Verslag van een commissiedebat, gehouden op 3 april 2024, over Inburgering en integratie (voortzetting)
Brontekst
Versie e5572a3922e865f9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 824IntegratiebeleidNr. 436 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 19 juni 2024 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de vastecommissie voor Binnenlandse Zaken hebben op 3 april 2024 overleggevoerd met mevrouw Van Gennip, Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, Vice-Minister-President, over:−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 april 2023 inzake rapport van Regioplan «Belem-meringen asielzoekers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt»(Kamerstuk 32 824, nr. 384);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 17 mei 2023 inzake instellen hoger beroep tegen deuitspraak van de rechtbank Den Haag over de 24 wekeneis(Kamerstuk 32 824, nr. 387);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 28 juni 2023 inzake antwoorden op vragen commis-sie over het rapport van Regioplan «Belemmeringen asielzoe-kers bij het toetreden tot de arbeidsmarkt» (Kamerstuk32 824, nr. 384) (Kamerstuk 32 824, nr. 388);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 juli 2023 inzake kabinetsreactie onderzoekRegioplan «Belemmeringen asielzoekers bij het toetreden totde arbeidsmarkt» (Kamerstuk 29 544, nr. 1213);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 29 november 2023 inzake uitspraak Raad van Stateover de 24 wekeneis (Kamerstuk 32 824, nr. 407);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 december 2023 inzake voortgangsbrief pro-gramma Voor een Inclusieve Arbeidsmarkt (Kamerstuk 29 544,nr. 1226);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 20 december 2023 inzake uitvoeringsbrief inburge-ring (Kamerstuk 32 824, nr. 408);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 29 januari 2024 inzake toezegging aan het lid Podtover waar de Wet inburgering 2021 (inburgeringsplicht) en deParticipatiewet (betaald werk) schuren en met oplossingsrich-tingen te komen als dit nodig is (Kamerstuk 32 824, nr. 409); kst-32824-436ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4361 −de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 5 maart 2024 inzake hoofdlijnenbrief SZW – opgaveOekraïne (Kamerstuk 36 045, nr. 179 );−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 14 maart 2024 inzake actualiteiten inburgering(Kamerstuk 32 824, nr. 411);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 18 maart 2024 inzake onderzoek ervaren discrimina-tie Nederlanders met een Aziatische herkomst (Kamerstuk30 950, nr. 362);−de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 19 maart 2024 inzake stand van zaken persoonsgege-venstraject en AP-onderzoek (Kamerstuk 32 761, nr. 295).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken enWerkgelegenheid,Léon de JongDe fungerend voorzitter van de vaste commissie voor BinnenlandseZaken,Peter de GrootDe griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgele-genheid,PostTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4362 Voorzitter: Van OostenbruggenGriffier: Van den BroekAanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Bamenga, Becker, Boon,Flach, Keijzer, Van Oostenbruggen en Patijn,en mevrouw Van Gennip, Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid, Vice-Minister-President.Aanvang 17.01 uur.De voorzitter:Welkom bij het tweede deel van de vergadering van de vaste commissievoor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het is de voortzetting van hetcommissiedebat Inburgering en integratie. Dank voor uw komst, mevrouwVan Gennip en uw collega’s. Dank ook aan de leden voor de voortzettingvan dit debat. Even ter herinnering, ook voor de mensen die meekijken:wij zijn gebleven ergens halverwege de beantwoording door de Ministervan de vragen in de eerste termijn. Wat mij betreft gaan we daarmee dooren beginnen we met een schone lei als het gaat om interrupties; volgensmij heb ik dat zelfs stiekem aan iemand beloofd. Wat mij betreft geef ik hetwoord zo meteen aan de Minister. We stellen de vragen net zoals devorige keer per blokje, dus als er een blokje is afgerond, geeft de Ministerdat aan en dan stellen we de vragen over dat blokje. Is iedereen gereed?Dan geef ik graag het woord aan de Minister.Minister Van Gennip:Dank u wel, voorzitter. Ik was vorige week inderdaad halverwege hetblokje inburgering gebleven. Daarna heb ik nog een blokje VIA liggen. Datis voor een inclusieve arbeidsmarkt. Dan heb ik een blokje zelfbeschikkingen seksuele uitbuiting. Dat zijn overigens natuurlijk wel twee dingen dieheel verschillend zijn. Dan heb ik Oek en daarna nog een blokje diversen.Ik hoop daar met enige snelheid doorheen te gaan en tegelijkertijd recht tedoen aan de vragen die u hebt gesteld.Vorige week begonnen wij het debat terecht met een aantal uitsprakenover antisemitisme. Ik noem de uitspraken, zowel van uw Kamer als vanmij, dat daar nergens plek voor is in Nederland en dat we echt een grensoverschrijden als Joodse Nederlanders worden uitgescholden, aange-vallen of bedreigd om wie ze zijn of om wat een regering ver weg wel ofniet doet. Ik wil hier nogmaals herhalen dat Nederland een samenlevingmoet zijn waar iedereen zich veilig kan voelen. Het moet ook eensamenleving zijn waar we met elkaar in gesprek gaan, ook als we het nietmet elkaar eens zijn en als we verschillende meningen, culturen ofwellicht wereldbeelden hebben.De gebeurtenissen in Israël en Gaza vervullen veel mensen met verdrieten zorg, en hebben ook een weerslag op ons hier in Nederland; daarhebben we het vorige week ook over gehad. Maar we moeten er ook voorzorgen dat we conflicten van daar niet hier tussen ons in laten staan.Naast het aanpakken van de strafbare uitingen, zetten wij als kabinet in opbewustwording via het onderwijs – ik kom dadelijk op de suggesties vande heer Flach over de Holocausteducatie – maar bijvoorbeeld ook via hetvoetbal, onder andere door het Spreekkorenproject, dat de club metondersteuning van de Anne Frank Stichting uitvoert.Wij hebben u daar afgelopen donderdag een korte, maar mijns inzienshele sterke en duidelijke brief over gestuurd. Die is ondertekend door deMinister-President, omdat het een brief van het hele kabinet is. Wijspraken elkaar dinsdag of woensdag. Die brief laat in mijn ogen echt zienwaar wij als kabinet staan, en is een weerklank van het debat dat wij opdie woensdag hebben gehad. U ontvangt binnenkort – dat hebben we ookTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4363 in de brief geschreven – nadere informatie over de aanpak van antisemi-tisme en de voorbereidingen van 4 mei.Uw Kamer had een aantal specifieke vragen over hoe we omgaan met onsverleden, met de Holocaust en met onderwijs en bewustwording daaroverin onze inburgering. De heer Flach vroeg naar het Duitse voorbeeld bij departicipatieverklaring. Antisemitisme en discriminatie komen aan de ordein de participatieverklaring. Nieuwkomers moeten verklaren – en datverklaren zij dus ook – dat zij waarden zoals vrijheid en gelijkwaardigheidin Nederland respecteren en dat ze de universele mensenrechteneerbiedigen. In het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij isexpliciet aandacht voor antisemitisme en het gegeven dat hiervoor geenplaats is. Er is daarin ook expliciet aandacht voor de Holocaust en degeschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Dat betekent dusook dat daar in het examen Kennis van de Nederlandse Maatschappij opwordt getoetst.In Duitsland is er de verklaring van verbondenheid. Die leg je af bij hetverkrijgen van het Duitse staatsburgerschap, dus bij naturalisatie. Daarinis opgenomen dat nieuwe Duitsers de verantwoordelijkheid hebben omhet Joodse leven te beschermen. Duitsland heeft natuurlijk een eigengeschiedenis met antisemitisme. Dat is een andere geschiedenis dan deNederlandse, ook al zijn ze aan elkaar gelinkt. Ik vind het dus niet logischom dat voorbeeld een-op-een over te nemen. Dat Duitse voorbeeld gaatook duidelijk over de naturalisatieverklaring, waar wij het hier haddenover de participatieverklaring. Dat zijn echt twee verschillende dingen.Naturalisatie gaat natuurlijk een stuk verder dan participatie.Een bezoek aan het Holocaustmuseum, dat was de suggestie van de heerFlach. Daar sta ik, moet ik eerlijk zeggen, heel sympathiek tegenover.Tegelijkertijd zou je ook naar het Anne Frank Huis kunnen gaan of, zoals ikmet mijn vader altijd deed, naar de Waalsdorpervlakte. Dat heeft diepeindruk op mij gemaakt. Elk jaar weer gingen wij daarheen. Dat heeft mijecht getekend voor hoe ik de Holocaust en de Tweede Wereldoorlogbeleef. Dus zeggen «gij zult naar het Holocaustmuseum gaan» als eengemeente misschien al heeft gekozen om naar het Anne Frank Huis tegaan of om naar Westerbork te gaan als ze bijvoorbeeld in Arnhem zijn ofnaar Kamp Vught... Er zijn natuurlijk een heleboel plekken in Nederlandwaar je deze geschiedenis kunt herbeleven. Ik vind het belangrijker dat zenaar een van die plekken gaan waar je de geschiedenis van de Jodenver-volging, de geschiedenis van de Holocaust echt kunt voelen. Want dathoort er wel bij: niet alleen erover lezen, maar ook voelen wat er toengebeurd is, want dan komt die binnen. Iedereen die weleens in het AnneFrank Huis is geweest, zeker als je dat met kinderen doet, weet: dan voelje die benauwenis, dan voel je die opsluiting, de angst ook dat er iemandbuiten loopt die een lichtje ziet branden. Gemeentes zijn nu verplicht omaandacht te besteden aan de Holocaust, om aandacht te besteden aanonze geschiedenis. Ik wil met de VNG gaan bespreken hoe ze diepraktijkcomponent vormgeven. Het Holocaustmuseum is er natuurlijk nogmaar kort, maar welke gemeente gaat er naar het Anne Frank Huis of naarWesterbork, wat ik net noemde? Daarmee wil ik breder inzicht krijgen inhoe dat verplichte onderdeel van de Nederlandse geschiedenis, deHolocaust, vorm wordt gegeven door de verschillende gemeentes. Wehebben de inburgering in handen gegeven van de gemeentes. Ze hebbeneen bepaalde beleidsvrijheid om daarin hun keuzes te maken. Dat isprima, omdat een andere stad of gemeente andere keuzes kan maken.Misschien ga je toch graag naar een museum dat dichterbij is. Maar ik wilhet wel weten, mede naar aanleiding van wat wij het afgelopen halfjaar – daarvoor natuurlijk ook al, maar sinds 7 oktober – hebben gezien. Ik vindniet meer, en ik heb dat vorige week ook gezegd, dat we nog kunnenspreken van incidenten. Er is echt een trend gaande. Ik wil dus graag metTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4364 gemeentes daarover in gesprek. Dan kom ik bij u terug op wat ik daarterug heb gehoord van de gemeentes over hoe zij daar invulling aangeven.De heer Ceder vroeg of we ook inburgeringsbeleid hebben, gericht op eenspecifieke bevolkingsgroep. We hebben sinds 1996 inburgeringsbeleid.Dat is al vele malen gewijzigd. Sinds 2013 is dat beleid gericht op eenspecifieke groep nieuwkomers, namelijk die voor een niet-tijdelijk doel inNederland verblijven. Dan heb je het met name over asielstatushoudersen gezinsmigranten. De regie is bij de gemeentes belegd. Het richt zichecht op het individu en op maatwerk, dus wij richten ons op dit momentniet op specifieke groepen en hebben ook geen specifiek beleid voorspecifieke groepen. We maken natuurlijk wel beleid op bijvoorbeeldvrouwelijke asielzoekers; we komen dadelijk bij zelfbeschikking. Zo zijn erwel een aantal beleidsprioriteiten, aandachtspunten, maar het is dus nietzo dat we nu specifiek beleid hebben voor die groep uit dat land.Mevrouw Koekkoek van Volt vroeg of Nederland geen aanvraag heeftingediend voor het AMIF. Wij maken maximaal gebruik van de mogelijk-heden van het AMIF. Wij hebben daar 39 miljoen voor beschikbaar inNederland. Op dit moment lopen er vijftien projecten van gemeentes enmaatschappelijke organisaties. Dat is in totaal 16,7 miljoen. Ik bereid opdit moment het tweede aanvraagtijdvak voor, en daar is dus nog22,3 miljoen euro voor beschikbaar.Ik zeg ook gelijk tegen mevrouw Koekkoek van Volt dat wij actief invullinggeven aan het verbeteren van participatie in het kader van Europeseinitiatieven, zoals bijvoorbeeld de Europese jongerengarantie. In dat kaderis er een wetsvoorstel van school naar duurzaam werk, dat op dit momentvoor advies bij de Raad van State ligt. Dat heeft als doel om zo veelmogelijk jongeren met een risico op afstand tot de arbeidsmarkt tebegeleiden naar de overgang naar werk.Voorzitter. Dat waren de resterende vragen bij inburgering.De voorzitter:Dan kijk ik even naar links. De heer Flach heeft een vraag.De heer Flach (SGP):Dank voor de uitgebreide beantwoording van de Minister. Eigenlijk reikt zijnog veel meer mogelijkheden aan dan ik zelf heb genoemd in mijn eerstetermijn, waarvoor dank. Ik ga even in op het Duitse voorbeeld. In onzeparticipatieverklaring staat inderdaad bijna letterlijk de tekst van artikel 1van de Grondwet. Dat is natuurlijk in zekere zin breed genoeg om alles afte dekken, zou je kunnen zeggen. Maar de reden dat ik het specifieknoemde, is dat het hier een hele kwetsbare, kleine groep betreft die metspecifieke intimidatie en bedreigingen te maken heeft. Ik ga er nog evenover nadenken. Ook de suggestie of je dat niet beter bij de naturalisatie-verklaring kan betrekken, is het overwegen waard.Het tweede punt gaat over het verplichte bezoek aan het Holocaust-museum. De Minister zegt: zou je dat niet wat breder kunnen trekken enhet koppelen aan een voor de Holocaust herkenbare plek, in ieder gevaleen plek waar je het onderwijs of de bewustwording goed tot z’n recht kanlaten komen? Dat vind ik een goede suggestie. Ik weet alleen niet of ikheel tevreden dit debat verlaat, als de toezegging van de Minister is: ik gamet de VNG in gesprek. Ik overweeg toch om dat met een motie kracht bijte zetten, zodanig dat er in ieder geval iets gedaan moet worden door degemeenten. Ik kan me er iets bij voorstellen dat ze dat zelf invullen quaplek en locatie, passend bij de geografische ligging in Nederland. Maaralleen een gesprek met de VNG en verder de beleidsvrijheid daar latenzou ik zelf te mager vinden.Minister Van Gennip:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4365 Om met die tweede te beginnen: dat is zeker niet mijn bedoeling. Eén, hetis nu verplicht voor gemeentes om aandacht te besteden aan de TweedeWereldoorlog, antisemitisme en de Holocaust, dus dat zit gewoon in hetinburgeringstraject. Dat zit bijvoorbeeld ook in het onderdeel Kennis vande Nederlandse Maatschappij. Ik wil aan de VNG vragen hoe de verschil-lende gemeentes daar invulling aan geven, met name de praktischeinvulling, dus niet alleen in het boek. Hoe zorg je dat daar echt eenbelevenis bij is, zoals ik op de Waalsdorpervlakte en in het Anne FrankHuis zelf heb ervaren als kind en als tiener? Het is dus minder vrijblijvenddan: ik ga met de VNG in gesprek. Ik ga met de VNG in gesprek, omdat ikwil weten hoe er uitvoering wordt gegeven aan de praktische kant van deverplichting bij de inburgering om aandacht te besteden aan deHolocaust. Dat is mijn toezegging aan u en ook mijn persoonlijkemotivatie. Ik wil gewoon weten hoe dat nu gebeurt. Dan kunnen er duskeuzes gemaakt worden dat een gemeente naar Westerbork gaat. Ik kanme voorstellen dat een gemeente bij Arnhem of in die provincie dat lieverdoet dan naar Amsterdam afreizen, maar ik wil het wel eerst weten.Waarom wil ik het weten? Omdat ik het met u eens ben dat daar actiefinvulling aan moet worden gegeven. Ik ga ook ervoor zorgen dat u voorde zomer hierover hoort. Ik kijk dan even of ik dat in een voortgangsbriefof in een aparte brief doe, maar dan hebt u de rijkheid aan input. Dangaan we kijken of we het met elkaar eens zijn of dat voldoende is of niet.Dan hebt u in ieder geval mijn motivatie dat ik wil dat dat voldoende is.Het kan dan nog steeds zo zijn dat we een andere definitie van«voldoende» hebben; dat zou ook nog kunnen. Maar ik denk dat als jeecht een Nederlandse samenleving wil waar je begrijpt waar wij vandaankomen, je ook moet begrijpen wat er in de Tweede Wereldoorlog isgebeurd. Ik ben getekend door mijn vader, die in 1939 is geboren op eenboerderij waar verzet was. Dat heeft mij nooit meer losgelaten. Zo weet ikvan een aantal van u dat u ook dit soort geschiedenissen meedraagt. Dathoort bij de Nederlandse samenleving.De voorzitter:Nog een vraag van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Ja, één vervolgvraag. De Minister gaat, denk ik, straks nog in op hetandere onderdeel van de beantwoording. Inderdaad, het is, denk ik,belangrijk... De meesten van deze generatie zijn nog vrij dichtbij met diegeschiedenis opgegroeid. Maar je ziet dat kinderen die nu geborenworden... 