De financiële positie van studenten
Brontekst
Versie 44bd8bea25b11e4f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1161 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 november 2024Jongeren die gaan studeren zetten een volgende stap in hun ontwikkeling.Als samenleving maken we dat mogelijk door goed vervolgonderwijs tebieden, op het mbo, hbo en de universiteit. De overheid levert daar,samen met ouders en de student, zelf ook financieel een bijdrage aan.Studeren is immers ook een investering in jezelf. Met de herinvoering vande basisbeurs in het hbo en wo is de bijdrage vanuit de overheid vergroot,met als doel om de financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijste verstevigen. Dat zien we nu ook terug in de cijfers; 90% van destudenten geeft aan financieel (goed) rond te kunnen komen. Tegelijkertijdhebben studenten soms ook zorgen over hun financiële situatie. Destijgende prijzen van levensonderhoud en huur, maar ook de gevolgenvan de studieschuld dragen daaraan bij. Financiële zorgen kunnenbijdragen aan de prestatiedruk die studenten ervaren. Daarom is hetbelangrijk dat studenten grip hebben op hun financiële situatie en daarbewuste keuzes in maken.Om meer inzicht te krijgen in de financiële positie van studenten heeft hetNationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) dit jaar weer hetStudentenonderzoek naar de financiële positie van studenten uitgevoerd.Ook zijn studenten opnieuw opgenomen in de jaarlijkse koopkrachtbere-keningen van het Nibud die met Prinsjesdag zijn gepubliceerd. Verderheeft het Nibud een voorbeeldbegroting gemaakt van enkele studenten-huishoudens.Met deze brief reageer ik namens het kabinet op deze nieuwe inzichten.Het kabinet neemt verschillende maatregelen om studenten financieelweerbaarder te maken en helpt hen om verstandige financiële keuzes temaken. Ik zie nu geen aanleiding in het onderzoek om wijzigingen in hetstudiefinancieringsbeleid door te voeren. Het Nibud voert het Studenten- kst-31288-1161ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11611 onderzoek iedere twee jaar uit. Daarmee blijf ik de financiële situatie vanstudenten zorgvuldig monitoren.In de brief ga ik ook in op de uitvoering van de in het hoofdlijnenakkoordopgenomen extra tegemoetkoming voor studenten die onder hetleenstelsel hebben gestudeerd. Ook ga ik in deze brief in op de volgendemoties:•de motie Martens-America en Dassen over de belemmeringen voorstudenten bij het wisselen van opleidingsniveau1;•de motie Tseggai2 over voorzieningen voor studenten met eenondersteuningsvraag;•de motie Krul3 over studenten met mantelzorgtaken;•de motie Hertzberger4 over het plannen van exitgesprekken metstudenten die na twee jaar uitvallen.Verder informeer ik uw Kamer over enkele onderzoeken naar de WetStudiefinanciering BES. In de bijlage bij deze brief treft u het NibudStudentenonderzoek, de koopkrachtberekeningen en voorbeeldbegro-tingen voor enkele studentenhuishoudens.1. De financiële positie van studenten Het Studentenonderzoek wordt tweejaarlijks uitgevoerd onder studentenaan mbo, hbo en universiteit. Het Nibud vraagt studenten naar huninkomsten, uitgaven en houding ten opzichte van financiële zaken alslenen en schulden. In totaal zijn in het voorjaar van 2024 1.623 studentenin het hbo en wo via een online survey bevraagd en 1.614 mbo-studenten,waarvan 1.402 bol-studenten en 212 bbl-studenten. Hieronder ga ik eerstin op de vraag hoe studenten rond kunnen komen, gevolgd door desituatie van thuiswonende en uitwonende studenten. Ook heb ik aandachtvoor geldzorgen en betalingsachterstanden onder studenten.De belangrijkste conclusies die ik uit de onderzoeken van het Nibud trekzijn:•De meeste studenten komen over het algemeen (goed) rond, maar erbestaan verschillen tussen studenten;•Thuiswonende studenten komen financieel goed rond;•Uitwonende studenten beschikken in principe over genoeg financiëlemogelijkheden, maar er zijn uitzonderingen;•Geldzorgen en betalingsachterstanden onder studenten leiden totproblemen en veroorzaken stress.De meeste studenten kunnen over het algemeen (goed) rondkomenIk ben blij dat ongeveer 90% van de studenten aan het mbo, hbo en deuniversiteit in het Studentenonderzoek aangeeft financieel (goed) rond tekunnen komen. De herinvoering van de basisbeurs, de tijdelijkekoopkrachtmaatregel en de verruiming van de inkomensgrens voor deaanvullende beurs hebben daar volgens het Nibud een belangrijkebijdrage aan geleverd.Toch geeft ongeveer 10% van de studenten in het onderzoek aan hetfinancieel moeilijk te hebben. De redenen hiervoor zijn heel divers. Zogeven uitwonende studenten en studenten die wat ouder zijn vaker aanmoeilijk rond te kunnen komen. Ook geven studenten die geen financiële1Kamerstukken II, 2023–2024, 31 288, nr. 1123.2Kamerstukken II 2023/2024, 31 288, nr. 1143.3Kamerstukken II 2023/2024, 36 136, nr. 164Kamerstukken II 2023–2024 31 288, nr. 1138Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11612 bijdrage van ouders krijgen en niet lenen vaker aan het financieel zwaar tehebben. Studenten die moeilijk rond kunnen komen, geven zelf aan dat ditmet name komt door de gestegen prijzen en te weinig inkomsten. Eenkleiner deel geeft aan te gemakkelijk geld uit te geven.Ten tijde van het Studentenonderzoek was de tijdelijke koopkrachtmaat-regel nog van kracht. Daarmee ontvingen uitwonende studenten tijdelijkeen bedrag van € 164,30 per maand bovenop hun uitwonenden beurs.Zoals steeds is aangegeven, is per 1 augustus 2024 de maatregel komente vervallen voor mbo-studenten en per 1 september 2024 voor hbo- enwo-studenten. Uitwonende studenten hebben een lager bedrag permaand te besteden door het wegvallen van deze maatregel. Dat zien weook terug in de koopkrachtberekeningen van het Nibud, waarin uitwo-nende mbo-bol- en hbo- en wo-studenten er ten opzichte van 2024 in 2025respectievelijk 6,2% en 6,6% op achteruit gaan in koopkracht.5Ik kan me voorstellen dat studenten schrikken van dit koopkrachtverlies,maar ik wil benadrukken dat de tijdelijke koopkrachtmaatregel eenuitzonderlijke maatregel was in een tijd met uitzonderlijk hoge inflatie. Hetis dus niet te verwachten dat een dergelijke daling zich ook in de komendejaren voordoet. De situatie is nu anders. Vorig jaar is de basisbeursbovendien opnieuw ingevoerd voor studenten in het hbo en wo en dehoogte van de studiefinanciering wordt ook ieder jaar geïndexeerd; ditjaar zelfs met 10%. Dat komt neer op bijna € 70 per maand voor uitwo-nende studenten in het hbo en wo en bijna € 60 voor uitwonendembo-studenten. Het Nibud heeft vorig jaar nog geen koopkrachtbere-kening voor 2024 gemaakt, maar mijn inschatting is dat de koopkracht vanstudenten door de herinvoering van de basisbeurs en tijdelijkekoopkrachtmaatregel