NIN die worden gebruikt voor fundamenteel onderzoek naarvisuele waarneming, aandacht, bewustzijn en naar de ontwikkeling vaneen hersenprothese voor blinde mensen. Het primatenonderzoek bij hetNIN wordt gefinancierd door verschillende subsidies en fondsen, zoalsNWO, ZonMw, EU-subsidies, subsidies uit de Verenigde Staten encollectebusfondsen.Uitvoering en begeleiding van het onderzoekOp 6 juli 2023 is uw Kamer per brief6 geïnformeerd over de wijze waaropinvulling is gegeven aan de motie Wassenberg c.s. (Kamerstuk 36 200 VIII,nr. 113) In de motie wordt de regering verzocht om een onderzoek naar demogelijkheid om het aantal proeven op NHP’s verder te verlagen zonderdat dit gevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor debestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziektendie de volksgezondheid bedreigen. Conform het verzoek in de motie iseen onafhankelijke commissie ingesteld.7 Afgesproken is dat decommissie geen beleidsadvies geeft, maar onderzoekt wat kan en nietkan. In het instellingsbesluit is de opdracht van de commissie nadergespecificeerd. De commissie:•zorgt voor een afbakening van de begrippen «levensbedreigendeziekte» en «infectieziekte die de volksgezondheid bedreigt»;•onderzoekt welk wetenschappelijk onderzoek met NHP nodig is tenbehoeve van de bestrijding van levensbedreigende ziekten enuitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen enonder welke omstandigheden dit onderzoek in de toekomst verder kanworden afgebouwd;•onderzoekt de mogelijkheden hoe het overige wetenschappelijkonderzoek met NHP zo snel mogelijk naar nul kan worden afgebouwd;en•brengt de mogelijkheden, zoals genoemd in voorgaand lid, metverschillende scenario’s in kaart, waarbij wordt ingegaan op dewetenschappelijke, ethische, juridische, economische, internationaleen maatschappelijke implicaties.ZonMw en NWO hebben op mijn verzoek een internationale peer reviewop het conceptrapport georganiseerd. Met de internationale review wordtde kwaliteit en onafhankelijkheid van het onderzoek geborgd en wordt hetonderzoek in een internationale context geplaatst. De commissie heeft deopmerkingen van de twaalf internationale referenten verwerkt in heteindrapport.6Kamerstukken II, 2022/2023, 36 200 VIII, nr. 2557Instellingsbesluit Commissie onderzoek niet-humane primatenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1644 Vanwege de betrokkenheid van meerdere ministeries bij het dossierdierproeven en de transitie naar proefdiervrije innovatie, is ondervoorzitterschap van OCW een ambtelijke klankbordgroep ingesteld, metdeelname van de Ministeries van LVVN, VWS, EZ en IenW en onderzoeks-financiers NWO en ZonMw.Uitkomsten van het onderzoekHet onderzoek is opgebouwd uit twee delen. In het eerste deel beschrijftde commissie de brede context van de discussie over NHP-experimenten.Zo worden de historische en maatschappelijke achtergrond, de ethisch-filosofische kaders en de relevante nationale en internationale wet- enregelgeving beschreven. Ook beschrijft de commissie de wetenschappe-lijke relevantie van NHP-experimenten en brengt zij de Nederlandse eninternationale onderzoeken met NHP in kaart. De commissie schetsttevens de ontwikkeling van proefdiervrije methoden. In het tweede deelvan het onderzoek beschrijft de commissie vier mogelijke scenario’s:afbouw, vermindering, behoud en mogelijke toename.In ieder scenario beschrijft de commissie de wetenschappelijke, ethische,juridische, economische, maatschappelijke en internationale keuzes enimplicaties. Met het vierde scenario wil de commissie aansluiten bij haaropdracht om ook internationale ontwikkelingen in kaart te brengen,waarbij gebleken is dat in bijvoorbeeld de VS en China het aantalNHP-experimenten juist toeneemt. De vier scenario’s tezamen vormenvolgens de commissie een goede afspiegeling van alle beleidskeuzes diegemaakt kunnen worden.Deel I Onderzoek naar vermindering van onderzoek met NHP’sEthiekHet rapport van de commissie laat zien dat het wel of niet doen vanNHP-onderzoek in veel opzichten een gecompliceerd vraagstuk is. Hetgaat onder andere over dierenwelzijn en over de ethische last die hetdoen van proeven met NHP’s met zich meebrengt ten opzichte van demogelijke gezondheidswinst voor de mens. Daarnaast is er onzekerheidover de snelheid waarmee nieuwe onderzoeksmodellen wordenontwikkeld, in welke