80 jaar is ook wel heel lang. Dus sowieso is het goed om er inhet onderwijsaanbod naar te kijken. Maar laat ik even kijken hoe ik detoezegging van de Minister moet wegen. Is het nu in de inburgering al eenverplicht onderdeel dat er ook een praktisch bezoek plaatsvindt aan eenplek waar die geschiedenis tastbaar wordt? Als dat nog niet zo is, dan zouik met een motie de Minister willen ondersteunen richting haar gesprekmet de VNG. Als het al wel zo is, dan wacht ik dat gesprek eerst even af.Minister Van Gennip:Daarom moeten we die uitvraag doen. Het is niet verplicht om eenpraktische kant te doen. Een aantal gemeentes doen dat wel. Het is welverplicht dat die geschiedenis terugkomt in het onderdeel Kennis van deNederlandse Maatschappij, wat ik net noemde, maar dat is dus het boek.Ik wil juist die doorleving eraan koppelen. Dat ben ik met u eens.De heer Flach (SGP):Dan beluister ik het zo dat ik de toezegging van de Minister positief gaondersteunen met een motie richting dat gesprek, zodat het gesprek enigestatus kan hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4366 Minister Van Gennip:Dat kan ik me voorstellen. Dan weet u ook al wat de richting van mijnoordeel over die motie zal zijn. Door de gebeurtenissen van het afgelopenhalfjaar, door de laatste dagen en door deze discussie wil ik het nu zelfook goed weten. Maar ik kan me voorstellen dat u uw naam en uw motiedaaraan wilt koppelen. Dat is heel logisch.Het andere waar de heer Flach naar vroeg, was het Duitse voorbeeld. Datvind ik wat lastiger. Duitsland heeft zijn eigen geschiedenis. Ik zei al datonze geschiedenis daarmee is verbonden. Daarmee ziet Duitsland voorzichzelf echt een aparte opdracht naar hun Joodse medeburgers toe. Datis toch wel wat anders dan in Nederland. Overigens, als u iets metnaturalisatie wilt, moet u bij mijn collega Van der Burg zijn voordat ik bijhem al het gras voor de voeten wegmaai. Dan zal daar de discussie overnaturalisatie gevoerd moeten worden. Ik weet het natuurlijk niet zeker,maar ik kan me voorstellen dat de heer Van der Burg zal zeggen dat dataan een volgend kabinet is, want het zijn wel hele grote stappen.De heer Boon (PVV):Ik wil even teruggaan naar het vorige puntje van de Minister. Ik voel haarurgentie over de geschiedenis van de Holocaust. Maar maken degemeentes ook een koppeling naar het hedendaagse antisemitisme, datwe vandaag de dag zien op de straten: meisjes van 5 die wordenuitgescholden, een rabbijn die werd aangevallen? Ik kan nog honderdenvoorbeelden noemen; zover wil ik niet gaan. Maar maken gemeentes ookde koppeling tussen onze pikzwarte geschiedenis naar het hedendaagseantisemitisme? Staat dat echt op de agenda?Dan mijn tweede punt: de participatieverklaring. U zegt heel makkelijk:neem het mee in de naturalisatieverklaring. Ik vind dat ze allebei heel sterkmoeten zijn. Ik heb ’m hier voor me. Ik vind ’m vrij slap: «ik heb kennisge-nomen van de spelregels van de Nederlandse samenleving». Ik zou willendat die echt een stukje harder gaat. Ik heb de Amerikaanse eed vandaaguitgeprint. Daar zweren mensen echt trouw aan dat land, aan de wetten.Dat mis ik hier. Bent u dat met mij eens?Dan de taal waarin die nu opgesteld is. Ik vraag me af hoeveel mensen diede participatieverklaring tekenen ’m ook daadwerkelijk begrijpen. Daarheb ik echt heel veel vraagtekens bij. Wordt dat op enige manier getoetst?Daar zou ik graag een antwoord op willen van de Minister.Minister Van Gennip:Als je het hebt over de Nederlandse geschiedenis, dan ga ik ervan uit datook hedendaags antisemitisme aan de orde komt en dat er in het heletraject – dan maak ik het even breder – een discussie is over: wat wil je alsNederlandse samenleving zijn? Wat zijn de grondwaarden en de grond-rechten waarmee we met elkaar deze samenleving vorm willen geven?Dan gaat het ook over discriminatie, gelijke rechten van vrouwen,same-sex marriage, noem maar op. Dat hoort allemaal aan de orde tekomen in zo’n discussie over wat de Nederlandse samenleving wil zijn.Het traject van participatie vindt dus plaats in de gemeenten.Ik ben het niet met u eens. Ik vind dit wél een sterke tekst, juist ook omdat,zoals de heer Flach zei, artikel 1 van de Grondwet hier staat in ietsmakkelijker Nederlands. Het is nog niet heel makkelijk; dat ben ik wel metu eens. Daarom is het juist zo mooi. Ik vind dit wel een sterke tekst. Diebestaat neem ik aan al... Een paar jaar geleden is die ook langs geweest inhet hele traject met uw Kamer. Maar ik vind ’m nog steeds... Hij moetnatuurlijk ook een beetje tijdloos zijn. Als we ’m over vijf jaar lezen, moethij ook nog passen. Dat vind ik er juist heel goed aan. Iedereen mag zijneigen mening uiten. Iedereen mag een eigen geloof hebben en is vrij omwel of niet te geloven. Iedereen mag uitkomen voor zijn of haar eigenseksuele geaardheid. Iedereen heeft recht op eigen keuzen en zelfstan-digheid. Zelfbeschikkingsrecht, het staat erin. Nooit discrimineren,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4367 aanzetten tot haat, oproepen tot vijandigheid. Er staan echt prachtigedingen in over wat wij als samenleving willen zijn. Ik citeer: «In Nederlandvragen we alle burgers bij te dragen aan een prettige en veilige samen-leving, bijvoorbeeld door te werken, naar school te gaan of door vrijwilli-gerswerk te doen. (...) Het spreken van de Nederlandse taal is hierbij heelbelangrijk.» Ik vind dat daar heel sterke zinnen in zitten.De heer Boon (PVV):U heeft mij niks horen zeggen over de inhoud, want ik sta natuurlijkhonderd procent achter de inhoud. Die is heel mooi. Maar ik vraag mij welaf in hoeverre iemand die deze participatieverklaring ondertekent, de tekstook echt begrijpt. We hebben het er al over gehad dat de Nederlandsetaalbeheersing vrij zwak is. De inhoud is heel erg mooi, als je die begrijpt.Maar als je de inhoud niet begrijpt, is het gewoon een dode letter. Jeondertekent het om de participatieverklaring binnen te halen. Wordt datop een bepaalde manier getoetst? Wordt er onderzoek gedaan in hoeverrehet echt wordt begrepen?Minister Van Gennip:De participatieverklaring is de afsluiting van een traject, van een van detrajecten die inburgeraars doorlopen om hun inburgeringsdiploma tehalen. Daarmee ronden ze hun inburgeringstraject af. Op het moment datje zo’n traject doorloopt, heb je natuurlijk gesprekken over wat datbetekent. Wat betekent «niet discrimineren»? Wat betekent ’meedoen inde Nederlandse samenleving»? Pas daarna zie je dat sommige mensendat helemaal doorleefd tot zich hebben genomen en dat andere mensendaar wat meer moeite mee hebben. Maar uiteindelijk moet iedereen dezeparticipatieverklaring ondertekenen. Ze moeten echt een handtekeningzetten en uitspreken dat ze het ermee eens zijn. Op het moment datmensen de verklaring niet ondertekenen, wordt er opgetreden. Datgebeurt niet heel vaak, maar dat gebeurt wel. Daar horen ook boetes bij.Dit is geen kleine stap. Ik ga ervan uit dat dit een grote stap is in het levenvan inburgeraars. Het is ook belangrijk om te vermelden dat dit het eindeis van een traject van drie jaar. We hebben het gehad over de taalvaar-digheid van mensen. Het ligt er een beetje aan welke route mensenhebben gevolgd en onder welke inburgering ze vallen, maar we gaan erwel van uit dat ze het taalniveau B1 of A2 hebben en dat ze dus kunnenlezen dat er staat: u mag niet discrimineren. In alle modules die daaraanvooraf zijn gegaan, bijvoorbeeld over de Nederlandse maatschappij, isgesproken over wat «niet discrimineren» inhoudt en is gezegd dat inNederland twee mannen of twee vrouwen hand in hand over straatmogen lopen. Dat zit allemaal in dat soort lessen.De voorzitter:Dank u wel. We gaan door naar een vraag van mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Ik wil hier even op doorgaan. We hebben bij de totstandkoming van denieuwe inburgeringswet uitgebreid gedebatteerd over de participatiever-klaring. Ik heb daar toen samen met de heer Segers een amendementover ingediend. Dat hebben wij precies om deze reden gedaan, omdat wijvonden dat mensen actief moeten zeggen: ik respecteer en ik eerbiedig demensenrechten en de spelregels in dit land, en ik neem afstand vanhandelingen die daarmee in strijd zijn. Dat was een vrij lange juridischediscussie, omdat wij eigenlijk nog een stapje verder wilden gaan. Wijvonden dat mensen ook moeten zeggen: ik onderschrijf dat. Toen bleekechter dat dat rechtsstatelijk niet kan, omdat je mensen niet kunt dwingenom iets te vinden. Maar je kunt wel van mensen eisen dat ze ietsrespecteren en eerbiedigen. Dat was het meest vergaande dat we kondendoen bij het aanpassen van de participatieverklaring. Het valt mij op datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4368 de nieuwe verklaring nog niet op een aantal websites van de overheidstaat. Op de site van DUO zagen we dat de toegevoegde zinnen die we erdestijds na een lang juridisch debat in hebben weten te krijgen, er nogniet bij staan. Zou de Minister kunnen nagaan of die nieuwe verklaring,waarin actiever van mensen wordt geëist dat ze de spelregels respecteren,ook daadwerkelijk wordt gebruikt in alle gemeenten en bij alleoverheidsinstanties?Minister Van Gennip:Zeker.Mevrouw Becker (VVD):Dat is fijn.De voorzitter:Er is nog een korte vervolgvraag van de heer Flach. Ik waardeer de korteantwoorden.De heer Flach (SGP):Ik ga proberen mijn laatste vraag kort te stellen. Ik wil even terugkomenop een van de opmerkingen van de Minister. Het gaat mij niet om mijnmotie of mijn naam. Het gaat mij er echt om dat de Minister iets in de tasheeft om mee te nemen naar de VNG. Ik moet daarbij ook even kijken naarde formulering. De vrijheid die gemeenten hebben wat betreft hun eigenbeleid en die ik normaal gesproken hoog in het vaandel heb staan, geldthier niet. Je kunt pas echt zien en doorleven wat er gebeurd is, als je opzo’n locatie bent. Dat schrijft de Minister zelf ook. Ik wil voorkomen dat hetwordt afgedaan met een foldertje, een spreadsheet of wat dan ook. Ik wildat je op locatie doorleeft wat er gebeurd is. Dat maakt je in alle gevalleneen milder mens. Dat is ook mijn eigen ervaring. Het kan namelijk zomaarweer gebeuren. Zie het als een aanmoediging voor dat gesprek. Zo zal ikde motie ook proberen op te stellen.Minister Van Gennip:Volgens mij zei ik dat net al. Ik denk dat wij hetzelfde willen bereiken. Ikkan me heel goed voorstellen dat u daar een motie aan wilt wijden. Maarik ga daar niet over, dus daar moet ik eigenlijk helemaal niks over zeggen.Wij zijn het met elkaar eens over wat we willen bereiken, namelijk datmensen echt doorleefd naar een locatie gaan, waar ze voelen hoe het was.Dat kan ook de gevangenis hier in Scheveningen zijn. Daar ben ik ookgeweest. Dat is een prachtig museum geworden. Het is ook heelbenauwend. Je voelt daar hoe de Tweede Wereldoorlog was.De voorzitter:Dit was volgens mij het blokje inburgering. Er is nog een vraag vanmevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Ja, dat klopt. Ik had de vorige keer gevraagd of het klopt dat van de 51.800inburgeringsplichtigen nog maar 8.700 mensen een taalaanbod hebben.De Minister ging de vorige keer in haar antwoord in op het aantal mensendat een PIP heeft. Dat ligt wat hoger. Dat is inmiddels de helft. Maar inhaar cijfers las ik dat het hebben van een PIP nog niet betekent dat je ookeen taalaanbod hebt. Als dat klopt, dan zitten er nu nog 40.000 mensen tewachten. Daar wil ik een reflectie op, want dat aantal is echt ontzettendlaag. Slechts 8.700 mensen van de 51.000 mensen kunnen nu gaaninburgeren. Ik weet niet of de Minister die vraag nu meteen kan beant-woorden of dat het antwoord later komt. Het was in ieder geval eenonbeantwoorde vraag van de vorige keer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 4369 Minister Van Gennip:Die zat niet meer in ons mapje, maar we zorgen ervoor dat we dadelijkmet de cijfers komen. Alvast ter reflectie: we hebben de onderwijsroute nugeregeld. Dat is goed nieuws. Dat heeft even geduurd, dus dat betekentdat de afname van taalaanbod door gemeenten langzamer is gegaan. Hetheeft niet helemaal stilgestaan. Je ziet dat zowel het aantal PIP’s als hettaalaanbod in heel veel gemeenten fiks toeneemt. Dat is goed nieuws. Hetis nog wel een laag aantal. We komen dadelijk nog even terug op deaantallen.Een van de dingen die daar ook een rol bij speelt, is het tekort aanNT2-docenten in sommige regio’s. Dat geldt niet voor alle regio’s. Er ziteen soort concurrentie tussen de verschillende inburgeringswetten. Dewet van 2013 moet nog afgerond worden en nu is er ook de wet van 2021.Er zitten taalscholen bij die het een hebben gecontracteerd of aanbiedenen die nu voor het ander worden gevraagd. De ene klas is halfleeg en deandere klas zit te vol, om het even gechargeerd te zeggen. Dat is ook aande hand. Dat is zich nu allemaal aan het uitkristalliseren. We komendadelijk nog met de laatste cijfers. Het gaat echt per maand beter.Wat ook een rol speelt, is de vertraging bij het huisvesten van status-houders. Dat moeten we niet onderschatten. Bij statushouders die nog ineen azc zitten maar die inmiddels zijn toegewezen aan een gemeente, issprake van een vertraging in het PIP. En als er sprake is van een vertragingin het PIP, is er ook sprake van een vertraging in het taalaanbod, want jemoet eerst een PIP krijgen. Daarna volgt een inventarisatie van hoeveeltaallessen en scholing je nodig hebt. Vervolgens begint het taalonderwijs.De vertraging in het huisvesten van statushouders speelt overal in door.Maar we komen hier in de tweede termijn nog extra op terug.Mevrouw Becker (VVD):Ik heb nog een andere vraag gesteld in dit blokje, over een voornemenvan de Minister. Als iemand de Z-route volgt en werkervaring opdoet ineen talige omgeving, dan kunnen die uren afgetrokken worden van hetaantal uur dat iemand nog taalles moet volgen. We hebben het dan overde categorie mensen die 600 uur