in 2024 juist is gestegen. Het koopkrachtverlies in2025 betekent dan ook niet dat studenten niet meer rond kunnen komen.Ik wil verder ook benadrukken dat het Nibud deze berekeningen baseertop gestandaardiseerde cijfers, bijvoorbeeld over de ontwikkeling van dewoonlasten per student. In de praktijk kan de financiële situatie perstudent (fors) verschillen. Zo maakt het voor iemands persoonlijkefinanciële ontwikkeling veel uit wat er gebeurt met de woonlasten en ofbijvoorbeeld de ouders financieel bijdragen. Het kan ook zo zijn datstudenten in de praktijk niet over alle inkomstenbronnen beschikken.Daarnaast kan er een verschil bestaan tussen de financiële middelen diestudenten in principe ter beschikking zouden moeten hebben en hoe zij inde praktijk hun financiële situatie ervaren. Jongeren zijn nog maar netfinancieel zelfstandig en worden aan allerlei verleidingen blootgesteld. Alsze tegelijkertijd geconfronteerd worden met alle kosten die bij studerenkomen kijken, kan ik me voorstellen dat zij het gevoel hebben moeilijkrond te kunnen komen. De gestegen prijzen van boodschappen en huurversterken dat gevoel, zo hoor ik zelf ook van studenten. Deze verschei-denheid maakt het lastig om eenduidige uitspraken over de financiëlesituatie van studenten te doen. In de volgende paragrafen probeer ik hiereen balans in te vinden.Thuiswonende studenten komen financieel goed rondUit het Nibud Studentenonderzoek concludeer ik dat thuiswonendestudenten meer dan voldoende financiële mogelijkheden hebben om tekunnen studeren en daarnaast andere uitgaven te doen. Het Nibud kan5Ik wil markeren dat dit een apart onderzoek is naar de financiële situatie van studenten. Hetkoopkrachtbeeld van het kabinet is altijd gebaseerd op de reguliere CPB-koopkrachtramingen,en de Nibud-cijfers zijn daar niet één-op-één mee te vergelijken, bijvoorbeeld doordat hetNibud eigen aannames heeft gemaakt over inflatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11613 geen uitspraken doen over de koopkrachtontwikkeling van thuiswonendestudenten of een voorbeeldbegroting van hun situatie opstellen. Thuiswo-nende studenten maken namelijk deel uit van een huishouden en oudersbetalen daarom vaak veel van hun kosten.Uit het Studentenonderzoek blijkt dat meerderjarige thuiswonendebol-studenten gemiddeld € 529 per maand uitgeven en hbo- enwo-studenten € 711. Het gaat hier wel om de situatie waarin ze alleuitgaven zelf zouden doen. In de praktijk betalen ouders vaak mee envallen de uitgaven voor veel studenten lager uit. Zij kunnen in principemet de basisbeurs, volledige aanvullende beurs of ouderbijdrage enzorgtoeslag voorzien in deze uitgaven. Mbo-studenten ontvangendaarmee in totaal ruim € 600 en hbo- en wo-studenten ongeveer € 700.Mochten zij hogere uitgaven hebben of de ouders minder bijdragen danverondersteld, dan kunnen ze werken of lenen om die uitgaven te kunnendoen.Studenten beschikken in principe over voldoende financiële mogelijk-heden om uitwonend te kunnen zijn, maar minder ruimte voor specifiekegroepenGemiddeld genomen beschikken studenten over voldoende financiëlemogelijkheden om uitwonend te kunnen zijn. De financiële toeganke-lijkheid van het vervolgonderwijs is dan ook op orde. In de voorbeeldbe-groting berekent het Nibud voor hbo- en wo-studenten op een kamer enin een studio, en een mbo-bol-student in een studio welke uitgaven zijminimaal moeten doen om te kunnen voorzien in de kosten van studie enlevensonderhoud. Daartegenover staan inkomsten uit studiefinanciering,werk, de ouderbijdrage en toeslagen. Het Nibud gaat er daarbij van uit datstudenten 12 uur per week werken (in het Studentenonderzoek gevenstudenten aan gemiddeld dit aantal uur te werken) en de verondersteldeouderbijdrage en/of de aanvullende beurs ontvangen. Ook gaat het Nibudervan uit dat studenten de uitgaven geheel zelf doen.Uit de voorbeeldbegrotingen komt naar voren dat een student aan hbo ofuniversiteit op kamers zonder te lenen € 74 per maand tekortkomt om ophet minimumniveau te leven. Voor een hbo- of wo-student in een studio isdat tekort € 234 per maand. De student kan dat tekort aanvullen door telenen, meer te werken of een hogere bijdrage van de ouders te vragen.Daardoor hebben deze studenten de mogelijkheid om boven hetminimumniveau te leven.Voor uitwonende mbo bol-studenten in een studio is de financiële ruimtebeperkter. Volgens de voorbeeldbegroting van het Nibud moet die studentmeer dan 12 uur per week werken en maximaal lenen om op hetminimumniveau uit te komen. Het gaat hier wel om een kleine groepstudenten; zeven procent van de bol-studenten is uitwonend. Ook zijn zegemiddeld wat ouder dan de gemiddelde bol-student. Het is mogelijk datzij al vaker samenwonen en daardoor kosten kunnen delen. Ook kan hetzijn dat studenten en hun ouders hebben gespaard om de kosten van destudie te betalen. In die situaties beschikken studenten dus over ruimerefinanciële mogelijkheden om uitwonend te zijn. Dit is niet meegenomen inde voorbeeldbegroting van het Nibud.Dit alles maakt dat er tussen studenten verschillen bestaan in de financiëleruimte die ze hebben om uitwonend te zijn. Een deel van de studentenbetaalt namelijk wel zelf alle kosten voor de studie en het levenson-derhoud, terwijl er ook studenten zijn die juist een veel hogere financiëlebijdrage van hun ouders krijgen. Studenten met minder financiële ruimtehebben gemiddeld gezien nog steeds de financiële mogelijkheid omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11614 uitwonend te zijn. Dat kan wel betekenen dat zij meer moeten werken oflenen, of op zoek moeten naar goedkopere woonruimte die verder wegkan liggen van de studie. Ik realiseer me dat er een groot tekort aanstudentenwoningen is, wat het in de praktijk moeilijk maakt om daadwer-kelijk woonruimte te vinden. Op dit punt ga ik verderop in de brief in.Geldzorgen en betalingsachterstanden leiden tot problemen en veroor-zaken stressWanneer jongeren zorgen hebben over geld, zie ik dit als een grootprobleem. Dat hoor ik ook zelf in gesprekken met studenten. Daarbij maakik me specifiek zorgen over de soms gebrekkige kennis van studiefinan-ciering en de betalingsachterstanden onder studenten. Met name ondermbo-studenten is dat een probleem. Ongeveer 22% van dembo-studenten kampt met betalingsachterstanden. Steeds vaker komt datdoor achterstanden op de betaling van de zorgverzekering en door hetachteraf betalen van aankopen. Dit speelt ook bij studenten aan het hboen de universiteit. Jongeren worden blootgesteld aan veel verleidingen enkunnen ook financieel kwetsbaar zijn. Voldoende kennis en financiëlevaardigheden zijn daarbij van groot belang. Verderop in deze brief geef ikaan welke maatregelen het kabinet neemt om studenten hierbij teondersteunen.Uit