KamerkringInloggen
Kamerbrief

Praktijkgerichter onderwijs: kansen voor waardering van talent

25 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 693bad78bd1e9e3b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 497Passend onderwijsNr. 514 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUREN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 juni 2026Onze samenleving en economie worden gevoed door een breed scala vantalenten met een diversiteit aan kennis en vaardigheden. Het onderwijs iseen belangrijke katalysator daarvoor. Het is van belang dat alle scholierengoed kunnen lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast verwachten we dat zehun talenten ontdekken. Daarmee wordt het funderend onderwijs eentalentkatalysator voor alle leerlingen en bouwen we aan het fundamentvoor de grote maatschappelijke uitdagingen, zoals geschetst in deTalentstrategie. Op meerdere manieren wordt praktijkgericht onderwijs algestimuleerd, denk aan het programma Sterk Techniekonderwijs, hetgroeifondsprogramma Techkwadraat en de introductie van de praktijkge-richte vakken in zowel de theoretische leerweg van het vmbo als het havo.Hierdoor krijgt praktijkgericht onderwijs een prominentere plek, brederbinnen het gehele funderend onderwijs, en is deze niet langer beperkt totde beroepsgerichte kant van het vmbo en het praktijkonderwijs. Dit biedtkansen om een versmalling tot theoretische leerprestaties tegen te gaanen meer vaardigheden te ontwikkelen en te waarderen (talentontwik-keling). Het biedt bovendien kansen om leerstof, zoals taal en de anderebasisvaardigheden, in een andere context te oefenen en verdiepen.Deze Kamerbrief is de eerste aanzet tot de richtinggevende visie opberoeps- en praktijkgericht onderwijs waar uw Kamer om vroeg.1 In dezeKamerbrief wordt, zoals toegezegd aan uw Kamer,2 ingegaan op (1) destand van zaken rond praktijkgericht onderwijs, (2) wat dit kabinet al doetom praktijkgericht onderwijs te versterken en (3) welke vervolgstappengenomen worden. Daarnaast kom ik in deze brief ook terug op tweeandere toezeggingen aan uw Kamer: de eindmonitor van de pilot1Motie Kamerstuk 30 079, nr. 136 lid Stoffer tweeminutendebat praktijkonderwijs en vmbo van10 juni 2026.2TZ202604-164, toezegging gedaan bij het commissiedebat pro/mbo van 22 april 2026. kst-31497-514ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5141 praktijkgerichte programma’s in de gemengde en theoretische leerweg,3en de rol van de experimenten in de verkenning naar een toekomstgerichtvmbo.41. Praktijkgericht onderwijs: groot potentieel met te weinigimpact Het funderend onderwijs is een oefenplaats voor talent. Daar krijgenleerlingen bij uitstek de kans om te ontdekken wie ze willen zijn en welkevaardigheden ze hebben. Ook voor de uitdagingen in onze samenleving,zoals bijvoorbeeld de veranderende economie of arbeidsmarkt, is hetcruciaal dat we een brede stimulans geven aan alle talent en leerpres-taties. Hierin zijn basisvaardigheden cruciaal: leren lezen, schrijven enrekenen legt de basis voor al het verdere onderwijs. Maar daar stopt hetniet, op die basis bouwen leerlingen verder aan kennis, vaardigheden entalenten die ze nodig hebben voor hun toekomst. Praktijkgericht onderwijsbiedt daarbij kansen om basisvaardigheden aan te leren en te versterkenin een andere context, kennis en vaardigheden te verwerven en toe tepassen. Daardoor leren leerlingen zichzelf en hun omgeving beter kennen.De onderwaardering van praktijkgerichte prestaties, opleidingen endiploma’s is de afgelopen jaren meermaals aan de orde geweest.5 Ook nuheeft uw Kamer tijdens een recent commissiedebat een lans gebrokenvoor meer waardering voor praktijkgericht onderwijs.6 Hoewel dit eenmaatschappelijk vraagstuk is dat het onderwijs