Passende zorg voor kinderen en jongeren met complexe problematiek
Brontekst
Versie 65f278e3d82482e1 · officiële bron31 839 Jeugdzorg Nr. 1186 Brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 25 september 2026 Op 29 augustus jl. heb ik met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (JenV) excuses gemaakt voor de misstanden in de gesloten jeugdzorg. Hierbij hebben alle partijen benadrukt: we willen stoppen met gesloten jeugdhulp in 2030. We moeten het anders en beter gaan doen voor deze kinderen en jongeren. Het stoppen met de gesloten jeugdhulp kan niet van de ene op de andere dag. Dit vraagt tijd en zorgvuldigheid, omdat er ook passende jeugdhulp moet worden georganiseerd voor jeugdigen met complexe problematiek die nu in de gesloten jeugdhulp komen. In deze brief ga ik daar verder op in. Er zijn de afgelopen jaren grote stappen gezet om de gesloten jeugdhulp af te bouwen. Waar in 2019 nog 1.707 gesloten plaatsingen plaatsvonden, ging het in 2025 nog om 656 plaatsingen. Daar waar gesloten jeugdhulp nu nog nodig is, is er omgebouwd naar kleinschaligheid en geïnvesteerd in relationeel werken, vakmanschap en meer maatwerk. Inmiddels werken alle gesloten instellingen kleinschalig met maximaal zes jongeren per groep. Ook heeft het veld fors ingezet op kwaliteitsverbetering. Bijvoorbeeld via het Consortium Kleinschaligheid en het leernetwerk “Ik leer niet alleen”.[voetnoot 1],[voetnoot 2] Ondanks de stappen die we hierin hebben gezet, zijn we er nog niet. Het lukt ons op dit moment nog onvoldoende om: Een gedeelde verklarende analyse te maken met jongeren en ouders om de onderliggende patronen en hulpvraag te onderzoeken zodat passende hulp, onderwijs en ondersteuning geboden wordt. Eerder passende ambulante hulp in te zetten op de plek waar het kind of de jongere woont en te voorkomen dat residentiële zorg nodig is. Als er toch residentiële jeugdhulp nodig is met specialistische behandeling en begeleiding, dit in de eigen regio en samen met het onderwijs te organiseren. Te voorkomen dat verhuizingen naar of tussen residentiële voorzieningen ertoe leiden dat een kind of jongere uit beeld raakt bij het onderwijs of langere tijd zonder passend onderwijsaanbod zit. Voldoende in beeld te hebben welke hulp daadwerkelijk effectief is en of dit kinderen en jongeren met complexe problematiek helpt. Voldoende alternatieve passende zorg en onderwijs te organiseren tijdens de afbouw van gesloten jeugdhulp, waardoor kinderen en jongeren op dit moment vaker terecht komen in onwenselijk en kostbaar zorgaanbod zonder perspectief, zoals in één-op-één plaatsingen op vakantieparken. Onlangs deelde ik het rapport ‘Zicht op Jeugd’[voetnoot 3] met uw Kamer, over het aantal jeugdigen dat in één op één setting of in buitencontractueel, buitenregionaal aanbod verblijft. Het rapport is een eerste beeld, dat ik nog verder laat verdiepen. Maar het rapport laat opnieuw zien dat het nog té vaak niet goed gaat. Ik ben geschrokken van dit eerste beeld: 768 kinderen in een één-op-één plaatsing en 1.557 die buiten hun eigen regio verblijven op een (veelal duur) maatwerkcontract. Dit vind ik echt té hoog en onwenselijk. Het is noodzakelijk om op korte termijn te kijken naar concrete stappen om voor deze kinderen en jongeren tot beter passende hulp te komen. Hierover heb ik, samen met de staatssecretaris van JenV, op 10 september jl. overlegd met de VNG, JZNL, de Nederlandse ggz (NLggz) en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN). Met deze brief informeer ik uw Kamer hierover, mede namens de staatssecretarissen van Justitie en Veiligheid en Onderwijs en Emancipatie. Landelijk regie Zoals hierboven geschetst is er meer nodig. Vanuit VWS wil ik hierop landelijk regie pakken en samen met de hierboven genoemde partijen aanvullende stappen zetten. Dat doe ik onder meer door de wet aan te passen, landelijke afspraken te maken over kaders en budgetten en het gesprek te voeren over de inrichting van het stelsel. Op de korte termijn moeten we beter zicht krijgen op de jeugdigen die in een één-op-één plaatsing