Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 24 juni 2024 (Kamerstuk 21501-32-1655) en stand van zaken RENURE
Brontekst
Versie 0ee402726970a965 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202421 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1656 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 juni 2024 De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over:–de brief van 13 juni 2024 inzake de geannoteerde agenda van deLandbouw- en Visserijraad op 24/25 juni 2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr.1655),–de brief van 5 juni 2024 inzake het Verslag Landbouw- en Visserijraad27 mei 2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1650),–de brief van 13 mei 2024 inzake Uitkomst Bestuurlijk Overleg tong(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1643) en–de brief van 29 mei 2024 inzake de Impactanalyse ETS2 opt-inlandbouw en visserij (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1649).De vragen en opmerkingen zijn op 17 juni 2024 aan de Minister vanLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 19 juni2024 zijn de vragen beantwoord en geeft de Minister een stand van zakenover het voorstel van de Europese Commissie.De fungerend voorzitter van de commissie,GrausAdjunct-griffier van de commissie,Van de Brule-Holtjer kst-21501-32-1656ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16561 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en antwoord / reactievan de MinisterVragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda en hebben daarover geen vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deagenda en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ten eerste een algemenevraag. Gezien de vorderingen in de formatie van een volgend kabinet, zijndeze leden benieuwd of uw aanwezigheid bij de Landbouw- en Visse-rijraad (Raad) is gegarandeerd. Wie zal er namens Nederland aanwezigzijn als de Ministers van uw ministerie verplichtingen hebben metbetrekking tot de overdracht aan nieuwe bewindspersonen? Welkegevolgen heeft dit voor de punten die u graag wil inbrengen bij dezeRaad, in het bijzonder die over pulsvisserij?AntwoordIn principe ben ik altijd aanwezig bij de Raad. Ik ben dan ook voornemensom de Raad van maandag 24 juni a.s. bij te wonen. Indien mijn aanwe-zigheid toch niet mogelijk blijkt, om wat voor reden dan ook, zal ik zoalsgebruikelijk hoogambtelijk worden vervangen. De inbreng van Nederlandtijdens de Raad zal in dat geval hetzelfde zijn als de inbreng die ik zouhebben gedaan, ook over pulsvisserij.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de agenda dat er verderwordt gewerkt aan de Raadsconclusies onder het Belgische voorzitter-schap. Verwacht de Minister dat de conclusies bij deze Raad zullenworden geaccordeerd, of vergt dit nog meer tijd?AntwoordHet is op dit moment nog onduidelijk of de Raad kan komen tot de voorRaadsconclusies benodigde unanimiteit. Indien dit het geval is, dan zullende Raadsconclusies tijdens de aankomende Raad worden vastgesteld.Indien dit niet het geval is, kan het Belgisch voorzitterschap ervoor kiezenom Voorzitterschapsconclusies vast te stellen of het aan het Hongaarsvoorzitterschap te laten om te bepalen hoe het hiermee verder wil gaan.Conclusies van het voorzitterschap geven alleen het standpunt van hetvoorzitterschap weer en dus niet die van de hele Raad.Welke specifieke maatregelen ziet de Minister graag in de conclusiesopgenomen, die invulling geven aan zijn wens om de vraag naarduurzame producten te vergroten, rekening houden met de bijzonder-heden van lidstaten en meer aandacht hebben voor dierenwelzijn? Blijfthet bij deze algemene richtinggevende wensen of worden er hardebeleidsvoorstellen gedaan?AntwoordHet doel van de Raadsconclusies over de toekomst van de landbouw in deEuropese Unie (EU) is om een visie te ontwikkelen en handvatten te gevenaan de nieuwe Commissie. Het blijft daarom bij een algemene tekst en erworden geen harde beleidsvoorstellen gedaan. Er zijn daarom in deconclusies geen specifieke maatregelen opgenomen die concreet invullinggeven aan de wensen van de lidstaten. Dit is aan de nieuwe Commissie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16562 Voor wat betreft specifieke maatregelen om de vraag naar duurzameproducten te vergroten, meer aandacht te krijgen voor de bijzonderhedenvan lidstaten en dierenwelzijn ben ik in gesprek met de huidigeCommissie en collegaministers.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister oproept toteen brede herijking van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Opwelke vlakken vindt de Minister aanpassing noodzakelijk om de sector eenduurzame toekomst te verzekeren? Wat is de inzet van de Minister om opdeze punten vooruitgang te boeken? Is dit te combineren met zijn inzet opminder administratieve lasten?AntwoordNa het versturen van de geannoteerde agenda voor de Raad van 24 junia.s. (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1655) is het achtergronddocument vande Commissie ten behoeve van deze Raad aan de lidstaten gezonden. Indit document is een evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid(hierna: GVB) aangekondigd. Ten aanzien van de inzet voor een duurzametoekomst voor vissers licht ik twee onderwerpen uit het GVB uit. Om totverduurzaming van de visserij te komen en de transitie naar eentoekomstbestendige visserijvloot te maken, is het belangrijk dat vissers debeschikking krijgen over financiering voor de nodige investeringen ininnovatie en verduurzaming. Hiertoe zal de nu geldende beperking voorinvesteringssubsidies onder het European Fund for Martitime Fisheriesand Aquaculture (EMFAF) aan vaartuigen groter dan 24 meter opgehevenmoeten worden.Een tweede onderwerp is de aanlandplicht. Zoals mijn voorgangers en ikeerder met uw Kamer hebben gedeeld, onderschrijft Nederland dedoelstellingen van de aanlandplicht, namelijk het voorkomen vanvoedselverspilling en onnodige vissterfte. Sinds de inwerkingtreding vande aanlandplicht zijn er aanhoudende problemen ten aanzien van deuitvoerbaarheid voor zowel vissers als voor de sector als geheel en tenaanzien van de handhaafbaarheid.Vooralsnog verwacht ik dat de inzet te combineren zal zijn met devermindering van administratieve lasten. Hierbij merk ik op dat er noggeen concrete voorstellen zijn en dat de administratieve lasten vaak pasbij de concrete formulering en aanname van wijzigingen in wet- enregelgeving daadwerkelijk in beeld kunnen worden gebracht. Bij hetformuleren van mijn inzet zal ik echter steeds het punt van administratievelasten betrekken.Verder zien deze leden dat de Minister voorstander is van de voorzorgsbe-nadering. Echter moet dat volgens de Minister niet leiden tot automa-tische