mate afbouw in Nederland betekent dat onderzoek inandere landen wordt voortgezet en in welke omstandigheden, en over devertaalbaarheid van proeven op NHP’s naar de mens.Zoals de commissie benoemt, nemen NHP’s een bijzondere positie in.Zowel in de dierethiek als in de wetgeving en in de wetenschappelijkepraktijk. Ook in het maatschappelijk debat is er altijd bijzondere aandachtvoor onderzoek op NHP’s. De commissie verklaart dit door de emotioneleen symbolische waarde die veelal aan NHP’s wordt gehecht; cognitief ensociaal lijken NHP’s veel op mensen.NHP-onderzoek in het BPRC – een publiek gefinancierd primatencentrumNederland heeft één van de bijna 20 primatencentra wereldwijd die eenopenbare entiteit zijn, hun eigen proefdieren fokken en een eigenonderzoeksprogramma onderhouden. Europa heeft een beperkt aantalvan dit soort primatencentra. Naast Nederland, zijn er primatencentra inDuitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. De commissie stelt vastdat er nationaal en internationaal grote waardering is voor het BPRC alsprimatencentrum. Nederland levert een belangrijke bijdrage aanNHP-onderzoek binnen de EU. Nederland behoort – mede dankzij hetBPRC – in termen van publicaties in de top 10 van meest productieveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1645 landen op het gebied van NHP-onderzoek in de afgelopen vijf jaar. Debedoeling van fundamenteel onderzoek is inzicht in biologische(ziekte)mechanismen te verkrijgen, veelal op cellulair of moleculairniveau. Voorbeelden van dergelijk fundamenteel onderzoek betreffenauto-immuunziekten zoals multiple sclerose en reumatoïde artritis,genetische therapieën, en technologieën om zicht aan blinden te geven.Tevens leverden Nederlandse onderzoekers een belangrijke bijdrage aande identificatie van het coronavirus en de vaccinontwikkeling. Dat dedenzij in grote internationale samenwerkingsverbanden en konden zij alleendoen op basis van hun eigen onderzoekservaring met het gebruik vanNederlandse onderzoekfaciliteiten.Het rapport van de commissie laat zien dat de waardering van het BPRCniet alleen toeziet op het wetenschappelijk onderzoek dat daar wordtgedaan, maar ook op de kwaliteit van de fok en huisvesting van dekolonie. De welzijnsstandaarden voor NHP-faciliteiten zijn in veelEuropese landen hoger dan in andere delen van de wereld en daarbovenop volgt het BPRC de verdergaande richtlijnen van het Britse 3RCentre.8 De commissie geeft aan dat het BPRC een minimale populatie(t.b.v. de genetische diversiteit) nodig heeft voor de kwaliteit en betrouw-baarheid van het wetenschappelijke onderzoek. De huidige fokkolonie isrelatief kleinschalig en kan volgens de commissie niet veel verder wordenteruggebracht. De kolonie is op dit moment groot genoeg om een outbredpopulatie in stand te houden, wat betekent dat er een genetischvoldoende diverse groep van apen beschikbaar is. Deze genetischediversiteit is essentieel om inteelt te voorkomen; inteelt zou degezondheid van de dieren in gevaar brengen en de validiteit van hetonderzoeksmodel ondermijnen.Afbakening van NHP-onderzoek conform motieOm een uitspraak te kunnen doen of en hoe het aantal proeven op NHP’sverder verlaagd kan worden, zonder dat dit gevolgen heeft voor debestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziektendie de volksgezondheid bedreigen, heeft de commissie allereerstgeprobeerd beide termen wetenschappelijk af te bakenen.•De commissie definieert «een infectieziekte die de volksgezondheidbedreigt» als een ziekte die wordt veroorzaakt door micro-organismen,zoals bacteriën, virussen, parasieten of schimmels, en die eenaanzienlijk risico vormt voor de gezondheid van een groot aantalmensen in een specifieke populatie of geografische regio. Deze ziektenkunnen zich over het algemeen snel verspreiden en kunnen leiden toternstige gezondheidsproblemen en mogelijk overlijden.