taalles volgen en 600 uur werkervaringopdoen, en die van deze Minister ook nog eens minder taallessen hoevente volgen. Ik vind dat vrij kwetsbaar. Ik heb haar gevraagd om daarop tereflecteren. Ik geloof dat dit een voorgenomen besluit is. Het is nog geenwetgeving. Als de Kamer dit niet wil, is dit dan het moment om onsdaarover uit te spreken? Ik ben benieuwd of zij anders aanneemt dat zijhiermee door kan gaan, nu ze dit aan de Kamer heeft voorgelegd.Minister Van Gennip:Waarom willen we dit? We willen heel graag dat statushouders aan hetwerk gaan en dat ze tegelijkertijd de taal leren. Dat blijkt in de praktijksoms best moeilijk te zijn, waardoor statushouders heel veel onderwijsvolgen, of dat nu taalonderwijs is of ander onderwijs, en niet aan het werkzijn. Ik zeg heel vaak: werk is het beste woordenboek. Ik geloof er echt indat je een gedeelte van de taal juist heel goed op de werkvloer kunt leren.Het voorstel is dat je 200 uur van die 600 uur op de werkvloer mag doen,maar dan wel in een Nederlandstalige omgeving met een taalcoach eneen talige omgeving, dus niet dat je zit te programmeren en alleen maarbij de koffie Nederlands praat, want dat is niet voldoende. Het moet erecht om gaan dat je de taal in de praktijk leert. Parallel daaraan heb je nogsteeds die klassikale uren, want je moet natuurlijk wel de grammatica,taalstructuren en woordjes leren, maar ik geloof er juist in dat dat een helegoede combinatie is omdat sommige mensen nou eenmaal beter leren opde werkvloer in de praktijk. Ik wil heel graag dat die trajecten van werk entaal gecombineerd worden, want nu zie je in te veel gemeentes datmensen toch het traject van het leren van de taal en inburgeringsklassenin worden geduwd, maar dat ze niet gaan werken. Daardoor oefenen ze deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43610 taal niet in de praktijk. Je wilt juist dat ze die taal in de praktijk oefenen endat ze daarmee aan de gang gaan. Het mag ook vrijwilligerswerk zijn,maar iemand die twee ochtenden in de week twee uur klassikaal lesheeft – ik chargeer een beetje – en voor de rest dat Nederlands nietgebruikt, leert het veel minder goed dan iemand die na die les op z’n fietsdoorgaat naar welke werkplaats dan ook en daar in het Nederlands moetconverseren over hoe het boutje en het moertje bij elkaar passen. Diecombinatie wil ik heel graag. Daarom heb ik gezegd dat 200 uur van die600 uur in een talige omgeving op het werk mogen. Ik bedoel: van 800naar 600. Pardon.Er zijn diverse onderzoeken die mijn gedachte steunen dat een andereinvulling van maximaal 200 taaluren in de Z-route effectief kan zijn. Datzijn onderzoeken van VluchtelingenWerk, het Verwey-Jonker Instituut enITTA over praktijkgerichte inburgering en het leren van de taal. Ik kan nogeen heleboel onderzoeken noemen, maar dit is wat erachteruit komt. Jeziet – dat vind ik ook belangrijk – dat mensen die aan het werk gaan, eensociaal netwerk opbouwen en makkelijker inburgeren en integreren,omdat ze aan een Nederlandse collega kunnen vragen: de banken zijndicht op Goede Vrijdag, hoe zit dat? Dit weekend vroeg iemand dat aanmij: de bank was gisteren dicht, wat gebeurde er? Ik: ja, op Goede Vrijdagzijn in Nederland de banken dicht. Met dat soort simpele dingen tot hetinvullen van moeilijke formulieren kan een collega je even helpen. Ik vindhet sociale netwerk dat hierbij komt kijken heel erg belangrijk, dus ik hechthier zeer aan.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Ik deel dat. Het hele uitgangspunt van de nieuwe inburgeringswet is datwe zo veel mogelijk dingen duaal doen, maar ik maak me ook zorgen. Alsik het goed begrijp, hebben deze mensen daarmee uiteindelijk eenverplichting van minder uren, omdat ze het een kunnen laten meetellenvoor het ander. Ik zou het op zich nog begrijpen als de Minister hetverplichte aantal uren taalles dat wordt verlaagd als iemand werkervaringheeft, verhoogt met hetzelfde aantal uren werkervaring, omdat ze het eenkunnen laten meetellen voor het ander. Ik zou het op zich nog begrijpenals de Minister zou zeggen: als iemand werkervaring heeft, dan verlaag ikhet verplichte aantal uren taalles, maar dan verhoog ik dat met hetzelfdeaantal uren werkervaring. Als dat het is – het ene is 600 en het andere is600, en dat blijft zo – dan kan ik me daar meer bij voorstellen. Maar ik lashet zo dat het in z’n totaliteit omlaag wordt gebracht omdat het enemeetelt als het andere. Daar maak ik me dan zorgen over.Minister Van Gennip:Het totaal blijft hetzelfde, dus je ruilt 200 uren klassikale les in voor 200uren taalrijke werkervaring onder begeleiding van een Nederlandsetaalcoach/collega. Je moet dus echt Nederlands op je werk praten. Daarwordt dan geen Engels gesproken. Het kan ook niet zo zijn dat je uren in jeeentje werkt zonder dat je Nederlands spreekt. Het gaat echt om interactiein het Nederlands.Mevrouw Becker (VVD):Ja, en die verplichting, het aantal uren dat je moet werken om je Z-routete kunnen halen, gaat dan dus omhoog?Minister Van Gennip:Het aantal uren dat je werkt in de Nederlandse taal; daar gaat het om.Mevrouw Becker (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43611 Ja, maar die is nu 600 uur werkervaring en die wordt dan 800 uurwerkervaring?Minister Van Gennip:Ja.Mevrouw Becker (VVD):Oké.De voorzitter:Ik kijk nog even naar links. U kunt wat mij betreft beginnen met hetvolgende blok.Minister Van Gennip:Ik wou daar nog één zin aan toevoegen, want de inburgeringseisen zullenonder mijn eh ... – «bewind» wou ik zeggen – leiding niet heel snel naarbeneden gaan, maar ik probeer daar wel zo invulling aan te geven dat zeeffectiever zijn. Dat vind ik heel belangrijk.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Gennip:Dan hebben we het volgende blokje: de VIA. De heer Van Oostenbruggenvroeg naar het versoepelen van de eisen voor de BIG-registratie. Mijncollega van VWS heeft een aantal activiteiten ondernomen gericht op hoeje die BIG-toelatingsprocedure voor buitenlandse zorgverleners die hieruiteindelijk als statushouder aan het werk gaan, met behoud van kwaliteitkan stroomlijnen en versnellen. Dat zijn de volgende. Er is een centraalaanspreekpunt voor buitenlandse zorgverleners bij VWS: het agentschapCIBG. Samen met de veldpartijen zijn er cultuurmodules ontwikkeld. En dealgemene kennis- en vaardighedentoets is per 1 januari vervangen doortaalcertificaten. We hebben natuurlijk een groot tekort in de zorg en heelveel statushouders, ook mensen uit Oekraïne met medische ervaring. Ditis bedoeld om die sneller aan de slag te kunnen laten gaan. Ik weet ookdat er een aantal wat meer vrijwillige initiatieven zijn bij verschillendezorginstellingen, waar statushouders, artsen en verpleegkundigen onderauspiciën van een Nederlandse arts of verpleegkundige werken. Datnoemen ze het vierhandeninitiatief. Op die manier leren ze op deNederlandse werkvloer de Nederlandse methodes en kunnen ze dussneller een Nederlandse BIG-registratie krijgen.Mevrouw Keijzer vroeg welke interventies het meest effectief zijn voormensen met een migratieachtergrond om aan het werk te komen. Hetprogramma voor een inclusieve arbeidsmarkt heeft in de afgelopen driejaar in heel veel verschillende pilots onderzocht wat werkt om dearbeidsmarktkansen te vergroten. Dan gaat het om pilots op drie thema’s,waarbij er onder elk thema verschillende acties en pilots zitten: hettegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie, waar de wet die de EersteKamer vorige week tot mijn spijt heeft verworpen, een grote rol in speelt;het tegengaan van stagediscriminatie; het komen tot een kansrijkerestudiekeuze; en het vanuit de bijstand van werk naar werk begeleiden.Wat is er bijvoorbeeld effectief? Dat is aan de voorkant objectief wervenen selecteren, dus gelijkwaardige kansen op de arbeidsmarkt. We wetenook dat objectief selecteren bijdraagt aan het tegengaan van stagediscri-minatie. Daarnaast zien we in onderzoeken dat jongeren met eenmigratieachtergrond vaker kiezen voor studierichtingen met minder kansop een baan. Daar lopen ook trajecten op. Je wilt natuurlijk de oriëntatieop een loopbaan van álle jongeren verbeteren, maar bij jongeren met eenmigratieachtergrond zijn twee dingen heel belangrijk. Het eerste is hetzelfvertrouwen dat je een bepaalde baan aankunt, dat die niet te hoogTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43612 gegrepen is. Daarbij wil je ook een «zelfverwoording» van wat dannormale en passende banen zijn.Ten slotte begeleiding naar werk vanuit de bijstand. We weten datmaatwerk werkt. We weten dat intensieve begeleiding werkt. We weten,onder andere uit het SCP-rapport Een brede blik op bijstand uit juni 2023,dat meer dan 50% van de mensen in de bijstand te maken heeft metmultiproblematiek. Relatief vaak gaat het dan om problemen metschulden en gezondheid. Daar heeft mijn collega Schouten een heleboeltrajecten op lopen. We weten dat het effectiever is om iemand aan hetwerk te krijgen als gemeentes de verschillende deelgebieden van diemultiproblematiek meenemen.Wij zijn met de twintig partijen die bij de VIA-werkagenda betrokken zijn,de interventies aan het toepassen die zich in die pilots bewezen hebben.Op het moment dat een pilot succesvol blijkt, rollen we die uit overNederland. Dat gaat dan zowel over begeleiding van bijstand naar werk,als over stagediscriminatie en arbeidsmarktdiscriminatie. Een van deonderdelen daarvan is uiteraard het project Statushouders aan het werk.Dat heeft steeds meer aandacht gekregen van de gemeentes diemeedoen, maar vooral ook van de gemeentes die mee willen gaan doen,en dat is maar goed ook.Mevrouw Becker vroeg: kunt u niet kijken of we aanvullende afsprakenkunnen maken met tekortsectoren voor die startbanen, en wat daar nodigis? Ik vind dat een aardige suggestie. We hebben vijf verschillende pilotsdie op verschillende manieren vormgegeven zijn. De een is met eenuitzendbureau. De ander is met het sociaal werkbedrijf. De derde is juistmet allemaal samenwerkende gemeentes. Je wil natuurlijk weten watwerkt. Je gaat ze niet alle vijf over heel Nederland uitrollen tot je weet watwerkt. Misschien werken ze alle vijf, misschien maar een van de vijf. Totnu toe zijn de meesten daarvan zo succesvol dat allerlei anderegemeentes willen meedoen, dus dat is een goed teken. De animo is er.Maar ik vind het wel aardig om in die VIA-samenwerking te kijken of weiets extra’s moeten doen om startbanen in de tekortsectoren te creëren.Ik vind het wel aardig om te noemen dat de gemeentes die nu met diestartbanenpilots bezig zijn, Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, dearbeidsmarktregio Helmond-De Peel en een aantal samenwerkendegemeentes in Midden-Brabant zijn. Op het moment dat die proevensuccesvol zijn, dan gaan we natuurlijk met andere gemeentes aan de slag.Een aantal van de deelnemende gemeentes breiden nu al hun groepenuit, omdat ze zeggen: het is zo succesvol; laten we er meer mensen aantoevoegen. Natuurlijk heeft elke plek wel zijn eigen kenmerken enontwikkelingen. Zelf vind ik Helmond-De Peel wel mooi. Daar is heel veelmaakindustrie en mkb, dus dan maak je juist afspraken met die sectoren.Dat komt eigenlijk al een beetje tegemoet aan wat mevrouw Becker vroegover tekortsectoren, maar het is mooier om dat landelijk te bekijken. Datzijn de startbanen.Daarnaast hebben we een aantal landelijke afspraken gemaakt waarvakdepartementen specifieke trajecten voor statushouders hebbenopgezet, onder andere in tekortsectoren. Ik noemde net al VWS en dezorg. Daarbij gaat het echt om een integraal plan voor meer statushoudersaan het werk in de zorg. EZK is bezig in de techniek. Daar gaat het vooralom de opleiding en de begeleiding van statushouders in klimaat en indigitale transities. Daarin is het eerst opleiden en dan aan het werk. OCWheeft een subsidieregeling voor middelbare scholen die statushoudersopleiden en begeleiden in het onderwijs. Ik kan daar nog aan toevoegendat de kinderopvang, onze eigen sector, een aantal ontwikkelpaden voorgroepshulpen heeft, ook met een focus op statushouders en Oekraïners.Mevrouw Keijzer vroeg ook: is het voor mensen met een migratieachter-grond eigenlijk wel aantrekkelijk om te gaan werken? Ja! Ik ben er 100%van overtuigd dat het voor iedereen aantrekkelijk is om te gaan werken,voor alle mensen in Nederland, dus ook voor mensen met een migratie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43613 achtergrond. Eén: werk levert inkomen op. Het verschil tussen bijstand enminimumloon is in besteedbaar inkomen ongeveer een derde. Dat scheeltmeer dan € 500 per maand. Met het wml heb je nog steeds bijna al jetoeslagen. Dus werken loont; dat is één. Het tweede: werk geeft ontwik-keling en perspectief. Je kunt verder komen in het leven, want als je hetgoed doet bij je eerste baan, krijg je hopelijk een tweede baan die beterbetaalt, die interessanter is en waar je weer een opleiding kan volgen.Drie: werken geeft sociale contacten, geeft zelfvertrouwen, geeft hetgevoel dat je ertoe doet in de samenleving. Vier: werk doet ook iets met jekinderen. We weten dat kinderen van ouders in de bijstand anders naarhun ouders kijken op het moment dat zij wel aan het werk zijn. Dandoorbreek je intergenerationele armoede, maar zorg je ook dat diekinderen zelfbewuster aan de slag kunnen.De heer Flach vroeg naar de mogelijkheid om diploma’s van asielzoekerste erkennen. Inburgeringsplichtigen kunnen een gratis diplomawaarderingaanvragen. Die geeft dan aan met welk Nederlands opleidingsniveau jouwdiploma te vergelijken is. Diplomawaardering is een advies voorwerkgevers, voor onderwijsinstellingen en in het geval van beschermdeberoepen, zoals in de kinderzorg, voor bevoegde instanties. Wel wordende diploma’s van asielzoekers en statushouders vaak lager gewaardeerddan in het land van herkomst. Een van de redenen daarvoor is dat wij helehoge eisen stellen aan mensen die in hun beroep werken met kwetsbaregroepen, zoals verpleegkundigen en leerkrachten. Dat zijn inhoudelijkeeisen. Daarnaast stellen we natuurlijk taaleisen; die zijn ook in hetonderwijs en de zorg van belang. We willen dat niveau natuurlijkvasthouden, maar ik zet mij er samen met mijn collega’s in het kabinetvoor in om die erkenningsprocedure waar het kan te vereenvoudigen. Hetgaat er dus om dat je zonder dat je het niveau loslaat, kijkt of het tochsimpeler of sneller kan. Daar hebben statushouders en asielzoekers straksprofijt van.Ik vertelde u net in een eerder antwoord al wat de Minister van VWS heeftgedaan om de BIG-procedures te stroomlijnen. Ik vind het ook belangrijkdat er zo snel mogelijk werkervaring wordt opgedaan. Daarom hebben weeen project van het UAF gefinancierd waarin gevluchte zorgmedewerkersworden gematcht met een werkplek waar zij onder begeleiding van eenmentor aan het werk kunnen. Daar hebben we inmiddels 121 matchesgemaakt in een halfjaar.De heer Van Oostenbruggen vroeg naar 15 miljoen voor taalonderwijsvoor Oekraïense ontheemden. Dat had ook in het mapje Oek gekund,maar dat maakt niet uit. Allereerst blijkt uit het laatste onderzoek onderOekraïense ontheemden, dat al van vorig jaar is, het volgende. Eén. Zezijn veel vaker aan het werk dan statushouders. Twee. Ze werken vaakbeneden hun niveau en niet in hun eigen sector. Het zou toch heel mooizijn als deze vooral dames wél in hun eigen