KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda Landbouw- en Visserijraad van 21 en 22 oktober 2024 en appreciatie ICES vangstadviezen pelagische visbestanden (Kamerstuk 21501-32-1674)

16 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 14a529a92eb64904 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202521 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1677 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 oktober 2024 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur overde brief van 9 oktober 2024 inzake de geannoteerde Agenda Landbouw-en Visserijraad van 21 en 22 oktober 2024 en appreciatie ICES vangstad-viezen pelagische visbestanden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1674).De vragen en opmerkingen zijn op 14 oktober 2024 aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurvoorgelegd. Bij brief van 16 oktober 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,AardemaAdjunct-griffier van de commissie,Van den Brule-Holtjer kst-21501-32-1677ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16771 Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de verslagen,brieven, bijlagen en overige documentatie voorafgaand aan deLandbouw- en Visserijraad (LVR) op 21 en 22 oktober 2024 en hebbendaarover onderstaande opmerkingen en vragen aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.Producten andere EU-landenDe leden van de PVV-fractie vragen wederom aandacht voor de importvan producten uit landen buiten de Europese Unie (EU). Deze leden zijnvoor open handelsrelaties. Deze leden zien echter vaak dat in Nederlandhoge eisen aan de Nederlandse producten worden gesteld, terwijl inandere landen deze eisen een stuk lager liggen. Dit resulteert er veelal indat producten afkomstig uit landen buiten de EU goedkoper wordenaangeboden in bijvoorbeeld supermarkten waardoor er een oneerlijkeconcurrentie ontstaat. Deze leden vragen de Minister of er mogelijkhedenzijn om deze oneerlijke concurrentie tegen te gaan.AntwoordEisen die de Europese Unie (EU) stelt aan producten (productstan-daarden), zoals voedselveiligheidseisen, gelden onverkort voor alleimporten. Productiestandaarden zien daarentegen op regels over de wijzewaarop een product wordt geproduceerd, waarbij een spiegelmaatregeleenzijdig EU-productiestandaarden aan importen uit niet-EU-landenoplegt. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om op Europees niveaueisen te stellen aan de invoer van landbouwproducten die binnen de EUniet geproduceerd mogen worden, zoals aangegeven in het regeerpro-gramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96). Daarbij dient te wordenopgemerkt dat de EU tot op heden terughoudend is omgegaan metspiegelmaatregelen, omdat alle landen, net als de EU, het recht hebbenom hun eigen wet- en regelgeving in te richten. Handel zou al snelonmogelijk worden als ieder land zijn eigen productiestandaarden aanimporten uit andere landen zou opleggen. Bovendien kunnen spiegel-maatregelen negatieve gevolgen hebben voor de handelsrelatie metniet-EU-landen, indien EU-productiestandaarden een voorwaarde zijnvoor toegang tot de Europese markt. De mogelijkheid bestaat datniet-EU-landen tegenmaatregelen treffen of een spiegelmaatregel bij hetWereldhandelsorganistatie (hierna: WTO) geschillenbeslechtingssysteemaanvechten. Ook is het niet altijd zo dat de EU-standaarden hoger of beterzijn dan in derde landen. Bovendien geldt dat op basis van WTO-regelseen maatregel aantoonbaar moet bijdragen aan een legitiem beleidsdoelen niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk. Ook dient de EU rekeningte houden met de technische en economische haalbaarheid van controle-mechanismen. Dit blijkt uit het op 3 juni 2022 gepubliceerde rapport vande Commissie over de juridische haalbaarheid en rationale van hettoepassen van EU gezondheids- en milieunormen op ingevoerdelandbouw- en agrovoedingsproducten.1Antidumping onderzoek ChinaDe leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de antidumpingpro-cedure van China tegen Europees varkensvlees. Deze procedure kanresulteren in een inkomstenderving voor de varkenshouders van tien tot15 euro per varken. Deze enorme inkomstenderving zal de kostprijs voorde boer nog meer onder druk zetten. Deze leden vragen dan ook of deMinister deze mening deelt.1https://food.ec.europa.eu/system/files/2022-06/ia_environmental-standards-aw-report.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16772 AntwoordBij anti-dumpingonderzoek wordt er onderzocht of een marktpartij eenproduct exporteert tegen een prijs die lager is dan de prijs die het normaalop zijn eigen thuismarkt hanteert. Een dergelijk onderzoek kan, op basisvan de WTO-regels, door derde landen ingesteld worden. Zowel deEuropese Commissie (hierna: Commissie) als Nederland bieden indergelijke zaken ondersteuning bij de contacten met de, in dit geval,Chinese overheid. Ook hebben de Commissie en Nederland zich geregis-treerd in de zaak, naast de belanghebbenden. Omdat China voor de exportvan de zgn. incourante producten naar China, zoals poten, koppen,staarten etc., een belangrijke afzetmarkt is, volgt Nederland dezeonderzoeken van China nauwlettend. De Commissie zal nauw toezien ophet correct verloop van de onderzoeken conform de regels van de WTO.Op dit moment liggen de prijzen voor varkenskarkassen in Nederland ende EU in het algemeen op een redelijk niveau, boven het vijf-jaarlijksegemiddelde. Producenten zouden afgelopen jaar voldoende margehebben moeten kunnen overhouden om eventuele prijsdalingen in denabije toekomst op te kunnen vangen, in het geval dat de uitkomsten vande anti-dumpingsprocedure van China tegen Europees varkensvlees eennegatief effect hebben op de Europese markt. De varkensvleessector kentals geen ander een patroon van stijgingen en dalingen (de varkenscyclusgenoemd).Toelating gewasbeschermingsmiddelenDe leden van de PVV-fractie zien dat de toelating van (biologische)gewasbeschermingsmiddelen tot de Nederlandse markt lang op zich laatwachten. Om gewasbeschermingsmiddelen uit te kunnen sluiten vangebruik zullen er eerst vervangende middelen beschikbaar moeten zijn.Ondanks het weerbaarder maken van teelten zal een gewasbescher-mingsmiddel in de meeste gevallen nodig blijven. Deze leden zien wel datde intensiteit en hoeveelheden gewasbeschermingsmiddelen enormreduceren door onder andere de innovatie van spuittechnieken.Deze leden vragen de Minister of zij kan bevestigen dat er wordt gewerktaan het sneller toelaten van gewasbeschermingsmiddelen.AntwoordJa, dat kunnen wij bevestigen. Op nationaal niveau zijn diverse stappengezet voor versnelde toelatingsprocedures bij het College voor detoelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Het Ctgbheeft sinds 1 januari 2024 een verduurzamingsloket. Via dit loket wordenaanvragen voor gewasbeschermingsmiddelen die bijdragen aan eenduurzame landbouw met voorrang in behandeling genomen. Het Ctgbheeft daarnaast recentelijk de vereenvoudigde procedure voor deuitbreiding van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel metkleine toepassingen uitgebreid. Het gaat om een nog laagdrempeligere,administratieve route voor laagrisicomiddelen. Tot slot krijgen laagrisico-middelen voorrang bij de toelatingen die worden gefinancierd vanuit hetfonds kleine toepassingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben te beginnen vragen metbetrekking tot de onderzoeken vanuit het Chinese Ministerie van Handel(MOFCOM), waarover de bewindspersonen zeggen dat deze NederlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16773 producenten en exporteurs kunnen raken. Deze leden vragen wat debewindspersonen hier precies mee bedoelen en wat «aandacht vragenvoor» deze onderzoeken tijdens de Raad inhoudt. Welke zorgen hebben debewindspersonen over (de gevolgen van) deze onderzoeken en welkesteun vragen zij van de Commissie en andere lidstaten?AntwoordVoor Nederlandse producenten en exporteurs is China een belangrijkeafzetmarkt van zgn. incourante varkensvleesproducten (zoals poten,koppen, staarten etc.) en de in het anti-subsidieonderzoek onderzochtezuivelproducten (kaas, melk en room met meer dan 10% vetgehalte).Nederland zal de Commissie oproepen deze anti-dumping- enanti-subsidieonderzoeken nauwlettend te blijven volgen, om de legitiemebelangen van de EU-markt en Nederlandse marktpartijen te beschermenwaar dat gerechtvaardigd en nodig is, en om de onderzoeken te beoor-delen op conformiteit met de regels van de WTO.Het