of buitencontractueel, buitenregionaal zijn geplaatst. In deze brief schets ik drie lijnen waar ik met de partijen de komende periode mee aan de slag ga. Ik ga in op de volgende zaken: Verdere afbouw van de gesloten jeugdhulp, aanpassing wetgeving en verkenning gezamenlijk toekomstbeeld. Hoe wij de kinderen en jongeren die in één-op-één plaatsingen verblijven beter in beeld gaan krijgen en voor hen gaan toewerken naar beter passend aanbod. Wat wij doen om de ontwikkeling van voldoende passend aanbod voor kinderen en jongeren met complexe problematiek te stimuleren binnen het huidige stelsel. Tot slot informeer ik uw Kamer in de bijlage van deze brief over de voortgang van een aantal trajecten en uitvoering van moties die samenhangen met de geschetste problematiek in deze brief. Verdere afbouw van de gesloten jeugdhulp, aanpassing wetgeving en gezamenlijk toekomstbeeld Het Rijk, VNG, de NLggz, VGN en JZNL zijn het erover eens: we willen dat kinderen en jongeren zo thuis mogelijk kunnen opgroeien. Afhankelijk van de situatie, kan zo thuis mogelijk er op verschillende manieren uitzien. Idealiter groeien kinderen en jongeren in hun eigen thuissituatie op, met ambulante hulp indien nodig. Als dat niet lukt, spelen pleegzorg en gezinshuizen in de regio een belangrijke rol om kinderen en jongeren een thuis te bieden. Ieder kind of jongere verdient een passend onderwijsaanbod en een zo min mogelijk onderbroken onderwijsloopbaan. Bij dit toekomstbeeld hoort dan ook dat onderwijs vanaf het begin integraal onderdeel is van het perspectief op zo thuis mogelijk opgroeien. Wanneer residentiële jeugdhulp[voetnoot 4] toch noodzakelijk is, willen we dat dit zoveel mogelijk tijdelijk is, en gericht op weer terug naar de eigen omgeving. Binnen residentieel verblijf wordt een veilig en positief leefklimaat én maatwerk geboden. Daarbij wordt gestreefd naar het doorlopen van het onderwijs door in te zetten op duidelijke afspraken tussen jeugdhulp, scholen en samenwerkingsverbanden passend onderwijs over de continuïteit van het onderwijs. Daarnaast zetten we maximaal in op het voorkomen van verhuizingen, want deze hebben een groot ontwrichtend effect op kinderen en jongeren. Deze beweging is in lijn met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming. Tegelijkertijd kent deze beweging naar zo thuis mogelijk opgroeien dilemma’s. Bijvoorbeeld wanneer het– ondanks intensieve en specialistische jeugdhulp – niet lukt om een kind of een jongere te helpen en deze een gevaar voor zichzelf of hun omgeving vormen. Welke risico’s kunnen we verdragen en/of in hoeverre is de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen, inclusief lange termijneffecten daarvan, dan acceptabel? Of wanneer passende hulp in crisissituaties niet voorhanden is: wat is een passende, tijdelijke oplossing? Dit leidt tot ingewikkelde, morele dilemma’s bij verwijzers, zorgaanbieders, professionals en ouders. Maar het leidt ook tot morele dilemma’s bij het aanpassen van wetgeving. Zo heb ik na intensieve gesprekken met ervaringsdeskundigen en jeugdhulpaanbieders besloten niet verder te gaan met de door mijn voorganger aangekondigde wetswijziging met betrekking tot nachtelijke kamerinsluiting. Deze wetswijziging zou de maatregel tot nachtelijke kamerinsluiting mogelijk maken voor een specifieke groep jongeren in de gesloten jeugdhulp, wanneer sprake is van een gegrond risico op ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van andere jongeren of medewerkers. Ik heb geconcludeerd dat een wetswijziging niet proportioneel is en de onderbouwing van noodzakelijkheid ontbreekt. Het mogelijk maken van nachtelijke kamerinsluiting heeft bovendien een te groot risico op een glijdende schaal, waarbij de inzet van de maatregel wordt genormaliseerd. Zie ook de bijlage “Vervolg wetswijziging nachtelijke kamerinsluiting” voor een nadere toelichting op dit besluit. Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat ik zie én erken dat de situaties waarvoor de maatregel nodig werd geacht, blijven bestaan. Gesloten instellingen staan voor een grote opgave om passende oplossingen te realiseren en de veiligheid van deze jongeren (vaak met een forensisch profiel), medebewoners en personeel te waarborgen. Ik ga met het veld in gesprek om beter om te gaan met dit type gedrag en escalaties beter te voorkomen. Wettelijk kader vrijheidsbeperkingen aanpassen De ervaringen van jongeren hebben ons laten zien dat gesloten jeugdhulp hen op termijn niet helpt, en zelfs schadelijk kan zijn. Daarom wordt de gesloten jeugdhulp afgebouwd. Ik werk daarbij aan een nieuw wettelijk kader ter vervanging van het wettelijk kader voor gesloten jeugdhulp. Want ook als gesloten jeugdhulp stopt, zullen er situaties blijven waarbij het, onder strikte voorwaarden, nodig is om jongeren te begrenzen voor hun eigen veiligheid of die van hun omgeving. Hierin schuilt een risico dat een nieuwe vorm van gesloten jeugdhulp ontstaat. We moeten voorkomen dat met het nieuwe kader dezelfde situaties en mistanden kunnen ontstaan die aanleiding hebben gegeven voor de afbouw van de gesloten jeugdhulp. Daarom staat voor mij bij deze wetswijziging een sterke rechtsbescherming voor jongeren voorop. Bij de uitwerking kijk ik nadrukkelijk naar benodigde randvoorwaarden en aansluiting met de Wet verplichte ggz (Wvggz) en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijke gehandicapte cliënten (Wzd). Ik kom aan het einde van dit jaar met een plan inclusief tijdlijn voor deze wetswijziging. Onderdeel hiervan is uitwerking hoe én wanneer relevante partijen, waaronder ervaringsdeskundigen, betrokken worden en inhoudelijk inbreng kunnen leveren. Verkenning aanpak knelpunten stelsel Ik constateer dat de transformatie van de gesloten jeugdhulp in een lastige fase zit. Hierbij wordt duidelijk dat het stelsel zoals dit nu georganiseerd is, onvoldoende werkt voor kinderen en jongeren met complexe problematiek. Signalen over een gebrek aan passende hulp voor deze jongeren en hun ouders zijn niet nieuw. Al in 2024 signaleerde de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd dit.[voetnoot 5] Betrokken partijen en het Rijk hebben de afgelopen jaren al veel verschillende maatregelen genomen om hier stappen in te zetten maar er is nog onvoldoende effect. Voor de knelpunten zoals geschetst op pagina 1 en 2, zie ik onderliggende oorzaken waar ik, in samenwerking met landelijke partijen, regie op wil voeren en sturing aan wil geven. Zo is er een tekort aan regionaal en landelijk inzicht in het zorglandschap voor (hoog)specialistische jeugdhulp én gebrek aan sturing op de beschikbaarheid van deze hulp. Ook is er een gebrek aan samenwerking tussen zorgdomeinen en expertises om tot integraal zorgaanbod te komen én gebrek aan randvoorwaarden om dit goed te kunnen doen. De afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd en de aanvullende afspraken die zijn gemaakt naar aanleiding van het rapport Van Ark in 2025 zijn nog niet voldoende om te komen tot meer grip en sturing op de jeugdhulp. Zoals aangekondigd, loopt er op dit moment intensief overleg met het veld om te komen tot een diepergaande analyse van de knelpunten in het stelsel, ieders rol hierin en welke aanvullende afspraken nodig zijn om het stelsel beter te laten functioneren.[voetnoot 6] Ik zal uw Kamer in het najaar informeren over de uitkomsten. Deze uitkomsten deel ik ook met commissie van Ark voor haar zwaarwegende en maatgevende advies begin 2027. Het inzicht verbeteren en passende hulp voor deze kinderen en jongeren organiseren Met het op 1 september gedeelde rapport is er een eerste inzicht in het aantal kinderen en jongeren dat nu wordt geplaatst in één-op-één setting of buitencontractueel, buitenregionaal aanbod, namelijk respectievelijk 768 en 1.557 jeugdigen.[voetnoot 7] Het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd (hierna: OZJ) heeft in de rapportage ‘Zicht op Jeugd’ benadrukt dat de aantallen met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd.[voetnoot 8] Maar zoals ik hierboven al aangaf, vind ik dit aantal té hoog en onwenselijk. In het bestuurlijk overleg hebben partijen gezamenlijk geconstateerd dat, alhoewel dergelijke plaatsingen in sommige gevallen (tijdelijk) passend kunnen zijn voor een jongere, het aantal plaatsingen in een één-op-één-setting en buitencontractueel, buitenregionaal aanbod te hoog is. Naast dat de plaatsingen veelal onwenselijk zijn, zijn ze ook zeer kostbaar. Dit blijkt ook uit recent onderzoek van EY ‘Onderzoek dure casuïstiek Jeugdwet’ dat ik u hierbij aanbied. Dit onderzoek laat zien dat tussen 2022 en 2024 het aantal dure trajecten is toegenomen, zowel in aantallen als in kosten. In 2024 was ongeveer 2,1% van de jeugdigen met jeugdzorg verantwoordelijk voor circa 23% van de totale jeugdzorguitgaven. Uit de interviews die tijdens dit onderzoek met een aantal gemeenten zijn gehouden, komt naar voren dat er verschillende oorzaken voor de kostenstijging tussen 2022 en 2024 zijn aan te wijzen, waarbij ook één-op-één plaatsingen en niet passend aanbod worden genoemd. Doorbraakaanpak voor de korte termijn Ik vind het belangrijk dat het aantal één-op-één plaatsingen teruggedrongen wordt. Daarom werk ik samen met gemeenten en de bovenregionale expertisenetwerken een doorbraakaanpak uit om voor deze jongeren te komen tot passende zorg met onderwijs en/of dagbesteding, bij voorkeur in de eigen regio. Ik vraag het Ondersteuningsteam Zorg voor Jeugd om deze aanpak samen met jeugdregio’s te organiseren. Het startpunt hierbij is dat jeugdregio’s samen met gecertificeerde instellingen (GI’s) de komende maanden, zoveel als mogelijk met bestaande steunstructuren als de regionale expertteams (RETs), gaan zoeken naar oplossingen voor deze kinderen en jongeren. Daar worden de mogelijkheden voor onderwijs in betrokken. Waar nodig kunnen de bovenregionale expertisenetwerken de RETs hierbij ondersteunen. Naast het inzetten van passende zorg voor deze jongeren, vind ik het ook van groot belang dat met deze doorbraakaanpak scherper zicht komt welke randvoorwaarden op regionaal én landelijk niveau nodig zijn. Daarom wordt ook gekeken naar de rode draden: wanneer en waarom lukt het wel én wanneer lukt het niet om regionaal een plaatsing te organiseren? Soms zullen (door)ontwikkelingen in het regionale zorglandschap nodig zijn. De jeugdregio’s kunnen hierbij ondersteund worden door de bovenregionale expertisenetwerken. Tegelijkertijd zal ook concreter inzicht ontstaan wanneer het, ondanks alle inzet, niet op (boven)regionaalniveau lukt om tot dekkend zorglandschap te komen en vanuit landelijke partijen meer regie en sturing nodig is. Tot slot ben ik in overleg met VNG en gemeenten voor een vervolg-uitvraag om te kunnen volgen hoe het aantal plaatsingen zich ontwikkelt. Daarbij bekijk ik met hen wat nodig is om structureel beter inzicht te krijgen. Zo hebben gemeenten op dit moment géén inzicht in de huidige verblijfslocatie van kinderen en jongeren wanneer zij in residentiële zorg zijn. Dit vraagt structurele aanpassingen in informatiesystemen. Ik blijf de komende tijd in nauw overleg met jeugdregio’s over de stappen die zij zetten. Ik informeer uw Kamer begin 2027 over de voortgang. Voldoende passend aanbod voor kinderen en jongeren met complexe problematiek In 2024 zijn tussen het Rijk, VNG en de gesloten jeugdhulpaanbieders bestuurlijke afspraken gemaakt over de afbouw van de gesloten jeugdhulp, en daar waar gesloten jeugdhulp nog nodig blijft over de ombouw naar kleinschalige gesloten jeugdhulp.[voetnoot 9] Als onderdeel hiervan werd in 2024 door het kabinet € 176 mln. beschikbaar gesteld via een Specifieke Uitkering (SPUK). Hiermee geven gemeenten uitvoering aan hun bovenregionale plan om de gesloten jeugdhulp te transformeren. Deze bestuurlijke afspraken blijven onverkort van kracht, zodat de afbouw van de gesloten jeugdhulp kan blijven plaatsvinden. Ik blijf monitoren hoe het gaat met het uitvoeren van de bovenregionale plannen en er wordt een extra stap gezet door onderwijs nog nauwer te verbinden bij de uitvoering van de bovenregionale plannen. Daarnaast kijk ik samen met VNG en JZNL waar we verduidelijking kunnen geven bij (financiële) geschillen rondom de