Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie fc57e2ab560adba7 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid (XV) voor het jaar 2026Nr. 7 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 13 november 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast methet voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eerverslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daaropgegeven antwoorden.De vragen zijn op 3 oktober 2025 voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid. Bij brief van 12 november 2025 zijn ze door deMinister en Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheidbeantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,Van der BurgAdjunct-griffier van de commissie,Morrin kst-36800-XV-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 71 Vragen en antwoordenVraag 1Wat is de status van de aangenomen motie van het lid Bushoff c.s.(Kamerstuk 36 725 XVI, nr. 25) over afzien van het voornemen om detegemoetkoming voor arbeidsongeschikten af te schaffen?Antwoord 1In het hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat de tegemoetkoming voorarbeidsongeschikten per 2027 wordt afgeschaft in verband met deverlaging van het eigen risico in de zorg. Nadat het kabinet een besluitheeft genomen over de aanbieding van het wetsvoorstel, wordt uw Kamergeïnformeerd over de uitvoering van de motie.Vraag 2Kunt u een overzicht geven van hoe de taakstellingen en bezuinigingen opde uitvoeringsdiensten? Wilt u hierbij ook het amendement Bontenbalmeenemen?Antwoord 2De taakstellingen en bezuinigingen op de uitvoeringsdiensten volgen uithet hoofdlijnenakkoord (HLA) en het amendement Bontenbal c.s. DeNederlandse Arbeidsinspectie (NLA), UWV en de SVB leveren eenbijdrage aan de taakstelling uit het hoofdlijnenakkoord van 0,5% per jaar,oplopend naar 2% in 2029 en structureel. De dekking voor hetamendement Bontenbal c.s. is gevonden in een aanvullende taakstellingop de apparaatsuitgaven, waarbij de uitvoeringsdiensten van SZW zijnmeegenomen in de grondslag. De bezuinigingen als gevolg van detaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord en het amendement Bontenbal c.s.tellen op tot € 92 miljoen structureel voor UWV, de SVB en de NLA.x € 1 mln202520262027202820292030Struc.Taakstelling HLA1,014,529,444,860,060,060,0UWV11,723,836,348,748,748,7SVB1,83,65,57,37,37,3NLA1,01,02,03,04,04,04,0AmendementBontenbal c.s.31,931,932,032,032,032,032,0UWV26,626,626,626,626,626,626,6SVB3,93,93,93,93,93,93,9NLA1,41,41,51,51,51,51,5Totaal32,946,461,476,892,092,092,0 Vraag 3Kunt u een overzicht geven van de uitgaven benodigd voor de wetgevingvan het arbeidsmarktpakket en hoe deze in de tijd lopen?Antwoord 3De onderstaande tabel geeft de geraamde uitgaven voor de wetgevings-trajecten van het arbeidsmarktpakket over de tijd weer. Naast dezewetgevingstrajecten zijn er met het arbeidsmarktpakket ook anderemaatregelen getroffen, zoals een bijdrage voor de opleiding totbedrijfsarts, lastenverlichting voor het bedrijfsleven en middelen voorre-integratie 2e spoor.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 72 Tabel: Uitgaven wetgevingstrajecten arbeidsmarktpakket (bedragen x € 1 mln)Wetsvoorstel202520262027202820292030Struc.Wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers (Flex)3,43,94,04,24,24,2Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrela-ties en rechtsvermoeden (Vbar)3,44,34,23,52,02,0Wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheidzelfstandigen (BAZ)1.725,0Wetsvoorstel Personeelsbehoud bij crisis (WPC)1,11,11,51,71,71,7Wetswijziging versterking arbeidsmarktinfrastructuur23,0123,023,023,023,023,0Wijziging re-integratieverplichting 2de ziektejaarwerknemers MKB1,712,2157,7Wetsvoorstel verlenging Inkomensvoorziening ouderewerklozen (IOW)7,319,940,058,546,138,601 Vooruitlopend op de ingangsdatum van de wetswijziging in 2027, worden tijdelijke middelen geïnvesteerd in de opbouw van de arbeidsmarktinfra-structuur. Vraag 4Wat is de verwachte stijging van het minimumloon en de bijstand enAlgemene Ouderdomswet (AOW) in de jaren tot en met 2030?Antwoord 4De ontwikkeling van het minimumloon in de komende jaren is afhankelijkvan de contractloonontwikkeling in die jaren. Daarmee is deze ontwik-keling nog met een grote onzekerheid omgeven. De ontwikkeling van denormbedragen in de bijstand en de AOW zijn daarnaast afhankelijk vanallerlei fiscale variabelen (belastingtarieven, schijflengtes, heffingskor-tingen, et cetera).Onderstaande tabel bevat de verwachte ontwikkeling van het brutomini-mumloon op basis van een 36-urige werkweek (inclusief vakantietoeslag)per maand en per uur, de netto bijstandsuitkering (voor paren, inclusiefvakantietoeslag) en de netto AOW (voor paren, inclusief vakantietoeslag)op basis van de huidige inzichten (stand Miljoenennota 2026). In allegevallen is uitgegaan van de bedragen per 1 januari van ieder jaar.202520262027202820292030Bruto minimumloonPer maand op basis van een 36-urige werkweek€ 2.369€ 2.478€ 2.574€ 2.667€ 2.758€ 2.847Per uur€ 14,06€ 14,71€ 15,28€ 15,83€ 16,37€ 16,90Stijgingspercentage6,0%4,6%3,9%3,6%3,4%3,2%Netto referentieminimumloon Bijstand – Paren1Per maand€ 1.922€ 2.003€ 2.077€ 2.144€ 2.199€ 2.251Stijgingspercentage4,8%4,2%3,7%3,2%2,6%2,4%Netto referentieminimumloon AOW – Paren1Per maand€ 2.031€ 2.114€ 2.190€ 2.266€ 2.338€ 2.408Stijgingspercentage4,2%4,1%3,6%3,5%3,2%3,0%1 Voor alleenstaanden is het normbedrag 70% hiervan. Vraag 5Wat zijn de schijftarieven en schijfgrenzen in 2026 en in 2030? Wat is depremie voor de AOW, Algemene nabestaandenwet (Anw) en Wetlangdurige zorg (Wlz) in beide jaren?Antwoord 5Bij het beantwoorden van deze vraag is rekening gehouden met deaangenomen motie van de leden Klaver en Kouwenhoven (Kamer-stukken II 2025/26, 36 800 IX, nr. 35). De schijftarieven en schijfgrenzen in2026 en 2030 staan in onderstaande tabel. Dit zijn de tarieven die geldenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 73 voor mensen jonger dan de AOW-leeftijd. De bedragen voor 2030 zijn eenraming.20262030Gecombineerd heffingspercentage schijf 135,75%35,41%Belastingtarief schijf 237,56%37,44%Belastingtarief schijf 349,50%49,50%20262030Lengte schijf 1€ 38.883€ 41.608Gecombineerde lengte schijf 1 en 2€ 78.426€ 91.540 Voor beide jaren is de premie voor de Algemene Ouderdomswet (AOW)17,90%, voor de Anw 0,10% en voor de Wlz 9,65%.Vraag 6Wat zijn de parameters van de Algemene Heffingskorting (AHK) en deAHK voor ouderen in 2026 en 2030?Antwoord 6Bij het beantwoorden van deze vraag is rekening gehouden met deaangenomen motie van de leden Klaver en Kouwenhoven (Kamer-stukken II 2025/26, 36 800 IX, nr. 35). De parameters voor 2030 zijngebaseerd op de Macro Economische Verkenning (MEV) 2026 en daaromerg onzeker.20262030AHK€ 3.115€ 3.397Inkomensgrens afbouw AHK€ 29.736€ 34.153Afbouwpercentage AHK6,40%6,04% 20262030AHK gepensioneerden€ 1.556€ 1.684Inkomensgrens afbouw AHK gepensioneerden€ 29.736€ 34.153Afbouwpercentage AHK gepensioneerden3,20%2,99% Vraag 7Wat zijn de parameters van de arbeidskorting in 2026 en 2030?Antwoord 7Bij het beantwoorden van deze vraag is rekening gehouden met deaangenomen motie van de leden Klaver en Kouwenhoven (Kamer-stukken II 2025/26, 36 800 IX, nr. 35). De parameters voor 2030 zijngebaseerd op de MEV 2026 en daarom erg onzeker.20262030Arbeidskorting knikpunt 1€ 11.965€ 13.743Arbeidskorting bedrag bij knikpunt 1€ 996€ 1.087Arbeidskorting knikpunt 2€ 25.845€ 29.683Arbeidskorting bedrag bij knikpunt 2€ 5.300€ 5.779Arbeidskorting knikpunt 3€ 45.592€ 53.324Arbeidskorting bedrag bij knikpunt 3€ 5.685€ 6.198Afbouwfactor na knikpunt 36,51%6,51% Vraag 8Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 74 Wat zijn de parameters van de inkomensafhankelijke combinatiekorting(IACK) in 2026 en 2030? Welk afbouwpad volgt de IACK?Antwoord 8De parameters voor 2030 zijn gebaseerd op de MEV 2026 en daarom ergonzeker.20262030IACK maximaal bedrag€ 3.032€ 1.963IACK opbouwpercentage11,45%11,45%IACK inkomensgrens€ 6.239€ 6.797 De afbouw van de IACK verloopt in negen stappen voor alle ouders. Hetmaximumbedrag van de IACK wordt vanaf 2027 tot en met 2034 elk jaarverlaagd. In 2027 betreft de verlaging € 134 (prijspeil 2023). Per 2028 toten met 2034 betreft de verlaging jaarlijks € 320 (prijspeil 2023). In 2035 isde IACK volledig uitgefaseerd.Vraag 9Wat zijn de parameters van de ouderenkorting, alleenstaande ouderen-korting en jonggehandicaptenkorting in 2026 en 2030?Antwoord 9De parameters voor 2030 zijn gebaseerd op de MEV 2026 en daarom ergonzeker.20262030Ouderenkorting€ 2.067€ 2.255Inkomensgrens afbouw ouderenkorting€ 46.002€ 50.142Afbouwpercentage ouderenkorting15%15% 20262030Alleenstaande ouderenkorting€ 540€ 590 20262030Jonggehandicaptenkorting€ 923€ 1.008 Vraag 10Wat zijn de parameters van het kindgebonden budget in 2026 en 2030?Antwoord 10De onderstaande tabel geeft een (voorlopig) overzicht van hoe deparameters (bedrag per jaar per kind) in het kindgebonden budget zichnaar verwachting zullen ontwikkelen in de jaren 2025–2030. De exacteparameters voor de jaren 2027 tot en met 2030 zijn nog niet beschikbaar.Dat komt doordat de parameters jaarlijks worden geïndexeerd en dewaarden van toekomstige jaren nog niet definitief zijn vastgesteld. Voorde beantwoording van deze vraag is voor de verwachte indexatie van deWKB-tarieven gebruik gemaakt van de prognoses uit de Macro Econo-mische Verkenning (MEV) 2026 van het CPB.