gebruik van handelsdefensieve maatregelen als tegenmaatregel isbijvoorbeeld in strijd met de WTO-regels. Als China zich volgens deCommissie niet aan het WTO-recht houdt, start de EU een geschillenbe-slechtingsprocedure bij de WTO. Zo is de EU al een dergelijke proceduregestart in het Chinese anti-subsidieonderzoek naar zuivelproducten uit deEU, Nederland steunt deze EU-inzet. Ook heeft de EU aangekondigdvoornemens te zijn een geschil aan te spannen bij de WTO tegen devoorlopige anti-dumpingmaatregelen op cognac uit de EU. Tegelijkertijdblijft de EU in gesprek met China. Niemand is gebaat bij een handels-oorlog. Via dialoog wordt getracht tot een oplossing te komen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien ten aanzien van de aan tenemen Raadsconclusies over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid(GLB) terechte waardering voor de agrarische collectieven die hieruitworden gefinancierd en aan natuurbeheer doen. Wat bedoelen debewindspersonen met «aandacht vragen» voor hun succesvolle inzet? Opwelke manier willen de bewindspersonen de inzet van collectieven voornatuurbeheer terugzien in de Raadsconclusies?AntwoordDe Nederlandse systematiek van collectieven in het agrarisch natuur-beheer is uniek in Europa. Om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid(hierna: GLB) goed te laten aansluiten bij de werking van deze collectievenis het noodzakelijk aandacht te vragen voor het bestaan van de collec-tieven, zodat soms specifieke regels iets aangepast worden waardoorwerken met collectieven mogelijk blijft. Aangezien andere lidstaten zeldencollectieven hebben binnen het agrarisch natuurbeheer vragen zij hiergeen aandacht voor en daarom doen wij dit, om inderdaad deze collec-tieven zo goed mogelijk te blijven ondersteunen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen de teleurstelling van debewindspersonen over het besluit van het European Parliament’sCommittee on Fisheries (PECH)-comité om de 5% procent-regel niet tebehandelen. De bewindspersonen verwijzen naar andere mogelijkhedenvanuit de Meerjarenplannen van de Europese Commissie (EC) omvisbestanden te herstellen. Welke mogelijkheden zijn dit en hoe kunnendeze worden versterkt om alsnog te komen tot houdbare en bewezeneffectieve maatregelen die visbestanden laten herstellen, bovenop deonzekere 5%-regel waar de bewindspersonen geen vertrouwen inhebben?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16774 Het volgen van de 5%-regel kan ertoe leiden dat de vangstadviezen nietkunnen worden gevolgd en dat het geen ruimte laat om sociaal-econo-mische gevolgen mee te wegen.Naast de 5%-regel bieden meerjarenplannen de ruimte om andereaanvullende maatregelen te nemen. Hierbij kan gedacht worden aangerichte technische maatregelen, zoals het verplicht stellen van specifiekevistuigaanpassingen, het opleggen van beperkingen of een visverbod metbepaalde vistechnieken, in bepaalde gebieden of bepaalde periodes, hetgebruik van specifieke maaswijdtes ten behoeve van een selectieverevisserij of het verplicht stellen van een minimum aanlandingsmaat.Voorgenomen maatregelen, of een combinatie van maatregelen, wordenop effectiviteit beoordeeld door het Wetenschappelijk, Technisch enEconomisch adviescomité van de Europese Commissie (STECF).De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat over deuitdagingen in de landbouwketen de bewindspersonen aangeven dat(jonge) bedrijfsopvolging een hoofdpunt is. Welke specifieke acties ofmaatregelen heeft Nederland nodig vanuit de EC om deze uitdaging te lijfte gaan?AntwoordGeneratievernieuwing op het boerenerf is belangrijk voor de toekomstigesociale, economische en ecologische duurzaamheid van plattelandsge-bieden en de voedselzekerheid en strategische autonomie in Nederlanden in de EU.Daarom hebben instrumenten voor generatievernieuwing een belangrijkeplek in de Nationaal Strategische Plannen uit het GLB. Jonge boerenhebben een duidelijke behoefte aan (financiële) ondersteuning bijbedrijfsovername of het starten van een bedrijf. Daarom is het belangrijkdat de Commissie ook in de volgende GLB-periode jonge landbouwersondersteunt. Dit kan specifiek in de vorm van bijvoorbeeld de vestigings-steun, samenwerkingsregelingen om landbouwgrond toegankelijker temaken, of investeringssteun door verhoogde subsidiepercentages voorproductieve investeringen.Verder missen deze leden de aandacht voor biologische agricultuur alsoplossing voor de klimaat- en biodiversiteitsproblematiek die onsvoedselsysteem bedreigt. Op termijn achten deze leden het noodzakelijken onvermijdelijk dat een veel groter aandeel van de Nederlandseagricultuur zal bestaan uit biologische teelt om een gezonde bodem teverzekeren voor toekomstige generaties. Daarom vinden zij het essentieeldat de biologische sector wordt geholpen met een eerlijke prijs voor haarproduct: dat de afzetmarkt vergroot en dat biologische bedrijfsvoering ennatuurbeheer aantrekkelijk wordt voor zo veel mogelijk boeren. Is dit ookde inzet van Nederland? Zo niet, zijn de bewindspersonen bereid om ookexpliciet de uitdagingen van de Nederlandse biologische sector tebenoemen in dit overleg?AntwoordWij vinden het belangrijk dat alle boeren een eerlijke prijs krijgen voor hunproduct, dat geldt ook voor biologische boeren. Met het Actieplanbiologische landbouw zetten wij expliciet in op het vergroten van deafzetmarkt. Daarnaast hebben wij structureel financiële middelengereserveerd om agrarisch natuurbeheer te stimuleren. Ook valt eenbiologisch bedrijf dat voldoet aan de conditionaliteiten, automatisch in hetniveau van goud binnen de ecoregeling van het GLB. In de Raad zal deMinister onder meer ingaan op de uitdagingen om onze robuustevoedselvoorzieningsketen weerbaar te houden in de toekomst. Dat zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16775 niet alleen de uitdagingen voor de biologische sector, maar voor degehele Nederlandse en Europese landbouw.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tot slot grote zorgenover het makreelbestand. Kunnen de bewindspersonen toelichten welkegevolgen een ongezonde makreelpopulatie heeft op het onderzeeseecosysteem? Vinden zij net als deze leden dat er specifieke acties nodigzijn om het makreelbestand te doen herstellen? Welke maatregelen zijndat? Ook willen deze leden weten hoe de bewindspersonen de afgenomenmakreelpopulatie verklaart. Betekent dit volgens de bewindspersonen dathuidige acties en vangstadviezen onvoldoende effectief zijn gebleken?Dwingt dat nu tot hardere ingrepen om de makreelpopulatie te herstellen,om zo de natuur te beschermen en op termijn weer voldoende vangstmo-gelijkheden voor vissers te verzekeren? Als zij die noodzaak niet zien,kunnen de bewindspersonen dan onderbouwen dat de bijgesteldeInternational Council for the Exploration of the Sea (ICES)-adviezenvoldoende zijn om de makreelpopulatie te herstellen?AntwoordHet makreelbestand als deel van het onderzeese ecosysteem dient binnenveilige biologische grenzen beheerd te worden. Dit houdt in dat watbetreft de toegestane visserijdruk per jaar onafhankelijk en geborgdvangstadvies van wetenschappers wordt gevraagd op maximaalduurzame oogst (Maximum Sustainable Yield). Dit vangstadvies is hetuitgangspunt van de EU bij de onderhandelingen over makreel metderde landen. Om te voorkomen dat het makreelbestand stelselmatigzwaarder wordt bevist dan wat wetenschappelijk geadviseerd wordt, isallereerst politieke wil bij de beheerverantwoordelijke kuststaten nodigom afspraken te maken over een goede verdeling van de vangstmogelijk-heden, zodat de makreelpopulatie zich kan herstellen. Recent heeft deCommissie een voorstel gedaan om Verordening 1026/2012 betreffendebepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbe-standen ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten uit2012 te herzien met enkele technische aanpassingen. De verordeningregelt dat beperkingen aan derde landen kunnen worden opgelegd voorde handel van visserijproducten uit niet-duurzaam beheerde bestandennaar de EU. Wij bestuderen dit voorstel nog en zullen op korte termijn deKamer hierover informeren.