ontstijgt, zien we dezeonderwaardering voor praktijkgerichte prestaties weerspiegeld in hetfunderend onderwijs. Juist het onderwijs zelf kan hier verandering inaanbrengen door andere keuzes te maken in het lesaanbod, de lesactivi-teiten, de manier waarop we leerprestaties meten en waarderen en demanier waarop we de leerroutes in de onderbouw inrichten. Praktijkge-richt onderwijs kan een breder beeld geven van leerprestaties en daarmeede disbalans in het onderwijs verminderen.1.1 Wat is praktijkgericht onderwijs? Praktijkgericht onderwijs wordt gedefinieerd als één van de manierenwaarop de bestaande leerdoelen, kerndoelen en eindtermen, kunnenworden gehaald en aangetoond. Een voorbeeld hiervan kan zijn dat dewoorden voor Engels of Duits in een praktijksituatie, zoals een gesprek ineen winkel, worden geoefend maar ook beoordeeld. Of een toets overgrafieken bij wiskunde die wordt vervangen door een praktische opdracht,waarbij leerlingen bijvoorbeeld reactiesnelheid in beeld brengen, alsafsluiting van het hoofdstuk. Dit stelt leerkrachten en leerlingen in staatom een breed beeld van talent en interesse te vormen (bijv. op het gebiedvan creativiteit, praktische vaardigheden of onderzoeksvaardigheden),maar ook om andere vaardigheden in te zetten om leerstof te verwerven.Praktijkgericht onderwijs kan daarmee een toegevoegde waarde hebbenin álle schoolsoorten, van praktijkonderwijs en het vmbo tot en met hetgymnasium. De definitie is:73TZ202406-063, toezegging gedaan bij het commissiedebat vmbo van 27 juni 2024.4TZ202604-164, toezegging gedaan bij het commissiedebat pro/vmbo van 22 april 2026.5Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 697 en Kamerstukken II, vergaderjaar2023–2024, 30 079, nr. 122.6Commissiedebat praktijkonderwijs en vmbo, 22 april 2026; motie Kamerstuk 30 079, nr. 130 lidErgin (DENK) tweeminutendebat praktijkonderwijs en vmbo van 10 juni 2026 over meerwaardering van praktijkexamens.7Zie voor een uitgebreide toelichting: Praktijkgericht onderwijs: overzicht en vervolgstappen.Adviesbureau Toetsinnovatie, 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5142 Praktijkgericht onderwijs is in het curriculum ingebed onderwijs, waarbijleerlingen activiteiten uitvoeren binnen een maatschappelijk- of professi-oneel gerichte context, die hen combinaties van -al eerder ontwikkelde ennieuwe- (praktijkgerichte) vaardigheden en kennis laat toepassen enverwerven waarmee zij een breed beeld van hun talenten en interesseskrijgen.Het gaat om onderwijsactiviteiten die ingebed zijn in het curriculum;activiteiten die bedoeld zijn om leerdoelen te halen. Bestaandevoorbeelden hiervan zijn het (techniek)onderwijs in het beroepsgerichtevmbo, de praktijkgerichtere vakken in het vmbo, havo en vwo of hetprofielwerkstuk. Maar in feite kunnen in elk vak de basisvaardigheden,theorie uit avo-vakken en vaardigheden toegepast en verdiept worden ineen maatschappelijke of professionele context. Praktijkgericht onderwijs isdaarmee praktisch, want het is gericht op de praktijk én op het verwervenen toepassen van kennis en vaardigheden in een realistische context.Daarnaast helpt praktijkgericht onderwijs met het verkennen van demaatschappelijke en professionele context waarmee een breder beeldontstaat van talent en interesse. Keuzes voor vervolgonderwijs kunnendaardoor beter gemaakt worden. Het beter inzetten van praktijkgerichtonderwijs kan daarmee bijdragen aan talentontwikkeling van leerlingenen betere leerprestaties.1.2 Praktijkgericht onderwijs wordt gewaardeerd maar telt nog te weinigmee In een groot deel van het funderend onderwijs ligt de nadruk op eenrelatief smalle set van goed meetbare (cognitieve) leerprestaties die opeen specifieke manier in beeld worden gebracht.8 Daarmee ontstaat