SPUK-regeling. Tegelijk constateer ik samen met VNG en JZNL na twee jaar dat er door de afbouw van gesloten jeugdhulp een behoefte en noodzaak is ontstaan om te komen tot een bredere aanpak. Waarbij ook een cultuurverandering binnen de jeugdhulp moet worden georganiseerd. Dat is nodig om het aantal verwijzingen naar gesloten jeugdhulp verder te doen afnemen, én om meer sturing te geven aan het organiseren van passende hulp en ondersteuning voor kinderen en jongeren met complexe problematiek. Deze passende hulp en ondersteuning moet worden georganiseerd in samenhang met onderwijs, dichtbij en als alternatief voor gesloten plaatsing. Deze verbreding wordt in een bestuurlijk verband met de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd (BGZJ) ingezet. De urgentie is groot, en daarom wordt nu alvast ingezet op de volgende zaken: Monitor voor residentiële jeugdhulp voor inzicht in beschikbaar aanbod. Investering in het regionale specialistische zorglandschap om één-op-één plaatsingen terug te dringen en te voorkomen. In gesprek met jeugdregio’s. Opzetten van regionale plaatsingscoördinatie voor zorgvuldige en passende residentiële plaatsing. Opzetten van landelijk kwaliteitsprogramma. Stimuleren beschikbaarheid van zorg voor jongeren met een forensisch profiel. Monitoring residentiële zorglandschap Betere sturing vraagt om inzicht hoe het specialistische zorglandschap eruitziet en zich ontwikkelt. Hierbij is het belangrijk dat gemeenten en jeugdregio’s inzicht hebben in de feitelijke verblijfslocaties van kinderen en jongeren. Vanuit de afspraken uit de Hervormingsagenda wordt gewerkt aan verschillende trajecten om het inzicht in het jeugdstelsel op basis van kwalitatief goede en onderling vergelijkbare data te verbeteren. Het betreft hier onder andere het standaardiseren van de zorgvormenlijst waaronder jeugdhulp met verblijf en trajecten om de datakwaliteit en -beschikbaarheid te verbeteren. Als onderdeel van de Hervormingsagenda wordt ook gewerkt aan de inrichting van een centrale monitor van het jeugdstelsel zodat op stelselniveau meer gestuurd kan worden op de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid. Ook heeft de NZa met de wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg wettelijke taken gekregen op het terrein van de Jeugdwet waaronder stelselonderzoek naar beschikbaarheid van jeugdzorg. Een uitdaging hierbij is dat op dit moment een groot aantal van de gegevens die nodig zijn om te komen tot goed inzicht, nog niet (op uniforme wijze) worden geregistreerd. Hier werk ik – samen met gemeenten, aanbieders en anderen – hard aan. Dit betekent dat er sprake is van een ingroeimodel, waarbij in de komende jaren steeds meer gegevens op landelijk niveau verzameld kunnen worden. De NZa levert op dit moment reeds een (kwartaal) monitor gesloten jeugdhulp. Deze biedt inzicht in het aantal plaatsingen, de capaciteit en herkomst van plaatsingen. Gelet op de ontwikkelingen zoals geschetst eerder in deze brief, ontstaat er behoefte om breder inzicht te krijgen in het specialistische zorglandschap, te beginnen bij beschikbaarheid en plaatsingen binnen het residentiële zorglandschap. Ik wil daarom onder landelijke regie een proces inrichten om met betrokkenen de monitor gesloten jeugdhulp door te ontwikkelen, waarmee regionaal én landelijk inzicht komt in het residentiële zorglandschap. Waar mogelijk wordt ook het onderwijs aan deze jongeren betrokken. Investering in het regionale specialistische zorglandschap Voor de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp moeten jeugdregio’s en gemeenten met de jeugdhulppartners investeren in alternatieve vormen van zorg en ondersteuning, om inzet van residentieel verblijf te voorkomen en een succesvolle terugkeer naar de eigen omgeving te bevorderen. Dit is reeds afgesproken in de Hervormingsagenda. Het kabinet stelt voor 2026, 2027 en 2028 in totaal € 77 miljoen beschikbaar via een decentralisatie uitkering voor jeugdregio’s om residentieel verblijf te voorkomen én verkorten. Daarnaast wordt €20 miljoen gereserveerd om de