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda. Daarover hebben deze leden nog wel enkele vragen.De leden van de VVD-fractie constateren dat de lidstaten tijdens deaankomende LVR waarschijnlijk zullen instemmen met de Raadscon-clusies over een op landbouwers gericht GLB post 2027. Deze ledenconstateren dat in de conclusies het behoud van twee pijlers wordtbepleit, waaronder de bestaande eerste pijler met onvoorwaardelijkeinkomenssteun in de vorm van hectarepremie. Dit uitgangspunt staatvolgens deze leden haaks op een recent uitgelekte presentatie van de EC,waarin de volgende begroting flink op de schop gaat voor de tweebelangrijkste geldstromen uit Brussel: het GLB en de Cohesiefondsen.Graag vernemen deze leden wat de opvatting van het kabinet hierover is.Deelt de Minister de mening dat hier een strijdigheid zichtbaar is tussende conclusies van de Raad enerzijds en de ambitie van de EC anderzijds?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16776 De concept-Raadsconclusies van het Hongaars voorzitterschap liggenvoor in de aankomende Raad. Ten aanzien van de volgende begroting ligter op dit moment geen concreet voorstel van de Commissie. Als hetvoorstel er komt, dan zal het kabinet te zijner tijd zijn positie hieropbepalen.Deze leden vernemen in de geannoteerde agenda dat «de inzet vanNederland is dat het GLB meer resultaatgericht moet worden en datdoelgerichte betalingen moeten worden uitgebreid». Zegt de Ministerhiermee in andere woorden dat zij de afbouw van hectarepremie tenopzichte van betalingen voor activiteiten die bijdragen aan milieu- enklimaatdoelstellingen bepleit? Graag ontvangen deze leden eentoelichting hierop.AntwoordHet nieuwe prestatiemodel beoogt de publieke GLB-gelden zo resultaatge-richt mogelijk in te zetten en te laten aansluiten bij nationale opgaven. Eenmeer resultaatgericht GLB met uitbreiding van doelgerichte betalingenkan wat ons betreft ook met hectarepremies. De ecoregeling is daar eenvoorbeeld van. Hoe de verdeling tussen basisbetalingen en doelgerichte(hectare)betalingen wordt vormgegeven, was bij het huidige GLB deelseen nationale keuze en onderdeel van de structuur van het NationaalStrategisch Plan. Doelgerichte betalingen slaan daarnaast ook opregelingen voor plattelandsontwikkeling, kennis en innovatie, investe-ringen en jonge boeren.De leden van de VVD-fractie vernemen tot slot graag van de Minister opwelke wijze zij zich en marge van de LVR zal inzetten om de in hethoofdlijnenakkoord (HLA)(bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37) bepleitederogatie op de Nitraatrichtlijn te verkrijgen. Welke stappen onderneemtzij gedurende haar bezoek in Brussel hiertoe en op welke wijze wordt deKamer geïnformeerd over de voortgang hiervan? Is de Minister nog altijdoptimistisch over de kans op het verkrijgen van derogatie voor 2025 en2026, hetgeen haar opdracht is in het HLA en welke vervolgstappen is zijvoornemens hiertoe te nemen na deze LVR?AntwoordWij zullen ten algemene de situatie in Nederland onder de aandachtblijven brengen bij onze Europese collega’s. Aankomende Raad heeft deMinister daarom verschillende bilaterale gespreken, waar dit voorNederland belangrijke onderwerp wederom onder de aandacht gebrachtzal worden. Zoals aangegeven tijdens het debat over de wijziging van deMeststoffenwet op 7 oktober jl., vinden er ook met de Commissiegesprekken plaats op ambtelijk en politiek niveau. Daarbij moet de kortetermijn waarop een nieuw College van Commissarissen zal beginnen inogenschouw genomen worden.Over de inzet van het kabinet ten aanzien van de evaluatie van deNitraatrichtlijn en de derogatie is de Kamer geïnformeerd in de Kamer-brief van 13 september jl. (Kamerstuk 33 037-559). Wij blijven ervanovertuigd dat een nieuwe derogatie voor Nederland te verantwoordenvalt. Wij zullen echter hiertoe wel moeten laten zien dat we als Nederlandook concrete stappen nemen op het vlak van water- en milieukwaliteit.Uiteraard zullen wij de Kamer blijven informeren over de ontwikkelingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voorde LVR van 21 en 22 oktober 2022 en hebben nog enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16777 De leden van de NSC-fractie lezen dat het Hongaars voorzitterschapernaar streeft om in de Raad conclusies vast te stellen over het GLB na2027. De Minister geeft aan het verminderen van de complexiteit en deadministratieve lasten van het GLB prioriteit te geven. Deze leden vragende Minister hoe zij dit vorm zou willen geven. Welke afspraken wil zijbereiken om een verminderde complexiteit te waarborgen?AntwoordVerminderde complexiteit en betere uitvoering zijn noodzakelijkevoorwaarden om de doelen van het GLB te kunnen halen. Wij pleiten voormeer subsidiariteit op Europees niveau, zodat lidstaten meer ruimtehebben om de GLB-regels en GLB-gelden te laten aansluiten bij denationale geografische omstandigheden en uitdagingen. Het nieuweprestatiemodel heeft de lidstaten die ruimte gegeven via de NationaalStrategische Plannen. Wij zijn voorstander van het nieuwe prestatiemodelen willen het verbeteren, bijvoorbeeld door het vaker mogelijk te makeneen wijziging door te voeren als we tegen praktische uitvoeringspro-blemen aanlopen op het boerenerf. Het nieuwe prestatiemodel is pas in2023 ingevoerd en dit vroeg veel van de uitvoeringsdiensten enICT-systemen. Het nieuwe prestatiemodel moet zeker beter en eenvou-diger, maar wij zetten daarbij in op een doorontwikkeling in plaats vanweer een nieuw systeem met bijkomende administratieve lasten.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Minister met name in wil zettenop het verdienvermogen van de agrariër bij de komende gesprekken overhet GLB. Welke rol ziet de Minister daarin voor de eco-medailles? Deelt deMinister de mening dat de eco-medailles een nog grotere rol kunnenspelen in het nieuwe GLB, bijvoorbeeld door de middelen nog meer teverschuiven van de basispremie naar de eco-regeling? Is de Ministerbereidt zich hier in Brussel hard voor te maken?AntwoordDe ecoregeling kan zeker ook een bijdrage leveren aan het verdienver-mogen van de agrariër en zorgen voor een aanvullend inkomen naast demarkt. Boereninkomen is voor ons belangrijk en dat kan op meerderemanieren versterkt worden. Denk daarbij aan inzet op innovatie, kennis,het versterken van het concurrentievermogen en de positie van de boer inde keten. Inderdaad is ook het beter belonen van de diensten die boerenleveren voor natuur en milieu via de ecoregeling en het agrarischnatuurbeheer een waardevolle toevoeging. Het nadenken over hettoekomstige GLB is pas net begonnen en besluiten over de toekomstigeverdeling van gelden zijn nog niet genomen, maar wij zien een serieuzerol voor de ecoregeling en het agrarisch natuurbeheer in het toekomstigeGLB, omdat ze bijdragen aan meerdere doelen: het halen van de doelenvoor natuur, milieu en klimaat, het behoud van cultuurlandschap en ookhet versterken van het boereninkomen.De leden van de NSC-fractie lezen dat Von der Leyen recentelijk heteindrapport van de Strategische Dialoog over de toekomst van delandbouw in EU ontving. Deze leden zijn benieuwd naar de kijk van deMinister op dit eindrapport. Is zij van plan dit rapport, net als de EU, meete nemen in een ontwikkeling van een visie op de landbouw? Werkt zij aaneen integrale visie op natuur, landbouw en platteland zoals door de Kameris uitgesproken in de motie van het lid Holman (Kamerstuk 36 410-XIV,nr. 55)?AntwoordHet rapport over de Strategische Dialoog over de toekomst van delandbouw in de EU geeft richting hoe het landbouw-voedselsysteemverder te versterken, met oog voor betere economische winst, meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16778 milieuduurzaamheid en sociale verantwoordelijkheid. De resultaten vandit rapport zullen een belangrijke leidraad vormen voor de Landbouw- enVoedselvisie die de nieuwe Commissie in de eerste honderd dagen nahaar aantreden zal presenteren (voorjaar 2025). Wij zullen de uitkomstenvan het rapport betrekken in de in het regeerprogramma aangekondigdeNationale Voedselstrategie en de Kamer op een later moment informerenover de contouren, op inhoud en het proces, van deze strategie.De leden van de NSC-fractie maken zich zorgen om de handelsrelatie metChina. Deze leden lezen dat ook Nederlandse producenten en exporteursdoor de Chinese onderzoeken kunnen worden geraakt. Hoe schat deMinister de kans in op tarieven zoals recent met Franse cognac is gebeurdvoor Nederlandse producten? Heeft de Minister een plan B klaarliggen alsonze exportmarkt naar China onder druk komt te staan?AntwoordOp dit moment lopen de onderzoeken nog. Het is daarom lastig in teschatten welke conclusies en mogelijke maatregelen hieruit zullen volgen.Nederland staat in nauw contact met de Commissie ten aanzien van devoortgang van de Chinese onderzoeken en heeft zich als