het onderzoek blijkt dat 12% van de mbo-studenten op bol niveau 1 en2 de basisbeurs niet gebruikt. De afgelopen jaren neemt het niet-gebruikvan studiefinanciering onder deze studenten zelfs toe. De basisbeurs enaanvullende beurs zijn voor hen altijd een gift. Thuiswonende studentenlaten hiermee maandelijks tot ongeveer € 500 liggen en voor uitwonendestudenten kan dat zelfs oplopen tot € 800. Ik vind dit zeer zorgelijk, maarheb daar nog geen verklaring voor. Mogelijk spelen gebrekkige kennis vanstudiefinanciering of wantrouwen in de overheid hier een rol in. Ik vindhet verstandig om verder onderzoek te doen naar de verklaringenhiervoor, in samenspraak met JOB MBO. Op dit moment kijk ik met DUOnaar de mogelijkheden hiervoor.Ik weet dat er ook studenten zijn die juist minder kunnen werken,bijvoorbeeld doordat ze een ziekte of handicap hebben. Specifiek voordeze studenten is de studietoeslag beschikbaar, die ze bij de gemeenteaan kunnen vragen. Voor studenten die vertraging oplopen zijn er zowelbinnen de studiefinanciering als binnen de onderwijsinstellingenmogelijkheden voor extra financiële ondersteuning. In het mbo kan menterecht bij het Mbo-Studentenfonds. Hbo en wo-studenten kunnen gebruikmaken van het studentenondersteuningsfonds; de nieuwe naam voor hetprofileringsfonds. Deze recente naamswijziging heeft als doel om debekendheid van het fonds te vergroten onder studenten met eenondersteuningsbehoefte.Ook binnen het onderwijs zijn er tal van voorzieningen om de toeganke-lijkheid voor studenten te vergroten. In de bijlage is een overzicht van debestaande mogelijkheden opgenomen. Hiermee geef ik uitvoering aan demotie Tseggai6. Ik wil graag onderzoeken welke verbeteringen nogmogelijk zijn als het gaat om het voorzien in maatwerk voor studenten diestuderen onder bijzondere omstandigheden. Ik zal u over de voortganginformeren in de Kabinetsbrief over de werkagenda VN Verdrag handicap.Deze zal naar verwachting voor de zomer 2025 naar uw Kamer wordengestuurd.6Kamerstukken II 2023/2024, 31 288, nr. 1143.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11615 Het leven in een situatie met beperkte financiële ruimte kan voor stresszorgen, wat kan leiden tot mentale druk op studenten. Dit kan ook gepaardgaan met andere zorgen, zoals de prestatiedruk over het halen van hetdiploma. Studenten met geldzorgen kunnen hun vragen altijd stellen aaninstanties als Geldfit en het Nibud. In de volgende paragraaf licht ik toewelke maatregelen het kabinet neemt om studenten met financiële zorgente helpen.2. Maatregelen om studenten te ondersteunen Ik ben blij dat de meeste studenten aangeven dat ze rond kunnen komen.Voor studenten in het hbo en de universiteit heeft de herinvoering van debasisbeurs daar een flinke bijdrage aan geleverd. Tegelijkertijd zijn er ookstudenten die moeilijk rond kunnen komen, te maken hebben metbetalingsachterstanden en financiële stress ervaren. Juist de studentendie het moeilijker hebben verdienen onze aandacht. Aan de hand van deaanbevelingen van het Nibud geef ik aan wat het kabinet doet om ook hente helpen.1. Werk aan meer betaalbare woonruimte voor studenten Het kabinet zet vol in op het realiseren van meer woningen, met deambitie om 100.000 nieuwe woningen per jaar te realiseren, ook voorjongeren en studenten. Het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting uit2022 wordt daartoe voortgezet. Dit is ondertekend door het Rijk,gemeenten, huisvesters, onderwijsinstellingen en studentenorganisatiesen moet leiden tot 60.000 extra betaalbare studentenwoningen in 2030. Inaugustus 2024 is een speciaal loket van de Regeling HuisvestingAandachtsgroepen (RHA) geopend voor het versneld realiseren vanstudentenwoningen. Hiervoor is € 20 miljoen beschikbaar.De wet betaalbare huur is per 1 juli in werking getreden. Deze wet zorgtervoor dat verhuurders zich moeten houden aan de maximale huurprijzendie gebaseerd zijn op de kwaliteit van de woning of studentenkamer.Daarnaast moet de wet Goed Verhuurderschap de rechten van huurdersbeter beschermen door strengere eisen te stellen aan verhuurders enmisstanden tegengaan. Vanaf 1 januari 2025 kunnen gemeenten ingrijpenwanneer verhuurders te veel huur vragen voor onzelfstandige woningen.2. Verminder complexiteit en vergroot kennis van het SF-stelsel waarnodig Binnen de studiefinanciering bestaan veel regelingen die bedoeld zijn omtegemoet te komen aan verschillende groepen studenten. Dat maakt hetstelsel complex en ik begrijp daarom ook de aanbeveling van het Nibudom de complexiteit te verminderen en de kennis van het stelsel onderstudenten te vergroten.De afgelopen jaren zijn al veel veranderingen doorgevoerd, die het stelselvan studiefinanciering voor studenten begrijpelijker maken en het gebruikervan verbeteren. Bij het aanvragen van studiefinanciering is de aanvul-lende beurs nu standaard aangevinkt, waardoor meer studenten deaanvullende beurs nu aanvragen. Ook is de studiefinanciering voormbo-studenten op onderdelen gelijk getrokken met die van studenten aanhbo en universiteit. Mbo-studenten kunnen de studieschuld nu ook in 35jaar aflossen en voor hen is er ook geen bijverdiengrens meer. Dit zorgtvoor minder verwarring over de regels en voorwaarden van studiefinan-ciering.Ik verken momenteel met DUO hoe het stelsel verder kan wordenverbeterd en versimpeld. Daarmee geef ik uitvoering aan de motie ErginTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11616 c.s.7, die oproept de Wet studiefinanciering 2000 te toetsen op demenselijke maat. Dat doen we op basis van signalen vanuit onder andereDUO en studenten. De uitkomsten daarvan nemen we op in de verkenningstudiefinanciering, die ik in het voorjaar van 2025 met uw Kamer deel.Voor studenten kan het lastig zijn om de regels van studiefinanciering tedoorgronden. Daarom betrekt DUO ook steeds studenten bij het verbe-teren van de voorlichting over studiefinanciering. Dat heeft er bijvoor-beeld toe geleid dat studenten bij het aanvragen van studiefinanciering nunadrukkelijker worden gewezen op het heffen van rente en de gevolgenvan de studieschuld voor het afsluiten van een hypotheek. Studentenmoeten nu bij het aanvragen van studiefinanciering ook bevestigen dat zeop de hoogte zijn van de regels. Vervolgens wijst DUO studenten ooktijdens de studie en na het behalen van hun diploma op de regels enverplichtingen. Daarmee zorgen we ervoor dat studenten bewuste keuzeskunnen maken over het gebruik van studiefinanciering en op de hoogtezijn van de gevolgen hiervan.3. Voorkom en verminder schulden en betalingsachterstanden onderstudenten Het kabinet wil mensen bij het maken van financiële keuzes beterbeschermen tegen directe en indirecte financiële beïnvloeding. Dedigitalisering van onze geldzaken en de vele