reducties voor visbestanden waar men weinig van weet, en roeptde Minister op tot een beoordeling die «zorgvuldig en per situatie» is.Over welke visbestanden beschikt men over te weinig gegevens en moetvolgens de Minister desondanks geen automatische reductie plaats-vinden? Hoe ziet de Minister een zorgvuldige en per situatie beoordeeldereductie voor zich en tot welke extra lasten leidt dit? Kan er dan nogworden gesproken van een voorzorgsbenadering? Welke lidstaten vindtde Minister voor deze benadering aan zijn kant?AntwoordDe Internationale Raad voor Onderzoek aan de Zee (International Councilfor the Exploration of the Sea, ICES) bepaalt op basis van beschikbaregegevens tot welke categorie (1 t/m 6) een visbestand behoort. Hoe hogerde categorie, hoe minder gegevens er beschikbaar zijn van het bestand.Voor alle categorieën gelden aparte richtlijnen die ICES toepast inclusiefde voorzorgsbenadering op basis van de best beschikbare wetenschappe-lijke gegevens. Voor de twee categorieën met de minste beschikbareTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16563 gegevens (5 en 6) maakt de automatische reductie deel uit van deICES-richtlijn.Uiteindelijk beslist de Raad samen met de Commissie over de toepassingvan het voorzorgsprincipe bij het vaststellen van de vangstmogelijkhedenof de inzet in de onderhandelingen met derde landen. Over het algemeenzijn lidstaten hierbij voorstander van het maatwerk. Ik onderschrijf deaanpak van ICES. Ik vind echter wel dat, naast de vangstadviezen, ook oogmoet worden gehouden voor de sociaaleconomische effecten overeen-komstig het GVB, want ik vind het belangrijk om de visserij een duurzaamperspectief te bieden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien de ontwikkelingen op hetgebied van pulsvisserij met interesse tegemoet. Het rapport vanWageningen Marine Research is aanmoedigend en nodigt uit tot eenhernieuwde discussie in Europa over de voordelen van deze vorm vanvisserij. Echter vragen deze leden of dit rapport voldoende gewicht heeftom het onderwerp opnieuw aan te kaarten, gezien de eerdere opstellingvan Nederland in dit dossier de eigen reputatie heeft geschaad. Welkestrategie heeft de Minister om het onderwerp zo goed mogelijk in tebrengen? Ziet de Minister, naast dit aanmoedigende onderzoek, ook bijandere lidstaten behoefte aan aanpassing van het pulsvisserijbeleid? Opwelke manieren bereidt de Minister de Nederlandse lobby op ditonderwerp voor, zijn er verdere onderzoeken of steunbetuigingen nodigdie uw punt kracht bijzetten? Welke verdere bronnen heeft de Minister diezijn positie onderschrijven? Welke wedervraag verwacht de Minister vanandere lidstaten, die eerder succesvol hebben gepleit tegen de pulsvis-serij? Wat heeft de Minister te brengen om aan hen tegemoet te komen?AntwoordIk deel de conclusie van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA dathet rapport van de Wageningen Marine Research aanmoedigend is tenaanzien van pulsvisserij. Ik heb uw Kamer eerder meerdere kerengeïnformeerd dat de Commissie geen tegenstander is van pulsvisserij,maar dat er weerstand bij meerdere lidstaten is tegen deze vorm vanvisserij. Ook het Europees Parlement (hierna: Parlement) was tot dusverkritisch ten aanzien van de pulsvisserij. Het is op dit moment nog onzekerof de uitkomsten van de recente verkiezingen voor het Parlement leidentot een gewijzigd standpunt van het Parlement ten aanzien van pulsvis-serij. De Nederlandse inzet zal zich erop moeten richten om met delidstaten het gesprek te voeren en te onderzoeken welke vraagstukken zijhebben. Ik verwacht dat een gevoelig punt zal blijven dat de pulstechniekeen efficiënte techniek is. Zoals ik ook heb aangegeven in het Vragen-uurtje van 4 juni 2024 zie ik hierbij mogelijkheden door het aanstellen vaneen innovatiegezant om deze rol in te vullen. Mogelijke vragen vanuitandere lidstaten zouden bij voorkeur in internationaal onderzoeksverbandgezamenlijk kunnen worden opgepakt. Dit vergt tijd en investeringen in derelatie teneinde dit vanuit een vertrouwensrelatie in gezamenlijkheid op tekunnen pakken. De vloten van lidstaten verschillen waardoor er geengedeeld belang is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen verder dat de Minister zalpleiten voor een aanpassing van het vangstadvies voor tong. Is het vakersuccesvol voorgekomen dat een lidstaat pleit voor aanpassing van devangstmogelijkheden? Onder welke voorwaarden lukt dit en hoe is deMinister van plan dit te bereiken? Heeft de in uw ogen onnodig grotereductie in vangstmogelijkheden vanuit dierenwelzijns- of ecologischperspectief nog voordelen, die aanleiding kunnen zijn om de 60 procentvangstreductie in stand te houden? Hoe bereidt de Minister zijn lobbyvoor een gunstig advies over vangstmogelijkheden in 2025 voor?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16564 AntwoordHet is niet gebruikelijk om tussentijdse aanpassingen van vangstmogelijk-heden aan te vragen. In het schriftelijk akkoord voor 2024 dat de EU methet Verenigd Koninkrijk (VK) heeft gesloten, is vastgelegd dat voor de tongin de Ierse Zee een nieuw wetenschappelijk advies zou wordenopgevraagd als gevolg van een benchmark. Hierna zouden de vangstmo-gelijkheden voor dit bestand in 2024 (dit jaar) opnieuw worden vastge-steld in lijn met het nieuwe advies van ICES.Het GVB biedt mogelijkheden om bij de Commissie een aanvraag in tedienen voor het aanpassen van de vangstmogelijkheden op basis vannieuwe wetenschappelijke inzichten. Aangezien de uitkomsten van debenchmark voor tong in de Noordzee geen onderdeel uitmaken van hetschriftelijk akkoord tussen de EU en het VK en dit een gedeeld bestand ismet het VK, zal eerst met het VK moeten worden gesproken of ook het VKopenstaat voor het aanvragen van een aangepast advies en hetaanpassen van de vangstmogelijkheden.ICES geeft adviezen over de vangstmogelijkheden op basis van de bestbeschikbare wetenschappelijke kennis en inzichten. De hoogte van devangsten die ICES adviseert, is gebaseerd op langdurige duurzameexploitatie. Waar ICES vorig jaar het bestand van tong in de Noordzee nogin zeer slechte staat achtte op basis van de destijds beschikbare weten-schappelijk kennis en inzichten, heeft de benchmark die ICES heeftuitgevoerd geresulteerd in een nieuw inzicht waarbij het bestand in goedeconditie wordt geacht. De benchmark heeft echter geen gecorrigeerdvangstadvies voor 2024 opgeleverd, maar dient als input voor devangstadviezen voor komend jaar. Om de duurzame exploitatie die ICESverantwoord acht in lijn te brengen met de nieuw ingeschatte status vanhet bestand, zullen met het VK nieuwe afspraken gemaakt moeten wordenover de vangstmogelijkheden voor dit jaar.ICES stelt de vangstadviezen vast op basis van de best