vakgebied en het liefst ook ophun eigen niveau aan het werk kunnen, of dat nou op het gebied vanmarketing of in de zorg is. Drie. Ook bij Oekraïners is er een grotebehoefte om de Nederlandse taal te leren. Vandaar dat ik vorig jaar15 miljoen heb vrijgemaakt om gemeentes te ondersteunen bij hetrealiseren van het taalaanbod voor Oekraïners.Ik vind de suggestie van de heer Van Oostenbruggen om ook eens naar deO&O-fondsen te kijken, een hele mooie. Wij hebben hier namelijk allemaaleen verantwoordelijkheid. De O&O-fondsen zijn natuurlijk primair gerichtop de scholing en opleiding van werknemers in die sector. Oekraïenseontheemden zijn geen specifieke doelgroep. Maar ik ga graag met debranchevereniging in gesprek om te zien of er via de cao’s en deO&O-fondsen iets te doen is op het gebied van dualiteit, werk en taalcombineren, juist ook voor Oekraïense ontheemden en statushouders.Daarnaast had ik u in een ander debat toegezegd om voor de begrotingvan dit jaar te komen met het antwoord op de vraag wat de behoefte ismet betrekking tot taalonderwijs aan Oekraïners en of die 15 miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43614 voldoende is of niet. Die toezegging heb ik u al een keer gedaan. Dieinformatie is er dan voor de begroting, zodat u er nog iets mee zoukunnen, mocht u dat willen.Dat was VIA, voorzitter.De voorzitter:Dan kijk ik kort naar links. Ik zie niemand enthousiast naar de microfoonreiken. Er is toch een vraag van de heer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Het is meer een verduidelijking, omdat ik zojuist hoorde dat mensen meteen migratieachtergrond kiezen voor bepaalde studies met minder banen.Heb ik dat goed begrepen? Hoe is dat bij mensen zonder migratieachter-grond? Wat zijn de verhoudingen daarin? Kan de Minister, vraag ik via devoorzitter, misschien aangeven om wat voor banen of sectoren dat gaat.Minister Van Gennip:Ja. Wij weten uit die VIA-onderzoeken en vooral uit wat we doen datmensen met een migratieachtergrond vaker dan mensen zonder migratie-achtergrond kiezen voor een opleiding die net een stapje lager is – datgaat over zelfvertrouwen en zelfbeeld – en voor opleidingen waar mindertekorten in zijn. Dat zijn bijvoorbeeld administratieve beroepen opmbo-niveau. Zoals we weten, zijn dat juist de beroepen die onder drukstaan, maar dat is een andere discussie over de impact van AI endigitalisering. Als de heer Bamenga daar meer over wil weten, kunnen wedaar prima in de volgende voortgangsbrief aandacht aan besteden. Ik kanme voorstellen dat dat tot bepaalde vragen en zorgen leidt. We nemen datin de volgende voortgangsbrief op.De voorzitter:Dank u wel. Er zijn verder geen vragen, dus wat mij betreft gaat u verdermet het volgende blokje.Minister Van Gennip:Voorzitter. Dat is het blokje zelfbeschikking en seksuele uitbuiting, tweewrange kanten van één medaille. Mevrouw Becker vroeg: wilt u met hetLandelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld gaan praten over hetfeit dat de meeste meldingen uit de Syrische gemeenschap komen? Hetkorte antwoord is: ja. Ik zal u ook een wat langer antwoord geven. Wehebben inderdaad een aantal gespecialiseerde expertise- en behandel-centra. Die hebben in 2021 geconstateerd dat er een toename is vanhulpvragen van Syrische meisjes en vrouwen. KIS, het KennisplatformInclusief Samenleven, heeft een verkenning uitgevoerd naar eergerela-teerd geweld in deze gemeenschap en mogelijke specifieke aanknopings-punten voor een aanpak. KIS doet een aantal aanbevelingen: voorlichtingaan de gemeenschap, samenwerking tussen hulporganisaties ensleutelpersonen, en meer bekendheid bij vrijwilligers over de meldcode.Dat laatste lijkt me ook interessant. Dus ja, ik zal in gesprek gaan met hetLandelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld over de ontwikke-lingen in verschillende gemeenschappen en in de Syrische gemeenschapin het bijzonder. Ik zal daar de aanbevelingen die ik net noemde, een vooreen bespreken. Ik ga daar bespreken hoe dit kan gaan landen in deSyrische gemeenschap. Dat zal ik overigens uiteraard in samenspraak metmijn collega van VWS doen. Die is namelijk coördinerend wat betreft deaanpak van schadelijke praktijken. Die heeft u trouwens ook regelmatigvoortgangsbrieven geschreven hierover. Dat klopt, want die heb ik toengezien.De heer Boon en anderen vroegen naar de migratieachtergrond vandaders van seksuele uitbuiting. Er zijn verschillende onderzoeken; bij deeen is het 90% en bij de andere is het 60%. Maar dat zijn hoe dan ookTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43615 hoge cijfers. Dat zijn ernstige cijfers. Ik vind dat al het seksuele geweld enal het gendergerelateerde geweld aangepakt moet worden, juist ookseksuele uitbuiting. Er zijn natuurlijk een heleboel redenen waarommensen dader worden. Dat kan te maken hebben met crimineel gedrag inhet verleden, een onstabiele gezinssituatie, voortijdig schoolverlaten ofhet hebben van criminele vrienden, familieleden en partners. Het kan erook mee te maken hebben dat iemand zelf slachtoffer is geweest. Er zijnallerlei redenen. Maar elke vorm ervan en elke individuele daad moetenhoe dan ook gewoon hard aangepakt worden.De Minister van Justitie zorgt natuurlijk voor de vervolging en voor eengerichte daderaanpak. 21 december 2023 heeft er een commissiedebatplaatsgevonden waarin het actieplan Samen tegen Mensenhandel isbesproken. De Kamer heeft toen om een aanscherping van het actieplangevraagd, met daarin meer aandacht voor daderaanpak. Mijn collega vanJustitie, mevrouw Yes¸ilgöz, scherpt op dit moment samen met betrokkenpartners het actieplan aan, onder meer wat betreft de daderaanpak.Voorzitter, dat was dit blokje. Dan heb ik nog het blokje Oek en het blokjediverse over. De heer Bamenga ...De voorzitter:Heeft u heel even een momentje? Er is toch nog een laatste vraag over hetvorige blok.Mevrouw Becker (VVD):Het is een laatste stuiptrekking.De voorzitter:Ik durf daar geen kwalificatie aan te geven.Mevrouw Becker (VVD):Ik had een vraag gesteld naar aanleiding van die meldingen overeergerelateerd geweld. We proberen dat natuurlijk te voorkomen door ookaan het begin van de inburgering heel duidelijk te maken dat we inNederland met elkaar een paar spelregels hebben, zoals dat vrouwengelijke rechten hebben en dat er sprake is van zelfbeschikking. Ik had deMinister gevraagd wat ze ervan zou vinden als zelfbeschikking een apartemodule in die inburgeringscursus zou worden. Als het enkel gaat omkennis van de Nederlandse samenleving en mensenrechten in hetalgemeen, vraag ik me af of er specifiek genoeg besproken wordt wat datdan in de Nederlandse samenleving betekent. Denk aan het recht op eeneigen bankpas, het gegeven dat het niet normaal is dat je vrouw devoordeur niet uit kan, dat je kinderen niet naar de vve kunnen en al datsoort dingen. Ik zou het zo mooi vinden als we dat specifieker kunnenmaken.Minister Van Gennip:Deze vraag had ik even gemist. Het waren ook best veel vragen; dat kon uaan mijn antwoorden van vorige week zien. Ik vind dat best een aardigesuggestie. Ik denk dat we even moeten nadenken over wat er nou wel al inhet onderwijs zit en wat nog niet, en er dan op terug moeten komen. Inhet examenonderdeel over kennis van de Nederlandse maatschappij zitnatuurlijk van alles. Ik zou dan ook zelf even willen begrijpen wat daar welen niet in zit en of zelfbeschikking daarin voldoende tot haar recht komt.Dan kom ik daar bij u op terug en kunt u oordelen of u het met mij eensbent of niet. Maar mevrouw Becker weet ook dat ik zelfbeschikking heelerg belangrijk vind voor alle vrouwen in Nederland. Ik vind het belangrijkdat je dat dus ook meegeeft aan mensen die onderdeel van de Neder-landse samenleving willen zijn. Hetzelfde geldt overigens voor homosek-sualiteit en gendergerelateerde zaken. Ik wil dus even kijken of ik het ietsbreder kan trekken dan alleen zelfbeschikking. Ik noemde het voorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43616 net natuurlijk niet voor niets al. In Nederland mogen twee mannen of tweevrouwen gewoon hand in hand op straat lopen. Je mag nog veel meerdoen, maar dit noem ik even als voorbeeld. Dat is wel echt onderdeel vandie Nederlandse samenleving. Ik zou het dus iets breder willen trekken,maar dan wil ik eerst even zelf goed kijken wat daar wel en niet in zit. Daarkom ik dan bij u op terug.De voorzitter:Dan is er toch nog een tweede vraag over het vorige blokje.De heer Bamenga (D66):De discussie die er net is geweest, triggert mij om hier een aanvulling opte doen. Ik begrijp heel goed dat bepaalde onderwerpen, waaronderzelfbeschikking, terug kunnen komen in allerlei programma’s. Maar mijnervaring met integratie is dat het ook zeer waardevol is om in contact tekomen met mensen. We hebben net al gesproken over het doorleven vanbepaalde ervaringen. In contact te komen met, in mijn geval, Nederlandsegezinnen, daar onderdeel van zijn en daarin helemaal opgenomen wordenen kunnen deelnemen aan zo’n project: ik denk dat dat veel meer impactkan hebben dan het deelnemen aan klasjes of wat dan ook. Dat is dus watmij betreft ook wel iets wat gestimuleerd zou kunnen worden. Mijn vraagis hoe de Minister hierin staat. Is het misschien iets om ook eens te kijkenhoe dit soort projecten nog verder gestimuleerd zouden kunnen worden?Minister Van Gennip:In deze ruim twee jaar heb ik op werkbezoeken, in gesprekken en bijgemeentes gezien dat sommige inburgeraars juist doordat ze naar schoolgaan of aan het werk zijn vrij gemakkelijk collega’s, medescholieren,sportgenoten, bijvoorbeeld van een voetbalclub, ontmoeten. Andereinburgeraars hebben dat helemaal niet. Die blijven in hun eigen cirkelhangen en missen daardoor echt de mogelijkheid om te landen in deNederlandse samenleving. Of we daar iets gestructureerds aan moetendoen, in een programma-aanpak, waar iedere gemeente dan weerverplicht aan mee moet doen, dat weet ik niet; daar wil ik nog even overnadenken. Ik weet wel het volgende, iets wat ik erbij ga betrekken omdathet op ons lijstje stond. Ik sprak mijn Vlaamse collega. In België hebben zeeen soort buddyprogramma – misschien kent u het – waarin je gekoppeldwordt aan een Vlaamse meneer of mevrouw, die je meeneemt naar zijn ofhaar sportclub, naar de koffie in het buurthuis en noem maar op. Met datvoorbeeld in de hand wil ik best even naar de suggestie van de heerBamenga kijken, naar hoe we kunnen orkestreren dat inburgeraars veelmeer met, zeg maar, «gewone» Nederlanders in contact komen en nietalleen maar in een klasje zitten. Er zijn ongetwijfeld heel veel gemeentesdie dat allemaal al doen. Die zitten natuurlijk ook niet stil. Die proberennatuurlijk ook van alles uit: wat werkt wel, wat werkt niet? Ook dat nemenwe dan even mee: wat gebeurt er al wel en wat kan er nog aan wordentoegevoegd?De heer Bamenga (D66):Dank voor de antwoorden. Dit, die ervaring die de Minister net aangaf, iseigenlijk precies waar ik op doelde, eerlijk gezegd. Het zou fijn zijn als deMinister kan toezeggen dat we terugkrijgen wat er uit de inventarisatie isgekomen, zodat we als Kamer kunnen beslissen wat we er verder meekunnen.Minister Van Gennip:Dan is het een inventarisatie, met daarbij het Vlaamse voorbeeld in dehand. En dan niet alleen een inventarisatie, maar ook een volgende stap:zouden we dit willen? We kunnen u daar een voorstel voor doen. Of wezeggen: het is helemaal geen goed idee, we doen het niet. Dat kan ook.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43617 Maar we doen eerst een inventarisatie en dan komen we ook met eenvoorstel of en, zo ja, hoe we het vorm kunnen geven, want ik begrijp waarde heer Bamenga vandaan komt en ik heb van mijn Vlaamse collegagehoord hoe goed dat in Vlaanderen werkt.De voorzitter:Dan denk ik dat we toe zijn aan het volgende blokje.Minister Van Gennip:Ja. Oekraïne. Ook een vraag van de heer Bamenga: hoe gaan we nueigenlijk om met de Oekraïners die nu in Nederland zijn en hier misschienwel willen blijven, of juist terug willen? Allereerst. Het is een hele heftigeoorlog, die twee jaar geleden door Rusland is begonnen door Oekraïnebinnen te vallen. En die oorlog is ook nog lang niet afgelopen. We hebbenruim 100.000 Oekraïners in Nederland. Een groot deel daarvan zijnoverigens kinderen. Een heel belangrijke vraag is: hoe straks verder? Alshet weer wat stabieler zou worden in Oekraïne, gaan mensen dan terug ofkomt er gezinshereniging met mensen die hier al zijn?Mijn Oekraïense collega van Sociale Zaken is zo nu en dan bij de EuropeseRaad. Ze heet Oksana. Elke keer weer zegt ze tegen mij: zorg goed vooronze mensen, maar zorg ook dat je ze vaardigheden meegeeft die zestraks kunnen gebruiken om mijn land weer op te bouwen; leer ze ietsextra’s. Ook de Oekraïense regering zelf is dus al bezig met de vraag: hoezorgen we dat de 6 miljoen mensen die inmiddels het land hebbenverlaten, één straks terugkomen en twee terugkomen met extra vaardig-heden, extra kennis van zaken, zodat ze het land weer kunnen opbouwen?Daar spreekt natuurlijk toch ook een beetje de zorg uit: gaan al mijnOekraïense landgenoten straks wel terugkomen? Want hoe langer hetduurt, hoe meer de kinderen hier geworteld zijn. Daarom noemde ik netde kinderen. Ik kan me ook nog voorstellen dat het best moeilijk zal zijnom mensen ervan te overtuigen om weer terug te gaan als hun huisplatgebombardeerd is, hun man omgekomen is in het leger en hunkinderen hier naar school zijn. Dat wordt echt een lastige discussie, zekervoor Oekraïne zelf. Dat wordt het voor ons als ontvangend land, maar ookvoor Oekraïne zelf.Wat gebeurt er op dit moment in Europa? Zeer waarschijnlijk wordt deRichtlijn Tijdelijke Bescherming met een jaar verlengd, van maart 2025 totmaart 2026. Dat gebeurt om de lidstaten de tijd te geven om gezamenlijktot een uitspraak over de status van Oekraïners te komen – want je wiltuiteindelijk een gezamenlijke uitspraak – en ook omdat er natuurlijk eennieuwe Commissie komt. De voorkeur van het Nederlandse kabinet is dusom tot een Europese oplossing te komen. Daarbij kun je je allesvoorstellen van «iedereen moet asiel aanvragen» tot «we maken iedereengelijk statushouder» tot de voorstellen van de commissie-Asscher.Lodewijk Asscher heeft vorig jaar een Europese Commissie geleid. Eenvan zijn voorstellen was om te komen met een wederopbouwstatus. Diezou dan bijvoorbeeld voor vijf jaar gelden. Zo doen allerlei ideeën deronde.Als kabinet zijn we op dit moment aan het analyseren op welke manierNederland zich moet voorbereiden op de verschillende scenario’s. Datdoen we in nauw overleg met VNG en met een aantal andere stake-holders. Collega Van der Burg, de Staatssecretaris van JenV, zal u nogvoor de zomer informeren over de stand van zaken met betrekking tot deuitkomsten van de verkenning op Europees en op nationaal niveau. Datwordt dus een vrij brede kabinetsbrief. In de tussentijd zetten wenatuurlijk in op de participatie en zelfredzaamheid van de Oekraïners. Datbetekent ook inzet op duurzame banen, taallessen en het opdoen van zoveel mogelijk vaardigheden die mensen straks kunnen gebruiken.