•De commissie concludeert dat de term «levensbedreigende ziekten»die in de verschillende moties wordt gebruikt, in de wetenschappelijkeen klinische praktijk niet scherp kan worden afgebakend. De beperkingvan de levensduur zal altijd mede afhankelijk zijn van concretebehandelingsmogelijkheden en gastheerfactoren, waaronderco-morbiditeit. «Levensbedreigend» als karakterisering van een ziektekan onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd worden en kan dusniet worden gehanteerd als criterium voor de toelating van NHP-onderzoek. Een eventuele alternatieve definitie om ernstige ziekten afte bakenen, unmet medical needs, dient eerst nog verder te wordenontwikkeld en als criterium in de praktijk worden getest.83R betekent «replacement, reduction en refinement». Oftewel: vervangen, verminderen enverfijnen van dierproeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1646 Vertaalbaarheid van het NHP-modelDe commissie geeft aan dat NHP-onderzoek nog steeds veel wordttoegepast daar waar de complexiteit van de menselijke biologie enziekteprocessen moeilijk in andere modellen te reproduceren zijn en waarethische en praktische overwegingen direct menselijk onderzoekbeperken. Er zijn volgens de commissie specifieke overeenkomsten inanatomie, fysiologie, genetica, immunologie, ziekte-specifieke pathologieof gedrag tussen NHP’s en mensen, waardoor bepaalde menselijke ziektengoed in NHP’s kunnen worden onderzocht. Zo worden NHP’s gebruikt bijhet ontwikkelen en reguleren van geneesmiddelen, omdat ze op eenaantal kritische momenten in het ontwikkelingsproces van geneesmid-delen vooralsnog onmisbaar worden geacht door experts. Denk hierbijaan het testen in de preklinische fase van de veiligheid en werkzaamheidvan nieuwe geneesmiddelen, kandidaat-vaccins en behandelingen, om tevoorspellen hoe mensen hierop zullen reageren. De commissie consta-teert tevens dat er over deze onmisbaarheid geen algehele overeen-stemming bestaat onder wetenschappers. De vertaalbaarheid vanNHP-proeven staat soms ter discussie en is vaak moeilijk te voorspellen.Beperkingen van het NHP-model gaan onder andere over levensechtesituaties van mensen met co-morbiditeit die moeilijk bij NHP’s na zijn tebootsen en het beperkte aantal NHP’s per experiment, waardoor klinischestudies met mensen andere resultaten en bijwerkingen kunnen opleverendan studies met NHP’s.New Approach Methodologies (NAM’s)De commissie heeft in het onderzoeksrapport verschillende NAM’sbeschreven. NAM’s worden niet alleen ontwikkeld om dierproeven tevervangen, maar kunnen ook los daarvan bijdragen aan het begrip vanhumane ziektemechanismen en het effect van chemische stoffen ophumane cellen en weefsels. Traditioneel bieden NAM’s voornamelijkinzicht in de effecten op moleculen, genen, cellen of eiwitten, en geven zeaanwijzingen voor de mogelijke effecten bij de uiteindelijke doelgroep.Maar om volledig inzicht te krijgen in hoe deze resultaten zich vertalennaar de patiënt, worden meestal aanvullende in vivo proeven nodiggeacht. Deze in vivo proeven bieden inzicht in de effecten over langeretijd, bij verschillende typen patiënten en in wisselwerking met anderelichaamssystemen zoals het immuunsysteem. Tijdens de door decommissie gehouden consultatie onder NAM-onderzoekers bleek dat inde nabije toekomst significante NAM-ontwikkelingen te verwachten zijn,maar ook dat de verwachting is dat NHP-proeven voorlopig nog noodza-kelijk zullen blijven. Wel kan een betere samenwerking en interactie tussenhet BPRC en NAM-onderzoekers aan onderzoeksinstituten en universi-teiten leiden tot het beter benutten van bestaande data en kennis. HetBPRC kan het alternatievenveld voeden met NHP-data, vooral als dealternatieven gebaseerd zijn op NHP-(stam)cellen of weefsels, enandersom kan het alternatievenveld het BPRC-onderzoek naar NAM’shelpen versterken.RegelgevingDe commissie stelt vast dat na de inwerkingtreding van de directive2010/63/EU9 het niet is toegestaan om nieuw dierproevenbeleid in tevoeren dat strikter is dan de EU-richtlijn. Dit om een gelijk Europeesspeelveld te bewaren. Daarmee laat de huidige Europese regelgeving hetniet toe om proeven met NHP’s in de individuele lidstaten te verbieden.9Richtlijn 2010/63/EU betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijkedoeleinden worden gebruikt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1647 Andere instrumenten, zoals het stimuleren van NAM’s en verandering inde (voorwaarden aan de) publieke financiering van het BPRC, kunnen welinvloed hebben op het aantal proeven op NHP’s in Nederland.Zoals gezegd, spelen NHP’s een belangrijke rol bij het ontwikkelen enreguleren van geneesmiddelen dat veelal op Europees niveau plaatsvindt.De commissie constateert dat bij regelgevende instanties veel aandacht isvoor de vermindering en vervanging van dierproeven in