KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

18 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 47f6439f7eff504b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 906Wijziging van de Boeken 6 en 7 van hetBurgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuwBurgerlijk Wetboek ter implementatie vanRichtlijn (EU) 2024/2853 van het EuropeesParlement en de Raad van 23 oktober 2024inzake aansprakelijkheid voor gebrekkigeproducten en tot intrekking van Richtlijn85/374/EEG van de Raad (Implementatiewetrichtlijn herziening productaansprakelijkheid)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I. ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding Dit wetsvoorstel, dat mede namens de Minister van Economische Zakenwordt ingediend, strekt tot implementatie van de Richtlijn herzieningproductaansprakelijkheid (hierna: de Richtlijn).1 De Richtlijn is op18 november 2024 gepubliceerd (in publicatieblad L) en op 8 december2024 in werking getreden. De Richtlijn moet uiterlijk op 9 december 2026zijn omgezet in het nationale recht. Dit wetsvoorstel bevat wijzigingen vande Boeken 6 en 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Overgangswetnieuw Burgerlijk Wetboek. Het voorstel bevat uitsluitend regels dienoodzakelijk zijn voor de implementatie.2 Daarbij is gekozen voor deimplementatiewijze die de minste lasten oplegt aan het bedrijfsleven.3In paragraaf 2 wordt stilgestaan bij de achtergrond, totstandkoming eninhoud van de Richtlijn, waarna in paragraaf 3 de wijze van implementatiewordt beschreven. Vervolgens wordt in paragraaf 4 aandacht besteed aande verwachte gevolgen voor burgers, het bedrijfsleven en de rechtspraak.Paragraaf 5 gaat in op de verwachte financiële gevolgen van ditwetsvoorstel. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de adviezen en consul-tatie. Tot slot is paragraaf 7 gewijd aan het overgangsrecht en deinwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Na het algemene deel van detoelichting is een artikelsgewijze toelichting opgenomen. De bijlage bij dememorie van toelichting bevat een transponeringstabel, waaruit blijkt ofen hoe de afzonderlijke bepalingen van de Richtlijn zijn of wordengeïmplementeerd.1Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzakeaansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van deRaad.2Artikel 9.4 Aanwijzingen voor de regelgeving (zuivere implementatie).3Artikel 9.5 Aanwijzingen voor de regelgeving (lastenluwe implementatie). kst-36906-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 31 2. De Richtlijn: de belangrijkste inhoudelijke punten 2.1 Achtergrond: de richtlijn productaansprakelijkheid uit 1985 De huidige richtlijn productaansprakelijkheid (hierna: Richtlijn 85/374)4dateert uit 1985 en voorziet in een harmonisatie van de regels over deaansprakelijkheid voor gebrekkige producten. Richtlijn 85/374 heeft alsdoel bij te dragen aan een goede werking van de interne markt, onver-valste mededinging en een hoger niveau van consumentenbescherming.Productaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid. Dit houdt in dat ersprake is van aansprakelijkheid van de producent, zonder dat sprake hoeftte zijn van schuld of verwijtbaarheid met betrekking tot het ontstaan vanhet gebrek of de schade. Een benadeelde dient alleen te bewijzen datsprake is van schade, een gebrekkig product en een oorzakelijk verbandtussen het gebrek en de schade.5 Een risicoaansprakelijkheid van deproducent werd gezien als de enige manier om te komen tot een eerlijkeverdeling van risico’s die inherent zijn aan moderne technologischeproductie.6Op grond van Richtlijn 85/374 is een product gebrekkig als het niet deveiligheid biedt die het grote publiek mag verwachten. Of aan dezeobjectieve maatstaf is voldaan, moet worden beoordeeld aan de hand vanalle omstandigheden van het geval. Dit betreft onder meer de presentatievan het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik en het tijdstipwaarop het product in het verkeer is gebracht.7 Een benadeelde kan opgrond van Richtlijn 85/374 een schadevergoeding vorderen voor schadedoor overlijden of lichamelijk letsel (bijvoorbeeld begrafeniskosten,medische kosten en gederfde inkomsten) en schade aan andere zaken danhet product zelf (zaakschade).8 Voor zaakschade geldt dat het moet gaanom zaken die gewoonlijk voor gebruik of verbruik in de privésfeer zijnbestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer zijngebruikt of verbruikt. Bovendien geldt daarvoor een zogenoemdefranchise van 500 Ecu (European Currency Unit).9 10 Dit betekent datzaakschade lager dan € 500,– niet op grond van de richtlijn kan wordenvergoed.4Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van dewettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voorprodukten met gebreken (PB L 210 van 7.8.1985, p. 29) (hierna: Richtlijn 85/374/EEG). Dezerichtlijn is nadien op één punt gewijzigd: voorheen konden de lidstaten de toepassing van deproductaansprakelijkheid voor landbouwproducten en producten van de jacht uitsluiten, maarsinds 4 december 2000 is dat niet meer mogelijk. Ook deze producten vallen dus onder hettoepassingsbereik van de richtlijn. Zie Richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en deRaad van 10 mei 1999 tot wijziging van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad betreffende deonderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzakede aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 141 van 4.6.1999, p. 20–21). Zie ookWet van 29 november 2000 tot wijziging van de regeling van de productenaansprakelijkheid inhet Burgerlijk Wetboek in verband met uitbreiding tot landbouwproducten (Stb. 2000, 493).5Zie artikel 4 van Richtlijn 85/374/EEG.6Zie de overwegingen bij Richtlijn 85/374/EEG: «Overwegende dat alleen wanneer de producentookbuiten schuld aansprakelijk wordt gesteld, een passende oplossing kan worden gevonden voorhet aan onze tijd van voortschrijdende techniek eigen probleem, waarbij het gaat om eenrechtvaardige toewijzing van de met de moderne technische produktie samenhangenderisico’s;».7Zie artikel 6 van Richtlijn 85/374/EEG.8Schade aan het gebrekkige product zelf wordt vaak aangeduid als «transactieschade». Deschadesoorten in artikel 6 van Richtlijn 85/374/EEG worden tezamen ook wel aangeduid als«gevolgschade».9Op 1 januari 1999 verving de euro de ECU, waarbij 1 euro een tegenwaarde van ongeveer 1ECU had. Bij Wet van 27 september 2001 tot aanpassing van wetten in verband met devervanging van de gulden door de euro (Aanpassingswet euro) (Stb. 2001, 481) werd devroegere franchise van , 1263,85 per 1 januari 2002 omgezet in € 500.10Zie artikel 9 van Richtlijn 85/374/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 32 De benadeelde kan zowel de fabrikant van het gebrekkige eindproduct alsde fabrikant van een gebrekkig onderdeel aansprakelijk stellen voor dedoor hem geleden schade.11 Ook de importeur van het gebrekkige productof gebrekkige onderdeel kan op grond van Richtlijn 85/374 als«producent» aansprakelijk worden gesteld.12 Als niet kan wordenvastgesteld wie de producent van het product is, wordt elke leveranciervan het product als de producent ervan beschouwd. De leverancier isechter niet aansprakelijk op grond van de richtlijn als hij de benadeeldebinnen een redelijke termijn de identiteit meedeelt van de producent ofvan zijn eigen leverancier.13 Als er op grond van de richtlijn verschillendepersonen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, kan de benadeeldekiezen wie hij aanspreekt voor de volle omvang van zijn schade (hoofde-lijke aansprakelijkheid).14 Het is vervolgens aan de aangesproken persoonom de schade die hij heeft vergoed geheel of gedeeltelijk op eenmedeaansprakelijke persoon te verhalen (regres).De producent kan zich bevrijden van aansprakelijkheid als hij het bestaanvan hem ontlastende feiten bewijst (vrijstellingsgronden).15 Zo is deproducent bijvoorbeeld niet aansprakelijk als hij bewijst dat het gebrekniet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer heeftgebracht of dat dit gebrek na dat tijdstip is ontstaan.16 De producent isevenmin aansprakelijk als hij bewijst dat het op grond van de stand vande wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij hetproduct in het verkeer bracht onmogelijk was het bestaan van het gebrekte ontdekken.17 Dit wordt ook wel het «ontwikkelingsrisicoverweer»genoemd. De risicoaansprakelijkheid van de producent is daarnaastbeperkt in de tijd. De rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart driejaar nadat de benadeelde kennis kreeg of had moeten krijgen van deschade, het gebrek en de identiteit van de producent.18 Daarnaast bevatRichtlijn 85/374 een vervaltermijn van tien jaar nadat het product in hetverkeer is gebracht.19 Zijn deze termijnen verstreken, dan kan debenadeelde geen schadevergoeding meer vorderen op grond van derichtlijn.Richtlijn 85/374 doet geen afbreuk aan de rechten die een benadeeldeontleent aan nationale regels over contractuele of buitencontractueleaansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van een product.20Dit betekent dat die richtlijn er niet aan in de weg staat dat eenbenadeelde een vordering instelt op grond van onrechtmatige daad(schuldaansprakelijkheid). Deze mogelijkheid is met name van belang inverband met de verjarings- en vervaltermijnen in de richtlijn. Wanneerdeze termijnen zijn verstreken, kan de benadeelde geen vordering meerinstellen op grond van de regeling van de productaansprakelijkheid. Ofeen vordering op grond van onrechtmatige daad nog wel mogelijk is, isafhankelijk van het nationale recht. De benadeelde zal in dat geval welaannemelijk moeten maken dat er sprake is van schuld of verwijtbaarheid(«toerekenbaarheid») van de producent.11Zie artikel 3 lid 1 van Richtlijn 85/374/EEG.12Zie artikel 3 lid 2 van Richtlijn 85/374/EEG.13Zie artikel 3 lid 3 van Richtlijn 85/374/EEG.14Zie artikel 5 van Richtlijn 85/374/EEG.15Zie artikel 7 van Richtlijn 85/374/EEG.16Zie artikel 7, onderdeel b, van Richtlijn 85/374/EEG.17Zie artikel 7, onderdeel e, van Richtlijn 85/374/EEG.18Zie artikel 10 van Richtlijn 85/374/EEG.19Zie artikel 11 van Richtlijn 85/374/EEG.20Zie artikel 13 van Richtlijn 85/374/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 33 2.2 Aanleiding en doelstellingen van de Richtlijn Uit de preambule van de Richtlijn volgt dat, hoewel Richtlijn 85/374 eendoeltreffend en belangrijk instrument is geweest, deze is herzien in hetlicht van de opkomst van nieuwe (digitale) technologieën, waaronderkunstmatige intelligentie (AI), nieuwe bedrijfsmodellen voor de circulaireeconomie en nieuwe mondiale toeleveringsketens. Deze ontwikkelingenhebben geleid tot inconsistenties en rechtsonzekerheid over detoepassing van Richtlijn 85/374, met name met betrekking tot de betekenisvan het begrip «product». Daarnaast is uit de ervaring met de toepassingvan die richtlijn gebleken dat benadeelden moeilijkheden ondervinden bijhet verkrijgen van schadevergoeding. Dit komt door beperkingen op hetinstellen van vorderingen tot schadevergoeding en bewijsproblemen. Ditspeelt met name in technisch en wetenschappelijk complexe zaken (zieoverweging 3). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan zaken overmedicijnen, «smart products» en AI.21Uit de preambule volgt verder dat de herziening van Richtlijn 85/374 alsdoel heeft de uitrol en invoering van nieuwe technologieën, waaronder AI,aan te moedigen. Tegelijkertijd moet de herziening ervoor zorgen datconsumenten en andere natuurlijke personen hetzelfde hoge niveau vanbescherming genieten, ongeacht de betrokken technologie. Daarnaastzouden alle bedrijven voordeel moeten halen uit meer rechtszekerheid eneen gelijk speelveld (zie overweging 3). Met de herziening is beoogd tezorgen voor samenhang en consistentie met de wetgeving inzakeproductveiligheid en markttoezicht op Unie- en nationaal niveau.Daarnaast zijn basisbegrippen en -concepten verduidelijkt om samenhangen rechtszekerheid en een gelijk speelveld op de interne markt tewaarborgen.22 Daarbij is rekening gehouden met recente rechtspraak vanhet Hof van Justitie van de Europese Unie (zie overweging 4).Gelet op de hoeveelheid wijzigingen die nodig zou zijn om Richtlijn 85/374doeltreffend te laten blijven en met het oog op de duidelijkheid enrechtszekerheid, is ervoor gekozen om die richtlijn in te trekken en tevervangen door een nieuwe richtlijn (zie overweging 5). Over die nieuwerichtlijn is op 14 december 2023 een politiek akkoord bereikt. Op23 oktober 2024 is de Richtlijn vastgesteld.2.2 Toepassingsbereik De Richtlijn bevat gemeenschappelijke regels over de aansprakelijkheidvan marktdeelnemers voor door natuurlijke personen geleden schade diewordt veroorzaakt door gebrekkige producten. Daarnaast bevat deRichtlijn regels over de vergoeding van die schade (artikel 1 Richtlijn). DeRichtlijn is van toepassing op producten die op of na 9 december 2026 in21De tekortkomingen van de richtlijn op het terrein van nieuwe digitale technologieën zijn indiverse onderzoeken nader geanalyseerd: Europese Commissie, Witboek over kunstmatigeintelligentie – een Europese benadering op basis van excellentie en vertrouwen, COM(2020) 65final; Europese Commissie, Verslag over de gevolgen van kunstmatige intelligentie, hetinternet der dingen en robotica op het gebied van veiligheid en aansprakelijkheid, COM(2020)64 final en Expert Group on Liability and New Technologies, Report on Liability for ArtificialIntelligence and other emerging digital technologies (2019). Zie over bewijsproblemen ookEvaluation of Council Directive 85/374/EEC on the approximation of laws, regulations andadministrativeprovisions of the Member States concerning liability for defective products, written by EY, withthe support of Technopolis Group and VVA, January 2018.22Zie ook overweging 12: «Bij Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raadzijn gemeenschappelijke beginselen en referentiebepalingen vastgesteld die bedoeld zijn omin alle sectorale productwetgeving te worden toegepast. Om de samenhang met dat besluit tewaarborgen moet een aantal bepalingen van deze richtlijn, met name de definities, daarmee inovereenstemming worden gebracht.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 34 de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld (artikel 2 lid 1 Richtlijn).Nadrukkelijk uitgesloten van het toepassingsbereik is gratis enopensourcesoftware die buiten het kader van een handelsactiviteit wordtontwikkeld of geleverd (artikel 2 lid 2 Richtlijn). De Richtlijn is evenmin vantoepassing op schade als gevolg van nucleaire ongevallen, voor zover deaansprakelijkheid voor dergelijke schade op grond van door de lidstatengeratificeerde internationale verdragen wordt gedekt (artikel 2 lid 3Richtlijn).23 Deze uitzonderingen komen nader aan de orde in hetartikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting (zie Onderdeel C).Net als Richtlijn 85/37424, doet de Richtlijn geen afbreuk aan de rechtendie een benadeelde ontleent aan nationale regels over contractuele ofbuitencontractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrekvan een product (artikel 2 lid 4, onderdeel b). Dit betekent dat de Richtlijner niet aan in de weg staat dat een benadeelde een vordering instelt opgrond van wanprestatie of onrechtmatige daad.2.3 Harmonisatieniveau De Richtlijn voorziet in een volledige harmonisatie (artikel 3 Richtlijn). Ditbetekent dat de lidstaten in hun nationale recht geen bepalingen mogenhandhaven of invoeren die strenger of minder streng zijn dan de in deRichtlijn vastgestelde bepalingen, tenzij in de Richtlijn anders is bepaald.2.4 Inhoud van de Richtlijn In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij de belangrijkste wijzigingenten opzichte van Richtlijn 85/374. De inhoud van de Richtlijn komtuitvoeriger aan de orde in het artikelsgewijze deel van deze memorie vantoelichting.a. Aanpassingen met het oog op nieuwe digitale technologieën Ten eerste bevat de Richtlijn een aantal aanpassingen met het oog opnieuwe digitale technologieën. De belangrijkste wijzigingen wordenhierna toegelicht.De Richtlijn voorziet in een verduidelijking en verruiming van het begrip«product» (artikel 4, onder 1 Richtlijn). Daaronder vallen alle roerendezaken, ook nadat zij zijn geïntegreerd in of onderling zijn verbonden metandere roerende of onroerende zaken. Verhelderd is voorts dat ookgrondstoffen, zoals gas en water, en elektriciteit producten zijn (zieoverweging 16). Omwille van de rechtszekerheid is daarnaast verduidelijktdat software en digitale fabricagedossiers als product moeten wordenbeschouwd (zie overwegingen 13 en 16). Het begrip «software» wordtruim uitgelegd en omvat onder meer besturingssystemen, firmware,computerprogramma’s, applicaties of AI-systemen, ongeacht de wijze vanlevering of gebruik (zie overweging 13). Een «digitaal fabricagedossier» iseen digitale versie van of een digitale template voor een roerende zaak diede functionele informatie bevat die nodig is om een tastbaar voorwerp teproduceren door geautomatiseerde besturing van machines of gereed-schappen mogelijk te maken, zoals boormachines, draaibanken, molensen 3D-printers (artikel 4 onder 2 Richtlijn; zie ook overweging 16). Doorook digitale fabricagedossiers als product te beschouwen, wordt debescherming van natuurlijke personen gewaarborgd in gevallen waarindergelijke bestanden gebrekkig zijn (zie overweging 16).23Ook in artikel 14 van Richtlijn 85/374/EEG is dergelijke schade uitgezonderd van hettoepassingsbereik.24Zie artikel 13 van Richtlijn 85/374/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 35 Hoewel de Richtlijn niet van toepassing is op diensten als zodanig, is hetnoodzakelijk geacht om de risicoaansprakelijkheid uit te breiden tot«bijbehorende diensten» («related services»). «Bijbehorende diensten»zijn digitale diensten die zodanig in een product zijn geïntegreerd ofdaarmee onderling zijn verbonden dat het product zonder die dienst eenof meer van zijn functies niet zou kunnen vervullen (artikel 4 onder 3Richtlijn). Zij worden aangemerkt als component van een product (artikel4 onder 4 Richtlijn). De gedachte hierachter is dat dergelijke diensten netzo bepalend zijn voor de veiligheid van het product als fysieke en digitalecomponenten. Voorbeelden zijn de continue levering van verkeersge-gevens in een navigatiesysteem en een gezondheidsmonitoringsdienstdie zich baseert op de sensoren van een fysiek product om de fysiekeactiviteiten of gezondheidsgegevens van de gebruiker in de gaten tehouden. Andere voorbeelden zijn een temperatuurregelingsdienst die detemperatuur van een slimme koelkast monitort en reguleert, en eenvoiceassistent-dienst die het mogelijk maakt een of meer producten tecontroleren door middel van spraakopdrachten (zie overweging 17).Verder is van belang dat de Richtlijn rekening houdt met het feit dat in hetdigitale tijdperk veel producten onder de zeggenschap van de fabrikantblijven nádat zij in de handel zijn gebracht. Hiervan is bijvoorbeeld sprakeals de fabrikant zelf of via een derde software-updates of -upgrades kanblijven leveren (artikel 4 onder 5 Richtlijn). De vraag of een fabrikant nogzeggenschap over het product heeft, is onder meer van belang voor debeoordeling van de gebrekkigheid van het product (artikel 7 lid 2,onderdeel c, Richtlijn). Ook is dit relevant voor de vraag of de fabrikanteen beroep kan doen op vrijstelling van aansprakelijkheid. Als de fabrikantzeggenschap heeft over een bijbehorende dienst, software, met inbegripvan software-updates of upgrades, of het ontbreken van software-updatesof upgrades die nodig zijn om de veiligheid te handhaven, en als hetgebrek van het product aan één van die factoren is te wijten, kan diefabrikant niet aan aansprakelijkheid ontkomen door aan te voeren dat hetgebrek is ontstaan nadat het product in de handel is gebracht of in gebruikis gesteld (artikel 11 lid 1, onderdeel c, en lid 2, onderdelen a-c, Richtlijn).Hij blijft in dat geval dus aansprakelijk voor de door het gebrekkigeproduct veroorzaakte schade.Vanwege de toenemende relevantie en waarde van gegevens («data»),regelt de Richtlijn dat voortaan ook een schadevergoeding kan wordenverkregen voor de vernietiging of de corruptie van niet voor beroepsdoel-einden gebruikte gegevens (artikel 6 lid 1, onderdeel c, Richtlijn). Hierbijvalt bijvoorbeeld te denken aan van een harde schijf verwijderde digitaleprivébestanden, zoals foto’s, met inbegrip van de kosten voor hetterugwinnen of herstellen daarvan (zie overweging 20).Tot slot verduidelijkt de Richtlijn dat bij de beoordeling van de gebrek-kigheid van het product ook rekening moet worden gehouden met heteffect op het product van het vermogen om te blijven leren of nieuwefuncties te verwerven (bijvoorbeeld relevant voor zelflerendeAI-systemen) en het redelijkerwijs te verwachten effect op het product vanandere producten waarvan kan worden verwacht dat zij samen met hetproduct worden gebruikt (bijvoorbeeld relevant voor een «smart-home-systeem») (artikel 7 lid 2, onderdelen c en d, Richtlijn).b. Uitbreiding van de kring van aansprakelijke personen Ten tweede voorziet de Richtlijn in een uitbreiding van de kring vanaansprakelijke personen (artikel 8 Richtlijn). Dit moet ervoor zorgen datbenadeelden zo vaak als mogelijk een afdwingbare vordering totschadevergoeding hebben, ook als de fabrikant van het gebrekkigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 36 product buiten de EU is gevestigd, bijvoorbeeld in China of de VerenigdeStaten (zie overweging 37).Marktdeelnemers die op grond van de Richtlijn aansprakelijk kunnenworden gesteld voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten zijn:de fabrikant van een product of een component, een aanbieder van eenbijbehorende dienst, een gemachtigde, een importeur, een fulfilment-dienstverlener of een distributeur (artikel 4 onder 15 Richtlijn). Verder ishet onder omstandigheden mogelijk om ook een onlineplatform aanspra-kelijk te stellen. De Richtlijn gaat hierbij uit van een getrapt systeem. In deeerste plaats kan een benadeelde de in de EU gevestigde fabrikant van hetgebrekkige product of een gebrekkige component aansprakelijk stellenvoor de door hem geleden schade (artikel 8 lid 1, onderdeel a, Richtlijn).Als er geen in de EU gevestigde fabrikant is, kan hij de importeur van hetgebrekkige product in de EU of de gemachtigde van de fabrikant(«authorised representative») aansprakelijk stellen (artikel 8 lid 2,onderdeel c, subonderdelen i en ii, Richtlijn). Is er geen in de EU geves-tigde importeur of gemachtigde, dan kan hij de fulfilmentdienstverleneraansprakelijk stellen voor de door het gebrekkige product veroorzaakteschade (artikel 8 lid 2, onderdeel c, subonderdeel iii, Richtlijn). Eenfulfilmentdienstverlener is een persoon die in het kader van een handels-activiteit, kort gezegd, ten minste twee van de volgende dienstenaanbiedt: opslag, verpakking, adressering en verzending van een product,zonder eigenaar van dat product te zijn (artikel 4 onder 13 Richtlijn).Net als Richtlijn 85/37425, voorziet