KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de mestcrisis (Kamerstukken 33037-523)

17 apr 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie da082e84bac7df8c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202433 037MestbeleidNr. 533 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 17 april 2024 De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur enVoedselkwaliteit over enkele Kamerbrieven inzake de mestcrisis (Kamer-stukken 33 037, nr. 523, Kamerstuk 33 037, nr. 528 en Kamerstuk 30 525,nr. 152).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 17 april 2024.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De fungerend voorzitter van de commissie,GrausDe adjunct-griffier van de commissie,Lips kst-33037-533ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5331 1Hoe groot was het mestoverschot over 2023 op landelijk niveau (de mestwaar geen plaatsingsruimte voor was als percentage van de totalemestproductie)?2Hoe groot zal het mestoverschot naar schatting zijn op landelijke niveauover 2024 op basis van het huidige reeds ingezette beleid (dus zonderaanvullende maatregelen)?3Hoe groot zal het mestoverschot naar schatting zijn op landelijke niveauover 2025 op basis van het huidige reeds ingezette beleid?4Hoe groot zal het mestoverschot naar schatting zijn op landelijke niveauover 2026 op basis van het huidige reeds ingezette beleid?Antwoord op vragen 1, 2, 3 en 4In Nederland wordt meer mest geproduceerd, en dan gaat het om denutriënten fosfaat en stikstof, dan dat er op Nederlandse landbouwgrondgeplaatst kan worden. Voor een individueel bedrijf die meer mestproduceert dan op eigen grond geplaatst kan worden gaat het om eenbedrijfs- of mestoverschot. Voor een land waarbij ook mest wordtgeïmporteerd en er andere nutriëntenstromen zijn dan mest, en ook mestverwerkt en geëxporteerd wordt gaat het om een nutriëntenbalans. HetNederlands Centrum voor Mestverwaarding (NCM) maakt jaarlijks eeninventarisatie van de balans voor de nutriënten fosfaat en stikstof. Demeest recente inventarisatie is die over het jaar 2022.1 De fosfaatuit-scheiding van het vee in Nederland was in 2022 150,4 miljoen kg en erwas plaatsingsruimte in 2022 voor 137 miljoen kg fosfaat. Daarmee kan13,4 miljoen kg fosfaat niet in Nederland geplaatst worden (8,9% van detotale mestproductie uitgedrukt in fosfaat). In de nationale nutriënten-balans zijn er nog andere factoren van belang, zo is in 2022 46 miljoen kgfosfaat uit dierlijke mest geëxporteerd. De dierlijke mestproductieuitgedrukt in stikstof, en gecorrigeerd voor stikstofverliezen, bedroeg in2022 403,7 miljoen kg stikstof. De plaatsingsruimte voor stikstof uitdierlijke mest was 373 miljoen kg in 2022. Daarmee kon in 202230,7 miljoen kg niet geplaatst worden (7,6% van de totale mestproductieuitgedrukt in stikstof). In de nationale nutriëntenbalans zijn er nog anderefactoren van belang, zo is er in 2022 55,1 miljoen kg stikstof uit dierlijkemest verwerkt of geëxporteerd.In 2023 en daarop volgende jaren neemt de plaatsingsruimte voor stikstofaf door maatregelen die samenhangen met de derogatiebeschikking, teweten de invoering van bufferstroken, de aanwijzing van nutriëntenverontreinigde gebieden en de afbouw van de dierlijke stikstof mestgift opderogatiebedrijven. Het NCM heeft een inschatting gemaakt van deverandering in de mestbalans in de komende jaren.2 In 2024, 2025 en 2026neemt alleen de plaatsingsruimte voor stikstof uit dierlijke mest af, metname door de afbouw van de derogatie. De vermindering van deplaatsingsruimte wordt ingeschat op ongeveer 53 miljoen kg stikstof doormet name de afbouw van de derogatie in 2026 en 12 miljoen kg stikstofdoor de invoering van bufferstroken (reeds ingevoerd). De mestproductiezal met ongewijzigd beleid, naar verwachting op korte termijn onvol-doende dalen om de balans op de mestmarkt te herstellen. Zie hiervoor1Landelijke rapportage en inventarisatie export en verwerking dierlijke mest 2023 (mestverwaar-ding.nl) en Correctie analyse mestmarkt NCM (mestverwaarding.nl).2Notitie gevolgen beleidsmaatregelen op de Nederlandse mestmarkt (mestverwaarding.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5332 ook de Kamerbrief van 5 april jl. met beantwoording van Kamervragenover het plan van aanpak mestmarkt.5Hoe breed zijn de bemestingsvrije stroken langs waterwegen die moetenworden aangehouden op basis van het 7e actieprogramma Nitraat-richtlijn, de derogatiebeschikking, als conditionaliteit voor het Gemeen-schappelijk Landbouwbeleid (GLB) en voor de ecoregeling voor het GLB?AntwoordDe breedte van de op grond van bepalingen in het Besluit activiteitenleefomgeving aan te houden bemestingsvrije stroken langs waterlopenhangt af van a) de breedte van de bufferstrook (volgend uit de derogatie-beschikking) en b) de breedte van de verplichte teeltvrije zone (zie voormeer informatie het Besluit bufferstroken meststoffen, Stb. 2023, nr. 357).Deze bepalingen gelden ook als basisverplichting voor het GLB en deecoregeling.De breedte van de bufferstrook is resp. 5 meter, 3 meter, 1 meter of0,5 meter, afhankelijk van het type waterloop en de oppervlakte van hetperceel. Deze breedtes zijn conform artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, vande derogatiebeschikking. De breedtes voor integrale bufferstroken diewaren opgenomen in het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022–2025zijn met de invoering van de in de derogatiebeschikking voorgeschrevenbufferstroken komen te vervallen (Kamerstuk 33 037, nr. 491).Indien de breedte van de sinds het jaar 2000 aan te houden teeltvrije zonewaarop niet bemest mag worden breder is dan de aan te houdenbufferstrook, geldt de breedte van de teeltvrije zone als bemestingsvrijestrook. De breedte van de teeltvrije zone hangt onder andere af van hettype gewas en de gebruikte spuittechniek voor gewasbeschermingsmid-delen.6Zijn er veehouders die als gevolg van de invoering van de bemestingsvrijebufferstroken ook minder mest zijn gaan produceren? Zo ja, welk aandeeldeed dat (eventueel naar schatting)?AntwoordHet is niet bekend of er veehouders zijn die minder mest zijn gaanproduceren als gevolg van de invoering van de bemestingsvrije buffer-stroken. Voor gegevens over de mestproductie verwijs ik u naar hetantwoord op de vragen 1 tot en met 4 en de Kamerbrief van 5 april jl. metbeantwoording van Kamervragen over het plan van aanpak mestmarkt.7Zijn er veehouders die als gevolg van de afbouw van de derogatie ookminder mest zijn gaan produceren? Zo ja, welk aandeel deed dat(eventueel naar schatting)?AntwoordHet is niet bekend of er veehouders zijn die minder mest zijn gaanproduceren als gevolg van de afbouw van de derogatie. Voor gegevensover de mestproductie verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 1 toten met 4 en de Kamerbrief van 5 april jl. met beantwoording vanKamervragen over het plan van aanpak mestmarkt.8Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5333 Moet Nederland nog volgende actieprogramma’s voor de Nitraatrichtlijnmaken indien Nederland landelijk het doel van maximaal 50 mg nitraatper liter grondwater zou halen?AntwoordUit de Nitraatrichtlijn volgt dat iedere lidstaat, dus ook Nederland, deverplichting heeft om eens in de vier jaar een actieprogramma op testellen, zolang er een risico is op waterverontreiniging vanuit agrarischebronnen. Het actieprogramma bevat maatregelen om water verontrei-niging uit agrarische bronnen tegen te gaan, maar ook maatregelen om tevoorkomen dat water vanuit agrarische bronnen verontreinigd wordt.Voor grondwater geldt de norm van maximaal 50 mg nitraat per liter. Vooroppervlaktewater moeten maatregelen worden genomen om eutrofiëringvan oppervlaktewater te verminderen en voorkomen. Uit de Nitraat-richtlijn volgt dus dat een actieprogramma moet worden opgesteld,zolang er een risico is op waterverontreiniging door agrarische bronnen.9Klopt het dat de dierlijke bemestingsnormen voor alle gewassen gelden(dus grasland en akkerbouw), maar dat de totale bemestingsnormenvariëren afhankelijk van het gewas? Tussen welke waarden variëren detotale bemestingsnormen?AntwoordHet klopt dat de gebruiksnorm voor (alleen) dierlijke mest voor allegewassen en grondsoorten hetzelfde is, namelijk maximaal 170 kg stikstofuit dierlijke mest per hectare. De totale bemestingsnormen (dierlijke mesten kunstmest samen) voor stikstof (de stikstofgebruiksnormen) variëreninderdaad per gewas en ook per grondsoort. Deze variëren tussen de25 en 385 kg stikstof per hectare per jaar. Ook zijn er fosfaatgebruiks-normen (dit zijn ook totaalnormen voor dierlijke mest en stikstof samen)welke afhankelijk zijn van de hoeveelheid fosfaat in de bodem, variërendtussen de 40 en de 120 kg fosfaat per hectare. Deze stikstof- en fosfaatge-bruiksnormen kunnen overigens ook de totale hoeveelheid dierlijke mestdie mag worden gebruikt begrenzen, onder de 170 kg stikstof per hectare.10Als in 2026 overal de bemestingsnorm van 170 kg stikstof per hectaregeldt, voor de mest van hoeveel minder melkkoeien is er dan plaatsings-ruimte ten opzichte van 2022?AntwoordDe afbouw van de mogelijkheid voor bedrijven om een derogatie aan tevragen leidt tot een geleidelijke verlaging van de plaatsingsruimte3. Intotaal gaat dit om een afname van ongeveer 52 miljoen kg stikstofplaatsingsruimte. De stikstofexcretie verschilt per melkkoe en is afhan-kelijk van bedrijfsvoering en management. Het NCM heeft becijferd dat52 miljoen kg stikstof overeenkomt met zo’n 12 miljoen ton drijfmest of demestproductie van circa 400.000 melkkoeien4.Vraag 11Naar welke niveaus worden de mestexcretieplafonds verlaagd in 2024 enwelk krimppercentage is dat ten opzichte van 2023?Antwoord3Van 2022 naar 2026 in het centraal en zuidelijke zandgebied en het lössgebied een afname van230 kg stikstof per hectare naar 170 kg stikstof per hectare en in de rest van Nederland van250 kg stikstof per hectare naar 170 kg stikstof per hectare.4Notitie gevolgen beleidsmaatregelen op de Nederlandse mestmarkt (mestverwaarding.