KamerkringInloggen
← Verkenner

Kamerstuk · 7 okt 2026 · Tweede Kamer

Moties en toezeggingen naar aanleiding van het commissiedebat Water van 25 juni 2026

Brontekst

Geachte voorzitter, Tijdens het Commissiedebat Water op 25 juni jl. is aan de Kamer toegezegd om na het zomerreces terug te komen op een aantal onderwerpen. Met deze brief wordt de Kamer hierover geïnformeerd en wordt tevens ingegaan op enkele andere moties en toezeggingen. Daarnaast wordt een kabinetsreactie gegeven op het Rli-advies ‘Zorg voor Water’ en bevat deze brief een reactie op een aantal position papers m.b.t. de herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Drinkwater Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing Op 1 juli jl. is in het Bestuurlijk Overleg Water het herijkte Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing (NPvA) vastgesteld. Daarmee zet het ministerie van IenW samen met ruim 30 publieke en private partijen de aanpak voort om het drinkwatergebruik met 20% te verminderen. Naast het werken aan voldoende bronnen voor drinkwater draagt dit plan bij aan het borgen van voldoende drinkwaterbeschikbaarheid voor nu en in de toekomst. Via deze brief wordt het herijkte plan aangeboden en wordt de motie van het lid Kostić afgedaan. Het NPvA is in 2024 tot stand gekomen, samen met een brede groep publieke en private partners. De aanpak sluit aan bij de doelstellingen uit de brief Water en Bodem Sturend van 2022 waarin is opgenomen dat we toewerken “naar een drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking van 100 liter in 2035 (thans 125 liter) en beperken laagwaardig gebruik van drinkwater. Grootverbruikers vragen we het drinkwatergebruik ook met 20% te reduceren. Zo beperken we het effect van toename van de watervraag in relatie tot de schaarsere beschikbaarheid van water.” Sinds de start van het NPvA is veel voortgang geboekt: het merendeel van de maatregelen is uitgerold, gerichte onderzoeken zijn uitgevoerd en er is hard gewerkt aan het vergroten van de bewustwording. Een tastbaar resultaat is bijvoorbeeld de lancering van de eerste nationale campagne drinkwaterbesparing ‘Word geen douchebag. Fris in 5 minuten’ op 12 juni jl. We zien ook steeds meer goede voorbeelden van hoe in de praktijk al wordt gewerkt aan drinkwaterbesparing, bijvoorbeeld in de levensmiddelenindustrie waar een aantal toonaangevende bedrijven met innovatieve maatregelen en slimme procesoptimalisatie al een flinke reductie in hun drinkwatergebruik heeft gerealiseerd. Deze activiteiten hebben waardevolle kennis samengebracht en nieuwe inzichten opgeleverd over gedrag, technologie en het effect van interventies bij huishoudens, nieuwbouw en zakelijk gebruik. Tegelijkertijd laten de feitelijke gebruikscijfers zien dat we er nog niet zijn. In 2025 gebruikten Nederlanders gemiddeld nog ongeveer 119 liter per persoon per dag. Bewuster en zuiniger omgaan met drinkwater is een transitie die tijd kost. Structurele veranderingen in gedrag, techniek en beleidskaders laten zich niet van de ene op de andere dag realiseren. De voortgang van de afgelopen twee jaar laat zien dat we op de goede weg zitten, maar ook dat continue monitoring en bijsturing essentieel blijven. Daarom is in april 2024 de bestuurlijke afspraak gemaakt om het NPvA Drinkwaterbesparing tweejaarlijks te herijken. Zo kan de aanpak bijgestuurd worden en kunnen we inspelen op ontwikkelingen. De urgentie om aan drinkwaterbesparing te blijven werken is afgelopen jaar herbevestigd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) die in hun rapportage ‘Drinkwatervoorziening van de toekomst’ (maart 2025) concludeert dat “Aanpak drinkwatertekort na 2030 vraagt om besparing en gebruik van nieuwe bronnen”. Ook de Algemene Rekenkamer stelt in hun onderzoek van