KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie Global Tax Evasion Report 2024

28 mrt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 784318c262c5af98 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202425 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleidNr. 329 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 28 maart 2024Bij de behandeling van het pakket Belastingplan 2024 in uw Kamer heb iktoegezegd om een kabinetsreactie te geven op het Global Tax EvasionReport 2024 dat in oktober 2023 is gepubliceerd. Ook heb ik in de EersteKamer toegezegd te reageren op The State Of Tax Justice 2023.1Daarnaast verzoeken de moties van de leden Van der Lee en Alkaya hetkabinet om zich in internationaal verband in te zetten voor de invoeringvan een wereldwijde minimumvermogensbelasting voor miljardairs endaarbij samen met een of meerdere gelijkgestemde landen het initiatief tenemen en een kopgroep te vormen.2Met deze brief geef ik gevolg aan mijn toezeggingen en wil ik uw Kamerinformeren op welke manier het kabinet opvolging geeft aan de moties.Belangrijkste bevindingen en aanbevelingenHet rapport The State Of Tax Justice 2023 is van Tax Justice Network. Deonderzoekers stellen in het rapport dat landen jaarlijks 480 miljard dollaraan belastingopbrengsten mislopen vanwege belastingontwijking doormultinationals (311 miljard) en ontduiking door rijke individuen (169miljard). Het rapport concentreert zich op één aanbeveling, namelijk datde Verenigde Naties een centrale rol krijgt bij de vormgeving vaninternationale afspraken over belastingheffing.Het rapport Global Tax Evasion Report 2024 is een product van het EU TaxObservatory. Het EU Tax Observatory is een onafhankelijk onderzoeksin-stituut geleid door Gabriel Zucman, hoogleraar aan de Paris School ofEconomics. Het rapport bevat een samenvatting van meerdere onder-zoeken die het EU Tax Observatory heeft gedaan naar belastingontduikingen belastingontwijking (deze termen worden in het rapport door elkaargebruikt).1Kamerstukken I 2023–24, 36 418, T03816.2Kamerstukken II 2023–24, 36 418, nr. 74 en Kamerstukken II 2023–24, 36 418, nr. 76. kst-25087-329ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3291 De belangrijkste bevindingen en aanbevelingen van de onderzoekers zijn:A.De automatische informatie-uitwisseling door banken kan als eensucces worden beschouwd. De omvang van de belastingontwijkingdoor individuen via buitenlandse bankrekeningen is in de afgelopen10 jaar met een factor drie gedaald. De onderzoekers adviseren omdeze informatie-uitwisseling uit te breiden naar informatie overvastgoed, omdat er indicaties zijn dat vermogen steeds meer in devorm van vastgoed wordt aangehouden om rapportageverplichtin-gen te ontwijken. Daarnaast adviseren zij om een wereldwijdevermogensregistratie van personen op te zetten.B.De winstverschuiving van multinationals richting zogenaamdebelastingparadijzen lijkt volgens de onderzoekers niet afgezwakt tezijn ondanks beleidsinitiatieven van veel landen. De onderzoekersbevelen daarom aan de toepassing van economische substance-eisenen anti-misbruikmaatregelen te versterken.C.Volgens het rapport is de verwachte belastingopbrengst van dewereldwijde minimumbelasting voor multinationals (Pijler 2)uiteindelijk de helft minder dan wat met het oorspronkelijke voorstelwerd ingeschat. Doordat de wereldwijde minimumbelasting eenuitzondering kent voor reële activiteiten blijft concurrentie metbelastingtarieven volgens hen mogelijk. De onderzoekers doen deaanbeveling om de minimumwinstbelasting te verhogen naar 25% enstellen voor de aanpassingen die zouden zorgen voor nieuwebelastingconcurrentie te dichten.D.Er zijn volgens het rapport in de afgelopen 15 jaar nieuwe vormenvan belastingconcurrentie in de inkomsten- en vermogensbelastingontstaan via gunstige fiscale regelingen. Deze zogeheten «preferenti-ële regimes» variëren van een gunstige fiscale behandeling vanpersonen met schaarse expertise tot regelingen die zich puur richtenop het aantrekken van «high net worth individuals» (HNWI’s). Hetrapport stelt dat concurrentie in de inkomsten- en vermogensbelas-ting leidt tot lagere wereldwijde belastingontvangsten, en datpreferentiële regimes vaak een versterkend effect op de inkomens- envermogensongelijkheid in de betreffende landen hebben. Om tevoorkomen dat HNWI’s emigreren om gebruik te maken vanpreferentiële regimes, doen de onderzoekers de aanbeveling datHNWI’s die een lange periode in een land hebben gewoond en daargrotendeels hun vermogen hebben opgebouwd, nog voor eenbepaalde periode belastbaar blijven in dat land nadat zij geëmigreerdzijn.E.Daarnaast is er volgens de onderzoekers sprake van een lopendesubsidie-race, gestart door de Inflation Reduction Act (IRA) entoenemende staatssteunmaatregelen van de Chinese overheid.Overheden op verschillende plekken in de wereld geven in toene-mende mate subsidies aan producenten van groene energie. Dezesubsidierace heeft als voordeel dat het de transitie naar eenkoolstofvrije wereldeconomie versnelt. Tegelijkertijd leidt hetgedeeltelijk tot dezelfde problemen als bij belastingconcurrentie. Hetvermindert de overheidsinkomsten, en als het niet gepaard gaat metmaatregelen ter bevordering van de gelijkheid, dreigt het deongelijkheid te vergroten door de winst na belasting van de aandeel-houders, die meestal aan de top van de inkomensverdeling zitten, teverhogen.F.Belastingontwijking gebeurt in toenemende mate door gebruik vanpersoonlijke houdsterentiteiten. Mede hierdoor zijn HNWI’s, en danmet name miljardairs, volgens het rapport in staat de effectievebelastingdruk te reduceren tot omgerekend 0% tot 0,5% op hun totaleTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3292 vermogen.3 Als deze HNWI’s een (veel) lagere effectieve belasting-druk kennen dan de rest van de bevolking zou dat een ondermijnendeffect hebben op het draagvlak voor bestaande belastingstelsels. Deonderzoekers doen daarom