hetrisico op versmalling tot deze specifieke prestaties, wat zorgt voor eendisbalans in waardering. Deze disbalans werkt ook door in de inrichtingvan het stelsel, waarbij de leerroutes een oplopende complexiteit intheoretische vaardigheden kennen en praktijkgericht onderwijs wordtgekoppeld aan specifieke leerroutes in het vmbo en praktijkonderwijs. Ditheeft impact op de waardering van de leerroutes maar werkt ook door inhet onderwijsprogramma en de manier waarop leerprestaties in beeldworden gebracht en meegeteld op bepalende momenten.Om beter zicht te krijgen op de positie van praktijkgericht onderwijs heeftOCW in 2025 onderzoek laten uitvoeren bij scholen voor primair envoortgezet onderwijs.9 De resultaten laten zien dat veel scholen praktijkge-richte activiteiten inzetten en de meerwaarde zien, maar dat de verbindingaan leerdoelen of het systematisch beoordelen achterblijft bij andere(cognitieve) leerprestaties. Hoewel leerkrachten en leerlingen praktijkge-richte activiteiten waarderen vanwege de didactische en pedagogischemeerwaarde is de inzet vaak incidenteel van karakter. Dit geldt uiteraardniet voor de beroepsgerichte en praktijkgerichte vakken in de bovenbouwvan het voortgezet onderwijs of goede voorbeelden zoals het profiel-werkstuk of een taaldorp. Bij deze vakken is praktijkgericht onderwijsvoorwaardelijk voor de eindtermen en de beoordeling van het vak.Buiten deze vakken en voorbeelden blijft echter de verbinding vanpraktijkgerichte prestaties aan leerdoelen in het curriculum of hetsystematisch beoordelen van praktijkgerichte activiteiten achter bijtheoretische prestaties die wel verbonden zijn aan leerdoelen. In dit kader8Zie bijvoorbeeld Onderwijsraad (2016). De volle breedte van onderwijskwaliteit. Den Haag:Onderwijsraad; Onderwijsraad (2018). Toets wijzer. Den Haag: Onderwijsraad.9Rapport «Praktijkgericht onderwijs; stand van zaken en kansen om verder te komen». Oberon(2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5143 heeft Citolab een prototype ontwikkeld dat het mogelijk maakt om groei invaardigheden zichtbaar te maken.10 Het prototype laat zien dat hetmogelijk is om groei op vaardigheden in beeld te brengen maar dat ernog veel doorontwikkeling nodig is voordat dit in een gewone klas kanplaatsvinden.1.3 Een disbalans in het stelsel De onderzoeken laten zien dat praktijkgericht onderwijs en praktijkgerichtevaardigheden structureel te weinig waardering krijgen. Het laat bovendienzien dat dit geen gebrek aan waardering is van betrokken leerkrachten ofouders, maar eerder een disbalans in het stelsel weergeeft. Factoren diezorgen voor minder status zijn de missende koppeling met leerdoelen inhet curriculum, de benodigde voorbereidingstijd en expertise, deuitdagingen bij toetsing of beoordeling van leerprestaties – het laten zienvan groei – op praktijkgerichte vaardigheden en het ontbreken van eensystematische rol van praktijkgericht onderwijs bij de beoordeling vanleerprestaties. Dit geldt vooral als er beslissingen worden genomen overhet vervolgtraject van een leerling, zoals in de overgang po-vo of deovergang van de onderbouw naar de bovenbouw van het vo. Dat leidtertoe dat praktijkgericht onderwijs in de ogen van leerkrachten, ouders enleerlingen «niet echt meetelt». Zoals eerder genoemd zijn er uitzonde-ringen, zoals de praktijkgerichte vakken in vmbo gl/tl en havo, anderevakken waarin praktijkgericht werken een belangrijk onderdeel is ofscholen die praktijkgericht werken in hun onderwijs verwerken. Het isbelangrijk om die kennis en kunde in het vervolgtraject te betrekken enbeschikbaar te maken voor scholen die praktijkgerichter willen werken.2. Wat doen we al om praktijkgericht onderwijs te versterken? Om meer verbinding te creëren tussen