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 75 Tabel: Indicatie (voorlopige) WKB-tarieven 2025–2030 (bedragen in €)Parameters Wkb2025202620272028202920301e kindbedrag2.5112.5802.7132.8272.8932.9542e kindbedrag e.v.2.5112.5802.7132.8272.8932.954Verhoging 12–15703724743761779796Verhoging 16–179369649891.0121.0361.058Alleenstaande ouderkop3.3893.4163.5023.5623.6443.721Inkomen afbouwgrens alleenstaanden28.40629.73630.88731.99933.08034.153Inkomen afbouwgrens paren37.54539.14140.52841.86243.17044.455Inkomen afbouwpercentage7,1%7,6%8,05%8,5%8,5%8,5%2e inkomensafbouwgrens alleenstaanden––64.04465.51867.02568.4332e inkomensafbouwgrens paren––64.04465.51867.02568.433Inkomen 2e afbouwpercentage––12,35%12,8%12,8%12,8%Geen WKB bij vermogen boven (alleenstaanden)141.896146.011119.006121.744124.545128.845Geen WKB bij vermogen boven (paren)179.429184.633158.593162.241165.973171.143 Vraag 11Wat zijn de parameters van de kinderbijslag budget in 2026 en 2030?Antwoord 11Onderstaande tabel geeft een (voorlopig) overzicht van hoe de parameters(bedrag per kwartaal per kind) in de kinderbijslag zich naar verwachtingzullen ontwikkelen in de komende jaren.De exacte parameters voor de kinderbijslag in de jaren 2026 tot en met2030 zijn nog niet beschikbaar. Dat komt doordat de parameters twee keerper jaar worden geïndexeerd en waarden van toekomstige jaren nog nietdefinitief zijn vastgesteld. De indexcijfers voor januari 2026 worden innovember 2025 bekend. Voor de beantwoording van deze vraag is voor deverwachte indexatie van de AKW-tarieven gebruik gemaakt van deprognoses uit de Macro Economische Verkenning (MEV) 2026 van hetCPB.Parameters AKWjan-26jul-26jan-27jul-27jan-28jul-28jan-29jul-29jan-30jul-3012 t/m 17 jaar420,91424,27429,96434,47440,64443,68450,03453,04459,52462,656 t/m 11 jaar357,77360,63365,47369,30374,55377,13382,53385,09390,60393,250 t/m 5 jaar294,64297,00300,97304,14308,45310,58315,02317,13321,67323,86 Vraag 12Wat is het verwachte maximumuurtarief, gemiddeld uurtarief en devergoedingspercentages per inkomensgroep in de kinderopvangtoeslag in2026 en 2030?Antwoord 12Ieder jaar wordt de maximum uurprijs en het vergoedingspercentagevastgelegd in het Besluit Kinderopvangtoeslag. Daarbij worden demaximum uurprijzen ieder jaar geïndexeerd op basis van een gewogengemiddelde van de loon- en prijsontwikkeling. In het Besluit Kinderop-vangtoeslag 2026, dat op 15 september 2025 is gepubliceerd in hetStaatsblad, is vastgelegd dat de maximum uurprijs voor de kinderopvang-toeslag in 2026 € 11,23 bedraagt in de dagopvang, € 9,98 in de buiten-schoolse opvang (bso) en € 8,49 in de gastouderopvang. Het vergoe-dingspercentage varieert van 36,5% voor huishoudens met een inkomenhoger dan € 165.658 tot 96% voor huishoudens met een inkomen lagerdan € 56.413.SZW monitort de gemiddelde tarieven in de kwartaalrapportageskinderopvang. In het eerste kwartaal van 2025 bedroegen de gemiddeldetarieven voor dagopvang, bso en gastouderopvang respectievelijk€ 11,17, € 10,14 en € 8,23. De rapportage over het eerste kwartaal van2026 wordt vermoedelijk in juni 2026 gepubliceerd op Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 76 De vergoedingspercentages bedragen vanaf 2029 96% voor allehuishoudens, ongeacht inkomen. De maximum uurprijzen en de gemid-delde uurtarieven voor 2030 zijn nog niet bekend.Vraag 13Hoe hoog ligt het maximumpremieloon in 2026 en 2030?Antwoord 13De parameters voor 2030 zijn gebaseerd op de MEV 2026 en daarom ergonzeker.20262030Maximumpremieloon€ 79.412€ 91.207 Vraag 14Hoe worden zogenaamde «remittances» in Nederland aan het land vanherkomst belast? Verschilt dit van de schenkbelasting?Antwoord 14«Remittances» betreffen niet-commerciële transfers van geld doormigranten naar verwanten in herkomstlanden, zoals familie en vrienden.Deze remittances zijn overdrachten die normaal gesproken wordengedaan uit het nettoloon/inkomen (arbeidsinkomen dat reeds belast is metinkomstenbelasting) van een migrant in Nederland en dus gezien kunnenworden als een bepaalde besteding van het inkomen. Remittances kunnenin Nederland onder de schenkbelasting vallen. De Nederlandse schenkbe-lasting is van toepassing als de schenker in Nederland woont. Hetwoonland van de verkrijger is niet relevant voor de Nederlandse schenk-belasting, ook niet als dit buiten de EU ligt. Een remittance is eenschenking indien sprake is van verarming bij de schenker, verrijking bij debegiftigde en van een bevoordelingsbedoeling (betreffende een bevoorde-lingsbewustheid en bevoordelingswil bij de schenker). De verkrijger moetde schenkbelasting betalen en aangifte schenkbelasting doen.Niet elke remittance zal dus als schenking worden aangemerkt voor deschenkbelasting. Van een schenking is gewoonlijk geen sprake bij betalingvan kosten van levensonderhoud en studie van eigen kinderen jonger dan21 jaar, aangezien dit valt onder de onderhoudsverplichting. Ook als hetkind de studie voortzet na zijn 21ste verjaardag zal het betalen van dezekosten in de meeste gevallen niet worden beoordeeld als een te belastenschenking. Maar ook als een remittance een schenking is, hoeft deverkrijger niet altijd schenkbelasting te betalen. De verkrijger moetschenkbelasting betalen voor zover schenking uitkomt boven de jaarlijksevrijstelling (€ 6.713 voor schenkingen van ouders aan kinderen en € 2.690voor schenkingen aan anderen dan kinderen (bedragen 2025)).Vraag 15Wat zijn de arbeidsmarktgevolgen voor een beperking van de duur van deWerkloosheidswet (WW) tot één jaar? En wat zijn de gevolgen van eenbeperking tot één jaar met een steilere afbouw van het uitkeringsbedrag?Antwoord 15In algemene zin heeft het verkorten en/of verlagen van de WW-uitkeringnaar verwachting een positief effect op de werkgelegenheid. Doordat demate van inkomensbescherming bij werkloosheid in duur en/of hoogteminder wordt, is de verwachting dat werkloze werknemers een sterkereprikkel ervaren om snel het werk te hervatten. Voor een nadere onder-bouwing van deze effecten verwijst het kabinet naar de publicatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 77 Uitkeringselasticiteiten werkloosheid van het CPB (achtergronddocumentbij de publicatie Kansrijk arbeidsmarktbeleid – update sociale zekerheidvan het CPB uit 2020). In Kansrijk arbeidsmarktbeleid raamt het CPB hetwerkgelegenheidseffect van een verkorting van de WW-uitkering naar12 maanden op +0,3%. In diezelfde publicatie raamt het CPB het werkgele-genheidseffect van een WW-duurverkorting naar 12 maanden in combi-natie met een uitkeringshoogte van 90% (eerste twee maanden), 80%(volgende vier maanden) en 70% (resterende maanden) op +0,1%.Recentere inschattingen heeft het Ministerie van SZW niet tot zijnbeschikking.Vraag 16Welk percentage van de werkende Nederlanders ervaart een marginaledruk boven de 49,5 procent? Hoeveel ervaart een marginale druk bovende 75 procent?Antwoord 16In 2026 ervaart ongeveer 58% van de werkenden een marginale drukboven 49,5%. Naast de belastingtarieven dragen inkomensafbouw in deheffingskortingen, de toeslagen en de pensioenpremies bij aan demarginale druk. Ongeveer 3% van de werkenden ervaart in 2026 eenmarginale druk boven 75%.Vraag 17In welke sectoren werken (naar schatting) de meeste schijnzelfstandigen?Antwoord 17Harde gegevens over het aantal schijnzelfstandigen in Nederland zijn erniet. Zie hiertoe ook het antwoord op vraag 139 over het totaal aantalschijnzelfstandigen in Nederland. Daardoor is het ook onmogelijk om eenuitspraak te doen over schijnzelfstandigheid op sectorniveau. Wel isbekend dat schijnzelfstandigheid zich niet beperkt tot één of enkelesectoren. Uit cijfers van het CBS over 2025, blijkt overigens sprake vaneen kentering waarbij er in 2025 sprake is van een daling van het aantalzzp’ers in nagenoeg alle sectoren.Vraag 18Hoeveel schijnzelfstandigen heeft de Rijksoverheid in dienst?Antwoord 18Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). Conform de motie Boon (Kamerstukken II2024/25, 36 600 XV, nr. 48) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijkrelaties een monitor opgezet waarin departementen registrerenhoeveel ingehuurde zelfstandigen zij hebben gekwalificeerd als potentieelschijnzelfstandig. De cijfers over 1 januari 2025 zijn inmiddels door alledepartementen aangeleverd, de cijfers over 1 juli 2025 zijn uitgevraagd.Zodra deze bekend zijn, zal uw Kamer geïnformeerd worden over hetaantal potentieel schijnzelfstandigen bij de Rijksoverheid over beidepeildata, uitgesplitst per departement. Naar verwachting zal dit eindnovember 2025 zijn.Vraag 19Wat is de stand van zaken rondom de uitvoering van de motie-Aartsen c.s.(Kamerstuk 32 043, nr. 642)?Antwoord 19De motie-Aartsen (VVD) c.s. vraagt om een verkenning of bestaandetoezichtkaders aangescherpt moeten worden om het uitgangspunt omeen koopkrachtig pensioen te realiseren, altijd centraal te laten zijn bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 78 beleggingsbeleid van pensioenfondsen. De motie wordt genoemd in hetjaarverslag van SZW over 2024 (Kamerstukken II 2024/25, 36 740 XV, nr. 1,pagina 182, ID-nummer 2068).Voor de uitvoering van deze motie zijn de relevante voorschriften in dewet- en regelgeving over het beleggingsbeleid op een rij gezet en isoverleg gevoerd met De Nederlandsche Bank. Hierover is de TweedeKamer geïnformeerd in twee brieven (Kamerstukken II 2024/25, 32 043,nr. 666 en nr. 670). Daarin staat dat de wetgeving waar het beleggings-beleid van pensioenfondsen aan moet voldoen, ervoor zorgt datpensioenfondsen een financieel gezond en koopkrachtig pensioennastreven voor hun deelnemers. Er is geen aanleiding om het wettelijkkader aan te passen.Vraag 20Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen inde Europese Unie (EU)?Antwoord 20Onderstaande figuur geeft een vergelijking van minimumlonen per uur inEuropese landen in januari 2025.Vraag 21Hoe verhoudt het minimumloon in Nederland zich tot minimumlonen inde Europese Unie als inkomensondersteuning zoals de toeslagen wordenmeegenomen? Wat is het netto (incl. toeslagen en equivalenten)Antwoord 21Het is niet goed mogelijk om deze vraag te beantwoorden, omdat hiergeen vergelijkbare en complete data voor beschikbaar zijn.Vraag 22Kunt u een overzicht geven van het bijstandsniveau (of equivalenthiervan) in alle EU-lidstaten? Kunt u een overzicht geven van hetminimumloon (of equivalent hiervan) in alle EU-lidstaten?Figuur: Bruto minimumlonen per uur in 22 