online prikkels om geld uit tegeven vormen voor iedereen een uitdaging. Ook voor jongeren kan hetmoeilijk zijn om regie te houden over hun financiën. We willen voorkomendat (jongere) consumenten in de problemen komen doordat ze aan te veelrisico’s worden blootgesteld.De Minister van Financiën, de Staatssecretaris van Rechtsbescherming ende Staatssecretaris van Participatie en Integratie werken dan ook aanbetere bescherming en bewustwording van onder meer Buy Now PayLater-diensten. Zo gaat het kabinet aanbieders van BNPL-dienstenwettelijk verplichten om de leeftijd van consumenten te verifiëren, zodatjongeren onder de 18 jaar er geen gebruik van kunnen maken. Ook werkthet kabinet aan de omzetting van de herziene Europese richtlijn consu-mentkrediet naar nationaal recht waardoor de BNPL-aanbieders vanafeind 2026 onder dezelfde regels vallen als de aanbieders voor «normale»consumptieve leningen. Consumenten, waaronder jongeren, kunnen danstraks op verantwoorde wijze van de diensten gebruikmaken.4. Financiële educatie blijft belangrijk Naast goede bescherming is financiële bewustwording noodzakelijk om tevoorkomen dat mensen in financiële problemen komen. Financieelgeletterde jongeren zijn beter in staat gezonde keuzes te maken enhebben minder geldzorgen. Ouders hebben hierin een belangrijke rol,maar ook op scholen kan gewerkt worden aan financiële geletterdheid. Alvanaf het primair onderwijs wordt op veel scholen aandacht besteed aanhet omgaan met geld, maar ook aan budgetteren en reflecteren op de rolvan geld in onze maatschappij. Tevens is in het mbo rekenen een verplichtonderdeel van de opleiding en wordt in de lessen burgerschap regelmatigaandacht besteed aan financiële educatie. Daarbij wordt in de lessenzoveel mogelijk aangesloten bij de leefwereld van de studenten en decontext van het beroepsonderwijs.7Kamerstukken II, 2023–2024, 24 724, nr. 225.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11617 Het kabinet zet daarnaast in op de versterking van financiële educatie. HetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in september 2023een subsidieregeling voor financiële educatie op onderwijsinstellingengeopend. In eerste instantie was die gericht op het middelbaar beroepson-derwijs. Mbo-instellingen hebben het beschikbare bedrag van€ 8,7 miljoen volledig benut. Sinds het begin van 2024 is de regelingopengesteld voor het voortgezet onderwijs – en voor volgende rondenkijken we ook wat er voor financiële educatie in het primair onderwijsgedaan kan worden. Er was ruim € 18 miljoen beschikbaar, wat volledig isbenut. Met de regeling kunnen scholen tijd en geld steken in het verderprofessionaliseren van docenten om de financiële educatie op hun schoolte stimuleren en geïntegreerd aan te bieden in het onderwijsprogramma.Mbo-instellingen kunnen met een deel van de subsidie persoonlijkefinanciële begeleiding bieden voor studenten met geldzorgen. Ookkonden scholen bijvoorbeeld ouderavonden verzorgen over financiën,zodat ook ouders kunnen worden ondersteund om hun kinderenfinancieel geletterd te maken.Ieder jaar wordt ook de Week van het geld georganiseerd, een initiatiefvan Wijzer in geldzaken.8 Tijdens deze week staat het structureel stimu-leren van financiële vaardigheden van kinderen en jongeren centraal enwordt er veel aandacht gevraagd voor onderwerpen als Buy Now, PayLater, financiële beïnvloeding en verleidingen; zaken die een rol spelen inhet financiële leven van jongeren. Wijzer in Geldzaken en DUO stellen ooklesmateriaal beschikbaar aan scholen over geldzaken en studiefinan-ciering. Hiervan kunnen zij naar eigen inzicht gebruikmaken.5. Heb oog voor de zorgen om de studieschuld Het kabinet neemt maatregelen om studenten bewuster te maken van hunstudieschuld en om de gevolgen van de schuld te verlichten. Ik deel deaanbeveling van het Nibud dat het belangrijk is om studenten inzicht tebieden in de hoogte en gevolgen van de studieschuld. DUO geeftstudenten hier voortdurend inzicht in, en wijst hen ook op het heffen vanrente en gevolgen voor het aanvragen van een hypotheek. Zoals ik eerderal noemde worden studenten bij het aanvragen van studiefinancieringhier nu ook nadrukkelijker op gewezen. DUO voert nu een grootonderzoek uit naar het aflossen van de studieschuld, om te kunnenbepalen welke voorlichting en dienstverlening nodig zijn om (oud-)studenten te helpen met het maken van bewuste keuzes. Ik verwacht deresultaten van dit onderzoek in het voorjaar van 2025 met de Kamer tekunnen delen.Ik wil verder benadrukken dat oud-studenten door hun studieschuld inprincipe niet in de problemen komen. Ze mogen de schuld in 35 jaaraflossen en daarbij wordt rekening gehouden met hun inkomen. Als hetinkomen laag is, hoeft er niet of minder te worden terugbetaald. Aan heteinde van de looptijd wordt de resterende studieschuld kwijtgescholden.DUO benadert oud-studenten die in de problemen dreigen te komen ookproactief om tot een oplossing op maat te komen.8Wijzer in geldzaken is een initiatief van het Ministerie van Financiën, waarin partners uit definanciële sector, de wetenschap, de overheid en onderwijs-, voorlichtings- en consumentenor-ganisaties hun krachten bundelen en ernaar streven dat mensen in Nederland financieelvoorbereid zijn. Het platform wordt mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse Verenigingvan Banken, het Verbond van Verzekeraars, de Pensioenfederatie, het Ministerie van SocialeZaken en Werkgelegenheid, DNB, de AFM en het Nibud. Hare Majesteit Koningin Máxima iserevoorzitter van het platform.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11618 Studenten maken zich met name zorgen over de gevolgen van destudieschuld voor het kopen van een huis. Ik begrijp die zorgen. Om aandie zorgen tegemoet te komen wordt bij het vaststellen van de hoogte vande hypotheek sinds dit jaar rekening gehouden met de actuele maandlastvan een studieschuld, in plaats van de oorspronkelijke schuld. Eventueleextra aflossingen worden zo eerlijk meegenomen. Dit heeft in hetovergrote deel van de gevallen tot een toename van de leencapaciteit vanoud-studenten geleid. In het kader van verantwoorde kredietverstrekkingis het wel van belang dat alle schulden, waaronder studieschulden, meeworden gewogen bij het aanvragen van een hypotheek.TegemoetkomingHet kabinet vindt het belangrijk dat studenten die onder het leenstelselhebben gestudeerd een hogere tegemoetkoming krijgen. Het was voordeze generatie studenten wrang om de basisbeurs, zo snel na hetafschaffen ervan, weer terug te zien komen in het hbo en wo. Daaromheeft het vorige kabinet € 1,15 miljard9 vrijgemaakt voor een incidenteletegemoetkoming voor deze leenstelselstudenten. Om deze studentenverder tegemoet te komen, heeft dit kabinet € 1,4 miljard extra