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5334 In de Kamerbrief van 5 december 2023 (Kamerstuk 33 037, nr. 523) heb iktoegelicht dat uit de derogatiebeschikking volgt dat de nationale mestpro-ductie vanaf 2022 niet hoger mag zijn dan de mestproductie in 2020(respectievelijk 489,4 miljoen kg stikstof en 150,7 miljoen kg fosfaat).Dit op grond van de derogatiebeschikking geldende mestproductieplafondis opgenomen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Stcrt. 2023,nr. 34916). Dit plafond geldt ook in 2024. Vanaf 2025 geldt een lagermestproductieplafond. De mestproductie zal eind 2025 met zo’n 10%moeten zijn verlaagd ten opzichte van 2020, te weten tot respectievelijk440,0 miljoen kg stikstof en 135,0 miljoen kg fosfaat. Er zijn geen jaarlijksekrimpopgaven vastgesteld.12Naar welke niveaus worden de mestexcretieplafonds verlaagd in 2025 enwelk krimppercentage is dat ten opzichte van 2024?AntwoordVanaf 2025 moet de nationale mestproductie met ongeveer 10% verlaagdworden ten opzichte van de mestproductie in 2020, tot respectievelijk440,0 miljoen kg stikstof en 135,0 miljoen kg fosfaat. Ik verwijs u verdernaar de beantwoording van vraag 11.13Naar welke niveaus worden de mestexcretieplafonds verlaagd in 2026 enwelk krimppercentage is dat ten opzichte van 2025?AntwoordPer 1 januari 2025 wordt het nationale mestproductieplafond vastgesteldop 440,0 miljoen kg stikstof en 135,0 miljoen kg fosfaat. Voor 2026 is ergeen verdere verlaging van het mestproductieplafond voorzien.14Klopt het dat om te kunnen voldoen aan de verlaagde mestexcretiepla-fonds de enige maatregelen het proberen te sturen op het veevoer endoor minder dieren te houden, zijn?AntwoordVermindering van de mestproductie kan worden bereikt door onderandere vermindering van het aantal gehouden dieren en het verlagen van(1) het fosfaatgehalte in de voeders en (2) het aandeel ruw eiwit in hetrantsoen, waardoor de uitstoot van fosfaat en stikstof in de mest verlaagdwordt.15Met welk percentage zou het aantal melkkoeien moeten krimpen in 2024om onder de mestplafonds voor dit jaar te blijven (als wordt gekozen ditvia krimp te bereiken)?AntwoordIn 2024 geldt het mestproductieplafond zoals nu opgenomen in deUitvoeringsregeling Meststoffenwet (respectievelijk 489,4 miljoen kgstikstof en 150,7 miljoen kg fosfaat). In de Kamerbrief van 16 februari 2024(Kamerstuk 33 037, nr. 528) heb ik u geïnformeerd over de publicatie vande Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest – vierde kwartaal2023 door het CBS. Op basis hiervan is de verwachting dat de mestpro-ductie in 2023 onder het huidige mestproductieplafond blijft. Naarverwachting blijft ook in 2024 de mestproductie onder het huidigmestproductieplafond.16Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5335 Met welk percentage zou het aantal melkkoeien moeten krimpen in 2025om onder de mestplafonds voor dat jaar te blijven?AntwoordDe verlaging van het nationale mestproductieplafond per 2025 leidt ertoedat de mestproductie, uitgedrukt in kilogrammen stikstof en fosfaat,verder verlaagd moet worden om onder het mestproductieplafond teblijven. Op basis van de meest recente cijfers van het CBS is deverwachting dat de mestproductie in 2023 hoger is (ongeveer 31 miljoenkg stikstof en 11 miljoen kg fosfaat) dan het in 2025 geldende mestproduc-tieplafond. Dit betekent dat de excretie bij een ongewijzigde mestpro-ductie in 2025 voor zowel stikstof (circa 6,6%) als voor fosfaat (circa 7,5%),ten opzichte van 2023, op nationaal niveau omlaag moet.Het mestproductieplafond wordt verdeeld over de sectoren, waarbij voorde sectoren melkvee, varkens en pluimvee een eigen, sectoraal mestpro-ductieplafond geldt. Daarnaast moet er onder het nationale plafondruimte zijn voor de overige diercategorieën. De huidige sectorplafonds(geldend vanaf 2022) zijn vastgesteld op het niveau van de mestproductiein die sectoren in 2020.Voor de doorvertaling van het per 2025 geldende verlaagde nationalemestproductieplafond in sectorale mestproductieplafonds per 2025 zijnmeerdere keuzes te maken. Ik verwijs u hiervoor naar de Kamerbrief van5 april jl. met beantwoording Kamervragen over het plan van aanpakmestmarkt.17Met welk percentage zou het aantal melkkoeien moeten krimpen in 2026om onder de mestplafonds voor dat jaar te blijven?AntwoordHet mestproductieplafond in 2026 is naar verwachting gelijk aan hetmestproductieplafond in 2025 (respectievelijk 440,0 miljoen kg stikstof en135,0 miljoen kg fosfaat). Ik verwijs u hierover naar de beantwoording vande vragen 13 en 16.18Hoe lang leven melkkoeien gemiddeld voordat deze koeien wordengeslacht?AntwoordDe gemiddelde levensduur van een Nederlandse melkkoe is circa vijf jaaren acht maanden.19Indien wordt gekozen om de krimppercentages uit de hierbovengenoemde vragen (om onder de mestplafonds te blijven) op eendiervriendelijke manier te bereiken, dus door minder dieren te fokken enniet te kiezen voor vervroegde slacht, welk percentage melkkoeien zou erdan in 2024 minder gefokt moeten worden om onder de mestplafonds teblijven?AntwoordNaar verwachting zal in 2024 het nu geldende mestproductieplafond nietworden overschreden en zijn er geen gevolgen voor het aantal gehoudendieren.20Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5336 Als vervolgens voor 2025 en 2026 op dezelfde manier aan de mestpla-fonds zou worden voldaan, welke percentages minder melkkoeien zoudener dan moeten worden gefokt in 2025 en 2026?21Wat is het effect van de fokbeperkingen genoemd in bovenstaande vragenop de totale melkproductie in 2024, 2025 en 2026?Antwoord op vragen 20 en 21De per 2025 geldende sectorplafonds zijn nog niet vastgesteld. Het isdaarom niet mogelijk om aan te geven hoeveel de mestproductie vanmelkkoeien verlaagd moet worden. Verder merk ik op dat het minderfokken of eerder laten slachten van dieren ondernemerskeuzes zijn. Ikverwijs hiervoor ook naar de Kamerbrief van 5 april jl. met beantwoordingKamervragen over het plan van aanpak mestmarkt.22Klopt het dat de komende verlagingen van de mestplafonds gelden voorde nationale plafonds en dus niet sectoraal worden voorgeschreven? Bentu voornemens om de mestplafonds voor de verschillende dierlijkesectoren evenredig te laten krimpen? Zo nee, op welke manier verdeelt ude krimp dan?AntwoordIn de derogatiebeschikking is de maximale hoeveelheid dierlijke mest,uitgedrukt in stikstof en fosfaat, opgenomen die in Nederland magworden geproduceerd in 2025. Het is aan Nederland om de sectoraleplafonds daarmee in overeenstemming te brengen. De verdeling van deverlaging over de verschillende sectorale plafonds moet nog bepaaldworden.23Klopt het dat dus ook door krimp van het aantal varkens, kippen en desector «overig» kan worden voldaan aan de verlaagde mestplafonds?AntwoordJa, dat klopt.24Stel dat wordt gekozen om volledig door krimp van het aantal varkens tevoldoen aan het verlaagde mestplafond voor 2024 en dat dit op diervrien-delijke manier gebeurt door minder varkens te fokken, welk percentagevarkens zou er dan in 2024 minder gefokt moeten worden om onder demestplafonds te blijven?AntwoordZie het antwoord op vraag 19. Naar verwachting zal in 2024 het nugeldende mestproductieplafond niet worden overschreden.25Als vervolgens voor 2025 en 2026 op dezelfde manier aan de mestpla-fonds zou worden voldaan, welke percentages minder varkens zouden erdan moeten worden gefokt in 2025 en 2026?AntwoordZoals in het antwoord op vraag 16 aangegeven, is op basis van CBS cijfersde verwachting dat de huidige mestproductie met ongeveer 31 miljoen kgstikstof en 11 miljoen kg fosfaat moet worden verminderd om onder het in2025 geldende mestproductieplafond van 440 miljoen kg stikstof en135 miljoen kg fosfaat te komen. De mestproductie door de varkenshou-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5337 derij komt volgens het CBS in 2023 waarschijnlijk uit op 85,2 miljoen kgstikstof en 33,1 miljoen kg fosfaat. Als de noodzakelijke vermindering vande mestproductie volledig ten laste komt van de varkenshouderij, danbetekent dit dat de mestproductie van varkens wat de stikstofopgavebetreft met ca. 36% verminderd zou moeten worden en wat betreft defosfaatopgave met ca. 33%. Dit is echter een rekenkundige exercitie,aangezien de per 2025 geldende sectorplafonds nog vastgesteld moetenworden.26Stel dat wordt gekozen om volledig door krimp van het aantal kippen tevoldoen aan het verlaagde mestplafond voor 2024 en dat dit op diervrien-delijke manier gebeurt door minder kippen te fokken, welk percentagekippen zou er dan in 2024 minder gefokt moeten worden om onder demestplafonds te blijven?AntwoordNaar verwachting wordt het mestproductieplafond in 2024 nietoverschreden. Zie het antwoord op de vragen 19 en 24.27Als vervolgens voor 2025 en 2026 op dezelfde manier aan de mestpla-fonds zou worden voldaan, welke percentages minder pluimvee zouden erdan moeten worden gefokt in 2025 en 2026?AntwoordZoals in het antwoord op vraag 16 aangegeven, is op basis van CBS cijfersde verwachting dat de huidige mestproductie met ongeveer 31 miljoen kgstikstof en 11 miljoen kg fosfaat moet worden verminderd om onder het in2025 geldende mestproductieplafond van 440 miljoen kg stikstof en135 miljoen kg fosfaat te komen. De mestproductie door de pluimveehou-derij komt volgens het CBS in 2023 waarschijnlijk uit op 53,3 miljoen kgstikstof en 22,4 miljoen kg fosfaat. Als de noodzakelijke vermindering vande mestproductie volledig ten laste komt van de pluimveehouderij, danbetekent dit dat de mestproductie van pluimvee wat de stikstofopgavebetreft met ca. 58% verminderd zou moeten worden en wat betreft defosfaatopgave met ca. 49%. Dit is echter een rekenkundige exercitie,aangezien de per 2025 geldende sectorplafonds nog vastgesteld moetenworden.28Indien geen aanvullend (diervriendelijk) beleid wordt gevoerd om onderde verlaagde mestplafonds te komen, welke consequenties heeft dat alsaan het eind van 2024 de mestplafonds worden overschreden? Moet