mei 2025 dat het, wat betreft drinkwaterbesparing, tijd is voor resultaten. Deze nationale signalen worden onderschreven door de Europese Commissie in de European Water Resilience Strategy, waarin onder andere gericht wordt op 10% efficiënter gebruik van zoetwater in brede zin in 2030. Bovendien bevordert de strategie het principe "waterefficiëntie voorop" en moedigt ze lidstaten aan om prioriteit te geven aan vraagbeheer. Voor de herijking van het NPvA is samen met de stakeholders input opgehaald via een drietal koersbepalende bijeenkomsten en verdiepende sessies binnen de thematische werkgroepen. Tijdens deze bijeenkomsten is gezamenlijk gereflecteerd op de voortgang van het NPvA en zijn nieuwe inzichten, ideeën en maatregelen verzameld en verder uitgewerkt. Dit proces bouwde voort op de Voortgangsrapportage van het NPvA Drinkwaterbesparing 2025 en de daarin opgenomen aanbevelingen voor vervolgacties. Vanuit een groslijst met maatregelen is samen met de stakeholders toegewerkt naar een uiteindelijke set doelmatige en uitvoerbare maatregelen voor 2026-2028. Een voorbeeld hiervan is een concreet stappenplan om toe te werken naar verankering van waterbewust bouwen in wet- en regelgeving, zoals dat met de Kamer is gedeeld in januari. Hiermee ligt er weer een effectief pakket aan maatregelen om verder te werken aan drinkwaterbesparing. De effectiviteit van het maatregelenpakket wordt onafhankelijk getoetst aan de hand van een Multi Criteria Analyse. Daarnaast zal de komende twee jaar jaarlijks de voortgang richting het behalen van de doelstellingen worden gemonitord. Naar aanleiding van het advies van de Algemene Rekenkamer is samen met hen de monitoringstrategie aangescherpt en zijn aanvullende KPI’s en een tussenmijlpaal opgenomen. Daarmee wordt nauwlettend gevolgd of er voldoende drinkwaterbesparing wordt gerealiseerd om de drinkwaterbeschikbaarheid in Nederland op peil te houden. Rli-advies ‘Zorg voor Water’ De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft op 30 april het adviesrapport “Zorg voor water, de toekomst van ons drinkwater als gezamenlijke opgave” aangeboden. Hierbij wordt een schriftelijke reactie gegeven op het advies en de aanbevelingen. Het advies van de Rli sluit goed aan bij de koers die het ministerie heeft ingezet. De geschetste opgaven zijn bekend en de vijf aanbevelingen van de Rli zijn in lijn met de reeds ingezette beleidssporen. De hoofdlijnen van deze sporen worden opgenomen in het volgende Nationaal Water Programma (NWP) 2028-2033 en verder uitgewerkt in de Toekomstagenda Drinkwater die bij het Commissiedebat Water op 25 juni jl. is aangekondigd. Voorop staat dat ook in de toekomst voor iedereen voldoende drinkwater van goede kwaliteit beschikbaar is. Hieronder wordt nader ingegaan op de vijf aanbevelingen van de Rli. 1. Zorg met spoed voor een gezond zoetwatersysteem We geven uitvoering aan dit advies door onder andere de KRW-maatregelen te versnellen. Ook zetten we samen met provincies en waterschappen in op hogere grondwaterstanden en het vergroten van de sponswerking van de bodem. Daarnaast verbeteren we de regels om wateronttrekkingen beter in beeld te brengen en te reguleren. Om weerbaarder te worden tegen waterschaarste, werken we aan een nieuwe waterbeschikbaarheidsaanpak die eind 2027 wordt vastgesteld in het ontwerp NWP. Hierin wordt het advies uit de herijking van het Deltaprogramma van de Deltacommissaris meegenomen. Daarnaast zetten we breed in op het verbeteren van de waterkwaliteit. We voeren maatregelen uit om vervuiling terug te dringen, zoals strengere regels voor het lozen van chemische stoffen, bufferstroken langs landbouwpercelen en het natuurvriendelijker inrichten van watergangen. Deze inzet werpt zijn vruchten af: de waterkwaliteit in Nederland is over de lange termijn verbeterd. 