vrijge-maakt voor een tweede incidentele tegemoetkoming. De tweedetegemoetkoming komt bovenop de eerste tegemoetkoming vanuit hetvorige kabinet.Voor de tweede tegemoetkoming voor leenstelselstudenten is devormgeving van de eerste tegemoetkoming voor leenstelselstudenten hetuitgangspunt. Zo moet een student onder het leenstelsel hebbengestudeerd en aanspraak hebben gehad op volledige studiefinancieringom in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming. Ook moetenstudenten voldoen aan de diploma-eis van tien jaar. Bij bijzondereomstandigheden kan de diplomatermijn worden verlengd. Daarnaastwordt in de tegemoetkoming onderscheid gemaakt naar het aantalmaanden dat een student onder het leenstelsel heeft gestudeerd met eenminimum van twaalf maanden en een maximum van in beginsel denominale duur van de studie.Als laatste wordt de tegemoetkoming verrekend met de studieschuld ofuitbetaald als er geen schuld resteert. De tweede tegemoetkoming zalruim € 1.900 bedragen voor studenten die vier jaar onder het leenstelselhebben gestudeerd. Dit bedrag komt bovenop de eerste tegemoetkomingvan € 1.580 die vanaf 2025 per student wordt uitgekeerd (op basis van4 jaar studeren en zodra zij hun diploma halen), en de tegemoetkomingvan € 2.020 die de studievoorschotvoucher vervangt, voor studenten dietussen studiejaar 2015/16 en 2018/19 zijn begonnen met studeren (zodrazij hun diploma halen).De tweede tegemoetkoming voor leenstelselstudenten zal de komendetijd verder worden uitgewerkt. Daarbij bekijk ik of er lessen getrokkenkunnen worden uit de uitvoering van de eerste tegemoetkoming. Deeerste tegemoetkoming is al bij wet geregeld. Om de tweede tegemoet-koming mogelijk te maken, moet de wet worden gewijzigd. Naarverwachting wordt het wetvoorstel hiervoor begin 2026 bij uw Kameringediend. De uitbetaling door DUO vindt naar verwachting in hetvoorjaar van 2027 plaats.9Dit bedrag bestaat uit € 1,0 miljard vanuit het kabinet Rutte IV en € 0,15 miljard aan loon- enprijsbijstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 11619 3. Overige moties en toezeggingen Motie Martens-America over belemmeringen die studenten ervaren bij hetwisselen van opleidingsniveauTijdens het notaoverleg over de Toekomstverkenning vervolgonderwijs isde motie Martens-America/Dassen aangenomen. De motie verzoekt deregering in kaart te brengen welke belemmeringen studenten ervaren bijhet wisselen van opleidingsniveau. Op basis van de constateringen in demotie – en het debat met uw Kamer over dit onderwerp – interpreteer ikdeze motie als het in kaart brengen van belemmeringen in de studiefinan-ciering bij het wisselen van een mbo-studie op niveau 3–4 naar eenmbo-studie op niveau 1–2 en bij een overstap van een hbo- of wo-studienaar een mbo-studie.10In deze reactie ga ik eerst in op de werking van het stelsel en deverschillen tussen het verstrekken van studiefinanciering als prestatie-beurs of een gift. Vervolgens ga ik in op de mogelijke belemmeringen diestudenten kunnen ervaren bij het overstappen tussen verschillendeopleidingsniveaus. Ik beschouw de motie hiermee als afgedaan.Hoe werkt studiefinanciering?Studiefinanciering – in de vorm van een basisbeurs, aanvullende beurs enreisproduct – wordt op mbo niveau 1–2 verstrekt als gift. Studentenhebben naast studiefinanciering in de vorm van een gift de mogelijkheidom te lenen. De lening moet met rente worden terugbetaald. Een studentheeft recht op studiefinanciering zolang de student is ingeschreven aan deonderwijsinstelling. Hiervoor geldt een aanwezigheidsplicht.Studiefinanciering voor mbo niveau 3–4 en het hbo en wo bestaat uit eenprestatiebeurs en de mogelijkheid om te lenen. De basisbeurs, aanvul-lende beurs en het reisproduct zijn onderdeel van de prestatiebeurs. Deprestatiebeurs is een voorwaardelijke lening en wordt omgezet in een giftals een student voldoet aan de diplomaeis. Dat wil zeggen dat de studenteen diploma op het vereiste niveau haalt binnen de diplomatermijn van inbeginsel tien jaar. De lening en het collegegeldkrediet blijven – ook na hetbehalen van een diploma – een lening.De Wet studiefinanciering 2000 maakt onderscheid tussen de prestatie-beurs beroepsonderwijs (mbo 3–4) en de prestatiebeurs hoger onderwijs(hbo-wo). Deze moeten afzonderlijk van elkaar worden beschouwd. Deprestatiebeurs wordt in beginsel verstrekt voor vier jaar en kan wordenverlengd als de student een mbo-specialistenopleiding, hbo-master ofwo-master met een langere nominale duur volgt. Het recht op lenen looptdrie jaar door nadat de prestatiebeurs stopt. Het recht op het reisproductloopt nog één (hbo – wo) of drie (mbo) jaar door.Mogelijke belemmeringen bij wisselen van opleidingsniveauEen student kan bij een overstap tussen opleidingsniveaus verschillendebelemmeringen ervaren. Bijvoorbeeld door de regels voor de omzettingvan de prestatiebeurs. Voor omzetting van de prestatiebeurs op mboniveau 3–4 geldt dat de student een diploma op minimaal mbo niveau 3moet halen. Voor de omzetting van de prestatiebeurs hbo-wo moet destudent minimaal een hbo- of wo diploma halen. Als het behaalde10Voor de volledigheid vermeld ik dat uw Kamer eerder een overzicht heeft ontvangen vanandere verschillen tussen opleidingsniveaus in het studiefinancieringsstelsel, zie: Kamer-stukken 2022/23, 31 288, nr. 1113.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116110 diploma niet voldoet aan de gestelde eis, wordt de prestatiebeurs over diemaanden niet omgezet in een gift.VoorbeeldMarije is gestart met een hbo-opleiding en heeft dat jaar debasisbeurs en het studentenreisproduct (beide verstrekt alsprestatiebeurs) ontvangen. Na één jaar besluit zij om haar onder-wijspad te vervolgen met een mbo-studie op niveau 4. Zij ontvangtvoor deze nieuwe studie opnieuw recht op studiefinanciering. Als zijhaar mbo-niveau 4 diploma haalt, zal de prestatiebeurs die zij heeftgebruikt op het mbo worden omgezet in een gift. Het jaar prestatie-beurs op het hbo wordt niet omgezet in een gift, omdat haar mboniveau 4 diploma voor dat deel niet voldoet aan de diplomaeis. Haarontvangen basisbeurs en reisproduct op het hbo blijven dus eenlening.Deze diplomaeisen vormen een prikkel om de studie af te ronden opminimaal het niveau waarop is gestart. Als een mbo-diploma opniveau 1–2 zou volstaan voor het omzetten van de prestatiebeurs mbo 3–4of hbo-wo, zou de prikkel kleiner worden om een diploma op het gestarteniveau te halen. Ditzelfde principe geldt als een mbo-diploma opniveau 3–4 zou volstaan voor het omzetten van de prestatiebeurs hbo-wo.Bovendien is een opleiding op mbo niveau 1–2 korter (vaak één of tweejaar) dan een opleiding op mbo niveau 3–4, hbo of wo (doorgaans drie ofvier jaar). De nominale studieduur van een mbo-opleiding op niveau 3–4en een hbo- en