praktijkgericht en theoriegerichtonderwijs werkt OCW in verschillende trajecten maatregelen uit ompraktijkgericht onderwijs en technische vaardigheden te versterken.Daardoor ontstaat meer aanbod van praktijkgericht onderwijs, zoals metde praktijkgerichte vakken, in het gehele funderende onderwijs.2.1 Vmbo: beroepsgerichte vakken en de praktijkgerichte vakken In de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg wordtgewerkt aan de doorontwikkeling van de beroepsgerichte vakken.Daarvoor zijn drie experimenten gestart (zie bijlage 1 voor verdereinformatie en de stand van zaken). Het doel van deze experimenten is ominzicht te krijgen in de mate waarin een school een flexibele inrichting vanhet beroepsgerichte vak in het vmbo aankan. Tevens is het belangrijk teonderzoeken wat bij het aanbieden van een flexibel model door scholenen leerlingen wordt gezien als minimale basiskennis en basisvaardig-heden in de beroepsgerichte context. Ten slotte vragen de experimentende deelnemende scholen om na te denken over het regionale aanbod ende regionale samenwerking.In de gemengde (gl) en theoretische leerweg (tl) is het praktijkgerichtprogramma (gl) en het praktijkgerichte vak (tl) toegevoegd. Het doel vanhet praktijkgerichte vak is om met praktische en realistische opdrachtenvoor opdrachtgevers van buiten de school kennis, vaardigheden enervaringen op te doen en daarmee ook een betere oriëntatie te krijgen opde wereld om leerlingen heen. Hiervoor heeft tussen 2020 en 2025 eenpilot plaatsgevonden waarin het zogenaamde praktijkgerichte10Rapport «Waardering praktijkgericht onderwijs III». Oberon (2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5144 programma11 (pgp) binnen de gemengde en theoretische leerweg van hetvmbo is ontwikkeld en uitgeprobeerd.12, 13 De betrokken scholen gevenaan dat het pgp-leerlingen een andere manier van leren biedt, waarin zijmeer ruimte krijgen voor zelfstandig en praktijkgericht werken, een beterzelfbeeld ontwikkelen, zich beter voorbereiden op het vervolgonderwijs enmeer leerplezier en motivatie krijgen.Leerlingen kunnen in de praktijkgerichte vakken lees- en rekenvaardig-heden oefenen waardoor de basisvaardigheden versterkt worden. Ookhebben zij verschillende generieke vaardigheden kunnen oefenen, zoalssamenwerken, communiceren en zelfstandig werken. Leraren waarderenhet dat zij zelf vorm kunnen geven aan het pgp (met eigen opdrachten ennetwerken) omdat er veel ruimte is voor een eigen invulling door deschool.14 Scholen geven aan hierdoor meer in te kunnen spelen op debehoefte van leerlingen. Al met al is deze ervaring met praktijkgerichtonderwijs in de vorm van een praktijkgericht vak, dat inmiddels in hetcurriculum van de gl en tl een vaste plek als examenvak heeft gekregen,positief gebleken, en gaan steeds meer scholen verder met het aanbiedendaarvan in hun onderwijs.15 Er lijkt institutionalisering van het vak binnende schoolorganisatie gaande.Om deze praktijkgerichte vakken in de gl/tl verder te versterken stelt OCWextra structurele aanvullende bekostiging beschikbaar voor praktijkge-richte vakken in de theoretische leerweg. In de Voorjaarsnota zijn dezemiddelen toegevoegd aan het begrotingsartikel 3 (voortgezet onderwijs)van de OCW-begroting. Dit betekent dat een school een aanvullendebekostiging krijgt voor elke leerling in de theoretische leerweg die eenpraktijkgericht vak kiest in het vrije deel. Nadat de Eerste en TweedeKamer hebben ingestemd met de 1e suppletoire begroting van OCW zalOCW de benodigde aanpassingen per ministeriële regeling uitwerken omdeze aanvullende bekostiging voor scholen vanaf schooljaar 2028–2029 tekunnen verstrekken.2.2 Havo en vwo: praktijkgericht onderwijs in alle schoolsoorten van hetvo Voor het havo worden vanaf 2026–2027 