landelijke randvoorwaarden te organiseren. Hiertoe zijn bestuurlijke uitgangspunten opgesteld tussen VNG en VWS. Deze vindt u bijgevoegd bij deze brief. Als bijlage treft uw Kamer ook het document ‘beleidskeuzes uitgelegd’ aan, ter onderbouwing van de doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie volgens artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet. Ik ga ervan uit dat gemeenten deze middelen – in overeenstemming met de bestuurlijke uitgangspunten en de afspraken uit de Hervormingsagenda – inzetten om het residentiële zorglandschap te versterken, bijvoorbeeld door regionaal meer passende zorgvormen te ontwikkelen voor kinderen en jongeren die nu één-op-één geplaatst worden. Hiermee kunnen één-op-één plaatsingen ook worden voorkomen en teruggedrongen. In gesprek met jeugdregio’s Eén van de afspraken uit de Hervormingsagenda Jeugd is het verbeteren van de inkoop en organisatie van (hoog) gespecialiseerde jeugdzorg. Ik ga vanaf het najaar 2026 – samen met de VNG – langs alle jeugdregio’s. Hierbij ga ik met iedere jeugdregio individueel in gesprek over de wijze waarop zij invulling geven aan deze opgave, hoe zij sturen op een dekkend specialistisch zorglandschap en wat zij nodig hebben om hier uitvoering aan te kunnen geven. Hier betrekken we ook de samenwerking met onderwijs. Op basis van deze gesprekken kunnen we een beter landelijk beeld vormen en eventuele vervolgstappen bepalen. Regionale plaatsingscoördinatie Er is bij residentiële plaatsingen nog te vaak sprake van een spoedmachtiging. Doordat daarnaast regelmatig een gedeelde verklarende analyse ontbreekt, wordt te vaak nog gekozen voor aanbod dat niet volledig aansluit bij wat een kind of jongere écht nodig heeft. Wanneer zorg vervolgens vastloopt worden zij doorgeplaatst, veelal zonder (geschikte) onderwijsplek. Onder landelijke regie worden jeugdregio’s gevraagd om, in samenspraak met GI’s, een regionale plaatsingscoördinatie in te richten voor residentiële plaatsingen. Zo wordt toegewerkt naar beter passende residentiële plaatsingen, waarbij matching plaatsvindt samen met de jongere, het gezin, verwijzers, aanbieders én het onderwijs. Landelijk kwaliteitsprogramma Op het moment dat kinderen en jongeren niet thuis kunnen wonen, moeten zij kunnen rekenen op passende, kwalitatief goede en effectieve (jeugd)hulp en passend onderwijsaanbod. De kwaliteit en continuïteit van jeugdhulp staat of valt met deskundige professionals die hun werk duurzaam kunnen blijven doen. Dit vraagt om het behouden van deskundige professionals binnen de residentiële hulp. Professionals die werken met jongeren en gezinnen in complexe situaties moeten goed worden toegerust om samen met hen en hun netwerk te werken aan toekomstperspectief, relationele veiligheid en een onvoorwaardelijk thuis. Ik ga, samen met gemeenten, zorgaanbieders, professionals en cliëntenorganisaties (de vijfhoek) een landelijk kwaliteitsprogramma opzetten. Dit doen we als vijfhoek met elkaar binnen het netwerk Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL), volgens de structuren vanuit de Hervormingsagenda. Het kwaliteitsprogramma gaat aansluiten bij bestaande kwaliteitsprogramma’s die al lopen, maar waarmee het nog niet lukt om niet alle organisaties en professionals te bereiken. Onderdeel van het kwaliteitsprogramma is in elk geval: Het (door)ontwikkelen en implementeren van minimale kwaliteitseisen voor elke vorm van residentiële jeugdhulp. Dit zorgt voor een gedeeld beeld van de uitgangspunten waaraan goede jeugdhulp moet voldoen. Daarmee wordt ook voor jongeren en hun gezinnen duidelijk wat zij ten minste mogen verwachten van de residentiële jeugdhulp die zij ontvangen. Eén doorlopende leerlijn rondom verklarend analyseren. Om passende residentiële jeugdhulp te kunnen organiseren, is het belangrijk dat er een gedeelde verklarende analyse is voor elk kind of jongere die residentieel wordt geplaatst. Er zijn op dit moment véél verschillende, vergelijkbare instrumenten. De netwerkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) is al gestart met een