wo-opleiding is wel vergelijkbaar. Naar schatting gaan erjaarlijks ongeveer 1.370 studenten (zonder diploma) van het hbo of wonaar het mbo. Er gaan ongeveer 1.200 studenten (zonder diploma) vanmbo niveau 3–4 naar mbo niveau 1–2. Er is een zeer kleine groep– jaarlijks ongeveer 18 studenten – die van het hbo-wo naar mboniveau 1–2 overstapt. Het merendeel van de studenten maakt dezeoverstap na het eerste jaar of in het tweede jaar.Ook kunnen studenten belemmeringen ervaren door een beperking in hetrecht op studiefinanciering als zij overstappen. Een student heeft geenaanspraak meer op studiefinanciering voor een opleiding op mboniveau 1 of 2 als de student al vier jaar prestatiebeurs beroepsonderwijs(mbo niveau 3–4) of een prestatiebeurs hbo-wo heeft ontvangen. Eenhbo-wo student die overstapt naar het mbo heeft ook geen recht meer opstudiefinanciering als hij of zij al vier jaar prestatiebeurs op het hbo-woheeft ontvangen. Een student zou anders onbeperkt, of voor een langereperiode, studiefinanciering kunnen genieten door steeds over te stappen.Bij de overstap van mbo naar hbo-wo geldt deze beperking van vier jaareerder genoten prestatiebeurs niet. Dit geeft studenten met eenmbo-diploma de mogelijkheid om door te studeren aan het hbo-wo.Het is niet bekend in hoeverre de huidige regels studenten in de praktijkbelemmeren om een overstap te maken. Naar verwachting spelen deregels omtrent de omzetting prestatiebeurs een minder grote rol danbijvoorbeeld de vraag of er nog recht op studiefinanciering is. Dit komtook omdat de omzetting van de prestatiebeurs pas na het afstuderen (ofbij het verstrijken van de diplomatermijn) plaatsvindt. JOBmbo geeft aandat zij wel met enige regelmaat vragen krijgen over de omzetting van deprestatiebeurs bij het overstappen naar een ander niveau.Daarnaast spelen er, los van studiefinanciering, ook andere factoren eenrol die studenten kunnen beletten een overstap te maken. Bijvoorbeeld alshet gaat om de (ervaren) maatschappelijke waardering van deze overstap.Zo kunnen studenten druk ervaren om de «hoogst mogelijke» studie teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116111 volgen. In het geval van een overstap van mbo niveau 3–4 naar mboniveau 1–2 betekent de overstap vaak ook een verslechtering van hetarbeidsmarktperspectief. Dit laat onverlet dat de beschreven systematiekvan het studiefinancieringsstelsel sommige studenten kan belemmeren inhun keuze om een andere opleiding te gaan volgen.Motie Krul over studenten met mantelzorgtakenDe motie Krul11 verzoekt om afspraken te maken met MantelzorgNL en deVereniging Hogescholen, waarmee voor jonge mantelzorgers eenhaalbare combinatie tussen mantelzorg en studie mogelijk wordtgemaakt. Op basis hiervan is het Ministerie van OCW in gesprek gegaanmet MantelzorgNL, de Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten vanNederland (UNL). Uit deze gesprekken komt naar voren dat deze groepstudenten erg divers is en dat niet elke student met mantelzorgtakendezelfde behoefte heeft. Wel zien we dat er over het algemeen weinigkennis is bij deze doelgroep zelf over de mogelijkheden en rechten omgoed te kunnen studeren. Ook bij de onderwijsinstelling ontbreekt er nogveel kennis, begrip en daarmee de mogelijkheden en plichten voorondersteuning van deze groep. In het Kader Studentenwelzijn is methogescholen en universiteiten reeds afgesproken dat de kennis en kundevan onderwijsprofessionals moet worden vergroot op het themastudentenwelzijn, waaronder studenten met mantelzorgtaken. Met deonderwijskoepels en MantelzorgNL wordt nu, in het licht van de motie enhet Kader Studentenwelzijn, verder besproken hoe we de kennis bij zowelde student als de onderwijsprofessional kunnen vergroten. Dit met alsdoel dat deze studenten betere ondersteuning kunnen ontvangen tijdensde studie. Ik beschouw de motie daarmee als afgedaan.Motie Hertzberger over exitgesprekken met studenten die na twee jaaruitvallenIn deze brief wil ik uw Kamer ook graag informeren over de uitvoering vande motie Hertzberger12, welke de regering verzoekt om afspraken temaken met onderwijsinstellingen om met studenten die na het behalenvan hun eerste twee jaar uitvallen altijd een exitgesprek in te plannen enze te voorzien van een verklaring met het uitstroomniveau en de behaaldecompetenties. De motie verzoekt om de Kamer hierover te informerenvóór het herfstreces. Ik ben over de praktische uitvoering van deze motienog in gesprek met onderwijsinstellingen. Ik informeer uw Kamer begin2025 over de uitkomsten van deze gesprekken en op welke wijze ikinvulling zal geven aan de motie.Motie Martens-America over prestatiegerichte onderscheidingenTot slot heeft mijn ambtsvoorganger, naar aanleiding van een motie vanhet lid Martens-America13bij de koepels het belang van prestatiegerichteonderscheidingen, zoals Cum Laude, onder de aandacht gebracht.Instellingen maken zelf een afweging of zij een dergelijk predicaat willenafgeven. Ze maken de keuze om dit in te voeren, omdat zij ambitie willenaanjagen, of juist af te schaffen omdat zij zien dat hun studenten te veeldruk ervaren en dit zorgt voor (mentale) problemen. Het is belangrijk datbeide geluiden er mogen zijn en instellingen hier een eigen keuze inmaken. Ik beschouw de motie daarmee als afgedaan.11Kamerstukken II 2023/2024, 36 136, nr. 16.12Kamerstukken II 2023–2024 31 288, nr. 113813Kamerstukken II 2023/24, 31 288, nr. 1139.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116112 Onderzoeken naar studiefinanciering op Bonaire, Sint-Eustatius en SabaVoor studenten afkomstig uit Bonaire, Sint-Eustatius en Saba(BES-eilanden) bestaat een separaat stelsel voor studiefinanciering. Ditstelsel bestaat sinds het ontstaan van de openbare lichamen op10 oktober 2010 en is neergelegd in de Wet studiefinanciering BES (WSFBES). Het studiefinancieringsstelsel op de BES kent verschillen enovereenkomsten met het studiefinancieringsstelsel in EuropeesNederland. Zo kunnen studenten van de BES gebruik maken van eenprestatiebeurs en een lening, maar krijgen zij bijvoorbeeld geen studen-tenreisproduct.In 2020 is de WSF BES geëvalueerd. Daaruit kwam de aanbeveling omgoed te kijken naar de normbedragen in de wet en te bezien of deze nogtoereikend waren. Onderzoeksbureau AnderssonEiffersFelix (hierna: AEF)heeft de opdracht gekregen om dit te onderzoeken. Dit onderzoek iseerder met uw Kamer gedeeld14 en nogmaals bijgevoegd bij deze brief.De belangrijkste conclusies van AEF zijn dat sommige normbedragen uitde WSF BES niet goed aansluiten bij de kosten die studenten maken ophet (ei)land waar ze gaan studeren. En dat de wijze van indexatie van denormbedragen in sommige gevallen onvoldoende recht doet aan dedaadwerkelijke kostenstijgingen op de (ei)landen.Dit onderzoek