de aanbeveling om een wereldwijdebelasting voor deze HNWI’s te introduceren die overeenkomt met eenbelastingdruk van minimaal 2% van hun wereldwijde vermogen.Daarnaast kunnen landen unilaterale maatregelen doorvoeren omtekortkomingen in de nationale belastingheffing van multinationalsen HNWI’s aan te pakken.KabinetsappreciatieHet kabinet waardeert de inspanningen om belastingontwijking beter inkaart te brengen. Het kabinet benadrukt dat het van groot belang is datverschillende wetenschappers en organisaties zich bezighouden metonderzoek naar internationale belastingontwijking, en daarbij knelpuntenin kaart brengen en beleidsopties voorstellen. De rapporten benoemen datactuele en betrouwbare gegevens niet goed voorhanden zijn. Het kabinetzal zich blijven inzetten voor een verbetering van de kwaliteit vanbeschikbare gegevens, bijvoorbeeld van de country-by-countrygegevensin OESO-verband, zodat belastingontwijking op een betrouwbare manierkan worden gemeten.The State of Tax Justice 2023Hieronder volgt de kabinetsappreciatie van de belangrijkste bevindingenen gerelateerde aanbevelingen uit het rapport The State of Tax Justice2023.Het rapport stelt dat multinationals wereldwijd jaarlijks 311 miljard dollaraan belastingen ontwijken door het verschuiven van 1,15 biljoen dollaraan winsten naar belastingparadijzen. Via Nederland zou bijna 51 miljarddollar belastinginkomsten (16,2% van het totaal) worden misgelopen. Ditzou eruit bestaan dat bedrijven winsten naar Nederland verschuiven diehier vervolgens tegen een effectief vpb-tarief zouden worden belast datlager zou zijn dan 10%.Bij de berekeningen in het rapport maak ik een aantal kanttekeningen. Ikherken niet de constatering dat er veel winsten naar Nederland wordenverschoven om belasting te ontwijken. Nederland heeft een statutair tariefin de vennootschapsbelasting van 25,8% die geheven wordt over winstendie volgens internationale standaarden aan Nederland toerekenbaar zijn.Het Nederlandse tarief ligt hoger dan het gemiddelde statutaire tarief,zoals blijkt uit statistieken van de OESO.4 Volgens de OESO is heteffectieve tarief in Nederland 24,5% (niveau 2022).5 Bedrijven hebben erdoorgaans dus geen baat bij om winsten naar Nederland te verschuiven.De onderzoekers geven zelf geen onderliggende verklaring waaromondernemingen winsten naar Nederland zouden verschuiven ondanks hetvpb-tarief van 25,8% en/of op welke manier Nederland winsten zoubelasten tegen een heel laag effectief tarief.Het onderzoek maakt gebruik van gegevens uit landenrapporten (country-by-country gegevens). Deze gegevens zijn in hun huidige vorm helaas nog3De onderzoekers berekenen de effectieve belastingdruk van HNWI door het totaal van debetaalde inkomstenbelasting en een eventuele vermogensbelasting te nemen en dat te delendoor het totale vermogen van HNWI’s (voor zover daar zicht op bestaat).4OESO, Corporate Tax Statistics 2023, Parijs: OECD Publishing 2023. Zie ook https://stats.oecd.org/index.aspx?DataSetCode=CTS_ETR.5Idem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3293 niet betrouwbaar voor het meten van belastingontwijking. In dezegegevens zitten namelijk vaak dubbeltellingen van winsten die elders zijnbelast. Dit kan tot een overschatting van de winsten van wel 75% leiden.6Het rapport corrigeert hier ongelukkig genoeg slechts ten dele voor. Bijdeze gegevens wordt vaak ook geen rekening gehouden met verliezen vanbedrijven die in eerdere jaren zijn gemaakt. Dit kan ertoe leiden dat inlatere jaren een lagere belastingdruk wordt vastgesteld. Als hier niet op dejuiste manier voor gecorrigeerd wordt, kunnen deze gegevens desuggestie wekken dat winsten van multinationals tegen een lager tariefworden belast dan daadwerkelijk het geval was.Daarnaast neemt het rapport aan dat alle winst die hoger is dan eenverwachte winst op basis van personeel en loonsom, gezien moet wordenals belastingontwijking.7 Deze aanname miskent dat winst ook kanworden behaald met materiële of immateriële activa, en dat het juist de(zeer) winstgevende bedrijven zijn die internationaal opereren. Tot slot isdit rapport gebaseerd op gegevens uit 2018. Sindsdien zijn belangrijkemaatregelen tegen belastingontwijking in werking getreden, zoals debronbelasting, ATAD1 en ATAD2. Eventuele effecten van die maatregelenen het beleid en wetgeving van de afgelopen jaren zijn daarom nog nietzichtbaar in de resultaten van dit rapport maar bijvoorbeeld wel in demonitoringsbrief.Dat laat onverlet dat het kabinet onderkent dat het Nederlandse stelsel inhet verleden kwetsbaar was voor belastingontwijkende structuren waarbijNederland werd gebruikt als doorstroomland naar belastingparadijzen.Nederland heeft daarom de afgelopen jaren veel maatregelen tegenbelastingontwijking genomen. Er wordt nader ingegaan op de maatre-gelen die het kabinet heeft genomen in onderdeel B van de kabinetsre-actie op het Global Tax Evasion Report 2024 over belastingontwijking doorwinstverschuiving.Het rapport vindt de aanpak in het Inclusive Framework onvoldoende, enbeveelt aan dat de Verenigde Naties een centrale rol krijgt bij devormgeving van internationale afspraken over belastingheffing. Ik heb ineerdere communicatie over dit onderwerp richting uw Kamer aangegevendat het van belang is dat alle landen zich gehoord voelen bij het zettenvan de agenda, bij het uitwisselen van argumenten, in het beslissings-proces en bij de implementatie van maatregelen.8 Uiteraard moet bij hetontwerpen van die maatregelen met de belangen van alle deelnemendelanden op een evenwichtige manier rekening worden gehouden. Daarbijmoet zeker het belang van, vooral de armste, ontwikkelingslanden voorogen gehouden worden. Nederland ervaart dat in het InclusiveFramework al deze belangen goed naar voren komen, maar zal zichtegelijkertijd constructief opstellen in de discussie binnen de VN en heefteen aantal onderwerpen aangedragen waarvoor Nederland de VN hetgeschikte gremium vindt voor de discussie en nader