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43618 Volgens mij ronden we eerst even het blokje af, mevrouw Keijzer, en doenwe dan de vragen.Minister Van Gennip:Dat was het over Oekraïners. Dan heb ik hier nog wat diversen. Ik denk datik door het blokje Oekraïne heen ben. Ja.De voorzitter:Dat is een apart blokje, toch?Minister Van Gennip:Nee. Ik blader even door. Dit was het over Oekraïne. Ik heb de 15 miljoen-vraag van de heer Van Oostenbruggen al beantwoord; die zit hier ooktussen.De voorzitter:Dan gaan wij even naar mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (BBB):Ik hoorde de Minister op zichzelf natuurlijk zeer terechte woorden sprekenover mensen die hier om allerlei redenen graag zouden willen blijven.Maar is het gezien de effecten die dat op het land van herkomst heeftwanneer het daar weer goed gaat, voor te stellen dat mensen desalniet-temin terug zouden moeten? Is dat onderdeel van de brief die het kabinetaan het voorbereiden is?Minister Van Gennip:Wij kunnen ons van alles voorstellen. De oorlog is nog gaande. Ik gaf unet ook al aan dat mijn collega uit Oekraïne er echt op aandringt dat demensen zo worden opgeleid, voorbereid en vaardigheden meekrijgen datze straks kunnen meehelpen aan de wederopbouw van Oekraïne, dus datze terugkomen. De grote zorg van Oekraïne zelf is natuurlijk dat het straksheel erg weinig mensen overheeft, omdat ze allemaal in andere landenvan Europa willen blijven. Wij komen als kabinet met een brief over deinventarisatie van de mogelijkheden en de inventarisatie zoals die opEuropees niveau loopt. Dan krijgt u daar alle antwoorden op.Mevrouw Keijzer (BBB):Dat is fijn, als maar in de hoofden van het kabinet die oproep vanuitOekraïne goed wordt gehoord en ook wordt gecombineerd met ons eigenrapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen, waaruitblijkt dat als we niet wat strikter worden in dit soort discussies, we op eengegeven moment gewoon dik over de 23 miljoen inwoners heen gaan.Dat is mijn zorg. Ik gun het iedereen, zeker als je hier al een tijdje bent, omeen toekomst op te bouwen, maar de keerzijde van die medaille is altijdde braindrain in het land van herkomst en het feit dat wij hier zo langza-merhand niet meer weten hoe we Nederlanders, ongeacht hun herkomst,huidskleur of geloof, ook een eigen woning, een opleiding en zorg moetenbieden.Minister Van Gennip:Ik was de opdrachtgever van de Staatscommissie DemografischeOntwikkelingen, juist ook omdat de combinatie van vergrijzing en migratieNederland voor een grote opgave stelt. Vandaar dat je demografie veelmeer in het hart van het beleid moet zetten. Daar hoort ook de vraag bij ofmensen, in dit geval Oekraïners, op een gegeven moment allemaalterugkeren. Nederland is na Malta het dichtstbevolkte land van Europa.Wij hebben nog steeds een verouderende bevolking, maar Nederlandheeft een relatief jonge bevolking ten opzichte van andere Europeselanden. Er is dus echt wel iets aan de hand, vandaar ook die staatscom-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43619 missie met haar 400 pagina’s. Dat betekent ook dat we straks keuzesmoeten durven maken over wat voor soort economie we willen zijn, overhoe we met schaarste omgaan. Wie zet je in welke sector in? Dan komtook de vraag aan de orde over het 37ste distributiecentrum en arbeidsmi-gratie en de verdeling van de lusten en de lasten. Dan is ook de vraag aande orde over hoeveel uren zorgmedewerkers werken om de zorg in delucht te houden. Daarmee gaan hele grote vragen gepaard. Even terugnaar de Oekraïners. Ik heb u op 5 maart een brief over twee jaar Oekra-ïners in Nederland gestuurd met een aantal actielijnen. Hoe zorgen weervoor dat Oekraïners beter meedoen in de Nederlandse samenleving?Dat doen we door ze de Nederlandse taal te leren. De laatste actielijn isechter: hoe bereiden we Oekraïners voor op een eventuele terugkeer?Daar wordt dus over nagedacht.De voorzitter:Dank u wel. Een vervolgvraag van de heer Bamenga.De heer Bamenga (D66):Dank u wel voor de beantwoording van de vraag. Ik begrijp heel goed datzowel Oekraïne als de Minister het vooral heeft over wat er na de oorloggebeurt. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat mensen na participatie, nagenoten te hebben van een baan, met bepaalde vaardigheden terugkunnen om te werken aan de wederopbouw? Dat begrijp ik volledig. Datlijkt mij ook een hele goede manier om erin te staan. Alleen, je kunt hetniet afdwingen, tenzij de Minister het wel wil afdwingen. Ik ga er even vanuit dat je dat niet kunt afdwingen. We hebben het ook gezien bij anderebevolkingsgroepen, weliswaar niet op dezelfde manier – we hebben hetnu over Oekraïners, maar er zijn ook andere Oost-Europese bevolkings-groepen en andere migratiegroepen – maar meestal gaat het niet zoals jevan tevoren had verwacht. Je had verwacht dat ze terug zouden gaan,maar een groter aandeel dan verwacht is gebleven. Vandaar ook mijnvraag om met een plan te komen voor deze mensen die blijven: hoekunnen wij het beste met deze mensen omgaan? Ik weet niet of deMinister daar nog op wil reageren. Ik denk namelijk dat het belangrijk isom al wel een plan te hebben in plaats van dat het ons overkomt en wevervolgens nog plannen moeten gaan maken.Minister Van Gennip:Ik denk dat daar een aantal discussies spelen. Eén is: wat ga je uiteindelijkmet de verblijfsstatus doen? Collega Van der Burg komt voor de zomermet een brief namens het kabinet over de mogelijke opties voor eenverblijfsstatus. Ik zei al dat dit tussen van alles in kan zitten. Er wordt ookEuropees over nagedacht. Het tweede is: we willen dat alle Oekraïnerszolang ze hier zijn zo veel mogelijk meedoen. Waren ze in het begin blijdat ze een baantje hadden en aan het werk waren, nu willen ze graag inhun eigen sector aan het werk, op hun eigen niveau. Daar zetten we nuheel hard op in met les in Nederlandse taal, diploma-erkenning en actievematching. Dat laatste doen heel veel gemeentes. Uitzendbureaus spelendaarin ook een rol en wij zijn daar zelf als departement ook hard meebezig. We proberen er echt voor te zorgen dat Oekraïners kunnenmeedoen. Ik vind het nog wat te vroeg om erop vooruit te lopen of zesowieso blijven of sowieso teruggaan. Het zijn heel spannende tijden metde oorlog die door Rusland is begonnen. We weten op basis van deinburgering van statushouders wat er met arbeidsmigranten gebeurt. Aldie lessen kunnen we gebruiken. Ik kan me ook voorstellen dat we ons opbeide scenario’s moeten voorbereiden. In het ene scenario is de vraag hoeje mensen helpt om met een goede bagage terug te keren. Mocht depolitieke keuze zijn dat mensen hier kunnen blijven als ze dat willen, dan isde vraag hoe je zorgt voor een goede integratie. Dat zijn echt hele grotevraagstukken, want het gaat om 100.000 mensen. Nog even afgezien vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43620 het feit dat het inburgeringssysteem dat niet aankan of de huisvesting, zijndit wel vragen waarover we het moeten hebben met elkaar. Daar moetenwe over nadenken en we moeten daarbij ook het land Oekraïne, dat ookmensen nodig heeft, meenemen.De heer Bamenga (D66):Daar hebben we als D66 in het verleden vaker vragen over gesteld. Wehebben juist ook gevraagd om rekening te houden met beide scenario’s.Daar gaat mijn vraag ook over. Je moet rekening houden met het scenariowaarin mensen teruggaan voor de wederopbouw, maar je moet ookrekening houden met de mensen die hier zullen blijven. De kern van mijnverhaal is eigenlijk dat wij ervoor moeten zorgen dat het voor dezemensen achteraf geen verloren tijd blijkt te zijn doordat wij veel meerkansen hadden kunnen benutten qua integratie, maar dat niet hebbengedaan omdat wij dachten dat mensen terug zouden gaan. Dat zou ik heeljammer vinden. Misschien nog een reactie daarop: hoe kunnen wij ervoorzorgen dat deze groep mensen zo goed mogelijk integreert en dat wijvoorbereid zijn op beide scenario’s en geen kansen missen?Minister Van Gennip:Of Oekraïners hier nu blijven of uiteindelijk teruggaan, het is belangrijk datze aan hun verblijf hier in Nederland een zo waardevol mogelijke invullinggeven. Dat is ook de huidige inzet. Waar we het eerste jaar inzetten op hetvinden van huisvesting voor mensen, namen mensen eigenlijk alle banenaan. Artsen werkten in een fabriek om maar mee te kunnen doen in deNederlandse samenleving, wat geld te verdienen en ook afleiding tehebben. Vorig jaar, na een jaar Oekraïners in Nederland, kregen we inreactie op de uitvraag die we toen deden te horen: «ik wil zo graag opniveau werken» en «ik wil de Nederlandse taal leren». Vandaar die15 miljoen voor de Nederlandse taal en vandaar dat we proberen ommensen op niveau aan het werk te krijgen. Daarin wordt dus echtgeïnvesteerd, in participatie en in zelfredzaamheid. Ondertussen zittenhun kinderen al twee jaar op een Nederlandse school. Die leren vaaksneller Nederlands dan hun ouders, zoals dat voor alle migranten geldt.Ook daar investeren we in. Maar nog steeds wonen Oekraïners over hetalgemeen in de opvang en niet in een eigen huisje. Het zijn geenslaapzalen, maar kleine slaapkamers en gemeenschappelijke eetruimtes.Ze leven een beetje in stilstand, een uitgesteld leven. Hoe langer dieoorlog duurt, hoe meer je rekenschap moet geven van hoelang het duurt.Wij hopen natuurlijk allemaal op een snelle afloop van die oorlog, maar ikzie dat steeds somberder in. Maar ik ben geen militair en ik heb ook geenmilitaire informatie, dus dit is een inschatting van mij als krantenlezer.De voorzitter:Dat is inderdaad een andere commissie.Minister Van Gennip:Ja, precies, voordat ik dingen zeg die uit hun verband worden gerukt.De voorzitter:Nog een hele korte, kleine vraag. Qua tijd moeten we het echt korthouden.De heer Bamenga (D66):Ja, heel kort in reactie op de laatste zin van de Minister. Wat bepaaldeaspecten betreft verkeren ze in een stilstand. Wat zou de Minister kunnendoen om in plaats van een stilstand te zorgen voor beweging?Minister Van Gennip:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43621 In de brief van 5 maart heb ik ook aangekondigd over dat actieplan voorOekraïners dat we voor de zomer komen met een uitwerking van deverschillende actielijnen, dus: wat voor soort werk, hoe kun je ervoorzorgen dat Oekraïners participeren? We zijn dat nu aan het uitwerken. Dedrie hoofdlijnen staan in de brief van 5 maart. De derde is dus voorbe-reiden op terugkeer, de eerste werken op niveau en de middelste taal. Ofis het andersom? Ik zeg het even uit mijn hoofd. Het is precies omgekeerd,oké. Dit zijn in ieder geval de drie lijnen.De voorzitter:Oké, dank u wel. Volgens mij gaan wij nu naar het laatste blokje, overig.Minister Van Gennip:Ja, ik had nog een aantal overige vragen. De heer Flach had een vraagover Marokkaanse imams die voor de ramadan overkomen op kosten vanMarokko. Volgens mij heeft mevrouw Becker het antwoord daarop algegeven, namelijk dat wij geen onderscheid maken tussen religies. Als wijimams willen tegenhouden anders dan om veiligheidsredenen, dan zoudat ook moeten gelden voor voorgangers van andere religies. Ik neem aandat wij dat niet willen. Juridisch gezien kunnen wij immers geen onder-scheid maken. Imams komen naar Nederland op een visum voor kortverblijf. Indien nodig wordt uiteraard ook door de NCTV getoetst of erveiligheidsrisico’s zijn. Vervolgens krijgen ze een tewerkstellingsver-gunning van het UWV. Wij hebben van de ESS, onze Expertise-unitSociale Stabiliteit, geen signalen ontvangen over spanningen die daarmeesamenhangen. De Franse overheid heeft vorig jaar, in 2023, een commu-niqué uitgegeven waarin ze formeel tegenspreekt dat Frankrijk visaweigert aan Marokkaanse imams. Dat waren allemaal imamvragen.Dan heb ik nog een BSN-vraag over achterstanden in de BRP-straten. DeBRP-straten zijn een samenwerkingsverband van vijfBRP-straatgemeenten, de IND en het COA, zo zeg ik tegen onder anderenmevrouw Patijn en de heer Ceder. In 2023 hebben de ministeries van BZKen JenV gezamenlijk middelen beschikbaar gesteld voor opschaling, zodatdit jaar 11.300 personen extra zich kunnen inschrijven en de achterstandwordt ingelopen. Op dit moment wordt er dus hard gewerkt aan hetinlopen van de achterstand.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Oké, dank u wel. Ik zag dat er een aantal vragen zijn. De heer Flach washet eerst. Omwille van de tijd zeg ik dat het goed is om korte vragen testellen en kort te antwoorden.De heer Flach (SGP):Ik heb in de eerste termijn al in een debat met mevrouw Becker aange-geven dat het mij niet gaat om de religie. Er is immers vrijheid vangodsdienst. Het ging mij om inmenging van andere overheden, statelijkeactoren. Ons hebben wel signalen bereikt dat mensen van de Marok-kaanse gemeenschap daardoor vervreemding ervaren van de Neder-landse cultuur of hoe je dat ook moet omschrijven. Ik heb inderdaadgesteld dat Frankrijk geen imams meer blijkt toe te laten. Dat weerlegt deMinister nu. Ik wil de vraag iets specifieker neerleggen: het gaat niet omde religie maar om de inmenging van andere overheden.De voorzitter:Dat is niet echt een vraag, maar wilt u daarop reageren?Minister Van Gennip:Wel op die inmenging van statelijke actoren. Aan de ene kant heeft ookNederland een diasporabeleid. Dat betekent dat als je als Nederlander inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43622 het buitenland woont, je mee kunt doen aan Nederlandse activiteiten:Nederlandse taal, Nederlandse geschiedenis voor je kinderen, Neder-landse cultuur. Daar heb ik zelf aan mee mogen doen. Aan de andere kanthoor je dat wel te doen binnen de grenzen van de rechtsstaat van het landwaar men woont. Dat geldt ook voor, in dit geval, de Marokkaanseoverheid. Wij treden als kabinet ook op als er sprake is van ongewenstebuitenlandse inmenging. Daar hebben we een hele aanpak voor. Daarhebt u ook allerlei brieven van mijn collega’s over ontvangen. Deverantwoordelijkheid die bij SZW ligt, gaat over de weerbare samen-leving: hoe zorg je dat mensen minder ontvankelijk zijn voor bijvoorbeeldeen preek in een moskee of, iets anders, een folder in de brievenbus metzaken die wij niet in Nederland willen?Wat daar volgens mij ook belangrijk is – dat gaat overigens niet overMarokko, maar over Turkije – is dat de cijfers uit het Clingendaelon-derzoek, die u misschien hebt gezien, laten zien dat toch nog best eensignificant aantal van de Turkse Nederlanders zich identificeert metTurkije. Ik heb toen ook al gezegd dat ik dat zorgelijk vind, maar aan deandere kant is dat bij de jongere generatie al veel minder. Je ziet dat bij dejongere Turkse Nederlanders die percentages al echt anders liggen. Opeen aantal conclusies uit dat Clingendaelonderzoek vindt nu een vervolg-onderzoek plaats. Dat is bijna klaar. Ik vraag even naast me, aan mijnambtenaren, wanneer onze reactie daarop naar de Kamer komt. Dat is inQ2. Deze maand komt het vervolgrapport van Clingendael uit, want wehebben een aantal vervolgvragen gesteld en Clingendael kwam zelf ookmet een aantal vervolgideeën. Dat rapport is dus deze maand klaar. Danmoet ik natuurlijk wel even aan een kabinetsreactie werken en dan komthet naar uw Kamer. Het is Q3, hoor ik. We hebben doorgevraagd naarwaarom het zo is: wat houdt u tegen om mee te doen of waarom doet ujuist wel mee? Dat soort zaken zitten daarin.De voorzitter:Dan kijk ik even naar links. Er is nog een vraag van mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Voorzitter, misschien kan ik het bundelen met het oog op de tijd. Er zijnvolgens mij nog twee onbeantwoorde vragen, maar het kan