belanghebbendegeregistreerd. Ook staan wij in nauw contact met de sector in Nederland.Het gebruik van handelsdefensieve maatregelen als tegenmaatregel is instrijd met de WTO-regels. Als China zich volgens de Commissie niet aanhet WTO-recht houdt, start de EU een geschillenbeslechtingsprocedure bijde WTO. Zo is de EU al een dergelijke procedure gestart in het Chineseanti-subsidieonderzoek naar zuivelproducten uit de EU, Nederland steuntdeze EU inzet. Ook heeft de EU aangekondigd voornemens te zijn eengeschil aan te spannen bij de WTO tegen de voorlopige anti-dumping-maatregelen op cognac uit de EU. Tegelijkertijd blijft de EU in gesprek metChina. Niemand is gebaat bij een handelsoorlog. Via dialoog wordtgetracht tot een oplossing te komen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet verslag van de LVR van 23 september 2024. Deze leden hebbendaarover een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie begrijpen dat een aantal lidstaten diegeconfronteerd zijn geweest met extreme weersomstandigheden hebbengevraagd om meer flexibiliteit in het GLB, en dat die lidstaten ook omaanpassing van de mogelijkheden tot het gebruik van de crisisreserveshebben gevraagd. Welke lidstaten waren dat? Wat is de mening van deMinister ten aanzien van deze vragen?AntwoordTijdens de Raad van 23 september jl. heeft Commissaris Wojciechowskistilgestaan bij de slachtoffers van onder meer de overstromingen indiverse Europese landen als gevolg van storm Boris en andere extremeweersomstandigheden, waarbij hij aangaf de mogelijkheden te willenonderzoeken om op verzoek van de getroffen landen instrumenten in tezetten om de getroffen boeren te ondersteunen. De Minister heeftsympathie uitgesproken met de getroffen boeren in deze landen enaangegeven dat het in het algemeen belangrijk is dat wij met het GLBboeren ondersteunen om de weerbaarheid van de landbouw te vergroten.De leden van de BBB-fractie constateren dat een aantal lidstatendaarnaast aanspraak heeft gemaakt op de crisisreserve vanwegedierziekten, weersomstandigheden en handelsmaatregelen. Is er eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 16779 overzicht van welke landen aanspraak hebben gemaakt op de crisisre-serves en vanwege welke redenen? Is er ook een overzicht van detoegekende crisisreserves? Hoeveel geld is er in totaal beschikbaar via decrisisreserves en is de Minister van plan om ook aanspraak te maken opde reserves in verband met de blauwtongcrisis in Nederland, zoals dezeleden eerder aan de Minister hebben gevraagd?AntwoordIn het Europese financiële jaar 2023–2024 heeft de Commissie tot opheden ca. 295 miljoen euro beschikbaar gesteld als gedeeltelijke bijdragebij het opvangen van de schade door extreme weersomstandigheden(overstromingen, droogte, bosbranden, extreme vorstschade) in diverseEuropese landen die om een financiële bijdrage hebben gevraagd,waaronder Griekenland, Slovenië, Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland,Duitsland, Roemenië, Bulgarijë en Italië. Voorts is beperkt budget ingezetvoor een (gedeeltelijke) tegemoetkoming in de marktschade als gevolgvan vogelgriep in Italië en marktverstoring in de wijnbouw in Portugal.Voor een overzicht naar Europese steunmaatregelen in de landbouw in deperiode van 2014 tot december 2023 verwijzen wij de Kamer naar hetrapport van de Commissie hierover dat begin dit jaar is gepubliceerd.2De landbouwreserve omvat 450 miljoen euro op de EU-begroting datonder voorwaarden kan worden gebruikt binnen de kaders van deGemeenschappelijke Marktordening. Als de reserve in een Europeesfinancieel jaar niet wordt gebruikt, dan blijft deze reserve staan voor hetjaar erop. Als de reserve wel wordt uitgegeven, dan moet in het jaar eropopnieuw worden bekeken of er binnen de Commissie budget vrij te makenvalt om de reserve aan te vullen. Anders wordt teruggevallen op de«financiële discipline» en zal de landbouwreserve worden gevoed viainhouding van een klein percentage op de directe betalingen aanlandbouwers in de EU.Nederland is altijd terughoudend geweest met de inzet van de landbouw-reserve. Schade door dierziekten is het risico van de houder. Steun vanuitde overheid is te verantwoorden als blijkt dat er sprake is van zeerernstige marktverstoringen, zoals het omvallen van een gehele sector alsgevolg van dierziekten. De economische effecten van de blauwtonguit-braken in de schapensector zijn op dit moment nog niet bekend. Daaromlaten wij hier onderzoek naar doen. De uitkomsten worden in januari 2025verwacht. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zullen wij bezienwat nodig is voor een duurzaam toekomstperspectief van de schapen-sector in Nederland.De leden van de BBB-fractie lezen met veel belangstelling alle inzet op hetgebied van de visserij. Deze leden begrijpen uit het verslag dat delidstaten de gelegenheid hebben gekregen om hun prioriteiten kenbaar temaken in de gedachtewisseling over de onderhandelingen met hetVerenigd Koninkrijk (VK), Noorwegen en de Atlantische Kuststaten. Dezeleden vragen welke prioriteiten de Staatssecretaris bij die gedachtewis-seling te berde heeft gebracht. Daarnaast hopen deze leden dat deStaatssecretaris zich blijvend kan inzetten om betrekkingen met debetrokken onderhandelaars warm te houden en zo de onderhandelingensoepel te laten verlopen.AntwoordZoals wij hebben aangegeven in de geannoteerde agenda voor de Raadvan 23 september jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1668) en het verslag van2EU exceptional market measures enhance the agricultural sector’s resilience amidst crises –European Commission (europa.eu)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167710 dezelfde Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1673) is ten behoeve van devangstonderhandelingen onder meer aandacht gevraagd voor hetverzekeren van toegang tot de Noordzee en andere wateren. Ook hebbenwij het belang van een eerlijke afweging tussen de milieudoelstellingen ende sociaaleconomische doelstellingen van het GemeenschappelijkVisserijbeleid aangegeven. Ten aanzien van makreel is de inzet dathistorische verdelingsarrangementen uitgangspunt dienen te zijn enblijven vanuit het oogpunt van duurzaam bestandsbeheer en stabiliteitvoor de visserijondernemingen. In de onderhandelingen met Noorwegen,waar afspraken worden gemaakt over het ruilen van diverse visquota entoegang tot elkaars wateren, is de inzet een eerlijke verdeling tussen deEU-lidstaten in de uitruil van visbestanden evenals het beëindigen van deNoorse boomkorban, waarvoor geen wetenschappelijke basis is.De leden van de BBB-fractie zijn verheugd om te lezen dat de Staatssecre-taris de Noorse boomkorban ter sprake heeft gebracht en willen daarvoorhun waardering uitspreken. Deze leden vragen wat de reactie van deverschillende andere lidstaten daarop was. Zij vragen ook wat de reactievan andere lidstaten was op de inbreng van de Staatssecretaris over deduurzame technieken die helaas verboden blijven in de EU. Ziet deStaatssecretaris dat er medestanders zijn in andere EU-lidstaten over datonderwerp?AntwoordDe zorgen van de Staatssecretaris over de ban op de boomkor in Noorsewateren maken deel uit van zijn inzet voor de onderhandelingen van deCommissie met Noorwegen. De besprekingen in de Raad over hetmandaat van de Commissie om met Noorwegen te onderhandelen zijnvertrouwelijk. De Staatssecretaris kan dan ook niet aangeven wateventuele standpunten van andere lidstaten hierover zijn. Op de inbrengvan de Staatssecretaris over verboden duurzame technieken in de EUhebben andere EU-lidstaten niet gereageerd.De leden van de BBB-fractie constateren dat de aankomende benchmarkvoor ansjovis en de vergelijking met Noordzeetong en zeeduivel ook nogeen aantal vragen oproepen. Zo vragen deze leden wanneer debenchmark voor ansjovis wordt verwacht en of er binnenkort voor anderesoorten ook een benchmark is te verwachten. Bovendien zouden dezeleden graag van de Staatssecretaris horen of duidelijk is waarom debenchmark voor een aantal soorten een ander beeld laat zien dan deonderzoeken om de vangstquota vast te stellen. Is dat een teken dat deonderzoeken naar vangstquota mogelijk niet passend zijn, of is er eenandere reden voor de grote afwijkingen?AntwoordDe benchmark voor ansjovis heeft plaatsgevonden op 23–27 september jl.Het rapport van de benchmark met de uitkomsten wordt binnenkortverwacht. Voor andere bestanden die voor Nederland belangrijk zijn,staan de komende maanden benchmarks voor zeebaars en voor Atlanto-Scandian