2. Ontwerp een nationale strategie voor de drinkwatervoorziening: Toekomstagenda Drinkwater Bij het Commissiedebat Water van 25 juni jl. is toegezegd om begin 2027 te komen met een nationale strategie voor drinkwater waarin o.a. de adviezen van de Rli worden meegenomen. Hier wordt invulling aan gegeven in de vorm van een Toekomstagenda Drinkwater (werktitel) die onder regie van het ministerie IenW samen met de drinkwaterbedrijven, decentrale overheden en waterschappen wordt opgesteld. De hoofddoelstelling daarbij is een duurzame balans in vraag en aanbod van drinkwater van een goede kwaliteit en een toekomstbestendige drinkwatersector. Aan dit hoofddoel wordt gewerkt langs de volgende 5 beleidssporen: Voldoende drinkwater; Goede kwaliteit drinkwater; Bewust en zuinig drinkwatergebruik; Toekomstbestendige drinkwatersector; (Inter-)nationale wet- en regelgeving drinkwater. Als onderdeel van het derde spoor wordt, conform de toezegging aan lid Schutz, in de Toekomstagenda Drinkwater ook ingaan op de (innovatieve) mogelijkheden om lekkage uit drinkwaterleidingen tegen te gaan en op de effecten van tariefverhogingen (zoals o.a. toegepast door Brabant Water). 3. Zorg voor doorzettingskracht in het versnipperde bestuurlijke landschap Als systeemverantwoordelijke neemt het ministerie van IenW meer regie door het opstellen van bovengenoemde Toekomstagenda Drinkwater. Daarbij zal het ministerie de decentrale overheden blijven aanspreken op hun wettelijke zorgplichten voor de openbare drinkwatervoorziening. Hierdoor borgen we dat het nationale drinkwaterbeleid direct en dwingend doorwerkt in regionale en lokale ruimtelijke besluiten. Daarnaast blijven we hen aansporen om gebruik te maken van de mogelijkheden die de Omgevingswet- en de Drinkwaterwet- en regelgeving nu al bieden om daar waar nodig regionale projecten voor de uitbreiding van de productiecapaciteit van drinkwater te versnellen. De openbare drinkwatervoorziening is op grond van de Drinkwaterwet immers een dwingende reden van groot openbaar belang. 4. Creëer financiële ruimte voor noodzakelijke investeringen Het kabinet herkent de verwachte toename van de investeringsopgave van de drinkwaterbedrijven. Deze investeringen vragen veel kapitaal zoals de Rli ook opmerkt. Het wetsvoorstel, met maatregelen om de financiële gezondheid van drinkwaterbedrijven voor de korte termijn beter te borgen, ligt momenteel bij de Raad van State voor advies. Drinkwaterbedrijven krijgen met het wetsvoorstel meer mogelijkheden om hun eigen vermogen te versterken. Voor de langere termijn wordt op basis van inzicht in toekomstprognoses en de bijbehorende investeringsagenda’s samen met de drinkwatersector bezien of aanvullende maatregelen nodig zijn en zo ja, welke. 5. Stuur met prijzen en innovatie op vermindering van waterverbruik Met de uitvoering van het NPvA Drinkwaterbesparing, zoals hierboven omschreven, werkt het Rijk met veel actoren aan het terugbrengen van het gebruik van drinkwater door een combinatie van de instrumenten communiceren, stimuleren en reguleren. Beprijzen en innoveren maken daar onderdeel van uit. Eind 2024 is al een beleidslijn gedeeld met de Tweede Kamer over de beprijzing van water in de meest brede zin. Daarin is aangegeven dat de prijselasticiteit van drinkwater bij gebruik door huishoudens laag is waardoor verhoging van de prijs slechts een zeer beperkt effect heeft op de vraag naar water. In het kader van het hierna genoemde herijkte NPvA Drinkwaterbesparing wordt nader gekeken naar de prijselasticiteit van zakelijk drinkwatergebruik. De effecten van de recente aanpassingen van de Belasting op leidingwater (BOL) bieden hier een goede basis voor. Voor huishoudens wordt onderzoek gedaan naar de kansen voor de