werk hieromtrent. Bijhet aandragen van deze onderwerpen is rekening gehouden met deexpertise binnen de VN en dat er geen sprake is van dubbelwerk metandere internationale gremia zoals het Inclusive Framework. Hetvoorkomen van dubbelwerk is één van de algemene principes dieNederland schetst in de inbreng. In het verslag van de Eurogroep en6«Under reasonable assumptions, these biases leads to an estimated profit of 21.0 billion euros,instead of 36.8 billion euros for the companies with positive profits, meaning that profit isoverstated by almost 75%.» (OECD – Country-specific analysis from the Netherlands 2017https://www.oecd.org/tax/tax-policy/netherlands-cbcr-country-specific-analysis.pdf.).7Tax Justice Network maakt hier wel een uitzondering voor als de effectieve belastingdrukboven de 15% is. Door de onvolledige correctie van de winsten, is dit voor Nederland niet vantoepassing.8Kamerstukken II 2023–24, 25 087, nr. 321.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3294 Ecofinraad van 11 en 12 maart dat recent aan uw Kamer is aangebodenwordt nader ingegaan op de laatste ontwikkelingen.Global Tax Evasion 2024Hieronder volgt de kabinetsappreciatie van de vijf belangrijkste bevin-dingen en gerelateerde aanbevelingen uit het rapport Global Tax Evasion2024.A. Informatie-uitwisselingHet kabinet deelt de constatering in het rapport dat de automatischeinformatie-uitwisseling van bankrekeninggegevens door banken eensucces is gebleken, en verheugt dat volgens het rapport de omvang vanbelastingontwijking door individuen via buitenlandse bankrekeningen inde afgelopen 10 jaar met een factor 3 is gedaald. Het kabinet hoopt datnog meer landen wereldwijd zich zullen aansluiten bij het internationaleraamwerk voor de automatische uitwisseling van bankrekeninggegevenszodat dit succes alleen maar groter wordt. Op dit moment hebben 122landen dit internationale raamwerk getekend.Het rapport beveelt aan om de automatische uitwisseling van gegevensverder uit te breiden naar vastgoed. In EU-verband maakt de informatie-uitwisseling over eigendom van en inkomsten uit onroerend goed al deeluit van de administratieve samenwerkingsrichtlijn (opgenomen in DAC1).Het kabinet staat positief tegenover het verkennen van de mogelijkhedenom automatische uitwisseling van informatie over onroerend goed uit tebreiden naar landen buiten de EU. Dit heeft Nederland ook aangegeven bijde OESO. Momenteel onderzoekt de OESO de mogelijkheden omtransparantie te vergroten en toegang tot informatie over onroerend goedte verbeteren. Bij het ontwikkelen van een nieuw uitwisselingsraamwerkvoor onroerend goed moet onder andere gekeken worden naar welkeinformatie landen nodig hebben voor hun belastingheffing, welkeinformatie landen kunnen verstrekken, de IT-infrastructuur enuitvoeringsaspecten.B. Belastingontwijking door winstverschuivingHet rapport stelt in hoofdstuk 2 dat belastingontwijking in de vorm vanwinstverschuiving tussen landen in de jaren 2016–2020 ongeveer gelijk isgebleven. Nederland wordt aangewezen als een van de landen waar in deonderzochte jaren relatief veel winsten naar toe werden verschoven.Volgens het rapport zouden buitenlandse bedrijven in die jaren meer dan$ 140 miljard aan winsten naar Nederland verschoven hebben.Net als ik heb aangegeven in de reactie op The State Of Tax Justice 2023,herken ik de stelling dat er veel winsten naar Nederland wordenverschoven om belasting te ontwijken niet. Er zijn meerdere aspecten aandit onderzoek die mogelijk leiden tot een vertekening van de resultaten. Inde eerste plaats maakt dit onderzoek gebruik van Amerikaanseeconomisch-statistische gegevens over winsten van Amerikaansebedrijven in Nederland.9 Deze gegevens komen volgens de onderzoekersniet overeen met statistieken die Eurostat heeft en publiceert over dewinsten van Amerikaanse bedrijven in Nederland.10 Hierdoor rekenen deonderzoekers bedrijfswinsten toe aan Nederland die in Nederlandsestatistieken niet zichtbaar zijn. De oorzaak van de discrepantie is9Bureau of Economic Analysis.10Torslov, T., L. Wier en G. Zucman, The Missing Profits of Nations, The Review of EconomicStudies, Volume 90, Issue 3, May 2023, Pages 1499–1534 (paragraaf 4.2.3).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3295 onbekend. Daarnaast maakt ook dit onderzoek, net als The State of TaxJustice, gebruik van gegevens uit landenrapporten (country-by-countrygegevens). Ik heb hierboven aangegeven waarom deze gegevens in hunhuidige vorm niet betrouwbaar zijn voor het meten van belastingont-wijking. Tot slot zijn de gebruikte gegevens van dit onderzoek uit 2020.Sindsdien zijn nog veel nieuwe maatregelen tegen belastingontwijking inwerking getreden waarvan de effecten nog niet zichtbaar zijn.Belangrijk is ook te onderkennen dat het onderzoek een ruime definitiehanteert van het begrip «winstverschuiving». Het model waar deonderzoekers vanuit gaan is bijvoorbeeld alleen gebaseerd op de loonsomvan bedrijven. Alles wat afwijkt van het model rekenen de onderzoekerstoe aan belastingontwijking. Net als The State of Tax Justice miskent ditrapport echter dat winst ook kan worden behaald met bijvoorbeeldmateriële of immateriële activa, en dat het juist de (zeer) winstgevendebedrijven zijn die internationaal opereren. In eerdere versies van hetonderzoek geven de onderzoekers aan dat als je voor enkele van deaannames corrigeert, de winstverschuiving naar Nederland aanzienlijkkleiner is.11Het kabinet onderkent wel dat het Nederlandse stelsel in het verledenkwetsbaar was voor belastingontwijkende structuren waarbij Nederlandwerd gebruikt als doorstroomland naar belastingparadijzen. Nederlandheeft daarom de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingont-wijking genomen. Daarbij heeft Nederland zowel internationale afsprakentegen belastingontwijking streng geïmplementeerd als aanvullend(eenzijdig) nationale maatregelen genomen om belastingontwijking aan tepakken. In bijlage 1 vindt u een lijst van