haring en makreel op de planning bij de Internationale Raadvoor Onderzoek naar Zee (hierna: ICES).ICES levert jaarlijks vangstadviezen op voor bestanden op basis van eenmodel waarvan de randvoorwaarden, zoals de datavoorziening, voorafzijn vastgesteld binnen ICES. ICES voert eens in de paar jaar benchmarksuit om wetenschappelijke modellen te herijken op basis van onder meernieuwe data of nieuwe inzichten in de wetenschap. De benchmarksworden uitgevoerd om te zorgen dat modellen voor vangstadviezenoptimaal functioneren op basis van de best beschikbare wetenschap. Deuitkomsten van de benchmark kunnen leiden tot grote of minder grotebijstellingen in vangstadviezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167711 De leden van de BBB-fractie hebben ook de geannoteerde agenda metveel interesse gelezen. Deze leden vragen waarom er juridische onduide-lijkheid is over de toepassing van het «5%-artikel». Daarnaast willen dezeleden graag weten welke landen naast Nederland staan in de wens om de5%-regel te verwijderen.AntwoordIn de meerjarenplannen voor de Oostzee, de Noordzee en de Westelijkewateren is opgenomen dat de vangstmogelijkheden zodanig moetenworden vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder debiologische grenswaarde komt, niet meer dan 5% bedraagt.In bepaalde omstandigheden kan de onverkorte toepassing van de5%-regel echter leiden tot een situatie die onverenigbaar is met de andereregels van de meerjarenplannen voor de vaststelling van vangstmogelijk-heden, zoals de regel dat de vangstmogelijkheden worden vastgesteldbinnen de bandbreedtes van het advies van ICES. Daarnaast kunnen ermogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen zijn.Dit betekent ten eerste dat onverkorte toepassing van de 5%-regel zoubetekenen dat de wetenschappelijk geadviseerde vangstmogelijkhedenniet kunnen worden vastgesteld en dat de gerichte visserij moet wordenopgeschort. Ten tweede vereisen de vrijwaringsbepalingen in demeerjarenplannen de vaststelling van herstelmaatregelen om het bestandbinnen biologisch veilige grenzen te brengen. Dit gebeurt op basis vaneen beoordeling per geval van de geschiktheid van een dergelijkemaatregel overeenkomstig de in de meerjarenplannen vastgesteldecriteria. Bovendien wordt in de meerjarenplannen verwezen naar demogelijkheid, en niet naar de verplichting, om de gerichte visserij op teschorten, op voorwaarde dat een dergelijke maatregel passend wordtgeacht volgens de in de meerjarenplannen vastgestelde criteria. Daaromhad de Commissie voorgesteld om de 5%-regel in de meerjarenplannen teschrappen. Het voorstel had brede steun binnen de Raad.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast of deKamer op de hoogte kan worden gehouden van het voorstel van de ECvoor de onderhandelingsinzet op de vijf grote pelagische bestanden,zodra die door de EC worden gedeeld.AntwoordHet voorstel van de Commissie voor de onderhandelingsinzet op de vijfgrote pelagische bestanden is niet openbaar en kan derhalve niet met deKamer gedeeld worden. Over het verloop en de resultaten van deonderhandelingen zullen wij de Kamer te zijner tijd op de gebruikelijkewijze via de geannoteerde agenda’s of verslagen van de Raad informeren.De leden van de BBB-fractie hebben ook het verslag van de informele LVRgelezen en hebben ook daar enkele vragen over. Zo vragen deze leden ofde Minister een overzicht kan geven van de technische punten die nogverder moeten worden uitgewerkt met betrekking tot RENURE en welkeinvloed de Minister op de uitwerking van die punten kan uitoefenen, alsdat nodig is.AntwoordDe besprekingen over het RENURE-voorstel zijn een vertrouwelijk proces.Wij streven naar een voor Nederland zo goed mogelijk uitvoerbaarvoorstel. Daarover voeren wij gesprekken met de Commissie en anderelidstaten op verschillende niveau’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167712 De leden van de BBB-fractie hebben tot slot met veel interesse kennisge-nomen van de verschillende Nederlandse standpunten inzake deonderwerpen die in stemming worden voorgelegd aan het eerstvolgendeSCoPAFF. Deze leden vragen in verband daarmee of het College voor detoelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeftaangegeven hoe lang de respijtperiode van respectievelijk het intrekkenvan de toelating en de aflever- en opgebruiktermijn volgens hun adviezenzou moeten zijn, als dat niet zes en twaalf maanden mag zijn.AntwoordHet Ctgb heeft geadviseerd om, gezien de mogelijke risico’s van de stof,een respijtperiode van 3 maanden voor het intrekken van de toelatingenvan metribuzin en 6 maanden voor de aflever- en opgebruiktermijn tehanteren. Tijdens de SCoPAFF-vergadering was hier echter onvoldoendesteun voor en zijn de lidstaten akkoord gegaan met het intrekken van degoedkeuring van metribuzin, waarbij de termijnen van 6 en 12 maandenworden gehanteerd voor respectievelijk het intrekken van de toelating ende aflever- en opgebruiktermijn.Daarnaast vragen deze leden of de afnemers van de middelen, indien zijnu buiten hun schuld en zonder voorafgaande waarschuwing mogelijkmet een grote restvoorraad komen te zitten, daarvoor enige compensatiekunnen vragen.AntwoordWij zijn van mening dat het tot het normale bedrijfsrisico van de professi-onele teler hoort dat het bedrijf financieel verlies kan hebben door het nietmeer mogen inzetten van voorraden gewasbeschermingsmiddelen,omdat de toelating ervan is verlopen of ingetrokken. Het wegvallen van detoelating van een gewasbeschermingsmiddel, bijvoorbeeld als gevolg vanhet niet-hernieuwen van de Europese goedkeuring van werkzame stoffenin die middelen, komt vaker voor en is iets waar professionele telersrekening mee moeten houden.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde LVR van 21 en 22 oktober 2024 en hebben hierover nog enkele vragen.Goedkeuring concept-Raadsconclusies Gemeenschappelijk Landbouw-beleid na 2027De leden van de PvdD-fractie wijzen de Minister erop dat de Kamer in2021 de motie van het lid Vestering (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1292) heeftaangenomen die het kabinet verzoekt zich bij de onderhandelingen overeen nieuw GLB actief uit te spreken voor het intrekken van de gerichteEuropese subsidies aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Nogaltijd gaat er jaarlijks om en nabij 200 miljoen euro aan landbouwsub-sidies naar de fokkers van stieren en koeien die zijn bedoeld voorstierengevechten en patroonsfeesten met stieren, koeien en kalveren.Alleen al 130 miljoen euro komt terecht in Spanje. In het EuropeesParlement zijn al sinds 2009 vragen gesteld en moties aangenomen overdit onderwerp en de onwenselijkheid van deze subsidies. Het geld datnaar deze fokkers gaat draagt op geen enkele manier bij aan de verduur-zaming van de landbouw en komt dus ook niet terecht bij boeren die debenodigde omslag moeten maken. Kan de Minister aangeven of zij demening deelt dat het onwenselijk is dat dat er EU-landbouwsubsidiesterechtkomen bij de fokkers van stieren en koeien die bestemd zijn voorstierenvechten en wrede stierenfeesten, gelet op de aangenomen motievan het Vestering? Zo nee, waarom niet? Op welke manier blijft deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167713 Minister zich,in lijn met de wens van de Kamer, in Europa inzetten tegenhet geven van belastinggeld van Europese burgers aan de genoemdegroep fokkers?AntwoordWij begrijpen de zorgen die de PvdD-fractie uit met betrekking tot gerichteEuropese subsidies aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Hetbinnen de lidstaten op een juiste wijze omgaan met dieren bij evene-menten van vermaak of traditie is in het kader van subsidiariteit eenverantwoordelijkheid van de lidstaat in kwestie. De concept-Raads-conclusies voor het GLB na 2027 richten zich op de hoofdlijnen van hetbeleid. Een meer inhoudelijke, technische discussie volgt later in de Raadals de Commissie haar voorstel begin 2025 heeft gepubliceerd. Te zijnertijd zullen wij de Kamer hierbij betrekken en informeren.De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister tevens of zij het adviesvan experts overneemt dat ook binnen sport en culturele evenementenhet dierenwelzijn moet worden geborgd en dat evenementen waarbijdierenwelzijn niet kan worden gewaarborgd moeten worden uitgefaseerd,in lijn met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)-zienswijze«Plezier voor mens én dier?» (RDA, 2 mei 2023, «Plezier voor mens éndier? (https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2023/04/17/rda-zienswijze-plezier-voor-mens-en-dier) Wil de Minister er in de LVR van21 oktober 2024 op aandringen dat er in de Raadsconclusies komt te staandat het zeer onwenselijk is als er in het nieuwe GLB EU-landbouw-subsidies terechtkomen bij fokkers van stieren en koeien die zijn bestemdvoor stierengevechten en wrede patroonsfeesten met stieren, koeien enkalveren?AntwoordDe concept-Raadsconclusies voor het GLB na 2027 richten zich op dehoofdlijnen van het GLB, waarin meer dan 50 miljard euro per jaaromgaat. Wij zijn tevreden met de concept-Raadsconclusies, die wat onsbetreft terecht ingaan op de hoofdlijnen van het beleid en het prestatie-model. De Minister zal zich in de Raad constructief opstellen, zodat erRaadsconclusies aangenomen kunnen worden, welke belangrijke politiekesturing geven aan de Commissie. Een meer inhoudelijke, technischediscussie volgt later in de Raad als de Commissie haar voorstel begin2025 heeft gepubliceerd. Te zijner tijd zullen wij de Kamer hierbijbetrekken en informeren.