ook helemaalaan mij liggen. Ik ga proberen om het snel te doen. Ik heb heel veelgezegd over buitenlandse beïnvloeding. Toen heb ik gezegd: ik weet datESS nuttig werk doet, maar ik denk dat er soms meer nodig is dankennisdeling. Ik ben kritisch over de slapende status van de Taskforceproblematisch gedrag. Ik wil de Minister vragen om een juridischedefinitie te ontwikkelen van problematisch gedrag. Er ligt een basis voorvan de landsadvocaat, die zegt: dat kan, maar dat kan dan wel gericht. Ikzou dat niet alleen maar willen, zoals nu wordt geprobeerd, voor toezichtop informeel onderwijs, maar juist ook voor benutting door dezetaskforce. Ik meen daar geen antwoord op te hebben gekregen.Een ander ding is de naturalisatie. Daarvoor heeft de Minister mij eigenlijkvolledig verwezen naar JenV, terwijl zij volgens mij uiteindelijk stelselver-antwoordelijk is voor naturalisatie als sluitstuk van je integratie en jeinburgering. Volgens mij werkt zij daar ook op samen met de Staatssecre-taris van JenV. Ik heb gevraagd om uiteindelijk voor iedereen die dat nietheeft gehaald in de inburgering, een naturalisatietoets op B1-niveau in tevoeren. Ik vond het iets te mager dat dan volledig wordt verwezen naar deStaatssecretaris, terwijl volgens mij deze Minister stelselverantwoordelijkis. Misschien dat ik daar toch nog een antwoord op kan krijgen.Dank u wel, voorzitter.Minister Van Gennip:Volgens mij zijn dat twee discussies die vaker terugkomen. Ik heb u inseptember 2023 de voorgangsbrief over de taskforce gestuurd, waarin ikTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43623 heel duidelijk heb aangegeven waarom een juridische definitie vanproblematisch gedrag niet mogelijk is. De Minister voor Primair enVoortgezet Onderwijs, toen nog de heer Wiersma, heeft hierover adviesingewonnen bij de landsadvocaat. Dat hebt u ook ontvangen. Ik heb ookin de voortgangsbrief aangegeven dat de taskforce een samenwerking isdie geen bevoegdheden heeft om personen of organisaties te duiden enook geen handhavings- of toezichtsbevoegdheden heeft. Alle departe-menten werken goed samen. Dat blijven we doen, maar allemaal op basisvan onze eigen wettelijke grondslag en niet onder de noemer van dietaskforce. SZW heeft die grondslag ook niet. Daardoor is natuurlijk ook dathele traject met die gegevensverzameling van mensen met een mosli-machtergrond niet goed gegaan, waarvoor – daar hadden we hetafgelopen week ook over – we een heel traject zijn ingegaan om dat rechtte zetten. Deze vragen komen volgens mij elke keer terug. Dit is wat het is.De taskforce heeft geen wettelijke grondslag om personen of organisatieste duiden. Over die definitie is advies ingewonnen bij de landsadvocaat endat is op deze manier niet mogelijk.We hebben het vorige week gehad over naturalisatie en B1. Ik deel deopvatting van, neem ik aan, een groot deel van uw Kamer dat er echt eenbepaalde taaleis bij naturalisatie hoort. Als mensen hier voor altijd willenblijven, dan mag je daar ook wat van vragen. Het is wel zo dat naturali-satie bij mijn collega Van der Burg ligt, en daarmee dus ook het mogelijkmaken van de taaleis die nu in het coalitieakkoord staat. Het kabinet isvorig jaar gevallen. Ik kan niet voorspellen wat er dit jaar gebeurd zou zijnals het kabinet niet gevallen was. Dan had dit misschien wel op de agendagestaan. Maar dat weet ik niet, want ik kan niet de wereld nadoen alsofhet kabinet niet gevallen was.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk nog even naar links. Twee vragen. Eerst de heer Boon.De heer Boon (PVV):Ik heb nog één onbeantwoorde vraag. Daar kom ik straks op terug. Nogeven terug naar de staatsimams. U geeft aan dat u geen signalen hebtontvangen van problemen. Ik ga het zo even chargeren. We hebben weleen duidelijke brief gehad van de monitor over de lange arm van Rabat,die duidelijk aangeeft dat bij bepaalde iftars – dan worden specifiek doorde overheid georganiseerde iftars bij de brandweer en de politiegenoemd – mensen zich echt geïntimideerd voelden. Ik hoop dat u daaropwilt ingaan. Als u daar te weinig van weet, bent u dan eventueel bereidom met deze organisaties contact op te nemen om uit te zoeken wat daargebeurt en wat de intimidaties van de staatsimams zijn?Dan had ik nog een onbeantwoorde vraag. We hebben recentelijk weer deschokkende voorbeelden gezien van de Eritrese politieke groeperingen diemet elkaar in Den Haag flink op de vuist gingen. Deze geïmporteerdeconflicten veroorzaken grote spanningen en eigenlijk gevaarlijke situatiesop straat. Daarom vragen we nogmaals aan de Minister of het niet tijd isvoor een onafhankelijk onderzoek naar de diepgaande aard en omvangvan deze geïmporteerde conflicten, waarbij specifiek wordt gekeken naaretniciteit, cultuur, religie en ideologie?Tot zover.Minister Van Gennip:Ik begin even met het tweede. Een. Alle vormen van geweld zijn onaccep-tabel, waardoor ook gedreven en welke achtergrond mensen ook hebben.Twee. Ik vind ook dat we er enorm voor moeten oppassen dat conflictenvan elders in de wereld hier niet tussen ons in komen staan, of dat noutwee Eritrese groepen zijn of de discussie over Gaza of Iran-Irak ofRusland. Als wij met elkaar een samenleving willen bouwen in Nederland,dan moeten we dat hier via het woord en de dialoog doen. Dan moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43624 we bereid zijn om met elkaar in gesprek te gaan en elkaar te begrijpen.Dan moet je dus ook verdergaan met je leven in Nederland en dat conflictaldaar achter je laten. In de vraag van de heer Boon klinkt door dat er eencausaal verband is tussen een etnische of een religieuze achtergrond vanmensen en vraagstukken over openbare orde en veiligheid. Daar ben ikhet niet mee eens. Als de heer Boon dat heeft gesuggereerd, dan zou ikdat echt van mij af willen werpen, maar misschien heeft de heer Boon dathelemaal niet gesuggereerd. Wat natuurlijk wel zo is, is dat er socialespanningen kunnen zijn langs verschillende scheidslijnen. Soms is dat opbasis van etniciteit, religie of cultuur, maar soms is het ook politiek. Datsoort spanningen zijn er ook tussen Nederlanders zonder migratieachter-grond. In dat kader is de inzet van mijn team, mijn ministerie, erop gerichtom die spanningen tegen te gaan door juist in een vroeg stadium deverbinding te stimuleren, de dialoog aan te gaan en gemeenschappen teondersteunen. Dat is wat de verantwoordelijkheid van SZW is en dat isook wat we doen. Als u echt vragen over veiligheidsvraagstukken hebt,dan moet u bij mijn collega van JenV zijn, Yes¸ilgöz, want daar hebben wehet over het signaleren van dreigingen en strafbare feiten. Daar hebbenwe het over de NCTV. Dat is een heel belangrijke taak. Ik begrijp uw vraagover die gemeenschappen, maar als het gaat over strafbare feiten, dan ligtdat niet bij mij. Ik heb wel zorgen over sociale spanningen die geïmpor-teerd worden in Nederland. Dat geldt niet alleen voor de voorbeelden diede heer Boon noemde. We moeten echt beter leren hoe we daarmee ommoeten gaan.De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van de heer Boon. We hebben nog eenkwartier, dus we moeten echt tempo maken.De heer Boon (PVV):Ik ben blij dat de Minister mij goed begrepen heeft, maar ze slaat in mijnbeleving één stap over. Ze gaat meteen door naar de oplossing:verbinding zoeken. Onze vraag is: waar komen die problemen vandaan?Hoe kunnen twee groepen Eritreeërs hier een conflict met elkaar hebben,terwijl ze elkaar niet eens kennen? Het is gebaseerd op de politiekestroming vanuit het land van herkomst. Breng nou eens goed in kaartwaarom die conflicten zich naar ons land vertalen. Als we die problemenduidelijk inzichtelijk hebben, dan kunnen we veel gerichter aan eenoplossing werken. Mijn vraag is om het onderzoek daarop te richten,zodat we effectief aan een oplossing kunnen werken.Minister Van Gennip:Ik probeer te snappen waar de heer Boon naar op zoek is. Ik denk toch dathet een inlichtingenvraag is, een NCTV- en AIVD-vraag. De vraag die deheer Boon stelt, gaat over wat daarachter zit, over het land van herkomsten over de profielen van die groepen. Dat is geen SZW-vraag. Ik begrijpwaarom de heer Boon die vraag stelt, maar dat is echt een ander soortvraag.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Gennip:De heer Boon had nog een tweede vraag. Hij noemde de monitor Langearm Rabat. Eén: imams uit Marokko zijn geen staatsimams. Ik denk dat hetbelangrijk is om dat te zeggen. Die voorvallen bij de iftars zijn ons nietbekend, maar ik ben bereid om contact op te laten nemen met deorganisatie achter die monitor. We zijn eerder ook met hen in gesprekgeweest en we zijn bij mensen aan tafel geweest. Dat doen we graag nogTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43625 een keer om te horen welke voorvallen er zijn geweest en om die tebegrijpen.Mevrouw Keijzer (BBB):De antwoorden op mijn vragen zijn de vorige keer al gegeven. Ik heb deschriftelijke antwoorden teruggelezen, maar toen zat ik niet meer in dezaal. Als u het mij toestaat, voorzitter, zou ik daar nu een vervolgvraagover willen stellen. Ik moet straks om 19.00 uur ook nog naar een plenairdebat en ik moet ook nog eten. Is dat goed?De voorzitter:Zeker.Mevrouw Keijzer (BBB):Mijn eerste vraag was of het CBS de tweede en derde generatieniet-westerse of niet-Europese mensen, zoals ik in de antwoorden las,meeneemt in de onderzoeken. Het antwoord dat de Minister gaf, gingover de eerste- en tweedegraadsgeneratie. Is «eerste- en tweedegraadsge-neratie» hetzelfde als «eerste en tweede generatie»? En hoe zit het met dederde generatie?Mijn tweede vervolgvraag gaat over de brochure over polarisatie. Ik vonddat het antwoord van de Minister ontzettend langs de essentie ging. DeMinister zei dat het filmpje van professor Berger een van de perspectievenis op het conflict, maar zo staat het niet in de brochure. In de brochurestaat dat er meerdere perspectieven zijn op het Palestijns-Israëlischconflict. Er wordt één voorbeeld genoemd en dat is dit filmpje. Dat is nietoké, want er zijn meerdere perspectieven en dus moet je ook meerdereperspectieven als voorbeeld opnemen in zo’n brochure.Ten tweede: is het verstandig om jezelf als universiteit te laten subsidiërendoor de sultan van Oman? Ik leg hier de volgende vraag neer. Zelfs als ergeen voorwaarden zijn verbonden aan het subsidiëren van die leerstoel,dan nog kun je je afvragen of het verstandig is om dat te laten doen dooreen machthebber in een land die niet op dezelfde manier naar homosek-suelen en joden kijkt als wij doen in dit deel van de wereld.Ik had ook aan de Minister gevraagd waarom het filmpje voorbijgaat aande ingewikkeldheid van dit conflict. Ik had haar gevraagd om datpuntsgewijs te weerleggen. Ik snap dat ze dat hier niet kan doen, dus ik zaldat omzetten in schriftelijke vragen. Maar op de andere twee vragen die iknet gesteld heb, wil ik wel heel graag een antwoord. Als je bezig bent meteen brochure over het voorkomen van polariseren, moet je niet eenfilmpje uitkiezen dat niet uitgebreid ingaat op de verschillende perspec-tieven op het conflict aldaar, want ik weet dat die er zijn.Minister Van Gennip:We moesten er even naar zoeken, maar deze vraag heb ik inderdaadvorige week al beantwoord. Ik weet niet wat u gelezen hebt van het CBS,maar het ging over generaties. De eerste en tweede generatie zitten er welin bij het CBS, maar de derde generatie niet.Ik kom op de handreiking over polarisatie. Volgens mij heeft mevrouwKeijzer het daarover als ze «brochure» zegt. Het lastige is dat er heel veelverschillende raamwerken en perspectieven mogelijk zijn om naar ditconflict te kijken. Daarom heb ik vorige week gezegd dat we bezig zijn omdaar meerdere perspectieven, filmpjes, artikelen of wat dan ook, aan toete voegen. De oplossing kan ook zijn om alles eraf te halen. Ik doel danniet op de handreiking, maar op de verwijzingen naar hoogleraren. Daarwil ik best even naar kijken. Als je kijkt naar het afgelopen halfjaar waarinwe deze discussie hebben gehad, dan zie je dat de bril waardoor je naardit conflict kijkt heel erg bepaalt wat je vindt van wat iemand zegt. Datmerk ik elke keer weer, bij elke sessie aan tafel en ongeacht de achter-grond van wie dan ook. Ik hoop juist dat we in Nederland bij elkaar komenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43626 en dat we verder kunnen bouwen aan onze samenleving. Dat is de inzet,ook van de handreiking.Ik realiseer me terdege dat verschillende perspectieven tot verschillendeoordelen over verschillende uitingen kunnen leiden. Dat maak ik zelf ookelke keer mee aan tafel; dat zei ik net al. We zijn al aan het kijken of we hetmoeten aanvullen met andere raamwerken. Of zeggen we «zorg ervoordat u zich goed informeert» en zetten we er geen enkele link in? Dat kannatuurlijk ook. Dat heb ik vorige week al aangegeven.De voorzitter:Een hele korte vervolgvraag van mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (BBB):Mijn korte vervolgvraag is waarom de derde generatie niet terugkomt bijhet CBS.Ten aanzien van het filmpje: in de handreiking staat verderop een stuk vande Universiteit Utrecht over het feit dat de verschillende woorden die jegebruikt een verschillend effect kunnen hebben. Dit filmpje belicht hetheel erg vanuit één perspectief. Ik ben mij er juist bewust van dat erverschillende perspectieven zijn en dat een verschillende manier vankijken invloed kan hebben op de vraag of je elkaar kunt ontmoeten.Daarom ben ik ook zo fel op dat filmpje van professor Berger. Ten eerstevanwege de manier waarop het gesubsidieerd is en ten tweede doordat erbepaalde informatie wordt weggelaten. Dat is niet goed, zeker als hetvanuit het Ministerie van SZW komt en als het bedoeld is om polarisatietegen te gaan. Ik begrijp dat de Minister hiermee bezig is. Ik wil haarvragen om dit in het vervolg goed mee te nemen in de uiteindelijkeafweging van wat zij gaat doen met deze handreiking.Minister Van Gennip:De handreiking blijft natuurlijk. Die wordt regelmatig geüpdatet enaangepast op basis van inzichten. Volgens mij gaat het hier om deverwijzing naar een filmpje. Zoals ik net heb gezegd: de bril waardoor jenaar iets kijkt en de manier waarop je woorden uitspreekt of informatieduidt, liggen zeker bij dit conflict heel gevoelig. Ik val in herhaling van watik vorige week al heb gezegd. Ik wil kijken of we een balans kunnenaanbrengen, voor zover die er nu niet zou zijn, door vier, vijf of zesfilmpjes of artikelen neer te zetten vanuit allerlei verschillende invals-hoeken. Er zullen dan ook invalshoeken in staan die mevrouw Keijzermisschien nog minder aanspreken, maar die andere mensen aan dezetafel misschien weer meer aanspreken. We kunnen ook alle verwijzingenweghalen.Dit is echt een proces. Ik merk dat we het ook in Nederland moeilijkvinden om zaken neutraal te zien en te duiden, maar al lerende doet men.We moeten leren hoe we hiermee om moeten gaan en wat wel en nietwerkt. Ik vind het mijn verantwoordelijkheid als Minister om verschillendebevolkingsgroepen bij elkaar te brengen om met elkaar het gesprek aan tegaan en aan te blijven gaan. Op die manier kunnen we ervoor zorgen datwe verder bouwen aan de samenleving in Nederland in plaats van eenconflict aldaar, in Gaza, Eritrea of Oekraïne, hier te importeren.Dan over de derde generatie. Ik weet niet of die er ooit bij zat, maar opeen gegeven moment is de vraag natuurlijk waarom je de eerste entweede generatie wil monitoren. Dat is omdat je wilt weten hoe hetvervolgens met de volgende generatie gaat op het gebied van arbeidspar-ticipatie en opleidingsniveau. De arbeidsparticipatie van de tweedegeneratie is overigens hoger dan die van «traditionele» Neder-landers – dat is wel interessant – maar vaak wel op een net iets lagerniveau dan waar de opleiding naartoe zou leiden. «Derde generatie»houdt in dat allebei je ouders en jijzelf hier geboren zijn. Dan ben jeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43627 officieel geen migratiepersoon meer. Dit kan ik niet lezen. Staat er ietsover opa’s en oma’s?Mevrouw Keijzer (BBB):...De voorzitter:Helder. Dank u wel. Dan kijk ik even naar links. Mevrouw Patijn had nogeen vraag. Dank u wel, mevrouw Keijzer, voor uw aanwezigheid.