de Richtlijn ook in een regeling voor desituatie dat niet kan worden vastgesteld wie de fabrikant, importeur,gemachtigde of fulfilmentdienstverlener is. In dat geval kan debenadeelde de distributeur van het product aansprakelijk stellen. Dedistributeur is echter niet aansprakelijk als hij op verzoek van debenadeelde binnen een maand de identiteit meedeelt van een andere inde EU gevestigde marktdeelnemer of van zijn eigen distributeur (artikel 8lid 3 Richtlijn). De Richtlijn verklaart deze regeling onder bepaaldevoorwaarden van overeenkomstige toepassing op aanbieders van eenonlineplatform dat consumenten in staat stelt overeenkomsten op afstandte sluiten (artikel 8 lid 4 Richtlijn).c. Verbetering van de (bewijs)positie van de benadeelde Ten derde voorziet de Richtlijn in bepalingen om het voor benadeelden,met name in complexe zaken, makkelijker te maken om bewijs te leverenvan het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussen hetgebrek en de schade.Net als in Richtlijn 85/374,26 ligt de bewijslast bij natuurlijke personen dieschade hebben geleden als gevolg van een gebrekkig product (artikel 10lid 1 Richtlijn). Benadeelden die schadevergoeding vorderen, verkeren tenopzichte van fabrikanten echter vaak in het nadeel wat betreft de toegangtot en het begrijpen van informatie over hoe een product is geproduceerden hoe het werkt. Die informatieasymmetrie kan de eerlijke risicoverdelingondermijnen, met name in gevallen waarin sprake is van technische ofwetenschappelijke complexiteit. Daarom voorziet de Richtlijn in eengeharmoniseerd recht op toegang tot bewijsmateriaal («disclosure ofevidence») (artikel 9 Richtlijn; zie ook overweging 42). De eiser die in eengerechtelijke procedure vergoeding vordert voor de door een gebrekkigproduct veroorzaakte schade kan de rechter verzoeken de gedaagde tebevelen om alle relevante bewijsstukken waarover hij beschikt teverstrekken (artikel 9 lid 1 Richtlijn). Andersom geldt dat ook de gedaagde,25Zie artikel 3 lid 3 van Richtlijn 85/374/EEG.26Zie artikel 4 van Richtlijn 85/374/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 37 die bewijsmateriaal nodig heeft om een vordering tot schadevergoedingte betwisten, de rechter kan verzoeken om de eiser te bevelen om toegangte verlenen tot relevant bewijsmateriaal (artikel 9 lid 2 Richtlijn). Bij debeoordeling van deze verzoeken moet de rechter ervoor zorgen dat detoegang tot het bewijsmateriaal, overeenkomstig het nationale recht,beperkt blijft tot wat noodzakelijk en evenredig is (artikel 9 lid 3 Richtlijn).De rechter zal daarbij rekening moeten houden met de rechtmatigebelangen van alle betrokkenen, waaronder de bescherming van vertrou-welijke informatie en bedrijfsgeheimen27 (artikel 9 lid 4 Richtlijn). Indiennodig, kan de rechter specifieke maatregelen treffen om die vertrouwe-lijkheid te waarborgen, zoals het beperken van de toegang tot een kleinaantal personen (artikel 9 lid 5; zie ook overweging 45). Gelet op decomplexiteit van bepaalde soorten bewijsmateriaal (bijvoorbeeld bijdigitale producten), kan de rechter bij de toewijzing van het verzoek alsvoorwaarde stellen dat een partij het bewijsmateriaal op een gemakkelijktoegankelijke en begrijpelijke wijze verstrekt (artikel 9 lid 6 Richtlijn).Daarnaast bevat de Richtlijn een aantal weerlegbare vermoedens tenaanzien van het gebrek van het product en het oorzakelijk verband tussendat gebrek en de schade (artikel 10 leden 2–5 Richtlijn). Deze vermoedensstellen de rechter in staat het bestaan van een gebrek of van eenoorzakelijk verband te baseren op het bestaan van een ander bewezen feit.Vaak zal dat een feit zijn dat voor de eiser eenvoudiger is om te bewijzen.Dit is (ook in Nederland)28 een gangbaar mechanisme om de bewijslastvan de eiser te verlichten (zie overweging 46). Een product wordt in deeerste plaats vermoed gebrekkig te zijn wanneer de gedaagde niet voldoetaan de verplichting om toegang te verlenen tot bewijsmateriaal op grondvan artikel 9 lid 1 Richtlijn (artikel 10 lid 2, onderdeel a, Richtlijn). Ditvermoeden dient als een aansporing om aan deze verplichting te voldoen(zie overweging 46). Een product wordt in de tweede plaats vermoedgebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat het product niet voldoet aandwingende productveiligheidsvoorschriften die bedoeld zijn ombescherming te bieden tegen het risico van de door hem geleden schade(artikel 10 lid 2, onderdeel b, Richtlijn). Hiermee wordt beoogd de nauwesamenhang tussen productveiligheidsregels29 en aansprakelijkheidsregelste versterken (zie overweging 46). Tot slot wordt een product vermoedgebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat de schade is veroorzaakt dooreen kennelijk disfunctioneren van het product bij redelijkerwijs teverwachten gebruik of onder normale omstandigheden (artikel 10 lid 2,onderdeel c, Richtlijn). Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een glazenfles die ontploft bij redelijkerwijs te verwachten gebruik, zoals schenken ofdrinken. In een dergelijk geval zou het voor een eiser onnodig bezwarendzijn het gebrek te moeten bewijzen (zie overweging 46).Daarnaast bevat de Richtlijn een vermoeden van het oorzakelijk verbandtussen het gebrek van het product en de schade. Dit verband wordtvermoed wanneer is vastgesteld dat het product gebrekkig is en de soortveroorzaakte schade doorgaans strookt met het betrokken gebrek (artikel9 lid 3 Richtlijn).Naast de hiervoor genoemde algemene bewijsvermoedens, bevat deRichtlijn ook vermoedens die alleen kunnen worden toegepast wanneerde eiser «buitensporige bewijsmoeilijkheden» ondervindt, met name als27In artikel 4, onder 17, Richtlijn wordt «bedrijfsgeheim» gedefinieerd als: een bedrijfsgeheimzoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlementen de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakteknowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen,gebruiken en openbaar maken daarvan.28Zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:31 (t.a.v.de gebrekkigheid).29In overweging 46 wordt als voorbeeld genoemd de veiligheidsvoorschriften uit hoofde vanVerordening (EU) 2023/988.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 38 gevolg van de technische of wetenschappelijke complexiteit van de zaak.De rechter dient aan de hand van alle omstandigheden van het geval tebeoordelen of hiervan sprake is. Stelt hij vast dat de eiser geconfronteerdwordt met «buitensporige moeilijkheden» om het gebrek van het producten/of het oorzakelijk verband tussen dat gebrek en de schade aan tetonen, dan wordt dat gebrek en/of dat oorzakelijk verband vermoed als deeiser aantoont dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is en/ofdat het waarschijnlijk is dat voornoemd oorzakelijk verband bestaat(artikel 9 lid 4 Richtlijn). Dit betreft een lagere bewijsstandaard dandoorgaans is vereist op grond van het nationale recht, waarbij vaak eenhogere mate van waarschijnlijkheid is vereist (zie overweging 46). Degedaagde heeft het recht om alle bewijsvermoedens te weerleggen(artikel 9 lid 5 Richtlijn).Met het doel om ook andere belemmeringen om een schadevergoeding teverkrijgen te verminderen, schrapt de Richtlijn de regel dat alleenzaakschade van minimaal € 500,– kan worden vergoed (de franchise).Hierdoor kan voortaan ook voor kleine zaakschades een schadever-goeding worden verkregen. Daarnaast bevat de Richtlijn een verlengingvan de vervaltermijn van tien naar 25 jaar voor het geval een benadeeldevanwege de lange latentietijd (periode tussen de veroorzaking van hetletsel en de openbaring daarvan) van een lichamelijk letsel niet in staatwas om binnen tien jaar een procedure te starten (artikel 17 lid 2 Richtlijn).d. Aanpassingen met het oog op de circulaire economie Tot slot bevat de Richtlijn een aantal aanpassingen met het oog op decirculaire economie. Bij de overgang van een lineaire naar een circulaireeconomie worden producten zo ontworpen dat ze duurzamer, beterherbruikbaar, gemakkelijker te herstellen en gemakkelijker op tewaarderen zijn. De EU bevordert ook innovatieve en duurzame productie-en consumptiemethoden die de functionaliteit van producten en compo-nenten verlengen, zoals revisie, opknappen en reparatie (zie overweging39).30 Wanneer een product ingrijpend wordt gewijzigd en vervolgens opde markt wordt aangeboden of in gebruik wordt gesteld, wordt het voorde toepassing van de Richtlijn als een nieuw product beschouwd.Wanneer de wijziging wordt aangebracht zonder dat de oorspronkelijkefabrikant daarover zeggenschap heeft, kan de persoon die de ingrijpendewijziging heeft aangebracht als fabrikant van het gewijzigde productaansprakelijk worden gesteld voor de door dat product veroorzaakteschade (artikel 8 lid 2 Richtlijn). Of een wijziging ingrijpend is, moetworden bepaald aan de hand van criteria die zijn vastgesteld in hetrelevante EU- en nationale productveiligheidsrecht.31 Het is mogelijk datdergelijke criteria voor het betrokken product niet zijn vastgesteld. In datgeval worden als ingrijpend beschouwd: wijzigingen (i) die de oorspron-kelijke prestaties, het doel of het type van het product veranderen zonderdat dit was voorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van defabrikant én (ii) die de aard van het gevaar veranderen, een nieuw gevaarcreëren of het risiconiveau verhogen (artikel 4 onder 18 Richtlijn).Als een ingrijpende wijziging is uitgevoerd door de oorspronkelijkefabrikant, of onder diens zeggenschap, en als een dergelijke ingrijpendewijziging het product gebrekkig maakt, kan die fabrikant niet aan30Dit is uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 getiteld «Een nieuwactieplan voor een circulaire economie – Voor een schoner en concurrerende Europa».31Zie bijvoorbeeld artikel 13 lid 3 van Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement ende Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening(EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van hetEuropees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het EuropeesParlement en de Raad en Richtlijn 87/357/EEG van de Raad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 39 aansprakelijkheid ontkomen door aan te voeren dat het gebrek is ontstaannadat het product in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld (artikel11 lid 1, onderdeel c, en lid 2, onderdeel d, Richtlijn). Met het oog op eeneerlijke risicoverdeling in de circulaire economie bepaalt de Richtlijn dateen marktdeelnemer die een ingrijpende wijziging aanbrengt, anders dande oorspronkelijke fabrikant, van zijn aansprakelijkheid wordt vrijgesteldals hij bewijst dat de schade verband houdt met een onderdeel van hetproduct waarop de wijziging geen betrekking heeft (artikel 11 lid 1,onderdeel g, Richtlijn; zie ook overweging 39). Marktdeelnemers diereparaties of andere verrichtingen uitvoeren die geen ingrijpendewijzigingen inhouden, kunnen niet aansprakelijk worden gesteld op grondvan de Richtlijn. Dit geldt ook voor wijzigingen door middel van updatesof upgrades die niet kwalificeren als «ingrijpend» in de zin van de Richtlijn(zie overwegingen 39–40).2.5 Monitoring en evaluatie Om de geharmoniseerde interpretatie van de Richtlijn te vergemakke-lijken, verplicht de Richtlijn de lidstaten om alle onherroepelijke rechter-lijke uitspraken van nationale hoven van beroep of de hoogste rechterlijkeinstantie in op grond van de Richtlijn ingeleide procedures te publiceren(artikel 19 lid 1 Richtlijn). De Europese Commissie zet een gemakkelijktoegankelijke en openbaar beschikbare databank op met deze rechterlijkebeslissingen, en houdt die bij (artikel 19 lid 2 Richtlijn). De EuropeseCommissie evalueert uiterlijk op 9 december 2030, en vervolgens om devijf jaar, de toepassing van de Richtlijn en brengt daarvan verslag uit aanhet Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en SociaalComité. Die verslagen moeten informatie bevatten over de kosten enbaten van de omzetting van de Richtlijn, een vergelijking met deOESO-landen en de beschikbaarheid van productaansprakelijkheidsverze-keringen (artikel 20 Richtlijn).2.6 Intrekking Richtlijn 85/374 en overgangsbepaling De Richtlijn moet op 9 december 2026 zijn omgezet en is van toepassingop producten die op of na die datum in de handel zijn gebracht of ingebruik zijn gesteld. Richtlijn 85/374 wordt met ingang van die datumingetrokken. Zij blijft wel van toepassing op producten die vóór9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld(artikel 21 Richtlijn).3. Wijze van implementatie 3.1 Methode van implementatie De Richtlijn vervangt Richtlijn 85/374. Die richtlijn is geïmplementeerd inAfdeling 3 van Titel 3 van Boek 6 van het BW (hierna: afdeling 6.3.3 BW).Ook de nieuwe Richtlijn wordt in die afdeling geïmplementeerd. Hierbij iszoveel mogelijk aangesloten bij de huidige opzet en systematiek van hetBW. Waar dit niet mogelijk of zinvol was, is omwille van de rechtsze-kerheid zoveel mogelijk aangesloten bij de tekst van de Richtlijn. Verder isvan de gelegenheid gebruik gemaakt om ouderwets taalgebruik op eenpaar punten te moderniseren. Daarnaast leidt de Richtlijn tot wijziging vanenkele (andere) artikelen in de Boeken 6 en 7 BW en de invoeging van eenartikel in de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 310 3.1.1 Afwijking van het ontwikkelingsrisicoverweer Net als Richtlijn 85/374,32 biedt de Richtlijn lidstaten de mogelijkheid omaf te wijken van het ontwikkelingsrisicoverweer (artikel 18 Richtlijn). Dithoudt in dat lidstaten maatregelen mogen handhaven of invoeren opgrond waarvan marktdeelnemers aansprakelijk zijn, zelfs als zij bewijzendat het op grond van de objectieve stand van de wettenschappelijke entechnische kennis niet mogelijk was het gebrek te ontdekken op, kortgezegd, het moment dat het product in de handel werd gebracht (artikel18 leden 1 en 2 Richtlijn). In afwijking van Richtlijn 85/374, geldt vooronder de Richtlijn nieuw in te voeren maatregelen, dat zij a) wordenbeperkt tot specifieke productcategorieën, b) hun rechtvaardiging vindenin doelstellingen van algemeen belang en c) evenredig zijn (artikel 18 lid 3Richtlijn). Een lidstaat dient de Europese Commissie in kennis te stellenvan de tekst van de maatregel en te motiveren dat aan de hiervoorgenoemde vereisten is voldaan (artikel 18 leden 4–5 Richtlijn). Nederlandheeft tot op heden geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af tewijken van het ontwikkelingsrisicoverweer.33 De gedachte hierachter is datvoorkomen moet worden dat producenten afzien van de ontwikkeling vannieuwe producten, vanuit de vrees dat een op dat moment redelijkerwijsniet te voorzien gebrek in de toekomst tot schade zou kunnen leiden. Erzijn geen signalen ontvangen dat een dergelijke afwijking nu wel wenselijkzou zijn. Om de ontwikkeling van nieuwe producten niet onnodig af teremmen, wordt daarom voorgesteld het bestaande beleid voort te zetten.3.2 Richtlijnbepalingen die geen wettelijke implementatie behoeven In de bijgevoegde transponeringstabel wordt aangegeven welke richtlijn-bepalingen geen implementatie behoeven, omdat zij reeds in Boek 6 BWzijn verankerd, niet aan de lidstaten zijn gericht of enkel een feitelijkhandelen van de centrale overheid inhouden zonder dat derden daaropaanspraak hoeven te kunnen maken. Hieronder wordt een toelichtinggegeven op de keuze om een aantal richtlijnbepalingen niet om te zetten.Artikel 1 bevat het onderwerp en doel van de Richtlijn en behoeft daaromnaar zijn aard geen implementatie. In afdeling 6.3.3 BW is wel verduide-lijkt dat de risicoaansprakelijkheid ziet op schade van «natuurlijkepersonen» (zie het voorgestelde artikel 6:185 lid 1 BW).Artikel 2 lid 1 betreft het temporele toepassingsbereik van de Richtlijn enbehoeft daarom naar zijn aard geen implementatie. Artikel 2 lid 4,onderdeel a, bepaalt dat de Richtlijn geen afbreuk doet aan de toepasse-lijkheid van het Unierecht inzake persoonsgegevensbescherming.34 Dezebepaling legt verder geen verplichtingen op aan de lidstaten en behoeftdaarom evenmin implementatie. Artikel 2 lid 4, onderdeel b, bepaalt datde Richtlijn geen afbreuk doet aan de rechten die een benadeelde ontleent32Zie artikel 15 lid 1, onderdeel b, van Richtlijn 85/374/EEG.33Zie voor de destijds gemaakte keuze (n.a.v. een SER-advies): Kamerstukken II 1985–1986,19 636, nr. 3, p. 5–6.34Blijkens artikel 2 lid 4, onderdeel a, Richtlijn gaat het daarbij met name om Verordening (EU)2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende debescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevensen betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG(algemene verordening gegevensbescherming), Richtlijn 2002/58/EG van het EuropeesParlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens ende bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie(richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) en Richtlijn (EU) 2016/680 vanhet Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming vannatuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegdeautoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging vanstrafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van diegegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 311 aan nationale regels inzake contractuele aansprakelijkheid of buitencon-tractuele aansprakelijkheid op andere gronden dan het gebrek van eenproduct, zoals vastgesteld in de Richtlijn, waaronder de ter uitvoering vanhet Unierecht vastgestelde regels. Deze bepaling maakt reeds deel uit vande huidige regeling in afdeling 6.3.3 BW en is opgenomen in artikel 6:193BW. In deze bepaling worden alleen redactionele wijzigingen doorge-voerd. Artikel 2 lid 4, onderdeel c, bepaalt dat de Richtlijn geen afbreukdoet aan de rechten die een benadeelde ontleent aan bijzondere aanspra-kelijkheidsregelingen die op 30 juli 1985 in het nationale recht bestonden.Deze bepaling behoeft geen implementatie, omdat deze situatie zich inNederland niet voordoet.Artikel 3 betreft het harmonisatieniveau van de Richtlijn en behoeftdaarom naar zijn aard geen implementatie.In artikel 5 lid 1 is het recht opgenomen van iedere natuurlijke persoon dieschade heeft geleden als gevolg van een gebrekkig product op vergoedingvan zijn schade overeenkomstig de Richtlijn. Ingevolge artikel 6 lid 2omvat dit recht op schadevergoeding alle materiële en immateriëleverliezen die voortvloeien uit de in lid 1 van dat artikel genoemdeschadesoorten, waarbij voor de mogelijkheid van een vergoeding vanimmateriële verliezen wordt verwezen naar het nationale recht. Dezebeginselen maken reeds deel uit van het Nederlandse schadevergoedings-recht. Zie artikel 6:95 BW voor het recht op vergoeding van vermogens-schade en ander nadeel. De vergoeding van immateriële schade («andernadeel») is nader geregeld in artikel 6:106 BW. Ingevolge artikel 6 lid 3doet de Richtlijn geen afbreuk aan het nationale recht met betrekking totschadevergoeding uit hoofde van andere aansprakelijkheidsregelingen(bijvoorbeeld onrechtmatige daad). Deze bepaling is reeds vervat in artikel6:193 BW en behoeft daarom geen implementatie.Artikel 5 lid 2, onderdeel b, schrijft voor dat schadevergoedingsvorde-ringen op grond van de Richtlijn ook moeten kunnen worden ingestelddoor een persoon die krachtens het Unie- of nationale recht namens eenof meer benadeelden handelt. Deze bepaling behoeft geen implementatie,omdat het Nederlandse recht deze mogelijkheid al biedt. Zie de artikelen3:305a-305e BW voor het recht op collectieve actie en de artikelen1018b-1018o Rv voor de procedure in zaken betreffende een collectieveactie en collectieve schadeafwikkeling. Deze artikelen betreffen mede deimplementatie van de Richtlijn Representatieve vorderingen voorconsumenten.35 Die richtlijn is bedoeld om inbreuken op consumentenbeschermende EU-bepalingen te kunnen handhaven in collectieve actie.De richtlijn productaansprakelijkheid valt daar ook onder.36 Daarnaastbiedt het huidige Nederlandse burgerlijk procesrecht ook anderemogelijkheden om vorderingen namens andere personen in te stellen,bijvoorbeeld via volmacht of door de vordering over te dragen aan eenander (cessie).Artikel 8 lid 5 biedt lidstaten de mogelijkheid om gebruik te maken vanbestaande nationale sectorale compensatieregelingen of nieuweregelingen vast te stellen om benadeelden op een passende wijze tecompenseren. Lidstaten kunnen hiervoor kiezen als benadeelden geenschadevergoeding kunnen krijgen, omdat geen van de in artikel 8 leden1–4 bedoelde personen aansprakelijk kan worden gesteld of omdat zijinsolvent zijn of niet meer bestaan. De Richtlijn bepaalt dat een dergelijke35Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen vanconsumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PbEU 2020, L 409).36Zie Bijlage I onderdeel 1 van de Richtlijn representatieve vorderingen voor consumenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 312 regeling bij voorkeur niet met overheidsmiddelen worden gefinancierd.Deze bepaling legt de lidstaten geen verplichtingen op en behoeft daaromniet te worden omgezet. Uit vast kabinetsbeleid voor de implementatievan Unie-recht volgt dat in een implementatieregeling alleen regels dievolgen uit de Richtlijn worden opgenomen (zuivere implementatie). In lijnmet dit kabinetsbeleid en ter voorkoming van regeldruk wordt daaromgeen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nieuwe sectoralecompensatieregelingen vast te stellen.In artikel 9 zijn regels opgenomen voor de toegang tot bewijsmateriaal ingerechtelijke procedures over productaansprakelijkheid (zie hiervoorparagraaf 2.4 c. van deze memorie van toelichting). Deze procedureleregels zijn in overeenstemming met «het recht op inzage, afschrift ofuittreksel van gegevens» in de artikelen 194 en 195 van het Wetboek vanBurgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het richtlijnartikel behoeft daarom geenimplementatie. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Richtlijn deregels over de toegang tot bewijsmateriaal alleen harmoniseert vooraangelegenheden die door de Richtlijn worden geregeld. Niet door deRichtlijn geregeld zijn onder meer de regels over (i) de toegang totbewijsmateriaal voorafgaand aan de gerechtelijke procedure, (ii) de vraaghoe specifiek een verzoek om bewijsmateriaal moet zijn, (iii) de toegangtot bewijsmateriaal dat zich onder derden bevindt, (iv) gevallen vandeclaratoire vorderingen en (v) sancties op de niet-naleving van deverplichting om toegang te verlenen tot bewijsmateriaal (zie artikel 9 lid 7en overweging 43). Deze zaken zijn dus volledig overgelaten aan hetnationale recht. Nederland kent de mogelijkheid om inzage, afschrift ofuittreksel van bepaalde gegevens te verzoeken voordat een zaakaanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak opde rol is ingeschreven (zie de artikelen 194–195a jo. artikel 196 Rv). Vandeze mogelijkheid kan dus ook gebruik worden gemaakt in productaan-sprakelijkheidszaken.Artikel 10 lid 1 bepaalt dat de eiser (benadeelde) het gebrek van hetproduct, de geleden schade en het oorzakelijk verband tussen dat gebreken die schade moet bewijzen. Deze bepaling stemt overeen met die inRichtlijn 85/374 en is al geïmplementeerd in artikel 6:188 BW. In dit artikelwordt alleen een redactionele wijziging doorgevoerd.Artikel 12 lid 1 regelt de hoofdelijke aansprakelijkheid van marktdeel-nemers. Dit uitgangspunt maakt reeds deel uit van de huidige productaan-sprakelijkheidsregeling in afdeling 6.3.3 BW en is geregeld in artikel 6:189BW. De bepaling behoeft daarom geen implementatie. In artikel 12 lid 2 isopgenomen dat een fabrikant die software als een component in eenproduct integreert geen regresrecht heeft jegens de fabrikant van eengebrekkige softwarecomponent die schade veroorzaakt, als de laatstge-noemde fabrikant, kort gezegd, kwalificeert als een micro-onderneming ofeen kleine onderneming en partijen contractueel zijn overeengekomen datde eerstgenoemde fabrikant afstand doet van zijn regresrecht. Dezebepaling behoeft niet te worden omgezet. De regresverhouding, waarvoorde Richtlijn in de artikelen 12 lid 1, 13 lid 2 en 14 naar het nationale rechtverwijst, kan in Nederland nu ook al contractueel worden geregeld.Artikel 14 bepaalt dat een markdeelnemer die de schade van debenadeelde heeft vergoed het recht heeft om verhaal te nemen op andereop grond van artikel 8 aansprakelijke marktdeelnemers, overeenkomstighet nationale recht. Voor het Nederlandse recht zijn artikel 6:10 BW inverbinding met de artikelen 6:102 lid 1 en 6:101 BW van belang. Ook dezebepaling behoeft daarom geen implementatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 313 In artikel 15 is opgenomen dat de aansprakelijkheid op grond van deRichtlijn ten aanzien van de benadeelde niet mag worden beperkt ofuitgesloten door een contractuele bepaling of door het nationale recht. Ditvoorschrift maakt reeds deel uit van de huidige productaansprakelijk-heidsregeling in afdeling 6.3.3 BW en is geregeld in artikel 6:192 BW. Indat artikel wordt alleen een redactionele wijziging doorgevoerd.Artikel 16 lid 2 bepaalt dat de Richtlijn het nationale recht inzake schorsingof stuiting van de in artikel 16 lid 1 bedoelde verjaringstermijn onverletlaat. Deze bepaling legt geen verplichtingen op aan de lidstaten enbehoeft daarom geen implementatie. De stuiting van verjaringstermijnenis in het Nederlandse recht geregeld in de artikelen 3:316–3:319 BW.Artikel 18 lid 1 biedt lidstaten de mogelijkheid om bestaande maatregelente handhaven waarmee wordt afgeweken van het ontwikkelingsrisico-verweer. Zij dienen de Europese Commissie daarvan uiterlijk op9 december 2026 in kennis te stellen. Deze situatie doet zich in Nederlandniet voor, zodat deze bepaling geen implementatie behoeft. Artikel 18leden 2 en 3 biedt lidstaten daarnaast de mogelijkheid om nieuwemaatregelen in te voeren of daarin wijzigingen aan te brengen op grondwaarvan wordt afgeweken van het ontwikkelingsrisicoverweer. Nederlandmaakt van deze mogelijkheid geen gebruik (zie paragraaf 3.1.1 van dezememorie van toelichting). Artikel 18 behoeft om die reden ook overigensgeen implementatie.Ook artikel 19 lid 1 vereist geen omzetting. Het bevat een verplichting omalle onherroepelijke rechterlijke uitspraken van nationale hoven vanberoep of hoogste nationale rechterlijke instanties in op grond van deRichtlijn ingeleide procedures te publiceren. Dit betreft een feitelijkhandelen van de centrale overheid zonder dat derden daarop aanspraakhoeven te kunnen maken. In paragraaf 4 van deze memorie vantoelichting wordt ingegaan op de wijze waarop hieraan uitvoering wordtgegeven. Artikel 19 lid 2 gaat over het opzetten en bijhouden van eendatabank met rechterlijke beslissingen. Deze bepaling is gericht tot deEuropese Commissie en behoeft daarom geen implementatie.Artikel 20 betreffende de evaluatie van de Richtlijn is aan de EuropeseCommissie gericht en behoeft daarom geen implementatie. Artikel 23 steltde datum van inwerkingtreding vast en artikel 24 betreft de adressatenvan de Richtlijn. Ook deze bepalingen behoeven naar hun aard niet teworden geïmplementeerd.4. Gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en de rechtspraak(m.u.v. financiële gevolgen) In deze paragraaf wordt ingegaan op de regeldruk. Die bestaat uitzogenoemde inhoudelijke nalevingskosten en de administratieve lasten.Het kabinet streeft ernaar de regeldruk voor bedrijven en burgers terug tedringen.37Bedrijfsleven en burgersDit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de regeldruk van burgers. Hetbrengt verder geen inhoudelijke nalevingskosten mee voor het bedrijfs-leven. Het stelt immers niet meer of andere (technische) eisen aanproducten. Het voorstel leidt evenmin tot administratieve lasten voor hetbedrijfsleven, omdat niet wordt voorzien in wettelijke informatieverplich-37Zie het Regeerprogramma, Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet d.d.13 september 2024, p. 117–119.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 314 tingen voor marktdeelnemers. Voor potentieel aansprakelijke marktdeel-nemers die niet onder Richtlijn 85/374 vallen, maar wel onder de Richtlijn(o.a. gemachtigden en de fulfilmentdienstverleners), geldt dat zij kenniszullen moeten nemen van de nieuwe regeling in afdeling 6.3.3 BW. Dehieraan verbonden kosten zijn minimaal.38Raad voor de rechtspraakDe Raad voor de rechtspraak heeft laten weten dat het wetsvoorstel naarverwachting niet leidt tot substantiële werklastgevolgen voor de Recht-spraak. Het ruimere toepassingsbereik van afdeling 6.3.3 BW (onder meerde verruiming van het begrip «product», het afschaffen van de franchisevoor zaakschade en een bredere kring van aansprakelijke personen) zalmogelijk leiden tot een toename van het aantal rechtszaken op grond vande regeling van de productaansprakelijkheid. Hierbij zal echter naarverwachting vooral sprake zijn van een verschuiving van zaken op grondvan onrechtmatige daad (of een andere grondslag) naar zaken op grondvan de regeling in afdeling 6.3.3 BW. Dit maakt dat de toename van hettotale aantal rechtszaken waarschijnlijk (zeer) beperkt zal zijn.De Richtlijn bevat de verplichting om, in een gemakkelijk toegankelijk enelektronisch formaat, alle onherroepelijke uitspraken te publiceren vangerechtshoven en de Hoge Raad in procedures die op grond van deRichtlijn zijn ingeleid (artikel 19 lid 1 Richtlijn).Voor het publiceren van rechterlijke uitspraken heeft de rechterlijke machtrichtlijnen opgesteld in het «Besluit selectiecriteria uitsprakendatabankRechtspraak.nl».39 Op grond van artikel 5 van die selectiecriteria wordteen uitspraak altijd gepubliceerd, als deze mede de belangen raakt vannatuurlijke of rechtspersonen die geen partij waren in het geding. Dit zalbij rechterlijke uitspraken over productaansprakelijkheid vaak het gevalzijn. Om zeker te stellen dat uitspraken in een procedure die is ingeleid opgrond van afdeling 6.3.3 BW worden gepubliceerd, is dit met zoveelwoorden in de tekst van de selectiecriteria worden opgenomen. Deuitbreiding van de publicatieplicht is voor de Rechtspraak één van destappen binnen de uitvoering van het programma «Meer en VerantwoordPubliceren»40 en vormt als zodanig geen extra last voor de gerechten. Ookvoor de Hoge Raad vormt het voldoen aan de publicatieplicht op grondvan de Richtlijn geen zwaardere uitvoeringslast. Op grond van artikel 3van de selectiecriteria worden nu al nagenoeg alle uitspraken van de HogeRaad gepubliceerd.5. Financiële gevolgen Bedrijfsleven en burgersDit wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen voor burgers. Het voorstelheeft mogelijk financiële gevolgen voor marktdeelnemers. Productaan-sprakelijkheid is in de regel meeverzekerd op de Aansprakelijkheidsverze-38Zie ook het Impact Assessment Report van de Europese Commissie van 28 september 2022 bijhet «Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on liability fordefective products», p. 36 en 84: «There are no relevant administrative costs under the PLD incontrast to much product safety legislation, as there are no specific obligations or informationrequirements for economic operators. There will be one-off familiarisation costs foreconomic operators not previously covered as producers under the PLD, which are minimal.»39Gezamenlijk besluit van de Raad voor de rechtspraak, de Hoge Raad, de Afdeling bestuurs-rechtspraak van de Raad van State en de besturen van de rechtbanken, de gerechtshoven, deCentrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 12 februari2024: Selectiecriteria uitspraken | Rechtspraak40Programma Meer en Verantwoord Publiceren, http://www.rechtspraak.nl/mvp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 315 kering voor bedrijven (AVB).41 Het merendeel van de betrokken marktdeel-nemers heeft een dergelijke verzekering. Als marktdeelnemersaansprakelijk worden gesteld voor schade veroorzaakt door een gebrekkigproduct, dekt de aansprakelijkheidsverzekering in de regel de schadever-goeding en juridische kosten. Verzekeringspremies worden bepaald aande hand van alle relevante nationale en internationale ontwikkelingen. Hetis op dit moment nog onzeker welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voorde verzekerbaarheid, dekking en premies. Het Verbond van Verzekeraars(hierna: Verbond) heeft desgevraagd laten weten dat de uitbreiding van dekring van aansprakelijke personen (met o.a. gemachtigden en fulfilment-dienstverleners) naar verwachting leidt tot een toename van deschadelast. Ook heeft het Verbond erop gewezen dat de verruiming vande begrippen product (met software en digitale fabricagedossiers) enschade (met vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleindengebruikte gegevens) leidt tot nieuwe risico’s die lastig calculeerbaar zijn.Het Verbond merkt op dat de verzekerbaarheid daarvan afhankelijk is vande risicobeoordeling per geval. Uit het Impact Assessment Report bij hetvoorstel voor de Richtlijn van de Europese Commissie volgt dat hetruimere toepassingsbereik naar verwachting een marginale premie-stijging tot gevolg heeft.42 De Europese Commissie zal de gevolgen voorde productaansprakelijkheidsverzekeringen ook betrekken bij de evaluatievan de Richtlijn (artikel 20 van de Richtlijn).Bij het voorgaande is van belang dat het wetsvoorstel niet alleen voorzietin een verruiming van de productaansprakelijkheidsregeling, maar –vergeleken met Richtlijn 85/374 – ook meer duidelijkheid biedt over deproducten en marktpartijen die eronder vallen. Dit draagt bij aan derechtszekerheid voor het bedrijfsleven. Het stelt marktdeelnemers in staatom hun productaansprakelijkheidsrisico te inventariseren en na te gaan ofzij hiervoor (voldoende) verzekerd zijn. Dit kan ertoe leiden dat marktdeel-nemers besluiten om zich (aanvullend) te verzekeren. Marktpartijen die totnu toe geen productaansprakelijkheidsrisico liepen, zoals gemachtigdenen fulfilmentdienstverleners, zullen hun aansprakelijkheidspositie enverzekeringsbehoefte opnieuw moeten bepalen. Mogelijk zijn nog niet alle(nieuwe) marktdeelnemers zich hiervan voldoende bewust. Vanuit derijksoverheid wordt hier aandacht aan besteed op de website https://ondernemersplein.overheid.nl/wetswijzigingen/meer-partijen-aansprakelijk-voor-gebrekkige-producten/.Net als onder Richtlijn 85/374, zullen niet alle aansprakelijkheidsrisico’s(volledig) verzekerd kunnen worden. Met de Richtlijn is beoogd eenbalans te vinden tussen een hoog niveau van consumentenbeschermingen de belangen van het bedrijfsleven en innovatie. Wanneer de risico’s alsgevolg van bepaalde (nieuwe, innovatieve) producten door verzekeraarsdermate hoog worden ingeschat dat deze slechts beperkt of niet verze-kerbaar zijn, ligt daarin een begrenzing van de innovatie met het oog opde gezondheid en veiligheid van natuurlijke personen. Marktdeelnemerszonder aansprakelijkheidsverzekering (dit is een minderheid)43 kunnenworden geconfronteerd met directe schadevergoedingskosten en41Zie ook C.J.J.M. Stolker, Groene Serie Onrechtmatige daad, afd. 3 Boek 6 BW, aant. 3.3(actueel t/m 09-12-2022).42Het Impact Assessment Report van de Europese Commissie van 28 september 2022 bij het«Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on liability fordefective products», p. 30, 36–37, 56, 76 en 85.43Uit het hiervoor genoemde Impact Assessment Report blijkt dat dit voornamelijk producentenzijn van producten met een lager risico, waarvoor zelden schadeclaims worden ingediend. Ziep. 36–37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 316 juridische kosten als de zaak voor de rechter komt.44 Door het ruimeretoepassingsbereik van de productaansprakelijkheidsregeling kunnen diekosten hoger zijn dan nu het geval is.Raad voor de rechtspraakHet voldoen aan de hiervoor genoemde verplichting tot het publicerenvan onherroepelijke uitspraken van gerechtshoven en de Hoge Raad heeftgeen financiële gevolgen voor de gerechten. Het beleid van de recht-spraak, zoals neergelegd in het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabankRechtspraak.nl, is dat nagenoeg alle uitspraken van gerechtshoven en deHoge Raad worden gepubliceerd. Daarnaast is in artikel 4 van dit besluitbepaald dat uitspraken over productaansprakelijkheid altijd wordengepubliceerd. Deze publicatie vormt een onderdeel van de rechterlijketaken waarvoor middelen zijn toegekend.RijksoverheidDit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de Rijksbegroting.6. Advies en consultatie Het wetsvoorstel is van 24 april 2025 tot en met 22 mei 2025 in internet-consultatie geweest. Daarop zijn in totaal tien openbaar raadpleegbarereacties binnengekomen, voornamelijk van betrokken belangenorgani-saties. Daarnaast is een aantal organisaties aangeschreven met hetverzoek om een reactie of advies. Dit betreft onder meer de Raad voor derechtspraak (Rvdr), de Nederlandse Orde van advocaten (NOvA) en hetVerbond van Verzekeraars (Verbond). De Rvdr heeft geen inhoudelijkeopmerkingen bij het wetsvoorstel. De Rvdr heeft verder laten weten dathet voorstel naar verwachting geen substantiële werklastgevolgen heeftvoor de Rechtspraak. Dit is verwerkt in paragraaf 4 van deze memorie vantoelichting. De NOvA heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel. HetVerbond vraagt aandacht voor de mogelijke gevolgen voor de verzeker-baarheid van productaansprakelijkheidsrisico’s, de financiële impact opverzekeringsproducten en de daarmee samenhangende financiëlegevolgen voor marktdeelnemers. Ook de Vereniging InnovatieveGeneesmiddelen (VIG) en The American Chamber of Commerce in theNetherlands (AmCham) wijzen op de mogelijke gevolgen van hetwetsvoorstel voor de verzekerbaarheid, dekking en premies. Naaraanleiding van deze reacties is paragraaf 5 van deze memorie vantoelichting aangepast en aangevuld. Tot slot is de consultatieversievoorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het ATR heeftlaten weten dat advisering achterwege kan blijven, omdat hetwetsvoorstel zuivere een-op-een-implementatie betreft. De overigeconsultatiereacties worden hierna thematisch besproken.Kanalisatiebepaling bij consumentenkoop (artikel 7:24 lid 2 BW)Een aantal reacties gaat over de kanalisatiebepaling bij consumentenkoop(artikel 7:24 lid 2 BW). Als sprake is van non-conformiteit45 bij eenconsumentenkoop dan heeft een consument-koper jegens de verkoperrecht op schadevergoeding (artikel 7:24 lid 1 in verbinding met artikel 6:74BW). Bestaat de tekortkoming evenwel in een gebrek als bedoeld in44Zie ook het Impact Assessment Report van de Europese Commissie van 28 september 2022 bijhet «Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on liability fordefective products», p. 36–37, 56, 76 en 85.45Dat wil zeggen dat de zaak niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van deovereenkomst mocht verwachten (zie artikelen 7:17 lid 2 BW en 7:24 lid 1 BW).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 317 afdeling 6.3.3 BW, dan volgt uit artikel 7:24 lid 2 BW dat de consumentzich voor schade als bedoeld in die afdeling (kort gezegd: letselschade enschade aan andere zaken dan het product zelf) dient te wenden tot deproducent. De verkoper is voor die schade niet aansprakelijk. Hieropgelden drie uitzonderingen. De consument-koper heeft wel recht opschadevergoeding jegens de verkoper als a) de verkoper het gebrekkende, b) hij de afwezigheid van het gebrek heeft toegezegd of c) hetzaakschade onder de € 500,– betreft. De gedachte achter deze regeling isdat het niet redelijk is de verkoper steeds aansprakelijk te houden voorproducten die hij niet zelf heeft vervaardigd en redelijkerwijs ook niet opdeugdelijkheid heeft kunnen controleren. In dat geval behoort deeigenlijke veroorzaker van de ondeugdelijkheid (de producent) te wordenaangesproken.46 Het kan voorkomen dat de verkoper dezelfde persoon isals de producent. Dit maakt voor het kanalisatieprincipe geen verschil:betrokkene kan dan in zijn hoedanigheid van producent tot schadever-goeding worden aangesproken (afdeling 6.3.3 BW), niet in zijn rol vanverkoper (artikel 7:24 lid 2 BW). Artikel 7:50am BW verklaart artikel 7:24BW van overeenkomstige toepassing op de levering van digitale inhoudof digitale diensten.Professor M.B.M. Loos pleit voor het schrappen van de kanalisatiebe-paling bij consumentenkoop in artikel 7:24 lid 2 BW (en daarmee ookartikel 7:50am BW). Volgens Loos brengt deze bepaling mee dat deconsument-koper op dit punt in een slechtere positie verkeert dan eenprofessionele koper, die zich in beginsel kan wenden tot de verkoper. Loosstelt dat niet valt in te zien waarom de verkoper die tegenover eenconsument-koper staat op dit punt meer bescherming zou verdienen danwanneer hij tegenover een professionele koper staat. Naar aanleiding vandit betoog, stellen Koninklijke INretail (brancheorganisatie voor retailers inWonen, Mode Schoenen en Sport) en Techniek Nederland zich in hunreacties op het standpunt dat de kanalisatiebepaling behouden moetblijven. Zij wijzen erop dat verkopers geen «schuld» hebben aan hetontstaan van de schade en dat regres op de voorschakel in de praktijk nietaltijd mogelijk is. De Consumentenbond merkt op dat het voorgesteldeschrappen van artikel 7:24 lid 2, onderdeel c, BW (de franchise van€ 500,–) ertoe leidt dat verkopers consument-kopers voortaan ook voorkleine zaakschades kunnen doorverwijzen naar de producent. Hij ziet bijzaakschade onder de € 500,– bij voorkeur een gezamenlijke aansprake-lijkheid van de verkoper en de producent.De suggesties van Loos en de Consumentenbond tot het schrappenrespectievelijk aanpassen van de kanalisatiebepaling in artikel 7:24 lid 2BW zijn niet verwerkt in het wetsvoorstel. Uit vast beleid ten aanzien vanimplementatie van EU-recht volgt dat in een implementatiewet alleenregels die volgen uit de Richtlijn worden opgenomen. In het Regeerpro-gramma Schoof is dit uitgangspunt nog eens benadrukt.47 Er mag dusgeen nationaal beleid of nationale regelgeving van andere aard wordenmeegenomen. Verder is van belang dat de Richtlijn de kring van aanspra-kelijke marktdeelnemers uitbreidt met onder andere de gemachtigde vande fabrikant, de fulfilmentdienstverlener en, onder voorwaarden,onlineplatforms. Dit brengt mee dat er vaker een aansprakelijke markt-deelnemer in de EU zal zijn tot wie de consument zich kan wenden. Nainwerkingtreding van de implementatiewet zal worden bekeken hoe dekanalisatiebepaling in de praktijk uitwerkt. Mochten er signalen zijn dat46Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1990, p. 159–160.47Zie het Regeerprogramma, Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet d.d.13 september 2024, p. 8: «Tegelijkertijd moet Europese wetgeving niet verder gaan dan striktnoodzakelijk. Wat betreft dit kabinet komen er geen nieuwe nationale koppen op Europeesbeleid.»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 318 consumenten problemen ondervinden bij het halen van hun recht, dan zalworden bezien of, en zo ja, op welke wijze de kanalisatiebepaling dient teworden aangepast.(Afwijking van) het ontwikkelingsrisicoverweerDe Consumentenbond adviseert om een afwijking van het ontwikkelingsri-sicoverweer op te nemen voor «consumentengevoelige productcatego-rieën zoals kinderproducten, medische hulpmiddelen, voeding enAI-gestuurde consumentenelektronica». Dit advies wordt niet opgevolgd,omdat de noodzaak van een dergelijke afwijking onvoldoende is gebleken.De Richtlijn beoogt een balans te vinden tussen een hoog niveau vanconsumentenbescherming en de belangen van het bedrijfsleven eninnovatie. Afwijking van het ontwikkelingsrisicoverweer leidt tot eenruimere aansprakelijkheid van marktdeelnemers. Zij zijn in dat geval ookrisicoaansprakelijk als het op grond van de objectieve stand van dewetenschap en technische kennis niet mogelijk was het gebrek teontdekken op, kort gezegd, het moment dat het product in de handel werdgebracht. Dit kan innovatie belemmeren en afremmen. Ook onder Richtlijn85/374 heeft Nederland niet gekozen voor de optie om af te wijken van hetontwikkelingsrisicoverweer. In die zin is de keuze om geen gebruik temaken van de afwijkingsmogelijkheid in de Richtlijn ook in overeen-stemming met het uitgangspunt in het Regeerprogramma van zuivereimplementatie.«Regulatory compliance defence» (gebrek is gevolg van naleven wettelijkevoorschriften)De Consumentenbond is ook kritisch op het zogenoemde regulatorycompliance defence (artikel 11 lid 1, onderdeel d, Richtlijn; geïmplemen-teerd in artikel 6:185 lid 1, onderdeel d, BW). Zij vraagt om hieraan eenbepaling toe te voegen met de strekking dat naleving van minimum-normen geen vrijwaring van aansprakelijkheid biedt wanneer het productdesondanks onvoldoende veilig is gebleken.Het regulatory compliance defence maakt ook al onderdeel uit vanRichtlijn 85/374.48 Het houdt in dat een marktdeelnemer niet aansprakelijkis als hij aantoont dat het gebrek dat de schade heeft veroorzaakt eengevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is metwettelijke voorschriften. De marktdeelnemer zal dus moeten aantonen dathet ontwerp of de samenstelling van het product wettelijk is voorge-schreven en dat het gebrek rechtstreeks voortvloeit uit de noodzaak omdeze voorschriften in acht te nemen. Slaagt de marktdeelnemer hierin,dan is hij gevrijwaard van aansprakelijkheid. Onder Richtlijn 85/374 is ditverweer, voor zover bekend, nog nooit aantoonbaar toegepast.49 Deverwachting is dan ook dat deze situatie zich in de praktijk niet ofnauwelijks zal voordoen. Zoals hiervoor is opgemerkt, laat de Richtlijngeen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels over productaansprake-lijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie). Daarbij is ook vanbelang dat in de implementatiewet alleen regels die volgen uit de Richtlijnmogen worden opgenomen. Het voorstel van de Consumentenbond lijkter bovendien aan voorbij te gaan dat marktdeelnemers het regulatorycompliance-verweer alleen met succes kunnen inroepen als er eenoorzakelijk verband bestaat tussen het naleven van wettelijkevoorschriften en het ontstaan van het gebrek. Het voorstel van deConsumentenbond is daarom niet overgenomen in het wetsvoorstel.48Zie artikel 7, onderdeel d, van Richtlijn 85/374/EEG.49Zie C.J.J.M. Stolker, Groene Serie Onrechtmatige daad, art. 6:185 BW, aant. 2.4.1 (actueel t/m09-12-2022).