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat in Spanje, Frankrijk enPortugal een meerderheid (bijna 70 procent) van de bevolking vindt datstierenvechten niet moet worden gesteund met nationaal en/of Europeespubliek geld (Cas International, 13 mei 2024, «Meerderheid mensen inEuropese stierenvechtlanden tegen de wrede traditie» (https://www.stieren.net/nieuws/meerderheid-mensen-europese-stierenvechtlanden/). Wil de Minister zich in aanloop naar en tijdens deonderhandelingen over de herziening van het GLB voor de periode vanaf2028 in de landbouwraad actief uitspreken voor het afschaffen vanlandbouwsubsidies voor fokkers van vechtstieren (in Spanje: Toro de Lidiaen Toro Bravo)?AntwoordWij begrijpen de zorgen die de PvdD-fractie uit met betrekking tot gerichteEuropese subsidies aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Zoalseerder aangegeven is het in het kader van subsidiariteit een verantwoor-delijkheid van de lidstaten om op een juiste wijze om te gaan met dierenbij evenementen van vermaak of traditie. In het algemeen zal ik mijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167714 inzetten voor het borgen van dierenwelzijn bij besteding van nationaleGLB-middelen.De leden van de PvdD-fractie constateren dat tijdens de aankomende LVRde lidstaten worden gevraagd in te stemmen met de Raadsconclusiesover een op landbouwers gericht GLB post 2027. Gaat de Ministerinstemmen met de Raadsconclusies?AntwoordWe stellen ons constructief op in het proces rondom de Raadsconclusies.Het nadenken over het toekomstige GLB is al begonnen in de EU en hetzou goed zijn als de Raad een gezamenlijke boodschap afgeeft over hetGLB na 2027.SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen oktober 2024De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat er snel moet wordengehandeld om op Europees niveau het gebruik van bestrijdingsmiddelenverder te beteugelen. Kan de Minister hiervan een overzicht en tijdslijnvan stappen op EU-niveau communiceren?AntwoordWij brengen de Kamer in herinnering dat de Commissie op 31 maart jl.haar Commissievoorstel voor een Verordening Duurzaam Gebruik vanGewasbeschermingsmiddelen heeft ingetrokken. Dit voorstel werdafgewezen door het Europees Parlement. Ook lag dit voorstel gevoelig bijveel lidstaten in de Raad, met name het voorziene wettelijke reductiedoelvan 50% voor chemische gewasbeschermingsmiddelen in 2030.Nederland was onderdeel van een kleinere groep lidstaten die het voorstelgrotendeels kon steunen. Gelet op de gevoeligheid van het onderwerp ende stemverhoudingen in de Raad, ligt het niet voor de hand dat Nederlandhet gesprek hierover heropent.De leden van de PvdD-fractie zijn verder benieuwd naar de inzet van deMinister om gezondheid van mens, dier en milieu te beschermen. Wat isdeze inzet tot nu toe geweest? Welke stappen heeft de Minister daaringenomen en welke stappen is de Minister voornemens om te nemen?Plaatst de Minister de gezondheid van mensen op de eerste plaats? Zo ja,hoe rijmt dat met de inzet van de Minister tot dusver alsmede haarvoorgenomen inzet? Wordt de bewindspersoon van Volksgezondheid,Welzijn en Sport gevraagd naar input over bescherming van gezondheidin relatie tot bestrijdingsmiddelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deinput tot nu toe geweest?AntwoordHet toelatingsbeleid voorziet in de bescherming van mens, dier en milieu.De risicobeoordeling voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelenin Nederland wordt gedaan op basis van zeer strenge beoordelingskaders.Wij vinden het belangrijk dat er meer inzichten worden verworven over degezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen. Om die redenfinancieren wij onder andere het langjarige Onderzoek Bestrijdingsmid-delen en Omwonenden 2 (OBO-2). Hierin wordt onderzoek gedaan naar deblootstelling van omwonenden (en agrariërs) en de mogelijke relatie metmeerdere ziektebeelden, waaronder de ziekte van Parkinson en leukemie.Daarnaast financieren we een meerjarig onderzoek naar de ontwikkelingvan testmethodieken voor de ziekte van Parkinson ten behoeve van derisicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen. De resultaten van ditonderzoek zullen ook inzicht geven in de mogelijke relatie tussen glyfosaaten de ziekte van Parkinson. Mocht gedurende de onderzoeken blijken datde gezondheid van mensen in het geding is door een toegelaten gewas-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167715 beschermingsmiddel, dan wordt hierop direct ingegrepen door het Ctgb.De beide onderzoeken zijn tot stand gekomen in samenwerking met debewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Zij zijnen blijven nauw betrokken bij het verloop hiervan, net als bij anderetrajecten op het raakvlak tussen gewasbeschermingsmiddelen engezondheid.De leden van de PvdD-fractie constateren dat mensen in Nederland te veelPoly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) binnenkrijgen via voedsel endrinkwater en dat er hierdoor nadelige effecten op de gezondheid kunnenontstaan (RIVM, «PFAS» (https://www.rivm.nl/pfas). Ook constateren dezeleden dat PFAS heel langzaam afbreken in de leefomgeving en dat hoesneller er minder PFAS in de leefomgeving terecht komen, hoe beter. Gaatde Minister in Europees verband pleiten voor op korte termijn stoppenmet het gebruik van PFAS in bestrijdingsmiddelen? Kan de Ministerkomen met een duidelijk tijdspad, met afrekenbare tussendoelen ombestrijdingsmiddelen met PFAS zo snel mogelijk volledig uit te faseren?AntwoordGewasbeschermingsmiddelen mogen alleen op de markt komen engebruikt worden als is aangetoond dat deze veilig kunnen wordentoegepast, zo ook gewasbeschermingsmiddelen die onder de definitie vanPFAS vallen. Wij vertrouwen op het Ctgb als onafhankelijke toelatingsau-toriteit om in te grijpen wanneer gewasbeschermingsmiddelen niet meerveilig kunnen worden toegepast. Binnen het huidige Europese restrictie-voorstel voor PFAS wordt daarnaast voorgesteld om PFAS die alshulpstof, toevoegingsstof of in verpakkingsmateriaal van gewasbescher-mingsmiddelen gebruikt worden, uit te faseren. Daarnaast heeft deCommissie aangekondigd om, volgend op een aanbeveling uit hetEuropese restrictievoorstel, stappen te ondernemen om in de beoordelingvan geneesmiddelen, diergeneesmiddelen, biociden en gewasbescher-mingsmiddelen meer rekening te houden met persistentie. Wij steunen ditinitiatief en zullen de Commissie hierop blijven bevragen.De leden van de PvdD-fractie constateren dat organisaties zoals hetRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wereldge-zondheidsorganisatie stellen dat er een mogelijk verband bestaat tussenhet gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen en ziektes zoalsParkinson en bepaalde vormen van kanker zoals leukemie. Over datlaatste is er vorige week een rechtszaak gewonnen in Frankrijk door eenmoeder bij wie is vastgesteld dat ze haar kind aan leukemie heeft verlorendoor blootstelling aan bestrijdingsmiddelen gebruikt voor bloemen (NOS,12 oktober 2024, «Leukemie door pesticiden op bloemen: «Franse zaakhopelijk wake-upcall voor ons» (https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2540478-leukemie-door-pesticiden-op-bloemen-franse-zaak-hopelijk-wake-upcall-voor-ons). Deze leden pleiten voor Europese actie en voorzorgsmaatre-gelen en roepen de Minister op zich in te zetten voor de bescherming vande gezondheid van mens, dier en milieu tegen blootstelling aan