beschikbarewetenschappelijke kennis en inzichten. Deze methode ondersteun ik. Er isgeen mogelijkheid om deze adviezen vanuit beleid te beïnvloeden. Wel zalik, zoals eerder aangegeven, pleiten voor meer oog voor de sociaalecono-mische gevolgen van de vangstadviezen bij het vaststellen van devangstsmogelijkheden. Ik verwacht dat op korte termijn de eerstevangstadviezen voor komend jaar zullen worden gepresenteerd. Zoals elkjaar zal ik uw Kamer hierover via de geannoteerde agenda van de Raadinformeren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar deaanpassing van «bosbouw» naar «bosbeleid» in de gewijzigde Raadsbe-schikking, die gaat over het Permanent Comité voor de bosbouw. In welkeconcrete gevallen zal het Permanent Comité nu kunnen adviseren, waardat eerst niet het geval was? Hoe helpt deze wijziging om de maatschap-pelijke voordelen van bossen beter te beschermen? Leidt deze wijziging inde praktijk tot beter beschermde bossen?AntwoordWanneer het Comité kan adviseren, blijft afhangen van wanneer deCommissie dit aan het Comité vraagt. Daarmee volgen er geen directewijzigingen uit het voorstel, behalve dat de Commissie hiermee de wensexplicieter heeft gemaakt dat lidstaten ook afgevaardigden met expertiseop het gebied van milieu of natuur aan het Comité laten deelnemen. Dekeuze welke afgevaardigden deelnemen, blijft echter de beslissing vanlidstaten zelf. Hiermee verandert er dus niet direct iets in de praktijk, tenzijlidstaten aan deze oproep van de Commissie gehoor zullen geven. Dit isslechts een kleine wijziging in de statuten voor de organisatiestructuur,die als hamerstuk op de agenda van de Raad staat. Het gaat hier niet omwetgeving die nieuwe doelen stelt of tot een gewijzigde aanpak leidt,maar slechts om een formaliteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16565 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enige vragen over debesprekingen van lopende wetgevingsvoorstellen. De Minister geeft aandat de Verordening voor plantaardig uitgangsmateriaal complex is en dathet tijd vraagt om alle aspecten te kunnen overzien. Wat heeft de Ministerconcreet nodig om de verordening zorgvuldig te kunnen bespreken? Watdraagt Nederland bij om deze bespreking mogelijk te maken? Op welketermijn verwacht de Minister dat de verordening gereed is voorbespreking?AntwoordGezien de (technische) complexiteit van het voorstel is het noodzakelijkom met de andere lidstaten de discussies zorgvuldig te voeren. Nederlandneemt hier een actieve en initiërende rol in. Nederland treedt actief incontact met andere lidstaten om gezamenlijke standpunten te verkennenom coalities te vormen en constructieve voorstellen te ontwikkelen.Verwacht wordt dat het nog enige tijd zal duren voordat het standpunt vande Raad kan worden vastgesteld.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Ministerverder aangeeft dat de Verordening voor bosbouwkundig teeltmateriaaltoe is aan een actualisering. Wat gaat de Minister doen om deze veror-dening zo aan te passen, dat het niet nogmaals op korte termijnverouderd raakt en weer toe is aan een aanpassing?AntwoordDe huidige richtlijn is in 1999 tot stand gekomen. De digitale mogelijk-heden, beoordelingstechnieken van bosbouwkundig materiaal en deaandacht voor duurzaamheid zijn sindsdien veranderd. Om deze redenenligt dit Commissievoorstel nu op tafel. Bepaalde niet-essentiële onder-delen van de verordening, die mogelijk aan snellere wetenschappelijke entechnologische ontwikkelingen onderhevig zijn, kunnen via gedelegeerdeof uitvoeringshandelingen worden aangevuld of gewijzigd, zodat goedingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen. Hiermee is dus sprakevan toekomstbestendige wetgeving. Twee voorbeelden zijn de uitvoe-ringshandelingen over de digitale registratie van certificaten (voortoegelaten bosbouwkundig materiaal) en de gedelegeerde handelingenom de bijlagen aan te passen met het oog op bijvoorbeeld het gebruik vannieuwe technieken bij de beoordeling van bosbouwkundig materiaal.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen op welke vlakken hetmonitoringskader voor veerkrachtige Europese bossen te summier isuitgewerkt, volgens de Minister? Op welke punten zijn andere lidstatenzeer kritisch op de verordening en verwacht de Minister dat het mogelijkis om onder het Hongaarse voorzitterschap tot een gedragen kader tekomen?AntwoordMet name het concept «boseenheid» is onvoldoende uitgewerkt. Ditbegrip staat centraal in het Commissievoorstel, want er moet een niveaugevonden worden waarop data uit veldmetingen en data uit teledetectie(remote sensing) aan elkaar gekoppeld worden. In het voorstel heeft deCommissie slechts mogelijke indicatoren aangegeven waarmee boseen-heden gedefinieerd kunnen worden. Die definitie van het concept is zeeropen en legt te weinig vast. Daardoor blijft onduidelijk welke orde vangrootte boseenheden kunnen hebben en welke implicaties dit heeft op debenodigde hoeveelheid veldmetingen. Als zou blijken dat boseenhedenzeer klein kunnen worden gedefinieerd, zou dat ertoe kunnen leiden datextra meetpunten toegevoegd moeten worden aan de nationale bosinven-tarisatie. Dit zou extra kosten met zich brengen. Boseenheden moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16566 daarom duidelijker gedefinieerd worden, zodat geen sprake kan zijn vaneen toename in kosten.Ook andere lidstaten zijn kritisch op het feit dat een aantal onderdelen vanhet voorstel nog te summier is uitgewerkt, waaronder het concept«boseenheid». Daarnaast zijn lidstaten kritisch op het feit dat deCommissie voorstelt om de verantwoordelijkheid te dragen voor hetbepalen van de uiteindelijke boseenheden (dus hoe die definitie in depraktijk wordt toegepast). Ook hebben enkele lidstaten zorgen geuit overde bescherming van de privacy van private boseigenaren. De Commissieheeft in reactie hierop aangegeven dat lidstaten data mogen delen op eenmanier waardoor de locatie niet herleidbaar is. Deze methode zal deCommissie zelf ook hanteren.Daarnaast heeft een aantal lidstaten scepsis geuit over de toegevoegdewaarde van het voorstel als geheel, omdat ze tevreden zijn over hun eigenbosmonitoringssysteem en onvoldoende toegevoegde waarde zien in hetharmoniseren van data en het delen van kennis over bos tussen lidstaten.Tot slot zijn sommige lidstaten erg kritisch op het feit dat het wetsvoorstelde bevoegdheid tot het uitwerken van een aantal technische aspecten,zoals het actualiseren van meetmethoden, overlaat aan gedelegeerdehandelingen en uitvoeringshandelingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen de ambitieuze inzet opde Verordening inzake de bescherming van dieren tijdens transport. Dezeleden horen graag welke voorstellen de Minister doet om de verordeningaan