danelke melkveehouder een bepaald percentage van zijn melkkoeienvervroegd naar de slacht sturen? Om welk percentage zou dat naarschatting gaan?AntwoordNaar verwachting wordt het mestproductieplafond in 2024 nietoverschreden. Zie het antwoord op de vragen 15 en 19.29Is de alternatieve consequentie dat de derogatie direct per 2025 zouvervallen?AntwoordIn 2024 wordt het mestproductieplafond naar verwachting nietoverschreden, het plafond in 2025 bij ongewijzigde mestproductie wel. In2026 is vast te stellen of het mestproductieplafond in 2025 isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5338 overschreden. In dat geval zullen conform de Meststoffenwet (andere)maatregelen getroffen moeten worden om onder het mestproductie-plafond van 2025 te komen. Niet voldoen aan de voorwaarden van dederogatiebeschikking kan de derogatie (de uitzondering op de gebruik-snorm van maximaal 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare) op hetspel zetten. Nederland voldoet dan immers niet aan de voorwaardenwaaronder de derogatie is verleend. Ook kan de Europese Commissie eeninfractieprocedure starten. Het is onbekend hoe de EC zal handelen indienhet mestproductieplafond wordt overschreden.30Klopt het dat ook wanneer de derogatie is vervallen de mestplafonds in dewet blijven staan? Wat is in dat geval de consequentie wanneer demestplafonds worden overschreden na het vervallen van de derogatie?AntwoordVoor het wetsvoorstel waarin ter implementatie van de derogatiebe-schikking de per 2025 geldende plafonds worden vastgelegd, verwijs ik unaar de Kamerbrief van 5 april jl. met beantwoording Kamervragen overhet plan van aanpak mestmarkt (Aanhangsel Handelingen II 2023/24,nr. 1436). Na afloop van de derogatiebeschikking is de hoogte van demestproductieplafonds in beginsel een nationale keuze. Het is echteraannemelijk dat de EC de plafonds ziet als een structurele maatregel dienodig is voor het behalen van de doelen van de Nitraatrichtlijn. Bijterugdraaien van de plafonds is het dan ook mogelijk dat de EC deplafonds daarvoor opnieuw of op andere wijze als maatregel zalafdwingen, zoals in het kader van het 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn.31Uit welke wetenschappelijke studies blijkt dat stikstof uit dierlijke mestmeer af- en uitspoelt naar het water dan stikstofkunstmest?AntwoordIn de afgelopen jaren is een aantal studies uitgevoerd naar de uitspoelingvan dierlijke mest versus kunstmest in de Nederlandse omstandigheden.Uit geen van deze studies is onomstotelijk gebleken dat stikstof uitdierlijke mest meer af- en uitspoelt naar het water dan stikstofkunstmestof vice versa.Een literatuurstudie uit 20175 gaat in op het gedrag van verschillendevormen van stikstof uit kunstmest en dierlijke mest. De CommissieDeskundigen Meststoffenwet (CDM) is naar aanleiding van deze studiegevraagd om een review te geven6. Naar het oordeel van de CDM geeft destudie uit 2017 onvoldoende bewijs voor de stelling dat korte-termijnnitraatuitspoeling (tijdens het groeiseizoen) op gemaaid grasland hoger isbij gebruik van de veelgebruikte kunstmestvorm kalkammonsalpeter(KAS) dan bij gebruik van rundveedrijfmest. Er is ook onvoldoende bewijsgeleverd voor de stelling dat vervanging van stikstof uit dierlijke mestdoor een equivalente hoeveelheid werkzame stikstof uit KAS tot eentoename van het risico van nitraatuitspoeling leidt. De CDM onderschrijftde conclusie dat vervanging van KAS door runderdrijfmest bij snijmaïs toteen hoger risico op nitraatuitspoeling leidt dan bemesting met enkel KAS,vooral vanwege de relatief korte stikstofopnameperiode van snijmaïs.5de Boer, H. (2017). Nitrate leaching from liquid cattle manure compared to synthetic fertilizerapplied to grassland or silage maize in the Netherlands. (Wageningen Livestock Researchrapport; No. 1055). Wageningen Livestock Research. https://doi.org/10.18174/425920.6https://www.wur.nl/upload_mm/7/8/3/777430d4-0061-468c-b400-c63239e596f3_1732345_Oene%20Oenema%20bijlage%201.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5339 In 2020 is een tweejarig praktijkonderzoek uitgevoerd7. Vervanging van60% van de plantopneembare stikstof uit kunstmest KAS door runder-drijfmest gaf, in deze studie een aanzienlijk lagere nitraatuitspoeling ondergrasland, zowel na een droog als een «nat» groeiseizoen, met de grootsteverlaging na het droge seizoen.Momenteel wordt gewerkt aan de rapportage van een onderzoek naar derelatie tussen organische stof en uitspoeling8. In het onderzoek zijndierlijke mestsoorten (rundveedrijfmest, varkensdrijfmest, digestaat vanrundveedrijfmest) vergeleken met kunstmest op maaigrasland. Derapportage wordt dit voorjaar verwacht.32Wat is het energetisch rendement van mono-mestvergisting?33Wat is het energetisch rendement van co-vergisting?Antwoord op vragen 32 en 33Het energetisch rendement van vergisters varieert sterk. Dit is afhankelijkvan het specifieke ontwerp van de installatie, waarbij het afhangt van debiogrondstoffen die worden gebruikt, de temperatuur waarbij vergistingplaatsvindt, het wel of niet aanwezig zijn van warmte terugwinning bij deopwerking van biogas naar groen gas en de wijze waarop de vergistings-installatie wordt verwarmd. Ter indicatie kan worden gekeken naar deaannames die worden gedaan in de regeling Stimulering DuurzameEnergieproductie en Klimaattransitie (SDE++), waarbij het PlanbureauLeefomgeving (PBL) ervanuit gaat dat groen gas installaties voorzien inhun interne warmtevraag door een gedeelte van het geproduceerdebiogas te verstoken (voordat dit eventueel wordt opgewerkt tot groengas). Binnen deze regeling zijn inschattingen gemaakt over het percentagebiogas dat hiervoor nodig is. Voor allesvergisting/co-vergisting gaat hetdan om 5% van de biogasproductie, voor grote mestvergisters om 25%van de biogasproductie en voor kleine mestvergisters om 30% van debiogasproductie.34Klopt het dat voor en na vergisting de hoeveelheid stikstof en fosfaat in demest gelijk is en dus niet «verdwijnt»?AntwoordJa, de nutriënten stikstof en fosfaat die in de mest een vergister ingaan,zijn ook na de vergisting nog aanwezig. Het product dat na vergistingoverblijft wordt digestaat genoemd.35Welke delen van de mest nemen wél aanzienlijk af door vergisting? Is datonder andere water?AntwoordDigestaat bevat minder maar wel stabielere organische stof (OS) en wordtin de landbouw toegepast als organische mest. Digestaat is vloeibaarder7de Boer, H., van Mullekom, M., van Doorn, J., & Smolders, F. (2022). Nitraatuitspoeling uitgemaaid grasland op uitspoelingsgevoelige zandgrond: Effecten van strooien van zeoliet envervanging van kunstmest KAS door rundveedrijfmest. (Rapport / Wageningen LivestockResearch; No. 1394). Wageningen Livestock Research. https://doi.org/10.18174/579074.8https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/onderzoeksprojecten-lnv/soorten-onderzoek/kennisonline/organische-stof-en-uitspoeling.htm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53310 dan drijfmest, doordat organische stof is afgebroken9. De nutriëntencon-centratie is vergelijkbaar.36Is er bewijs dat er op een «natuurlijke» manier amfetamine kan ontstaantijdens mestvergisting?AntwoordIn een door de groen gassector opgesteld informatiedocument10 blijkt datniet uitgesloten is dat de amfetamine is ontstaan tijdens of na devergisting. Het is daarom van belang dat het onderzoek hiernaar wordtvoortgezet, zodat hierover wetenschappelijk meer duidelijkheid wordtverkregen.37Welk percentage van de geproduceerde mest (eventueel naar schatting)wordt geëxporteerd? Welk deel hiervan is onverwerkte mest en welk deelis verwerkt, bijvoorbeeld door mestvergisting?AntwoordMest wordt grotendeels verwerkt geëxporteerd (door hygiënisatie oftewelverhitten in combinatie met scheiden, korrelen, composteren, export vanas na verbranding) en in mindere mate onverwerkt geëxporteerd. Dehoeveelheid mest die wordt geëxporteerd wordt uitgedrukt in gewicht ofin nutriënten fosfaat en stikstof11. Er wordt meer fosfaat geëxporteerd (46miljoen kg in 2022, 30% van de totale fosfaatexcretie) dan stikstof(50,1 miljoen kg stikstof in 2022, 12% van de totale stikstofexcretie zonderstikstofverliezen in de stal en bij opslag). De mestverwerkingsplicht isgericht op de export van fosfaat.Ongeveer 12 miljoen kg fosfaat wordt als onverwerkte mest geëxporteerdmet een diergezondheidscertificaat, dit betreft voornamelijk pluim-veemest12.38Welk percentage van het digestaat dat uit mestvergisters komt, wordtmomenteel in Nederland op het land gebruikt voor bemesting? Welkpercentage wordt geëxporteerd?AntwoordDit is niet bekend, deze informatie wordt niet bijgehouden.39Naar welke landen wordt mest geëxporteerd en in welke percentages?AntwoordMest wordt naar omliggende landen geëxporteerd (Frankrijk, Duitsland enBelgië). De meeste mest wordt geëxporteerd naar Frankrijk gevolgd doorDuitsland. In het jaar 2022 ging, uitgedrukt in hoeveelheden fosfaat, een9Zie hierover bijvoorbeeld «Toepassing van digestaat in de landbouw: bemestende waarde enrisico’s», van Geel en Van Dijk 2013, https://edepot.wur.nl/280427.10Informatiedocument Amfetamine vergisters (platformgroengas.nl).11Zie hierover de laatste inventarisatie van het Nederlands Centrum voor Mestverwaarding(NCM) «Landelijke rapportage en inventarisatie export en verwerking dierlijke mest»,beschikbaar op: Landelijke rapportage en inventarisatie export en verwerking dierlijke mest2023 (mestverwaarding.nl).12«Landelijke rapportage en inventarisatie export en verwerking dierlijke mest», NCM 2023,p. 36.