EU-lidstaten nominaal per januari 2025Bron: Eurofound, minimum wages in 2025 annual review. Voor de landen gemarkeerd met eenasterisk zijn minimumbedragen per uur berekend op basis van het gemiddelde aantal gebruike-lijke werkuren per week en 4,33 werkweken per kalendermaand. Deze omrekening zou kunnenleiden tot een onderschatting van de minimumloon-uurtarieven in landen waar de werkuren vanminimumloonwerkers onder het nationale gemiddelde liggenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 79 Antwoord 22Netto bijstandsniveau permaand, alleenstaande zonderkinderen, in €, (afgerondebedragen, op basis van eigenberekening van de gemiddeldemaandbedragen in 2024, bron:OESO)Brutominimumloonper maand, in €, per01/07/2025(afgeronde bedragen;bron: Eurostat)België1.2632.112Bulgarije1156551Cyprus4801.000Denemarken11.2442Duitsland5632.161Estland2008886Finland5882Frankrijk6201.802Griekenland2161.027Hongarije158727Ierland9972.282Italië5002Kroatië150970Letland137740Litouwen2461.038Luxemburg1.9102.704Malta666961Nederland1.2842.246Oostenrijk8762Polen11411.100Portugal2371.015Roemenië168797Slovenië4651.278Slowakije180816Spanje6041.381Tsjechië1200841Zweden145921 omgerekend vanuit nationale valuta op 08-10-2025.2 Geen wettelijk minimumloon van toepassing. Sociale partners spreken de laagste beloning insectorale cao’s af. Het minimumloon in Nederland bedraagt sinds 1 juli 2025 bruto € 14,40per uur. Eurostat heeft dit minimumuurloon omgerekend naar een bedragper maand. Hierbij is Eurostat uitgegaan van 36 gewerkte uren per weeken 41/3 week per maand. Daarnaast is van belang te benoemen dat erinternationale verschillen bestaan tussen belasting- en socialezekerheids-stelsels, zoals verschillen in de mate waarin specifieke inkomensonder-steuning via toeslagen beschikbaar is. In 2023 heeft SEO een vergelijkinggemaakt van het sociaal minimum in vijf Europese landen (SEO (2023).Sociaal minimum: beschrijvende analyse voor vijf Europese landen).Vraag 23Kunt u een overzicht geven van de minimumloonontwikkeling in deafgelopen tien jaren in EU-lidstaten en de G7 landen?Antwoord 23De afgelopen 10 jaar hebben met name landen in Centraal- enOost-Europa een sterke groei van het wettelijk minimumloon (WML)doorgevoerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de groei1 vanhet WML in EU- en G7-landen2.1Eigen berekening op basis van data uit verschillende bronnen: Eurostat, OESO, the FederalReserve Bank of St. Louis, Government of Canada en nippon.com.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 710 Ontwikkeling van het wettelijkminimumloon, 2015–2025EU-lidstaat of G7-lidStijging met meer dan 200%Litouwen en RoemeniëStijging met 100–200%Bulgarije, Estland, Hongarije, Kroatië, Letland, Polen, Slowakije enTsjechiëStijging met 50–100%Canada1, Duitsland, Griekenland, Ierland, Portugal, Slovenië, Spanje enVerenigd KoninkrijkStijging met 25%-50%België, Japan, Luxemburg, Malta en NederlandStijging tot 25%Cyprus2 en FrankrijkStagnatie (0%)Verenigde Staten31 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon. Canadese staten mogen minimumuurlonen vastleggen die hoger liggen dan hetfederale minimumuurloon. In 2025 was het federale minimumloon CAD 17,75 per uur, waarbij het hoogste minimumloon in de provincie Nunavutwerd betaald (CAD 19,75).2 Cyprus heeft per januari 2023 een wettelijk minimumloon ingevoerd (€ 940 per maand). In januari 2024 werd een stijging naar € 1.000 per maanddoorgevoerd, die sindsdien ongewijzigd is gebleven; dat is een stijging van 6%.3 De berekening maakt gebruik van het federale minimumuurloon, dat sinds juli 2009 ongewijzigd op USD 7,25 per uur is gebleven. Amerikaansestaten mogen minimumuurlonen vastleggen die hoger liggen dan het federale minimumuurloon. Zie voor meer details per staat:https://www.dol.gov/agencies/whd/minimum-wage/state. Zowel in 2015 als in 2025 kende District of Columbia het hoogste minimumuurloon, die indeze periode van USD 9,50 naar USD 17,50 per uur steeg. Sommige Amerikaanse staten wijken niet van het federale uurtarief af, waaronder NewHampshire, Pennsylvania en Texas. Vraag 24Welke sectoren hebben de grootste deeltijdfactor? Hebben deze sectorenook grote personeelstekorten? Zijn er cijfers bekend van de marginaledruk in deze sectoren?Antwoord 24Uit onderstaand overzicht blijkt dat de bedrijfstak horeca, de bedrijfstakcultuur, sport en recreatie en de bedrijfstak gezondheids- en welzijnszorgde laagste deeltijdfactoren hebben. De bedrijfstak bouwnijverheid, debedrijfstak informatie en communicatie en de bedrijfstak financiëledienstverlening hebben de hoogste deeltijdfactoren.De cijfers zijn als volgt berekend. In 2024 bedroeg de gemiddeldearbeidsduur van een voltijdswerknemer 37,2 uur per week.3 Het gebruike-lijke aantal uren van een voltijds dienstverband verschilt echter per cao.Zo is een voltijdsbaan in de cao jeugdzorg 36 uur per week, terwijl devoltijdsarbeidsduur in de cao huisartsenzorg 38 uur per week is. HetMinisterie van SZW rapporteert jaarlijks de gemiddelde voltijdsarbeids-duren per bedrijfstak. Het CBS houdt openbare cijfers bij over gemiddeldeaantal gewerkte uren per week door werknemers per baan. Deze datacombinerend, geeft de onderstaande tabel een beeld van de gemiddeldedeeltijdfactor per bedrijfstak.Bedrijfstakken / branches(SBI2008)Arbeidsduur|Per baan perweek excl.overwerkGemiddeldevoltijdsduurin caoGemiddeldedeeltijdfactorA Landbouw, bosbouw en visserij29,637,60,79B-E Nijverheid (geen bouw) en energie3538,10,92F Bouwnijverheid36,236,80,982Denemarken, Finland, Italië, Oostenrijk en Zweden zijn niet in de tabel opgenomen omdat ze deafgelopen 10 jaar geen wettelijk minimumloon hebben toegepast. In deze landen spreken desociale partners de laagste beloning in sectorale cao’s af.3Rapportage Cao-afspraken 2025, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, p. 61.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 711 Bedrijfstakken / branches(SBI2008)Arbeidsduur|Per baan perweek excl.overwerkGemiddeldevoltijdsduurin caoGemiddeldedeeltijdfactorG Handel26,838,00,71H Vervoer en opslag32,938,40,86I Horeca20,138,50,52J Informatie en communicatie35,737,40,95K Financiële dienstverlening34,336,20,95M-N Zakelijke dienstverlening30,338,40,79O Openbaar bestuur en overheidsdiensten33,336,50,91P Onderwijs27,937,20,75Q Gezondheids- en welzijnszorg2536,20,69R-U Cultuur, recreatie, overige diensten25,137,10,68Bron: CBS Statline, rapportage «Cao-afspraken 2025» De vacaturegraad, het aantal openstaande vacatures per 1.000 banen, iséén van de indicatoren die de personeelstekorten per bedrijfstak aanduidt.De vacaturegraad van de bedrijfstak gezondheids- en welzijnszorg en debedrijfstak cultuur, sport en recreatie lagen in het tweede kwartaal van2025 met respectievelijk 46 en 39 rond de gemiddelde vacaturegraad van44. De vacaturegraad in de horeca lag met 55 boven het gemiddelde.4Bedrijfstakken met een hoge deeltijdfactor kampen ook met personeelste-korten. Zo heeft de bouw de hoogste deeltijdfactor én de hoogstevacaturegraad (80). Ook in de ICT is sprake van een hoge deeltijdfactor enbovengemiddelde vacaturegraad (54). Bij de financiële dienstverlening(43) ligt de vacaturegraad rond het gemiddelde.De berekeningen van de marginale belastingdruk van het CBP en hetMinisterie van SZW (zoals opgenomen in de begroting) zijn niet voor dezesectoren beschikbaar. De totale marginale druk is van verschillendefactoren afhankelijk. Bijvoorbeeld het geldende belastingtarief en de op-en afbouw van inkomensondersteunende regelingen (zoals heffingskor-tingen en toeslagen) bij een gegeven inkomenshoogte. Daarnaast geldtvoor paren dat de marginale druk ook afhangt van het inkomen van departner.Vraag 25Hoeveel euro hebben werkgevers in 2025 afgedragen aan socialepremies? Kunt u dit uitsplitsen per premie?Antwoord 25Het jaar 2025 is nog niet afgelopen. Hieronder staan daarom de geraamdepremie-inkomsten van de werknemersverzekeringen, zoals die zijnopgenomen in de Miljoenennota 2026 en in de bijlage over de socialefondsen bij de SZW-begroting 2026. Bij deze geraamde premie-inkomstenworden de opbrengsten van de twee werkloosheidspremies (de premievoor het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) voorniet-overheidswerkgevers en de premie voor het Uitvoeringsfonds voorde overheid (Ufo) voor overheidswerkgevers) gezamenlijk geraamd. Ookde twee arbeidsongeschiktheidspremies (de premie voor het Arbeidson-geschiktheidsfonds (Aof) en de Werkhervattingskas (Whk)) wordengezamenlijk geraamd. De geraamde bedragen kunnen niet wordenuitgesplitst per premie. Voor de gerealiseerde premie-inkomsten is deuitsplitsing per premie wel bekend, daarom is ook 2024 in de tabelopgenomen.4CBS StatlineTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 712 Inkomsten premies werknemersverzekeringen, miljoen euro20242025 (raming)Werkloosheidspremies10.57411.397Waarvan AWf-premie10.073Waarvan Ufo-premie501Arbeidsongeschiktheidspremies27.29329.590Waarvan Aof-premie24.970Waarvan Whk-premie2.323Bron: UWV jaarverslag 2024 en SZW-begroting 2026. Vraag 26Heeft de Rijksoverheid mensen in dienst die het minimumloon verdienen?Antwoord 26Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). Binnen de CAO Rijk bedraagt het maand-salaris voor schaal 01, salaristrede 0 € 2.336,78. De CAO gaat uit van156 werkuren per maand. Op basis hiervan wordt het uurloon als volgtberekend: € 2.336,78 ÷ 156 = € 14,98 per uur. Per 1 juli 2025 bedraagt hetwettelijke minimumloon € 14,40 per uur. Het laagste uurloon binnen deCAO Rijk ligt dus boven het wettelijke minimumloon. De Rijksoverheidheeft daarmee geen medewerkers in dienst die het wettelijkeminimumloon of minder verdienen.Vraag 27Wat is de deeltijdfactor bij personeel van de Rijksoverheid?Antwoord 27Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De gemiddelde deeltijdfactor vanmedewerkers bij het Rijk met een formeel vast of tijdelijk dienstverband is0,947 ultimo Q2 