het algemeen enNHP-experimenten in het bijzonder. Een extra aanleiding voor dezeaandacht vormt het wereldwijde tekort aan NHP’s tijdens de COVID-crisis.Het Europese Medicijn Agentschap (EMA) en het College ter Beoordelingvan Geneesmiddelen (CBG) stimuleren dat NAM-onderzoekers in een zovroeg mogelijk stadium contact zoeken met de regelgevende instanties.Meer dialoog en vroegtijdige afstemming (harmonisatie van regelgeving)op Europees niveau kan bijdragen aan het sneller en meer gevalideerd engeaccepteerd krijgen van NAM’s. Nederland, met name het CBG, is eenbelangrijke katalysator van deze ontwikkeling.Strategische autonomieDe commissie geeft aan dat uit gesprekken blijkt dat NHP’s nog steedsnoodzakelijk zijn in verscheidene onderzoeksdomeinen. Zo wordt inverschillende domeinen geprobeerd om ziektes beter te begrijpen, omvervolgens bij te dragen aan effectieve(re) en/of veilige(re) geneesmid-delen, vaccins en behandelmethodes. Een voorbeeld van een domeinwaar NHP’s nog steeds noodzakelijk zijn, is onderzoek naar nieuweinfectieziekten die de volksgezondheid bedreigen. Een NederlandseNHP-faciliteit draagt daarom bij aan enige mate van autonomie in hetgeval van een toekomstige pandemie. Volgens de commissie is dit inzichzelf geen reden waarom afbouw onmogelijk zou zijn, maar decommissie benoemt de resulterende grotere afhankelijkheid van hetbuitenland wel als een risico.Deel II Vier beleidsscenario’s voor omgang met NHP-experimentenDe commissie komt tot vier beleidsscenario’s, waarbij ze erop wijst dat ditniet de enige mogelijke beleidsscenario’s zijn. De vier scenario’s zijngekozen omdat zij tezamen een goede afspiegeling vormen van allebeleidskeuzes die gemaakt kunnen worden. De commissie heeft aange-geven zich goed te kunnen voorstellen dat beleid geformuleerd wordt datverschillende elementen van de scenario’s combineert.Scenario 1: afbouwIn het eerste scenario van de commissie wordt de financiering van hetBPRC stopgezet en daarmee wordt het onderzoek met NHP’s bij het BPRCafgebouwd. In dit scenario wordt Nederland afhankelijk van hetbuitenland voor onderzoek met NHP’s, ook in tijden van een nieuwepandemie. Daarnaast identificeert de commissie het risico dat onderzoekmet NHP’s in het buitenland wordt voortgezet, waarmee Nederlandvolgens de commissie kennis en ervaring verliest. Nederland komt in eenethisch lastig uitlegbare positie door geen NHP-onderzoek meer te doen,maar nog wel gebruik te maken van geneesmiddelen waarvoor in hetbuitenland proeven met NHP’s zijn uitgevoerd. Overigens zou het stoppenvan de financiering van het BPRC niet automatisch betekenen dat hetNHP-onderzoek dan ook volledig uit Nederland verdwijnt. Andere partijenkunnen in principe met andere financieringsbronnen NHP-onderzoekopzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1648 Scenario 2: verminderingIn het tweede scenario wordt het onderzoek met NHP’s substantieelverminderd, door minder NHP-onderzoek te financieren bij het BPRC.Nederland behoudt hiermee een eigen faciliteit en capaciteit om bij tedragen aan vaccinontwikkeling en het op peil houden van de pande-mische weerbaarheid. Wel worden in dit scenario specifieke typenonderzoek met NHP’s afgebouwd. Daarbij moet volgens de commissieeen beleidsmatige keuze worden gemaakt welk type onderzoek wel enniet met NHP’s mag worden uitgevoerd. Ook hiervoor geldt volgens decommissie het risico van het vertrek van onderzoek en onderzoekers naarhet buitenland. Tevens kan mogelijk bepaald type onderzoek niet meerworden uitgevoerd vanwege een beperkt aantal NHP’s en een te lagebetrouwbaarheid van de uitkomsten.Scenario 3: behoudIn het derde scenario kan het huidige onderzoek met NHP’s bij het BPRCdoorgaan. In dit scenario ligt ook de nadruk op de wettelijk vereiste3R-benadering: vervanging, vermindering en verfijning vanNHP-experimenten. Proeven met NHP’s worden echter nog steeds alsessentieel geacht voor bepaalde wetenschappelijke vraagstukken. In ditscenario blijft Nederland onderzoek doen naar infectieziekten die devolksgezondheid bedreigen en andere (levensbedreigende) ziekten. In ditscenario blijft, zoals in alle scenario’s, het onderzoek naar proefdiervrijemodellen doorgaan.Scenario 4: mogelijke toenameIn dit scenario wordt er aanvullend onderzoek met NHP’s bij het BPRCmogelijk. Nederland kan volgens de commissie in Europa pleiten