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53311 derde deel van de geëxporteerde mest naar Frankrijk en een vijfde deelnaar Duitsland13.40Aan welke eisen qua productiemethode of samenstelling moet verwerktemest voldoen om te voldoen aan de definitie voor Recovered Nitrogenefrom Manure (RENURE)?AntwoordHet is nog niet bekend welke eisen de EC gaat stellen aan RENURE. Wel isdoor het Joint Research Centre (JRC) van de Europese Commissie (EC)een uitgebreide studie14 gedaan naar RENURE. Dit rapport biedt een kadervoor het stellen van eisen qua productiemethode en samenstelling vanRENURE.41Klopt het dat het bij de zuiverheid van RENURE gaat om de stikstofwer-kingscoëfficiënt, die zo hoog mogelijk moet zijn? Zo nee, wat bepaalt dande uitspoelingsgevoeligheid?AntwoordDe kwaliteit van RENURE wordt bepaald aan de hand van twee criteria:het aandeel minerale stikstof op het totale stikstofgehalte is 90% of hogerof de verhouding van organische koolstof op het totale stikstofgehalte isdrie of lager. Deze twee criteria maken dat RENURE sterk lijkt op kunst-mestproducten, waarvan bekend is dat de stikstofwerkingscoëfficiënthoog is. Voor RENURE is een werkingscoëfficiënt van 100% voorzien,gelijk aan de werkingscoëfficiënt van kunstmest. De werkingscoëfficiënt isechter niet één op één te koppelen aan de uitspoelingsgevoeligheid. Eenlagere werkingscoëfficiënt kan ook veroorzaakt worden door gasvormigeverliezen of nawerking van de meststof en is hiermee dus niet uitsluitendgekoppeld aan uitspoeling naar het grondwater.42Is er momenteel een kwaliteitskeurmerk voor RENURE dat waarborgt datde samenstelling overeenkomt met de kwaliteit van kunstmest?AntwoordEr is op dit moment geen actief kwaliteitskeurmerk. Wel wordt onderleiding van het NCM door KIWA gewerkt aan een kwaliteitssysteem voorRENURE. Dit kwaliteitssysteem wordt uitgewerkt in samenwerking methet Ministerie van LNV en uitvoerende/handhavende diensten, sectorpar-tijen en ketenpartijen. Het uitwerken van dit kwaliteitssysteem is op ditmoment in de afrondende fase.43Hoeveel energie kost het om één ton stikstofkunstmest te produceren?Hoeveel kost één ton stikstofkunstmest momenteel?44Hoeveel energie kost het om één ton digestaat na vergisting zó teverwerken dat het qua zuiverheid en uitspoelingsgevoeligheid verge-lijkbaar is met kunstmest? Hoeveel zou een boer moeten betalen voor éénton van een dergelijk zuivere RENURE?4513«Landelijke rapportage en inventarisatie export en verwerking dierlijke mest», NCM 2023,p. 32–33.14https://publications.jrc.ec.europa.eu/repository/handle/JRC121636.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53312 Hoeveel broeikasgassen en stikstof worden gemiddeld uitgestoten bijtransport en productie van RENURE en hoe verhoudt dat zich tot deproductie van kunstmest?Antwoord op de vragen 43, 44 en 45In energie- en emissietermen zijn deze vragen moeilijk te beantwoorden,aangezien aardgas in het productieproces van het maken van kunstmestniet als energiehouder, maar als grondstof wordt gebruikt. Het JRC geeftin de studie naar RENURE wel een indruk van de klimaatimpact van tweeproductieprocessen in uitstoot in CO2-equivalenten. Het JRC concludeertdat de productie van herwonnen stikstofmeststoffen uit dierlijke mest(RENURE-meststoffen) kan worden geassocieerd met productie-emissies(0,54 tot 1,3 kg CO2-equivalenten per kg N). Deze is lager dan de drie kgCO2-equivalenten per kg N voor de productie van kunstmest zoalsvastgelegd in het sectorale referentiedocument over beste milieumanagementpraktijken. Overigens geldt dit alleen bij regionale toepassingvan deze kunstmestvervangers. Als de meststoffen over een grotereafstand getransporteerd worden, is de klimaatimpact groter.De prijs van stikstofkunstmest kan sterk variëren en wordt beïnvloed doorverschillende variabelen zoals vraag en aanbod, bouwplannen engasprijzen. Daarnaast is de prijs afhankelijk van het type stikstof-kunstmest. In december 2023 lag de prijs van de verschillende stikstof-kunstmeststoffen tussen de € 30,20 en de € 52,15 per 100 kg stikstof-kunstmest. Deze prijzen reflecteren de ontwikkeling van de prijsgedurende de maanden maart tot en met december 2023, maar zijn bijnaeen halvering ten opzichte van het jaar ervoor (in 2022 varieerden deverschillende stikstofkunstmeststofprijzen tussen de € 67,25 tot € 98,75per 100 kg stikstofkunstmest)15.Factoren die van invloed zijn op de prijsvorming van RENURE zijn onderandere: stikstofgehalte, samenstelling, regionale vraag en aanbod ensector van productie. Een hoger stikstofgehalte, ofwel een geconcen-treerder product geeft een hogere prijs. Waar RENURE in de range van8–80 kg N per ton product zit, is dat bij kunstmest (kalkammonsalpeter)wel 270 kg N per ton. Een samenstelling met meerdere nutriënten ofsporenelementen naast stikstof geeft ook een hogere prijs. Daarnaast isde regio en sector van productie van belang. Waar RENURE concurreertmet de kunstmestprijs wanneer RENURE-producten extern wordenafgezet, kunnen deze producten mogelijk ook op bedrijfsniveau wordengeproduceerd en toegepast. Bij een mestproducerend bedrijf, eenveehouder, kan naast de prijs van het eindproduct ook de minderprijsvoor mestafzet een belangrijke rol spelen. Samenvattend is de prijs vanRENURE producten verschillend, waarbij veel factoren van invloedkunnen zijn op de prijsvorming. De inschatting van NCM is dat de kostenvan 1 kg N in RENURE 50–75% van de kosten van 1 kg N in kunstmestbedragen.46Wat zijn de afvalproducten/reststromen die ontstaan bij de productie vanRENURE en wat wordt hiermee gedaan?AntwoordOp dit moment zijn er hoofdzakelijk twee type productieprocessen om tekomen tot RENURE.Het eerste proces betreft het strippen van ammoniak uit een meststof,door de ammoniak te binden aan een zuur. In het geval van zwavelzuurontstaat dan ammoniumsulfaat, dit is de RENURE meststof. Er blijft dan15Bron: https://agrimatie.nl/Prijzen.aspx?ID=15125.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53313 gestripte mest over, dit is een meststof met onder andere organische stof,kali, fosfaat en stikstof, waarbij die laatste in lagere gehalten voorkomt,omdat deze voor een deel is gestript met een zuur.Het tweede proces betreft het concentreren van mest. Hier vindt veelaleen mechanische scheidingsstap plaats, waarbij een dikke en een dunnefractie ontstaan. De dikke fractie is een meststof met onder andereorganische stof, kali, fosfaat en stikstof. De dikke fractie bevat relatief veelorganische stof en fosfaat. De dunne fractie wordt veelal verder geconcen-treerd door omgekeerde osmose toe te passen, hierbij ontstaat schoonwater. Daarnaast blijft de geconcentreerde dunne fractie over, dit is deRENURE meststof. Het schone water kan geloosd worden op hetoppervlaktewater. De ontstane meststoffen, de dikke fractie en deRENURE-meststof kunnen, mits toegelaten, als meststof worden ingezet.47Ontstaat er geurhinder bij de productie of toepassing van RENURE?AntwoordHet is mogelijk dat er geurhinder ontstaat bij de productie en deaanwending van RENURE. Het is aan het bevoegd gezag om dit vast testellen, vaak is dit de omgevingsdienst. Wanneer geur ontstaat bij deproductie van RENURE die plaatsvindt in een gesloten hal, kan de luchtworden gereinigd. Voor emissies bij opslag en bij aanwending geldt datdeze moeten worden voorkomen/geminimaliseerd om hinder tevoorkomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld door eisen te stellen aan de opslagen/of de manier van aanwenden.48Wat is de nawerking van RENURE in vergelijking met dierlijke mest enkunstmest?AntwoordZoals in het antwoord bij vraag 41 aangegeven is een werkingscoëfficiëntvan 100% voorzien voor RENURE. Deze is daarmee gelijk met die vankunstmest, waardoor in principe geen nawerking wordt voorzien. Vandierlijke mest is het bekend dat wel nawerking kan optreden doordatorganische stikstof over langere tijd wordt afgebroken en daarmee involgende groeiseizoenen beschikbaar komt voor opname door de plant.Omdat RENURE minder organische stof bevat zal de nawerking dus lagerzijn dan bij dierlijke mest.49Welke belemmeringen zijn er momenteel om RENURE toe te passenonder de norm voor dierlijke mest?AntwoordEr zijn momenteel geen beperkingen om RENURE toe te passen onder degebruiksnorm voor dierlijke mest, mits de voorwaarden die zijnopgenomen in de Meststoffenwet en de daarop gebaseerde regelgevingen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving in acht worden genomen.50Wat zal het te verwachten effect zijn (positief of negatief) van het toestaanvan RENURE als kunstmest op het behalen van de doelen van deNitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water?AntwoordDit effect zal naar verwachting neutraal zijn. Als uitwerking van het 6eActieprogramma Nitraatrichtlijn (2018–2021) is Nederland twee groteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53314 praktijkpilots gestart waarin diverse grote mestverwerkende bedrijvenparticiperen. Binnen de pilot Mineralenconcentraat en de pilot Kunstmest-vrije Achterhoek zijn praktijkproeven gedaan die laten zien dat productendie voldoen aan een aantal essentiële kwaliteitscriteria, zoals de RENURE-criteria (o.b.v. het JRC-rapport) en de kwaliteitseisen die beschreven staanin de nieuwe Europese Meststoffenverordening, niet leiden tot meernitraatuitspoeling ten opzichte van kunstmest.51Wat zal het te verwachten effect (positief of negatief) zijn van het toestaanvan RENURE als kunstmest op de omvang van de veestapel in Nederlanden het behalen van de stikstof- en klimaatdoelen voor de landbouw?AntwoordHet toestaan van RENURE heeft geen directe relatie met de omvang vande veestapel. Het effect van het toestaan van RENURE is afhankelijk vande wijze van toelating door de EC en de gestelde voorwaarden. Het effectvoor stikstof en klimaat is pas in beeld te brengen als het voorstel van deEC voor toelating bekend is.52Heeft u een wetenschappelijke onderbouwing dat de derogatie die in 2024en 2025 nog geldt, het behalen van de doelen uit de Kaderrichtlijn Waterniet in de weg staat? Zo ja, kunt u die delen? Zo nee, waarom heeft u ditniet onderzocht?AntwoordDe derogatiebeschikking16 bevat een aantal maatregelen die alsvoorwaarde zijn gesteld voor de ruimere toepassing van dierlijke mest. Deecologische effecten van deze maatregelen zijn doorgerekend door deCDM en met de Tweede Kamer gedeeld17. Hieruit blijkt dat de maatre-gelen uit de derogatiebeschikking zorgen voor verbetering van degrondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit en daarmee tevens bijdragenaan de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Bijvoorbeeld geldt voorderogatiebedrijven ook dat minimaal 80% van het areaal van derogatiebe-drijven grasland moet zijn. Het is bekend dat de waterkwaliteit ondergrasland beter is dan onder andere teelten.53Hebben meer boeren sloten gedempt in 2022 en 2023, met als mogelijkemotivatie om zo de verplichte mestvrije bufferstroken te ontwijken, invergelijking met de jaren ervoor?AntwoordEen oppervlaktewaterlichaam mag niet zomaar gedempt worden. In gevaleen agrariër een sloot wil dempen, moet de agrariër hiervan meldingmaken bij het desbetreffende waterschap. Om grotere watergangen temogen dempen is een vergunning nodig. Het waterschap maaktvervolgens een deskundige afweging of deze aanvraag kan wordengehonoreerd en stelt waar nodig aanvullende eisen.Uit een rondvraag bij waterschappen komt naar voren dat het aantalaanvragen voor het dempen van sloten in 2022 en 2023 bij de meestewaterschappen op een gelijk niveau is gebleven ten opzichte van de jarenervoor. Dit blijkt uit gegevens van elf waterschappen, verspreid over hetland. Eén van deze waterschappen geeft aan wel een toename te zien inhet aantal dempingen van perceelsloten.16https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A32022D2069.17Kamerstuk 33 037, nr. 501.