2025.Vraag 28Reflecteert de Rijksoverheid als werkgever op de positie die het inneemtop de arbeidsmarkt? Wordt daarbij gekeken naar de concurrerende positievan de Rijksoverheid die door zeer aantrekkelijke arbeidsvoorwaardenmogelijk begeerde arbeidskrachten uit de arbeidsmarkt onttrekt waardoorde personeelstekorten van bedrijven versterkt worden?Antwoord 28Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties (BZK). De Rijksoverheid kijkt zeker naar haar positieals werkgever op de arbeidsmarkt. Relevant daarbij is dat ook bij het Rijkbij bepaalde functies het lastig is om voldoende personeel aan te trekken.Denk daarbij bijvoorbeeld aan functies in de veiligheidsketen, zoalsgevangeniswezen en de rijksbeveiligingsorganisatie. Maar ook op anderewerkterreinen is het soms lastig vacatures te vervullen. Een aantrekkelijkarbeidsvoorwaardenpakket is één van de manieren om hier de concurren-tieslag met andere werkgevers aan te kunnen gaan. De arbeidsvoorwaar-denruimte van publieke sectoren, waaronder de Rijksoverheid, isbehoudens nadere politieke besluitvorming, een afgeleide van degemiddelde loonruimte in de markt. Daarmee wordt een gelijk speelveldtussen markt en overheid geborgd.Vraag 29Kan worden aangegeven hoe de hoogte van de Nederlandse bijstandsuit-kering zich verhoudt tot de hoogte elders in de EU, zowel in absolute zinals in percentage van het mediane inkomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 713 Antwoord 29De tabel hieronder bevat voor de EU-27 het gegarandeerde minimumin-komen (Guaranteed Minimum Income benefits) zoals dat gedefinieerdwordt door de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking enOntwikkeling. In Nederland is dit de algemene bijstandsuitkering. In detweede kolom is voor ieder land het netto maandbedrag in euro’s per1 januari 2024 dat een alleenstaande ontving weergegeven. VoorNederland bevat het bedrag de vakantietoeslag maar niet de toeslagen.De maandbedragen zijn niet gecorrigeerd voor prijsverschillen tussenlanden (koopkrachtpariteit). De vierde kolom bevat het maandbedrag alspercentage van het mediane besteedbare inkomen op basis van bereke-ningen door de OESO (na belastingen en toeslagen, voor vaste lasten).Tabel: Minimuminkomen in EU-lidstaten, voor een alleenstaandeEU-lidstaatNetto maand-bedrag (€)Als percentage vande NederlandsebijstandsuitkeringAls percentage vanhet medianebesteedbare inkomenBelgië1.2639844Bulgarije1831423Cyprus4803725Denemarken1.45911337Duitsland5634320Estland2001513Finland5884523Frankrijk6204826Griekenland2161622Hongarije6757Ierland9977732Italië1–0–Kroatië1501114Letland1371012Litouwen2461922Luxemburg1.91014842Malta6665134Nederland1.28410045Oostenrijk8766827Polen6004611Portugal2371819Roemenië81610Slovenië4653625Slowakije1801417Spanje6044733Tsjechië2261713Zweden51540161 In Italië bestaat per 2024 geen regeling meer die geldt als gegarandeerd minimuminkomen.Bron: OESO, oecd.stat.org, geraadpleegd en bewerkt op 08-10-2025.Noot: Maandbedragen voor niet-eurolanden zijn omgerekend op basis van de wisselkoersen diede OESO hanteert voor 2024; maandbedragen zijn exclusief huurkostentoeslagen. Vraag 30Zijn er EU-landen die sociale zekerheid (of delen hiervan) of voorzieningenin natura verstrekken aan minima? Zoals de Amerikaanse «food stamps»?Antwoord 30Ja, diverse EU-landen verstrekken voorzieningen in natura aan minima.Uit de landenanalyse sociaal minimum van SEO (Kamerstukken II 2023/24,36 410 XV, nr. 6) volgt het volgende:–Denemarken en het Verenigd Koninkrijk verstrekken gezondheidszorgin natura.–In Duitsland worden woon- en energiekosten overgenomen. Verderkunnen bijstandsgerechtigden gebruikmaken van voedselbanken diesubsidie ontvangen van de overheid. Specifiek voor kinderen wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 714 onder meer schoolmaaltijden, excursies en transport naar schoolverstrekt.–In België wordt bijstand aangevuld met hulp in natura door gemeente-lijke centra. De voedselbanken worden deels gefinancierd uit hetEuropees Sociaal Fonds Plus (ESF+).–In Frankrijk bieden regionale en stedelijke overheden bijdragen innatura, hoewel hier beperkt gebruik van wordt gemaakt. Voedselban-ken, gesubsidieerd door de overheid, zijn beschikbaar voor mensenmet een laag inkomen.–Het Verenigd Koninkrijk kent onder andere een nationaal netwerk vanvoedselbanken. Via de National Health Service is de gezondheidszorggrotendeels gratis. Er zijn ook regelingen voor de verduurzaming vanwoningen, vermindering van energiekosten en korting op openbaarvervoer. Alle kinderen tussen vijf en zeven jaar krijgen gratis school-maaltijden, evenals kinderen van gezinnen in de bijstand. Kinderop-vangkosten worden voor 85% vergoed. Food vouchers kunnen wordenaangevraagd bij de lokale gemeente, die ook uitkeringen in natura kanverstrekken via een huishoudsteunfonds5.Volgens de Europese Commissie bieden bijna alle EU-landen (gedeeltelijk)een gratis maaltijd per schooldag aan kwetsbare kinderen. Wel zit er veelvariatie tussen doelgroepen, leeftijden en de manier waarop dit georgani-seerd wordt. Daarnaast gebruiken de meeste EU-lidstaten ESF+ middelen(voorheen FEAD) om voedselhulp en materiële hulp te verstrekken aan demeest behoeftigen. Op grond van de ESF+ verordening (periode2021–2027) moeten lidstaten minimaal 3% van hun budget aan dit doelbesteden.6In Nederland is er 135 miljoen euro structureel beschikbaar voor deondersteuning van leerlingen op scholen in het basis- en voortgezetonderwijs waar minstens 30% van de leerlingen uit een huishouden meteen laag inkomen komt.Vraag 31Hebben andere EU-landen in de afgelopen jaren plannen uitgerold om destap naar (meer) werken te stimuleren? Heeft u zich door deze plannenlaten inspireren?Antwoord 31Ja, verschillende EU-landen hebben de afgelopen jaren plannen uitgeroldom de stap naar (meer) werken te stimuleren. Zo staan Scandinavischelanden bekend om hun uitgebreide kinderopvangstelsels, met regelingendie over het algemeen genereuzer zijn dan elders in Europa. Duitslandheeft het bijstandsstelsel hervormd door meer ondersteuning te bieden inhet vinden van passend werk of bijscholingstrajecten. Verschillendelidstaten van de EU waar de jeugdwerkloosheid hoog is, maken gebruikvan het «Youth Guarantee Programme» om jongvolwassenen te onder-steunen met om- en bijscholing. Daarnaast hebben onder andereFrankrijk, Italië en Spanje belasting- en premiekortingen doorgevoerd omte stimuleren dat werkgevers jonge, vrouwelijke of langdurig werklozearbeidskrachten aannemen.Wat deze uitgerolde maatregelen gemeen hebben, is dat bij de totstand-koming rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische enculturele kenmerken van de nationale arbeidsmarkt. Kenmerkend voorNederland is onder andere dat er sprake is van een hoge arbeidspartici-patie (ook onder vrouwen), maar dat er tegelijkertijd veel in deeltijd wordt5Sociaal Minimum – Beschrijvende Analyse voor Vijf Europese Landen6Artikel 4(1)(m) ESF+ verordeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 715 gewerkt.7 Ook spelen het specifieke toeslagenstelsel en de vormgevingvan de fiscaliteit een rol in de keuze van mensen om wel of niet (meer) tegaan werken.8Het kan waardevol zijn om inspiratie te putten uit voorbeelden in anderelidstaten. Tegelijkertijd is het essentieel om rekening te houden met denationale kenmerken van de arbeidsmarkt. Eind 2024 is een brief metuitwerking van plannen rond arbeidsmarktkrapte en de brede arbeids-marktagenda verzonden aan de Kamer (Kamerstukken II 2024/25, 29 544,nr. 1260). Een van de sporen hierin betreft de blijvende inzet om meermensen te laten participeren op de arbeidsmarkt en om meer uren werkente stimuleren. Een voorbeeld hiervan is de stelselherziening van dekinderopvangtoeslag en het Groeifondsproject «Meer uren werkt!». Ookwordt blijvend gewerkt aan de hervorming van het stelsel van inkomens-ondersteuning. Om meer werken aantrekkelijk te maken, leunt Nederlandnet als andere landen ook veel op werkgevers, omdat goed werkgever-schap cruciaal blijkt te zijn in de keuze om meer te gaan werken. Zoexperimenteren werkgevers in Nederland in sectoren zoals zorg enonderwijs met het bieden van iets extra’s, zoals flexibiliteit in snipper-dagen, inroostering of het focussen op andere soorten taken.Vraag 32Kan een overzicht gegeven worden van al het armoedebeleid dat hetkabinet-Schoof treft? Kan beleid van vorige kabinetten worden meege-nomen indien dit is doorgezet? Kunnen de kosten hiervan erbij vermeldworden?Antwoord 32Op 6 juni 2025 heeft het kabinet het Nationaal Programma Armoede enSchulden aan beide Kamers gestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 24 515,nr. 799). Deze brief bevat een overzicht van het brede armoedebeleid vandit kabinet. Het Nationaal Programma Armoede en Schulden bouwt voortop de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden 2022–2024 (Kamer-stukken II 2021/22, 24 515, nr. 643).De middelen die worden ingezet voor het Nationaal Programma Armoedeen Schulden zijn eerder gereserveerd, onder andere als onderdeel van de«Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» in 2022 en als onderdeel vande kabinetsreactie op het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO)«Problematische Schulden» in 2024. Deze middelen staan nu op deSZW-begroting op artikel 2, artikel 11 en artikel 99. Vanaf deSZW-begroting zijn de afgelopen jaren ook middelen overgeheveld naargemeenten via de Algemene Uitkering in het Gemeentefonds voorverschillende activiteiten op het terrein van armoede en schulden.Tabel: Middelen Nationaal Programma Armoede en Schulden x € mln., exclusief/verrekend eventuele reeds aangeganeverplichtingenBeleidsonderwerp202520262027202820292030Armoede en schuldenbeleid342926272631Alle kinderen doen mee161515151516Preventie van Geldzorgen1010131288Waarborgfonds6000007In het tweede kwartaal van 2024 hadden 9,8 miljoen (seizoen gecorrigeerd) mensen betaaldwerk. Dat is 73,4 