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 319 Dropshipping en directe importDe Consumentenbond doet twee voorstellen tot uitbreiding van deproductaansprakelijkheidsregeling met het oog op dropshipping endirecte import. Bij dropshipping verkoopt een «dropshipper» productenzonder deze zelf op voorraad te hebben. Dit doet hij bijvoorbeeld dooronline producten uit landen buiten de EU door te verkopen, bijvoorbeelduit webwinkels in China, en deze rechtstreeks naar de klant te latenverzenden. Bij directe import koopt een consument zelf rechtstreeksproducten via een webwinkel of online platform buiten de EU, zondertussenkomst van een importeur en/of distributeur.In het geval van dropshipping en directe import is er geen aansprakelijkepartij in de EU op grond van de Richtlijn. Zoals ook hiervoor is opgemerkt,laat de Richtlijn geen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels overproductaansprakelijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie).Bovendien volgt uit het Regeerprogramma dat in de implementatiewetalleen regels die volgen uit de Richtlijn mogen worden opgenomen. Ditgeldt ook voor het voorstel van de Consumentenbond om onlineplatformshoofdelijk aansprakelijk te maken als zij verkopers van buiten de EUtoelaten op het platform zonder vooraf te controleren of er eenEU-importeur of gemachtigde is. De voorstellen van de Consumen-tenbond zijn daarom niet overgenomen.Het voorgaande neemt niet weg dat het belangrijk is dat consumentenzich bewust zijn van de risico’s van dropshipping en directe import. Omconsumenten hierover voor te lichten, is op de website van de rijks-overheid een pagina ingericht met informatie over hun rechten bij directeimport.50 Voor informatie over dropshipping wordt doorverwezen naar dewebsite van ACM ConsuWijzer.51 Bij dropshipping geldt dat dedropshipper verantwoordelijk is voor onder andere de veiligheid enlevering van de producten. De dropshipper kan dus, los van de regelsinzake productaansprakelijkheid, aansprakelijk zijn op grond van wanpres-tatie of onrechtmatige daad als de veiligheid of levering niet in orde zijn.Hij mag consumenten voor dit soort zaken dus niet zomaar doorverwijzennaar een partij buiten de EU. Op de website van de rijksoverheid is eenpagina te vinden met informatie over de regels waar dropshippers aanmoeten voldoen.52Circulaire economie, positie reparateurs en refurbish-bedrijvenTechniek Nederland en de Consumentenbond hebben opmerkingengemaakt over de positie onder de Richtlijn van reparateurs en refurbish-bedrijven die producten repareren of opknappen nadat zij op de markt zijngebracht.De Richtlijn regelt dat personen die een product ingrijpend wijzigen nadathet op de markt is gebracht, zonder dat de fabrikant daar zeggenschapover heeft, en het vervolgens in handel brengen of in gebruik stellen, alsfabrikant van dat product worden beschouwd (artikel 8 lid 2 Richtlijn;geïmplementeerd in artikel 6:187 lid 2 BW). Dit betekent dat zij op grondvan de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gehouden als dat product50https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bescherming-van-consumenten/vraag-en-antwoord/kopen-bij-webwinkels-buiten-de-eu. Zie verder een video op de website van de NederlandseVoedsel- en Warenautoriteit waarin consumenten worden gewaarschuwd dat producten uitwebwinkels buiten de EU niet altijd veilig zijn: https://www.nvwa.nl/documenten/videos/2019/11/26/video-laat-je-niet-inpakken.51https://www.consuwijzer.nl/online-winkelen/dropshipping-check-goed-waar-je-bestelt.52https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bescherming-van-consumenten/vraag-en-antwoord/dropshipping-voor-ondernemers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 320 gebrekkig is en daardoor schade veroorzaakt.53 Met het oog op eeneerlijke risicoverdeling in de circulaire economie, regelt de Richtlijn dat zijworden vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij bewijzen dat de schadeverband houdt met een onderdeel van het product waarop de ingrijpendewijziging geen betrekking heeft (artikel 11 lid 1, onderdeel g, Richtlijn;geïmplementeerd in artikel 6:185 lid 1, onderdeel g, BW). Marktdeel-nemers die reparaties of andere verrichtingen uitvoeren die geeningrijpende wijziging inhouden, zijn niet aansprakelijk op grond van deRichtlijn (zie ook overweging 39). Zij kunnen wel aansprakelijk zijn opgrond van wanprestatie of onrechtmatige daad.De Richtlijn bevat een definitie van «ingrijpende wijziging» (artikel 4 onder18 Richtlijn, geïmplementeerd in artikel 6:184a lid 1, onderdeel q, BW). Ofeen wijziging ingrijpend is, moet in de eerste plaats worden bepaald aande hand van criteria die zijn vastgesteld in het relevante EU- en nationaleproductveiligheidsrecht (zie bijvoorbeeld artikel 13 lid 3 van Verordening(EU) 2023/98854, over substantiële wijzigingen van producten die vaninvloed zijn op de veiligheid van het product). Wanneer dergelijke criteriavoor het betrokken product niet zijn vastgesteld, wordt als «ingrijpendewijziging» beschouwd: een wijziging die (i) de oorspronkelijke prestaties,het doel of het type van een product wijzigt, zonder dat die wijziging wasvoorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van de fabrikant, en (ii)de aard van het gevaar verandert, een nieuw gevaar creëert of hetrisiconiveau verhoogt. Het gaat er dus om of het product zodanig wordtgewijzigd dat dat gevolgen heeft voor de veiligheid en risico’s van hetproduct die door de oorspronkelijke fabrikant niet waren voorzien. Ofdaarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.De Consumentenbond merkt op dat bedrijven die producten opknappen(refurbishen)55 en cruciale onderdelen vervangen zonder dat er sprake isvan een «ingrijpende wijziging», niet zullen kwalificeren als fabrikant in dezin van de Richtlijn. De Consumentenbond vreest dat het hierdoor voorconsumenten onzeker is wie aansprakelijk is in het geval een opgeknaptproduct gebrekkig is en schade veroorzaakt. De Consumentenbondsuggereert daarom om op nationaal niveau de volgende bepaling toe tevoegen aan het voorgestelde artikel 6:187 BW: «wie een product voorwederverkoop zodanig reviseert dat een nieuwe CE-keur of nieuwegarantie wordt afgegeven, geldt als fabrikant». Deze toevoeging geeft eennadere invulling aan het begrip «fabrikant» en stelt nadere regels voorproductaansprakelijkheid op nationaal niveau. Zoals hiervoor isopgemerkt, laat de Richtlijn hiervoor geen ruimte (maximumharmoni-satie). De begrippen «ingrijpende wijziging» en «fabrikant» moetenuniform en autonoom worden uitgelegd. Die uitleg is uiteindelijkvoorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Het is daarom niettoegestaan om deze begrippen op nationaal niveau verder in te vullen. Totslot volgt uit het Regeerprogramma dat in de implementatiewet alleen53In het geval van een ingrijpend gewijzigd product gaat er ook een nieuwe vervaltermijn lopen(artikel 17 lid 1, onderdeel b, Richtlijn; geïmplementeerd in artikel 6:191a lid 1, onderdeel b,BW).54Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzakealgemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van hetEuropees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en deRaad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad enRichtlijn 87/357/EEG van de Raad.55Een opgeknapte (refurbished) zaak is een product of een product waarvan men zich heeftontdaan, welke is voorbereid, gereinigd, getest, een onderhoudsbeurt is gegeven en indiennodig is hersteld, om de prestaties of functionaliteit daarvan te herstellen binnen het beoogdegebruik en het prestatiebereik zoals die oorspronkelijk tijdens de ontwerpfase werden bedachten zoals die van toepassing waren op het moment van het in de handel brengen van hetproduct (definitie «opknappen» in artikel 2 onderdeel 18 van Verordening (EU) 2024/1781inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten (Ecodesignverordening).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 321 regels die volgen uit de Richtlijn mogen worden opgenomen. De hiervoorgenoemde suggestie van de Consumentenbond wordt dan ook nietovergenomen.Techniek Nederland uit haar zorgen over de kwetsbare positie van dereparateur die niet geautoriseerd is door de fabrikant om een bepaaldmerk of product te repareren. Indien hij een product «ingrijpend wijzigt»kan hij als fabrikant aansprakelijk worden gesteld op grond van deRichtlijn. Techniek Nederland vreest dat onduidelijkheid over de mogelijkeaansprakelijkheid van de reparateur kan leiden tot discussies tussenconsumenten, reparateurs en fabrikanten. Zij meent dat deze discussiesvanuit het belang van de circulaire economie voorkomen moeten worden.Zoals hiervoor is toegelicht, hangt het af van de omstandigheden geval ofeen wijziging moet worden aangemerkt als een «ingrijpende wijziging».Als een reparateur op verzoek van een consument een klein onderdeelrepareert of vervangt, waarbij het doel, de prestaties en de risico’s van hetproduct hetzelfde blijven, zal over het algemeen geen sprake zijn van eeningrijpende wijziging. Van aansprakelijkheid van de reparateur op grondvan de Richtlijn is in dat geval dan ook geen sprake. Dit geldt naarverwachting voor het merendeel van de reparaties. Die hebben immersals doel om een kapot apparaat weer te laten werken zoals voor hetdefect. Als een reparateur echter, zonder zeggenschap van de fabrikant,het product zodanig wijzigt dat daardoor, kort gezegd, nieuwe of hogereveiligheidsrisico’s ontstaan die door de oorspronkelijke fabrikant nietwaren voorzien, kan hij op grond van de Richtlijn als fabrikant aanspra-kelijk worden gesteld. Daarvoor is dan wel vereist dat hij het product nade ingrijpende wijziging in de handel heeft gebracht of in gebruik heeftgesteld. Daarnaast dient het ingrijpend gewijzigde product gebrekkig tezijn en dient er een oorzakelijk verband te bestaan tussen dat gebrek en deschade. Reparateurs die ingrijpende wijzigingen aanbrengen aan eenproduct, zonder dat de fabrikant daar zeggenschap over heeft, dienen zichbewust te zijn van hun gewijzigde aansprakelijkheidspositie. Het valtonder de professionele toewijding van reparateurs om zich hiervan op dehoogte te stellen.Techniek Nederland pleit in haar reactie voorts voor het duidelijk enzichtbaar vermelden van de levensduur van producten. In hetwetsvoorstel mist de brancheorganisatie dat de fabrikant duidelijkzichtbaar en herkenbaar aan iedere consument aangeeft hoe lang hetproduct veilig meegaat of gebruikt kan worden (de gebruiksduur). Eendergelijk voorschrift is inderdaad niet opgenomen in het wetsvoorstel,omdat dit wetsvoorstel alleen regels bevat die volgen uit de Richtlijn(zuivere implementatie). De Richtlijn bevat geen bepalingen over hetvermelden van de levensduur van producten. Voor de volledigheid wordtopgemerkt dat Richtlijn (EU) 2024/82556 wel bepaalt dat handelarenconsumenten informeren over het bestaan en de duur van een commer-ciële levensduurgarantie (fabrieksgarantie), in het geval dat deze gratis,voor meer dan twee jaar en met betrekking tot het hele goed wordtaangeboden door de producent. Handelaren zijn verplicht om consu-menten hierover te informeren wanneer zij hierover informatie hebbenontvangen van de fabrikant. Zij dienen hiervoor gebruik te maken van eengeharmoniseerd etiket.57 Lidstaten moeten de bepalingen uit Richtlijn (EU)2024/825 vanaf 27 september 2026 toepassen.56Richtlijn (EU) 2024/825 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari tot wijzigingvan de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van deconsument voor de groene transitie door middel van betere informatie en door middel vanbescherming tegen oneerlijke praktijken.57Ibidem, Artikel 2, lid 2, b) e bis).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 322 Tot slot maakt Techniek Nederland opmerkingen over de positie van dereparateur en de garantie voor een gerepareerd product.58 Deze opmer-kingen gaan niet over de regeling van de productaansprakelijkheid, maarover de regeling van non-conformiteit bij consumentenkoop. Als eenafgeleverde zaak niet voldoet aan de overeenkomst (non-conform is), dankan een consument-koper de verkoper vragen om herstel of vervangingvan de zaak (Titel 7.1 BW). Ook is de verkoper aansprakelijk voor schadedie de consument-koper door de non-conformiteit lijdt (behoudens deschade door een gebrekkig product waarvoor ingevolge de kanalisatiebe-paling van artikel 7:24 lid 2 BW de producent kan worden aangesproken).De Richtlijn ziet niet op de consumentenkoop. Er is bij de implementatievan de Richtlijn geen ruimte voor nadere bepalingen op nationaal niveauwaartoe de Richtlijn niet dwingt. Voor de inzet van Nederland in detransitie op weg naar de circulaire economie wordt verwezen naar hetNationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030.59Definitie van «component»De Consumentenbond doet een aantal suggesties ter verduidelijking enverfijning van de definitie van component. Deze suggesties zijn nietovergenomen in het wetsvoorstel en deze toelichting. De definitie vancomponent in het voorgestelde artikel 6:184a lid 1, onderdeel d, BW isovergenomen uit artikel 4 onder 4 van de Richtlijn. De uitleg van dierichtlijnbepaling is voorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Hetis daarom niet toegestaan om de definitie aan te passen.Aansprakelijkheid voor vervuild drinkwaterDe Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) stelt te vrezen datdrinkwaterbedrijven door lozingen van derden, via vervuiling van hundrinkwaterbronnen, aansprakelijk gesteld kunnen worden op grond vande Richtlijn. Volgens Vewin zijn dergelijke productaansprakelijkheidsri-sico’s niet altijd verzekerbaar, met als gevolg dat drinkwaterbedrijvenworden geconfronteerd met directe schadevergoedingskosten enjuridische kosten als de zaak voor de rechter komt. Vewin vraagt daaromom de introductie van een regresrecht, waarmee drinkwaterbedrijven opeen laagdrempelige wijze de vergoede schade kunnen verhalen op devervuilers van (de bronnen van) het product drinkwater.In de preambule van de Richtlijn is vermeld dat grondstoffen, zoals gas enwater, producten zijn (zie overweging 16). Dit is opgenomen ter verduide-lijking van het toepassingsbereik. Ook Richtlijn 85/354 is van toepassingop drinkwater.60 Als gebrekkig drinkwater schade veroorzaakt aannatuurlijke personen kan het drinkwaterbedrijf daarvoor aansprakelijkworden gesteld op grond van afdeling 6.3.3 BW. De Richtlijn brengt daaringeen verandering. Als een ander dan het drinkwaterbedrijf verantwoor-58Techniek Nederland vraagt zich af wie verantwoordelijk wordt voor de garantie «als eenapparaat buiten de fabrikant om gerepareerd wordt? Is een retailer (met reparatie) of eenreparatiebedrijf verantwoordelijk voor de garantie op de uitgevoerde reparaties, maar nietautomatisch voor de gehele garantie van het product?». Daarnaast doet zij drie voorstellen,luidende: «a. Een expliciete positionering van het Nationaal Reparateursregister als kwaliteits-instrument in relatie tot «geautoriseerde» reparatie; b. Een korte toelichting op risico’s bijsoftware-updates en/of modificaties van slimme installaties (voornamelijk van toepassingbinnen de installatiesector); c. Gezamenlijke verkenning van een gedeelde garantiestructuuren/of erkende reparatiebevoegdheid voor niet-geautoriseerde, professionele, vakbekwamereparateurs/reparatiebedrijven.»59Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030, Bijlage bij Kamerstukken II 2022–2023,32 852, nr. 225 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/02/03/nationaal-programma-circulaire-economie-2023-2030.60Zie o.m. C.J.J.M. Stolker, Groene Serie Onrechtmatige daad, art. 6:187 BW, aant. 1.3 (actueelt/m 09-12-2022).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 323 delijk is voor de vervuiling van het drinkwater, kan het drinkwaterbedrijfop basis van de bepalingen van nationaal recht regres nemen (artikel 6:10lid 1 BW in verbinding met de artikelen 6:102 lid 1 en 6:101 BW). Dit geldtzowel voor Richtlijn 85/374 als voor de Richtlijn.De risicoaansprakelijkheid van drinkwaterbedrijven op grond van afdeling6.3.3 BW neemt niet weg dat natuurlijke personen hun schade ook kunnenverhalen op bijvoorbeeld vervuilende bedrijven. Voor bedrijven dieschadelijke stoffen gebruiken geldt eveneens een risicoaansprakelijkheid(artikel 6:175 BW). Dit is een regeling van nationaal recht: degene die in deuitoefening van zijn beroep of bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft,terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, datzij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zakenoplevert, is aansprakelijk, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt (artikel6:175 lid 1 BW). Ook is het mogelijk dat natuurlijke personen eenvordering instellen op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW).In dat geval is wel vereist dat het vervuilende bedrijf een verwijt treft. Hetkan ook zo zijn dat in het geval van vervuild drinkwater verschillendepartijen aansprakelijk worden gesteld voor dezelfde schade, bijvoorbeeldde vervuiler en het drinkwaterbedrijf.Als de benadeelde zijn schade alleen wenst te verhalen op het drinkwater-bedrijf, kan het drinkwaterbedrijf zelf andere partijen in de procedure bijde rechter betrekken (in vrijwaring oproepen; artikelen 210–216 Rv). Ditmet het doel om bij een veroordeling direct de schade op de in vrijwaringopgeroepen derde te verhalen. Als er sprake is van een bedrijf datschadelijke stoffen in de drinkwaterbronnen heeft geloosd, kan ook hetdrinkwaterbedrijf zich op de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:175 BWberoepen. In dat geval hoeft het drinkwaterbedrijf niet aan te tonen dathet vervuilende bedrijf een verwijt treft.Het feit dat er verschillende partijen aansprakelijk zijn, wil overigens nietzeggen dat die partijen in hun onderlinge verhouding op gelijke wijzedraagplichtig zijn. Als een drinkwaterbedrijf geen verwijt te maken valt, enhet vervuilende bedrijf schuld treft, dan is het vervuilende bedrijf in deonderlinge verhouding draagplichtig (artikel 6:10 lid 1 in verbinding metartikel 6:102 lid 1 en 6:101 BW).De Richtlijn laat geen ruimte voor het invoeren van nieuwe regels overproductaansprakelijkheid op nationaal niveau (maximumharmonisatie).Daarbij is ook van belang dat in de implementatiewet alleen regels dievolgen uit de Richtlijn opgenomen mogen worden. De bestaande regelingvan aansprakelijkheid, vrijwaring en regres bieden drinkwaterbedrijvenmogelijkheden om andere partijen (bijvoorbeeld vervuilende bedrijven)aan te spreken voor de schade, waarvoor zij op grond van afdeling 6.3.3BW worden aangesproken.Bewijslastverdeling en weerlegbare bewijsvermoedensVerschillende reacties op de internetconsultatie gaan over de bewijslast-verdeling en weerlegbare bewijsvermoedens in het voorgestelde artikel6:188 BW. VNO-NCW en MKB-Nederland onderschrijven het uitgangspuntdat een bedrijf dat schade veroorzaakt hiervoor aansprakelijk gesteld moetkunnen worden, maar merken op dat omkering van de bewijslast eenzwaar middel is, omdat hiermee wordt afgeweken van het uitgangspunt«wie stelt, die bewijst».Deze stellingname van VNO-NCW en MKB-Nederland berust op eenonjuiste veronderstelling. Het is op grond van het wetsvoorstel aan deeiser (de benadeelde) om het gebrek van het product, de geleden schadeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 324 en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade te bewijzen(artikel 6:188 lid 1 BW). De weerlegbare bewijsvermoedens van het gebreken het oorzakelijk verband (artikel 6:188 leden 2–4 BW) hebben als doel debewijslast van de eiser te verlichten. Het bewijsrisico – het risico dat degestelde feiten niet bewezen worden – blijft hierbij rusten op de eiser. Vaneen omkering van de bewijslast is dus geen sprake. Ook uit de preambulevan de Richtlijn volgt dat een omkering van de bewijslast niet is beoogd(zie overweging 48: «om een eerlijke risicoverdeling te handhaven entegelijk een omkering van de bewijslast te voorkomen, (...)»). Ommisverstanden te voorkomen, is de toelichting bij artikel 6:188 BW op ditpunt aangevuld en verduidelijkt.VNO-NCW en MKB-Nederland, VIG en AmCham wijzen verder op eenvermeende inconsistentie tussen de tekst van artikel 6:188 lid 4 BW en dememorie van toelichting, waardoor onduidelijkheid zou bestaan over demogelijkheid van cumulatie van bewijsvermoedens. In de toelichting bijartikel 6:188 lid 4 BW is verduidelijkt dat de bewijsvermoedens van hetgebrek en het oorzakelijk verband tussen het gebrek en de schadecumulatief kunnen worden toegepast, voor zover ten aanzien van elkafzonderlijk vermoeden aan de daarvoor geldende vereisten is voldaan.Toegang tot bewijsmateriaal: bescherming van vertrouwelijke bedrijfsin-formatieVIG en AmCham hebben een aantal opmerkingen over het recht optoegang tot bewijsmateriaal (artikel 9 Richtlijn). Zij vragen om eenafbakening van de term «relevant bewijsmateriaal», omdat deze nieuweopen norm een risico zou creëren op zogenoemde «fishing expeditions».Hiermee doelen zij op de situatie dat de eisende partij vergaande toegangverzoekt tot allerhande bedrijfsinformatie zonder dat er een duidelijkbelang bestaat of een afbakening van wat werkelijk noodzakelijk is om hetgevorderde te onderbouwen.De term «relevant bewijsmateriaal» is opgenomen in de artikelen 9, leden1 en 2, en 10, lid 2, van de Richtlijn. De uitleg van die richtlijnbepalingen isvoorbehouden aan het Hof van Justitie van de EU. Het is daarom niettoegestaan om deze term op nationaal niveau af te bakenen. Het risico opfishing expeditions is echter beperkt, omdat de Richtlijn lidstaten verplichterop toe te zien dat het verlenen van toegang tot bewijsmateriaalovereenkomstig het nationale recht beperkt blijft tot wat noodzakelijk enevenredig is (artikel 9 leden 3–5 Richtlijn). Voor het Nederlandse rechtwordt verwezen naar het recht op inzage in de artikelen 194 en 195 Rv.Om in alle zaken te voorkomen dat informatie moet worden gedeeld dieniet relevant is voor de oplossing van het geschil of waarbij geen concreetbelang aanwezig is of die vertrouwelijk van aard is, zijn aan dit recht opinzage de nodige voorwaarden verbonden (artikel 194 lid 1 Rv). Daarnaastheeft de rechter mogelijkheden om het verzoek tot het verstrekken vaninformatie af te wijzen op grond van het bestaan van een verschonings-recht of gewichtige redenen (artikel 194 lid 2 Rv). Ook kan de rechter devoorwaarden waaronder en de wijze waarop de verstrekking vaninformatie moet plaatsvinden, nader bepalen (artikel 195 lid 2 Rv). Devoorwaarden, afwijzingscriteria en mogelijkheden voor de rechter biedenvoldoende waarborgen om zogenaamde fishing expeditions tegen tegaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 325 Link met Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en externeprocesfinancieringEen aantal organisaties (AmCham, VIG en Institute for Legal Reform of theAmerican Chamber of Commerce) legt in hun reacties op de internetcon-sultatie een