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53315 54Worden slootdempingen op landelijk niveau geregistreerd of gemonitord?AntwoordSlootdempingen worden niet op landelijk niveau geregistreerd ofgemonitord. Om deze reden was het niet mogelijk binnen het tijdsbestekvan beantwoording van deze vragen de volledige gegevens van allewaterschappen te ontvangen.55Is het voor waterschappen mogelijk om met de zuiveringsheffing defosfaatbelasting in het water zwaarder te belasten voor agrariërs, met alsdoel een prikkel te geven om minder mest te produceren? Zo nee, welkewet zou aangepast moeten worden om dat wel mogelijk te maken?AntwoordNee, dat is niet mogelijk. De zuiveringsheffing voor bedrijven is gebaseerdop de hoeveelheid en de mate van vervuiling van water dat geloosd wordtop het riool. Voor huishoudens wordt een benadering gehanteerd opbasis van het aantal bewoners van een pand. De meeste fosfaatbelastingvanaf agrarische bedrijven komt niet via het riool naar de rioolwaterzui-vering en vervolgens in het oppervlaktewater, maar door af- enuitspoeling van water van percelen direct in het oppervlakte- en grond-water. De zuiveringsheffing is geregeld via de Waterschapswet.56Zijn er EU-lidstaten die doelsturing hebben ingevoerd voor de landbouwop het gebied van mest en waterkwaliteit?AntwoordIn november 2021 is op verzoek van LNV een rapport18 opgeleverd doorWUR over buitenlandse voorbeelden van doelsturing in de landbouw. Hieris geïnventariseerd of er vormen van doelsturing voorkomen in Vlaan-deren (België), Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Ierland, het VerenigdKoninkrijk en Nieuw-Zeeland. Het aantal gevonden voorbeelden vandoelsturing is beperkt. In Vlaanderen, Duitsland en Nieuw-Zeeland zijnvarianten gezien die aspecten van doelsturing raken. Dit zijn respectie-velijk sturing op het nitraatresidu, de Stoffstrombilanzverordnung met eenstoffenbalans en het Environmental farm plan waarbij de boer zelf actieskiest om milieurisico’s te ondervangen.57Hoe ziet de bewegingsruimte voor bemesting er per agrarisch bedrijf uitin een scenario van doelsturing, gezien de grote opgaven voor stikstof enwaterkwaliteit?AntwoordZoals in mijn brief van 19 september 2023 (Kamerstuk 30 252, nr. 128) aanuw Kamer aangegeven wil ik een start maken met de omslag naardoelsturing. Een belangrijke voorwaarde voor die omslag is dat desystematiek van doelsturing nauwkeurig, geborgd en handhaafbaar moetzijn en moet passen binnen Europese beleids- en regelgevingskaders. DeNitraatrichtlijn is zo’n Europees kader waardoor er een maximumbemesting mag plaatsvinden van 170 kg stikstof uit dierlijke mest perhectare. Op dit moment moet ik uitgaan van dit kader en heb ik geenruimte om hiervan af te wijken.18Buitenlandse voorbeelden van doelsturing in de landbouw – Iris Huisman, Bram Bos –Rapport 1350.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53316 58Wat is het effect van doelsturing op mest en waterkwaliteit voor deadministratieve lasten van een agrarische bedrijf en de handhaafbaarheidvan de regels door toezichthouders?AntwoordHet is erg lastig hier een precieze uitspraak over te doen, omdat erverschillende toepassingsvormen van doelsturing denkbaar zijn, met bijelke vorm verschillende bijbehorende administratieve lasten. Het isinherent aan bedrijfsspecifieke doelsturing dat er data benodigd zijn opbedrijfsniveau. Dat kan bijvoorbeeld gaan om administratieve data of datauit metingen.Zoals bij vraag 57 aangegeven moet de systematiek van doelsturingnauwkeurig, geborgd en handhaafbaar zijn. Wat exact het effect op dehandhaafbaarheid zal zijn voor welke vorm van doelsturing is nog niet aante geven, omdat doelsturing en de implementatie daarvan nog niet vergenoeg is uitgewerkt.59Met welke organisaties bent u momenteel in gesprek om een oplossing tevinden voor de mestcrisis op korte termijn?AntwoordZoals vermeld in de voornoemde Kamerbrief van 5 april jl. ben ik over demestmarkt in gesprek met agrarische organisaties van verschillendesectoren (akkerbouw, melkveehouderij, varkenshouderij en pluimveehou-derij), experts, de zuivelindustrie en banken.60Indien als krimpmaatregel (alleen) wordt gekozen voor een verhoging vanhet afromingspercentage bij de handel in fosfaatrechten van 30 procent,met welk percentage zou het aantal melkkoeien dan (naar schatting)gekrompen zijn in 2025, in 2027, in 2030 en in 2035?AntwoordOp basis van een afroming van 30% van de fosfaatrechten bij overdrachtvan fosfaatrechten buiten familieverband is bij een gelijkblijvend aantaltransacties als in 2023 – een daling van het aantal stuks melkvee tenopzichte van de melkveestapel van 2022 te verwachten van:Afname melkveestapel2025– 1,1%2027– 1,9%2030– 3,0%2035– 4,9% 61Indien als krimpmaatregel gekozen wordt voor een verhoging van hetafromingspercentage bij de handel in fosfaatrechten van 50 procent, metwelk percentage zou het aantal melkkoeien dan (naar schatting)gekrompen zijn in 2025, in 2027, in 2030 en in 2035?AntwoordEen hoger afromingspercentage dan 30% acht ik niet proportioneel. Deverwachting is dat een hoger afromingspercentage een zodanigTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53317 verstorend effect heeft op de handel in fosfaatrechten dat deze mogelijk(ten dele) stilvalt en er überhaupt nauwelijks afroming plaatsvindt,waardoor niet goed antwoord is te geven op de vraag.Zie voorts het antwoord op vraag 60, waar het effect van het afromings-percentage van 30% op de krimp van de veestapel is weergegeven.62Zijn er inmiddels al gesprekken gehouden over de hoogte van desectorale mestplafonds en zo ja, wat kunt u daar nu over zeggen?AntwoordVoor de vaststelling van het mestproductieplafond per 2025, zullen tevensde sectorale mestproductieplafonds gewijzigd moeten worden. Ik zal u zospoedig mogelijk informeren over de keuze die ik maak voor de verdelingvan het mestproductieplafond over de sectorale mestproductieplafonds.63Zijn er anderen EU-lidstaten die in een vergelijkbare situatie verkeren metbetrekking tot de mestmarkt, het hanteren van een mestproductieplafonden een derogatie op de Nitraatrichtlijn?AntwoordHet nationale mestproductieplafond is een uniek Nederlands beleidsin-strument dat voor Nederland is voortgekomen uit de derogatie op deNitraatrichtlijn, dus uit EU-regelgeving. Andere lidstaten passen anderemanieren toe om de mestproductie te maximeren (al dan niet opbedrijfsniveau).In Vlaanderen wordt een systeem van nutriëntenemissierechten gebruikt.Dit zijn individuele en verhandelbare rechten die op basis van mestpro-ductie bepalen hoeveel dieren op een bedrijf mogen worden gehouden. Erzijn vier soorten rechten: NER-DR (runderen), NER-DV (varkens), NER-DP(pluimvee) en NER-DA (andere). De hoogte van het benodigde aantalnutriëntenemissierechten is afhankelijk van de stikstof- en fosfaatex-creties. In Vlaanderen wordt de mestverwerkingsplicht opgelegd pergemeente. Alle gemeenten worden ingedeeld op basis van de nettopro-ductie van stikstof uit dierlijke mest en de afzetmogelijkheden van dierlijkemest. Afhankelijk van die indeling moeten landbouwers een basisper-centage van het forfaitaire netto stikstofoverschot verwerken.In Denemarken wordt gerekend met Livestock Units (LU) oftewel GrootveeEenheid (GVE). Een LU komt overeen met 100 kg N-excretie. Er wordt elkjaar een tabel gemaakt met LU per diersoort. De mestgift aan varkens- enpluimveemest is maximaal 1,4 LU per ha, dit komt overeen met 140 kg Nper ha per jaar. Voor mest van rundvee, schapen en geiten is dit maximaal1,7 LU, oftewel 170 kg N per ha.In Ierland wordt gewerkt met een maximale gebruiksnorm voor dierlijkemest die de facto werkt als een GVE/ha norm. Doordat in Ierland nauwe-lijks sprake is van een mestmarkt, wordt het overgrote deel van dedierlijke mest geplaatst via weidegang.Vlaanderen en Ierland hebben op dit moment te maken met het verlies ofde afbouw van een derogatie op de Nitraatrichtlijn. Daardoor moetenvooral in Ierland veel (vooral melkvee-) bedrijven direct dieren wegdoen.De effecten van een verdere afbouw van de derogatie in Ierland zoudenvoor individuele bedrijven zeer groot zijn.Ook Denemarken dreigt per juli 2024 de derogatie te verliezen. In2018–2020 hadden daar echter slechts 3,9% van de rundveebedrijven met8% van het landbouwareaal een derogatie. De kans dat deze bedrijven eenbestemming voor hun mestoverschot vinden is daarmee groter. Dit inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53318 contrast met de Nederlandse situatie waar in 2019 nog 44,7% van hettotale landbouwareaal onder derogatie viel.64Kunt u een prognose geven