koppeling van de zuiveringsheffing aan de drinkwaterrekening. Met dit onderzoek geven we invulling aan de motie van het lid van Brenk. Mogelijk kan dit bewuster drinkwatergebruik stimuleren en bijdragen aan drinkwaterbesparing. Voor wat betreft innovatie zetten we in op concrete maatregelen, zoals het onderzoeken van de mogelijkheden voor het benutten van afvalwaterstromen van het ene bedrijf als proceswater voor het andere bedrijf (“watercascadering”) op bedrijventerreinen via gerichte pilots en het – onder voorwaarden van de Autoriteit Persoonsgegevens – opzetten van pilots met slimme watermeters om het besparingspotentieel bij huishoudens in kaart te brengen. Daarnaast zijn er voor ondernemers diverse financiële instrumenten zoals de MIA/VAMIL regelingen en zetten we het Nationaal Groeifondsprogramma UPPWATER in als aanjager voor de ontwikkeling en marktintroductie van innovatieve, duurzame watertechnologie. Waterketen In het Commissiedebat Water van 25 juni is aan het lid Kostić toegezegd om het tijdspad voor de aanpassing van de herziene Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater toe te sturen. De herziene richtlijn is in werking getreden op 1 januari 2025 (2024/3019, hierna: de herziene Richtlijn). Lidstaten hebben op grond van de richtlijn 30 maanden (2,5 jaar) de tijd om de richtlijn om te zetten in nationale wet- en regelgeving; te weten uiterlijk 31 juli 2027. Er wordt door het ministerie, in samenwerking met betrokken ministeries en medeoverheden, hard gewerkt aan de implementatie van de herziene richtlijn in Nederlandse wet- en regelgeving. Daarvoor moet een wetsvoorstel worden opgesteld om onder andere de Omgevingswet te wijzigen. Verder moeten algemene maatregelen van bestuur (in elk geval besluiten onder de Omgevingswet) en ministeriele regelingen worden opgesteld of gewijzigd. Het wetswijzigingstraject heeft de meeste prioriteit, vanwege de lange doorlooptijd. De internetconsultatie van de wetswijziging is op 22 september opengesteld en zal tot en met 3 november 2026 open staan. Het is gebruikelijk dat een half jaar na afronding en verwerking van de internetconsultatie de wetswijziging aan de Tweede Kamer kan worden voorgelegd. Parallel wordt gewerkt aan de algemene maatregelen van bestuur, waaronder het Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsbesluit. Wat betreft de implementatie van de artikelen 9 en 10 (uitgebreide producenten verantwoordelijkheid) wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, bladzijde 25 tot 29. Normen en koelwater Bestrijdingsmiddelen, mest en lozingen De Kamer heeft vragen gesteld over de harmonisatie van regels en normen voor bestrijdingsmiddelen, mest en water. In algemene zin vloeien deze normen voort uit Europese richtlijnen die een bepaald belang beschermen, zoals de KRW voor de toestand van het water. Daarbij wordt verwezen naar specifieke richtlijnen, zoals de Richtlijn prioritaire stoffen en de Drinkwaterrichtlijn. Andere Europese richtlijnen en verordeningen stellen regels aan bronnen die daarop van invloed zijn, zoals de Richtlijn behandeling van stedelijk afvalwater voor stedelijke lozingen, de Nitraatrichtlijn voor agrarische lozingen van meststoffen en de Europese Verordening gewasbeschermingsmiddelen en de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden voor gewasbeschermingsmiddelen. De Nitraatrichtlijn verwijst voor de bescherming van grondwater rechtstreeks naar een norm uit de Drinkwaterrichtlijn. Voor oppervlaktewater (inclusief de kustwateren) heeft de Nitraatrichtlijn als doel om overmatige toevoer van nutriënten (eutrofiëring) vanuit de landbouw te voorkomen. Hiervoor zijn de KRW-doelen bepalend. Daarbij is er soms ruimte voor de lidstaten om zelf invulling te geven aan normen, zodat deze goed