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Mijn vraag gaat niet over opa’s en oma’s. De Minister geeft aan dat deachterstanden ingelopen worden. De motie waar wij naar verwezen, waseen motie van 25 februari 2024 over de BRP-registratie. Ik vroeg me af ofdie achterstand ook echt ingelopen wordt, of dat er inloop is. Wat is op ditmoment nog de achterstand? Wat zijn de cijfers? Is daar iets meer over tezeggen?Minister Van Gennip:Dat weet ik niet uit mijn hoofd, en de mensen rechts van mij ook niet,want de exacte cijfers liggen echt bij twee andere ministeries. Maar wekunnen uw vraag prima doorgeleiden.De voorzitter:Super, dank u wel. Ik kijk snel naar links en naar rechts. Ik zie niks. Volgensmij zijn we dan klaar en kunnen we naar de tweede termijn. Ik kijk heeleven naar de Minister. Heeft u daar nog tijd voor nodig?Minister Van Gennip:Nee, hoor.De voorzitter:Nee. Dan gaan we door. Dan geef ik graag het woord aan de heerBamenga.De heer Bamenga (D66):Dank u wel, voorzitter. Ik zou bij dezen in ieder geval graag een tweeminu-tendebat willen aanvragen. Dank voor de beantwoording van de Minister.Ik heb nog drie opmerkingen of vragen.Allereerst. Er is al eerder gesproken over de spanningen tussen mensen inde samenleving. Waar de oorzaak ook ligt, bij cultuur, geloof of ietsanders: die spanningen zijn er natuurlijk wel degelijk. We zien hoe datuitpakt. Ik zou graag nog wat meer willen weten over hoe de Ministerdaarop wil anticiperen. Volgens mij is dat niet per se een vraagstuk voorJenV. Het is een vraagstuk over integratie, maar ook over hoe wij ervoorkunnen zorgen dat die spanningen weggenomen worden door de dialoogte voeren en te zorgen voor verbinding. Volgens mij heeft de Minister daarook al iets over gezegd.Mijn tweede opmerking gaat over het langetermijnplan voor de Oekra-ïense ontheemden. Daarvan heeft de Minister ook al aangegeven dat er insommige gevallen sprake is van stilstand. Wij willen in ieder geval heelgoed kijken hoe we stilstand kunnen voorkomen, ongeacht of mensenterug willen of willen blijven. Daarover zullen we, denk ik, met voorstellenkomen.Tot slot. We hebben het hier over integratie. Wat mij betreft – dat zei deMinister volgens mij ook aan het begin – gaat het hier over hoe wij metelkaar willen samenleven en hoe we ervoor kunnen zorgen dat iedereenmeedoet, met respect voor de verscheidenheid in de samenleving.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43628 Komt u tot een afronding?De heer Bamenga (D66):Ik ben bijna klaar, voorzitter. Ik vind het ook terecht dat in het debatgesproken wordt over de toenemende spanningen en antisemitisme en dedreiging die daaruit voortkomt, en dat er verwezen wordt naar deHolocaust. Maar ik vind het ook belangrijk dat wij, juist wanneer wijverwijzen naar dat soort gebeurtenissen, ook kijken naar welke lessen wijuit die gebeurtenissen kunnen trekken en kunnen gebruiken in het hier ennu.De voorzitter:Dank u wel.De heer Bamenga (D66):De laatste zin, voorzitter.De voorzitter:U bent door uw tijd heen.De heer Bamenga (D66):Ik wilde nog één laatste zin noemen; het is netjes als ik afrond met eenpunt.De voorzitter:Punt. U had twee minuten. We zijn inmiddels bijna bij drie minuten.De heer Bamenga (D66):Oké, nou goed. Ik wil als het mag nog één zin noemen, voorzitter, wantdan kan ik het in ieder geval afronden met een punt. Het zou heel fijn alshet mogelijk is dat wij die lessen leren als het gaat om bevolkingsgroependie in het hier en nu te maken hebben met juist dezelfde vraagstukken dietoen ook speelden, zoals uitsluiting en gezien worden als zondebok voorallerlei vraagstukken in de samenleving.De voorzitter:Dank u wel.Mevrouw Patijn (GroenLinks-PvdA):Ik wilde er eigenlijk van afzien, maar ik zal het heel kort houden, voorzitter.Ik vind het volgende heel bijzonder. Voor mij is het het eerste debat overdit onderwerp. Ik dacht dat het scherp was, maar ik heb te horen gekregendat dit helemaal niet scherp is vergeleken met eerdere debatten hierover.Dat is dan in ieder geval mooi. Heel mooi aan dit debat vond ik de manierwaarop we spraken over de mensen uit Oekraïne die bij ons zijn. Daarwordt heel erg verwelkomend over gesproken, ook over de vraag hoe wehen hier zich zo veel mogelijk kunnen laten thuisvoelen, een goede tijdlaten hebben en een verrijking kunnen laten zijn. Dat is een heel andersoort debat dan over de mensen die hier wel langer zullen verblijven. Ikzou het mooi vinden als de Minister misschien enigszins een bespiegelingkan geven op de manier waarop we met de Oekraïners omgaan en hoe wewellicht met de mensen die op een andere manier hiernaartoe zijngekomen, zouden kunnen omgaan.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Becker.Mevrouw Becker (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de Minister en haar gevolg, omdat zijmaar liefst twee keer naar de Kamer zijn gekomen om dit debat zorgvuldigTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43629 te doen. Ik heb drie toezeggingen gekregen, namelijk over aanvullendeafspraken met tekortsectoren, het een voor een bespreken van deKIS-aanbevelingen met het landelijk expertisecentrum en bekijken of ereen zelfbeschikkingsmodule in de inburgering kan komen. Van alle driezou ik graag willen weten wanneer ik daar informatie over kan ontvangen,zodat ik dat voor de toezeggingenregistratie kan bijhouden.De Minister zou nog kort terugkomen op de cijfers over hoeveel mensennou daadwerkelijk een taalaanbod hebben.Eén inhoudelijk punt zou ik toch willen weerleggen, want volgens mijklopt het verhaal van de Minister over naturalisatie niet helemaal, omdatde inburgeringswet is aangepast. Het naturalisatiebesluit zoals we datkennen, is eigenlijk nog gebaseerd op de oude inburgeringswet, op eenwet waarin gewoon iedereen getoetst wordt op niveau A2 en daarmee hetinburgeringsdiploma ook meteen de toegang is tot naturalisatie. Denieuwe inburgeringswet zorgt ervoor dat het naturalisatiebesluit moetworden aangepast, ongeacht of ik daar nou wel of niet een motie overindien en of wij daarmee als Kamer nou wel of niet iets willen. Mijn vraagis of dat klopt. Als dat zo is en als die ministeries daar met elkaar mee aande slag gaan, is ons verzoek om daarin onze wens mee te nemen,namelijk dat mensen op B1-niveau getoetst worden. Als de Ministeruiteindelijk niet bereid is om dat te doen, hebben wij altijd nog degelegenheid om daarover een motie in te dienen. Ik kondig maar aan datik dat in dat geval van plan zou zijn.Dank, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Boon.De heer Boon (PVV):Ik heb net het schokkende nieuws ontvangen dat tegen alle afspraken inEtten-Leur 250 veiligelanders gaat opvangen. Mijn vraag gaat daar ookover. U zei namelijk dat alle asielzoekers na zes maanden mogen werken.Ik heb vandaag onder andere met de IND en het COA gebeld. Zij gevenaan dat bij spoor 2-asielzoekers de afhandeling ongeveer zes maandenduurt, maar nu langer vanwege een achterstand. Dus ook de veilige-landers mogen vanwege die achterstand na zes maanden gaan werken.Mijn vraag is dus: als die spoor 2-asielzoekers worden afgewezen en ze inberoep gaan, mogen ze dan tijdens dat beroep ook werken? En mogen zebij een tweede asielaanvraag ook werken of gaat dan de zesmaanden-termijn opnieuw in? Dat is mijn vraag. Ik heb namelijk de vorige keer latenzien dat asielzoekers netto heel veel geld overhouden. Wij willen niet datveiligelanders dit zeker gaan verdienen. Ik wil dus even duidelijk hebbenof de spoor 2-asielzoekers, de veiligelanders, onder dit traject vallen.De voorzitter:Dank u wel. Ik geef graag het woord aan de heer Flach.De heer Flach (SGP):Dank u wel. Dank u wel aan de Minister voor de uitgebreide beant-woording. Mijn vragen over antisemitisme zijn uitgebreid beantwoord inde interrupties die we hebben gehad. Er is nog één vraag blijven liggen. Isde Minister bereid om voorbereidingen te treffen voor een aanpak waarbijje differentieert naar kansrijkheid van asielzoekers wat betreft dewachttijd? De Minister heeft aangegeven dat dit kan. De maximalewachttijd is negen maanden. Die staat in Nederland nu op zes maanden.Je zou dat bijvoorbeeld zo kunnen differentiëren: drie maanden voorkansrijke aanvragen en negen maanden voor wat minder kansrijkeaanvragen. Daar krijg ik graag een antwoord van de Minister op.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43630 Oké. Ik zie af van de termijn. Ik kijk even naar de Minister. Heeft u nog wattijd nodig? Wij schorsen de vergadering voor vijf minuten. We zien elkaarover vijf minuten terug.De vergadering wordt van 18.50 uur tot 18.56 uur geschorst.De voorzitter:Ik geef graag het woord aan de Minister voor de beantwoording van delaatste vragen.Minister Van Gennip:Dank u wel, voorzitter. Mevrouw Patijn zei dat ze het debat scherp vond,maar niet zo scherp als het eerder weleens was. Ik vond het wel een goeddebat. Ik denk dat we wel echt een aantal onderwerpen hebben geraakt endaarop dieper hebben gekeken wat er is. Ik denk ook dat het bij ons beiderverantwoordelijkheid hoort om soms wat scherp op de snede te zijn. Hetis inderdaad weleens scherper geweest, dus ik denk dat dit een goedebalans was.De heer Bamenga vroeg: er zijn spanningen in de samenleving; hoeanticipeer je daarop? Ik heb een aantal keren gezegd dat we niet moetenwillen dat conflicten van elders hier tussen ons in komen te staan. Datmoeten we met elkaar tegengaan. Maar dan is natuurlijk de vraag: hoedoe je dat? Wat wij op SZW doen aan het tegengaan van spanningen enpolarisatie is allereerst het signaleren van spanningen en dan hetadviseren van gemeentes, werkgevers en professionals over hoe jedaarmee omgaat, dus het geven van handelingsperspectieven. Expertiseontwikkelen over wat er in gemeenschappen speelt, is ook heel belangrijk.Daar hoort bijvoorbeeld ook zo’n Clingendaelonderzoek bij. Het gaat ookom dialoogsessies met verschillende gemeenschappen en verbindingstimuleren. Ik vond eigenlijk de vraag van de heer Bamenga welinteressant. Hij vroeg: wat is uw reflectie hierop en hoe moeten wehiermee omgaan? Ik weet niet of ik hier nog anderhalve maand ofanderhalf jaar zit. Dat is aan anderen hier aan tafel. Maar voordat ik hetpand verlaat, is het misschien wel aardig om nog te proberen omdaarover juist gezamenlijk een reflectie te schrijven. Ik kijk naar demensen aan mijn rechterzijde met wie we dit de afgelopen twee jaardoorleefd hebben. Het is misschien best mooi om die reflectie nog temaken. Er zijn nog maar drie weken, hoor ik hier naast me. Oké, danmoeten we hard doorschrijven. Maar ik vind het wel mooi als dat delaatste brief is die u van mij krijgt. Als het dan over anderhalf jaar is, krijgtu die toch nog eerder en wordt het niet de laatste brief.Dan kom ik op de lange termijn en Oekraïne. Mevrouw Patijn zei ook ietsover Oekraïners. De heer Bamenga vroeg hoe je nou die stilstandvoorkomt en zei dat hij misschien nog met voorstellen gaat komen. Ik bendaar nieuwsgierig naar, want daar worstelen we natuurlijk zelf ook eenbeetje mee. Oekraïners worstelen daar zelf ook mee. Ze zitten namelijk ineen situatie waarin je je hier aan de ene kant wilt richten op Nederland,zeker als je je kinderen meehebt, maar waarin aan de andere kant je hart,je leven, in Oekraïne ligt. Dat is anders dan bij statushouders. Die komenhier en weten dat hun toekomst hier is. Ze weten dat ze het hier moetenmaken. Hier is het. Zij hebben ook te maken met verdriet over de situatiein hun thuisland en misschien met verscheurde gezinnen en heel veelleed, maar zij hebben wel het vizier op Nederland. Voor Oekraïners kandat natuurlijk heel anders zijn. Bij de ene Oekraïner is dat ook anders danbij de andere Oekraïner. Maar dat we die stilstand moeten voorkomen,ben ik zeer met de heer Bamenga eens.Ik ben het met mevrouw Patijn eens dat we moeten leren wat de manierwaarop we met Oekraïners omgaan, betekent voor andere groepen. Inmaart vorig jaar hadden we één jaar Oekraïners in Nederland. We hebbende lessen die we daaruit hebben geleerd aan uw Kamer gestuurd. Nou,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43631 daarin staan heel veel lessen die we heel goed kunnen gebruiken bij deinburgering van statushouders. Maar één les zie je misschien nog hetmeeste terug. Toen Oekraïners naar Nederland kwamen, zeiden heel veelwerkgevers, gemeentes en vrijwilligersorganisaties: o, stuur maar langsen kom maar; ik heb wel een baan of een huis. Als we eerlijk zijn, doen wedat niet bij alle andere bevolkingsgroepen op dezelfde manier. Dat isnatuurlijk pijnlijk. Je zou dan misschien namelijk toch een hoger aantalwerkende mensen zien onder statushouders of zien dat mensen sneller detaal leren als ze samen op een voetbalclub zitten. We hebben er ook vangeleerd dat wij dus bijvoorbeeld moeten zorgen dat we taal en werk veelmeer combineren. Dat is een van de voorstellen die ik net heb gedaan.Je ziet ook dat andere spelers ervan leren. Zo is er een uitzendorganisatiedie allerlei Oekraïense intercedenten in dienst had genomen om goed metdie Oekraïners te kunnen sparren. Wij hebben bij SZW zelfs nog steedseen Oekraïense dame voor de communicatie met de Oekraïense gemeen-schap. Wat heeft die uitzendorganisatie nu gedaan? Die heeft ook Syrischeintercedenten in dienst genomen. U kunt drie keer raden: het aantalSyrische mensen is enorm gestegen. Het zijn mensen met een Syrischeachtergrond, dus ik moet inmiddels Syrisch-Nederlandse mensen zeggen.Dus dat werkt. Op het moment dat je een intercedent uit die gemeenschapaanneemt, begrijp je beter wat er in zo’n gemeenschap speelt en wanneermensen wel of niet kunnen werken. Nou, zo hebben we dus echt geleerd.Maar we zullen moeten blijven leren en we zullen onszelf moeten blijvenuitdagen opdat wij anders omgaan met de ene groep dan met anderegroepen. We moeten ons daarvan rekenschap geven en er ook van lerenwat we anders moeten doen.De heer Bamenga had het ook nog over het samenleven. Ik neem dat meein de reflectie op respect voor verscheidenheid. Ik wil de heer Bamengaeven herinneren aan Samenleven doe je niet alleen. Dat is het groteprogramma van uitgangspunten van het CDA, inmiddels vijftien jaar oudof zoiets, denk ik; twintig jaar misschien wel. Dat gaat precies hierover:hoe kun je als samenleving zorgen dat je echt met elkaar – want «Samen-leven doe je niet alleen» – voor de samenleving staat, wat voor elkaaroverhebt, en in verscheidenheid met respect voor elkaar verder kunt?Mocht u nog