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar. 4,7 miljoen mensen werkten indeeltijd: minder dan 35 uur per week. CBS Dashboard «Deeltijd» en «Werkenden».8Zie ook de antwoorden over vragen naar de marginale druk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 716 Beleidsonderwerp202520262027202820292030Energiefonds566050000Wetsvoorstel Stroomlijning Keten voor Derdenbeslag21923241610Maatregelenpakket IBO-Schulden037389900NPLV000055Totaal1241701651777171 Vraag 33Kan een overzicht gegeven worden van al het beleid dat het kabinet heeftom werken aantrekkelijker te maken?Antwoord 33Het kabinet neemt verschillende maatregelen die bijdragen aan hetaantrekkelijker maken van (meer) werken. Zoals koopkrachtmaatregelen,de hervormingsagenda vereenvoudiging inkomensondersteuning, destelselherziening van de kinderopvangtoeslag, het groeifondsprogrammaMeer uren werkt! en experimenten in het primair onderwijs om meeruren-maatwerk aan te bieden. In 2025 heeft het kabinet een extra belasting-schijf geïntroduceerd, met een verlaagd belastingtarief. In 2026 vereen-voudigt het kabinet de huurtoeslag, waardoor het verlies aan huurtoeslagbij een hoger inkomen door (meer) werken minder groot is dan voorheen.Verder worden de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslagstapsgewijs verhoogd waardoor werkenden naar verwachting dekomende jaren meer ruimte ervaren om meer uren te gaan werken, ookdoordat zij netto meer overhouden.Vraag 34Hoeveel dragen arbeidsmigranten per hoofd bij aan de Nederlandseeconomie? Hoe verhoudt zich dat tot het bruto binnenlands product (bbp)per hoofd van de Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten?Antwoord 34Een vergelijking met het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd vande Nederlandse bevolking zonder arbeidsmigranten is niet zuiver op testellen middels bestaande studies. Zo kan de komst van arbeidsmigrantenook invloed hebben op de productiviteit van gevestigde werkenden.Het onderzoek «Arbeidsmigratie in 2030; mogelijke ontwikkelingen in vierscenario’s» van SEO uit juni 2022 onderzocht de bijdrage van arbeidsmi-granten aan het bbp in Nederland. Deze studie becijfert de bruto bijdrageaan het bbp voor 2019 op € 22 miljard, ofwel 3% van het bbp. De studiemoet vanwege de complexiteit van het vraagstuk forse aannames makenom tot een werkbaar cijfer te komen. Daarnaast leidt de gebruiktemethode tot een overschatting van de bijdrage van arbeidsmigranten aanhet bbp, omdat de waarde van de inzet van binnenlands kapitaal entechnologie deels wordt toegeschreven aan de bijdrage van arbeidsmi-gratie.Volgens economische theorie staan lonen in een optimaal functionerendearbeidsmarkt gelijk aan het werkelijke productiviteitsniveau vanwerkenden. Het totaal aan brutolonen die arbeidsmigranten ontvangenvormt – onder deze (sterke) aanname – daarmee een alternatieve indicatorvoor de bijdrage van arbeidsmigratie aan de totale productie. Wanneer welonen als indicator hanteren blijft de bijdrage van arbeidsmigratie aan hetbbp in Nederland op basis van looncijfers in de eerdergenoemde SEOstudie beperkt tot € 11 miljard in 2019 (1,5% van het bbp).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 717 Het CPB heeft in het kader van het IBO arbeidsmigratie (kwalitatieve)conclusies getrokken over het effect van arbeidsmigratie op de producti-viteit en het bbp, op basis van economische theorie, bestaande interna-tionale, empirische studies en de Nederlandse context (CPB (2025). Deeconomische effecten van arbeidsmigratie | CPB Website). Het CPB steltdat het effect van arbeidsmigratie op het bbp per persoon afhankelijk isvan de kenmerken van de arbeidsmigrant, zoals de arbeidsparticipatie, hetkennis- en vaardighedenniveau, de verblijfsduur (tijdelijk versuspermanent) en de mate waarin de arbeidsmigrant werk doet wataanvullend is op het werk van zittende werknemers. Hoogopgeleidearbeidsmigratie heeft volgens het CPB vaker een positief effect op deproductiviteitsgroei, met name als deze migranten een bijdrage leverenaan innovatie. Het effect van laagbetaalde arbeidsmigratie op deproductiviteit in Nederland is echter niet duidelijk volgens het CPB.Enerzijds stelt laagbetaalde arbeidsmigratie ingezetenen in staat omproductiever werk te verrichten. Anderzijds verlaagt het aanbod aanlaagbetaalde arbeid de prikkel om te innoveren voor werkgevers. Het CPBstelt verder dat arbeidsmigratie op de lange termijn van invloed kan zijnop de structuur van de economie, door relatief laagproductieve bedrij-vigheid die afhankelijk is van laagbetaalde arbeid te stimuleren en instand te houden.Tot slot is van belang te benadrukken dat de bijdrage van arbeidsmigratieniet enkel te meten is via hun directe bijdrage aan het bbp. Zo kunnenarbeidsmigranten ook bijdragen aan de bredere welvaart, bijvoorbeeld viakennisdeling en hun deelname aan de maatschappij. Aan de andere kantkan de komst van arbeidsmigranten brede welvaart kosten, bijvoorbeelddoordat zij een beroep doen op schaarse (woon)ruimte of de socialecohesie in wijken.Vraag 35Kan een overzicht gegeven worden van het percentage mensen dat inarmoede leeft per EU-lidstaat?Antwoord 35Elke EU-lidstaat kan een eigen definitie van armoede hanteren. Dit kanbijvoorbeeld een percentage zijn van het mediane inkomen, of eenabsolute ondergrens. Op 17 oktober 2024 hebben het Sociaal en CultureelPlanbureau (SCP), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud)en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een gezamenlijk rapportgepubliceerd met daarin een nieuwe definitie van armoede voorNederland en een nieuwe manier om deze armoedegrens te meten.9Om Europese landen met elkaar te kunnen vergelijken wordt door deEuropese Commissie veelal gebruik gemaakt van de at-risk-of-poverty(AROP)10 indicator, of de at-risk-of-poverty-and-social-exclusion (AROPE)11indicator. AROP verschilt met de Nederlandse indicator, omdat het eenrelatieve armoedegrens is. Een persoon loopt volgens deze definitie risicoop armoede als je minder dan 60% van het mediane inkomen verdient. InNederland geldt een vaste inkomensgrens.9Nieuwe meetmethode CBS, SCP en Nibud brengt armoede scherper in beeld | Nieuwsbericht |Sociaal en Cultureel Planbureau10https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Glossary:At-risk-of-poverty_rate11https://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php?title=Glossary:At_risk_of_poverty_or_social_exclusion_(AROPE)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 718 De AROPE-indicator gaat uit van een bredere definitie van armoede ensociale uitsluiting dan de Nederlandse. En kijkt naar het totaal aantalmensen dat risico loopt op armoede (AROP) en/of ernstige materiële ensociale achterstelling, en/of leeft in een huishouden met een zeer lagewerkintensiteit. Dit is een EU-breed gestandaardiseerde indicator diegebruikt wordt om de voortgang op het EU 2030-doel voor armoedebe-strijding te monitoren. Zie onderstaand een overzicht van de AROPE-indicatie in de EU van Eurostat voor het jaar 2024:Persons at risk of poverty or social exclusion, % of population (2024).Bron: Eurostat, 10-10-20251België18,3%Bulgarije30,3%Cyprus17,1%Denemarken18,0%Duitsland21,1%Estland22,2%Finland16,8%Frankrijk20,5%Griekenland26,9%Hongarije19,3%Ierland17,1%Italië23,1%Kroatië21,7%Letland24,3%Litouwen25,8%Luxemburg20,0%Malta19,7%Nederland15,4%Oostenrijk16,9%Polen16,0%Portugal19,7%Roemenië27,9%Slovenië14,4%Slowakije18,3%Spanje25,8%Tsjechië11,3%Zweden17,5%1 https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/ilc_peps01n__custom_18356698/default/table Vraag 36Kan een overzicht gegeven worden van een recente gini-coëfficiënt perEU-lidstaat?Antwoord 36Zie onderstaand een overzicht van de Gini-index per lidstaat voor het jaar2024:lidstaatGini-index,Bron: Eurostat, 09-10-20251België24,6Bulgarije38,4Cyprus30,1Denemarken28,6Duitsland29,5Estland30,8Finland26,1Frankrijk30Griekenland31,8Hongarije27,6Ierland26,4Italië32,2Kroatië29,8Letland34,2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 719 lidstaatGini-index,Bron: Eurostat, 09-10-20251Litouwen35,3Luxemburg30,1Malta30,8Nederland25,9Oostenrijk28,4Polen26Portugal31,9Roemenië28Slovenië23,8Slowakije21,7Spanje31,2Tsjechië23,7Zweden27,61 https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/tessi190/default/bar?lang=en Vraag 37Zijn er EU-regeringen die, net zoals dit kabinet, als regeringsbeleid hetstreven hebben dat het percentage mensen dat in armoede leeft nietverder mag stijgen ten opzichte van een referentiejaar (zoals het eerstejaar van de regeerperiode)?Antwoord 37Alle Europese lidstaten hebben zich gecommitteerd aan de SustainableDevelopment Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties (VN) en de Europesestreefdoelen voor 2030, zoals opgenomen in het Actieplan voor deEuropese Pijler van Sociale Rechten12. SDG 1 heeft als doel dat (kinder)ar-moede in 2030 is gehalveerd ten opzichte van 2015. Eén van de Europesestreefdoelen is het terugbrengen van het aantal mensen met een risico oparmoede en sociale uitsluiting in de EU met ten minste 15 miljoen tenopzichte van 2019.Elke lidstaat heeft, in samenspraak met de Europese Commissie, eennationaal doel opgesteld welke bijdraagt aan het halen van het EU-doel.Zie hieronder het laatste overzicht waarin de streefcijfers per lidstaat zijngerapporteerd. Hieruit blijkt dat elke lidstaat streeft naar een lager aantalpersonen in armoede.13Armoede reductie (AROPE, duizend personen)2030 doelEU 27– 15.000België– 279Bulgarije– 787Cyprus– 10Denemarken– 301Duitsland– 1.2001Estland– 39Finland– 100Frankrijk– 1.100Griekenland– 860Hongarije– 292Ierland– 90Italië– 3.200Kroatië– 298Letland– 9512https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=COM%3A2021%3A102%3AFIN&qid=1614928358298» \l «PP1Contents13Dit is het overzicht van 16 juni 2022 van de Europese Commissie, de doelen waren op datmoment nog onder voorbehoud. De Nederlandse streefdoelen zijn in lijn met