te laten sluiten bij nieuwe wetenschappelijke inzichten en dehandhaving op orde te brengen. Welke aanpassingen zijn nodig om opdeze twee punten vooruitgang te boeken?AntwoordZoals aangegeven in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijntijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861), het schriftelijk overleg overdit fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 3889), het schriftelijk overleg over degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 februari2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1622) en het schriftelijk overleg over degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 maart2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1633), focust de Nederlandse inzet zich tenalgemene op het verbeteren van de transportomstandigheden en hetverkorten van maximum transporttijden. Concreet houdt dit in dat de inzetzich focust op onder andere het welzijn tijdens transport van kwetsbaredieren (een maximum transporttijd van 8 uur voor ongespeende kalverenzonder uitzonderingen, een minimum transportleeftijd van 5 weken voorkalveren en een maximum transporttijd van 9 uur voor slachtdieren),transport over zee (transport over zee moet niet tellen als rusttijd en hetmoet aan een maximum transporttijd gekoppeld worden), transport naarderde landen (een maximum transporttijd van 8 uur naar derde landen),duidelijke voorschriften aangaande de maximumtemperatuur voordiertransport (zowel in de diercompartimenten als daarbuiten) met eenlagere temperatuurgrens dan in de huidige verordening en korteretransporttijden voor andere diercategorieën dan hierboven al genoemd.Voor wat betreft de handhaafbaarheid van het voorstel focust de inzet zichop duidelijke verantwoordelijkheden voor iedere schakel in de transport-keten (bijvoorbeeld voor de geschikheid van dieren voor transport),behoud van de huidige mogelijkheden om retrospectief toezicht te kunnenhouden aan de hand van GPS- en temperatuurdata en een stabieleberichtenuitwisseling tussen het Europese systeem TRACES en denationale systemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16567 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 24 en25 juni. Deze leden hebben enkele vragen over de inzet van het kabinetgedurende deze Landbouw- en Visserijraad.Raadsconclusies over de toekomst van de landbouw in de Europese Unie(EU)De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het initiatief vanhet Belgisch voorzitterschap om tot conclusies te komen en zijn verge-noegd met het feit dat de Minister in aanloop naar deze conclusies heeftingezet op aandacht voor de positie van de boer in de keten en daarnaastook doelsturing. Op het gebied van doelsturing vragen deze leden wat hetprecieze speelveld is in de Raad met betrekking tot bereidheid van deoverige lidstaten. Wat is de verwachting op het gebied van doelsturing dekomende tijd en vereist implementatie van doelsturing wijziging inEuropese wet- en regelgeving? Zo ja, op welke punten, zo vragen dezeleden.AntwoordDoelsturing is een onderwerp dat steeds meer aandacht krijgt in de EU. Inverschillende lidstaten is men bezig met het ontwikkelen van dit principeom de boer meer ruimte te geven voor ondernemerschap. Ik heb mij daarook actief voor ingezet het afgelopen jaar en zie een positieve ontwik-keling. Er is echter ook nog veel onduidelijkheid over hoe doelsturingvorm zou moeten krijgen en concreet kan worden geïmplementeerdbinnen de EU. Hierover ben ik in gesprek met mijn collegaministers enmet de Commissie.De leden van de VVD-fractie vragen verder hoe het traject er nu verder uitziet. De Minister geeft aan een aantal punten in te hebben gebracht, maarhoe worden de voor Nederland belangrijk geachte punten meegenomenen op welke punten vanuit Nederland lijkt er in de Raadsconclusie geenruimte? Daarnaast vragen deze leden of de Raadsconclusies onder hetBelgisch voorzitterschap zullen worden afgerond of dat dit proces zalworden afgerond onder het Hongaars voorzitterschap.AntwoordDe door Nederland ingebrachte punten zijn voldoende meegenomen in deconcept-Raadsconclusies. Indien deze concept-Raadsconclusies niet meerwijzigen, ben ik daarom voornemens om vóór deze conclusies testemmen. Het is op dit moment nog onduidelijk of de Raad kan komen totde voor Raadsconclusies benodigde unanimiteit. Indien dit het geval is,dan zullen de Raadsconclusies tijdens de aankomende Raad wordenvastgesteld. Indien dit niet het geval is, kan het Belgisch voorzitterschapervoor kiezen om Voorzitterschapsconclusies vast te stellen of het aan hetHongaars voorzitterschap te laten om te bepalen hoe het hiermee verderwil gaan. Conclusies van het voorzitterschap geven alleen het standpuntvan het voorzitterschap weer en dus niet die van de hele Raad.Stand van zaken lopende wetgevingsvoorstellen:De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat hetBelgisch voorzitterschap nog een laatste stand van zaken over lopendewetgevingsvoorstellen zal delen, alvorens het voorzitterschap overge-dragen zal worden aan Hongarije. Deze leden vragen of reeds bekend iswelke prioriteiten het Hongaars voorzitterschap zal gaan stellen op hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16568 gebied van wetgeving. Kan de Minister daarbij aangeven waar voorNederland raakvlakken liggen met het Hongaars voorzitterschap en waarniet?AntwoordDe prioriteiten van het Hongaars voorzitterschap zijn op dit moment nogniet bekend. Naar verwachting zal het Hongaars voorzitterschap zijnprioriteiten tijdens de Raad op 15 juli a.s. presenteren. De Kamer zalhierna, zoals gebruikelijk, een kabinetsappreciatie van de prioriteiten vanhet Hongaarse voorzitterschap ontvangen.De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast met ontstemmingkennisgenomen van de draai van Oostenrijk op het gebied van deNatuurherstelverordening. Deze leden vragen hoe het proces nu verderzal verlopen. Hoe ziet het speelveld eruit na deze draai van Oostenrijk enwat is daarbij de positie die Nederland nu zal innemen op dit dossier?AntwoordNa bespreking van de Natuurherstelverordening in de Milieuraad van17 juni jl. heeft het Belgisch voorzitterschap geconcludeerd dat er sprakeis van een gekwalificeerde meerderheid die het voorlopig akkoord steunt.Dat betekent dat de verordening is aangenomen en twintig dagen napublicatie in werking zal treden. Nederland heeft tijdens de Milieuraadopnieuw benadrukt, conform de motie Van der Plas en Hertzberger(Kamerstuk 36 508, nr. 1), tegen de verordening te stemmen. Het kabinetis verrast over de uitkomst van de Milieuraad. Het kabinet heeft deontwikkelingen rondom de Natuurherstelverordening de afgelopenmaanden nauwgezet gevolgd en uw Kamer hier doorlopend overgeïnformeerd. Op 17 juni jl. is