passen bij de lokale situatie. Zo kunnen de biologische doelen per oppervlaktewaterlichaam verschillen en daarmee ook de nutriënt doelen die nodig zijn om die biologische doelen te bereiken. Het verder harmoniseren van deze normen gaat ten koste van het maatwerk en kan leiden tot een grotere opgave. Vervolgens is het aan de lidstaten om een effectieve manier te vinden om die doelen te bereiken, rekening houdend met dat er verschillende bronnen kunnen zijn voor bijvoorbeeld nutriënten in het oppervlaktewater (zoals vanuit de landbouw, rioolwaterzuiveringsinstallaties of bovenstrooms gelegen landen). In haar recente publicatie over de evaluatie van de Nitraatrichtlijn ziet de Europese Commissie geen aanleiding om de richtlijn aan te passen. Ze geeft aan dat de KRW goede invulling geeft aan het begrip ‘eutrofiëring’ en heeft toegezegd om samen met lidstaten te onderzoeken in hoeverre monitoring en rapportage verder geharmoniseerd kunnen worden. De Europese gewasbeschermingsverordening biedt gelegenheid om de normstelling van toelatingscriteria en KRW-milieukwaliteitsnormen beter op elkaar af te stemmen. Nederland is de eerste lidstaat die hiervoor een methodiek ontwikkelt. De Nederlandse toelatingsautoriteit, het College ter beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb), start vanaf begin 2027 met de herbeoordeling van middelen die stoffen bevatten die structureel de KRW-norm overschrijden. Daarnaast is er de wens om een gelijk speelveld binnen de EU te creëren door de normstelling van toelatingscriteria en KRW-milieukwaliteitsnormen voor in ieder geval geharmoniseerde prioritaire stoffen af te stemmen. De Europese Commissie is over deze wens ambtelijk geïnformeerd begin 2026. Veel verschillende Europese richtlijnen verwijzen veelal naar elkaar en zijn daarmee complementair. Normen zijn over het algemeen geharmoniseerd. Verdere harmonisatie is complex vanwege de verschillende doelen en bronnen. Wanneer er ruimte is voor nationale invulling van normen, kan verdere harmonisatie ten koste gaan van maatwerk en leiden tot een onnodig grote opgave. Er is wel ruimte voor verdere harmonisatie van de procedures die volgen uit de verschillende richtlijnen. Dit is onderdeel van de lopende onderhandelingen van de Milieuomnibus. Tot slot heeft Nederland op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen, zoals hierboven genoemd, nog wensen voor verdere harmonisatie. Koelwater Het lid Schutz heeft gevraagd geïnformeerd te worden over de effecten van koelwaterlozingen, inclusief het gevolg van het verlagen van de maximale temperatuur. Koelwater is in Nederland en in de door ons omringende landen belangrijk voor de elektriciteitsproductie en cruciaal voor de Nederlandse energievoorziening en diverse industrieën. Dat is al vele decennia een gangbaar gebruik. Koelwaterlozingen beïnvloeden de watertemperatuur, het water wordt in enige mate warmer. In grote en stromende wateren is de invloed geringer dan voor kleinere, ondiepe en niet of nauwelijks stromende wateren. Voor de ecologie, onze drinkwatervoorziening en voor de volksgezondheid is het van belang dat de watertemperatuur niet te hoog wordt. Daarom wordt al sinds de Europese Viswaterrichtlijn, de voorloper van de KRW, gestuurd op het voorkomen van te hoge watertemperaturen en vormde deze richtlijn een belangrijk kader voor de vergunningverlening. Vanuit de KRW zijn in Nederland doelen gesteld voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. De watertemperatuur is een onderdeel van deze doelen, zoals voorgeschreven vanuit de KRW. Dit betekent dat deze doelen onderdeel worden van de beoordeling vergunningaanvragen voor nieuwe koelwaterlozingen en bestaande vergunning daarop worden bezien. Daarvoor werken we aan de ontwikkeling van een