maatregelen tegen belastingont-wijking die bijdragen aan een evenwichtige heffing van multinationals.Het kabinet is ervan overtuigd dat de genomen maatregelen de mogelijk-heden om belasting te ontwijken sterk hebben beperkt. Een belangrijkemaatregel tegen doorstroom naar belastingparadijzen is de bronbelastingop renten, royalty’s en – per 1 januari 2024 – ook op dividenden. DeNederlandsche Bank houdt de stromen vanuit Nederland naar anderelanden bij. Daarover rapporteert het kabinet jaarlijks aan uw Kamer in debrief over de monitoring van de effecten van de aanpak van belastingont-wijking. Het kabinet ziet een daling van de financiële stromen naarbelastingparadijzen van € 38 miljard in 2019 naar € 6 miljard in 2022. Datis een aanzienlijke daling. Het lijkt er dus op dat de aanpak werkt. Deresterende € 6 miljard zijn voornamelijk dividenden en niet-uitgekeerdewinsten (circa € 4,8 miljard). Sinds begin dit jaar ziet de bronbelasting ookop dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties.Naar verwachting heeft dit een aanvullend drukkend effect op degenoemde stromen. Bemoedigend is ook dat de financiële stromen vanuitNederland niet lijken te worden omgeleid via andere doorstroomlandenzoals Luxemburg, Ierland, Hong Kong, Zwitserland en Singapore,aangezien het totaal van de stromen naar die categorie landen gedaald is(van € 55 miljard in 2019 naar € 46 miljard in 2022).12Ook in demissionaire status zet het kabinet de strijd tegen belastingont-wijking voort. Het kabinet vindt het daarbij uiteraard van belang dat deaanpak effectief is. Internationale belastingontwijking is het meesteffectief aan te pakken met een gecoördineerde internationale aanpak. Bijnationale maatregelen bestaat namelijk het risico dat belastingontwijkingzich alleen verplaatst. Daarom ligt de focus van het kabinet nu nog steedsop internationale maatregelen. Ik verwijs naar paragraaf 5 van de11Torslov, T., L. Wier en G. Zucman, The Missing Profits of Nations, The Review of EconomicStudies, Volume 90, Issue 3, May 2023, Pages 1499–1534 (paragraaf 5.2.1 onderaan).12Kamerstukken II 2023–24, 25 087, nr. 320.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3296 Kamerbrief over de monitoring van de effecten van de aanpak vanbelastingontwijking voor een beschrijving van de ontwikkelingen opEuropees en internationaal terrein.13 Het kabinet blijft echter ook nationalestappen zetten tegen belastingontwijking, in aanvulling op de interna-tionale aanpak. Zo heeft het kabinet per 2024 de aanpak van dividend-stripping door de Belastingdienst versterkt. Verder wil het kabinet hetopknippen van activiteiten over verschillende vennootschappenaanpakken door de drempel van de earningsstrippingmaatregel specifiekvoor vastgoedlichamen met (aan derden) verhuurd vastgoed buitentoepassing te laten. Het kabinet werkt aan een wetsvoorstel dat aan uwKamer kan worden aangeboden. Bovendien onderzoekt het kabinet nogverschillende concrete maatregelen voor de aanpak van opmerkelijkebelastingconstructies die in de inventarisatie van belastingconstructiesnaar voren zijn gekomen. Ik verwijs naar de Kamerbrief van 19 september2023 voor het volledige overzicht van geïnventariseerde constructies.14C. Wereldwijde minimumbelasting voor multinationals (Pijler 2)Het akkoord op de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) is eenbelangrijke mijlpaal omdat het een ondergrens stelt aan de belastingcon-currentie tussen staten. Ook in het rapport wordt dit erkend. Tegelijkertijdis het rapport kritisch op het tarief van 15%, de uitzondering voor reëleactiviteiten, de behandeling van tax credits en de tijdelijke onderbelaste-winstmaatregel veiligehavenregel. Het rapport stelt dat deze aanpas-singen ertoe leiden dat de verwachte belastingopbrengst van de wereld-wijde minimumbelasting uiteindelijk de helft lager is dan wat met hetoorspronkelijke voorstel werd beoogd.Het kabinet stelt voorop dat het tarief van 15% een minimum is en dat degenoemde aanpassingen onderdeel zijn van een politiek compromis. Dezeaanpassingen waren noodzakelijk voor het bereiken van een internati-onaal akkoord. Hoewel deze aanpassingen mogelijk hebben geleid tot eenlagere belastingopbrengst dan aanvankelijk werd verwacht, blijft hetakkoord baanbrekend. Het vermindert de prikkel voor multinationalegroepen om winsten te verschuiven naar laagbelastende staten en roepteen halt toe aan de race naar de bodem in de winstbelasting. Naar demening van het kabinet is het belangrijk om een minimumbelasting in tevoeren in een zo groot mogelijk internationaal verband. Om tot eenakkoord in een zo breed mogelijk internationaal verband te komen is hetnodig geweest om aanpassingen door te voeren. Het kabinet steuntdaarom deze aanpassingen, omdat deze hebben bijgedragen aan hetrealiseren van een wereldwijde minimumbelasting die in een zo grootmogelijk internationaal verband wordt toegepast. De structurele budget-taire opbrengst van de Wet minimumbelasting 2024 is per saldo circa€ 466 miljoen per jaar.15 Het CPB heeft deze inschatting van het budget-taire effect bekeken en heeft de inschatting beoordeeld als redelijk enneutraal. Hierna zullen de specifieke elementen uit het rapport afzonderlijkworden behandeld.Het rapport is kritisch op het minimumtarief van 15%. Het doel van dezogenoemde Pijler 2-regels is tweeledig. Ten eerste beogen de Pijler2-regels de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelas-tende staten te verminderen. Ten tweede beogen de Pijler 2-regels eenondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen staten. Deze regelszijn het resultaat van meerjarige en intensieve onderhandelingen in het13Kamerstukken II 2023–24, 25 087, nr. 320.14Kamerstukken II 2023–24, 32 140, nr. 175.15Kamerstukken II, 36 369, nr. 3, blz. 56, bijlage Ramingstoelichting Wet minimumbelasting 2024(Pijler 2) met certificering Centraal Planbureau.