uw Kamer geinformeerd over de uitkomstvan de Milieuraad voor wat betreft de Natuurherstelverordening.Daarbij vragen deze leden wat nu dan de tijdlijn tot implementatie zal zijnen welke kritieke momenten er nog plaats zullen vinden in aanloop naarde definitieve besluitvorming over de Natuurherstelverordening.AntwoordMet het aannemen van de Natuurherstelverordening tijdens de Milieuraadvan 17 juni jl. is de besluitvorming definitief afgerond. De volgende stap ispublicatie, waarna de verordening binnen twintig dagen in werking zaltreden. Uw Kamer zal geïnformeerd worden over de stappen dieNederland zal zetten om de verordening te implementeren.Verslag 27 mei:De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de Raad van 27 mei2024 dat Oostenrijk heeft opgeroepen om snel het Raadsbesluit voorverlaging van de beschermde status van de wolf in het Verdrag van Bernaan te nemen. Kan de Minister het proces ten aanzien van verlaging vande beschermde status nader toelichten? Op welke wijze is Nederlandbetrokken bij de gesprekken en wanneer verwacht de Minister eendefinitieve uitkomst, met oog op het feit dat het kabinet per Kamerbriefover Samenleven met de wolf (Kamerstuk 33 576, 376 ) eerder heeftaangegeven deze zelfde positie als Oostenrijk in te nemen?AntwoordDe verlaging van de beschermde status van de wolf onder het Verdragvan Bern wordt momenteel op ambtelijk niveau besproken in de EU. Indeze gesprekken draagt Nederland uit het voorstel te willen steunen. Erlijkt op dit moment nog geen gekwalificeerde meerderheid voor hetvoorstel te zijn. Een aantal lidstaten wijst op een gebrek aan inhoudelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 16569 en juridische onderbouwing van het Commissievoorstel. Het Belgischvoorzitterschap zal het dossier overdragen aan het Hongaars voorzitter-schap. Het is nog niet duidelijk hoe het proces verder zal verlopen. Zoalsaangegeven in mijn brief van 24 mei jl. (Kamerstuk 33 576, nr. 376) zal ikuw Kamer informeren als er een datum bekend is voor stemming over ditvoorstel in een bijeenkomst van de Raad van de Europese Unie.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de stukken en zijn verheugd dat de Minister zich inzet voor hetgebruik van de pulskor in de visserij.De leden van de NSC-fractie vragen welke conclusies de Minister trekt uitde «Impactanalyse ETS-2 opt-in» en hoe hij deze waardeert? Welkegevolgen heeft dit voor de besluitvorming om landbouw en visserij ook telaten vallen onder de ETS-2?AntwoordIn april 2023 heeft het kabinet het voornemen aangekondigd om allefossiele brandstoffen in Nederland onder het Europese emissiehandels-systeem (ETS2) te brengen via de opt-in vanaf de start van het ETS2 in2027. Ter voorbereiding op de besluitvorming over de opt-in, heb ikWageningen Economic Research opdracht gegeven een impactanalyse uitte voeren voor de landbouw, de glastuinbouw en de visserij. De analysebrengt in beeld wat de financiële gevolgen zijn en welke opties er zijn omdie gevolgen te mitigeren. Ik heb de analyse laten uitvoeren om te wetenof de opt-in een onredelijke impact op de genoemde sectoren zou hebben,zodat hier in de besluitvorming rekening mee kon worden gehouden. Hetkabinet heeft de bevindingen uit de impactanalyse betrokken in haarbesluit over de ETS2 opt-in, waar de Kamer op 15 april jl. over is geïnfor-meerd (Kamerstuk 32 813, nr. 1374).Uit de impactanalyse volgt dat de visserij en de glastuinbouw het hardstzouden worden geraakt door de invoering van de opt-in. Het kabinet heeftbesloten dat de visserij als eindgebruiker buiten de opt-in van het ETS2blijft, mede omdat er in de impactanalyse onvoldoende handelingsper-spectief voor de sector is geïdentificeerd en de negatieve gevolgen voorde uitvoering van het ETS2 relatief beperkt zijn. Voor de glastuinbouwraakt toepassing van de opt-in aan bestaande afspraken (glastuinbouw-convenant) en aan ander beleid, waarvoor uitwerking nodig is alvorenseen definitief besluit te nemen. Het kabinet zal vóór Prinsjesdag duide-lijkheid geven over of de glastuinbouw wel of niet meegaat in de opt-in.Voor de landbouw zijn de meerkosten van de opt-in beperkt, namelijk 0,2tot 0,8 procent van de bedrijfskosten. Het gaat daarbij voornamelijk omhet gebruik van aardgas in stallen en om diesel in landbouwvoertuigen.De impactanalyse beschrijft diverse opties om het gebruik ervan teverminderen; er is dus handelingsperspectief. Het betrekken van delandbouw bij het ETS2 is tevens van groot belang voor de uitvoer-baarheid, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid van ETS2. Volgensde Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) kunnen brandstofleveranciersnamelijk niet altijd onderscheid maken tussen verschillende eindbestem-mingen van geleverde brandstoffen, zoals bijvoorbeeld aardgas terverwarming van een huis of een stal, of brandstoffen voor landbouwvoer-tuigen enerzijds en personenauto’s of mobiele werktuigen in anderesectoren anderzijds. Om deze redenen is besloten dat fossiele brand-stoffen in de landbouw niet worden uitgezonderd van de werkingssfeervan het ETS2. Om de verduurzaming van landbouwvoertuigen testimuleren werk ik een subsidieregeling uit. Hiervoor maakt het kabinet 77miljoen euro vrij uit het Klimaatfonds.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165610 Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda en hebben daarover geen vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 24 juni 2024.Deze leden bedanken de Minister voor zijn inzet tijdens zijn laatste Raad.De leden van de BBB-fractie lezen dat er een gedachtewisseling staatgepland over de jaarlijkse Commissiemededeling over de voortgang vanhet GVB. Is de Minister van plan, als hij dat nog niet heeft gedaan, om hetnieuwe rapport (14 mei 2024, «Electrotrawling can improve the sustaina-bility of the bottom trawl fishery for sole: a review of the evidence»(Electrotrawling can improve the sustainability of the bottom trawl fisheryfor sole: a review of the evidence | Reviews in Fish Biology and Fisheries(springer.com)) van onder andere Wageningen University & Research(WUR), Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) enInstituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), te delenmet de Europese Commissie (EC) en om een reactie te vragen? Deze ledenzijn bovenal benieuwd naar een reactie op de gedachte dat het verbod ophet gebruik van de pulskor bij het vangen van tong in strijd is met deEU-doelstelling om de ecologische en economische duurzaamheid van devisserij te verbeteren.AntwoordZoals ik in de geannoteerde agenda van de Raad van 24 juni a.s. hebaangegeven (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1655), zal ik de uitkomsten vande recente studie van onder andere de