ook praktijkgerichte vakkenmaatschappij en technologie (in een kleine en in een grote variant)toegevoegd, zodat leerlingen deze praktijkgerichte vakken als volwaardigexamenvak kunnen afronden.16 Hiervoor komt vanaf 2027 tevensstructurele aanvullende bekostiging per deelnemende leerlingbeschikbaar. Daarmee zijn er beroepsgerichte en praktijkgerichte vakkenvan de basisberoepsgerichte leerweg tot en met het havo mogelijk. Voorhet vwo wordt nader onderzocht wat de rol van praktijkgericht onderwijsin deze leerroute kan zijn. Zowel voor het havo als vwo wordt daarbij ookonderzocht in hoeverre bestaande vakken een vergelijkbare praktijkcom-ponent hebben als de nieuwe praktijkgerichte vakken. Als de uitkomstenvan het onderzoek positief zijn kijken we naar passende randvoorwaardenvoor verschillende typen vakken.11Sinds enkele jaren wordt het praktijkgericht programma (pgp) ook wel praktijkgericht vak (pgv)genoemd. In de pilot was de vakbenaming praktijkgericht programma gangbaar.12Zie meer over de pilot in de nota van toelichting van Stb. 2024, 137.13Dit eindrapport en de voorgaande tussenrapportages zijn ook te vinden op https://www.nko.nl/onderzoeksprojecten/monitor-en-evaluatie-pilots-nieuwe-leerweg-vmbo-2021-2025.14Hoewel het in het begin van de pilot nog zoeken was naar de ruimte (ten opzichte van hetexamenprogramma); die ruimte is op de meeste scholen in 2025 gevonden.15Stb. 2024, nr. 137.16Stb. 2026, nr. 71.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5145 2.3 Praktijkgericht techniekonderwijs in het funderend onderwijs In drie andere trajecten wordt gewerkt aan het stimuleren van (praktijkge-richt) techniekonderwijs in het funderend onderwijs. Zo wordt in hetprogramma Sterk Techniekonderwijs (STO) hard gewerkt om hetregionale techniekaanbod in het vmbo van kwalitatief hoog niveau tehouden. Door de samenwerking tussen scholen en regionalembo-instellingen en regionale bedrijven lukt het om meervmbo-leerlingen in aanraking te laten komen met technische vaardig-heden en technische vakinhoud. Tegelijk zien we dat hier nog groeimogelijk én nodig is. Het tweede programma waarin gewerkt wordt aan(technische) vaardigheden en het ontdekken van talent en interesse voortechnologie is het Groeifondsprogramma Techkwadraat. Via ditprogramma krijgen leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs dekans om de wereld van technologie en bèta-techniek te ontdekken en tewerken aan praktische en technische vaardigheden. Tot slot heeft OCW deSkills vakwedstrijden uitgebreid van vmbo naar het hele voortgezetonderwijs (inclusief praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs),ook hier krijgen leerlingen de kans om in aanraking te komen metpraktijkgerichte vaardigheden en kennis.3. Inzet om praktijkgericht onderwijs verder te versterken Een bredere impact van praktijkgericht onderwijsZoals hierboven geschetst wordt er in een heel aantal trajecten hardgewerkt om praktijkgericht en technisch onderwijs te versterken. Om deverbinding tussen praktijkgericht, technisch en theoretisch onderwijs teversterken is een breder scala aan leerprestaties en vaardighedennoodzakelijk. De rol van praktijkgericht onderwijs bij het halen vanleerdoelen, kerndoelen en eindtermen, in het gehele onderwijspro-gramma heeft daartoe meer uitwerking en inbedding nodig. Dit betekentuiteraard niet dat basisvaardigheden of theoretische leerstof enverwerking minder aandacht krijgen. Integendeel, uit de onderzoekenkomt naar voren dat door praktijkgerichter onderwijs een bewuste enmeer systematische plaats te geven in het onderwijsprogramma, juistkansen ontstaan om ook de basisvaardigheden te verstevigen, verdiepenen aan te tonen in een andere context. Op die manier ontstaat bovendienruimte voor waardering van