voor hetconcentreren van NHP’s en het BPRC kan daarvoor kandidaat wordengesteld. Dit zou leiden tot een toename van (proeven met) NHP’s inNederland, maar zou een daling van (proeven met) NHP’s in Europa totgevolg moeten hebben.BeleidsreactieHieronder ga ik eerst in op de verschillende scenario’s die de commissieheeft geschetst en vervolgens schets ik mijn uitgebreidere reactie.Scenario 1: afbouwMede gezien de geopolitieke ontwikkelingen en het belang van pande-mische paraatheid vind ik het goed om te benadrukken dat Nederland éénvan de vier primatencentra in Europa en één van de 20 primatencentrawereldwijd heeft die een openbare entiteit is, de eigen proefdieren fokt eneen eigen onderzoeksprogramma onderhoudt. Het BPRC kan daarmeeonafhankelijker van incidentele inkomsten en industriële belangenopereren. Het handhaven van een minimale fokkolonie voor pandemischesituaties heeft alleen zin als daar ook een actieve onderzoekscapaciteit bijwordt gehandhaafd, zoals de commissie constateert. Deze onderzoeksca-paciteit – bestaande uit dierverzorgers, onderzoekers, analisten enlaboratoriumfaciliteiten – dient actief te blijven om snel te kunnen wordeningeschakeld in geval van een pandemie. Het afbouwen van de publiekefinanciering is wat mij betreft daarom nu niet verstandig, onder andereomdat de commissie vaststelt dat NAM’s nog niet volstaan. De commissieconstateert daarnaast dat afbouw van de publieke financieringwaarschijnlijk tot gevolg heeft dat onderzoek met NHP’s in het buitenlandwordt voortgezet. Het wereldwijde NHP-onderzoek zal hierdoor nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 1649 afnemen, terwijl Nederland niet meer zelf de kwaliteit van NHP-faciliteitenkan monitoren en essentiële kennis en ervaring verliest. Ook hebbenandere partijen de mogelijkheid om met andere financieringsbronnenNHP-onderzoek op te zetten in Nederland.Scenario 2: verminderingDe commissie stelt in scenario 2 dat een beleidsmatige keuze moetworden gemaakt welk type onderzoek wel en niet met NHP’s mag wordenuitgevoerd. De commissie stelt ook vast dat de term «levensbedreigendeziekten» in de wetenschappelijke en klinische praktijk niet scherp kanworden afgebakend. Ook is het onzeker wat dit voor gevolgen heeft voorde ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. Ik vind het aan de Neder-landse onderzoekers en beoordelingsautoriteiten zelf om te bepalen welkonderzoek met NHP’s echt noodzakelijk is, na een zorgvuldige toetsing.Meer in algemene zin ben ik zeer terughoudend om vanuit de politiek tebepalen welk onderzoek wel of niet in Nederland plaatsvindt. Ook weegtvoor mij zwaar dat Nederland stevig bijdraagt aan de ontwikkeling vannieuwe geneesmiddelen. Daarnaast is, zoals hierboven beschreven, dehuidige fokkolonie al relatief kleinschalig en kan deze niet veel verderworden teruggebracht zonder het risico op inteelt.Scenario 3: behoudNaast de geopolitieke ontwikkelingen vind ik het van belang dat we inNederland een bijdrage leveren aan onderzoek en innovatie, met namehet bestrijden van (levensbedreigende) ziekten. Het BPRC heeft eenbelangrijke bijdrage geleverd in het testen van SARS-CoV-2-vaccins, maardoet ook onderzoek naar bijvoorbeeld Parkinson, Alzheimer en multiplesclerose. Ik vind het van belang dat, indien het BPRC daarvoor kiest, dittype onderzoek met NHP doorgang kan vinden, zolang dit strikt noodza-kelijk is. Daarnaast moet de nadruk nog blijven liggen op de wettelijkevereiste 3R-benadering: vervanging, vermindering en verfijning vanNHP-experimenten.Scenario 4: mogelijke toenameIn de afgelopen jaren hebben onderzoekers, overheden en anderebetrokkenen in Nederland ingezet op het verminderen van proeven metNHP’s. Het uitbreiden van de mogelijkheden van het BPRC om meer NHP’ste houden en meer proeven met NHP’s uit te voeren, gaat in tegen de lijnvan vermindering die we gezamenlijk hebben ingezet. Wereldwijd zie ikdat het aantal proeven met NHP’s juist toeneemt en dat landen buiten deEU investeren in het bouwen van nieuwe primatencentra uit een behoefteom zelfvoorzienend te zijn. Dit gaat vaak gepaard met een lagerestandaard voor dierenwelzijn. Dit is een onwenselijke ontwikkeling. Ik game inzetten om in Europa te verkennen wat de mogelijkheden zijn omprimatencentra hechter organisatorisch te laten samenwerken eneventueel het NHP-onderzoek op enkele locaties in