zal ook als input dienen voor het bredere onderzoek naar deWSF BES dat in de brief van 21 december 2023 is aangekondigd.15 In ditvergelijkende onderzoek tussen de WSF 2000 en de WSF BES wil ik latenonderzoeken welke verschillen er bestaan tussen de twee studiefinancie-ringsstelsel tegen de achtergrond van het principe van comply or explain.Dit onderzoek is onlangs van start gegaan.De resultaten van dit onderzoek en de inhoudelijke beleidsreactie op beideonderzoeken zal ik naar uw Kamer sturen zodra de resultaten van ditonderzoek bekend zijn, zodat ik een integrale afweging kan maken over denormbedragen en het studiefinancieringsstelsel op de BES. Het isconform mijn eerdere toezegging16 niet realistisch de resultaten van ditonderzoek en mijn integrale reactie daarop voor het einde van dit jaar metuw Kamer te delen. Ik streef ernaar dit te doen in het voorjaar van 2025.AfsluitendIk ben blij dat de meeste studenten rond kunnen komen en de financiëletoegankelijkheid van het vervolgonderwijs geborgd is. Het kabinet heeftook oog voor de studenten met minder financiële ruimte en geldzorgen.Met de maatregelen die we nemen, zorgen we ervoor dat studentenbewustere financiële beslissingen kunnen nemen. Ik blijf de financiëlepositie van studenten monitoren.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,E.E.W. Bruins14Kamerstukken II, 2023–2024, 24 724, nr. 239.15Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 3616Kamerstukken II, 2023–2024, 24 724, nr. 239.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116113 Bestaande voorzieningen en maatwerkmogelijkhedenOm studeren voor iedereen toegankelijk te maken en houden kent onsstelsel verschillende rechten en voorzieningen waar studenten aanspraakop kunnen maken. Daarnaast biedt de wet op verschillende onderdelenruimte voor het toepassen van maatwerk door de instellingen.De motie Tseggai17 verzoekt de regering om te onderzoeken in hoeverreop dit moment maatwerk mogelijk is voor het combineren van studie metwerk, zwangerschap, een beperking, topsport en/ of mantelzorg.Daarnaast wordt de regering verzocht om voorstellen te doen voorverdere verbeteringen. In dat kader zal ik allereerst ingaan op wat er nuallemaal reeds vastgelegd en mogelijk is als het gaat om het bieden vanmaatwerk door instellingen en welke (financiële) voorzieningen er zijnvoor diverse studenten.Maatwerkmogelijkheden in de WEB en WHWOp grond van de Wet gelijke behandeling op basis van handicap ofchronische ziekte (Wgbhcz), de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB)en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW)wordt van mbo-, hbo- en wo-instellingen verwacht dat zij maatwerkbieden aan studenten die vanwege persoonlijke omstandigheden niet opde reguliere wijze kunnen studeren. Onder deze persoonlijke omstandig-heden kunnen onder andere chronische ziekte, mantelzorgtaken,zwangerschap of bestuurstaken vallen. De onderwerpen waaropmaatwerk kan worden geleverd betreffen onder andere aanwezigheid(artikel 8.1.7, negende lid, WEB), onderwijstijd (artikel 7.2.7 van deWEB),de geldigheidsduur van afgelegde tentamens en de daaraangekoppelde studiepunten (artikel 7.10, vierde lid en 7.51, tweede lid,WHW), over het beperken van bepaalde afstudeerrichtingen (artikel 7.9,derde lid, WHW), het bindend studieadvies (artikel 8.1.7a, tweede lid,WEB, artikel 1, Regeling persoonlijke omstandigheden bindend studie-advies mbo, artikel 7.8b, derde en zevende lid, WHW en artikel 2.1,Uitvoeringsbesluit WHW) en studiekeuzeactiviteiten (artikel 7.31b WHW).Daarnaast is een onderwijsinstelling verplicht om op basis van de Wgbhczdoeltreffende aanpassingen te doen in het onderwijs om het onderwijstoegankelijk te houden voor studenten met een handicap of chronischeziekte. Daar vallen onder meer aanpassingen in het aantal contacturen ofaanpassingen in de examinering onder. Het is aan de onderwijsinstellingom te bepalen of de student in aanmerking komt voor maatwerk op dezepunten en of de gewenste of benodigde aanpassingen passend zijnbinnen het onderwijsprogramma.Specifiek voor studenten met een functiebeperking of chronische ziektegeldt daarnaast nog een aantal wettelijke verplichtingen voor de instel-lingen:–Onderwijsinstellingen hebben een plicht om deze studenten goed tebegeleiden en te ondersteunen tijdens de studie en opleidingenmoeten voorzieningen treffen om de toegankelijkheid en studeerbaar-heid te bevorderen voor studenten met een functiebeperking.18–Onderwijsinstellingen hebben een zorgplicht als het gaat om informa-tievoorziening. In het kader van informatievoorziening wordenstudenten met een handicap of chronische ziekte uitgelicht. In hetOnderwijs en examenreglement (OER) moet ten minste informatie17Kamerstukken II 2023/2024, 31 288, nr. 1143.18Artikelen 5.7, eerste lid, onderdeel e, 5.12, onderdeel d, en 5.23, derde lid, onderdeel d, WHW.Bijlage:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116114 gegeven worden over de wijze waarop deze studenten in de gelegen-heid worden gesteld examens of tentamens af te leggen.19–De universiteitsraad en de medezeggenschapsraad dienen te wakenvoor het bevorderen van gelijke behandeling van o.a. personen meteen handicap of chronische ziekte.20Financiële voorzieningenBinnen het mbo, hbo en wo bestaan meerdere financiële voorzieningendie relevant zijn voor studenten die vanwege bijzondere omstandighedenniet op reguliere wijze een studie kunnen volgen:–Collegegeld- en les- en cursusgeldvrij besturen: Studenten met eenbestuursfunctie zijn op grond van artikel 7.47a van de WHW vrijgesteldvan betaling van het wettelijk collegegeld. Voorwaarde voor dezevrijstelling is dat deze studenten gedurende die periode geenonderwijs volgen of examens of tentamens afleggen aan de instellingof een andere bekostigde instelling. Mbo-studenten zijn kwalificatie-plichtig en combineren een bestuursfunctie wel met het volgen vanonderwijs. Dat betekent dat mbo-studenten geen vrijstelling hebbenvan het wettelijk lesgeld.–Mbo Studentenfonds: Studenten die studievertraging hebbenopgelopen en geen studiefinanciering ontvangen, kunnen op basis vanartikelen 8.1.5 tot en met 8.1.5f van de WEB in aanmerking komen voorondersteuning uit het Studentenfonds. Studenten dienen hiervoorjonger dan 18 jaar te zijn en een opleiding in de beroepsopleidendeleerweg (bol) te volgen. Het betreft een financiële voorziening,bijvoorbeeld als een student lid is van de studentenraad of doorbijzondere omstandigheden studievertraging heeft opgelopen. Ookwanneer een student of zijn/haar vertegenwoordiger te weinigfinanciële middelen hebben voor het aanschaffen van onderwijsbeno-digdheden, kan een beroep worden gedaan op het studentenfonds. Indat geval kan ook materiële ondersteuning (bijvoorbeeld doorverstrekking van de onderwijsbenodigdheden) geboden worden.