andere kennis, vaardigheden en houdingenen daarmee bredere talentontwikkeling.Vervolgstap: samen werken aan praktijkgericht(er) onderwijsHet Ministerie van OCW gaat samen met het onderwijsveld kijken wat ernodig is om praktijkgericht onderwijs tot een succes te maken en teborgen in de dagelijkse praktijk van scholen. Centraal daarbij staan: demeerwaarde die ontstaat voor het halen van de leerdoelen, kerndoelen eneindtermen; de kansen en beperkingen, de organisatorische uitdagingen,de benodigde kennis en de randvoorwaarden. Hiervoor gaan we ingesprek met het onderwijsveld, belangenbehartigers, bedrijven dieervaring hebben met praktijkgerichte vakken, wetenschappers enprofessionals met relevante kennis. Hierbij worden ook scholen oforganisaties betrokken die al veel ervaring hebben met praktijkgerichtwerken en op dit gebied expertise en ervaring kunnen delen. In dit kaderzet OCW ook het (eerder aangekondigde) leertraject voort met twaalfvo-scholen, om de impact van praktijkgerichter werken in de onderbouwvan het vo te onderzoeken.1717Kamerbrief II, vergaderjaar 2023–2024, 30 079, nr. 122.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5146 Daarnaast gaat OCW verder met het onderzoeken van de effectiviteit vanhet behalen van kerndoelen, eindtermen en lesdoelen en het verdiepenvan eerder aangeleerde kennis en vaardigheden door praktijkgerichter tewerken. Tevens gaan we verder met het onderzoeken van mogelijkhedenom groei op praktijkgerichte vaardigheden systematischer in beeld tebrengen en welke vaardigheden en praktijkgerichte kennis doorstroomre-levant zijn voor het mbo, hbo en wo. Tot slot wordt ook gekeken naar deinvloed van huidige wet- en regelgeving en beleid op de mogelijkhedenvoor scholen om meer praktijkgericht onderwijs te bieden en de impactdie een versterkte rol van praktijkgericht onderwijs heeft op het stelsel. Eris immers ook geconstateerd dat de disbalans in waardering effect heeftop het stelsel. Een gelijke waardering van alle prestaties vergt eenheroverweging van de huidige manier waarop leerlingen gegroepeerdworden in het voortgezet onderwijs. Tevens roept het de vraag op welkeleerprestaties mogen leiden tot welke vervolgmogelijkheden en watdaarin de rol van de leerroutes in het vmbo is. Voordat deze vragen gaanspelen zullen eerst de hierboven beschreven stappen uitgewerkt moetenzijn. De antwoorden op die vragen zijn immers van belang om de jongegeneraties van nu voor te bereiden op de economie en samenleving vande toekomst.Tot slot Het ten volle ontwikkelen van talent en alle leerprestaties is belangrijkvoor scholieren zelf, maar ook voor onze samenleving en economie. Ookmet het oog op de uitdagingen rondom de veranderende economie en deopdracht van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart enVestigingsklimaat en de Talentstrategie, waarover uw Kamer binnenkortnader geïnformeerd wordt.Praktijkgerichter onderwijs speelt een essentiële rol bij het voorbereidenvan onze jongeren op deze veranderende economie. De impact vanpraktijkgerichter werken op de onderwijspraktijk wordt steeds duidelijker,net als de randvoorwaarden, kennis, materialen en voorbeelden die nodigzijn om scholen te ondersteunen. Ik wil dat elke leerling onderwijs krijgtdat in staat is om hoofd (kennis en vaardigheden) en handen (toepassen)in een goede balans te combineren tot een hoogwaardig onderwijspro-gramma, waarmee zij hun brede talenten en passie kunnen ontdekken(hart). Hiermee ontstaat onderwijs dat leerlingen kennis en vaardighedenleert die zij na hun schooltijd in het vervolgonderwijs en in demaatschappij kunnen gebruiken, met een brede waardering voor alletalenten.