Europa te bundelen.Dit vanuit de gedachte dat dit kan leiden tot effectiever onderzoek, eenverbetering van het dierenwelzijn en een reductie van het totale aantalNHP-experimenten in Europa.Voorlopig behoud in Nederland, inzet op Europese reductieMet het BRPC hebben we in Nederland een toonaangevende onderzoeks-faciliteit, die internationaal gezien vooroploopt op het gebied vandierenwelzijn. In de afgelopen jaren heeft het BPRC een forse reductiedoorgevoerd van het aantal (proeven met) NHP’s. Ik stel op basis van debevindingen van de commissie vast dat verdere reductie niet of nauwe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 16410 lijks mogelijk is, omdat de populatie genetisch gezond moet blijven omhet instituut effectief te laten opereren.Daarom kies ik nationaal voor de komende vijf jaar voor scenario 3(voorlopig behoud van NHP-onderzoek) en het sterker inzetten op deontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmodellen. De nadruk blijftonverminderd liggen op de wettelijke vereiste 3R-benadering: vervanging,vermindering en verfijning van NHP-experimenten. Bij dit scenario hoortvoor mij nadrukkelijk een blijvende versterking van de positie vanNederland als gidsland voor de ontwikkeling en toepassing van proefdier-vrije onderzoeksmodellen. Dit is van groot belang voor onze ambitie omvolledig zonder proeven op NHP’s af te kunnen.In Europa ga ik me inzetten voor een reductie van het totale aantalNHP-experimenten, met behoud van de Europese strategische autonomieen ten behoeve van excellent wetenschappelijk onderzoek en de pande-mische paraatheid. Dit wil ik doen door in Europa het gesprek aan te gaanover betere samenwerking, waaronder het delen van onderzoeksdata uitNHP-experimenten, specialisatie/profilering van de verschillendeprimatencentra en het stimuleren van de wisselwerking tussen proefdier-vrije onderzoeksmodellen en NHP-onderzoek. Hiervoor ga ik onder andereverkennen of organisatorische samenwerking en eventuele bundeling vanNHP-onderzoek op enkele locaties in Europa haalbaar en wenselijk is.Daarbij zet ik in op het beste primatenonderzoek op de beste plek inEuropa met de hoogste dierenwelzijnstandaarden, zolang proeven opNHP’s nog noodzakelijk zijn.Toekomst proefdiervrijIk ben ervan overtuigd dat de toekomst proefdiervrij moet zijn. Daaromwil ik de komende periode, nog sterker dan de afgelopen jaren, inzettenop de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmodellen, zodat hetNHP-onderzoek, en liefst zo snel mogelijk, niet meer nodig is. Ik wil datNederland voorop blijft lopen in deze transitie en tot de wereldtop behoortop het gebied van proefdiervrij medisch onderzoek door het belangrijkefundamentele onderzoek en de zoektocht naar geneesmiddelen enbehandelmethoden voor levensbedreigende ziektes voort te zetten enversterken.Om deze transitie te bereiken is er meer samenwerking nodig tussenonderzoekers die vooral NHP-onderzoek doen en onderzoekers die NAM’sontwikkelen en toepassen. De commissie schrijft in haar rapport datverscheidene deskundigen van buiten het BPRC aangeven dat hetalternatieven-onderzoek bij het BPRC te geïsoleerd gebeurt. Er is veelwinst te behalen bij meer samenwerking met onder andere universitaireonderzoekers die gespecialiseerd zijn in NAM’s, hetgeen zowel dekwantiteit als kwaliteit van het BPRC onderzoek naar proefdiervrijeonderzoeksmodellen ten goede komt. Andersom kunnen de historische ennieuwe data van NHP-onderzoek, en de ervaring met bewezen en nieuwemethodes van het BPRC, van groter belang zijn voor onderzoekers die aanNAM’s werken. Ik ben voornemens hierover met het BPRC in gesprek tegaan en een nieuw ambitieplan voor de komende vijf jaar op te latenstellen door het BPRC. Ik zal het BPRC vragen om dit plan op te stellen naconsultatie van universitaire onderzoekers en organisaties die eenbelangrijke rol spelen in de transitie naar proefdiervrije onderzoeksmo-dellen, zoals het TPI-programma en Centrum Proefdiervrije BiomedischeTranslatie (CPBT).In het plan moeten afspraken komen te staan over het verder verleggenvan de focus in de richting van nieuwe onderzoeksmodellen, met het oogTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 16411 op een maximale inzet op de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeks-en testmethoden en de uiteindelijke uitfasering van het onderzoek