leerlijn om deze verschillende modellen te integreren. Onderwijs krijgt daarin een vaste plek. De beroepsverenigingen en branches wordt gevraagd om - binnen het netwerk KBL- samen met aanbieders, opleidingen, kennisinstituten, een landelijk ondersteuningsprogramma in te richten voor medewerkers in de residentiële jeugdhulp, voortbouwend op bestaande initiatieven en expertise. Deze aanpak richt zich op het versterken van het vakmanschap in de residentiële jeugdhulp. Stimuleren beschikbaarheid zorg voor jongeren met forensisch profiel Ik constateer dat de ontwikkeling of inkoop van sommige vormen van jeugdhulp het niveau van de jeugdregio ontstijgt. Hiervoor is landelijke of bovenregionale afstemming nodig. Een voorbeeld hiervan is jeugdhulp voor jongeren met een zogenoemd forensisch profiel[voetnoot 10], die vanuit civiel- en/of strafrechtelijk kader hulp nodig hebben. Vanuit gemeenten én zorgaanbieders wordt breed gedragen dat er onvoldoende toereikend aanbod is voor jongeren die in aanraking (dreigen te) komen met het strafrecht. De hulp is versnipperd georganiseerd en sluit onvoldoende aan. De ministeries van VWS en JenV en de VNG leggen daarom binnen het netwerk KBL gezamenlijk het verzoek neer om, samen met aanbieders, professionals, cliëntvertegenwoordigers en kennisinstituten, een voorstel uit te werken voor een ketenaanpak voor jongeren met complexe forensische problematiek. Daarbij is de ambitie om op landelijk niveau kwaliteitsnormen te ontwikkelen en te harmoniseren, en om onderzoek te stimuleren. Er worden bovenregionaal multidisciplinaire netwerken ingericht waarin gemeenten, jeugdhulpaanbieders, onderwijs, de reclassering en andere partners in de zorg- en veiligheidsketen samenwerken. Landelijk wordt deskundigheid ontsloten en toegankelijk gemaakt voor professionals in het veld. Jeugdregio's zorgen binnen deze samenwerking voor de inkoop van passend aanbod dat aansluit bij de regionale behoefte en voldoet aan landelijk vastgestelde kwaliteitsnormen. VWS, JenV en de VNG onderzoeken gezamenlijk de mogelijkheden voor passende bekostiging van deze aanpak, binnen de financiële kaders. Hierbij wordt voortgebouwd op het zorginhoudelijk kader dat afgelopen maanden ontwikkeld is door de Academische Werkplaats Risicojeugd in samenwerking met experts. Tot slot Met de geschetste maatregelen, zowel voor de korte als de (middel)lange termijn, werk ik samen met andere betrokkenen aan een dekkend zorglandschap met een passend onderwijsaanbod voor kinderen en jongeren met complexe problematiek. De problematiek is weerbarstig, maar wij zijn het aan hen verplicht. Dit doen we voor de korte termijn, voor jongeren die nu op in een één-op-één-plaatsing zitten. En zo werken we ook aan meer passende zorg op langere termijn. De minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk Bijlage: voortgang traject en uitvoering van motie die samenhangen met de zorg voor kinderen en jongeren met complexe problematiek Motie Ceder en Tielen over op korte termijn concrete afspraken maken over de rol van aanbieders en hulpverleners bij het bevorderen van de band tussen jeugdigen en hun ouders of verzorgers (Kamerstuk 31839-1010) De motie roept op om, gemeenten en aanbieders te ondersteunen om, de band tussen jongeren en hun ouders/verzorgers te bevorderen en herstellen wanneer jongeren in de gesloten jeugdhulp verblijven. In de veldnormen gesloten jeugdzorg is door de sector vastgelegd hoe ouders en/of verzorgers betrokken worden bij de opname en tijdens het verblijf binnen de gesloten jeugdzorg. Het veld werkt aan een volgende versie van de veldnormen waarbij ik de sector heb verzocht om de normen rond het betrekken van ouders verder te concretiseren. Vanuit het project ‘Ik leer niet alleen’ is samen met de instellingen voor gesloten jeugdzorg een landelijk lerend netwerk ontwikkeld waarin instellingen inzetten op continu leren en verbeteren. Binnen dit netwerk wordt, in samenwerking met ervaringsdeskundige ouders, ook aandacht besteed aan de rol en positie van ouders tijdens een gesloten opname van hun