van de effecten van de Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv)- enLbv+-regelingen bij een X aantal inschrijvingen op het nationale mestpro-ductieplafond (in percentages in 2025) (zie bijlage 523)?AntwoordAan de verlaging van de mestproductie zal naar verwachting ook wordenbijgedragen door de twee landelijke beëindigingsregelingen (Lbv enLbv-plus). Op dit moment kan nog niet gezegd worden hoeveelveehouders, die op grond van deze regelingen een subsidieaanvraaghebben ingediend, hun veehouderij daadwerkelijk gaan beëindigen en opwelk moment dat het geval zal zijn. Daarmee is ook nog geen prognose tegeven van de reductie die met deze regelingen gerealiseerd gaat wordenin 2025.65Wat zijn de gevolgen van het starten van een infractieprocedure, hoe zieteen dergelijke procedure eruit en zijn hier landbouw gerelateerdevoorbeelden van in Nederland, dan wel in andere Europese landen(zie bijlage 523)?AntwoordDe infractieprocedure (ook wel inbreukprocedure genoemd) kan wordengebruikt als een lidstaat Europese wetgeving niet uitvoert en volgt uitartikel 258 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie(VWEU). Door middel van een infractieprocedure kunnen lidstatenverplicht worden Europese regelgeving alsnog goed en volledig toe tepassen.De procedure start met een ingebrekestelling door de EC, waarbij delidstaat om uitleg over de niet-nakoming wordt verzocht en wordtgemaand alsnog te voldoen. In beginsel moet de lidstaat binnentwee maanden reageren en het advies opvolgen. Als de EC met de reactieniet tevreden is, stuurt zij een met redenen omkleed advies, dat de lidstaatin beginsel binnen twee maanden moet opvolgen. Indien de EC niettevreden is met de reactie daarop kan zij de lidstaat voor het Hof vanJustitie van de Europese Unie dagen en verzoeken de lidstaat te veroor-delen wegens niet-nakoming van de verplichtingen.Als het Hof oordeelt dat de lidstaat in gebreke is (gebleven), moet delidstaat een einde maken aan die situatie. De EC moet daarop toezien. Alsde EC vaststelt dat de lidstaat in gebreke blijft, kan zij de zaak opnieuwvoor het Hof brengen en om een geldelijke sanctie (boete en/ofdwangsom) vragen. De (financiële) gevolgen daarvan kunnen (ook voorlandbouwers) zeer groot zijn. Te meer daar de Europese Commissie hierook consequenties aan kan verbinden voor de steun die veehouderskrijgen vanuit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Zo kunnenveehouders individueel worden gekort voor de dierlijke mest die zijuitrijden in strijd met de kaders van de Nitraatrichtlijn. Echter ook eenstructurele korting op het GLB voor de veehouderij voor Nederland ismogelijk als de Europese Commissie de regeling ziet als een ernstigetekortkoming in het governancesysteem van de lidstaat en van mening isdat dit moet leiden tot een structurele korting.Een concreet voorbeeld waarin dit heeft plaatsgevonden is een zaak opmestgebied waarin het Hof in 2003 uitspraak heeft gedaan in de inbreuk-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53319 procedure tegen Nederland (zaak C-322/00) over het Mineralen Aangifte-systeem (Minas).Uitgebreidere informatie over de infractieprocedure is onder meer tevinden op: ecer.minbuza.nl/ecer/eu-essentieel/inbreukprocedures.66Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak voor het verschil in stikstofex-cretie van melkvee in 2022 en 2023 (respectievelijk 269,2 en 276,3 volgensde Kamerbrief van 5 december jl.): een toename van het aantal stuksmelkvee of een toename van de gemiddelde stikstofexcretie per koe(zie Bijlage bij Kamerstuk 33 037, nr. 523)?AntwoordUit de voorlopige cijfers van de mestproductie van het Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS19) blijkt dat de stikstofexcretie van melkvee in 2023is toegenomen. De omvang van de melkveestapel is vrijwel gelijkgebleven. Het CBS noemt in de toelichting van dit verschil dat dit onderandere wordt veroorzaakt door de andere samenstelling en hoger ruweiwit gehalte (RE-gehalte) van het ruwvoer van melkvee als gevolg van deweersomstandigheden in het teeltjaar van dat ruwvoer. Experts uitonderzoek en bedrijfsleven geven aan dat als gevolg van de natteweersomstandigheden in het voorjaar van 2021, het RE-gehalte van de in2021 aangelegde en in 2022 vervoederde graskuilen lager was dannormaal. De definitieve cijfers over de mestproductie in 2023 zullen naarverwachting eind juni 2024 beschikbaar zijn.67Klopt het dat de afspraak met de melkveesector om het ruw eiwitgehalte(RE-gehalte) in het melkveevoerrantsoen te verlagen en deze in 2025 niethoger te laten zijn dan 160 gram RE/kg droge stof, niet wettelijkvastgelegd kan worden? Zo ja, op welke wijze wordt geborgd datmelkveehouders deze afspraak nakomen?AntwoordHet is juist dat de afspraak met de sector om zich in te spannen het ruweiwitgehalte in het melkveevoerrantsoen in 2025 op sectorniveau niethoger te laten zijn dan 160 gr RE/kg droge stof niet wettelijk kan wordenvastgelegd. De ontwikkeling van het ruw eiwitgehalte in het melkveevoer-rantsoen wordt door het CBS gemonitord en de sector wordt er door mijop aangesproken als de monitor niet de gewenste ontwikkeling laat zien.Ik wil benadrukken dat het een afspraak op sectorniveau betreft en nieteen afspraak op het niveau van de individuele melkveehouder. Ook gaathet hier om een inspanningsverplichting, geen resultaatplichting. Verderverwijs ik u naar voornoemde kamerbrief van 5 april jl. betreffende hetplan van aanpak mestmarkt.68Welk effect verwacht u van de onder maatschappelijke druk veranderendevraag naar producten met meer aandacht voor dierenwelzijn op deomvang van de mestproductie, zoals genoemd in Kamerstuk 33 037,nr. 523? Kunt u dit toelichten?De veranderende vraag naar diervriendelijker geproduceerde productenkan leiden tot het houden van minder dieren in de bestaande stallen doorde grotere leefruimte per dier. Bijgevolg kan daardoor de mestproductieafnemen als er geen extra stallen bijgebouwd kunnen worden. Daarbij kan19Bron: CBS, Dierlijke mest; productie en mineralenuitscheiding, diercategorie, regio |Fosfaat- en stikstofexcretie | CBS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53320 onder andere gedacht worden aan voorwaarden betreffende de omscha-keling in de vleeskuikenhouderij naar Beter Leven 1 ster voor de Neder-landse retail.69Wat zijn, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022) en het feit dat Nederland rappor-teerde op grond van artikel 10 van richtlijn 91/676/EEG-gegevens, waaruitblijkt dat voor de periode 2016 tot 2019 ongeveer 14 procent van demeetstations voor grondwater in Nederland gemiddelde nitraatconcen-traties van meer dan 50 ml/L hebben opgetekend, de coördinaten van diestations die een gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 ml/Lhebben opgetekend en op welke diepte werden die concentratiesgemeten?AntwoordHet genoemde percentage is afkomstig uit de EU-landenrapportage20opgesteld door het JRC van de EC waarin de overschrijdingen van denitraatnorm in het grondwater op verschillende diepten zijn samenge-nomen. Deze overschrijdingen komen voort uit metingen op locaties uithet Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM), het Landelijk MeetnetGrondwaterkwaliteit (LMG) en de drinkwaterproductielocaties (REWAB).Nederland rapporteert apart over deze meetnetten in de Nitraatrap-portage21.Binnen het LMM worden monsters genomen van de bovenste meter vanhet grondwater op landbouwbedrijven. Per bedrijf worden zestienmonsters genomen op verschillende locaties. De exacte meetlocatie op depercelen verschilt per jaar, omdat er gebruik wordt gemaakt van deopenboorgatmethode. Van deze monsters worden twee mengmonstersper bedrijf gemaakt. Daarnaast worden meetgegevens binnen het LMMgeaggregeerd gerapporteerd per grondsoortregio. Om deze redenen ishet niet mogelijk de coördinaten van de exacte locaties van dezemeetpunten te delen.Het LMG kent wel vaste meetstations. Binnen het LMG worden resultatenvan metingen op verschillende dieptes gerapporteerd, te weten op5–15 meter, op 15–30 meter en op meer dan 30 meter. De coördinaten vande LMG-locaties zijn opgenomen in de Basis Registratie Ondergrond. DeLMG meetpunten zijn ingericht om uitspraken te doen op landelijk niveauvoor verschillende gebiedstypes, variërend voor landgebruik, grondsoorten hydrologische situatie. Zowel het LMM als het LMG zijn niet ingerichtom uitspraken te doen over de situatie van individuele meetpunten.70Wat zijn, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022) en het feit dat uit de meetgegevensvoor de periode van 2016 tot 2019 bleek dat 99 procent van de meetsta-tions voor oppervlaktewater in Nederland nitraatconcentraties van minderdan 50 mg/L heeft opgetekend, gelet op het feit dat 96 procent van demeetstations zelfs een gemiddelde nitraatconcentratie van minder dan25mg/L optekende en de nitraatconcentraties van oppervlaktewater duszeer ruim onder de door Europa gestelde norm bleef en gelet op het feitdat toch 58 procent van het oppervlaktewater als «eutroof» werd20Zie ook COM(2021) 1000 final: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52021DC1000.21Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016–2019) en trend (1992–2019)https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2020-0121.