link met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie(WAMCA). Zij stellen te vrezen dat de verruiming van de productaanspra-kelijkheidsregeling in combinatie met de mogelijkheden voor het voerenvan een collectie schadevergoedingsactie onder de WAMCA uitnodigt totstrategisch procederen, rechtsmisbruik en het instellen van frivolousclaims tegen bedrijven. Ook wijzen zij op het risico van forumshopping enhet ontbreken van maatregelen om dit risico in te perken, bijvoorbeeld tenaanzien van externe procesfinanciering, bescherming van bedrijfsge-voelige informatie of passende waarborgen bij massaschikkingen.Bij de totstandkoming van de Richtlijn representatieve vorderingen isRichtlijn 85/374 bewust opgenomen in Bijlage I met de EU-instrumentenwaarop de Richtlijn representatieve vorderingen van toepassing is. Losvan de regels die met de WAMCA zijn geïntroduceerd, geldt dus in elkelidstaat inmiddels een regeling voor het instellen van een collectieve(schadevergoedings)actie om inbreuken op de productaansprakelijkheids-regels te handhaven. De uitbreiding van de kring van aansprakelijkemarktdeelnemers in de Richtlijn geldt ook voor alle lidstaten. Verruimingvan de mogelijkheden voor benadeelden om hun schade wegens eengebrekkig product te verhalen, kan leiden tot meer individuele ofcollectieve zaken onder de Richtlijn representatieve vorderingen. Dezeverbetering van de positie van de benadeelde is een van de doelen van deRichtlijn. Aanpassing daarvan is enkel mogelijk door de EU-wetgever.Op de bevoegdheid van de rechter is de Verordening Brussel I bis vantoepassing.61 Ook dit is een Europese regeling, die bepaalt voor welkezaken je bij welke rechter in de EU terecht kan. Voor zover die regelingmeer dan één bevoegde rechter aanwijst in een productaansprakelijk-heidszaak en er dus een keuzemogelijkheid is voor de benadeelde, is diteen zaak van Unierecht. Nederland heeft daarop geen invloed.Aanpassing daarvan is enkel mogelijk door de EU-wetgever.Overigens biedt de Nederlandse WAMCA nog een waarborg tegencollectieve acties die geen band met Nederland hebben door het vereistein artikel 3:305a, lid 3, onder b, BW dat een belangenorganisatie die eencollectieve actie aanhangig maakt, alleen ontvankelijk is als de rechtsvor-dering voldoende nauw verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer.Verder geldt ingevolge artikel 1018c, lid 5, onder c, Rv dat een inhoudelijkebehandeling van een collectieve vordering alleen plaatsvindt indien dezeniet summierlijk ondeugdelijk is. Dit maakt dat zogeheten frivolous claimsdirect kunnen worden afgewezen. Niet gebleken is dat onder de WAMCAondeugdelijke vorderingen worden ingesteld. Van de mogelijkheid totvroegtijdige afwijzing is door de rechter tot op heden dan ook geengebruik gemaakt.Ten aanzien van externe procesfinanciering geldt dat de rechter op basisvan artikel 3:305a BW en de algemene regels van procesrecht voldoendemogelijkheden heeft om hier toezicht op te houden. Deze mogelijkhedenworden in de praktijk ook gebruikt, bijvoorbeeld door het opvragen van definancieringsovereenkomst en het beoordelen van de afspraken daarin.Ook artikel 10 van de Richtlijn representatieve vorderingen verplicht tothet hebben van deze mogelijkheden voor de controle van externe61Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging vanbeslissingen in burgerlijke en handelszaken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 326 financiering. Overigens is in 2023 een onderzoek uitgevoerd onderauspiciën van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum(WODC) naar de wenselijkheid van het instellen van een processenfonds.De uitkomst van het onderzoek was onder meer dat het nog te vroeg isom zinvolle conclusies te trekken: de financieringsmarkt is nog volop inontwikkeling en er was nog te weinig ervaring opgedaan sinds deinwerkingtreding van de WAMCA. De onderzoekers pleiten voor vervolg-onderzoek na drie tot vijf jaar.Opmerkingen over de Richtlijn zelfVIG en AmCham hebben verder een aantal opmerkingen over de Richtlijn,waaronder de daarmee beoogde maximumharmonisatie. De Richtlijn isreeds vastgesteld en in werking getreden. Aanpassing van deze regelingis enkel mogelijk door de EU-wetgever.Technische onvolkomenhedenTot slot zijn in verschillende consultatiereacties suggesties gedaan vooraanpassing van enkele technische onvolkomenheden, onder meerverband houdend met de vertaling van de Engelse tekst van de Richtlijn.Daarnaast is gevraagd om in de memorie van toelichting verwijzingen opte nemen naar bestaande EU- en nationale regelgeving. Deze suggestieszijn verwerkt in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting.7. Overgangsrecht en inwerkingtreding De Richtlijn is alleen van toepassing op producten die op of na9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Ditwetsvoorstel moet daarom ook alleen van toepassing zijn op dieproducten. De datum van inwerkingtreding wordt bij koninklijk besluitbepaald.II. ARTIKELSGEWIJS Artikel IOnderdeel A, wijziging artikel 173 lid 2 (kanalisatiebepaling bezittersaan-sprakelijkheid)De Richtlijn noodzaakt tot aanpassing van de kanalisatiebepaling in artikel6:173 lid 2 BW. Artikel 6:173 BW is opgenomen in Afdeling 2 van Titel 3van Boek 6 BW, die ziet op kwalitatieve aansprakelijkheid voor personenen zaken. Artikel 6:173 BW regelt de risicoaansprakelijkheid van de bezittervan een «gebrekkige»62 roerende zaak. Als een dergelijke zaak schadeveroorzaakt, kan het zijn dat op grond van afdeling 6.3.3 BW óók deproducent aansprakelijk is. De kanalisatiebepaling in artikel 6:173 lid 2 BWregelt dat de bezitter in dat geval niet aansprakelijk is: de aansprake-62Artikel 6:173 lid 1 spreekt van een roerende zaak die «niet voldoet aan de eisen die men in degegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 327 lijkheid wordt «gekanaliseerd» naar de producent.63 Hierop gelden tweeuitzonderingen. De bezitter is wel aansprakelijk, als, kort gezegd,aannemelijk is dat het gebrek pas na het in het verkeer brengen van hetproduct is ontstaan (artikel 6:173 lid 2, onderdeel a, BW) of als hetzaakschade betreft die op grond van de in afdeling 6.3.3 BW geregeldefranchise niet voor vergoeding in aanmerking komt (artikel 6:173 lid 2,onderdeel b, BW).64 In die situaties kan de producent niet wordenaangesproken op grond van de regeling in afdeling 6.3.3 BW (zie artikel6:185 lid 1, onderdeel b, BW en artikel 6:190 lid 1, onderdeel b, BW).Onderdeel A brengt wijzigingen aan in de hiervoor genoemde uitzonde-ringen op «kanalisatie» naar de producent (artikel 6:173 lid 2, onderdelena en b, BW). Die wijzigingen hangen allereerst samen het uitbreiden vande productaansprakelijkheid op grond van de Richtlijn. Die uitbreidingleidt ertoe dat de aansprakelijkheid van de bezitter in artikel 6:173 BWspiegelbeeldig wordt beperkt. Daarnaast vloeien de voorgesteldewijzigingen voort uit wijzigingen in de Richtlijn die van meer terminolo-gische aard zijn.Voorgesteld wordt de voorwaarde in onderdeel a, die samengevat inhoudtdat het gebrek is ontstaan nadat het product in het verkeer is gebracht, optwee manieren aan te passen. In de eerste plaats wordt de aanduiding «inhet verkeer is gebracht» vervangen door «in de handel werd gebracht, ingebruik werd gesteld of, in het geval van een distributeur (...), op de marktwerd aangeboden» (zie toelichting bij Onderdeel D, eerste lid). In detweede plaats wordt hieraan aan een cumulatieve voorwaarde toege-voegd in onderdeel b (nieuw). Deze nieuwe voorwaarde beperkt deaansprakelijkheid van de bezitter. Dit hangt samen met artikel 11 lid 2 vande Richtlijn, dat een uitzondering bevat op de vrijstellingsgrond in artikel11, onderdeel c, van de Richtlijn. Op grond hiervan is een marktdeelnemerin de toekomst ook aansprakelijk voor het gebrek van een product, als datgebrek, kort gezegd, is ontstaan nadat het product in het verkeer isgebracht, en te wijten is aan a) een bijbehorende dienst, b) software, metinbegrip van software-updates of -upgrades, c) een ontbreken vansoftware-updates of -upgrades die nodig zijn om de veiligheid tehandhaven of d) een ingrijpende wijziging van het product. Dit onder devoorwaarde dat de marktdeelnemer over de omstandigheden in a) tot enmet d) zeggenschap heeft. Deze uitbreiding van de productaansprake-lijkheid (zie toelichting bij Onderdeel D, tweede lid), leidt tot eenomgekeerd evenredige beperking van de bezittersaansprakelijkheid exartikel 6:173 BW.63Zie voor de strekking van deze bepaling: Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1386.Zie ook Asser/Sieburgh 6-IV 2023/228: «[De kanalisatiebepaling] berust enerzijds op hetuitgangspunt dat het opleggen van dubbele risicoaansprakelijkheid dient te wordenvermeden, zodat de bezitter (c.q. de bedrijfsmatige gebruiker) van een gebrekkig product nietaansprakelijk moet zijn naast degene die het product heeft geproduceerd; daarom wordt deaansprakelijkheid naar die producent «gekanaliseerd». Anderzijds heeft de wetgever het inbeginsel onredelijk geoordeeld de bezitter van een gebrekkig product aansprakelijk te stellenin gevallen waarin het regime van de richtlijn aansprakelijkheid van de producent nietaanvaardt; (...) De gedachte is dus deze, dat wanneer de producent ondanks zijn verantwoor-delijkheid voor het op de markt brengen van een gebrekkig product niet aansprakelijk is, debezitter of gebruiker ook niet aansprakelijk behoort te zijn, waarbij bedacht moet worden dathij, zo hij wél uit art. 6:173 BW zou kunnen worden aangesproken, ook geen regres op deproducent zou kunnen uitoefenen.»64Hiermee wordt dus een uitzondering gemaakt op het uitgangspunt dat de bezitter van eengebrekkig product niet aansprakelijk is in gevallen waarin er geen aansprakelijkheid van deproducent bestaat op grond van de richtlijn productaansprakelijkheid. De uitzondering inonderdeel a is opgenomen, omdat het in dit geval wel redelijk werd geacht dat de bezitter hetrisico van een gebrekkige roerende zaak jegens derden draagt. Dit gebrek kan bijvoorbeeld zijnontstaan door het gebruik dat hij van de zaak heeft gemaakt. Zie Asser/Sieburgh 6-IV 2023/228.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 328 Tot slot komt de uitzondering in het huidige onderdeel b te vervallen. Dithoudt verband met het vervallen van de franchise voor zaakschade.65 Nude markdeelnemer op grond van de Richtlijn aansprakelijk is voorzaakschade onder de € 500,–, ligt het voor de hand om de aansprake-lijkheid voortaan ook in die gevallen naar de marktdeelnemer te kanali-seren.Onderdeel B, vervanging «Produktenaansprakelijkheid» door «Product-aansprakelijkheid»Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de ouderwetse spellingswijzein het opschrift van afdeling 6.3.3 BW te vervangen.Onderdeel C, invoeging artikel 184a (definitiebepalingen en toepassings-bereik)Leden 1 en 2; definitiebepalingenIn de leden 1 en 2 zijn definitiebepalingen opgenomen van begrippen diein afdeling 6.3.3 BW voorkomen of hiervoor relevant zijn. De definitiebe-palingen zijn woordelijk overgenomen uit artikel 4, onder 1–16 en 18,Richtlijn en alleen van toepassing op afdeling 6.3.3 BW. Hierna wordtingegaan op lid 1, onderdelen a tot en met e, h, k tot en met r, en lid 2waarin de begrippen «digitaal fabricagedossier», «product», «bijbeho-rende dienst», «component», «fabrikant», «fulfilmentdienstverlener»,«gemachtigde», «op de markt aanbieden», «in de handel brengen», «ingebruik stellen», «importeur», «distributeur», «ingrijpende wijziging»,«marktdeelnemer» en «zeggenschap van de fabrikant» worden gedefi-nieerd. De onderdelen j en t behoeven geen afzonderlijke toelichting,omdat zij voor de definitie van «gegevens» en «onlineplatform» enkelverwijzen naar definities in andere Uniewetgeving. De definities van deEU-verordeningen en -richtlijnen in de onderdelen f, g, i en s zijnuitsluitend opgenomen om daar in de andere definitiebepalingenkortheidshalve naar te kunnen verwijzen. Ook deze onderdelen behoevendaarom geen nadere toelichting.Lid 1, onderdeel a (digitaal fabricagedossier)Onder het begrip «digitaal fabricagedossier» wordt verstaan: een digitaleversie van of een digitale template voor een roerende zaak die defunctionele informatie bevat die nodig is om een tastbaar voorwerp teproduceren door de geautomatiseerde besturing van machines ofgereedschappen mogelijk te maken, zoals boormachines, draaibanken,molens en 3D-printers (zie overweging 16). Digitale fabricagedossiersworden voor de toepassing van afdeling 6.3.3 BW als «product»beschouwd (zie toelichting bij lid 1, onderdeel b). Dit betekent bijvoor-beeld dat een gebrekkig computerondersteund ontwerpbestand dat in hetkader van een handelsactiviteit is ontwikkeld of geleverd, tot aansprake-lijkheid op grond van deze afdeling kan leiden. Bijvoorbeeld als ditbestand is gebruikt voor het maken van een 3D-geprint voorwerp dat doorde gebrekkigheid van het bestand schade veroorzaakt (zie overweging 16).65Hiermee wordt gedoeld op het niet terugkeren in de Richtlijn van een met artikel 9, aanhef enonder b, van Richtlijn 85/374/EG vergelijkbare bepaling. Deze bepaling luidt voor zoverrelevant: «Onder «schade» in de zin van artikel 1 wordt verstaan: b) beschadiging of vernie-tiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise tenbelope van 500 Ecu, (...)». Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 6:190, eerste lid,onderdeel b, en tweede lid, BW. Dit wetsvoorstel strekt tot aanpassing van dat artikel, waarbijde bepalingen over de franchise komen te vervallen (zie Artikel I, onderdeel I).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 329 Lid 1, onderdeel b (product)Onder het begrip «product» vallen alle roerende zaken, ook nadat dezezijn geïntegreerd in of onderling zijn verbonden met een andere roerendeof onroerende zaak. Ook elektriciteit en grondstoffen, zoals gas en water,zijn producten. Daarnaast is bepaald dat software en digitale fabricage-dossiers als «product» moeten worden beschouwd. Het begrip softwaremoet ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen onder meer besturingssys-temen, firmware, computerprogramma’s, applicaties en AI-systemen,ongeacht de wijze van levering of gebruik. Het maakt dus niet uit of desoftware op een apparaat is opgeslagen, via een communicatienetwerk ofcloudtechnologieën toegankelijk is, of wordt geleverd via een software-als-service-model (zie overweging 13). Informatie mag echter niet als eenproduct worden beschouwd.66 De productaansprakelijkheidsregels inafdeling 6.3.3 BW zijn daarom niet van toepassing op de inhoud vandigitale bestanden, zoals mediabestanden of e-boeken of de enkelebroncode van software (zie overweging 13).Lid 1, onderdeel c (bijbehorende dienst)Onder het begrip «bijbehorende dienst» vallen digitale diensten diezodanig in een product zijn geïntegreerd of daarmee onderling zijnverbonden dat het product zonder die dienst een of meer van zijn functiesniet zou kunnen vervullen. Voor voorbeelden wordt verwezen naarparagraaf 2.4 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.Bijbehorende diensten moeten worden beschouwd als componenten vanhet product waarin zij zijn geïntegreerd of waarmee zij onderling zijnverbonden wanneer zij onder zeggenschap van de fabrikant van datproduct staan (zie overweging 17). Zie over de begrippen «component» en«zeggenschap van de fabrikant» de toelichting bij lid 1, onderdeel d en lid2. Internettoegangsdiensten mogen niet worden aangemerkt als «bijbeho-rende diensten». Die diensten kunnen niet worden beschouwd alsonderdeel van een product waarover de fabrikant zeggenschap heeft. Hetzou daarom onredelijk zijn om fabrikanten aansprakelijk te stellen voorschade die wordt veroorzaakt door tekortkomingen in internettoegangs-diensten. Dit neemt echter niet weg dat een product dat afhankelijk is vaninternettoegangsdiensten en er niet in slaagt de veiligheid te handhavenals de internetverbinding wegvalt als «gebrekkig» kan worden beschouwdin de zin van afdeling 6.3.3 BW (zie overweging 17).Lid 1, onderdeel d (component)Onder het begrip «component» wordt verstaan: elk materieel of immate-rieel voorwerp («intangible item») dat, of elke grondstof of bijbehorendedienst die in een product is geïntegreerd of daarmee onderling isverbonden. Bij «immaterieel voorwerp» kan bijvoorbeeld worden gedachtaan software.Lid 1, onderdeel e (fabrikant)De bescherming van natuurlijke personen vereist dat elke fabrikant die bijhet productieproces betrokken is, aansprakelijk kan worden gesteld alseen product of een door die fabrikant geleverde component gebrekkig is66Dit is in overeenstemming met rechtspraak van het HvJEU over Richtlijn 85/374. Zie HvJEU10 juni 2021, zaak C-65/20, ECLI:EU:C:2021:471 (KRONE), waarin het HvJEU oordeelde dat eenexemplaar van een gedrukte krant geen «gebrekkig product» is in de zin van die richtlijn. Dekrant behandelde die een paramedisch onderwerp en gaf daarbij een onjuist gezondheids-advies over het gebruik van een plant. Hierdoor leed een lezer die dit advies opvolgdegezondheidsschade.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 330 (zie overweging 36). Artikel 4, onder 10, Richtlijn kent dan ook een ruimedefinitie van «fabrikant». Die definitie is overgenomen in lid 1, onderdeele. Onder «fabrikant» wordt in de eerste plaats verstaan een natuurlijkepersoon of rechtspersoon die een product ontwikkelt, vervaardigt ofproduceert (subonderdeel 1). In de tweede plaats wordt als fabrikantaangemerkt degene die het product heeft ontworpen of vervaardigd, ofdie zich, door zijn of haar naam, handelsmerk of andere onderscheidendekenmerken op dat product aan te brengen presenteert als de fabrikantervan (subonderdeel 2). Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van deEU (HvJEU)67 blijkt dat dit criterium met het oog op de bescherming vannatuurlijke personen ruim moet worden uitgelegd. Tot slot wordt ookdegene die een product voor eigen gebruik ontwikkelt, vervaardigt ofproduceert beschouwd als fabrikant (subonderdeel 3).Lid 1, onderdeel h (fulfilmentdienstverlener)Het begrip «fulfilmentdienstverlener» is overgenomen uit artikel 4, onder13, Richtlijn. Hierin is het gedefinieerd als een natuurlijke persoon ofrechtspersoon die in het kader van een handelsactiviteit ten minste tweevan de volgende diensten aanbiedt: opslag, verpakking, adressering enverzending van een product, zonder eigenaar van dat product te zijn.Hierop geldt een uitzondering voor postdiensten zoals gedefinieerd inartikel 2, punt 1, van Richtlijn 97/67/EG, pakketbezorgdiensten zoalsgedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2018/644 en alleandere postdiensten of vrachtvervoersdiensten. Deze definitie sluit aan bijde definitie van fulfilmentdienstverlener in de Uniewetgeving inzakeproductveiligheid en markttoezicht.68 Omwille van de leesbaarheid is in lid1, onderdeel h een verkorte verwijzing naar de relevante EU-regelgevingopgenomen.Lid 1, onderdeel k (gemachtigde)In lid 1, onderdeel k, is de begripsbeschrijving van «gemachtigde»overgenomen uit artikel 4, onder 11, Richtlijn. Onder «gemachtigde»wordt verstaan een in de EU gevestigde natuurlijke persoon of rechts-persoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens diefabrikant specifieke taken te vervullen. Hierbij gaat het om het uitvoerenvan bepaalde taken uit hoofde van Uniewetgeving, bijvoorbeeld op grondvan de wetgeving inzake productveiligheid69 en markttoezicht70 (zieoverweging 37).67Zie HvJEU 19 december 2024, C-157/23, ECLI:EU:C:2024:1045 (Ford Italia), waarin artikel 3 lid 1van Richtlijn 85/374/EEG – dat een met artikel 4 onder 10, subonderdeel 2, van de Richtlijnvergelijkbare bepaling bevat – aldus wordt uitgelegd dat de leverancier van een gebrekkigproduct moet worden beschouwd als «eenieder die zich als producent [van dat product]presenteert» in de zin van die bepaling, wanneer deze leverancier zijn naam, zijn merk of eenander onderscheidingsteken niet fysiek op dat product heeft aangebracht, maar het merk datde producent op het product heeft aangebracht overeenstemt met, ten eerste, de naam of eenonderscheidingsteken van die leverancier en, ten tweede, de naam van de producent.68Zie artikel 3 onder 12 van Verordening (EU) 2023/988 en artikel 3 onder 11 van Verordening(EU) 2019/1020.69Zie bijvoorbeeld artikel 10 van Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en deRaad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening (EU)nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van hetEuropees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het EuropeesParlement en de Raad en Richtlijn 87/357/EEG van de Raad (hierna: Verordening (EU)2023/988).70Zie bijvoorbeeld artikel 5 in verbinding met artikel 4, leden 2, onder c, en 3 van Verordening(EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffendemarkttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en deVerordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (hierna: Verordening (EU) 2019/1020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 331 Lid 1, onderdelen l, m en n (op de markt aanbieden, in de handel brengenen in gebruik stellen)In deze onderdelen van lid 1 worden de begrippen «op de marktaanbieden», «in de handel brengen» en «in gebruik stellen» gedefinieerd.Deze bepalingen zijn overgenomen uit artikel 4, onder 7–9, Richtlijn.Onder het begrip «op de markt aanbieden» wordt verstaan het in hetkader van een handelsactiviteit al dan niet tegen betaling verstrekken vaneen product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op demarkt van de EU (lid 1, onderdeel l). Hieronder vallen bijvoorbeeld ookproducten die worden geleverd in het kader van een sponsoringscam-pagne of producten die worden vervaardigd voor de met overheids-middelen gefinancierde dienstverlening, aangezien die vorm van leveringhoe dan ook een economisch of commercieel karakter heeft (zieoverweging 26). Onder het begrip «in de handel brengen» wordt verstaanhet voor het eerst in de EU op de markt aanbieden van een product (lid 1,onderdeel m). Het begrip «in gebruik stellen» is gedefinieerd als het al danniet tegen betaling voor het eerst gebruiken van een product in de EU inhet kader van een handelsactiviteit, wanneer dat product vóór het eerstegebruik ervan niet in de handel is gebracht (lid 1, onderdeel n). Dit begripis relevant voor producten die niet vóór hun eerste gebruik in de handelworden gebracht, zoals het geval kan zijn bij liften, machines of medischehulpmiddelen (zie overweging 26).Lid 1, onderdelen o en p (importeur en distributeur)De begrippen «importeur» en «distributeur» zijn overgenomen uit artikel4, onder 12 en 14, Richtlijn. Een «importeur» is een natuurlijke persoon ofrechtspersoon die een product uit een derde land in de EU in de handelbrengt. Deze definitie sluit aan bij de definitie van importeur in deUniewetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht.71 Onder«distributeur» wordt verstaan een andere natuurlijke persoon of rechts-persoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur die eenproduct op de markt aanbiedt. Deze definitie sluit aan bij de definitie vandistributeur in de Uniewetgeving inzake productveiligheid en markttoe-zicht.72Lid 1, onderdeel q (ingrijpende wijziging)Dit onderdeel van lid 1 bevat een begripsomschrijving van «ingrijpendewijziging». Deze bepaling is overgenomen uit artikel 4, onder 18, Richtlijn.Of een wijziging van een product, nadat het in de handel is gebracht of ingebruik is gesteld, ingrijpend is, moet worden bepaald aan de hand vancriteria die zijn vastgesteld in de toepasselijke Unie- of nationaalrechtelijkeregels inzake productveiligheid73 (subonderdeel 1). Indien dergelijkecriteria voor het betrokken product niet zijn vastgesteld, moet alsingrijpend worden beschouwd een wijziging (i) die de oorspronkelijkeprestaties, het doel of het type van het product verandert zonder dat ditwas voorzien in de oorspronkelijke risicobeoordeling van de fabrikant én(ii) die de aard van het gevaar verandert, een nieuw gevaar creëert of hetrisiconiveau verhoogt (subonderdeel 2). Voor wijzigingen door middel vaneen software-update of upgrade gelden dezelfde uitgangspunten als voorwijzigingen die op andere manieren worden aangebracht. Wanneer een71Zie artikel 3 onder 10 van Verordening (EU) 2023/988 en artikel 3 onder 9 van Verordening (EU)2019/1020.72Zie artikel 3 onder 11 van Verordening (EU) 2023/988 en artikel 3 onder 10 van Verordening(EU) 2019/1020.73In overweging 39 van de Richtlijn is verduidelijkt dat onder Uniewetgeving in ieder gevalVerordening (EU) 2023/988 wordt begrepen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 332 ingrijpende wijziging wordt aangebracht door middel van een software-update of upgrade, of als gevolg van het voortdurende leren van eenAI-systeem, moet het ingrijpend gewijzigde product worden geacht op demarkt te zijn aangeboden of in gebruik te zijn gesteld op het moment datdie wijziging daadwerkelijk wordt doorgevoerd (zie overweging 40).Lid 1, onderdeel r (marktdeelnemer)Het begrip «marktdeelnemer» is overgenomen uit artikel 4, onder 15,Richtlijn en omvat personen die op grond van de Richtlijn aansprakelijkkunnen worden gesteld voor de door een gebrekkig product veroorzaakteschade. Onder dit overkoepelende begrip vallen: een fabrikant van eenproduct of een component, een aanbieder van een bijbehorende dienst,een gemachtigde, een importeur, een fulfilmentdienstverlener en eendistributeur. Deze begrippen zijn hiervoor al toegelicht.Lid 2 (zeggenschap van de fabrikant)Het begrip «zeggenschap van de fabrikant» correspondeert met artikel 4,onder 5, Richtlijn en is om redactionele redenen opgenomen in hetvoorgestelde lid 2. Zeggenschap van de fabrikant omvat verschillendesituaties. In de eerste plaats is sprake van zeggenschap van de fabrikantals de fabrikant zelf een component, waaronder begrepen software-updates of -upgrades, integreert in of onderling verbindt met een product,of als hij deze zelf levert. Er is eveneens sprake van zeggenschap van defabrikant als hij toestemming geeft voor of instemt met de integratie,onderlinge verbinding of levering van een component door een derde (zieonderdeel a, aanhef en onder 1°). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als defabrikant van een slim huishoudelijk apparaat ermee instemt datsoftware-updates voor het apparaat van de fabrikant door een derdeworden geleverd (zie overweging 18). Een fabrikant mag echter nietworden geacht te hebben ingestemd met integratie of onderlingeverbinding om de enkele reden dat hij de technische mogelijkheid totintegratie of onderlinge verbinding verschaft, bepaalde merken aanbe-veelt of doordat hij potentiële bijbehorende diensten of componenten nietverbiedt (zie overweging 18). In de tweede plaats is sprake «zeggenschapvan de fabrikant» als de fabrikant het product zelf wijzigt, waaronderbegrepen ingrijpende wijzigingen (zie over het begrip «ingrijpendewijziging» de toelichting bij lid 1, onderdeel q) of als hij toestemminggeeft voor of instemt met wijziging van het product door een derde (zieonderdeel a, aanhef en onder 2°). Tot slot, en in de derde plaats, moetzeggenschap van de fabrikant worden aangenomen als hij zelf of via eenderde software-updates of -upgrades kan leveren (zie onderdeel b).Lid 3; uitzonderingen op toepassingsbereikLid 3 geeft de uitzonderingen op het toepassingsbereik van afdeling 6.3.3BW. Deze uitzonderingen corresponderen met de uitzonderingen op hettoepassingsbereik van de Richtlijn (artikel 2 leden 2 en 3 Richtlijn).Lid 3, onderdeel a, geeft uitvoering aan artikel 2 lid 2 Richtlijn. Dit bepaaltdat de Richtlijn niet van toepassing is op gratis en opensourcesoftware diebuiten het kader van een handelsactiviteit wordt ontwikkeld en geleverd.Hetzelfde moet daarom gelden voor afdeling 6.3.3 BW. Bij gratis enopensourcesoftware wordt de broncode openlijk gedeeld en hebbengebruikers onbelemmerd toegang tot de software of gewijzigde versiesdaarvan en kunnen zij deze gebruiken, wijzigen en herverdelen. Gratis enopensourcesoftware kan bijdragen tot onderzoek en innovatie op deinterne markt. Voor dergelijke software gelden licenties die iedereen devrijheid geeft om de software te gebruiken, te kopiëren, te verspreiden, teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 333 bestuderen, te wijzigen en te verbeteren. Als de Richtlijn van toepassingzou zijn op gratis en opensourcesoftware die buiten het kader van eenhandelsactiviteit wordt geleverd, zou dat innovatie en onderzoekbelemmeren (zie overweging 14). De Richtlijn (en daarmee afdeling 6.3.3BW) is wel van toepassing op opensourcesoftware die in het kader vaneen handelsactiviteit wordt geleverd. Hiervan is sprake als die softwarewordt geleverd in ruil voor een prijs of voor persoonsgegevens die nietuitsluitend worden gebruikt om de beveiliging, comptabiliteit of interope-rabiliteit van de software te verbeteren (zie overweging 14). De Richtlijn isook van toepassing als gratis en opensourcesoftware die buiten het kadervan handelsactiviteit wordt geleverd gebrekkig is en tot schade leidt,nadat een fabrikant die software als component heeft geïntegreerd in eenproduct in het kader van een handelsactiviteit. In dat geval is die fabrikantaansprakelijk voor de schade als gevolg van de gebrekkige software. Desoftwarefabrikant is in dat geval niet aansprakelijk op grond van afdeling6.3.3 BW (zie overweging 15).Lid 3, onderdeel b, implementeert artikel 2 lid 3 Richtlijn. Dit bepaalt datde Richtlijn niet van toepassing is op schade ten gevolge van nucleaireongevallen, voor zover de aansprakelijkheid voor dergelijke schade opgrond van door de lidstaten geratificeerde internationale verdragen wordtgedekt. De verdragen waar het voor Nederland om gaat, zijn:–het op 29 juli 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzakewettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie(Trb. 1961, 27; 1962, 64), zoals gewijzigd bij het op 28 januari 1964 teParijs gesloten Aanvullend Protocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 178), bijhet op 16 november 1982 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag(Trb. 1983, 80) en bij het op 12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocolbij dit Verdrag (Trb. 2005, 89);–het op 31 januari 1963 te Brussel tot stand gekomen Verdrag totaanvulling van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijkeaansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (Trb. 1963, 171),zoals gewijzigd bij het op 28 januari 1964 te Parijs gesloten AanvullendProtocol bij dit Verdrag (Trb. 1964, 179), bij het op 16 november 1982 teParijs gesloten Protocol bij dit Verdrag ( Trb. 1983, 81) en bij het op12 februari 2004 te Parijs gesloten Protocol bij dit Verdrag (Trb. 2005,90); en–het op 25 mei 1962 te Brussel tot stand gekomen Verdrag inzake deaansprakelijkheid van exploitanten van nucleaire schepen, metAanvullend Protocol (Trb. 1968, 90).Het laatstgenoemde verdrag is op 20 maart 1974 door het Koninkrijk derNederlanden voor Nederland geratificeerd, maar (nog) niet in werkinggetreden. In lid 3, onderdeel b, subonderdeel 3°, wordt dit verdrag daaromalleen genoemd voor het geval dat nog gebeurt.Onderdeel D, wijziging artikel 185 (aansprakelijkheid, vrijstelling envermindering van aansprakelijkheid)Lid 1; aansprakelijkheid en vrijstellingsgrondenHet voorgestelde artikel 6:185 BW sluit qua opzet aan bij het huidigeartikel 6:185 BW.In lid 1 wordt vooropgesteld dat de marktdeelnemer aansprakelijk is voorde schade van natuurlijke personen veroorzaakt door een gebrekkigproduct (vgl. artikel 1 Richtlijn). Vervolgens wordt hierop een uitzonderinggemaakt (de «tenzij-clausule»). De marktdeelnemer is vrijgesteld vanaansprakelijkheid als hij aannemelijk maakt en, indien nodig, bewijst dater sprake is van één van de in de onderdelen a t/m g genoemde omstan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 334 digheden. Dit betreft de implementatie van de vrijstellingsgronden inartikel 11 lid 1, onderdelen a t/m g, Richtlijn.74Met het oog op een eerlijke risicoverdeling, moeten marktdeelnemers vanhun aansprakelijkheid worden vrijgesteld als zij kunnen bewijzen dat ersprake is van specifieke ontlastende omstandigheden (zie overweging 49).Zo mogen markdeelnemers niet aansprakelijk worden gesteld als zijkunnen bewijzen dat een ander dan zijzelf het product tegen hun wil uithet vervaardigingsproces heeft gehaald (onderdelen a en b) of dat hetgebrek van het product te wijten is aan de naleving van wettelijkevereisten (onderdeel d). Marktdeelnemers worden eveneens van hunaansprakelijkheid vrijgesteld als zij bewijzen dat het niet mogelijk was omhet gebrek te ontdekken op grond van de stand van de wetenschappelijkeen technische kennis op het tijdstip waarop het product in de handel werdgebracht of in gebruik werd gesteld dan wel gedurende de periode waarinde fabrikant de zeggenschap over het product had (onderdeel e). Dit wordtook wel het «ontwikkelingsrisicoverweer» genoemd. De «stand van dewetenschappelijke en technische kennis» moet worden bepaald aan dehand van het meest geavanceerde niveau van toegankelijke objectievekennis gedurende de periode waarin de fabrikant zeggenschap over hetproduct had (zie overweging 52). Het gaat hierbij dus niet om de feitelijke(subjectieve) kennis die de betrokken markdeelnemer op het genoemdetijdstip had. Voor de mogelijkheid tot afwijking van het ontwikkelings-verweer wordt verwezen naar paragraaf 3.1.1 van het algemeen deel vandeze memorie van toelichting.Specifiek voor de fabrikant van een gebrekkige component geldt, dat hijwordt vrijgesteld van aansprakelijkheid als hij bewijst dat het gebrek vanhet product waarin die component is geïntegreerd is toe te schrijven aanhet ontwerp van dat product of aan de instructies die de fabrikant van datproduct aan hem heeft verstrekt (onderdeel f). Nieuw vergeleken metRichtlijn 85/374 (en het huidige artikel 6:185 lid 1 BW), is dat een persoondie het product ingrijpend wijzigt als bedoeld in artikel 6:187 lid 2 BWwordt vrijgesteld van aansprakelijkheid als hij bewijst dat het gebrek datdie de schade heeft veroorzaakt, verband houdt met een onderdeel vanhet product waarop de wijziging geen betrekking heeft (onderdeel g).Tot slot worden marktdeelnemers in beginsel vrijgesteld van aansprake-lijkheid als zij bewijzen dat het aannemelijk is dat het gebrek dat deschade heeft veroorzaakt, niet bestond op het tijdstip waarop zij hetproduct in de handel brachten of in gebruik stelden, of dat dit gebrek nadat tijdstip is ontstaan (onderdeel c). Het tijdstip waarop een product in dehandel wordt gebracht of in gebruik wordt gesteld is doorgaans hettijdstip waarop de fabrikant niet langer de zeggenschap over het productheeft, terwijl het voor distributeurs het tijdstip is waarop zij het product opde markt aanbieden (zie overweging 50).Lid 2; uitzondering op de vrijstellingsgrond in onderdeel cLid 2 implementeert artikel 11 lid 2 Richtlijn. Hierin is een uitzonderingopgenomen op de vrijstellingsgrond in artikel 11 lid 1, onderdeel c,Richtlijn. Een marktdeelnemer wordt niet vrijgesteld van aansprakelijkheidals het gebrek van het product te wijten is aan, en op voorwaarde dat defabrikant daarover zeggenschap heeft, a) een bijbehorende dienst, b)software, met inbegrip van updates of upgrades, c) het ontbreken vansoftware-updates of -upgrades die nodig zijn om de veiligheid tehandhaven, of d) een ingrijpende wijziging van het product. In dat geval is74Deze gronden komen grotendeels overeen met de vrijstellingsgronden in artikel 7 van Richtlijn85/374/EEG (geïmplementeerd in het huidige artikel 6:185 lid 1, onderdelen a t/m f, BW).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 335 de fabrikant dus (wel) aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door eengebrekkig product, óók als dat gebrek nog niet bestond toen hij hetproduct in de handel bracht of in gebruik stelde. Indien bijvoorbeeld eenslimme televisie wordt aangeboden als een televisie voorzien van eenvideoapplicatie, maar de gebruiker de applicatie na de aankoop van detelevisie moet downloaden van de website van een derde, moet detelevisiefabrikant, naast de fabrikant van de videoapplicatie, aansprakelijkblijven voor schade die wordt veroorzaakt door het gebrek van devideoapplicatie. Ook al is dat gebrek pas ontstaan, nadat de televisie in dehandel is gebracht (zie overweging 50).Leden 3 en 4; vermindering of opheffing van aansprakelijkheidDe voorgestelde wijzigingen in de (nieuwe) leden 3 en 4 zijn vooralredactioneel van aard. Voor het overige corresponderen deze leden nu almet artikel 13 leden 2 respectievelijk 1 Richtlijn. Artikel 13 lid 2 bepaalt,kort gezegd, dat de aansprakelijkheid van een marktdeelnemer kanworden verminderd of opgeheven wanneer de schade mede wordtveroorzaakt door eigen schuld van de benadeelde. Hiervan is bijvoorbeeldsprake als de benadeelde uit nalatigheid heeft verzuimd om door demarktdeelnemer aangeboden updates of upgrades te installeren die deschade hadden kunnen beperken of voorkomen (zie overweging 55).Artikel 13 lid 1 schrijft voor dat de aansprakelijkheid van een markdeel-nemer niet mag worden verminderd of opgeheven wanneer de schadezowel door het gebrek van een product als door een handelen of nalatenvan een derde wordt veroorzaakt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aande situatie dat een derde gebruikmaakt van een kwetsbaarheid van eenproduct op het gebied van cyberbeveiliging en daardoor bijdraagt aan deoorzaak van de geleden schade (zie overweging 55). In dat geval mag deaansprakelijkheid van de marktdeelnemer jegens de benadeelde nietworden verminderd of opgeheven. Wel zal die marktdeelnemer, overeen-komstig het nationale recht, verhaal kunnen nemen op die derde.Onderdeel E, wijziging artikel 186 (gebrek)Lid 1, aanhef; algemene maatstaf; objectieve gebrekkigheidsbeoordelingHet voorgestelde artikel 6:186 BW sluit qua opzet aan bij het huidigeartikel 6:186 BW. Lid 1 implementeert artikel 7 leden 1 en 2 Richtlijn. Deaanhef betreft de algemene beoordelingsmaatstaf van de gebrekkigheid:Een product is gebrekkig indien het niet de veiligheid biedt die eenpersoon mag verwachten of die uit hoofde van het Unierecht of nationalerecht is vereist, rekening houdend met alle omstandigheden van hetgeval. In de preambule wordt nadrukkelijk benoemd dat deze gebrekkig-heidsbeoordeling een objectieve analyse moet omvatten van de veiligheiddie het grote publiek mag verwachten en niet mag verwijzen naar deveiligheid die een bepaalde persoon mag verwachten (overweging 30).Hieruit volgt dat geen wezenlijke afwijking is beoogd ten opzichte van dehuidige maatstaf voor de beoordeling van de gebrekkigheid van eenproduct, die eveneens uitgaat van een objectieve analyse.75 Verderverduidelijkt de preambule dat bij de beoordeling van de gebrekkigheidonder meer rekening moet worden gehouden met het beoogde doel, hetredelijkerwijs te verwachten gebruik, de presentatie, de objectievekenmerken en de eigenschappen van het betrokken product, waaronder75Zie artikel 6 van Richtlijn 85/374/EEG en de bijbehorende overweging: «Overwegende dat bijde beantwoording van de vraag of een produkt een gebrek vertoont, ter bescherming van defysieke integriteit en de goederen van de consument, niet de ongeschiktheid van het produktvoor het gebruik de maatstaf moet zijn, doch het gebrek aan veiligheid die het grote publiekgerechtigd is te verwachten;»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 336 de verwachte levensduur, en met de specifieke eisen van de groepgebruikers voor wie het product is bestemd. Tot slot bevestigt depreambule de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU datsommige producten, zoals levensreddende medische hulpmiddelen, eenbijzonder hoog risico op het veroorzaken van schade aan personenmeebrengen en daarom aanleiding geven tot bijzonder hoge veiligheids-verwachtingen. Om met dergelijke verwachtingen rekening te houden,moet een rechter kunnen vaststellen dat een product gebrekkig iswanneer het tot dezelfde productieserie behoort als een product waarvanreeds is aangetoond dat het gebrekkig is (overweging 30).76Lid 1, onderdelen a tot en met i; relevante omstandigheden van het gevalNet als onder het huidige recht, dient bij de beoordeling van de gebrek-kigheid van een product rekening te worden gehouden met alle omstan-digheden van het geval. Lid 1, onderdelen a tot en met i, bevat eenopsomming van omstandigheden waarmee in ieder geval rekening dientte worden gehouden. Deze niet-uitputtende lijst correspondeert met deomstandigheden in artikel 7 lid 2, onderdelen a tot en met i, Richtlijn.De onderdelen a tot en met c komen in de kern overeen met het huidigeartikel 6:186 lid 1, onderdelen a tot en met c, BW en bevatten wijzigingenvan meer terminologische en verduidelijkende aard.De voorgestelde wijziging van onderdeel a is erop gericht de bepalingbeter te laten aansluiten bij de tekst van artikel 7 lid 2, onderdeel a,Richtlijn. Zo is «de presentatie van het produkt» vervangen door «depresentatie en de kenmerken van het product». Verder is verduidelijkt dathieronder moet worden begrepen: de etikettering, het ontwerp, detechnische kenmerken, de samenstelling en de verpakking van hetproduct, alsook de assemblage-, installatie-, gebruiks- en onderhoudsin-structies.Onderdeel b correspondeert reeds met artikel 7 lid 2, onderdeel b,Richtlijn («het redelijkerwijs te verwachten gebruik»). In dit onderdeel isdaarom alleen ouderwets taalgebruik aangepast («produkt» wordtvervangen door «product»). De voorgestelde wijziging van onderdeel c iserop gericht de bepaling beter te laten aansluiten bij artikel 7 lid 2,onderdeel e, Richtlijn. Dit bepaalt dat bij beoordeling van de gebrek-kigheid rekening moet worden gehouden met het tijdstip waarop hetproduct «in de handel is gebracht of in gebruik is gesteld of, indien defabrikant na dat tijdstip de zeggenschap over het product behoudt, hettijdstip met ingang waarvan de fabrikant niet langer de zeggenschap overhet product heeft».Nieuw vergeleken met Richtlijn 85/374 (en vergeleken met het huidigeartikel 6:186 lid 1 BW) zijn de onderdelen d tot en met i. Deze onderdelenworden hierna toegelicht.De onderdelen d en e corresponderen met artikel 7 lid 2, onderdelen drespectievelijk c, Richtlijn. Onderdeel d betreft het redelijkerwijs teverwachten effect op het product van andere producten waarvan kanworden verwacht dat zij samen met het product worden gebruikt, ondermeer door middel van onderlinge verbindingen. Dit onderdeel istoegevoegd om rekening te houden met het feit dat producten steedsvaker onderling verbonden zijn. Bij de beoordeling van de veiligheid vaneen product moet rekening worden gehouden met de redelijkerwijs teverwachten effecten van andere producten op het product in kwestie,bijvoorbeeld binnen een smart-home systeem (zie overweging 32).76Zie HvJEU 5 maart 2015, C-503/13 en C-504/13, ECLI:EU:C:2015:148, (Boston ScientificMedizintechnik /AOK Sachsen-Anhalt), punten 39–41.