metNHP’s. Onderdeel van de afspraken met het BPRC kan zijn dat een groterdeel van de subsidie van het BPRC aan de ontwikkeling van proefdiervrijeonderzoeks- en testmethoden wordt besteed, waarmee wordt voldaan aande wens van de Kamer zoals geuit in de motie Teunissen10. Ook ga ik ingesprek met NWO en ZonMw, omdat ik het met de commissie eens bendat het goed zou zijn als het BPRC de mogelijkheid krijgt om als hoofdaan-vrager subsidieverzoeken bij NWO en ZonMw in te dienen, in het belangvan de kwaliteit van het onderzoek en betere samenwerking tussen hetBPRC en andere kennisinstellingen.De commissie wijst er op dat de wetenschappelijke ontwikkelingen zo snelgaan dat het niet onwaarschijnlijk is dat de situatie over bijvoorbeeld5–10 jaar weer wezenlijk anders is. Het is daarom goed om over vijf jaaropnieuw een onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de mogelijkheidom het aantal proeven op NHP’s verder te verlagen, zonder dat ditgevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor debestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziektendie de volksgezondheid bedreigen. Op dat moment biedt de term unmetmedical needs wellicht betere houvast om onderscheid te maken in typenziektes, zoals wordt benoemd door de commissie. Hierbij merk ik tevensop dat relevante termen en definities vooral op Europees niveau wordenbepaald. Ik neem de voorstellen van de onderzoekscommissie daarommee in mijn gesprekken op Europees niveau. Zoals gezegd wil ik in detussentijd laten verkennen of organisatorische samenwerking eneventuele bundeling van NHP-onderzoek op enkele locaties in Europahaalbaar en wenselijk is.Aanvullende acties en maatregelenHet rapport van de commissie geeft aanleiding om ook op een aantalandere punten stappen te zetten. De commissie geeft onder andere aandat NAM-onderzoek verder gestimuleerd moet worden hetgeen – geziende recente financiële investeringen – niet zozeer bereikt wordt met meergeld, maar vooral door coördinatie van onderzoeksbeleid, vernieuwingvan de relevante wetenschappelijke opleidingen, en aanpassing van debeoordelingspraktijk. Samen met de partners in het TPI-programma ben ikhiermee aan de slag en blijf ik me hiervoor inzetten.De volgende drie acties zijn inmiddels lopend beleid, zoals eerderbeschreven door de Staatssecretaris van LVVN in zijn brief aan uwKamer.11 Ten eerste heeft het kabinet € 124,5 miljoen (€ 55 miljoenonvoorwaardelijk en € 69,5 miljoen voorwaardelijk) vanuit het NationaalGroeifonds geïnvesteerd in het CPBT. Het CPBT brengt partijen uit degehele ontwikkelingsketen samen, met als doel om proefdiervrijeinnovaties beter hun weg te laten vinden naar de praktijk. Daarnaastworden er waardevolle inzichten opgedaan over de knelpunten diebestaan bij de validatie, kwalificatie, acceptatie en implementatie vanproefdiervrije innovaties. Partijen uit de keten worden geadviseerd engetraind. Dit centrum vormt een belangrijke investering, ook voor devoortrekkersrol die Nederland, binnen Europa, in de versnelling van detransitie naar proefdiervrije innovaties inneemt.Ten tweede wordt er samen met NWO een investering gedaan van€ 3,6 miljoen naar effectieve validatie en acceptatie van proefdiervrije10Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 9611Kamerstukken II 2024/2025, 32 336, nr. 154Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 16412 modellen voor regulatoire testen van chemische stoffen, om zo minderdierproeven noodzakelijk te maken.En ten derde maakt het kabinet zich hard om een voorstel op de EuropeanResearch Area (ERA) beleidsagenda te zetten genaamd «Accelerating newapproach methodologies (NAMs) to advance biomedical research andtesting of medicinal products and medical devices». Een van de doelenvan dit voorstel is om tot Europese afspraken te komen waar NAM’s aanmoeten voldoen voor breed gebruik van veiligheidstesten van geneesmid-delen, fundamenteel- en toegepaste biomedische wetenschap. Dit zodatminder dierproeven nodig zijn.Het verdient volgens de commissie aanbeveling om voor infectieziekten-onderzoek een streefbeeld te ontwikkelen en de al bestaande streef-beelden voor neurowetenschappen en immunologie verder uit te werkenen implementeren. In de streefbeeldbenadering staat niet het vervangenvan NHP-experimenten centraal, maar is de achterliggende onderzoeks-vraag leidend, waardoor ook heel