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53321 bestempeld, voor die enorme tegenstelling de meest waarschijnlijkeoorzaken en is er wetenschappelijk bewijs voor die oorzaken? Is er metaan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te zeggen dat de oorzaaklandbouw gerelateerd is? Is rekening gehouden met oorzaken zoals hetvoorkomen van de Amerikaanse rivierkreeft?AntwoordDe Nitraatrichtlijn richt zich op zowel nitraat in grond- en oppervlakte-water als op eutrofiëring van oppervlaktewater22. Voor de nitraatconcen-tratie wordt daarbij in het grondwater een waarde van 50 mg/l nitraat(= 11,4 mg/l stikstof) als grenswaarde gehanteerd. De oppervlaktewater-kwaliteit wordt echter al bij veel lagere stikstofconcentraties negatiefbeïnvloed. In Nederland wordt voor veel waterlichamen een norm voor detotale stikstofconcentratie in de range van 2 à 3 mg/l gehanteerdwaarboven een oppervlaktewater als (potentieel) eutroof wordt gezien23.Die norm sluit aan bij waarnemingen van de hoeveelheid algen en kroos;beneden de norm is meestal sprake van een goede toestand van derelevante biologische parameter.Het feit dat 99% van het oppervlaktewater in de zomermetingen onder denorm van 50 mg/l nitraat zit, betekent daarmee niet dat het water nietnegatief beïnvloed wordt door stikstof en (potentieel) eutroof is. Er isdaarmee geen tegenstelling in deze cijfers.De stikstof- en fosforbelasting in oppervlaktewater komt vanuit verschil-lende bronnen, waaronder landbouw. De gemeten concentraties in hetoppervlaktewater zijn daarmee een optelsom van de verschillendebelastingen. De nutriëntenconcentraties en daarmee de mate vaneutrofiëring worden beperkt beïnvloed door exoten, zoals de Amerikaanserivierkreeft. Wel kunnen exoten een negatieve invloed hebben op deecologische toestand van een water, binnen de Kaderrichtlijn waterkunnen onder voorwaarden uitzonderingen worden toegepast als exotende oorzaak zijn van het niet behalen van de doelen van de Kaderrichtlijnwater.71Bij welke meetstations werd, gelet op de verwijzing in de eerste zin naarde derogatiebeschikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069van de Commissie van 30 september 2022), een overschrijding gevondenvan de fosfornormen voor oppervlaktewater? Waarom worden, gelet ophet feit dat het fosforbodemoverschot in Nederland laag is, overschrij-dingen toegewezen aan de landbouw?AntwoordVoor het zoete oppervlaktewater wordt in de Nitraatrapportage gebruikgemaakt van meetgegevens uit het Meetnet Nutriënten LandbouwSpecifiek Oppervlaktewater (MNLSO), de KRW-monitoringslocaties in deregionale oppervlaktewaterlichamen en de KRW-monitoringslocaties in deRijkswateren.Het MNLSO is een selectie van meetlocaties in oppervlaktewater dat dewaterkwaliteit met betrekking tot meststoffen (nutriënten) monitort metlandbouw als enige relevante antropogene bron van nutriënten.De KRW-waterlichamen met overschrijdingen en de daarbij horendemonitoringslocaties zijn in te zien met de online tool KRW-Nutrend24. Voor22Bijlage 1 van de Nitraatrichtlijn. https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:31991L0676.23De totale stikstofnorm in oppervlaktewater wordt bepaald conform de Kaderrichtlijn Wateraanpak.24https://krw-nutrend.netlify.app/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53322 de KRW-monitoringslocaties geldt dat meerdere emissiebronnen invloedkunnen hebben op de gemeten concentraties nutriënten.Momenteel voldoet iets meer dan de helft van de KRW-waterlichamen aande KRW-doelstelling voor fosfor. Zowel het MNLSO als deKRW-monitoringslocaties laten een lichte afname zien in de fosforconcen-traties. Voor het MNLSO is de neerwaartse trend in de fosforconcentratiesgerelateerd aan het mestbeleid en de afgenomen fosforbodemover-schotten. De lagere bodemoverschotten hebben een vertraagd effectdoordat er nog een grote voorraad fosfor in de bodem aanwezig is vanuithistorische bemesting. De reductie van de fosforbelasting vanuit bronnenals RWZI’s en industrie hebben een sneller effect.72Over hoeveel waarden is gemiddeld berekend en wat was de spreiding ende mediaan, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022) en het feit dat in het zuiden en oostenvan het zandgebied de gemiddelde nitraatconcentratie in de bovenstemeter van het grondwater in 2021 67mg/L bedroeg? Op welke diepte zijndeze waarden exact gemeten, wat is de exacte diepte waarop volgens deEU zou moeten worden gemeten en hoeveel spreiding is daarbij toege-staan? Wat is de exacte locatie van de meetpunten waar deze waarden zijngemeten?AntwoordBovenstaande gegevens zijn afkomstig uit het LMM. Zie het antwoord invraag 69 voor wat betreft de methode van bemonstering met meetlocatiesen meetdiepte.De nitraatconcentratie van 67 mg nitraat/l is gemeten in het jaar 2020.Hierbij was de mediaan 54,9, de gewogen 5% percentiel waarde 2,9 en degewogen 95% percentiel waarde 178,9 mg/l.De Nitraatrichtlijn schrijft niet voor hoe lidstaten moeten meten. Er wordtslechts voorgeschreven dat lidstaten meetstations selecteren die eenrepresentatief beeld kunnen geven van de uitspoeling van nitraat naar hetoppervlaktewater en de grondwaterlagen van een lidstaat. Daarnaastmoet de lidstaat ook eutrofiëring van het oppervlaktewater, estuaria enkustwater nagaan. De keuzes die landen maken bij de inrichting van hunmeetnetten, hangen af van kenmerken van het water- en bodemsysteem,het klimaat en de landbouwintensiteit. Als gevolg hiervan leveren demeetnetten van verschillende lidstaten ook niet één op één vergelijkbareresultaten. Voor een toelichting op de verschillende meetnetten inNederland en de gebruikte methode per meetnet verwijs ik u naarhoofdstuk 2 van de Nitraatrapportage.73In hoeverre is, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), en het feit dat sinds 2017 denitraatconcentratie in het grondwater in het zuiden en oosten van hetzandgebied is verdubbeld, die verdubbeling toe te schrijven aan dedroogte van de jaren na 2017 en in hoeverre is die stijging met aanzekerheid grenzende waarschijnlijkheid toe te schrijven aan de landbouw?Hoe snel kunnen de metingen opnieuw worden gedaan om te controlerenof de waarden met het huidige grondwaterpeil anders zijn?AntwoordIn het LMM worden langjarige trends gemonitord. De jaarlijks gemetennitraatconcentraties vertonen schommelingen door variaties in het weerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53323 en door veranderingen van de bedrijven in de steekproef van het LMM.Naast de trendlijn van de gemeten nitraatconcentraties wordt er ook eengestandaardiseerde trendlijn berekend waarbij de natuurlijke omgevings-invloeden (waaronder neerslag) en de veranderingen in de steekproeferuit gefilterd zijn.Het doel hiervan is om de gevolgen van de landbouwpraktijk op denitraatconcentratie beter weer te kunnen geven. In figuur 4.11 van deNitraatrapportage zijn beide trendlijnen opgenomen.Het RIVM voert momenteel een nadere analyse van de effecten vandroogte op de gemeten nitraatconcentraties uit. Hiervoor worden de opdit moment beschikbare meetresultaten van het LMM gebruikt, dat is toten met het meetjaar 2022. De resultaten van dit onderzoek zullen medio2024 gepubliceerd worden en zullen worden meegenomen in de volgendeNitraatrapportage, waarin wordt gerapporteerd over de periode2020–2023.74Is, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebeschikking2022–202525 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van30 september 2022), en het feit dat uit meetgegevens bleek dat het vanlandbouwbedrijven afkomstige water in de wortelzone in het meetnetwerkvoor de derogatie vaak de nitraatconcentratienormen overschreed, deconcentratie van nitraten in de wortelzone voor de toewijzing vanmestderogatie voor de EU leidend? Is de concentratie van nitraat in dewortelzone veelzeggend voor de mate van uitspoeling naar diepergelegen grondwater of oppervlaktewater? Zo ja, is er een wetenschappe-lijke onderbouwing wat de norm is voor de hoeveelheid nitraten in dewortelzone waarbij de uitspoeling zodanig wordt dat het waarschijnlijk isdat de normen voor nitraatconcentraties in het diepere grondwater en/ofhet oppervlaktewater overschreden worden?AntwoordIn de derogatiebeschikking 2022–2025 zijn meerdere overwegingen van deEC opgenomen. De concentratie van nitraten in de wortelzone en de matevan eutrofiëring van het oppervlaktewater zijn onderdeel van dezeoverwegingen.Omdat grondwater zeer langzaam stroomt (ongeveer een meter per jaarin verticale richting voor zandgrond) duurt het lang voordat de effectenvan het mestbeleid kunnen worden waargenomen in het dieperegrondwater. Om de effecten van het mestbeleid op de korte termijn tekunnen monitoren is in Nederland in 1992 het LMM ingericht, datspecifiek de uitspoeling van landbouw gerelateerde nutriënten zoalsnitraat en fosfor monitort. Hiermee wordt ook invulling gegeven aanartikel 5, lid 6 van de Nitraatrichtlijn.Tijdens het transport door de ondergrond, wordt de nitraatconcentratie inhet grondwater lager door verdunning en omzettingsprocessen. De matewaarin dit plaatsvindt is, naast de mestgift, afhankelijk van geohydrolo-gische en geochemische omstandigheden en verschilt daarom van locatietot locatie. Dit maakt het lastig om een eenduidige factor te hanteren voorde inschatting of daarmee in het diepere grondwater aan de normen zalworden voldaan.75Klopt het, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), dat voor het aanvragen van de eerste25Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53324 derogatiebeschikking in 2005 (voor 2006) meer wetenschappelijkonderzoek is overlegd om aan te tonen dat de stikstof- en fosforbelastingvan grond- en oppervlaktewater niet van de landbouw afkomstig was dande afgelopen jaren? Zo ja, wat is daarvoor de reden geweest en waaromworden nu andere onderzoeken gebruikt?AntwoordDe aangeleverde informatie voor de eerste derogatiebeschikking wasdestijds voor de EC afdoende om een derogatie te verlenen. De criteriavoor derogatieverlening vanuit de EC zijn sindsdien niet gewijzigd,evenals de situatie in Nederland. Dit is ook aangegeven door de CDM methun advies voor de onderbouwing van de derogatie26. Dit advies is tevensgedeeld met de EC in het traject om te komen tot een derogatiebe-schikking voor de periode 2022–2025.76Waarom is, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), ervoor gekozen om onder deNutriënten Verontreinigde (NV)-gebieden ook stroomgebieden te latenvallen die slechts «het gevaar lopen te worden verontreinigd», terwijl opdit moment geen overschrijding van normen wordt gevonden?AntwoordDit is voorgeschreven in artikel 4, eerste onderdeel van de derogatiebe-schikking 2022–2025. De aanwijzing van de met nutriënten verontreinigdegebieden (NV-gebieden), ook die het gevaar lopen te worden veront-reinigd, betreft een implementatie van een bindende bepaling van dederogatiebeschikking.77Waarom is, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), ervoor gekozen om onder deNV-gebieden ook stroomgebieden te laten vallen waarvan de meetpuntenaangeven dat grond- of oppervlaktewateren slechts «een stijgendetendens» laten zien, terwijl op dit moment geen overschrijding vannormen gevonden wordt? Welke NV-gebieden zijn op basis hiervanaangewezen tot NV-gebied?AntwoordDit is voorgeschreven in artikel 4, eerste onderdeel van de derogatiebe-schikking 2022–2025. De aanwijzing van de NV-gebieden betreft eenimplementatie van een bindende bepaling van de derogatiebeschikking.De zinsnede in artikel 4 lid 1 van de derogatiebeschikking betreffende«gevaar lopen te worden verontreinigd en een stijgende tendensvertonen» betreft het grondwater. De wijze waarop deze bepalinggeïmplementeerd diende te worden is afgestemd met de EC. Dit zou gaanom gebieden waar het grondwater een gemiddelde nitraatconcentratieboven de 37,5 mg/l zou hebben én de trend over de periode 2007–2021duidelijk stijgend is. Deze combinatie is niet voorgekomen in deaanwijzing voor 2024 en 202527. Zie ook mijn Kamerbrief over deimplementatie van NV-gebieden van 5 december 202328.7826Kamerstuk 33 037, nr. 393.27Bijlage 2 bij Kamerstuk 33 037, nr. 521.28Kamerstuk 33 037, nr. 523.