bestrij-dingsmiddelen. Elke dag dat we langer wachten hiermee krijgen mogelijknog meer kinderen kanker.AntwoordHet beschermen van mens, dier en milieu tegen de risico’s van hetgebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het daarbij toepassen vanvoorzorg is uitgangspunt van de Europese Verordening voor gewasbe-schermingsmiddelen en tevens uitgangspunt van mijn beleid. Om diereden worden gewasbeschermingsmiddelen alleen toegelaten door hetCtgb na een uitvoerige risicobeoordeling, conform wettelijk vastgesteldekaders en als is aangetoond dat deze veilig kunnen worden toepast. VoorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167716 mijn inzet op dit onderwerp verwijzen wij naar ons eerdere antwoord opde vraag van de leden van de PvdD-fractie.De leden van de PvdD-fractie constateren dat er nu geen reguleringbestaat voor resten van bestrijdingsmiddelen die op sierplanten ensnijbloemen mogen zitten. Als een stof in een ander land wel is toege-staan maar in de EU verboden is, mag die stof nu wel als rest op deplanten of snijbloemen achterblijven als die worden geïmporteerd. Watwordt de inzet van de Minister om op EU-niveau op te roepen dat erregulering komt? Gaat de Minister pleiten dat de EU moet stoppen methet importeren van planten en bloemen die zijn bespoten met middelendie hier verboden zijn? Gaat de Minister pleiten voor een versneldeafbouw van chemische bestrijdingsmiddelen voor sierteelt en gaat ze zichin zetten voor biologische sierteelt? Zo ja, op welke manier? Zo nee, gaatde Minister op zijn minst pleiten dat er maximale residunormen wordenvastgesteld voor de sierteelt?AntwoordHet is de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS om consument-veiligheid te borgen, zo ook de veiligheid van planten en bloemen voor deconsument, en de verantwoordelijkheid van de Minister van Sociale Zakenen Werkgelegenheid om arbeidsveiligheid te borgen. Wij willen daarommet deze departementen bespreken welke stappen in EU-verband nodigzijn, bijvoorbeeld ten aanzien van residuen van gewasbeschermingsmid-delen op sierteeltgewassen.Wij vinden het belangrijk dat ook Nederlandse importeurs en telers vantuinplanten en de sierteeltsector zich maximaal inspannen om sierteelt-producten veilig te houden voor mens (inclusief de teler zelf), dier enmilieu. Binnen de keten kan dit niet zonder een gezamenlijke inzet vantuinretailers, handelspartijen en ketenpartijen. Een gestructureerdelandelijke aanpak waar onder andere kwekers, teeltadviseurs, inkopers entuincentra onderdeel van uitmaken loopt in Nederland bijvoorbeeld vanuitde tuinbranche. Dat juichen wij toe.Ons beleid is gericht op het verminderen van de afhankelijkheid vanchemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen. Hier werken wijmet maatschappelijk en sectororganisaties aan in het Uitvoeringspro-gramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Wij streven naar dezeverminderde afhankelijkheid van middelen voor alle sectoren. Via onzerecente brief hebben wij de Kamer geïnformeerd over de inzet inzakebiologische sierteelt (Kamerstuk 29 842, nr. 45).Nederlandse inzet voor de 16e Conferentie van Partijen voor het VerdragInzake Biologische DiversiteitDe leden van de PvdD-fractie constateren dat Nederland te laat zal zijnmet het indienen van een rapport over het herstel van de biodiversiteit,zoals afgesproken door bijna 200 landen twee jaar geleden. Tijdens eenaankomende bijeenkomst in Colombia zal Nederland geen plan presen-teren, omdat het kabinet eerst het rapport wil aanpassen aan de nieuwecoalitieafspraken. Het rapport wordt verwacht in maart 2025. Deze ledenconstateren dat natuurorganisatie International Union for Conservation ofNature (IUCN) zijn teleurstelling heeft geuit richting Nederland over dezevertraging en heeft benadrukt dat het een slecht signaal is dat Nederlandgeen bewindspersoon naar de bijeenkomst stuurt (NOS, 11 oktober 2024,«Nederland levert natuurplannen te laat in, veel andere landen ook»(https://nos.nl/artikel/2540408-nederland-levert-natuurplannen-te-laat-in-veel-andere-landen-ook). Deze leden delen deze teleurstellingen, makenzich zorgen en roepen de Minister op een bewindspersoon naar de COP16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167717 te sturen om een sterk signaal af te geven dat de Nederlandse overheidvindt dat een belangrijke taak van de overheid het beschermen enverbeteren van biodiversiteit wereldwijd en in Nederland is. Kan deMinister aangeven dat ze ook erkent dat het een belangrijke overheidstaakis? WKan de Minister toelichten waarom er geen bewindspersoon naar deCOP16 wordt gestuurd? Kan er alsnog een bewindspersoon wordengestuurd?AntwoordDe Staatssecretaris stelt voorop dat het internationale speelveld belangrijkis, zeker ook op natuur. Daarom wordt Nederland tijdens COP16 van hetVN-Verdrag voor Biologische Diversiteit op hoog-ambtelijk niveauvertegenwoordigd. De inzet op internationale bijeenkomsten vanbewindspersonen moet voortdurend afgewogen worden tegen de grotenationale uitdagingen die de volledige aandacht nodig hebben en waar deStaatssecretaris verdere stappen wil en moet maken. Naast de directeur-generaal Natuur en Visserij van het Ministerie van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur als hoofd van de delegatie zijn de Perma-nente Vertegenwoordiger voor de Rome Based Agencies (FAO, WFP, IFAD)en de Ambassadeur in Colombia alsmede de Watergezant onderdeel vande hoog-ambtelijke vertegenwoordiging in de brede ambtelijke delegatiebestaande uit ter zake kundige ambtenaren van verschillende ministeries.Daarmee is Nederland, zowel kwalitatief als kwantitatief goedvertegenwoordigd.De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het feit dathet kabinet zegt dat zorgvuldigheid belangrijker is dan snelheid. Kent deMinister de gezamenlijke oproep van Intergovernmental Panel on ClimateChange (IPCC) en Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodi-versity and Ecosystem Services (IPBES) om de klimaatcrisis en biodiversi-teitscrisis in samenhang aan te pakken en de constatering dat geen vanbeiden wordt opgelost, als we één van de twee verwaarlozen (Ecoact,25 juni 2021, «New IPCC and IPBES report: Tackle climate change &biodiversity together» (https://eco-act.com/blog/ipcc-ipbes-climate-change-biodiversity/)?AntwoordJa, de Staatssecretaris is bekend met deze oproep en onderschrijft deze inde Kamerbrief inzake de inzet voor de COP16 van het VN-Verdrag voorBiologische Diversiteit (Kamerstuk 26 407, nr. 152) en de inzet voor deMilieuraad in aanloop naar COP29 van het VN-Klimaatverdrag (Kamerstuk31 793, nr. 272).Heeft de Minister kennisgenomen van het recente rapport van een coalitievan 15.000 wetenschappers die in een rapport waarschuwen voor eenonomkeerbare klimaatramp en waarin biodiversiteitsverlies als een van debelangrijkste aspecten van de huidige «diepgaande polycrisis» in hetrapport wordt genoemd (Bioscience, 8 oktober 2024, «The 2024 state ofthe climate report: Perilous times on planet Earth» (https://academic.oup.com/bioscience/advance-article/doi/10.1093/biosci/biae087/7808595)? Onderkent de Minister de urgentie om maatregelen te nemenom verdere biodiversiteitsverlies tegen te gaan én biodiversiteit tebevorderen? Zo ja, waarom wordt het inleveren van belangrijke plannenom effectieve maatregelen te nemen, zoals het National BiodiversityStrategies and Action Plan (NBSAP) vertraagd? Wat was de status van hetconcept-NBSAP en was het zo goed als afgerond? Is de Minister nuvoornemens het NBSAP te herzien en mogelijk af te zwakken? Verdervragen deze leden hoe staat het met de uitvoering van de breed aange-nomen motie van het lid Kostic´ c.s. (Kamerstuk 21 501-08, nr. 942) die deregering opdraagt om zo snel mogelijk dit jaar in beeld te brengen welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167718 bestaande afspraken rondom de bescherming van de natuur dreigen niette worden gehaald, om vervolgens waar nodig in te grijpen om ervoor tezorgen dat de afspraken alsnog op tijd worden nagekomen en om metmaatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de negatieve trend voorverschillende dierpopulaties, zoals wilde bijen en vlinders, zo snelmogelijk wordt gekeerd. Hoe rijmt de Minister het met de duidelijkeopdracht van bovengenoemde motie van het lid Kostic´ en de wetenschap-pelijke inzichten over de stand van biodiversiteit en de situatie van eenbiodiversiteitscrisis (zoals genoemd door IPBES en IPCC), indien deNBSAP wordt afgezwakt?AntwoordDe Staatssecretaris is bekend met het rapport en onderschrijft datklimaatverandering niet een geïsoleerd probleem is maar samenhangtmet andere grote uitdagingen als biodiversiteitsverlies. Het is van belangom het verlies aan biodiversiteit te stoppen en om te keren en het kabinetis gecommitteerd aan de internationale doelen die hiervoor gesteld zijn.Het National Biodiversity Strategies and Action Plan (hierna: NBSAP) isnog niet gereed en wordt in lijn gebracht met het huidige regeerpro-gramma, het hoofdlijnenakkoord en de prioriteiten van het kabinet. Hetkabinet is voornemens om het NBSAP in het tweede kwartaal van 2025 bijhet secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag in te sturen. Voorafgaandzal het met de Kamer worden gedeeld. In het Commissiedebat van4 september jl. heeft de Staatssecretaris toegezegd dat de uitvoering vande motie-Kostic´ (Kamerstuk 21 501-08, nr. 942) wordt meegenomen in debrief die voor het einde van 2024 naar de Kamer zal worden gestuurd overhet opstellen van het natuurherstelplan, omdat daar de meest inhoude-lijke relatie ligt.