een zondagmiddag overhebben, dan kan ik u dit zekeraanraden.Mevrouw Becker had drie vragen, of «toezeggingen» zo zij zei; wanneergaan we dat doen? De eerste ging over de tekortsectoren. Dat wordt Q4.Dan gaan we ook echt proberen dat we dan stappen hebben gezet in dieafspraken met de tekortsectoren. En dat is dan niet alleen een aanpak,maar het is de bedoeling dat we dan ook concrete zaken voor elkaarhebben gekregen. De KIS-monitor voor de Syrische gemeenschap: diewillen we graag meenemen in de voortgangsbrief die u in septemberkrijgt. Dus dat gesprek gaan we de komende maanden aan en dan krijgt uin september weer de halfjaarlijkse voortgangsbrief. O, doe ik hetverkeerd? De KIS-monitor Syrische gemeenschap voortgangsbrief... O,dus de voortgangsbrief van het Meerjarenplan Zelfbeschikking. Dank. Endan zelfbeschikking in de KNM, de Kennis van de NederlandseMaatschappij: die willen we in de voortgangsbrief inburgering van halfjuni opnemen. Want dat is goed kijken naar wat er nu gebeurt, dus datmoet vrij snel kunnen. En dan komen we dus met: wat zit daar nu in, enwat vinden we daarvan? Het is dus nog niet per se dat we precies gaandoen wat mevrouw Becker misschien in gedachten heeft, of misschienjuist wel, maar dat komt dan in die brief.Mevrouw Becker vroeg ook naar het naturalisatiebesluit. A2 stond in deoude wet, B1 is de wens van deze coalitie. Tja, naturalisatie is echt hetterrein van de Staatssecretaris van JenV, en het is dus ook aan hem omdie aanpassing te realiseren. Ik kan het echt niet mooier maken dan het is.Ik weet dat mevrouw Becker graag wil dat dat wel zo is en dat ook derekening dan gedeeld wordt en zo, maar dit is wat het is. En natuurlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43632 trekken wij in al deze discussies goed en in gezamenlijkheid op en hebbenwe daar heel veel gesprekken over, maar uiteindelijk ligt deeindverantwoordelijkheid hiervoor bij JenV.Mevrouw Becker (VVD):Uiteraard heb ik respect voor wat deze Minister wel of niet bereid is tedoen; dat is aan haarzelf. Maar ik maakte echt een inhoudelijk punt.Volgens mij is er met het feit dat er een nieuwe inburgeringswet is, eennieuw naturalisatiebesluit nodig, nog los van de vraag of het B1 wordt ofA2 blijft, omdat in de nieuwe inburgeringswet een route is gekomen waargeen taaltoets meer in zit. En dat terwijl het naturalisatiebesluit op ditmoment zegt dat je A2 moet kunnen spreken om te kunnen naturaliseren.We zitten op dit moment dus met een overgangsnaturalisatiebesluit. Dusook als ik politiek helemaal niets doe, moet deze Minister aan de slag methaar collega voor zo’n nieuw naturalisatiebesluit dat recht doet aan denieuwe inburgeringswet. En ik hoor ook inburgeraars die daarop wachten,die zeggen: waar ben ik straks nou aan toe; hoe ziet zo’n nieuw naturalisa-tiebesluit eruit? Dat is het dus eigenlijk inhoudelijk, nog los van wat deMinister politiek bereid is te doen. Is het niet zo dat ze daarmee aan deslag moet? En wanneer kunnen we daar dan iets van verwachten?Minister Van Gennip:Deze discussie speelt al twee jaar. Eén: het naturalisatiebesluit isaangepast met de invoering van de Wi 2021. Dan is in principe eenverdere aanpassing niet noodzakelijk. Ik vind dat wel wenselijk, wantanders blijft het mogelijk om te naturaliseren op A2-niveau, terwijl wevoor inburgering B1 vragen. Maar het is echt aan de Staatssecretaris vanJenV om die aanpassing te realiseren. Het is zijn portefeuille.Voorzitter. Dan ga ik verder met de taal. Ik ben het eens met mevrouwBecker – dat heb ik net ook al gezegd – dat we er echt naartoe moeten dathet aantal PIP’s, de doorstroming en het taalaanbod omhooggaan. Van de64.000 inburgeringsplichtigen heeft 58% nu een PIP. Een gedeelte van henheeft te maken met opstartproblemen van het lerend stelsel en voor eengedeelte heeft het ermee te maken dat mensen nog in een azc zijn. Maarhet moet omhoog. En het gaat ook omhoog. We zien het per maandomhooggaan. We zien dat het in een aantal gemeentes veel beter gaat.Van de statushouders met een PIP hebben 14.000 personen, oftewel 59%,een aanbod. Mevrouw Becker vergeleek het aantal mensen met eentaalaanbod met het totale aantal statushouders, maar je moet eerst eenPIP hebben voor je een taalaanbod kunt hebben, en dat is bijna 60%. Maarnog steeds vind ik dat dit beter moet. Vorige week heb ik u gezegd dat weeen CBS-onderzoek uit hebben staan. In september komen daar data van.Dan worden die cijfers veel beter en veel breder in een onderzoekuitgezocht. Want die DUO-cijfers lopen soms achter, en soms hebben weer vragen over. Op basis van die cijfers wil ik de streefcijfers vaststellen.Die komen dan natuurlijk ook weer in het gesprek met de Kamer langs.Ten slotte vermoed ik dat in september de cijfers van de onderwijsroutefiks omhooggaan, want die begint vaak maar twee keer per jaar. Dus jeziet ook weer een piek op het moment dat er een aanbod begint. Daardoorheb je ook die wachttijden.De heer Boon vroeg: hoe zit het nou met dat werken van asielzoekers, ofdoor asielzoekers? De heer Flach vroeg daar eigenlijk ook naar. Het kloptdat er nu geen onderscheid is – ik doe even die twee vragen samen – tussen kansrijk en kansarm. Dus elke asielzoeker in procedure mag na zesmaanden werken, ook in zaken waarbij hoger beroep speelt. Belangrijkhierbij is volgens mij dat je dan ervoor zorgt dat kansarme asiel-zoekers – die moet je dan wel definiëren – inderdaad binnen zes maandenworden afgewezen. Tegen de heer Flach zeg ik dan nog het volgende. Inhet migratiepakket van mei/juni hadden we deze optie klaarliggen. U hebtdie ook in de stukken kunnen lezen. Op basis van juridisch advies dat weTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43633 toen hebben ingewonnen, zijn wij ervan overtuigd dat je dat onderscheidtussen kansrijk en kansarm kunt maken. Dat moet nog wel verderuitgepreciseerd worden. En dan zou je inderdaad, zoals de heer Flachzegt, bijvoorbeeld een onderscheid tussen drie en negen maandenkunnen maken, want negen maanden is de maximale termijn dat je nietmag werken en negen maanden zou ook passen bij hoelang nu dedoorlooptermijnen in de asielprocedure zijn. Die moeten natuurlijkgewoon terug naar minder dan zes maanden. Wel belangrijk is dat we deconsequenties voor de uitvoering nog in kaart moeten brengen. Het moetvoor uitvoeringsorganisaties en werkgevers duidelijk zijn: is dit eenasielzoeker in procedure of is dit een afgewezen asielzoeker? Vandaar datik de tewerkstellingsvergunning niet wil schrappen, al wil ik wel kijken ofhet eenvoudiger kan. Het besluit is uiteindelijk aan het volgende kabinet,maar het ligt klaar. Ik hoef er niet meer veel aan te doen. Ik moet nog welde uitvoeringstoetsen doen, maar die kun je pas doen als je het finalepolitieke besluit helemaal uitgepuzzeld hebt en weet of het drie maanden,vier maanden, of dit, of dat is. Het lag klaar in juni. Het ligt nog steedsklaar. U kunt er nog een beetje op poetsen. Ik hoop dat het volgendekabinet er goed naar zal kijken.De voorzitter:Een vraag van de heer Boon.De heer Boon (PVV):Nog één technische vraag, die nog niet beantwoord is. De eersteprocedure, daarvan is de streefrichting zes maanden, voor alle asiel-zoekers, ongeacht het spoor. Maar als ze in beroep gaan, aan welketermijn moet ik dan denken? Hoeveel maanden duurt het in totaal voordateen asielzoeker echt door Nederland is afgewezen en niet meer magwerken?Minister Van Gennip:Hoelang het duurt voordat die wordt afgewezen, daar ben ik even watdoor overvraagd, want ook dat ligt natuurlijk op het terrein van deStaatssecretaris van JenV. Wat betreft werken: zolang hij niet isafgewezen, mag hij werken in Nederland.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Van Gennip:Ik ben, denk ik, door mijn vragen heen. Ik kijk even voor de zekerheid naarrechts... Ja.De voorzitter:Dan kijk ik voor de zekerheid naar links. En dan hoort het, denk ik, bij mijom de toezeggingen met u door te nemen. Overigens met complimentenaan de griffier; het lijkt bijna een spreektekst. Maar we gaan er sneldoorheen. Toezegging een:–De Minister zegt toe, uit te vragen bij werkgevers hoe O&O-fondsenworden ingezet met betrekking tot arbeidsmigranten, statushouders enOekraïners, en dit terug te koppelen naar de Kamer, aan het lid VanOostenbruggen.Daar moet inderdaad nog een termijn bij.Minister Van Gennip:De tweede helft van dit jaar.De voorzitter:De tweede helft van dit jaar. Ja, helemaal goed. Toezegging twee:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43634 –De Minister zegt toe in de volgende voortgangsbrief mee te nemen water wordt gedaan aan de integratie van arbeidsmigranten, specifiek ophet gebied van taal. Deze is aan het lid Koekkoek.Daarvoor heb ik ook nog een termijn nodig.Minister Van Gennip:Die is, denk ik, ingewikkelder dan de eerste toezegging. Maar ik denk datwe dit even samen moeten nemen, want ze gaan allebei over taal. Datwordt dan ook de tweede helft. Dat wordt een heel hoofdstuk taal enwerkgeversverantwoordelijkheid in die voortgangsbrief van de tweedehelft, denk ik... Nee, goed nieuws: de tweede kan nog voor de zomer.De voorzitter:Voor de zomer, staat genoteerd.–De Minister neemt in de volgende uitvoeringsbrief de communities ofpractice mee waar het lid de heer Bamenga over sprak, en koppelt ditterug naar de Kamer.En de volgende uitvoeringsbrief staat volgens mij gewoon gepland.Minister Van Gennip:Ja.De voorzitter:Helder, dus hier hoeft geen termijn bij. Toezegging vier:–De Minister gaat met de VNG in gesprek over hoe een praktijkcompo-nent met betrekking tot de geschiedenis van de Holocaust wordtvormgegeven door gemeenten in het inburgeringstraject, en hoe erpraktisch uitvoering wordt gegeven aan de praktische kant door degemeenten. Dit koppelt zij terug aan het lid Flach, vóór de zomer.Minister Van Gennip:Voorzitter, volgens mij zegt u hiermee twee keer hetzelfde. Althans, datdenk ik als ik naar de heer Flach kijk. Het gaat over de praktijkinvulling vande geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust...De voorzitter:Correct.Minister Van Gennip:... met de hele discussie die we daarover hebben gehad. Ik denk dat wedeze in twee stappen doen. Wij halen op wat er bij gemeenten speelt,vóór de zomer. De bredere beschouwing over wat we er dan vervolgensmee willen en wat er wel of niet mogelijk is, komt dan na de zomer, in detweede helft van het jaar. Dus het net ophalen kan voor de zomer; hetbredere – want dat kost wel even wat nadenken en beschouwing – vanhoe we daarmee omgaan, is dan in de tweede helft van het jaar.De voorzitter:Ik zie een vriendelijk positief knikken van de heer Flach. We gaan naartoezegging numero vijf:–De Minister neemt de vraag van het lid Bamenga over de studiekeuzevan migranten mee in de volgende voortgangsbrief, die ook al geplandstaat.Correct, hè?Minister Van Gennip:Dat is de voortgangsbrief VIA.De voorzitter:Helder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43635 De zesde toezegging is:De Minister komt...Minister Van Gennip:Zullen we in de eerstvolgende voortgangsbrieven, over welk onderwerpdan ook, even laten zien welke voortgangsbrieven we allemaal hebben?De voorzitter:Wat een ontstellend goed idee. Daar kunnen we nog een toezegging vanmaken, maar dat wordt dan toezegging nummer elf. We gaan eerst naartoezegging zes.–De Minister komt terug op de suggestie van het lid Becker om vanzelfbeschikking een aparte module te maken in de inburgeringscursusen neemt dat mee in de voortgangsbrief van half juli.Minister Van Gennip:Juni.De voorzitter:Juni, juno. Heel goed.Dan gaan we naar de zevende toezegging.–De Minister gaat na of er aanvullende afspraken gemaakt kunnenworden met tekortsectoren over startbanen. Dat is een toezegging aanhet lid Becker.Dit komt in Q4, met een brief aan de Kamer, denk ik. Yes?Dan toezegging acht.–De Minister zegt toe terug te komen op de suggestie van het lidBamenga en het voorbeeld van het Vlaamse buddysysteem.Daar heb ik nog geen termijn bij. Ik denk dat een brief de terugkoppelings-wijze wordt. Heeft u daar een termijn voor? Dat doen wij in de voort-gangsbrief VIA, in de tweede helft van 2024.Dan gaan we naar toezegging nummer negen.–De Minister gaat in gesprek met het landelijk expertisecentrum, in hetbijzonder over de Syrische gemeenschap. Dat is toegezegd aan het lidBecker. De terugkoppeling komt in september in de voortgangsbriefzelfbeschikking.Minister Van Gennip:En het gesprek gaat over zelfbeschikking.De voorzitter:Correct. Dan toezegging numero tien.–De Minister zegt toe aan het lid Bamenga te reflecteren op hetanticiperen op spanningen.Ik denk dat dat ook komt in een brief. Daar heb ik nog een termijn bijnodig.Minister Van Gennip:Voorzitter, volgens mij was dat mijn opmerking dat dat de laatste brief isdie ik over dit onderwerp aan u stuur, of als ik nog heel lang blijf, is dateind van het jaar, maar ...De voorzitter:We zetten ’m dan wat mij betreft gewoon op «einde van het jaar», of op«voor de kerst». Nog mooier.Minister Van Gennip:Voor de kerst.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43636 Helemaal goed: voor de kerst. Ik neem ook aan dat de opvolger, mocht dieer komen, de toezeggingen allemaal netjes overgedragen krijgt.Dan de elfde toezegging.–Die deed u zojuist in tweede termijn. U gaat een brief sturen waarin uinzage geeft in alle voortgangsbrieven en de termijnen waarop devoortgangsbrieven komen.Minister Van Gennip:Die neem ik mee in de eerstvolgende voortgangsbrief over welkonderwerp dan ook. Dan zeggen we wanneer u wat krijgt. Ik denk dat datwel handig is, want we hebben een jaarlijkse UB-brief, een voortgangs-brief VIA, een voortgangsbrief inburgering, twee zelfs.De voorzitter:Aangezien dit uw eigen punt was, heeft u volledige vrijheid om dat daaruitgebreid in toe te lichten.Dan denk ik dat wij klaar zijn. Maar we hebben nog een tweeminuten-debat, dat is aangevraagd door het lid Bamenga. Dat zal op korte termijnworden ingepland. Ik kijk even naar links of iemand nog iets vindt.Mevrouw Becker (VVD):We constateerden dat de participatieverklaring op veel verschillendeplekken nog niet is zoals we die in de wet geamendeerd hebben. Wanneerkan de Minister aan ons terugkoppelen of dat inmiddels overal isaangepast?Minister Van Gennip:Dat heb ik inderdaad ook toegezegd. Daar zei ik «zeker» op. Of was dateen andere vraag? Dat komt in de junibrief.De voorzitter:Dan is dat toezegging numero twaalf.–De Minister komt in juni terug op de vraag of de participatieverklaringbij alle gemeentes en alle instanties is geüpdatet naar de laatste versie.Helemaal goed. Dan kijk ik naar links. Iedereen knikt positief. Ik kijk naarrechts. Dan wordt het tijd om af te sluiten. Ik heb nog één klein feitje. Ugaf net aan: samenleven doe je niet alleen. Dat is het onderwerp van eenverkiezingsprogramma van een tijdje terug. Dat was uit 1997. Dat is 27jaar geleden.Ik dank eenieder voor zijn aanwezigheid op twee momenten. Dank voordit fijne debat. Ook dank aan iedereen die is meegekomen met deMinister.Sluiting 19.20 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 824, nr. 43637
Gerelateerde bronnen
- Voortzetting commissiedebat Inburgering en integratie (27-3)
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 3 april 2024, over Inburgering en integratie (voortzetting)
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.