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 337 Onderdeel e behelst het effect op het product van het vermogen om teblijven leren of nieuwe functies te verwerven nadat het in de handel isgebracht of in gebruik is gesteld. Dit onderdeel is toegevoegd om recht tedoen aan de legitieme verwachting dat de software en de onderliggendealgoritmen van een product zodanig zijn ontworpen dat gevaarlijkproductgedrag wordt voorkomen. De gedachte hierachter is dat eenfabrikant die een product ontwerpt dat onverwacht gedrag kan ontwik-kelen, aansprakelijk blijft voor gedrag dat schade veroorzaakt (zieoverweging 32).De onderdelen f en g implementeren artikel 7 lid 2, onderdelen f en g,Richtlijn. Onderdeel f ziet op de relevante productveiligheidsvoorschriften,waaronder veiligheidsgerelateerde cyberbeveiligingsvoorschriften. Ditonderdeel maakt duidelijk dat voor het bepalen van het veiligheidsniveaudat een persoon mag verwachten, rekening dient te worden gehoudenmet wetgeving inzake productveiligheid en markttoezicht (zie overweging34). Onderdeel g betreft vervolgens alle terugroepingen van het productof andere relevante interventies met betrekking tot de productveiligheiddoor een bevoegde autoriteit of door een marktdeelnemer zelf. Uit depreambule volgt dat hoewel deze interventies relevant zijn voor debeoordeling van de gebrekkigheid, deze op zichzelf beschouwd geenvermoeden van gebrekkigheid mogen doen ontstaan (zie overweging 34).Onderdeel h implementeert artikel 7 lid 2, onderdeel h, Richtlijn. Hieruitvolgt dat bij de gebrekkigheidsbeoordeling rekening moet wordengehouden met «de specifieke behoeften van de gebruikersgroep voor wiehet product is bestemd». Denk bijvoorbeeld aan speelgoed voor kleinekinderen, die misschien geneigd zijn kleine onderdelen van een product inhun mond te stoppen. Onderdeel i correspondeert met artikel 7 lid 2,onderdeel i, Richtlijn. Dit bepaalt dat bij de gebrekkigheidsbeoordelingvan producten die juist bedoeld zijn om schade te voorkomen, rekeningmoet worden gehouden met elk falen van dat product om aan dat doel tevoldoen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een waarschuwingssys-temen, zoals een rookmelder (zie overweging 33).Lid 2; bestaan van een beter product maakt een product nog nietgebrekkigLid 2 implementeert artikel 7 lid 3 Richtlijn. Lid 2 bepaalt, kort gezegd, dathet enkele bestaan of het enkele later in de handel brengen van een beterproduct onvoldoende is voor de conclusie dat een product gebrekkig is.Dit geldt eveneens voor de enkele levering van updates of upgrades vaneen product. Ook dit kan niet leiden tot de conclusie dat een eerdereversie van het product gebrekkig is. Deze bepaling is opgenomen in hetbelang van de keuzevrijheid van de consument en ter bevordering vaninnovatie, onderzoek en een vlotte toegang tot nieuwe technologieën (zieoverweging 35). Richtlijn 85/374 bevat een vergelijkbare bepaling, maarnoemt niet uitdrukkelijk de updates en upgrades.77Onderdeel F, wijziging artikel 187 (aansprakelijke marktdeelnemers)De voorgestelde wijziging van artikel 6:187 BW strekt tot implementatievan artikel 8, leden 1–4, Richtlijn. Dit betreft de marktdeelnemers die opgrond van de Richtlijn aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schadeveroorzaakt door gebrekkige producten (zie ook par. 2.4 b. van dezememorie van toelichting).77Zie artikel 6 lid 2 van de Richtlijn 85/374/EG. Deze bepaling is geïmplementeerd in het huidigeartikel 6:185 lid 2 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 338 Lid 1 implementeert artikel 8 lid 1, onderdelen a tot en met c, Richtlijn. Hetbepaalt in de eerste plaats dat de fabrikant van een gebrekkig productaansprakelijk is op grond van artikel 6:185 lid 1 BW (onderdeel a).Onverminderd de aansprakelijkheid van de fabrikant, is ook de fabrikantvan een gebrekkige component aansprakelijk, indien die component isgeïntegreerd in of onderling verbonden is met een product waarover defabrikant zeggenschap heeft en ertoe heeft geleid dat dat productgebrekkig werd (onderdeel b). Daarbij is verduidelijkt dat de in onderdeela bedoelde aansprakelijkheid van de fabrikant ook alle schade omvat dieis veroorzaakt door een gebrekkige component die is geïntegreerd in ofonderling verbonden is met een product waarover die fabrikant zeggen-schap heeft. In het geval de fabrikant van een product of componentbuiten de EU is gevestigd, kan de benadeelde, onverminderd de aanspra-kelijkheid van die fabrikant, de importeur (onderdeel c, subonderdeel 1°)of de gemachtigde van de fabrikant (onderdeel c, subonderdeel 2°)aansprakelijk stellen voor de door het gebrekkige product of degebrekkige component veroorzaakte schade. Wanneer er geen importeurof gemachtigde in de EU is gevestigd, kan hij de fulfilmentdienstverleneraansprakelijk stellen (onderdeel c; subonderdeel 3°).Lid 2 implementeert artikel 8 lid 2 Richtlijn. Dit bepaalt dat voor detoepassing van lid 1 als fabrikant van een product wordt beschouwd eennatuurlijke persoon of rechtspersoon die een product ingrijpend wijzigtzonder dat de fabrikant daarover zeggenschap heeft en het productvervolgens in de handel brengt of in gebruik stelt. De benadeelde kan diepersoon dus als fabrikant van het (ingrijpend gewijzigde) productaansprakelijk stellen voor de geleden schade (zie ook overweging 39).Lid 3 implementeert artikel 8 lid 3 Richtlijn. Dit regelt dat indien deidentiteit van een lid 1 bedoelde en in de EU gevestigde marktdeelnemer(d.w.z. fabrikant, importeur, gemachtigde of fulfilmentdienstverlener) nietkan worden vastgesteld, elke distributeur van het gebrekkige productaansprakelijk is. Dit is alleen anders als de distributeur de benadeelde deidentiteit meedeelt van een lid 1 bedoelde en in de EU gevestigdemarkdeelnemer of van zijn eigen distributeur. Deze mededeling dientplaats te vinden binnen een maand na de ontvangst van een daartoestrekkend verzoek van de benadeelde, aldus lid 3. Dit lid legt derhalve aande distributeur de last op om aannemelijk te maken en, indien nodig, tebewijzen dat aan deze voorwaarden voldaan. Slaagt hij hierin, dan is hijvrijgesteld van aansprakelijkheid. De benadeelde zal zich in dat gevalmoeten richten tot de markdeelnemer die aan hem is meegedeeld.Lid 4 implementeert artikel 8 lid 4 Richtlijn. Dit verklaart de regeling voorde aansprakelijkheid van distributeurs (lid 3) van overeenkomstigetoepassing op aanbieders van een onlineplatform onder tweevoorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het onlineplatform geen«marktdeelnemer» is in de zin van afdeling 6.3.3 BW. Deze voorwaardeverduidelijkt dat als onlineplatforms ten aanzien van een gebrekkigproduct de rol van fabrikant, importeur, gemachtigde, fulfilmentdienstver-lener of distributeur vervullen, zij onder dezelfde aansprakelijkheid vallenals die betreffende marktdeelnemers (zie leden 1–3). Lid 4 is in dat gevaldus niet van toepassing. De tweede voorwaarde behelst dat moet zijnvoldaan aan de voorwaarden van artikel 6 lid 3 van Verordening (EU)2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijzigingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 339 van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening).78Dit betekent datonlineplatforms op grond van afdeling 6.3.3 BW alleen aansprakelijkkunnen zijn, als zij het gebrekkige product presenteren of de overeen-komst die hierop ziet anderszins mogelijk maken op een wijze die eengemiddelde consument zou doen geloven dat het product wordt verstrektdoor het onlineplatform zelf.79 Lid 4 verklaart lid 3 in dat geval vanovereenkomstige toepassing. Dit betekent dat ook een onlineplatform kanworden vrijgesteld van aansprakelijkheid als zij de benadeelde binnen eenmaand, na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek, de identiteitmeedeelt van een in de EU gevestigde relevante markdeelnemer. Het isaan het onlineplatform om aannemelijk te maken en, indien nodig, tebewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan. Slaagt het onlineplatformdaarin, dan is het onlineplatform niet aansprakelijk en zal de benadeeldezich moeten wenden tot de markdeelnemer die aan hem is meegedeeld.Onderdeel G, wijziging artikel 188 (bewijslast)De voorgestelde wijziging van artikel 6:188 BW strekt tot implementatievan artikel 10 Richtlijn. Net als Richtlijn 85/374,80 bepaalt artikel 10 lid 1Richtlijn dat de eiser het gebrek van het product, de schade en hetoorzakelijk verband tussen het gebrek en de schade dient te bewijzen.Deze regel vloeit naar Nederlands recht reeds voort uit de hoofdregel vanbewijslastverdeling (artikel 150 Rv), maar is omwille van de duidelijkheidgehandhaafd.Nieuw ten opzichte van Richtlijn 85/374, zijn de weerlegbare bewijsver-moedens van het gebrek van product en het oorzakelijk verband tussenhet gebrek en de schade in artikel 10 leden 2–5 Richtlijn. Hiermee wordtbeoogd de op de eiser rustende bewijslast te verlichten (zie overweging46). Een bewijslastverlichting moet worden onderscheiden van eenomkering van de bewijslast. Van een omkering is in dit wetsvoorstel geensprake. Dit strookt met de preambule van de Richtlijn, waaruit blijkt dateen omkering van de bewijslast niet is beoogd (zie overweging 48).Lid 2, aanhef en onderdeel a, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef enonderdeel a, Richtlijn. Deze richtlijnbepaling houdt in dat het productwordt vermoed gebrekkig te zijn als de verweerder verzuimt toegang teverlenen tot relevant bewijsmateriaal op grond van artikel 9 lid 1 Richtlijn.Lid 2, aanhef en onderdeel a, verwijst voor deze verplichting naar deartikelen 194 en 195 Rv, die inhoudelijk overeenstemmen met artikel 9 lid1 van de Richtlijn (zie paragraaf 3.2 van het algemeen deel van dezememorie van toelichting). Verder wordt in plaats van de term«verweerder» de term «gedaagde» gebruikt, aangezien het bij zaken opgrond van afdeling 6.3.3 BW gaat om een dagvaardingsprocedure.78De digitaledienstenverordening beoogt bij te dragen aan de goede werking van de internemarkt voor tussenhandeldiensten door te voorzien in geharmoniseerde regels voor eenveilige, voorspelbare en betrouwbare onlineomgeving die innovatie bevordert en waarin de inhet Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde grondrechten,waaronder het beginsel van consumentenbescherming, doeltreffend worden beschermd.79Artikel 6 van de digitaledienstenverordening bevat een regeling die ziet op de aansprake-lijkheid van onlineplatforms die uitsluitend «host»-diensten verlenen. Het regelt voor dezeonlineplatforms een voorwaardelijke vrijstelling van aansprakelijkheid voor illegale dienstenen inhoud (artikel 6 lid 1). Hierop bestaat een uitzondering: Een onlineplatform is welaansprakelijk als het, kort gezegd, informatie, een dienst of product presenteert op een wijzedie een gemiddelde consument zou doen geloven dat die informatie, dienst of dat productwordt verstrekt door het onlineplatform zelf (artikel 6 lid 3).80Zie artikel 4 van Richtlijn 85/374/EEG. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 6:188 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 340 Lid 2, aanhef en onderdeel b, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef enonderdeel b, Richtlijn. Het onderdeel bepaalt dat het product wordtvermoed gebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat het product nietvoldoet aan de in het Unie- of nationale recht vastgestelde dwingendeproductveiligheidsvoorschriften die bedoeld zijn om bescherming tebieden tegen het risico van de door de benadeelde geleden schade. Ditvermoeden omvat ook gevallen waarin een product niet is voorzien vanmiddelen om informatie over de werking van het product te registreren,zoals is vereist op grond van het Unie- of nationale recht (zie overweging46).Lid 2, aanhef en onderdeel c, implementeert artikel 10 lid 2, aanhef enonder c, Richtlijn. Het onderdeel bepaalt dat het product wordt vermoedgebrekkig te zijn als de eiser aantoont dat de schade werd veroorzaaktdoor een kennelijk disfunctioneren van het product bij redelijkerwijs teverwachten gebruik of onder normale omstandigheden. In de preambuleis verduidelijkt wat moet worden verstaan onder «redelijkerwijs teverwachten gebruik». Dit omvat ten eerste het gebruik waarvoor eenproduct bedoeld is volgens de informatie die verstrekt is door de fabrikantof (andere) marktdeelnemer die het in de handel brengt. Ten tweedeomvat dit het normale gebruik zoals bepaald door het ontwerp en deconstructie van het product. Tot slot wordt hieronder verstaan: het gebruikdat redelijkerwijs kan worden verwacht wanneer een dergelijk gebruikvoortvloeit uit rechtmatig en eenvoudig voorspelbaar menselijk gedrag(zie overweging 46).Lid 3 implementeert artikel 10 lid 3 Richtlijn. Lid 3 bepaalt dat hetoorzakelijk verband tussen het gebrek van het product en de schade wordtvermoed wanneer is vastgesteld dat het product gebrekkig is en dat desoort veroorzaakte schade doorgaans strookt met het betrokken gebrek.Lid 4 implementeert artikel 10 lid 4, aanhef en onderdelen a en b, Richtlijn.In lid 4 zijn dienovereenkomstig bewijsvermoedens opgenomen van hetgebrek van het product en het oorzakelijke verband tussen het gebrek ende schade. Deze vermoedens zijn van toepassing indien de eiser, ondanksde toegang tot bewijsmateriaal:a)wordt geconfronteerd met buitensporige moeilijkheden, met name alsgevolg van technische of wetenschappelijke complexiteit, om hetgebrek van het product en/of het oorzakelijk verband tussen het gebreken de schade aan te tonen, énb)hij aantoont dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is en/ofdat het waarschijnlijk is dat voornoemd oorzakelijk verband bestaat.Bij de beoordeling hiervan dient de rechter rekening te houden met alleomstandigheden van het geval.Uit de richtlijnbepaling – met de terminologie «en/of» – volgt dat dezebewijsvermoedens cumulatief kunnen worden toegepast. In overeen-stemming met Aanbeveling 3.12 van de Aanwijzingen voor de Regel-geving blijft in Nederlandse wetten het gebruik van de uitdrukking «en/of»achterwege. Onder het woord «of» in het voorgestelde artikel 6:188 lid 4BW moet in dit geval daarom mede worden begrepen de situatie dat ineen procedure beide vermoedens worden toegepast (cumulatie). Voorcumulatie van de bewijsvermoedens is in de eerste plaats vereist dat deeiser wordt geconfronteerd met buitensporige moeilijkheden om hetgebrek van het product én het oorzakelijke verband tussen het gebrek ende schade aan te tonen (artikel 6:188 lid 4, onderdeel a, BW). De eiser zaldaartoe argumenten moeten aanvoeren, zowel ten aanzien van het gebrekals het oorzakelijk verband. In de tweede plaats zal de eiser moetenaantonen dat het waarschijnlijk is dat het product gebrekkig is én dat hetwaarschijnlijk is dat het oorzakelijk verband tussen het gebrek en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 341 schade bestaat (artikel 6:188 lid 4, onderdeel b, BW). Slaagt de eiser daarniet in en toont hij bijvoorbeeld alleen aan dat het waarschijnlijk is dat hetproduct gebrekkig is, dan zal alleen het vermoeden van het gebrek kunnenworden toegepast (en niet óók het vermoeden van het oorzakelijkverband).Uit de preambule van de Richtlijn blijkt dat per geval moet wordenbeoordeeld of sprake is van «technische of wetenschappelijkecomplexiteit». Daarbij dient de rechter rekening te houden met verschil-lende factoren. Die factoren moeten onder meer betrekking hebben op decomplexe aard van het product (zoals een innovatief medischhulpmiddel), de complexe aard van de gebruikte technologie (zoalsmachinaal leren), de complexe aard van de door de eiser te analysereninformatie en gegevens, alsook de complexe aard van het oorzakelijkeverband. Bij dit laatste valt te denken aan een verband tussen eenfarmaceutisch product of voedingsmiddel en het optreden van eengezondheidsaandoening. Ook kan worden gedacht aan een verband datalleen kan worden bewezen indien de eiser de interne werking van eenAI-systeem zou verduidelijken. Met betrekking tot «buitensporigemoeilijkheden» verduidelijkt de preambule dat het aan de eiser is omargumenten aan te voeren om dit aannemelijk te maken. De eiser hoeft ditechter niet te bewijzen. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat bij een met eenAI-systeem verband houdende vordering niet van de eiser mag wordenverlangd dat hij de specifieke kenmerken van het AI-systeem toelicht.Evenmin mag van die eiser worden verlangd dat hij verduidelijkt hoe diekenmerken het moelijker maken om het oorzakelijk verband vast testellen. Tot slot is in de preambule verduidelijkt dat gedaagde demogelijkheid heeft om alle elementen van de vordering te betwisten, dusook het bestaan van buitensporige moeilijkheden (zie overweging 48).Met de term «wordt vermoed» is tot uitdrukking gebracht dat de bewijs-vermoedens in de leden 2–4 weerlegbaar zijn81, zoals artikel 10 lid 5Richtlijn dwingend voorschrijft. De gedaagde kan de vermoedens van hetgebrek en het oorzakelijke verband weerleggen door tegenbewijs televeren.Onderdeel H, wijziging artikel 189 (aansprakelijkheid van meerderemarktdeelnemers)Artikel 6:189 BW correspondeert reeds met artikel 12 lid 1 Richtlijn(hoofdelijke aansprakelijkheid marktdeelnemers). Van de gelegenheid isgebruik gemaakt om ouderwets taalgebruik te vervangen («elk hunner»wordt vervangen door «ieder van hen»). Verder wordt om redactioneleredenen «artikel 185, eerste lid,» vervangen door «artikel 185 lid 1».Onderdeel I, wijziging artikel 190 (schade)De voorgestelde wijziging van artikel 6:190 BW strekt tot implementatievan artikel 6 lid 1 Richtlijn. Deze bepaling bevat een uitputtendeopsomming van de soorten schade waarvoor een recht op schadever-goeding bestaat op grond van de Richtlijn. Die opsomming is overge-nomen in de onderdelen a tot en met c, waarop hierna wordt ingegaan.Onderdeel a implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel a, Richtlijn. Hetvoorgestelde onderdeel bepaalt dat de aansprakelijkheid, bedoeld inartikel 6:185 lid 1 BW, bestaat voor schade door overlijden, lichamelijk ofgeestelijk letsel. Hieronder vallen bijvoorbeeld begrafeniskosten,medische kosten of gederfde inkomsten. In artikel 6 lid 1, onderdeel a,81Artikel 3.10 Aanwijzingen voor de regelgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 342 Richtlijn is omwille van de rechtszekerheid verduidelijkt dat onder«lichamelijk letsel» ook «medisch erkende schade aan de geestelijkegezondheid» wordt verstaan (zie overweging 21). Deze zinsnede wordtgeïmplementeerd met de term «geestelijk letsel», omdat dit beter aansluitbij de systematiek van het schadevergoedingsrecht in Boek 6 BW.82Onderdeel b implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel b, Richtlijn. Hetvoorgestelde onderdeel stelt voorop dat de aansprakelijkheid, bedoeld inartikel 6:185 lid 1 BW, bestaat voor schade door beschadiging of vernie-tiging van zaken («zaakschade»). Vervolgens worden hierop drie uitzonde-ringen gemaakt. Er bestaat geen recht op schadevergoeding voor schadeaan het gebrekkige product zelf (subonderdeel 1°), een product dat isbeschadigd door een gebrekkige component die door de fabrikant van datproduct of onder de zeggenschap van die fabrikant in dat product isgeïntegreerd of daarmee onderling is verbonden (subonderdeel 2°) enuitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikte zaken (subonderdeel 3°). Issprake van gemengd gebruik van een zaak (bijvoorbeeld een auto diezowel voor beroeps- als privédoeleinden wordt gebruikt), dan voorzietafdeling 6.3.3 BW wel in een mogelijkheid tot schadevergoeding. Verder isvan belang dat de Richtlijn, anders dan Richtlijn 85/37483, geen franchisekent voor zaakschade. De bepalingen over de franchise in het huidigeartikel 6:190 lid 1, onderdeel b, en lid 2 BW komen daarom te vervallen.Onderdeel c implementeert artikel 6 lid 1, onderdeel c, Richtlijn. Met ditvoorgestelde onderdeel wordt een nieuwe schadesoort toegevoegd:vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruiktegegevens. Op grond van het nieuwe onderdeel c kan een benadeeldebijvoorbeeld vergoeding vorderen van digitale bestanden die zijnverwijderd van de harde schijf, met inbegrip van de kosten voor hetterugwinnen of herstellen daarvan. Vernietiging of corruptie van gegevensleidt overigens niet automatisch tot materiële schade. Zo zal er geensprake zijn van schade als de benadeelde die gegevens zonder kosten kanherstellen of opnieuw kan verkrijgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan hetbestaan van een back-up of het opnieuw kunnen downloaden van diegegevens. Ook is denkbaar dat een marktdeelnemer gegevens die tijdelijkniet beschikbaar zijn, herstelt of opnieuw creëert, bijvoorbeeld in eenvirtuele omgeving (zie overweging 20). Vernietiging of corruptie van voorberoepsdoeleinden gebruikte gegevens, zelfs als dat niet uitsluitend zo is(bijvoorbeeld bij gemengd gebruik), komt niet voor vergoeding inaanmerking. Hiermee is beoogd een mogelijk risico op een buitensporigaantal rechtszaken tegen te gaan (zie overweging 22).Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat andere soorten schade dangenoemd in de onderdelen a tot en met c, zoals zuiver economischeschade, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of discriminatie, alszodanig geen aanleiding geven tot aansprakelijkheid op grond vanafdeling 6.3.3 BW. Een benadeelde kan hiervoor wel een schadevergoe-dingsvordering instellen op grond van nationaal recht, bijvoorbeeld deonrechtmatige daad (zie overweging 24). Verder is van belang dat hetrecht op schadevergoeding uit hoofde van afdeling 6.3.3 BW zowel geldtvoor directe slachtoffers, die schade lijden die rechtstreeks door eengebrekkig product is veroorzaakt, als voor indirecte slachtoffers, dieschade lijden als gevolg van de schade geleden door het directe slacht-offers. Dit evenwel alleen voor zover het nationale recht voorziet in devergoeding van schade van indirecte slachtoffers (zie overweging 27). Ditbetekent voor het Nederlandse recht dat de vergoeding van zogenoemde82Vgl. artikelen 6:107 lid 1 en 6:107a lid 1 BW, waarin eveneens wordt gesproken van «licha-melijk of geestelijk letsel».83Zie de artikelen 9, onderdeel b, en 18 van Richtlijn 85/374/EEG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 343 verplaatste schade, loonaanspraken en affectieschade ook kan wordengevorderd op grond van de regeling inzake productaansprakelijkheid(artikelen 6:107, 6:107a en 6:108 BW). Tot slot wordt opgemerkt dat deRichtlijn geen afbreuk doet aan de nationale regels voor de berekeningvan de schadevergoeding (zie overweging 23).Onderdeel J, wijziging artikel 191 (verjaringstermijn)Omwille van de duidelijkheid is ervoor gekozen de richtlijnbepalingenover de verjarings- en vervaltermijn (artikelen 16 en 17) te implementerenin twee verschillende wetsartikelen.84 Mede daarom wordt de tekst vanartikel 6:191 BW opnieuw vastgesteld. De vervaltermijn wordt geïmple-menteerd in een nieuw artikel 6:191a BW (zie hierna Onderdeel K). Dit sluitaan bij de opzet van de Richtlijn, waarin de verjarings- en vervaltermijneveneens in afzonderlijke artikelen zijn opgenomen. Het verduidelijkt ookdat het om verschillende rechtsfiguren gaat.De voorgestelde wijziging van artikel 6:191 BW strekt tot implementatievan artikel 16 lid 1 Richtlijn. Deze bepaling bevat een verjaringstermijn vandrie jaar voor rechtsvorderingen tot schadevergoeding op grond van deRichtlijn. Ook Richtlijn 85/374 kent een verjaringstermijn van drie jaar.85 Dewijzigingen in artikel 6:191 BW zijn dan ook beperkt van aard. Om debepaling te laten aansluiten bij de terminologie van de Richtlijn, wordt (i)«producent» telkens vervangen door «marktdeelnemer», wordt (ii) «hadmoeten worden» vervangen door «redelijkerwijs had moeten worden», enwordt (iii) voor de aanvang van de verjaringstermijn aangesloten bij «dedag waarop» de benadeelde kennis kreeg dan wel redelijkerwijs hadmoeten krijgen van de omstandigheden genoemd in de onderdelen a toten met c. De verjaringstermijn eindigt in elk geval zodra krachtens artikel6:191a BW het recht op schadevergoeding jegens de marktdeelnemervervalt (zie hierna).86Onderdeel K, invoeging artikel 191a (vervaltermijn)Lid 1; vervaltermijn van 10 jaarLid 1 implementeert artikel 17 lid 1 van de Richtlijn. Die voorgesteldebepaling bevat een vervaltermijn van tien jaar, net als Richtlijn 85/374 ende huidige regeling in het BW.87 In de preambule is toegelicht dat hetonredelijk zou zijn de marktdeelnemer voor een onbeperkte perioderisicoaansprakelijk te stellen voor de gebrekkigheid van zijn producten;producten zijn immers in de loop van de tijd aan slijtage onderhevig en erworden strengere veiligheidsnormen ontwikkeld naarmate de weten-schappelijke en technische kennis vooruitgaat. Voor de marktdeelnemerbetekent de vervaltermijn dan ook dat hij er na verloop van tijd op aan kandat hij niet meer op grond van de Richtlijn kan worden aangesproken (zieoverweging 57). Het voorgestelde artikel 6:191a lid 1, onderdeel a, bepaaltdat de vervaltermijn ingaat op de datum waarop het gebrekkige productdat de schade heeft veroorzaakt, in de handel werd gebracht of in gebruikwerd gesteld. Aangezien het bij ingrijpend gewijzigde producten in wezenom nieuwe producten gaat, bepaalt het voorgestelde onderdeel b vanartikel 6:191a BW dat de vervaltermijn in dat geval ingaat op de datumwaarop dat product na de ingrijpende wijziging ervan op de markt werd84Op dit moment zijn in artikel 6:191 BW zowel de verjarings- als de vervaltermijn opgenomen.85Zie artikel 10 lid 1 van Richtlijn 85/374/EG. Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 6:191 lid 1BW.86Dit is onder het huidige recht ook al zo. Zie Kamerstukken II 1985–1986, 19 636, nr. 2, p. 11 enKamerstukken II 1987–1988, 19 636, nr. 6, p. 28.87Zie artikel 11 van Richtlijn 85/374/EG. Dit artikel is geïmplementeerd in artikel 6:191 lid 2 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 344 aangeboden of in gebruik werd gesteld (bijvoorbeeld als gevolg vanrevisie). Updates of upgrades die niet neerkomen op een ingrijpendewijziging van het product, hebben geen invloed op de vervaltermijn dievan toepassing is op het oorspronkelijke product (zie overweging 58). Detenzij-bepaling in artikel 17 lid 1 («tenzij die benadeelde tijdens die termijneen procedure heeft ingeleid tegen een marktdeelnemer die op grond vanartikel 8 aansprakelijk kan worden gesteld») is niet overgenomen. Devervaltermijn beoogt te voorkomen dat de benadeelde een vordering totschadevergoeding kan instellen nadat tien jaren zijn verstreken na het inde handel brengen of in gebruik stellen van het product. Hieruit vloeitlogischerwijze voort dat wanneer de benadeelde binnen die termijn eenprocedure is begonnen, het verstrijken van de vervaltermijn tijdens dieprocedure niet meer van invloed kan zijn op het verloop daarvan. Metandere woorden, het verstrijken van de vervaltermijn kan in dat geval nietaan de benadeelde worden tegengeworpen.88Lid 2; vervaltermijn van 25 jaar bij latente gezondheidsschadeLid 2 implementeert artikel 17 lid 2 Richtlijn. Ingevolge het voorgesteldelid wordt de vervaltermijn verlengd tot 25 jaar, als een benadeeldevanwege de latentietijd van een lichamelijk letsel niet in staat was binnentien jaar een procedure in te leiden. Daarbij gaat het om gevallen waarinuit medische bewijsstukken blijkt dat de symptomen van een lichamelijkletsel langzaam opkomen (zie overweging 57). De tenzij-bepaling in artikel17 lid 2 Richtlijn is niet overgenomen om de hiervoor genoemde reden(zie toelichting op artikel 6:191a lid 1 (slot)).Lid 3; vervaltermijnen ook van toepassing op regresrecht medeaansprake-lijke derdeIn lid 3 is de bepaling uit het huidige artikel 6:191 lid 2, laatste volzin,overgenomen. Deze bepaling is van nationale origine en betreft het vervalvan het regresrecht van een derde die mede voor de schade aansprakelijkis, jegens de marktdeelnemer. Door de vervaltermijnen voor het regres-recht eveneens op tien respectievelijk 25 jaar te stellen, wordt bereikt datde marktdeelnemer nadien ook niet meer op grond van zijn regresplichtkan worden aangesproken.89Onderdeel L, wijziging artikel 192 (uitsluiting of beperking van aansprake-lijkheid)Dit onderdeel voert twee redactionele wijzigingen door in artikel 6:192BW.In lid 1, dat reeds in overeenstemming met artikel 15 van de Richtlijn90,wordt «de producent» vervangen door «de marktdeelnemer». Verderwordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om ouderwetse spelling tevervangen in lid 2 («produkt» wordt vervangen door «product»). Lid 2 kenteen nationale oorsprong91 en betreft de situatie dat, behalve deproducent, ook een derde die het product niet gebruikt in de uitoefening88Dit is overigens dezelfde redenering als ten grondslag lag aan het niet overnemen van detenzij-bepaling bij de implementatie van artikel 11 van Richtlijn 85/374/EG. Zie Kamerstukken II1987–1988, 19 636, nr. 6, p. 29.89Zie Kamerstukken II 1985–1986, 19 636, nr. 3, p. 11–12.90Artikel 12 van Richtlijn 85/374/EG bevat een vergelijkbare bepaling: «De aansprakelijkheid vande producent uit hoofde van deze richtlijn kan ten aanzien van de gelaedeerde niet wordenuitgesloten of beperkt bij overeenkomst.» Die bepaling is geïmplementeerd in artikel 6:192 lid1 BW en kan dus worden gehandhaafd.91Zie Kamerstukken II1985–1986, 19 636, nr. 3, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 345 van een beroep of bedrijf jegens de benadeelde aansprakelijk is.92 Voordat geval bepaalt lid 2 dat niet ten nadele van die derde kan wordenafgeweken van de regels inzake het regres. Daarmee maakt lid 2 eenafwijking van artikel 6:102 in verbinding met artikel 6:101 BW ten nadelevan die derde onmogelijk. De Richtlijn staat niet in de weg aanhandhaving van deze bepaling.93Onderdeel M, wijziging artikel 193 (verhouding tot nationale aansprakelijk-heidsregels)Dit onderdeel voert twee redactionele wijzigingen door in artikel 6:193BW. Dit artikel is in overeenstemming met artikel 2 lid 4, onderdeel b,Richtlijn. Die richtlijnbepaling houdt in dat de Richtlijn geen afbreuk doetaan de rechten die een benadeelde ontleent aan nationale regels inzakecontractuele aansprakelijkheid of buitencontractuele aansprakelijkheid opandere gronden dan het gebrek van het product, zoals vastgesteld in deRichtlijn, waaronder de ter uitvoering van het Unierecht vastgestelderegels. Richtlijn 85/374 bevat een vergelijkbare bepaling94 (geïmplemen-teerd in artikel 6:193 BW). De eerste wijziging betreft het vervangen van«de producent» door «de marktdeelnemer». De tweede wijziging betrefthet toevoegen van de zinsnede «op andere gronden dan het gebrek vanhet product». Hiermee wordt ook aangesloten bij rechtspraak van het Hofvan Justitie van de EU.95Onderdeel N, wijziging artikel 197 (aanpassing Tijdelijke regelingverhaalsrechten)Artikel 5 lid 2, onderdeel a, Richtlijn bepaalt dat vorderingen tot schade-vergoeding op grond van de Richtlijn ook moeten kunnen wordeningesteld door een persoon die krachtens het Unie- of nationale recht ofkrachtens een overeenkomst in de rechten van de benadeelde is getredenof in diens rechten is gesubrogeerd. Deze bepaling dient te wordengelezen in het licht van de doelstellingen van de Richtlijn, waaronder hetwaarborgen van de werking van de interne markt en de onvervalstemededinging. De Tijdelijke regeling verhaalsrechten (TRV) staat hiermeeop gespannen voet. Deze regeling is opgenomen in artikel 6:197 BW enhoudt, kort samengevat, in dat de risicoaansprakelijkheden in het BWbuiten toepassing blijven in het kader van de uitoefening van verhaals-rechten door sociale en particuliere verzekeraars en door de overheid. DeTRV geldt ook voor de productaansprakelijkheid. Dit betekent dat eenschadeverzekeraar, die de schade van haar verzekerde (de benadeelde)heeft vergoed, niet op grond van artikel 7:962 BW subrogeert in derechten van haar verzekerde op grond van afdeling 6.3.3 BW. Dit heeft totgevolg dat die schadeverzekeraar geen verhaal kan nemen op deproducent (de schadeveroorzakende partij) op grond van de risicoaan-sprakelijkheid in artikel 6:185 BW.9692Deze situatie zal zich overigens niet vaak voordoen gelet op de kanalisatiebepaling in artikel6:173 lid 2 BW. Zie in deze zin ook Asser/Sieburgh 6-IV 2023/269.93De Richtlijn schrijft in artikel 14 uitsluitend voor dat een aansprakelijke marktdeelnemer die deschade van de benadeelde heeft vergoed verhaal moeten kunnen nemen op andere op grondvan artikel 8 aansprakelijke marktdeelnemers. Dit betreft een andere situatie dan beschrevenin artikel 6:192 lid 2 BW. De richtlijn verwijst in de artikelen 12 lid 1, 13 lid 1 en 14 bovendienexpliciet naar het nationale recht inzake regres.94Artikel 13 van Richtlijn 85/374/EG luidt: «Deze richtlijn laat de rechten die de gelaedeerdeontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid of aan eenop het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn bestaande speciale aansprakelijkheids-regeling onverlet.»95HvJ EU 25 april 2002, C-183/00, ECLI:EU:C:2002:255 (Gonzáles Sánchez), punten 30–34.96De verzekeraar kan de producent wel aanspreken op grond van onrechtmatige daad (artikel6:162 BW), maar zal dan aannemelijk moeten maken en, indien nodig, bewijzen dat sprake isvan schuld of verwijtbaarheid («toerekenbaarheid»).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 346 Om strijd met artikel 5 lid 2, onderdeel a, Richtlijn, althans de doelstel-lingen van de Richtlijn, te voorkomen, wordt voorgesteld om in artikel6:197 leden 1 en 2 BW de verwijzing naar artikel 6:185 BW te schrappen.97Dit brengt mee dat een schadeverzekeraar die de door een gebrekkigproduct veroorzaakte schade van haar verzekerde (de benadeelde) heeftvergoed voortaan (ook) op grond van de risicoaansprakelijkheid inafdeling 6.3.3 BW verhaal kan nemen op de aansprakelijke marktdeel-nemer (en in voorkomend geval zijn aansprakelijkheidsverzekeraar).Artikel II (wijziging kanalisatiebepaling in artikel 7:24 lid 2 BW)Vanwege het vervallen van de franchise voor zaakschade98, dient dekanalisatiebepaling bij consumentenkoop in artikel 7:24 lid 2 BW teworden aangepast. Deze bepaling regelt dat de verkoper in het geval vannon-conformiteit niet aansprakelijk is voor schade als bedoeld in afdeling6.3.3 BW als de tekortkoming bestaat in een gebrek als bedoeld in dieafdeling. In dat geval wordt de aansprakelijkheid gekanaliseerd naar deproducent. Hierop wordt een uitzondering gemaakt (geen kanalisatie naarde producent; verkoper wel aansprakelijk) als de verkoper het gebrekkende of behoorde te kennen (onderdeel a), hij de afwezigheid van hetgebrek heeft toegezegd (onderdeel b) of als het zaakschade betreftwaarvan krachtens afdeling 6.3.3 BW geen recht op vergoeding bestaat opgrond van de in die afdeling geregelde franchise (onderdeel c). Artikel IIregelt dat onderdeel c komt te vervallen. Dit betekent dat voortaan ook deaansprakelijkheid voor zaakschade onder de € 500,– wordt gekanaliseerdnaar de marktdeelnemer als bedoeld in artikel 6:187 BW (mits aan devoorwaarden van artikel 7:24 BW is voldaan). De overige wijzigingen vanartikel 7:24 lid 2 BW zijn uitsluitend redactioneel van aard.Artikel III (overgangsrecht)Dit artikel regelt het overgangsrecht voor de wijzigingen in de Boeken 6 en7 BW. Artikelen 2 lid 1 en 21 Richtlijn harmoniseren het overgangsrecht.De lidstaten moeten de bepalingen van de Richtlijn, zoals omgezet in hetnationale recht, vanaf 9 december 2026 toepassen. De bepalingen zijn vantoepassing op producten die op of na 9 december 2026 in de handel zijngebracht of in gebruik zijn gesteld. Het nieuwe artikel 189aa van deOvergangswet nieuw BW implementeert de artikelen 2 lid 1 en 21Richtlijn. Op producten die vóór 9 december 2026 in de handel zijngebracht of in gebruik zijn gesteld blijven de vóór die datum geldendeafdelingen 6.3.3 en 6.3.5 BW en de vóór die datum geldende artikelen6:173 lid 2 en 7:24 lid 2 BW van toepassing.97In de literatuur wordt overigens ook breed aangenomen dat de Richtlijn noopt tot aanpassingvan de TRV. Zie o.a.: J. Wassink en M.B.M. Loos, «Productaansprakelijkheid in het digitaletijdperk. De Richtlijn productaansprakelijkheid bij de tijd gebracht», NtER 2023 nr. 1/2, p. 27;P.W.J. Verbruggen en J.J.G. van Vliet, «Duurzaamheid in het buitencontractueel aansprakelijk-heidsrecht. De belofte van drie Europese wetgevingsvoorstellen», WPNR 2023 (7407), p. 285;W.C.T. Weterings, «Productaansprakelijkheid, (regres)claims en verzekering», NTBR 2023/45,par. 1 en 2.3; R.L. Markus en Y. el Ghaddar, «De nieuwe Richtlijn productaansprakelijkheidontward: belangrijkste wijzigingen en impact op collectieve acties en de verzekeringsbranchein kaart gebracht», AV&S 2023/21 en T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D.Lindenbergh, Verbintenissen uit de wet en Schadevergoeding (Studiereeks Burgerlijk Recht,deel 5) (tiende druk), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 177, 180 en 420 (voetnoot 3).98Hiermee wordt gedoeld op het niet terugkeren in de Richtlijn van een met artikel 9, aanhef enonder b, van Richtlijn 85/374/EG vergelijkbare bepaling. Deze bepaling luidt voor zoverrelevant: «Onder «schade» in de zin van artikel 1 wordt verstaan: b) beschadiging of vernie-tiging van een andere zaak dan het gebrekkige product, met toepassing van een franchise tenbelope van 500 Ecu, (...)». Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 6:190, eerste lid,onderdeel b, en tweede lid, BW. Dit wetsvoorstel strekt eveneens tot aanpassing van datartikel (zie Artikel I, onderdeel I), waarbij de bepalingen over de franchise komen te vervallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 347 Artikel IV en V (inwerkingtreding en citeertitel)Deze artikelen regelen de inwerkingtreding en de citeertitel. Artikel 22Richtlijn schrijft dwingend voor dat de wettelijke en bestuursrechtelijkebepalingen op 9 december 2026 moeten zijn vastgesteld. Uit de artikelen 2lid 1 en 21 volgt dat de bepalingen van toepassing zijn op producten dieop of na 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijngesteld. Omdat de Richtlijn dwingend de vaststelling en toepassing vande bepalingen daarin voorschrijft, wordt afgeweken van de vasteverandermomenten (Ar 4.17 lid 5, uitzonderingsgrond d).Deze memorie van toelichting wordt ondertekend mede namens deMinister van Economische Zaken.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. RutteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 348 BIJLAGE: TRANSPONERINGSTABELTransponeringstabel in verband met de implementatie van de bepalingen van Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling in implementatiere-geling of bestaande regelingToelichting indien niet geïmple-menteerd of naar zijn aard geenimplementatie behoeftOmschrijving beleidsruimteToelichting op de keuze(n) bij deinvulling van de beleidsruimteArtikel 1Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat dezebepaling het onderwerp en doelvan de Richtlijn betreft.In Artikel I, onderdeel D,(wijziging van artikel 6:185 lid 1BW) is wel verduidelijkt dat deaansprakelijkheid ziet op schadevan «natuurlijke personen».Geen.–Artikel 2 lid 1Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling het temporeletoepassingsbereik van deRichtlijn betreft.Geen.–Artikel 2 lid 2Artikel I, onderdeel C, (invoegingartikel 6:184a lid 3, onderdeel a,BW).Geen.–Artikel 2 lid 3Artikel I, onderdeel C,(invoeging artikel 6:184a lid 3,onderdeel b, BW).Geen.–Artikel 2 lid 4 onder aBehoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling geen verplichtingenoplegt aan de lidstaten.Geen.–Artikel 2 lid 4 onder bNiet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:193 BW.Met Artikel I, onderdeel M,worden uitsluitend redactionelewijzigingen doorgevoerd (hetvervangen van »de producent»door «de marktdeelnemer» enhet invoegen van de zinsnede«op andere gronden dan hetgebrek van het product bedoeldin deze afdeling»).Geen.–Artikel 2 lid 4 onder cNiet geïmplementeerd, omdatdeze situatie zich in Nederlandniet voordoet.Geen.–Artikel 3Niet geïmplementeerd, omdatdeze bepaling het harmonisatie-niveau van de Richtlijn betreft.Geen.–Artikel 4Artikel I, onderdeel C, (invoegingartikel 184a leden 1–2 BW).Geen.–Artikel 5 lid 1Niet (afzonderlijk) geïmplemen-teerd, omdat het recht opschadevergoeding al voortvloeituit de huidige regeling inafdeling 3 van titel 3 van Boek 6BW, zoals gewijzigd door deimplementatie van de overigebepalingen van Richtlijn (EU)2024/2853.Geen.–Artikel 5 lid 2 onder a (bezien inlicht doelstellingen Richtlijn)Artikel I, onderdeel N, (wijzigingartikel 6:197 leden 1–2 BW).Geen.–Artikel 5 lid 2 onder bNiet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 3:305a e.v. BW.Geen.–Artikel 6 lid 1Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in artikel 6:190BW; deels wel geïmplementeerdin Artikel I, onderdeel I, (wijzigingartikel 6:190 BW).Geen.–Artikel 6 lid 2Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in de artikelen 6:95, 6:106BWGeen.–Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 349 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling in implementatiere-geling of bestaande regelingToelichting indien niet geïmple-menteerd of naar zijn aard geenimplementatie behoeftOmschrijving beleidsruimteToelichting op de keuze(n) bij deinvulling van de beleidsruimteArtikel 6 lid 3Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:193 BW.Met Artikel I, onderdeel M,worden uitsluitend redactionelewijzigingen doorgevoerd (hetvervangen van »de producent»door «de marktdeelnemer» enhet invoegen van de zinsnede«op andere gronden dan hetgebrek van het product bedoeldin deze afdeling»).Geen.–Artikel 7 lid 1Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in artikel 6:186 lid1 BW; deels wel geïmplemen-teerd in Artikel I, onderdeel E,(wijziging artikel 6:186 lid 1 BW).Geen.–Artikel 7 lid 2Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in artikel 6:186 lid1 BW; deels wel geïmplemen-teerd in Artikel I, onderdeel E,(wijziging artikel 6:186 lid 1 BW).Geen.–Artikel 7 lid 3Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in artikel 6:186 lid2 BW; deels wel geïmplemen-teerd in Artikel I, onderdeel E,(wijziging artikel 6:186 lid 2 BW).Geen.–Artikel 8 lid 1Artikel I, onderdeel F, (wijzigingartikel 6:187 lid 1 BW).Geen.–Artikel 8 lid 2Artikel I, onderdeel F, (wijzigingartikel 6:187 lid 2 BW).Geen.–Artikel 8 lid 3Artikel I, onderdeel F,(wijziging artikel 6:187 lid 3 BW).Geen.–Artikel 8 lid 4Artikel I, onderdeel F,(wijziging artikel 6:187 lid 4 BW).Geen.–Artikel 8 lid 5Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling geen verplichtingenoplegt aan de lidstaten.De Richtlijn biedt lidstaten deruimte om nationale sectoralecompensatieregelingen tehandhaven of nieuwe regelingenvast te stellen om benadeeldendie hun schade niet vergoedkrijgen wegens insolventie of hetniet meer bestaan van deaansprakelijke marktdeelnemerop een passende wijze tecompenseren. Nederland heeftop dit moment niet eendergelijke compensatieregeling.In lijn met vast kabinetsbeleidvoor de implementatie vanUnie-recht en ter voorkomingvan regeldruk is er daarom voorgekozen om niet alsnog eendergelijke regeling vast te stellen.–Artikel 9 leden 1 en 2Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 194 leden 1 en 2en artikel 195 lid 1 Rv.Geen.–Artikel 9 leden 3–6Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 194 lid 2 en artikel195 leden 1 en 2 Rv.Geen.–Artikel 9 lid 7Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling geen verplichtingenoplegt aan de lidstaten.Geen.–Artikel 10 lid 1Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:188 BW.Geen.–Artikel 10 lid 2 onder aArtikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoeging lid2, onder a).Geen.–Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 350 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling in implementatiere-geling of bestaande regelingToelichting indien niet geïmple-menteerd of naar zijn aard geenimplementatie behoeftOmschrijving beleidsruimteToelichting op de keuze(n) bij deinvulling van de beleidsruimteArtikel 10 lid 2 onder bArtikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoeging lid2, onder b).Geen.–Artikel 10 lid 2 onder cArtikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoeging lid2, onder c).Geen.–Artikel 10 lid 3Artikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoeging lid3).Geen.–Artikel 10 lid 4Artikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoeging lid4).Geen.–Artikel 10 lid 5Artikel I, onderdeel G, (wijzigingartikel 6:188 BW; toevoegingleden 2–4, de terminologie«wordt vermoed» duidt op eenweerlegbaar bewijsvermoeden).Geen.–Artikel 11 lid 1Artikel I, onderdeel D, (wijzigingartikel 6:185 lid 1 BW).Geen.–Artikel 11 lid 2Artikel I, onderdeel D, (wijzigingartikel 6:185; invoeging nieuw lid2).Geen.–Artikel 12 lid 1Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:189 BW.Geen.–Artikel 12 lid 2Niet geïmplementeerd, bestaandrecht. De regresverhoudingwaarvoor de Richtlijn in deartikelen 12 lid 1, 13 lid 2 en 14naar het nationale recht verwijst,kan in Nederland nu ook alcontractueel tussen partijenworden geregeld.Geen.–Artikel 13 lid 1Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in het huidigeartikel 6:185 lid 3 BW; deels welgeïmplementeerd in Artikel I,onderdeel D, (wijziging artikel6:185 BW; nieuw lid 4). Dit betrefthet vervangen van «producent»door «marktdeelnemer», «hetprodukt» door «het product» enhet na «verminderd» invoegenvan «of opgeheven».Geen.–Artikel 13 lid 2Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in het huidigeartikel 6:185 lid 2 BW; deels welgeïmplementeerd in Artikel I,onderdeel D, (wijziging artikel6:185 BW; nieuw lid 3). Dit betrefthet vervangen van «producent»door «marktdeelnemer» en «hetprodukt» door «het product».Geen.–Artikel 14Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:10 BW jo. 6:102lid 1 en 6:101 BW.Geen.–Artikel 15Niet geïmplementeerd, bestaandrecht in artikel 6:192 lid 1 BW.Met Artikel I, onderdeel L,(wijziging artikel 6:192 lid 1 BW)wordt slechts een redactionelewijziging door gevoerd (hetvervangen van «de producent»door «de marktdeelnemer»).Geen.–Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 351 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling in implementatiere-geling of bestaande regelingToelichting indien niet geïmple-menteerd of naar zijn aard geenimplementatie behoeftOmschrijving beleidsruimteToelichting op de keuze(n) bij deinvulling van de beleidsruimteArtikel 16 lid 1Deels niet geïmplementeerd,bestaand recht in artikel 6:191 lid1 BW; deels wel geïmplemen-teerd in Artikel I, onderdeel J,(wijziging artikel 191). Dit betrefthet onderbrengen van verjaringin een apart wetsartikel, hetvervangen van «de producent»door «de marktdeelnemer» enoverige redactionele wijzigingenom het artikel te laten aansluitenbij de Richtlijn.Geen.–Artikel 16 lid 2Niet geïmplementeerd, omdat debepaling geen verplichtingenoplegt aan de lidstaten.Geen.–Artikel 17 lid 1Artikel I, onderdeel K, (invoegingnieuw artikel 6:191a lid 1 BW).Geen.–Artikel 17 lid 2Artikel I, onderdeel K, (invoegingnieuw artikel 6:191a lid 2 BW).Geen.–Artikel 18 lid 1Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling een feitelijk handelenvan de centrale overheid betreftzonder dat derden daaropaanspraak hoeven te kunnenmaken. Deze situatie doet zich inNederland overigens ook nietvoor.Geen.–Artikel 18 leden 2–3Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat demogelijkheid om bepaaldegevallen af te wijken van hetontwikkelingsrisicoverweerrechtstreeks volgt uit de Richtlijn.Mocht afwijking van hetontwikkelingsrisicoverweer (in detoekomst) wenselijk blijken tezijn, dan dient dit zijn beslag tekrijgen in een apart wetsvoorstel.Daarvoor geldt dan de notificatie-regeling als beschreven in artikel18 leden 4–5 Richtlijn.–Artikel 18leden 4–5Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepalingen (notificatieregeling)een feitelijk handelen van decentrale overheid betreffenzonder dat derden daaropaanspraak hoeven te kunnenmaken.Geen.–Artikel 19 lid 1Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling een feitelijk handelenvan de centrale overheid betreftzonder dat derden daaropaanspraak hoeven te kunnenmaken.Geen.–Artikel 19 lid 2Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat debepaling zich slechts richt tot deEuropese Commissie.Geen.–Artikel 20Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat dezeevaluatiebepaling zich slechtsricht tot de Europese Commissie.Geen.–Artikel 21Artikel III (invoeging nieuw artikel189aa in de Overgangswet nieuwBW).Geen–Artikel 22Artikel IV.Geen.–Artikel 23Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat dezebepaling de inwerkingtredingvan de Richtlijn betreft.Geen.–Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 352 Bepaling Richtlijn (EU) 2024/2853Bepaling in implementatiere-geling of bestaande regelingToelichting indien niet geïmple-menteerd of naar zijn aard geenimplementatie behoeftOmschrijving beleidsruimteToelichting op de keuze(n) bij deinvulling van de beleidsruimteArtikel 24Behoeft naar zijn aard geenimplementatie, omdat dezebepaling de adressaten van deRichtlijn betreft.Geen.– Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 906, nr. 353

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 86a79714b9d51105

14 okt 2026 · e9126b5a068c13ac

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.