WUR, NIOZ en ILVO in de Raadbenoemen en hierbij aangeven dat wij op dit onderwerp graag met deCommissie en de Raad gezamenlijk willen optrekken.De leden van de BBB-fractie hebben tijdens het Vragenuur van 4 juni 2024de Minister, terecht, meerdere keren horen zeggen hoe verschrikkelijk hijhet vindt voor de pulskorvissers die enorme schade en verliezen hebbengeleden. De leden vragen zich af waarom het Ministerie van Landbouw,Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in hoger beroep is gegaan tegen deuitspraak van de rechter dat de pulskorvissers schadeloos moestenworden gesteld (Rechtbank Den Haag, 1 februari 2021, ECLI:NL-:RBDHA:2021:968). Deze leden willen graag een reactie van de Minister.Kan de Minister niet afzien van het hoger beroep, en overgaan tot eenschadeloosstelling van de pulskorvissers?AntwoordSchadeloosstelling van pulskorvissers raakt in deze zaak de principiëlevraag of de Nederlandse overheid schadeplichtig kan zijn als erEU-regelgeving wordt uitgevoerd waarbij Nederland geen beleidsvrijheidheeft. Dat zou in dit geval het gevolg zijn van het evenredigheidsbeginsel.Maar aan het evenredigheidsbeginsel ligt ten grondslag dat het bestuurs-orgaan verschillende mogelijkheden heeft om uit te kiezen, en diemogelijkheden waren er bij het verbod op pulskorvisserij niet. Er lag eenEU-verbod op pulskorvisserij en daarom moest ik de afgegeven vergun-ningen intrekken. Het betalen van een schadevergoeding zou daarom indit geval waarschijnlijk leiden tot het uitkeren van verboden staatssteun.Overigens zijn er twee uitspraken gedaan door verschillende rechtbankendie op dit punt verschillend concluderen. Ook voor de rechtseenheid is hethoger beroep belangrijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165611 De leden van de BBB-fractie ondersteunen de lijn van de Minister dat hij inde Raad aandacht vraagt voor de vermindering van administratieve lastenen vereenvoudiging van wet- en regelgeving in de visserijsector. Ziet deMinister hier ook ruimte voor binnen nationale wetgeving?AntwoordVoor de zeevisserij is de EU exclusief bevoegd om regels te stellen.Hierdoor is er bijna geen ruimte om binnen de nationale wetgeving deadministratieve lasten te verminderen of de wet- en regelgeving tevereenvoudigen. Voor zover er nog nationale uitwerking vanEU-regelgeving nodig is, streef ik ernaar om dit zo lastenluw mogelijk tedoen. Voor binnenvisserij betreft het wel nationale regelgeving, waarbijbij het opstellen dan wel wijzigen van wet- en regelgeving in principealtijd een toets op administratieve regeldruk wordt uitgevoerd.De leden van de BBB-fractie steunen de Minister voor zijn inzet om devangstmogelijkheden voor tong voor dit jaar aan te laten passen. De ledenvan de BBB-fractie maken zich zorgen over het feit dat er in toenemendemate wordt gepoogd meerdere maatschappelijke belangen te dienen doormiddel van bosbeleid, zoals natuurdoelen en sociaaleconomische doelen.Bestaat er een kans dat dit kan resulteren in extra nationale of Europesedoelen?AntwoordHet Permanent Comité voor Bosbouw is een Comité via welke de lidstatende Commissie kunnen adviseren betreffende bosbeleid en boswetgeving.Bossen kunnen meerdere functies dienen, denk bijvoorbeeld aanrecreatiewaarde, opslag van CO2 en andere ecosysteemdiensten en/ofhoutproductie. Om conflicten tussen de verschillende beleidsdoelen diegerelateerd zijn aan bossen te voorkomen, worden deze in één comitéintegraal besproken. Het besluit betreffende het Permanent Comité voorBosbouw is slechts een kleine wijziging in de statuten voor de organisatie-structuur. Dit is geen wetgeving die nieuwe Europese of nationale doelenstelt en leidt ook niet tot extra wetgeving.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister de herziening van dediertransportverordening zeer wenselijk acht en dat hij zich tijdens deonderhandelingen zal inzetten om het voorstel beter te laten aansluiten bijde laatste wetenschappelijke inzichten. Welke laatste wetenschappelijkeinzichten bedoelt de Minister dan?AntwoordZoals aangegeven in het BNC-fiche Herziening verordening dierenwelzijntijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861), het schriftelijk overleg overdit fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 3889), het schriftelijk overleg over degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 februari2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1622) en het schriftelijk overleg over degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 26 maart2024 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1633) ga ik hierbij voornamelijk uit van deEFSA-rapporten (gepubliceerd in september 2022). Deze rapporten geveneen vrij volledig en goed overzicht van de laatste wetenschappelijkinzichten aangaande dierenwelzijn tijdens transport en zijn specifiekopgesteld ter wetenschappelijke onderbouwing van de herziening van detransportverordening.De leden van de BBB-fractie hebben tot slot nog enkele opmerkingen envragen over het bericht dat het Ministerie van Economische Zaken enKlimaat (EZK) het Ministerie van LNV heeft verzocht om aan te gevenwelke eindgebruikers (landbouw, visserij, glastuinbouw) binnen ETS-2zouden moeten worden opgenomen. Deze leden zijn niet in zijn geheelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165612 tegen ETS-2, maar zij vinden het erg onverstandig om juist in deze tijdende landbouw, visserij en glastuinbouw op te nemen in ETS-2. De sectorheeft het al ongelofelijk zwaar. Deelt de Minister deze mening? Deelt deMinister, onder dat gegeven, de mening dat de sector het hierdoor nogzwaarder zou kunnen krijgen? Invoering van ETS-2 voor fossiele brand-stoffen in de land- en tuinbouw betekent een keten brede stijging vanbrandstofkosten en een nieuwe verhoging van voedselprijzen. Debrandstofheffingen drukken volgens de impactanalyse maximaal 2 tot 6procent op het ondernemersinkomen, maar zal in de praktijk mogelijktwee keer zo hoog liggen. Boeren en tuinders kunnen de heffingen opbrandstofgebruik niet doorberekenen aan afnemers, terwijl loonwerkersen toeleverende bedrijven de heffingen namelijk wel in rekening kunnenbrengen bij boeren en tuinders. Waar boeren en tuinders meer betalenaan heffingen zal het leiden tot minder duurzame investeringen infossielvrije mechanisatie. Kan de Minister zich vinden in deze redenering?Deze leden merken tot slot graag nog op dat innovaties de weg moetenzijn tot een fossielvrije mechanisatie in 2050.AntwoordVoor de visserij is reeds besloten om deze sector buiten het ETS2 tehouden. Voor de glastuinbouw volgt besluitvorming vóór Prinsjesdag. Derest van de landbouw wordt als eindgebruiker niet uitgezonderd van hetETS2. Dit betekent dat boeren, net als alle andere eindgebruikers vanfossiele brandstoffen in Nederland, te maken krijgen met hogere fossielebrandstofprijzen door het ETS2 wanneer deze in 2027 in werking treedt.Volgens de impactanalyse komt de kostenstijging voor de landbouw neerop ongeveer 0,2 tot 0,8 procent. Boeren kunnen de meerkosten beperkendoor energie te besparen en door over te stappen op duurzame alterna-tieven. In de impactanalyse van Wageningen Economic Research zijnhiervoor diverse opties geïdentificeerd. Om de transitie naar fossielvrijelandbouwvoertuigen te ondersteunen, komt er een subsidieregeling waarboeren gebruik van kunnen maken bij de aanschaf van nieuwe ofombouw van bestaande tractoren.