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,J.Z.C.M. TielenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5147 EXPERIMENTEN IN DE BEROEPSGERICHTE VAKKEN IN BASIS- ENKADERBEROEPSGERICHTE LEERWEGOCW werkt aan het toekomstbestendig maken van het vmbo. Dit gebeurtaan hand van drie pijlers: een sterk curriculum, een flexibele organisatieen een regionale dekking en samenwerking. Deze pijlers worden niet losvan elkaar ontwikkeld, maar zijn verstrengeld en afhankelijk van elkaar.OCW kiest in de verkenning naar een toekomstbestendig vmbo bewustvoor een iteratief proces, waarbij zij samen met scholen onderzoekt watde basis is voor elke leerling, op welke wijze de leerling gebruikmaakt vande flexibiliteit zodat deze in verschillende contexten zijn eigen talenten kanontdekken en ontwikkelen én op welke wijze scholen kunnen samen-werken met elkaar, het bedrijfsleven en vervolgonderwijs, om dit aanbodzo passend mogelijk te maken. De zoektocht naar de juiste basis raakt aande vraag die gesteld wordt bij de hierboven genoemde tweedevervolgstap: welke kennis en vaardigheden moeten worden aangeleerd inhet funderend onderwijs om te slagen in het vervolgonderwijs? Ook raaktde verkenning het traject van praktijkgericht onderwijs op het gebied vanregionale samenwerking: bedrijven, instellingen en vervolgonderwijskunnen de maatschappelijk of professioneel gerichte context vormenwaarin leerlingen praktijkgerichte kennis en vaardigheden verwerven entoepassen.Naast de gesprekken en samenwerking met de keten van SLO, CvTE enCito, werkt OCW ook actief samen met scholen middels experimenten. Hetgaat daarbij om de volgende experimenten:a)Drie experimenten met combinatieprofielen: PIE/BWI(eventueelaangevuld met M&T); Z&W/HBR en Z&W/E&O;b)Een experiment over de inhoudelijke vernieuwing van het profiel M&T;c)Een experiment over het praktijkgerichte vak MVI in de basis- enkaderberoepsgerichte leerweg.Mede aangewakkerd door de opgebouwde samenwerking tussen detechnische profielen binnen Sterk Techniekonderwijs, is in 2023 aan eenbeperkte groep scholen de mogelijkheid geboden af te wijken van dereguliere profielenstructuur. Dit geldt voor de technische profielencombi-naties PIE/BWI (met een enkele uitbreiding naar het profiel M&T).Leerlingen mogen afwijken van de reguliere voorgeschreven combinatievan een beroepsgericht profiel bestaande uit vier profielmodules en vierberoepsgerichte keuzevakken. De leerlingen kiezen in het experiment tweeprofielmodules en zes keuzevakken. Hierdoor is er voor de leerling en deschool meer gelegenheid zich flexibeler en breder te oriënteren of juist tespecialiseren richting een passende vervolgopleiding. Een tussenrap-portage van de monitor die is uitgezet om het experiment PIE/BWI tevolgen is in november aan uw Kamer aangeboden. Dit experiment wordtvanaf het schooljaar 2026–2027 uitgebreid met de een aantal dienstverle-nende profielen, te weten de combinaties Z&W/HBR en Z&W/E&O. Ookdeze uitbreiding wordt gemonitord door onderzoekers. In totaal experi-menteren zo’n vijftig scholen een flexibel beroepsgericht profiel.Voor het profiel Mobiliteit en Transport is een kleine groep scholen degelegenheid gegeven om binnen een flexibele structuur met inhoudelijkevernieuwing aan de slag te gaan. Deze vernieuwing is mede aange-wakkerd door de noodzakelijke veranderingen in de sector, met name ophet gebied van elektrificatie.Tot slot heeft het platform voor het profiel Media, ICT en Vormgevingaangegeven graag een praktijkgericht vak voor de basis- en kaderberoeps-gerichte leerweg te willen ontwikkelen. Voorlopig zal dit experiment zichbeperken tot één school.BIJLAGE 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 497, nr. 5148

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1739822262accfcf

14 okt 2026 · 404b280cfe19f350

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.