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3297 Inclusive Framework («IF»), georganiseerd door de OESO. De EU-lidstatenzijn verplicht de Pijler 2-regels per 31 december 2023 te hebben geïmple-menteerd.16 Nederland heeft aan deze verplichting voldaan met de Wetminimumbelasting 2024 die per 31 december 2023 in werking isgetreden.17 Het minimumbelastingtarief van 15% weerspiegelt eenconsensus van een internationaal aanvaarde standaard voor eenminimumbelasting (waar tevens rekening is gehouden met de positie vanontwikkelingslanden). Aangezien het om een effectief tarief gaat dat wordtberekend per staat, verwacht het kabinet dat een minimumbelastingtariefvan 15% voldoende effectief is om belastingconcurrentie in te dammen.Hoofdstuk 3 van het rapport beschrijft hoe de systematiek van de Pijler2-regels waarborgt dat multinationals een effectief belastingtarief van 15%belasting betalen, ook in staten die de Pijler 2-regels niet hebbengeïmplementeerd. Als het effectieve tarief in een staat onder de 15% ligt,wordt een bijheffing toegepast, via een binnenlandse bijheffing, deinkomen-inclusiemaatregel of een onderbelastewinstmaatregel.Op grond van de inkomen-inclusiemaatregel wordt het deel van deoverwinst van een laagbelaste groepsentiteit die zich ergens in degroepsstructuur bevindt over het algemeen belast op het niveau van deuiteindelijkemoederentiteit. Voor zover geen inkomen-inclusiemaatregelwordt toegepast door de staat waarin de uiteindelijkemoederentiteit isgevestigd, wordt de (resterende) bijheffing verzekerd door toepassing vande onderbelastewinstmaatregel. De onderbelastewinstmaatregel werktdaarmee als een vangnetbepaling voor de inkomen-inclusiemaatregel. Debinnenlandse bijheffing gaat echter voor op de inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel. Door het invoerenvan een kwalificerende binnenlandse bijheffing heeft Nederland demogelijkheid om – kort gezegd – over de winst van in Nederland geves-tigde laagbelaste groepsentiteiten van een multinationale groep of eenbinnenlandse groep bij te heffen. Dit is, in tegenstelling tot de inkomen-inclusiemaatregel, ook het geval indien er geen moederentiteit inNederland is gevestigd. Zonder de binnenlandse bijheffing zou debijheffing over de winst van de in Nederland gevestigde laagbelastegroepsentiteiten toekomen aan andere staten, bijvoorbeeld de staat waarde uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd. De introductie van eenkwalificerende binnenlandse bijheffing beschermt de Nederlandsebelastingopbrengst.De waarborg voor snelle implementatie van de Pijler 2-regels over deminimumbelasting zit derhalve in het systeem zelf. Als gevolg van dePijler 2-regels zullen staten naar verwachting de Pijler 2-regels invoeren ofhun winstbelasting zodanig aanpassen dat het effectieve tarief in depraktijk uitkomt op ten minste 15%. Immers, als de desbetreffende statendit niet doen, zullen andere staten bijheffen over hun laagbelastegroepsentiteiten op grond van de Pijler 2-regels.Het rapport laat zich ook kritisch uit over het uitgesloten inkomen op basisvan reële aanwezigheid (in het Engels de «Substance-Based IncomeExclusion, «SBIE»). De SBIE uitzondering houdt in dat voor de berekeningvan de bijheffing op basis van het effectieve belastingtarief (kwalifice-rende belastingen gedeeld door het netto kwalificerend inkomen) eengedeelte van het kwalificerend inkomen (noemer van de breuk) magworden uitgesloten als sprake is van reële aanwezigheid in een staat. De16Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van eenmondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale onderne-mingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (PbEU 2022, L 328/1).17Stb. 2023, nr. 510.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3298 SBIE wordt bepaald aan de hand van de loonkosten en materiële activadie zijn opgenomen in de financiële verslaglegging van een groepsentiteit.De gedachte hierachter is dat dergelijke activiteiten minder kwetsbaar zijnvoor kunstmatige winstverschuiving en daaruit voortvloeiende belasting-ontwijking. Hoewel het kabinet erkent dat er een mogelijk verwaterendeffect uitgaat van de SBIE-uitzondering is het een voorbeeld van eenuitzondering die nodig was om tot een akkoord te komen. Om deuitzondering in te perken (en verdere verwatering te voorkomen) maakt deSBIE gebruik van een aflopende staffel waardoor het percentage van deinkomensuitzondering in tien jaar gefaseerd afloopt tot 5% (in hetverslagjaar dat aanvangt op of na 31 december 2023 bedraagt de SBIE9,8% van de in aanmerking komende loonkosten en 7,8% van deboekwaarde van de in aanmerking komende materiële activa).Het rapport stelt verder dat het effectieve tarief van 15% wordt verlaagddoor het verlenen van kwalificerende tax credits. Een dergelijk kwalifice-rende tax credit is bijvoorbeeld een fiscale stimuleringsmaatregel in devorm van een belastingtegoed dat binnen vier jaar na datum waarop hetrecht op dat tegoed is ontstaan, verrekend of betaald moet worden. Ookde behandeling van tax credits weerspiegelt een consensus die nodig wasom tot een internationaal aanvaarde standaard voor een minimumbe-lasting te komen. Binnen dit internationaal raamwerk van de Pijler-2 regelsdat door het IF is geïntroduceerd past een toenemend aantal landendaarom de fiscale regelingen aan, of introduceert nieuwe regelingen,zodat deze ook onder de Pijler 2-regels het gewenste beleidsdoel bereiken.In Nederland bestaat een fiscale stimuleringsmaatregel in de vorm vaneen kwalificerende tax credit op dit moment niet.Het rapport laat zich tot slot kritisch uit over de tijdelijke onderbelaste-winstmaatregel veiligehavenregel. Dit is een tijdelijke opschorting van deonderbelastewinstmaatregel waardoor geen onderbelastewinstbijheffingverschuldigd is ten aanzien van groepsentiteiten die zijn gevestigd in destaat waar de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd, voor eenverslagjaar dat niet langer is dan een periode van twaalf maanden enaanvangt op of vóór 31 december 2025 en eindigt