andere onderzoeksstrategieën in zichtkomen, gebruik makend van NAM’s en met minder of geen NHP’s. Ik vinddit een goede suggestie en zal, samen met het Ministerie van LVVN,hierover in gesprek gaan met het Nationaal Comité advies dierproeven.De commissie geeft aan dat de publicatiepraktijk verbeterd kan wordendoor pre-registratie van dierproeven en toepassing van de ARRIVE12richtlijnen te verlangen en zo de kwaliteit, transparantie en beschik-baarheid van onderzoeksdata te verbeteren. Zoals toegezegd in hetcommissiedebat dierproeven van 29 januari jl. ga ik, samen met hetMinisterie van LVVN, in gesprek met NWO en ZonMw over in hoeverre deARRIVE-richtlijnen verplicht kunnen worden bij het gebruik vandierproeven voor wetenschappelijk onderzoek.Tot slotDe commissie heeft met dit rapport laten zien hoe complex het vraagstukvan proeven met NHP’s is. Zowel vanwege de ethische dilemma’s, alsvanwege onzekere internationale factoren en het op sommige onderdelenontbreken van wetenschappelijke consensus. Wat mij ook duidelijk isgeworden is dat het BPRC een vooraanstaand onderzoeksinstituut is, waarkwalitatief hoogwaardig onderzoek wordt gedaan met de NHP alsdiermodel. Zo lang er proeven met NHP’s noodzakelijk zijn, is het BPRCdaar de beste plek voor.Tegelijk ga ik mij maximaal inzetten voor de ontwikkeling van nieuwemodellen voor NHP-onderzoek. Daarin zie ik een belangrijke rol voor hetBPRC, nog vaker in samenwerking met andere kennisinstellingen. Elkekeuze die we in de politiek en maatschappij met elkaar maken over detoekomst van NHP-onderzoek in Nederland, raakt de onderzoekslijnen diehet BPRC met grote precisie en veel toewijding heeft opgezet. Zulkekeuzes moeten we niet lichtvaardig maken.Ik vind het van groot belang dat we nu en in de toekomst de Europesestrategische autonomie borgen en gelijktijdig zorgen voor een reductievan het totaal aantal NHP-experimenten in Europa. Het terugbrengen vanhet aantal proeven op NHP’s is een internationaal vraagstuk en vraagtgoede samenwerking tussen verschillende primatencentra in Europa.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins12ARRIVE staat voor «Animal Research: Reporting of In Vivo Experiments».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 16413 EXPORT BPRCIn het commissiedebat dierproeven van 29 januari jl. heb ik uw Kamertoegezegd bij het BPRC na te gaan hoe vaak er NHP’s worden getranspor-teerd naar het buitenland en wat daar de redenen voor zijn. Het transpor-teren van NHP’s is gebonden aan strenge regels en valt onder deCITES-overeenkomst voor de bescherming van uitheemse diersoorten. Elktransport wordt gemeld aan de NVWA, die daar als competente autoriteitook toestemming voor moet geven.De transportcijfers van NHP’s naar het buitenland vanuit het BPRC warende afgelopen jaren als volgt:Tabel 1. Aantallen NHP transport naar het buitenland vanuit het BPRC.Jaartal202420232022202120202019201820172016Aantal31913427030085 De piek lag met 70 dieren in 2020, tijdens de COVID-pandemie, toen er eenwereldwijd tekort was aan NHP’s. Zowel resusapen, Java-apen, alswitoorpenseelapen zijn de afgelopen jaren getransporteerd naar hetbuitenland. Voornaamste reden voor de export is dat het BPRC in gaat opeen verzoek om proefdieren van internationale (samenwerkende)onderzoeksgroepen.De kolonie witoorpenseelapen is binnen het BPRC over de jaren heenrelatief klein geworden. Omdat het BPRC zich heeft gecommitteerd aan deverkleining van de kolonie naar ongeveer 1.000 NHP’s en er per apensoorteen genetisch voldoende diverse groep van apen beschikbaar moet zijnom inteelt te voorkomen, heeft het BPRC besloten de kolonie witoor-penseelapen in zijn geheel af te bouwen. Het BPRC heeft momenteel nogeen groep van 50 witoorpenseelapen waar dit jaar een bestemming voorwordt gezocht. Het streven is om de witoorpenseelapen een onderzoeks-bestemming te geven bij een onderzoeksinstellingen waar het BPRC meesamenwerkt en waar het dierenwelzijn door het BPRC is beoordeeld enkwalitatief goed is bevonden. Het BPRC heeft mij verzekerd dat er nietspeciaal voor de export wordt gefokt.BIJLAGE 2:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 336, nr. 16414

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6a5a57e9cfa97f92

14 okt 2026 · d74c68e86df50a8e

13 okt 2026 · 1e9821b8bd96d34a

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.