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 24 juni 2024 en hebben hiernog enkele vragen over.De leden van de PvdD-fractie lezen dat het Belgisch voorzitterschap deRaad zal informeren over de stand van zaken van verschillende wetge-vingsvoorstellen, waaronder de Verordening inzake de bescherming vandieren tijdens transport. Deze leden wijzen erop dat de Kamer verschil-lende moties heeft aangenomen over deze verordening, waaronder demotie van de leden Wassenberg en Vestering om geen dieren te expor-teren naar derde landen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1507), de motie van hetlid Vestering over het overnemen van de uitkomsten van deEFSA-onderzoeken over de maximale temperatuur voor diertransporten(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1526) en de motie van het lid Ouwehand overhet sterk verzetten tegen het voorstel van de Europese Commissie(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1605). Deze leden vragen de Minister aandachtte blijven geven aan deze duidelijke verzoeken van de Kamer.De leden van de PvdD-fractie ontvangen tevens graag van elk van devolgende maatregelen een indicatie van de steun bij andere lidstaten voorhet opnemen van deze maatregelen in de wijziging van de transportveror-dening: 1) verlagen van de maximale temperatuur voor diertransporten, inlijn met European Food and Safety Authority (EFSA) adviezen 2) geenexport van dieren naar derde landen, 3) geen langeafstandstransportenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165613 die langer duren dan acht uur, 4) geen diertransporten over zee en 5)handhaven van het verbod op het vangen van kippen aan poten. Voorwelk van deze maatregelen verwacht de Minister dat er genoeg steun isen voor welke maatregelen is extra inzet nodig?AntwoordDe onderhandelingen over de herziening van de transportverordeningbevinden zich nog in een verkennende fase. Veel lidstaten zijn terug-houdend met het prijsgeven van hun standpunten. Het is echter duidelijkdat veel lidstaten niet hetzelfde ambitieniveau hebben als Nederland. Zo iser bijvoorbeeld tot op heden zeer weinig steun voor alle in de vraag vande leden van uw fractie genoemde maatregelen, behalve voor het behoudvan de huidige definitie van kort (minder dan 8 uur) en lang (meer dan 8uur) transport. Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche Herzieningverordening dierenwelzijn tijdens transport (Kamerstuk 22 112, nr. 3861)zet ik in op een verlaging van de maximum temperatuur voordiertransport naar 30 graden Celsius, een verbod op lange transportennaar derde landen, een beperking van het transport over zee en hetbehouden van de voorwaarden voor het vangen van kippen die in hethuidige voorstel staan. Hiermee zorg ik voor verbetering, zonder mezelfgeheel buiten de onderhandelingen te plaatsen door in te zetten op zakenwaar geen steun voor is.De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister verder om opnieuw op teroepen dat de overige dierenwelzijnsvoorstellen van de EC op kortetermijn moeten worden gepubliceerd.AntwoordDeze oproep heb ik al meerdere keren in de Raad en via informele kanalenaan de Commissie overgebracht (onder andere Kamerstuk 21 501-32, nr.1635). De komende tijd zullen de gesprekken met de Commissie over hetverder verbeteren van dierenwelzijn worden voortgezet.Ook ontvangen deze leden graag een nieuwe stand van zaken over deaangenomen motie van het lid Vestering over een plan voor een eindeaan de import van kalfjes (Kamerstuk 28 286, nr. 1309 ).AntwoordZoals aangegeven in de Verzamelbrief Dierenwelzijn van 26 oktober 2023(Kamerstuk 28 286, nr. 1315) moet ik mij bij transport van levende dierentussen lidstaten houden aan de Europese regels voor intraverkeer.Daarnaast staat de Europese Verordening (EG) nr. 1/2005 toe datongespeende kalveren over lange afstanden (langer dan 8 uur) wordenvervoerd. Ik kan de transporten van kalveren vanuit andere lidstaten naarNederland daarom niet nationaal verbieden. Uiteraard blijf ik mij bij deherziening van de transportverordening inzetten voor een maximumtransporttijd van 8 uur voor ongespeende dieren, zonder uitzonderingen.Hiermee beschouw ik de motie-Vestering als afgedaan. Daarnaast heeft dekalversector op 4 juni 2024 haar actieplan «Veal forward» aan eendelegatie van de Tweede Kamer overhandigd, met daarin ookvoornemens op het gebied van transport. Hierbij heeft de sectormondeling aangegeven met ingang van 2026 te stoppen met de importvan kalveren uit Ierland en Oost-Europa.De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de antwoordenop de schriftelijke vragen van het lid Kostic´ over de Verordening welzijnen traceerbaarheid van honden en katten, waarin de Minister aangeeft dathet voorstel van de EC geen onderdelen bevat om het welzijn vanzwerfdieren te verbeteren. Deze leden merken op dat aan de Ministerwerd gevraagd of hij bereid is zich in te zetten voor het opnemen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165614 diervriendelijke oplossingen voor zwerfdieren in deze verordening, maardat deze vraag onbeantwoord blijft. Deze leden vragen dit omdat zij alhadden kennisgenomen dat bescherming voor zwerfhonden en -katten opdit moment volledig ontbreekt in het voorstel van de EC. Deze ledenvragen de Minister alsnog of hij bereid is zich ervoor hard te maken datdiervriendelijke oplossingen voor zwerfdieren wel worden opgenomen indeze verordening.AntwoordHet voorstel van de Commissie is onder andere gebaseerd op artikel 114van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).Dit artikel geeft de EU de bevoegdheid om maatregelen vast te stelleninzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijkebepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de internemarkt betreffen. De reikwijdte van het voorstel beperkt zich dan ook totdierenwelzijn in het kader van het functioneren van de interne markt. Hetwaarborgen van het welzijn van zwerfdieren valt hier niet onder. Het wasen is daarom niet zinvol om in te zetten op het opnemen van diervriende-lijke oplossingen voor zwerfdieren in deze verordening.