kind. De ervaringen van ouders laten zien hoe belangrijk het is dat ouders tijdens de opname van hun kind voortdurend worden betrokken op een passende manier in alle fasen van het verblijf. Het landelijk lerend netwerk ‘ik leer niet alleen’ gaat daarnaast actief aan de slag met door ontwikkelen van de veldnormen. Ik ga ervan uit dat de instellingen dit lerend netwerk continueren. Vervolg wetswijziging nachtelijke kamerinsluiting In juni 2025 heeft mijn voorganger het voornemen aangekondigd de Jeugdwet te willen wijzigen om de maatregel nachtelijke kamerinsluiting, onder specifieke omstandigheden, mogelijk te maken voor jongeren in de gesloten jeugdhulp wanneer sprake is van een gegrond risico op ernstig gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van andere jongeren of medewerkers.[voetnoot 11] Het afgelopen jaar heb ik intensief gesproken met ervaringsdeskundigen en jeugdhulpaanbieders over de invulling van deze maatregel. Op basis hiervan concludeer ik dat een wetswijziging niet proportioneel is en de onderbouwing van noodzakelijkheid ontbreekt. Ik acht het risico op een glijdende schaal (e.g. de maatregel wordt geleidelijk aan genormaliseerd en vaker ingezet, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een pedagogische nachtdienst en nachtbewaking) te groot. En alhoewel ik zie dat gesloten instellingen financieel onder grote druk staan en kampen met personeelstekort is dat géén reden om nachtelijke kamerinsluiting wettelijk mogelijk te maken. Ik wil hierbij benadrukken dat ik zie én erken dat gesloten instellingen voor een grote opgave staan om passende oplossingen te realiseren voor een zeer beperkte groep jongeren. Het gaat hierbij meestal om jongeren met een forensisch profiel waarbij er sprake is van ronselen of rivaliserende bendes op één groep, of seksueel overschrijdend gedrag. Er is in de afgelopen maanden gewerkt door de Academische Werkplaats Risicojeugd in samenwerking met experts aan het opstellen van een zorginhoudelijk kader, waarin inhoudelijke uitgangspunten en concrete voorwaarden zijn opgenomen voor de ondersteuning van jongeren met een hoog forensisch profiel. Dit zorginhoudelijk kader wordt op korte termijn gepubliceerd, zodat het veld aan de slag kan met deze handvatten. Daarnaast verken ik of het mogelijk is om een landelijke, brede ketenaanpak te ontwikkelen om kennis en expertise over de forensische doelgroep beter te delen. https://www.consortiumkleinschaligheid.nl/ https://www.awrj.nl/projecten/lopende-projecten/ik-leer-niet-alleen/ https://www.igj.nl/documenten/2024/10/25/deelrapport-onvoldoende-goede-en-passende-hulp-aan-jongeren-met-complexe-hulpvragen-in-open-residentieel-aanbod Alle vormen van hulp waarbij jongeren op vrijwillige of gedwongen basis (tijdelijk) dag en nacht buiten hun eigen omgeving verblijven. Hieronder vallen onder meer leefgroepen, behandelgroepen, kamertraining en crisisopvang. https://www.igj.nl/documenten/2024/10/25/deelrapport-onvoldoende-goede-en-passende-hulp-aan-jongeren-met-complexe-hulpvragen-in-open-residentieel-aanbod Kamerstukken II, 2026-2027, 31 839, nr. 1146 Kamerstukken II, 2026-2027, 31 839, nr. 1183 Alhoewel het een eerste beeld geeft, bleken er verschillende interpretaties mogelijk van de definities. Daarnaast bleek dat regio’s moeite hadden om deze informatie uit hun systemen te halen. https://open.overheid.nl/documenten/ca032842-cb2c-482b-ab22-1918a3822d76/file Deze jongeren onderscheiden zich vooral ten opzichte van andere jongeren met gedragsproblemen of multiproblematiek in de gesloten jeugdhulp door: (1) een patroon van herhaald en ernstig delict gedrag (blijkend uit verdenking/veroordeling in het verleden of in een lopend strafproces), en (2) dit ernstige delict gedrag vaak samenhangt met betrokkenheid tot een delinquente vriendengroep en frequent middelengebruik. Ook verharding, antisociale kenmerken en controle verlies bij agressie werden genoemd als onderscheidende kenmerken voor deze doelgroep. Kamerstukken II, 2024-2025, 31839, nr. 1091
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.