beoordelingswijze waarin de koelwaterlozingen gerelateerd worden aan de doelstelling van de maximale watertemperatuur en beoordelen we de effecten op het gehele waterlichaam. Dat wil zeggen dat de temperatuur op het lozingspunt kan afwijken van de doel temperatuur van het gehele waterlichaam. Van belang in de beoordeling, gegeven de KRW, is dat een stijging van de watertemperatuur door koelwaterlozingen niet mag leiden tot structureel nadelige effecten voor de economie of ertoe leiden dat de doelen voor de waterkwaliteit niet (meer) worden bereikt. Uit uitgevoerde botsproeven en de KRW-monitoring blijkt dat er nog steeds ruimte beschikbaar is voor koelwaterlozingen in waterlichamen. Hoewel de doeltemperatuur voor veel waterlichamen veelal lager ligt dan de norm die we hanteerden met de Viswaterrichtlijn zien we geen directe gevolgen voor bestaande lozingen. Momenteel worden de doelen voor de watertemperatuur voor veel waterlichamen, waarop koelwaterlozingen plaatsvinden, gehaald. Aan het ontwerp van de beoordelingssystematiek, waarin de doeltemperatuur van een waterlichaam centraal staat, wordt momenteel de laatste hand gelegd. In samenhang met het NWP willen we eind dit jaar deze beoordelingssystematiek voor koelwaterlozingen voorleggen aan medeoverheden en koepels als VNO-NCW, VEWM en Energie Nederland. In het reeds uitgevoerde en nog te doorlopen ontwikkelproces voor dit ontwerp vindt op gezette momenten afstemming en inhoudelijk werkoverleg met deze partijen plaats. Overig Het lid Kostić heeft verzocht om een reactie op de signalen van onder meer de Algemene Rekenkamer dat het niet goed gaat met toezicht en de handhaving in het kader van het VTH-stelsel. Op 4 maart jl. publiceerde de Algemene Rekenkamer (hierna: AR) het rapport “Focus op industriële lozingen”, dat in zijn algemeenheid ingaat op de toestand van de rijkswateren, de concentratie van vijftien stoffen hierin over de afgelopen jaren en de relatie met het behalen van de KRW-doelen. Daarnaast heeft de AR gekeken naar de manier waarop het VTH-stelsel ten aanzien van lozingsvergunningen binnen Rijkswaterstaat is ingericht en functioneert. Rijkswaterstaat is namens mij bevoegd gezag voor VTH van ca. 700 lozingsvergunningen op rijkswateren. In de door mijn voorganger gegeven bestuurlijke reactie is een aantal bevindingen, met name in relatie tot het informatiebeheer binnen de VTH-keten bij Rijkswaterstaat, onderschreven. De door de AR gesignaleerde risico’s over de wijze waarop vergunningverlening en toezicht worden uitgevoerd, worden niet volledig herkend. Rijkswaterstaat erkent dat er verbeterpunten zijn, maar benadrukt dat er al veel gebeurt op met name het inhalen van de achterstand bij het actualiseren van lozingsvergunningen. Daarnaast onderschrijft Rijkswaterstaat het belang van het actualiseren van lozingsvergunningen in het kader van de KRW. Tegelijkertijd is dit op zichzelf niet voldoende om de KRW-doelen te behalen. De bijdrage van industriële lozingen aan de totale concentratie van stoffen in de rijkswateren is relatief beperkt. Andere bronnen, zoals de landbouw en verontreinigingen vanuit het buitenland, leveren een aanzienlijk grotere bijdrage. Alleen het actualiseren van de lozingsvergunningen leidt niet tot een grote verbetering van de waterkwaliteit. Het AR-rapport ondersteunt en geeft richting aan reeds binnen Rijkswaterstaat ingezette verbeteracties. Over laatstgenoemde acties is ook gerapporteerd in de Kamerbrief voor het Wetgevingsoverleg water van 27 januari 2026. In de Kamerbrief 19 juni jl. is ingegaan op de stand van zaken van de actualisatie van lozingsvergunningen bij Rijkswaterstaat. Tot slot heeft de Kamer gevraagd om een reactie op een aantal ‘position papers’ die zijn opgesteld vanwege het rondetafelgesprek van 24 juni 