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het in 2022 vastgesteldebiodiversiteitskader op vier overkoepelende doelen voor 2025 inzet:1) bescherming en herstel van biodiversiteit; 2) het duurzaam gebruik ende bijdragen van ecosysteemdiensten voor mensen; 3) de eerlijkeverdeling van de opbrengsten van genetische hulpbronnen; en4) voldoende (financiële) middelen voor implementatie. In de brief van detoenmalige Minister van maart 2023 (Kamerstuk 26 407, nr. 146(kenmerk 2023D09116)) worden deze hoofddoelen en de concretedoelstellingen nader toegelicht. Ondertekent de Minister nog steeds dezehoofddoelen en concrete doelstellingen?AntwoordIn de Kamerbrief over de uitkomsten van de COP15 van het VN-Verdragvoor Biologische Diversiteit van 7 maart 2023 (Kamerstuk 26 407, nr. 146)duidt het voorgaande kabinet de hoofddoelen en de concrete doelstel-lingen (targets), waaronder van het Strategisch raamwerk voor 2030, hetzogenoemde Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework, dattijdens deze vergadering unaniem is aangenomen. In het regeerpro-gramma geeft het kabinet aan zich te committeren aan de verplichtingendie volgen uit internationale wet- en regelgeving ten aanzien van natuuren biodiversiteit. Zoals aangegeven in de antwoorden op schriftelijkevragen voor de Milieuraad van 9 oktober 2024 (Kamerstuk 21 501-08,nr. 961) is het kabinet voornemens om het NBSAP in het tweede kwartaalvan 2025 in te sturen bij het secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag endit voorafgaand met de Kamer te delen. Daarin zal het kabinet aangevenwat de Nederlandse bijdrage zal zijn aan de mondiale inzet om dehoofddoelen en de concrete doelstellingen te behalen.De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat hetPlanbureau voor de Leefomgeving (PBL) (PBL, 22 mei 2024, «De betekenisvan het VN «Kunming-Montreal Raamwerk voor biodiversiteit» voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167719 Nederlandse beleid» (https://www.pbl.nl/publicaties/de-betekenis-van-het-vn-kunming-montreal-raamwerk-voor-biodiversiteit-voor-het-nederlandse-beleid) het nodig acht om natuur in aanpalende beleidsterreinen teintegreren om daadwerkelijk vorm te kunnen geven aan de transitie naareen natuur inclusieve samenleving om te voldoen aan de doelen die in hetmondiale biodiversiteitskader zijn vastgesteld. Er is verder volgens hetPBL een versnelling van de uitbreiding en inrichting van de natuur nodigom aan het doel te kunnen voldoen om in 30 procent van het areaalbescherming te realiseren. Hoe worden deze doelen uit het mondialekader meegenomen in de alternatieve plannen voor het NationaalProgramma Landelijk Gebied (NPLG), dat pas voor eind dit jaar zalkomen?AntwoordIn het regeerprogramma is een uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifiekeaanpak aangekondigd die uitgewerkt wordt in samenhang met deruimtelijke keuzes voor de Nota Ruimte en de ruimtelijke afspraken vanhet Programma Novex. Een eerste richting van deze aanpak is voor heteinde van 2024 aan de Kamer toegezegd. Bij die uitwerking van de aanpakzal bezien worden welke bijdrage geleverd kan worden aan de doelen uithet mondiale kader.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieGeannoteerde agenda – Handelsgerelateerde landbouwvraagstukkenDe leden van de SGP-fractie vragen bij het agendapunt «handelsgerela-teerde landbouwvraagstukken» aandacht voor de aangenomen motie vanhet lid Flach (Kamerstuk 36 518, nr. 15), waarin wordt verzocht in te zettenop het beperken van import en consumptie van voedselproducten die inde EU op basis van de regelgeving voor milieu en dierenwelzijn niethadden mogen worden geproduceerd (rekening houdend met de WorldTrade Organization (WTO)-kaders). Is de Minister voornemens dit mee tenemen in haar inbreng bij de LVR?AntwoordNederland zal bij de Raad aangeven dat het opnemen van gelijke enredelijke standaarden in handelsverdragen belangrijk is. Ook zalNederland de mogelijkheden bezien om op Europees niveau eisen testellen aan de invoer van producten die binnen de EU niet geproduceerdmogen worden.Geannoteerde agenda – Goedkeuring concept-Raadsconclusies GLB na2027De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de toekomst vanakkerbouw- en vollegrondsgroenteteelten in verband met het afnemendemiddelenpakket voor gewasbescherming in combinatie met de klimaat-verandering en de toenemende druk van ziekten en plagen. Juist dezeteelten zijn van belang voor voedselproductie en voedselzekerheid. Deeltde Minister met deze leden dat het van belang is dat het GLB ook inzet opde weerbaarheid van teelten? Op welke wijze wil zij zich in Europeesverband hiervoor inzetten?AntwoordHet toekomstige GLB kan het beste worden ingezet om de lange termijnweerbaarheid van de landbouw te versterken. Dat betekent zowel deeconomische weerbaarheid via kennis, innovatie en concurrentiekracht,als ook de lange termijn weerbaarheid tegen klimaatverandering en dedaarbij horende uitdagingen zoals droogte, verzilting en de toenemendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167720 druk van ziekten en plagen. Via het Actieprogramma klimaatadaptatielandbouw is de ambitie in te zetten op innovatie, stimulatie en bevor-dering van lange termijn adaptieve rassen, gewassen en teeltsystemen.Wij zullen aandacht hebben voor het versterken van weerbare teelten inonze verkenning voor de volgende GLB-periode.Verslag informele landbouwraadDe leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de stand van zakenmet betrekking tot RENURE. Deze leden hebben begrepen dat de EC inhaar voorstel ten opzichte van het advies het Joint Research Centre (JRC)een voorwaarde heeft toegevoegd, namelijk dat sprake moet zijn vanbewerkingsstap. Dat zou betekenen dat urine volgens het JRC wel alskunstmestvervanger zou kunnen worden aangemerkt, terwijl dat in hetvoorstel van de EC niet het geval is. Klopt deze analyse? Zet de Ministerzich ervoor in dat ook urine toegelaten wordt als kunstmestvervanger?AntwoordDe analyse dat urine op dit moment geen onderdeel uitmaakt van hetRENURE-voorstel van de Commissie klopt. De Commissie heeft aange-geven met dit voorstel enige terughoudendheid te willen aanhouden tenopzichte van het rapport van het Joint Research Centre en eventuelenadere opvolging van de aanbevelingen in het rapport te willen betrekkenbij de evaluatie van de Nitraatrichtlijn. Nederland zal zich als voorstanderuitspreken voor het verder betrekken van de aanbevelingen bij deevaluatie.OntbossingsverordeningDe leden van de SGP-fractie constateren dat de EC een voorstel heeftingediend om de toepassingsdatum van de Ontbossingsverordening(Verordening (EU) 1115/2023) met een jaar uit te stellen. Deze leden horengraag hoe de Minister dit uitstel waardeert. Dringt de Minister er bij de ECop aan om zo snel mogelijk met alle benodigde richtsnoeren te komen?AntwoordDe Kamer is op 15 oktober 2024 geïnformeerd over de waardering van ditvoorstel. Hierin is aangegeven dat Nederland het voorstel van deCommissie kan steunen om de datum voor toepassing van de veror-dening met twaalf maanden te verlengen.Met het voorstel tot uitstel publiceerde de Commissie ook de langver-wachte richtsnoeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 21 501-32, nr. 167721

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bb7c57b2eb52567c

14 okt 2026 · 2ca8a32a8748a923

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.