vóór 31 december 2026.Daarnaast dient het statutaire tarief in die staat ten minste 20% tebedragen. Deze maatregel is een tijdelijke tegemoetkoming ontwikkeld inIF-verband voor staten die niet tijdig de kwalificerende binnenlandsebijheffing hebben geïmplementeerd. Het kabinet onderstreept het belangvan het tijdelijke karakter van deze maatregel. De beperkte periode vanslechts twaalf maanden is bedoeld om te voorkomen dat staten aanleidingzien om de Pijler 2-maatregelen niet te implementeren en om tevoorkomen dat multinationale groepen activiteiten of winsten gaanverplaatsen naar die staten. In de administratieve richtsnoeren van juli2023 wordt daarom expliciet benadrukt dat deze beperkte periode niet kanworden verlengd.D. Nieuwe vormen van belastingconcurrentieHoofdstuk 3 van het rapport gaat in op nieuwe vormen van internationalebelastingconcurrentie. De onderzoekers hebben een overzicht opgesteldvan gunstige fiscale regelingen voor individuen in de Europese Unie,Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. De regelingen zijn in driecategorieën ingedeeld:1.Regelingen voor zogenoemd «binnenlands inkomen» hebbenverlaagde tarieven voor inkomen verdiend uit bepaalde economischeactiviteiten om werknemers met een hoog inkomen of met specifiekekennis of vaardigheden – zoals wetenschappers, artiesten en atleten –aan te trekken. België, Cyprus, Denemarken, Finland, Frankrijk,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3299 Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden hebbeneen dergelijke regeling.2.Regelingen voor zogenoemd «buitenlands inkomen» hebben eengunstige belastingheffing van inkomen dat buiten het desbetreffendeland afkomstig is terwijl het binnenlandse inkomen regulier belastwordt. Soms wordt daarvoor een andere belastinggrondslaggehanteerd. Zwitserland heeft bijvoorbeeld een regime waarin debelastinggrondslag voor buitenlands inkomen is gebaseerd op dekosten voor levensonderhoud. Voor zover inkomen in een ander landdan het land dat het gunstige regime aanbiedt eveneens niet of laagbelast wordt, blijft dit (deels) onbelast. Griekenland, Frankrijk, Ierland,Italië, Luxemburg, Malta, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk enZwitserland hebben een dergelijke regeling.3.Regelingen voor pensioen hebben een verlaagde belastingheffingvan buitenlands inkomen uit pensioen om gepensioneerden aan tetrekken. Het idee hierachter is dat deze gepensioneerden meerkoopkracht hebben dan de lokale bevolking. Cyprus, Griekenland,Italië, Malta en Portugal hebben een dergelijke regeling.De onderzoekers hebben voor deze regelingen vervolgens ingeschat watde budgettaire gevolgen ervan zijn en in welke mate zij schadelijk zijn.Daarvoor hebben de onderzoekers gelet op een aantal aspecten van deregeling: de duur, de voorwaarden die aan de hoogte van het inkomenworden gesteld, of er eisen zijn voor de aard van de verrichte econo-mische activiteit en de omvang van het belastingvoordeel.Dit soort regelingen zijn ook beschreven in de Kamerbrief «Vervolgbelastingheffing high net worth individuals» die in het najaar van 2023aan de Tweede Kamer is verstuurd.18 Ook heb ik eerder aangegeven datverkend wordt of er in internationaal en Europees verband afsprakengemaakt kunnen worden over de belastingheffing van deze doelgroep.19Daar ga ik in paragraaf E van deze brief nader op in. Het maken vaninternationale afspraken over deze gunstige regelingen kan hier onderdeelvan zijn.Daarnaast is door lid Omtzigt tijdens de behandeling van het pakketBelastingplan 2024 in de Tweede Kamer in dit verband gevraagd naar de30%-regeling voor ingekomen werknemers. Ik verwacht de kabinetsappre-ciatie van de evaluatie van de 30%-regeling voor het zomerreces aan deTweede Kamer te versturen.E. Duurzame subsidies voor bedrijvenOm de transitie naar een groene economie te stimuleren introducerenlanden op verschillende plekken in de wereld groene subsidies. Volgenshet rapport hebben de vele groene subsidies van de Chinese overheid ende introductie van de IRA een subsidierace tot gevolg. Het rapport erkentdat dit een positief effect heeft voor de transitie naar een koolstofvrijeeconomie. Hoewel er geen concreet onderzoek is gedaan vreest hetrapport echter dat deze subsidiemaatregelen mogelijk ervoor zorgen datde ongelijkheid wordt vergroot. Dit zou komen doordat deze subsidies entax credits toekomen aan aandeelhouders en rijke individuen. Daarnaastbenoemt het rapport dat de kosten van de groene subsidies mogelijkgroter zijn dan de opbrengsten van maatregelen die zijn getroffen ombelastingontwijking tegen te gaan, specifiek de Pijler 2-regels. Tot slotwijst het rapport op het risico dat de groene subsidies kunnen hebbenvoor de globale handel, indien landen voorwaarden stellen aan de18Kamerstukken II 2023–24, 25 087, nr. 323.19Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2981 (beantwoording vragen van het lid Idsinga overhet bericht «Monaco: belastingparadijs voor topsporters»).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 32910 subsidies die zijn gericht op het gebruik van binnenlandse producten. Hetrapport roept niet op om groene subsidies te verbieden, maar vraagt bijhet invoeren daarvan aandacht voor het voorkomen van ongelijkheid ende noodzaak voor modernisering van de regelgeving omtrent interna-tionale handel, specifiek ten aanzien van klimaatverandering enbelastingsamenwerking.Bij het vergroenen van de economie maken Nederland en de EU gebruikvan een breed pakket aan maatregelen. Het is lastig om de in het rapportvaak aangehaalde maatregelen uit de IRA direct te vergelijken met deEU-maatregelen en nationale maatregelen van lidstaten. De meest voorde hand liggende vergelijking van de IRA, qua doelstelling, kan wordengemaakt met het Fit-for-55-pakket (FF55), het klimaat en verduurzamings-pakket van de EU dat ervoor moet zorgen dat de emissies in de EU metten minste 55% worden gereduceerd ten opzichte van 1990, en de GreenDeal. Daarbij