de uiteindelijkedoelen die zijn ingediend bij de Europese Commissie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 720 Armoede reductie (AROPE, duizend personen)Litouwen– 223Luxemburg– 4Maltan.a.2Nederland– 163Oostenrijk– 204Polen– 1.500Portugal– 765Roemenië– 2.532Slovenië– 9Slowakije– 70Spanje– 2.815Tsjechië– 120Zweden– 151 Denemarken en Duitsland drukken de nationale doelstelling voor armoedebestrijding uit alseen vermindering van het aantal personen dat in huishoudens met een zeer lage werkintensiteitleeft.2 MT (Malta) drukt zijn nationale doelstellingen voor armoedebestrijding uit als een vermin-dering van het AROPE-percentage met 3,1 procentpunten. Ook hebben alle lidstaten een nationaal actieplan opgesteld met daarinmaatregelen om het hoofddoel van de Raadsaanbeveling over deKindergarantie14, het verminderen van armoede onder kinderen, tebewerkstelligen.Vraag 38Kunt u een overzicht verstrekken van het percentage Nederlanders dat inarmoede leeft sinds de jaren ’80? En het absolute aantal? Kunt u ditweergeven conform de huidige armoedeberekening en de voorgaande?Antwoord 38Er zijn geen vergelijkbare cijfers beschikbaar sinds de jaren ’80 van hetpercentage mensen dat in armoede leeft. In oktober 2024 hebben het SCP,CBS en Nibud een nieuwe armoededefinitie ontwikkeld, en zij hebben dearmoedecijfers berekend voor de periode vanaf 2018. Voor eerdere jarenzijn geen cijfers beschikbaar.15 2023 is het laatste jaar waarvoor gereali-seerde armoedecijfers volgens de nieuwe methode beschikbaar zijn. Voorde periode vanaf 2024 heeft het CPB een raming gemaakt van deverwachte ontwikkeling van armoede volgens de nieuwe meetmethode.Onderstaande figuur toont de ontwikkeling van het aandeel personen inarmoede sinds 2018 volgens de nieuwe armoededefinitie. Dat is gedaaldvan 7,1% in 2018 naar 3,1% in 2023, met een verwachte verdere dalingnaar 2,6% in 2026.14https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32021H10015De nieuwe methode om armoede in Nederland te meten | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 721 Vraag 39Hoeveel mensen in armoede heeft een baan als hoofdinkomen?Antwoord 39In 2023 waren er ongeveer 240 duizend huishoudens in armoede inNederland die werk als belangrijkste bron van inkomen hadden. Dat zijnechter niet allemaal werkende personen (het kunnen ook niet-werkendeleden van het huishouden zijn). Dat komt neer op 1,9% van allehuishoudens met werk als belangrijkste inkomstenbron.Vraag 40Hoeveel mensen in armoede heeft een uitkering als hoofdinkomen?Antwoord 40In 2023 waren er ongeveer 125.400 mensen in armoede die onderdeelwaren van een huishouden met een uitkering als belangrijkste bron vaninkomen. Dat komt neer op 24,6% van alle mensen in huishoudens meteen uitkering als belangrijkste inkomensbron.Vraag 41Hoeveel mensen in armoede heeft een Wet werk en inkomen naararbeidsvermogen-uitkering (WIA-uitkering) als hoofdinkomen?Antwoord 41In 2023 waren er ongeveer 45.500 mensen in armoede die onderdeelwaren van een huishouden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering,waaronder WIA, als belangrijkste bron van inkomen. Dat komt neer op9,4% van alle mensen in huishoudens met een WIA-uitkering als belang-rijkste inkomensbron.Vraag 42Hoeveel mensen in armoede heeft een AOW-uitkering als hoofdinkomen?Antwoord 42In 2023 waren er ongeveer 52.500 mensen in armoede met een pensioen-uitkering, waaronder AOW, als belangrijkste bron van inkomen. Dat komtneer op 1,5% van alle mensen in huishoudens met een pensioenuitkeringals belangrijkste inkomensbron.Vraag 43Welk percentage mensen in de bijstand woont samen met een partner?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 722 Antwoord 43Eind 2024 werd 15% van de bijstandsuitkeringen verstrekt aan een(samenwonend of gehuwd) paar (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd07-10-2025).Vraag 44Kan de marginale druk van Nederlandse werkenden vergeleken wordenmet die in vergelijkbare landen?Antwoord 44Het belastingstelsel en bijdragen aan sociale verzekeringen verschillentussen landen. In onderstaande tabel is uit een publicatie van de OESOvoor verschillende huishoudtypen de marginale druk getoond.Tabel: Marginale druk tussen landen voor verschillende loonniveaus en huishoudtypen voor 2024(1)(2)(3)(4)(5)(6)(7)(8)België68,5%65,0%67,8%68,5%65,0%65,1%64,1%65,1%Nederland51,8%51,8%51,5%57,4%57,4%57,4%51,8%51,8%Duitsland54,2%48,4%47,0%52,7%41,2%46,0%45,7%45,9%Frankrijk64,6%58,2%60,0%74,5%41,9%50,6%58,2%47,9%Zweden45,3%48,5%66,0%45,3%48,5%48,5%48,5%48,5%Denemarken38,6%41,7%55,9%36,8%41,7%41,7%41,7%41,7%Verenigd Koninkrijk36,7%49,0%49,0%71,5%49,0%49,0%49,0%49,0%Kolom 1) Alleenstaande, geen kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 2) Alleenstaande, geen kinderen, 100% van het gemiddelde loon van dat landKolom 3) Alleenstaande, geen kinderen, 167% van het gemiddelde loon van dat landKolom 4) Alleenstaande ouder met 2 kinderen, 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 5) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 0% van het gemiddelde loon van dat landKolom 6) Getrouwd stel met twee kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat landKolom 7) Getrouwd stel met twee kinderen, beiden 100% van het gemiddelde loon van dat landKolom 8) Getrouwd stel zonder kinderen, 100 en 67% van het gemiddelde loon van dat landBron: Tabel 3.6 uit OECD (2025), Taxing Wages 2024: Tax and Gender through the Lens of the Second Earner, OECD Publishing, Parijs, https://www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2025/04/taxing-wages-2025_20d1a01d/b3a95829-en.pdf Ter indicatie: voor Nederland bedraagt volgens deze publicatie 67% vanhet gemiddelde loon € 44.074, 100% € 65.782 en 167% € 109.855(brutoinkomens). Voor bovenstaande tabel is aangenomen dat hetbrutoinkomen van de meest verdiener van het huishouden stijgt.Vraag 45Wat is de deeltijdfactor in de kinderopvangsector?Antwoord 45De deeltijdfactor in de kinderopvangsector was 0,67 in het eerste kwartaalvan 2025 (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 07-10-2025). De deeltijdfactoris de verhouding tussen de werkelijke arbeidsduur en de gebruikelijkevoltijdsarbeidsduur per week volgens de cao. In de cao kinderopvang isdat 36 uur per week.Vraag 46Kunt u een overzicht maken van de omvang van de Sociale Zaken enWerkgelegenheid(SZW-)begroting als percentage van het bbp sinds 2010?Antwoord 46In onderstaande grafiek staan de netto-uitgaven (uitgaven minusontvangsten) uit het jaarverslag (realisatie) van Hoofdstuk XV (SZW) inmiljard euro’s en als percentage van het bbp. Voor 2025 en 2026 zijn noggeen realisatiecijfers beschikbaar. Hiervoor is de raming uit de ontwerpbe-groting 2026 gebruikt. De bbp-cijfers voor 2024 en verder zijn nog nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 723 beschikbaar. Daarvoor is de meest recente CPB-meerjarenraming (CEP2025) gebruikt.Vraag 47Kunt u een overzicht maken van de jaarlijkse stijging van het wettelijkminimumloon sinds 2018? Kunt u een alternatief overzicht maken vandeze stijging als het Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag(WML) alleen op basis van het consumentenprijsindex cijfer wasgestegen?Antwoord 47Voor de beantwoording van deze vraag is voor de periode 2018 t/m 2023uitgegaan van het minimumloon per uur op basis van een 38-urigewerkweek. Die bedragen per uur zijn beter te vergelijken met hetminimumuurloon dat per 1 januari 2024 is ingevoerd (op basis van een36-urige werkweek). Alle genoemde cijfers zijn bruto en exclusief wettelijkverplichte vakantiebijslag. De verhogingen betreffen hier een combinatievan a) de reguliere halfjaarlijkse indexering op basis van de contractlonen,b) de bijzondere verhoging in januari 2023 (8,05%) en c) de invoering vanhet minimumuurloon per 1 januari 2024.Tabel: Ontwikkeling van het wettelijk minimumloon vanaf 2018. De procentuele stijgingen zijn berekend op basis van deafgeronde bedragen.JaarWML in € per maandWML in € per uurStijging in % per half jaarStijging in % per jaar2018januari€ 1.578,00€ 9,590,84%1,70%juli€ 1.594,20€ 9,691,04%2019januari€ 1.615,80€ 9,821,34%2,40%juli€ 1.635,60€ 9,941,22%2020januari€ 1.653,60€ 10,051,11%2,34%juli€ 1.680,00€ 10,211,59%2021januari€ 1.684,80€ 10,240,29%1,89%juli€ 1.701,00€ 10,340,98%2022januari€ 1.725,00€ 10,481,35%2,34%juli€ 1.756,20€ 10,671,81%2023januari€ 1.934,40€ 11,7510,12%12,12%juli€ 1.995,00€ 12,123,15%2024januari€ 13,279,49%12,94%juli€ 13,683,09%2025januari€ 14,062,78%5,95%juli€ 14,402,42%2026januari€ 14,712,15%4,62% Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 724 In onderstaande figuur is de ontwikkeling van het minimumloon vanaf2018 weergegeven samen met de ontwikkeling van het minimumloon alsdeze alleen zou zijn gestegen met de consumentenprijsindex (cpi).Hiervoor is gebruik gemaakt van het cpi-cijfer zoals gerapporteerd doorhet Centraal Planbureau bij de MEV 2026. Hier is dus uitsluitend uitgegaanvan koppeling aan het cpi. Bijzondere verhogingen zijn niet meegerekend,zoals in het pad «realisatie WML» wel het geval is.Vraag 48Kunt u een overzicht maken van de jaarlijkse stijging van het gemiddeldeloon sinds 2018 in de collectieve arbeidsovereenkomst (cao) Retail nonfood, de cao supermarkten, de cao kinderopvang, de cao bouw en infra ende cao metaalbewerking?Antwoord 48In onderstaande tabel staat de cao-loonstijging per kalenderjaar vermeld.Het betreft de structurele cao-loonstijging op jaarbasis, inclusiefeenmalige uitkeringen. De structurele cao-loonstijging omvat initiëleverhogingen (verhoging bedragen loongebouw) en andere structureleloonstijgingen (zoals de 13e maand). Meer informatie over de achterlig-gende methodiek staat in bijlage III van de rapportage «Cao-afspraken2025» die op 23 juni 2025 aan de Kamer is aangeboden:https://cao.minszw.nl/cao-afsprakenTabel: Cao-loonstijging in % op jaarbasis (inclusief eenmalige uitkeringen), 