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53325 Waarom is, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), ervoor gekozen om onder deNV-gebieden alle stroomgebieden te laten vallen waarvan de meetpuntenaangeven dat grond- of oppervlaktewater slechts «incidenteel met nitratenverontreinigd» zijn en welke NV-gebieden zijn op deze basis aangewezentot NV-gebied?AntwoordOok dit is door de EC opgenomen in artikel 4, lid 1 van de derogatiebe-schikking 2022–2025. De aanwijzing van nutriënten verontreinigdegebieden, betreft een implementatie van een bindende bepaling van dederogatiebeschikking. De uitwerking van de bepaling van «incidenteleverontreiniging met nitraten» is besproken en afgestemd met de EC.Hierbij is afgesproken om niet naar temporele incidentele verontreini-gingen te kijken omdat deze aan de ene kant zijn meegenomen in degemiddelde gegevens gebruikt voor oppervlaktewater en grondwater enaan de andere kant de aanwijzing over een langere periode geldend is enniet kan fluctueren per meetmoment. Daarnaast is op het kleinst mogelijkeschaalniveau aangewezen voor oppervlaktewater, waardoor de ruimtelijkevariabiliteit meteen meegenomen wordt. Zie ook mijn Kamerbrief over deaanwijzing van NV-gebieden van 5 december 2023.79Klopt het, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), dat ook gebieden waarvan demetingen geen verhoogde nitraatconcentraties laten zien in grond- ofoppervlaktewateren aangewezen zijn als NV-gebied alleen omdat sprake isvan eutrofiering? Om welke gebieden gaat het dan?80Klopt het, gelet op de verwijzing in de eerste zin naar de derogatiebe-schikking 2022–2025 (Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van deCommissie van 30 september 2022), dat zelfs gebieden waarvan demetingen geen verhoogde nitraatconcentraties laten zien in grond- ofoppervlaktewateren aangewezen zijn als NV-gebied, alleen omdat sprakeis van mogelijk dreigende eutrofiëring? Om welke gebieden gaat het dan?Antwoord vragen 79 en 80Dat klopt. De aanwijzing van de NV-gebieden is gebeurd voor zowelgrondwaterkwaliteit waar gekeken werd naar nitraat als voor oppervlakte-waterkwaliteit waarbij gekeken werd naar (dreigende) eutrofiëring (endaarmee stikstof en/of fosfor). Dat betekent dat de NV-gebieden gelegenop klei of veengrond of zandgrond in de provincies Friesland, Groningenen Drenthe, alleen aangewezen kunnen zijn vanwege eutrofiëring ofdreigende eutrofiering. De toestroomgebieden van KRW-waterlichamenwaar zowel stikstof als fosfor boven de norm zit, of waar één van beidenutriënten boven de norm zit én de meest relevante biologischeparameter niet op orde is, zijn aangewezen als NV-gebied voor oppervlak-tewater. Dit zijn de gebieden die als eutroof zijn geclassificeerd. Zie ookmijn Kamerbrief over de aanwijzing van NV-gebieden van 5 december2023.81Kunt u, gelet op het feit dat onder het kopje «nationaal mestproductie-plafond» wordt uitgelegd wat de omvang van de jaarlijkse productie vanmeststoffen op dit moment volgens de Meststoffenwet (MSW) zou mogenzijn en het in dit geval gaat om dierlijke mest, waarvoor in de MSW staatdat de gebruiksnorm 170 kilogram stikstof is per hectare van de tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53326 bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond, uitleggen wat dewetenschappelijke achtergrond is van het vaststellen van die norm?AntwoordDeze gebruiksnorm voor dierlijke mest in de Meststoffenwet volgt uit deNitraatrichtlijn (bijlage III). De wetenschappelijke achtergrond van devaststelling van de hoogte van de norm door de EC is mij niet bekend.82Kunt u een kwantitatieve beschrijving geven van de situatie op demestmarkt: is er in heel Nederland sprake van een mestoverschot of zijner ook gebieden met tekorten?AntwoordVoor de beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de Kamerbriefvan 5 april jl. met beantwoording Kamervragen over het plan van aanpakmestmarkt.83Hoeveel mest blijft in Nederland, hoeveel mest gaat naar het buitenlanden naar welke landen gaat de mest toe?AntwoordZie ook mijn antwoord op vraag 37 Uitgedrukt in fosfaat werd in 202246 miljoen kg fosfaat geëxporteerd. Dat komt neer op 30% van de totalefosfaatexcretie. De rest van het fosfaat in dierlijke mest is in Nederlandgebleven. Uitgedrukt in stikstof werd in 2022 50,1 miljoen kg stikstofgeëxporteerd. Dat komt neer op 12% van de totale stikstofexcretie zonderstikstofverliezen in stal en opslag. De rest van de in dierlijke mest is inNederland gebleven.84Wat is het verwachte resultaat van de Lbv- en Lbv-plus-regelingen op hetverlagen van de totale nationale mestproductie?AntwoordZie ook mijn antwoord op vraag 64. Op dit moment kan nog niet gezegdworden hoeveel veehouders, die op grond van deze regelingen eensubsidieaanvraag hebben ingediend, hun veehouderij daadwerkelijk gaanbeëindigen. Daarmee is er ook nog geen prognose te geven van dereductie die met deze regelingen gerealiseerd gaat worden.85Wat is, op basis van gegevens van de afgelopen jaren, het verwachteeffect van de bestaande afromingsregeling bij overdracht van fosfaat-rechten op de totale nationale mestproductie?AntwoordOp basis van de bestaande afromingsregeling waarbij 10% van defosfaatrechten wordt afgeroomd bij overdracht van fosfaatrechten buitenfamilieverband is in 2024 – bij een gelijkblijvend aantal transacties – eenafname in hoeveelheid stikstof van circa 650.000 kg te verwachten encirca 250.000 kg fosfaat.86Wat is het verwachte resultaat op de totale nationale mestproductie bij10 procentpunt extra afroming bij overdracht van fosfaatrechten? Wat ishet verwachte resultaat bij nog eens 10 procentpunt meer afroming?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53327 Op basis van een afroming waarbij 20% van de rechten wordt doorge-haald bij overdracht van fosfaatrechten buiten familieverband is vanaf2026 – bij een gelijkblijvend aantal transacties als in 2023 – een afname inhoeveelheid stikstof van circa 3,3 miljoen kg stikstof en circa 1,3 kg fosfaatte verwachten.Bij een afroming waarbij 30% van de rechten wordt doorgehaald bijoverdracht van fosfaatrechten buiten familieverband is vanaf 2026 bij eengelijkblijvend aantal transacties als in 2023 – een afname in hoeveelheidstikstof van circa 4,5 miljoen kg stikstof en circa 1,8 miljoen kg fosfaat teverwachten.87Boven welke stikstofconcentratie vindt, gelet op het feit dat u in uw briefschrijft dat de maatregelen zien op verbetering van de waterkwaliteit,eutrofiëring plaats in oppervlaktewater en wat is daarvan de wetenschap-pelijke onderbouwing? Klopt het voorts dat de «50-mg»-norm in deKaderrichtlijn Water oorspronkelijk bedoeld was voor de kwaliteit vanwater voor drinkwaterwinning? Zo ja, is er een wetenschappelijkeonderbouwing voor het overnemen van die norm naar de oppervlaktewa-ternorm voor het voorkomen van eutrofiëring?88Is er een reden, gelet op het feit dat bovendien er bij de bepaling van de«50-mg»-norm in de Kaderrichtlijn Water geen rekening gehouden is metnatuurlijke verschillen tussen de verschillende EU-landen, waarom geenrekening is gehouden met die natuurlijke verschillen in bijvoorbeeldwaterdiepte van oppervlaktewaterlichamen en mate van stratificatiebinnen die waterlichamen in relatie tot van nature voorkomendestikstofconcentraties?Antwoord op vragen 87 en 88In Nederland wordt voor veel waterlichamen een norm voor de totalestikstofconcentratie in de range van 2 à 3 mg/l gehanteerd waarboven eenoppervlaktewater als (potentieel) eutroof wordt gezien. Dat betekent datbij concentraties beneden deze norm het bereiken van de biologischetoestand van een waterlichaam met een bepaalde zekerheid niet wordtbeperkt door een teveel aan stikstof. De norm volgt uit de aanpak zoals diewordt uitgevoerd door de waterbeheerders op grond van de KaderrichtlijnWater. Die norm sluit aan bij waarnemingen van de hoeveel algen enkroos; beneden de norm is meestal sprake van een goede toestand van derelevante biologische parameter.De waarde van 50 mg/l nitraat is opgenomen in de Grondwaterrichtlijn(waarin de criteria zijn vermeld voor het bepalen van de chemischetoestand van grondwater volgens de Kaderrichtlijn Water) en ook inbijlage 1 van de Nitraatrichtlijn. Deze waarde volgt inderdaad uit deDrinkwaterrichtlijn, maar wordt niet gehanteerd als maat voor eutrofiëringvan oppervlaktewater in de Kaderrichtlijn Water.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 53328

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6f9aa40b80b93ded

14 okt 2026 · c56b9b92ec617460

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.