wordt duidelijk dat de maatregelen uit de IRA voornamelijksubsidieregelingen betreffen, waar de EU-maatregelen zien op beprijzing,normering en EU en nationale subsidies.Bij het bepalen van het juiste instrumentarium kijkt het kabinet onderandere naar de aanbevelingen van het IBO Klimaat, maar ook naaruitgaven uit het Klimaatfonds. Zo wordt in elke sector een goede balanstussen de wortel en de stok gecreëerd. Rechtvaardigheid speelt ook meebij de inzet van het juiste instrumentarium. Het kabinet houdt in hetklimaatbeleid rekening met het nut voor de maatschappij, waarbij debijdrage aan de klimaatdoelen en de kosten voor de maatschappij wordenmeegewogen. Zo is het voor de rechtvaardigheid belangrijk dat devervuiler betaalt, dat verduurzaming loont, dat de sterkste schouders dezwaarste lasten dragen en dat subsidies vooral gaan naar hen die ze hethardst nodig hebben.F. Effectieve belastingdruk HNWI’sVoor drie landen zijn schattingen beschikbaar van de effectieve belas-tingdruk van huishoudens en de top 1% en 0,1% en 0,01% hoogsteinkomens, te weten de VS, Frankrijk en Nederland. Hieruit blijkt voorNederland dat voor de rijkste 1% huishoudens de effectieve belastingdruksterk afneemt met de hoogte van het inkomen: van 40% naar 21%. Debron van de effectieve belastingdruk voor Nederland is de analyse vanArjan Bruil, Céline Van Essen, Wouter Leenders, Arjan Lejour, JanMohlmann en Simon Rabaté, waarvan de uitkomsten in maart 2022 zijngepubliceerd (Ongelijkheid en Herverdeling» CPB Discussion Paper)20. DeCPB-studie laat voor het jaar 2016 zien dat nagenoeg alle inkomens-groepen ongeveer een gelijk aandeel van hun inkomen kwijt zijn aanbelastingen. Alleen voor de hoogste 1% geldt dat zij relatief minderbelasting betalen over hun inkomen. Hierbij is het goed te beseffen dathiervoor naar het hele belastingstelsel is gekeken, dus zowel indirectebelastingen als directe belastingen. De vlakke totale belastingdruk kent devolgende verklaring. Aan de ene kant heeft de inkomstenbelasting eenprogressief karakter waardoor hogere inkomensgroepen relatief meerbelasting betalen. Aan de andere kant geven huishoudens met lageinkomens een groter deel van hun inkomen uit. Doordat zij een groter deelvan hun inkomen besteden aan consumptie (in plaats van sparen) betalenzij relatief veel aan indirecte belastingen (zoals btw). Hierdoor hebben deindirecte belastingen een degressief karakter. Tellen we de directe enindirecte belastingen bij elkaar op, dan is de belastingdruk voor de meesteinkomensgroepen per saldo gelijk en betalen hogere inkomens in euro’s20https://www.cpb.nl/sites/default/files/omnidownload/CPB-Policy-Brief-Ongelijkheid-en-herverdeling.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 32911 meer belasting dan lagere inkomens. De dalende totale belastingdrukvoor de top 1% huishoudens met de hoogste inkomens wordt verklaarddoordat binnen deze groep het inkomen voornamelijk bestaat uit inkomenuit vermogen (met name uit inkomen uit aanmerkelijk belang en winst uitonderneming). Inkomen uit vermogen wordt minder belast dan inkomenuit arbeid. Daarnaast heeft deze groep een relatief hoge spaarquote,waardoor de belastingdruk uit indirecte belastingen relatief lager ligt danvoor andere groepen. Per saldo daalt hierdoor de totale belastingdrukvoor de top 1% hoogste inkomens ten opzichte van andere groepen. Ineuro’s omgerekend betalen zij gemiddeld uiteraard wel meer aanbelasting dan andere groepen. Verder is er bij de berekening van deeffectieve belastingdruk voor gekozen om de volledige winst in onderne-mingen, ook als deze nog niet uitgekeerd is, toe te rekenen aan deinkomens van huishoudens die de aandelen houden, zodat voorkomenwordt dat een deel van de winst buiten beeld zou blijven. De latente box 2belasting wordt niet meegenomen, omdat het CPB uitgaat van de in ditjaar gemaakte winsten en belasting over winsten die in dit jaar zijnuitgekeerd. Omgekeerd geldt dat winsten uit het verleden die in dit jaarworden uitgekeerd, niet zijn meegenomen als inkomen, maar dat de box 2belasting die hierover is betaald wel is meegenomen. Dat zou voor eendeel het effect van de winst die later wordt uitgekeerd (de latente druk)moeten corrigeren. Deze manier van berekenen van de effectievebelastingdruk is een nadeel van een berekening van de effectieve drukgebaseerd op één jaar (in dit geval 2016). Het CPB is daarom bezig metvervolgonderzoek in hoeverre de lage belastingdruk aan de top stand-houdt als de analyse over meerdere jaren wordt uitgevoerd.Onderstaande figuur uit hoofdstuk 2 van het IBO Vermogensverdelingillustreert de sterk afwijkende vermogenssamenstelling en de vermogens-concentratie van en bij de top 1%.De vermogenssamenstelling van de top 1% wijkt met name significant afvan andere huishoudens door de grote concentratie van het aanmerkelijkbelang. Bijna driekwart van het totale aanmerkelijk belang van Neder-landse huishoudens is in bezit van de top 1%. Het aanmerkelijk belangvormt voor deze groep 60% van hun totaalvermogen. De nettowaardeoverig vermogen (box 321) volgt daarna als grootste vermogensbe-standdeel. De nettowaarde van de eigen woning volgt daarna. Dit aandeel21Nettowaarde overig vermogen betreft vooral bezit en schuld dat in box 3 valt: het is denettowaarde van overige bezittingen en overige schulden exclusief de studieschuld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 32912 van de eigen woning is relatief laag ten opzichte van de andere vermo-gensgroepen. Voor een groot deel van de Nederlandse huishoudensvormt juist de eigen woning het grootste vermogensbestandsdeel. Tot het96%-percentiel vormt de nettowaarde van de eigen woning nog altijdminimaal de helft van het nettovermogen van huishoudens. Voor depercentielen daarboven daalt het aandeel van de eigen woning echter snelen neemt het aandeel van het aanmerkelijk belang, ondernemingsver-mogen en de nettowaarde overig vermogen (box 3) toe. Ten slotte is hetondernemingsvermogen (box 1) ook sterk geconcentreerd bij de top 1%.Tegenover bezit (bruto vermogen) staan relatief hoge schulden bij de top1%. Als gevolg van de sterke vermogensconcentratie bij de top 1% en desterk afwijkende vermogenssamenstelling wijkt de samenstelling van hetinkomen van de top 1% ook significant af. Waar voor de meestehuishoudens inkomen uit arbeid de grootste bron van inkomen is, bestaathet inkomen bij de top 1% voor een aanzienlijk deel uit (ingehouden)winst uit aanmerkelijk belang en ander inkomen uit vermogen.22Het kabinet heeft op Prinsjesdag 2022 een uitgebreide kabinetsreactie ophet IBO Vermogensverdeling naar uw Kamer gestuurd.23 Wat de rol vanhet belastingstelsel betreft geldt als een van de belangrijkste constate-ringen dat de onevenwichtige wijze waarop inkomen uit arbeid envermogen werd belast bijdraagt aan ongelijkheid tussen huishoudens. Inde loop van de tijd was de belastingdruk op inkomen uit arbeid envermogen steeds meer uit elkaar gaan lopen. Ook is in het IBO-rapportbeschreven hoe deze onevenwichtige belasting ertoe kan leiden dat debelastingdruk op het inkomen van de rijkste 1% Nederlandse huishoudenslager uitkomt dan de groep huishoudens die daar net onder zitten. Ditkomt omdat de vermogenssamenstelling van de top 1% significant afwijktvan de rest van de Nederlandse huishoudens waardoor ook huninkomenssamenstelling significant afwijkt van de overige Nederlandsehuishoudens. Daar waar de meeste Nederlanders hun inkomen vooralverkrijgen uit arbeid, geldt voor de top 1% dat hun inkomen voor eenaanzienlijk deel bestaat uit inkomen uit vermogen. Deze constatering isook in de CPB studie «Ongelijkheid en herverdeling» gedaan.24 Hetkabinet heeft in zijn reactie op de geconstateerde onevenwichtigebelasting van inkomen uit arbeid en vermogen en de gevolgen daarvanduidelijk gemaakt dat actie op deze punten nodig was. In het Belas-tingplan 2023 is daartoe een heel pakket aan maatregelen genomen dathet vermogen zwaarder belast. In totaal ging het om een lastenverzwaringop vermogen van circa 5 miljard. Een van de belangrijkste maatregelenbetrof het verhogen van het lage Vpb-tarief van 15% naar 19% en deverlaging van de schijf waarvoor het lage Vpb-tarief geldt van € 395.000naar € 200.000. Ook is met ingang van 2024 in box 2 een gedifferentieerdtarief ingevoerd van 24,5% tot een box 2-inkomen van € 67.000 en 33%voor het inkomen daarboven, waar dit in 2023 nog een uniform tarief van26,9% was. Daarnaast is het lenen van de eigen bv per 2023 ingeperkt tot€ 500.000, is de doelmatigheidsmarge gebruikelijk loon afgeschaft en isde vrijstelling van de schenkbelasting voor de eigen woning (jubelton)afgeschaft, het tarief in box 3 verhoogd en is de 30%-regeling per 2024beperkt tot een inkomen ter hoogte van de Balkenende-norm. Daarna zijnin het pakket Belastingplan maatregelen voorgesteld om de bedrijfsopvol-gingsregeling voor het aanmerkelijk belang (BOR-ab) te versoberen.Verder heeft het kabinet afgelopen jaar in het kader van de aanpak vanonevenwichtigheden in het Nederlandse belastingstelsel een inventari-satie uitgevoerd om belastingconstructies en onbedoelde gebruik vanfiscale regelingen aan te pakken. Het Belastingplan 2024 bevatte diverse22Zie rapport IBO, hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.3.23Kabinetsreactie IBO Vermogensverdeling | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.24Ongelijkheid en herverdeling in Nederland (cpb.nl).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 32913 maatregelen die belastingconstructies en ondoelmatige/ondoeltreffendefiscale regelingen aanpakken waaronder de hiervoor benoemde BOR. Hetkabinet is van mening dat hiermee forse stappen zijn gezet in de verbe-tering van het evenwicht in het belasten van inkomen uit arbeid envermogen. Ten slotte is het kabinet bezig met de hervorming van box 3naar een belasting van inkomen uit vermogen op basis van werkelijkrendement, wat ook bijdraagt aan een evenwichtiger belastingheffing opvermogen. In het najaar van 2023 heeft over het wetsvoorstel «Werkelijkrendement box 3» een consultatie plaatsgevonden en in januari is een oponderdelen aangepast voorstel aan de Tweede Kamer gestuurd. Het is aanhet volgende kabinet om hierin een keuze te maken. Dit geldt ook vooreen eventuele invoering van een maatregel om HNWI’s na emigratie naareen fiscaal gunstig land nog voor een bepaalde periode te blijvenbelasten.25Daarnaast heb ik voor de internationale dimensie van dit onderwerpeerder aangegeven dat verkend wordt of er in internationaal en Europeesverband afspraken gemaakt kunnen worden over de belastingheffing vandeze doelgroep.26Deze problematiek zal immers het meest effectiefkunnen worden aangepakt als zoveel mogelijk landen meedoen. Interna-tionale afspraken verminderen eveneens de fiscale concurrentie tussenlanden. Nederland heeft meermaals richting de OESO aangegeven dat debelastingheffing van HNWI’s voor Nederland een prioriteit is. Er lijkt enigmomentum te zijn om dit onderwerp in OESO-verband te bespreken. Voorhet behouden en verkrijgen van meer draagvlak is het verstandig, entevens de inzet van Nederland, om in internationaal verband stapsgewijsde problematiek en mogelijke beleidsoplossingen te onderzoeken voordatstevig voor een bepaalde oplossingsrichting gepleit wordt. Daarmee geefthet kabinet opvolging aan de moties van de leden Van der Lee en Alkaya.De Staatssecretaris van Financiën,M.L.A. van Rij25Voor de maatregel is een fiche uitgewerkt in «Belastingen in maatschappelijk perspectief –Bouwstenen voor een betere en eenvoudiger belastingstelsel».26Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2981 (beantwoording vragen van het lid Idsinga overhet bericht «Monaco: belastingparadijs voor topsporters»).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 32914

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8b413ed203d372f5

14 okt 2026 · b65df3a910f5ea55

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.