–Studentenondersteuningsfonds (voorheen profileringsfonds): Op basisvan artikel 7.51 van de WHW hebben alle bekostigde instellingen eenvoorziening voor de financiële ondersteuning van bij die instellingingeschreven hbo- en wo-studenten, die in verband met de aanwezig-heid van een bijzondere omstandigheid studievertraging hebbenopgelopen of naar verwachting zullen oplopen. Voorbeelden hiervanzijn een handicap of chronische ziekte, zwangerschap of een bestuur-lijke functie. Deze categorieën vertonen een grote gelijkenis met de inde verkenning en de eindevaluatie genoemde situaties waaromstudenten kiezen voor betalen per studiepunt.–Studiefinanciering: Als mbo-, hbo- en wo-studenten studievertragingoplopen als gevolg van een handicap of chronische ziekte kan opgrond van artikel 5.2b van de WSF 2000 de prestatiebeurs eenmalig1 jaar langer worden verstrekt. Als er sprake is van incidentele ofstructurele bijzondere omstandigheden kan op grond van artikel 5.16,eerste, tweede en derde lid van de WSF 2000 de diplomatermijn endaarmee ook de verlenging van de aanspraaktermijn voor de prestatie-beurs met maximaal 5 jaar worden verlengd. Als de studievertragingof -uitval een direct gevolg is van blijvende medische of niet-medischeomstandigheden, bijvoorbeeld een chronische ziekte of een blijvendefunctiebeperking, kan de ontvangen prestatiebeurs worden omgezet ineen gift. En als er sprake is van een tijdens de studie verworven ofverregaande handicap of een zich tijdens de studie manifesterendechronische ziekte, kan op grond van artikel 5.16, vierde lid WSF 200019Artikel 7.13, tweede lid, onderdeel m, WHW.20Artikelen 9.32, vierde lid, en 10.19, vierde lid, WHW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116115 een nieuwe aanspraak op studiefinanciering worden toegekend vooreen passender opleiding.–Restitutie collegegeld en les- en cursusgeld: Op basis van artikel 7.48WHW hebben hbo- en wo-studenten die hun inschrijving beëindigenvoor het einde van het collegejaar recht op restitutie van het college-geld voor iedere maand van het studiejaar dat ze niet meer staaningeschreven.21 Mbo-studenten hebben enkel recht op restitutie vanles- of cursusgeld bij voortijdige uitschrijving als wordt voldaan aanbepaalde voorwaarden, zoals ernstige ziekte of bijzondere familieom-standigheden (zie hiervoor artikel 7 en artikel 14 UCLW).Bekendheid van de voorzieningenDe huidige wetgeving biedt dus de nodige ruimte voor maatwerk en kentverschillende (financiële) regelingen en voorzieningen voor studenten. Hetsucces hiervan valt of staat echter met de wijze waarop deze ruimte wordtbenut. Bekendheid hiermee en informatievoorziening hierover richting deonderwijsinstellingen en studenten spelen hierbij een cruciale rol.ECIO: informatievoorziening, creëren van bewustwording en aanjagenderolHet Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO), dat wordt gesubsidieerddoor het Ministerie van OCW, speelt een belangrijke rol in de communi-catie richting studenten en onderwijsprofessionals op dit vlak. Zij biedenonder andere informatie en voorlichting over welke rechten, plichten enmogelijkheden er bestaan op het gebied van ondersteuning en maatwerk.Dat doen zij via de websites mbotoegankelij.nl en hotoegankelijk.nl.Daarnaast ontwikkelen zij voor studenten diverse informatieproducten enhandreikingen. Zo zijn er voor studenten informatiekaarten waarop stapvoor stap staat wat je als student gaat tegenkomen, moet regelen en waarje recht op hebt.22 Voor het hbo en wo hebben zij tevens een handreiking«Zorgplicht» ontwikkeld, waarin de wettelijke rechten en plichten vanstudenten en onderwijsinstellingen beschreven staan.23 Tijdens hetcongres Jonge mantelzorg oktober vorig jaar lanceerde ECIO daarnaasthet ondersteuningsmodel studerende mantelzorgers dat zij heeftontwikkeld in samenwerking met de Strategische Alliantie JongeMantelzorger en MantelzorgNL.24 Dit model biedt een raamwerk voorsamenwerking tussen onderwijsinstellingen en studerende mantelzorgers,om als leidraad te dienen voor het bieden van de nodige ondersteuning.Naast concrete producten en handreikingen, organiseert ECIO verschil-lende werkgroepen waar onderwijsinstellingen kennis kunnen delen enopdoen: voor inclusief toetsen, voor fysieke toegankelijkheid, voor digitaletoegankelijkheid en een expertiselab jonge mantelzorgers. Ze spelenbovendien een belangrijke rol in het aanjagen van de implementatie vanhet VN Verdrag handicap binnen het onderwijs.Handreiking voor mbo en Actieplan Flexibel Onderwijs TopsportSpecifiek voor topsporters in het mbo is een handreiking gemaakt overwat er mogelijk is aan ondersteuning van talentvolle sporters en hoe jedat als school kunt organiseren. Dit omvat bijvoorbeeld een format vooreen topsportovereenkomst om maatwerkafspraken met talentvolle21Bij beëindiging van de inschrijving met ingang van juli of augustus heeft de student geenaanspraak op terugbetaling van deze twee maanden.22Informatiekaarten voor soepele start en (af)studeren op mbo, hbo of universiteit - ECIO23https://ecio.nl/publicaties/zorgplicht-hoger-onderwijsinstellingen-juridische-kaders-praktijkaanpakken/.24https://ecio.nl/nieuws/nieuw-modelovereenkomst-voor-studerende-mantelzorgers/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116116 sporters vast te kunnen leggen. In het Actieplan Flexibel Onderwijs enTopsport (FLOT) uit 2019 zijn individuele afspraken gemaakt methogescholen en universiteiten over hun inzet bij flexibel onderwijs entopsport. Deze structurele afspraken betreffen het adequaat informeren enbegeleiden van topsporters, met gesprekken, websites, vrijstellingen vooraanwezigheid en uitstel van deadlines.Naamswijziging: StudentenondersteuningsfondsOm de bekendheid van het studentenondersteuningsfonds (voorheenprofileringsfonds) te vergroten heb ik per 1 september 2024 een naams-wijziging doorgevoerd.25 In de brief van 15 november 2021 is overwogendat de naam «Profileringsfonds» niet passend is voor een fonds datvoorziet in het financieel ondersteunen van studenten met een ondersteu-ningsbehoefte.26 Uit onderzoek bleek namelijk dat slechts een kleinpercentage van de studenten bekend was met het Profileringsfonds.27 Metde nieuwe naam is direct duidelijk voor wie het fonds bedoeld is.2825Kamerstukken II 2023/2024, 36 478, nr. 2.26Kamerstukken II 2021/2022, 31 288, nr. 932.27Monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs (2022–2023), pag. 15. Slechts 5% van destudenten is bekend met het Profileringsfonds. In het wo (6%) iets vaker dan in het hbo (3%).28Kamerstukken II 2023/2024, 36 478, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 288, nr. 116117
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.