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda Landbouw- en Visserijraad van 24 juni 2024 en hebben hier nogenkele vragen over.De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over ETS-2 en deopt-in voor de land- en tuinbouw. Deelt de Minister de mening dat fossielbrandstofgebruik in de land- en tuinbouw nog moeilijk te vervangen isdoor duurzame alternatieven en dat toepassing van de opt-in daaromvooral een kostprijsverhogend effect zal hebben? Hoe verhoudt dit zich totde wens om het verdienmodel van boerenbedrijven te versterken? Achtde Minister toepassing van de opt-in voor de land- en tuinbouw derhalvewel wenselijk? Deze leden horen ook graag in hoeverre andere lidstatenervoor kiezen de landbouw en/of tuinbouw mee te nemen onder ETS-2.AntwoordIn de impactanalyse die door Wageningen Economic Research op mijnverzoek is uitgevoerd, is uitgewerkt wat de financiële gevolgen enhandelingsopties van de ETS2 opt-in zijn voor de landbouw, glastuinbouwen visserij. Deze verschillen sterk per sector. Zo heeft de visserijsector veelminder handelingsperspectief dan de landbouwsector. In de besluit-vorming over de reikwijdte van de ETS2 opt-in, waarover de Kamer op15 april jl. is geïnformeerd, is rekening gehouden met de financiële impacten de mogelijkheden om deze op te vangen. Daarbij is ook gewogen watde opt-in bijdraagt aan de klimaatopgave en aan de uitvoerbaarheid enfraudebestendigheid van het ETS2. Voor de landbouw is het kabinet toteen positief besluit gekomen over de opt-in. Voor de glastuinbouw raakttoepassing van de opt-in aan bestaande afspraken (glastuinbouwcon-venant) en aan ander beleid, waarvoor uitwerking nodig is alvorens eendefinitief besluit te nemen. Het kabinet zal vóór Prinsjesdag duidelijkheidgeven of de glastuinbouw wel of niet meegaat in de opt-in.Voor wat betreft andere lidstaten: mij is bekend dat de land- en tuinbouwin naar verwachting Duitsland, Oostenrijk en Zweden onder de werkingvan het ETS2 gaan vallen. Frankrijk en Finland brengen de land- entuinbouw niet onder het ETS2. In België is er nog geen politiek besluitgenomen of de land- en tuinbouw onder het ETS2 gaan vallen. Voorandere lidstaten is mij dit niet bekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165615 Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de CU-fractie hebben kennisgenomen van de stukken op deagenda. Deze leden hebben daarover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de CU-fractie zouden de Minister willen vragen wanneer eenbesluit wordt verwacht over de vraag of er verzachtende maatregelenzouden moeten plaatsvinden voor de primaire bedrijven als gevolg van deinvoering van de ETS-2 opt-in, bijvoorbeeld door een belasting- ofaccijnsverlaging of door stimulerende maatregelen om koolstofuitstootdoor bedrijven te verminderen. Deze leden vragen dit met name met hetoog op sectoren die hierdoor het meest geraakt worden, zoals deglastuinbouw.AntwoordVoor de visserij is besloten om deze sector buiten het ETS2 te houden.Voor de glastuinbouw volgt besluitvorming over de opt-in vóór Prins-jesdag. Voor de glastuinbouw raakt toepassing van de opt-in aanbestaande afspraken (glastuinbouwconvenant) en aan ander beleid,waarvoor uitwerking nodig is alvorens een definitief besluit te nemen. Inde uitwerking zal ook worden gekeken naar de mogelijkheden vanflankerend beleid. Om de verduurzaming van landbouwvoertuigen testimuleren werk ik een subsidieregeling uit. Hiervoor maakt het kabinet 77miljoen euro vrij uit het Klimaatfonds. Het besluit hiertoe is genomen insamenhang met het besluit tot de opt-in voor het ETS2.Het ETS2 (en dus ook de opt-in) treedt volledig in werking vanaf 2027 enzal dus pas na deze kabinetsperiode inkomsten genereren. Budgettaireverwerking van deze middelen is aan een nieuw kabinet. Bij een besluitover de budgettaire verwerking van de inkomsten van ETS2 kunnen delastenstijgingen voor alle ETS2-sectoren en ETS2-opt-in-sectoren integraalworden gewogen. Hierbij wordt bezien of aanvullende compenserende offlankerende maatregelen worden genomen, en of dit in het bijzonder voorspecifieke sectoren wenselijk is.De leden van de CU-fractie zouden de Minister willen vragen of hij dejaarlijkse Commissiemededeling over de voortgang van het GVB en devangstmogelijkheden in 2025 aan zal grijpen om pulskorvisserij opnieuwnaar voren te brengen als meer duurzame visserij-methode. Op welkemanier zou Nederland hier nu meer draagvlak voor kunnen creëren,zouden deze leden daarnaast willen vragen.AntwoordZoals ik in de geannoteerde agenda van de Raad van 24 juni a.s. hebaangegeven (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1655) zal ik inderdaad devoordelen van de pulskor in de Raad benoemen. In de beantwoording vaneen soortgelijke vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdAover de Nederlandse lobby voor pulsvisserij heb ik toegelicht hoe deverhoudingen in Europa liggen ten aanzien van pulsvisserij en waarop deNederlandse inzet zich zou moeten richten om pulsvisserij in Europaverder te kunnen brengen.Ik verwijs voor een verdere toelichting naar het antwoord op deze vraag.I. Stand van zaken RENUREIn mijn brief van 24 april 2024 (Kamerstukken II, 2023/2024, 33 037, nr. 535)heb ik de Kamer medegedeeld dat het voorstel van de Commissie, dat hetmogelijk moet maken om RENURE-producten boven de gebruiksnormvoor dierlijke mest te gebruiken, in het Nitraatcomité behandeld dient teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165616 worden, na afronding van de publieksconsultatie. Hierna gaat het voorstelvoor formele goedkeuring naar de Raad en het Europees Parlement.Het voorstel is inmiddels tijdens het Nitraatcomité van 31 mei jl. toege-licht, waarna het voorstel in het Nitraatcomité van 13 juni jl. is besproken.Daar zijn door diverse lidstaten vragen en opmerkingen van procedurele,juridische en technische aard gemaakt. De Commissie heeft aangegevendeze vragen en opmerkingen te zullen bestuderen en te beoordelen ofdeze tot wijziging van het voorstel moeten leiden, alvorens het voorstel instemming te kunnen brengen in een volgende bijeenkomst van hetNitraatcomité.Zodra er meer duidelijkheid is over het vervolg zal de Kamer hiervanzelfsprekend over worden geïnformeerd. De inzet van Nederland is eronverminderd op gericht dat het voorstel van de Commissie op 1 januari2025 in werking treedt. Uiteraard ga ik daarnaast verder met de overigevoorbereidende werkzaamheden die ik in mijn brief van 24 april jl. hebgenoemd, om toepassing van RENURE-producten in de Nederlandse wet-en regelgeving mogelijk te maken zodra het voorstel van de Commissie inwerking treedt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 21 501-32, nr. 165617
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.