2026 jl. over de herziening van de KRW. Het kabinet heeft eerder aangegeven veel belang te hechten aan het effectiever maken van EU-wetgeving en regelgeving waarin bedrijven kunnen floreren, zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van de EU-wetgeving. Eveneens is daarbij benoemd dat het kabinet geen knelpunten ervaart bij projecten met kritieke grondstoffen in relatie tot de KRW en risico’s ziet bij eventuele versoepeling van de KRW-doelen, omdat dit negatieve gevolgen kan hebben voor Nederland als benedenstrooms land. Het kabinet steunt de ambitie van de KRW. Voldoende, schoon en gezond water is essentieel voor mens en natuur: voor ons drinkwater, voor onze landbouw en industrie, onze recreatie en als leefgebied voor dieren en planten. De KRW bevat hiervoor concrete doelen en een steeds groter deel van die doelen wordt bereikt. Indien een KRW-doel niet tijdig wordt behaald zijn er expliciete bepalingen in de richtlijn: de 'uitzonderingsmogelijkheden'. Daar heeft Nederland gebruik van gemaakt en dat zal ook gebeuren in de stroomgebiedbeheerplannen 2028-2033, die eind dit jaar ter inzage zullen worden gelegd. Onderdeel van de systematiek van de KRW is dat er nieuwe stoffen en normen worden toegevoegd en stoffen van de lijsten gaan, die geen probleem meer vormen. Bij nieuwe stoffen en normen gelden ook nieuwe termijnen die ruim na 2027 liggen. Tot slot is eerder al aangegeven dat Nederland niet structureel strengere normen hanteert dan andere lidstaten en zich waar nodig inzet voor verdere harmonisatie met het oog op een gelijk Europees speelveld. Bij de inbreng van Natuur en Milieu & Natuurmonumenten, Unie van Waterschappen, Havenbedrijf Rotterdam en LTO wordt ingegaan op het ‘one-out, all-out’-principe. Enerzijds wordt gepleit om dit te behouden, vanwege de schadelijkheid van cocktaileffecten van chemische stoffen. Anderzijds is er zorg vanwege de vergunningverlening en het niet-motiverende karakter. Eerder is aangegeven dat een lidstaat niet wordt afgerekend op basis van het ‘one-out, all-out’-principe: lidstaten worden afgerekend op doelbereik van de afzonderlijke parameters en dan met name op de onderbouwing van de legitieme uitzonderingen, die nodig zijn als een doel niet tijdig wordt bereikt. Verder wordt dankzij Nederland met de recente aanpassing van de KRW naast het ‘one-out, all-out’-principe een aanvullende indicator opgesteld door de Europese Commissie, waarmee beter is aan te geven welke ontwikkeling de waterkwaliteit doormaakt. Er is bij de indieners veel aandacht voor vervuiling afkomstig van bovenstroomse landen. Vorig jaar is de Kamer geïnformeerd dat er uitgebreid overleg is met buurlanden en dat de KRW een uitzonderingsmogelijkheid bevat, indien het niet halen van doelen wordt veroorzaakt door buitenlandse belasting. Op dit moment is niet duidelijk wanneer er een concreet voorstel zal worden gedaan om de KRW opnieuw te herzien. Volgens het Iers voorzitterschap zal dit in ieder geval niet eerder zijn dan in het laatste kwartaal van dit jaar. Kort voor de zomer is aangegeven dat in dat geval een volledige effectenbeoordeling (impact assessment) van een eventuele KRW-wijziging voor Nederland essentieel is en dat de Kamer hierover geïnformeerd zal blijven worden. Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd over de lopende toezeggingen en moties en de vragen van de Kamer zorgvuldig te hebben beantwoord. Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT, Vincent Karremans

Versie e84fcd00-7f7e-4fd2-87c4-5fbe0b61777a · Officiële bron.

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · 2144b6a5d479e60c

12 okt 2026 · 745a68788c08769f

12 okt 2026 · c5a5f14c77b247b5

Gegevens

Officiële bron
Tweede Kamer ↗

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.