2018–2025Cao-naam20182019202020212022202320242025Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbu-reaus2,363,524,851,131,386,685,514,34Retail Non-Food1,772,472,511,574,0611,648,495,50M&T Metaalbewerkingsbedrijf2,251,484,963,461,794,304,646,75Bouw en Infra2,232,882,522,532,943,768,755,33Levensmiddelen, Grootwinkelbedrijven VGL1,671,423,851,313,055,974,924,25Bron: Interne database Directie Cao Vraag 49Figuur: Ontwikkeling van het wettelijk minimum in absolute termen in € per uur sinds2018. Tot en met 2023 is het uurbedrag weergegeven op basis van een 38-urigewerkweek. Vanaf 2024 is het minimumuurloon weergegevenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 725 Met hoeveel euro zijn de uitgaven aan uitkeringen toegenomen als gevolgvan de koppeling aan stijgingen van het minimumloon sinds 2018? Kandit worden uitgesplitst per uitkering?Antwoord 49De hoogte van verschillende socialezekerheidsuitkeringen is op verschil-lende manieren gekoppeld aan het wettelijk minimumloon (WML). Deontwikkeling van het minimumloon wordt afgeleid van de contractloon-ontwikkeling in de markt en bij de overheid. De indexatie van de meesteuitkeringen is niet alleen afhankelijk van de ontwikkeling van hetminimumloon, maar ook van andere factoren zoals parameters in defiscaliteit en de contractloonontwikkeling in de markt (in dit geval direct, inplaats van indirect via het minimumloon). De uitgaven als gevolg vanindexatie worden niet uitgesplitst naar deze factoren. Het is daarom nietmogelijk om exact aan te geven met hoeveel euro de uitgaven aanuitkeringen zijn toegenomen als gevolg van de koppeling aan hetminimumloon.Onderstaande tabel toont een schatting van de optelsom van de jaarlijkseuitgaven aan de indexatie van WML-gekoppelde uitkeringen op deSZW-begroting sinds 2018.Tabel: Schatting van de uitgaven aan de indexatie van WML-gekoppelde uitkeringensinds 2018x € mln.Totaal1Algemene Ouderdomswet (AOW)15.760Algemene Nabestaandenwet (Anw)100Macrobudget22.080Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)130Werkloosheidswet (WW)1.080Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) ontvangsten3– 70Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW)40Toeslagenwet (TW)130Wet Arbeid en Zorg (WAZO) + Regeling Zelfstandig En Zwanger (ZEZ)4450Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-publiek1.170Regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA)-eigenrisicodragers130Inkomensvoorziening voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA)1.200Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)910Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ)20Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)1.370Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers (TAS)0Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB)0Regeling tegemoetkoming werknemers met chronic solvent-induced encephalopa-thy (CSE)0Compensatie Transitievergoeding bij langdurige arbeidsongeschiktheid (CTVLAO)140Compensatie Transitievergoeding midden- en kleinbedrijf (CTVMKB)0Totaal25.4901 Inclusief extra beleidsmatige WML-verhoging per 1 januari 2023.2 Omvat de bijstand, Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werklozeWerknemers (IOAW), Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezenZelfstandigen (IOAZ), Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) en Loonkostensubsidie(LKS).3 Betreft hogere ontvangsten.4 De nominale ontwikkeling van de WAZO en ZEZ worden samen geboekt maar alleen de ZEZ isgekoppeld aan het WML. Vraag 50Welk budgettair gevolg zou een koppeling van de uitkeringen met deConsumentenprijsindex (cpi) in plaats van het minimumloon hebbengehad sinds 2018? Kan dit worden uitgesplitst per uitkering?Antwoord 50Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 726 In het antwoord op vraag 47 wordt de ontwikkeling van het wettelijkminimumloon (WML) sinds 2018 weergegeven indien dit zou zijngestegen aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Daaruit is af teleiden dat het WML bij koppeling aan de CPI minder zou zijn gestegen danbij koppeling met de contractloonontwikkeling zoals nu (dit zou ook hetgeval zijn indien het minimumloon per 1 januari 2023 niet bijzonder wasverhoogd). Analoog geldt dat de hoogte van de socialezekerheidsuitke-ringen en de bijbehorende uitgaven bij een koppeling aan de CPI ookminder hard zouden zijn gestegen. Dit geldt voor alle uitkeringen diemomenteel gekoppeld zijn aan het WML (zie daarvoor het antwoord opvraag 49). In het antwoord op vraag 49 wordt toegelicht dat het nietmogelijk is om exact te kwantificeren hoeveel de uitgaven aan uitkeringenzijn toegenomen als gevolg van de koppeling met het minimumloon.Daarom is het ook niet mogelijk om precies het budgettaire gevolg teberekenen als deze uitkeringen worden gekoppeld aan de CPI.Vraag 51Hoe wordt de indexatie van de hoogte van uitkeringen in andereEU-landen bepaald? Zijn hier EU-regels over?Antwoord 51De indexatie van de hoogte van uitkeringen in EU-landen wordt opnationaal niveau geregeld, aangezien de vaststelling van de hoogte vanuitkeringen een bevoegdheid van de lidstaten betreft. De Europese Unieheeft geen regels die voorschrijven op welke manier uitkeringengeïndexeerd moeten worden. Veel lidstaten baseren de beslissing omuitkeringen te indexeren op economische indicatoren, zoals inflatie enloonontwikkelingen.Vraag 52Welk percentage van de mensen in de bijstand heeft een niet-westersemigratieachtergrond?Antwoord 52In april 2025 had 60% van de mensen in de bijstand een buiten-Europeseherkomst (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 06-10-2025). Voor een naderetoelichting over de herkomstindeling van het CBS, zie: Nieuwe indelingbevolking naar herkomst | CBS.Vraag 53Kunt u een landelijk overzicht verstrekken van hoeveel sancties er wordenopgelegd in de participatiewet, uitgesplitst per grondslag?Antwoord 53Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal algemenebijstandsuitkeringen waarop in 2024 als sanctiemaatregel een vermin-dering van de uitkering is toegepast. Uit de Bijstandsdebiteuren- enboetestatistiek (BDBS) blijkt daarnaast dat er in 2024 in totaal 3.390bestuurlijke boetes zijn opgelegd wegens overtreding van de inlichtingen-plicht (met en zonder benadelingsbedrag). In de meeste gevallen wasdaarbij sprake van normale of verminderde verwijtbaarheid. In 100gevallen is aangifte bij justitie gedaan.Tabel: Aantal algemene bijstandsuitkeringen naar reden vermindering n.a.v.afstemmingQ1Q2Q3Q4Op het vlak van plicht tot arbeidsinschakeling450400405455Agressie1510510Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid45353545Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 727 Q1Q2Q3Q4Niet nakomen tegenprestatie1010510Niet nakomen verplichtingen plan van aanpak30252530Niet (voldoende) zoeken naar werk in 4 wekenzoekperiode5555Niet (voldoende) zoeken naar scholing in 4 wekenzoekperiode0000Niet (voldoende) nakomen van afspraken m.b.t.beheersing van de Nederlandse taal (art. 18bParticipatiewet)0055Onbekend35404055Bron: CBS Bijstandsuitkeringenstatistiek, kwartaaltabellen 2024 BUS B1 tabel N1 (kwartaalcijferszijn afgerond op vijftallen). Vraag 54Welk percentage van de statushouders heeft na één jaar status eenbijstandsuitkering? En hoeveel na vijf jaar?Antwoord 54Er zijn geen data beschikbaar over bijstandsafhankelijkheid van allestatushouders bij elkaar na één en vijf jaar. Wel zijn er data per cohort (eencohort is de groep statushouders die in een bepaald kalenderjaar destatus hebben gekregen). Hieronder is een tabel opgenomen metpercentages statushouders in de bijstand voor een aantal cohorten, éénjaar na statusverlening en vijf jaar na statusverlening.Cohort (jaar van statusver-lening)Percentage met bijstand eenjaar na statusverleningPercentage met bijstand vijfjaar na statusverlening201484%45%201686%49%201883%46%202077%Nog geen data over beschik-baar.202268%Dit cohort heeft de statuskorter dan 5 jaar.Bron: Rapportage Inclusieve Arbeidsmarkt, CBS. Vraag 55Welk percentage van de statushouders in Nederland heeft kinderen?Antwoord 55Deze vraag kan op basis van gepubliceerde data niet eenduidig beant-woord worden. Wel zijn er data over huishoudenssamenstelling. Dit wordtper cohort (het jaar waarin men de status heeft gekregen) bijgehoudendoor het CBS. Hieronder is een tabel opgenomen met de verdeling vooreen aantal cohorten op het meest recent beschikbare peilmoment.20142016201820202022Eerstehelft 2024Alleenstaande17%17%10%12%13%5%Thuiswonend kind29%33%50%51%45%47%Partner in paar met kinderen29%30%23%23%26%15%Partner in paar zonder kinderen7%7%5%6%5%4%Ouder in eenouder huishouden6%5%5%3%2%1%Overig lid huishouden3%3%2%1%4%4%Vertrokken/overleden/Nog niet in BRP8%5%5%3%4%24%Bron: Dashboard Asiel en Integratie, CBS. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 728 Vraag 56Welk percentage van de statushouders in Nederland is man? Enkinderloze man?Antwoord 56De groep statushouders bestond in juni 2022 voor 44% uit vrouwen envoor 56% uit mannen (Bron: https://www.divosa.nl/publicaties/factsheet-statushouders-en-gezinsmigranten-rapportage-inburgering-onderwijs-werk-en-bijstand). Dit betreft informatie over cohorten 2014–2022 tezamen(een cohort is een groep statushouders die in een bepaald kalenderjaar destatus hebben gekregen). Er zijn geen recentere data van deze brongepubliceerd.Een andere bron is de Statistiek Wet Inburgering van het CBS, waarin voorde cohorten 2022–2024 het aantal mannen en vrouwen is geregistreerd ophet moment van de start van de inburgeringplicht. Voor deze cohortensamen en op deze manier bekeken is de verdeling 37% vrouw en 63%man. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het dus gaat om deverhouding op het moment dat men inburgeringsplichtig is geworden.Door onder meer zaken als overlijden of vertrek uit Nederland kan deverhouding in tussentijd gewijzigd zijn.Er zijn geen data gepubliceerd over aantallen of percentages kinderlozemannen.Vraag 57Heeft de Nederlandse overheid voltijdswerken ooit fiscaal gestimuleerdten opzichte van deeltijdwerk? Zo ja, hoe?Antwoord 57Buiten de zelfstandigenaftrek, die geldt voor ondernemers vanaf eenbepaald aantal gewerkte uren, zijn er momenteel geen instrumenten dievoltijdswerk specifiek stimuleren. Een fiscale regeling op basis vangewerkte uren zou ook erg complex zijn, zowel voor burgers als deuitvoering, en van lang niet alle werkenden is eenvoudig te bepalenhoeveel uur er gewerkt wordt.In algemene zin hebben financiële prikkels in de fiscaliteit verder vooralinvloed op de keuze om wel of niet te werken, en minder op de keuze voorhet aantal uren werk per week, zo blijkt uit onderzoek van het CPB.Werkenden en verschillende belangenorganisaties geven aan dat het inveel situaties in de praktijk niet mogelijk is om voltijd te werken, maar welom net een paar uur extra te werken. En ook dat maakt al veel verschil. Deafgelopen decennia is er daarom vooral beleid gevoerd om (net iets) meeruren werken te stimuleren, onder andere via de arbeidskorting enkinderopvangtoeslag. Inmiddels zien we dat met name vrouwen steedsvaker in grote(re) banen werken. Onder het (inmiddels demissionair)kabinet is de kinderopvangtoeslag verder verhoogd. Daarnaast onder-steunt het kabinet organisaties in verschillende sectoren om meermaatwerk aan te bieden om voltijd te kunnen werken. Met name in dezorg, het primair onderwijs (zie de pilots rond meerurenmaatwerk vanOCW) en de kinderopvang biedt het Rijk hierbij handvatten.Vraag 58Hoe stimuleert deze begroting voltijdswerken?Antwoord 58Ook het huidige (inmiddels demissionaire) kabinet neemt fiscale maatre-gelen die bijdragen aan het aantrekkelijker maken van meer uren werken.Zo heeft het kabinet een extra belastingschijf geïntroduceerd in 2025, meteen verlaagd belastingtarief en vereenvoudigt het kabinet in 2026 deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 729 huurtoeslag, waardoor het verlies aan huurtoeslag bij een hoger inkomenminder groot is dan voorheen. Verder worden de vergoedingspercentagesin de kinderopvangtoeslag het komende jaar verhoogd, waardoor meerwerken meer lonend wordt.Vraag 59Hoeveel Nederlanders hebben uitzendwerk? Wat is de trend in dezebranche?Antwoord 59Het percentage van de werkzame bevolking dat werkt als uitzendkrachtligt tussen de 3% en de 10% (afhankelijk van de gebruikte cijfers). Over hetexacte aantal uitzendkrachten zijn verschillende cijfers beschikbaar. Uit deEnquête Beroepsbevolking (EBB) van het CBS volgt dat in het tweedekwartaal van 2025 er 345 duizend mensen werkten als uitzendkracht. Uitcijfers van de Polisadministratie blijkt dat over het gehele jaar 2023 gezienongeveer 900 duizend mensen als uitzendkracht heeft gewerkt. Hetverschil tussen deze cijfers komt onder andere doordat arbeidsmigrantenonder gerepresenteerd zijn in de EBB-cijfers, terwijl uitzendwerk relatiefvaak wordt gedaan door iemand die arbeidsmigrant is.De onderstaande grafiek geeft, op basis van de EBB-cijfers, de trend in deuitzendbranche sinds 2013 weer. Het aantal uitzendkrachten schommeltsinds 2013 tussen de 300 duizend en 450 duizend. Uit de cijfers van deloonaangifte-administratie fluctueert het aantal uitzendkrachten tussen de800 duizend en 1,1 miljoen tussen 2014 en 2023.Vraag 60Hoeveel loon betalen werkgevers in totaal jaarlijks aan loondoorbetalingbij ziekte?Antwoord 60In de Arbobalans 2024 van TNO worden voor het jaar 2023 de kosten vanloondoorbetaling bij werkgerelateerd verzuim geschat op € 8,3 miljard enbij niet-werkgerelateerd verzuim op € 11,7 miljard.Vraag 61Hoeveel Nederlanders hebben in 2025 burn-outklachten?Grafiek: Aantal uitzendkrachten (x 1.000) 2013–2024.Bron: CBS StatLine, Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring, geraadpleegd op06-10-2025.Bron: SEO (2025), Uitzendmonitor 2024, resultaten in tabellen en figuren: periode 20-8-2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 730 Antwoord 61In 2024 ervoer 20% van de werknemers burn-outklachten, van dezelfstandige ondernemers ervoer in 2023 12% burn-outklachten. Voor dewerknemers komen in het voorjaar 2026 cijfers over 2025 beschikbaar,voor zelfstandigen in het najaar 2026. Burn-outklachten hebben vaakbrede oorzaken. Naast in werk kunnen oorzaken liggen in de persoonlijkeen sociale situatie van mensen en in de maatschappij (zoals digitalisering,vergrijzende beroepsbevolking). (Bron: TNO/CBS: Nationale EnquêteArbeidsomstandigheden 2024; TNO: Werkgeversenquête Arbeid 2023)Vraag 62Wat zijn de voornaamste redenen voor verzuim?Antwoord 62In 2024 was griep, verkoudheid of een andere virusinfectie devoornaamste reden van verzuim door werknemers. Daarna volgdenpsychische klachten, waaronder overspannenheid en burn-outklachten.Andere vaak genoemde redenen zijn hoofdpijn, klachten aan buik, maagof darmen en rugklachten. (Bron: CBS/TNO: Nationale Enquête Arbeids-omstandigheden 2024)Vraag 63Houdt het ministerie bij het opstellen van cijfers over marginale drukrekening met ouders die betalen voor kinderopvang?Antwoord 63In de standaardberekeningen over marginale druk houdt SZW gedeeltelijkrekening met de kosten van kinderopvang. Er wordt namelijk rekeninggehouden met de eventueel lagere kinderopvangtoeslag bij een hogerinkomen. Er wordt echter geen rekening gehouden met de eventuelemeerkosten van een dag extra opvang. Dat is ook niet passend bijstandaardberekeningen voor marginale druk, omdat deze berekeningenzijn gebaseerd op de aanname dat het inkomen met 3% stijgt. Dat komtneer op een kleine inkomensschok zoals een loonsverhoging, waarbijmensen meestal geen extra dag(deel) gaan werken.Het is belangrijk voor de vergelijkbaarheid om in standaardberekeningenover marginale druk steeds dezelfde aannames te hanteren voorhuishoudens. Daarom zou het niet logisch zijn om voor alle huishoudensde aanname te doen dat zij meer dagen kinderopvang afnemen bij eenhoger inkomen. Veel mensen werken namelijk al in voltijd, en niet allewerkende ouders maken gebruik van kinderopvang. Wel kan in specifiekevoorbeeldberekeningen (over individuele situaties) rekening wordengehouden met de kosten van (extra) kinderopvang, gebaseerd opaannames over de individuele situatie. Bijvoorbeeld als het gaat om jongeouders die in deeltijd werken of bij de stap van een uitkering naar werk.Deze situaties worden weergegeven in de berekeningen over arbeids-marktprikkels in de SZW-begroting (zie paragraaf 7.2.7 van deSZW-begroting 2026).Vraag 64Hoe wordt de rijksbrede generieke subsidie taakstelling uit het Hoofdlij-nenakkoord ingevuld op de SZW-begroting in 2026 en verder? Wat gaatde taakstelling in het bijzonder betekenen voor re-integratiebudgetten?Antwoord 64De subsidietaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord wordt ingevuldconform onderstaande tabel op de SZW-begroting. Zoals af te lezen uit detabel raakt de subsidietaakstelling aan verschillende budgetten voorre-integratie, zoals de impuls voor dekkende van-werk-naar-werkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 731 dienstverlening, het programma Vakkundig Altijd en de beleidsondersteu-nende budgetten voor re-integratie.Tabel: Subsidietaakstelling SZWx € 1.00020252026202720282029Struc.Expeditieregeling (DI&LLO)4.60016.900800SLIM162.47523.28811.17416.09716.962Preventie geldzorgen6.00014.000Subsidies praktijkleren1.2001.2001.2001.2001.100Impuls dekkende regionale dienstverlening1.5003.0003.0003.000Vakkundig Altijd1.4172.1672.1672.1672.167Praktijkleren bij sociaal ontwikkelbedrijven5.0005.000Bijdragen aan organisaties9131.1011.8481.9801.980Beleidsondersteunende budgetten6383.9574.6925.2635.0501.908Totaal taakstelling74.63054.92512.96024.65235.49435.9501 Inclusief kasschuif om SLIM weer in een evenwichtig en werkbaar kasritme terug te zetten. Toelichting maatregelenExpeditieregeling (DI&LLO)Na de incidentele besparing op deze regeling blijft vanaf 2025 jaarlijkscirca € 10 miljoen beschikbaar (en € 11,3 miljoen structureel vanaf 2028).SLIMDe SLIM-regeling bestaat uit een structurele regeling waar in de jaren2025 tot 2028 een tijdelijke scholingsfaciliteit aan is toegevoegd. Deombuiging op SLIM is structureel 30% van het budget voor de regeling.Op het totale meerjarige budget voor de scholingsfaciliteit wordt 15%omgebogen.Preventie geldzorgenEr staat structureel € 22 miljoen gereserveerd voor preventie geldzorgenvanuit het Nationale Programma Armoede en Schulden. Na de besparingblijft er vanaf 2030 € 8 miljoen structureel beschikbaar. Op het structurelebudget wordt 36% bezuinigd.Subsidies praktijklerenDeze ombuiging is een structurele kostenbesparing van 25% op het totalebudget.Impuls dekkende regionale dienstverleningDeze ombuiging is een kostenbesparing van 11% op het totale budget.Vakkundig AltijdMet deze ombuiging zien we af van het gehele programma, dat nog niet isbegonnen.Praktijkleren in het mbo bij sociaal ontwikkelbedrijven en sociaalondernemersDeze subsidie vindt geen doorgang meer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 732 Bijdragen aan organisatiesDe bijdragen aan het RIVM, TNO, VluchtelingenWerk, KennisplatformInclusief Samenleven (KIS), het NIBUD en Divosa worden verlaagd.Beleidsondersteunende budgettenVerschillende beleidsondersteunende budgetten, waaruit onder anderekleinere opdrachten, subsidies en onderzoeken worden bekostigd, wordenverlaagd op artikel 1, 2, 11 en 13. De budgetten waar de subsidietaak-stelling neerslaat zijn onder andere ondersteunend aan de thema’sarbeidsmarkt, re-integratie en armoede en schulden, handhaving enintegratie.Vraag 65Wat is de collectieve energierekening per jaar voor Nederlandsehuishoudens? Hoeveel hiervan dekt het Tijdelijk Noodfonds Energie inprocenten?Antwoord 65Uitgaande van een gemiddelde energierekening op jaarbasis van€ 2.06516, een totaal van 8,4 miljoen huishoudens17, en een budget van destichting Tijdelijk Noodfonds Energie van € 56 miljoen dekte het fonds in2025 ongeveer 0,3%.Dit zegt echter niet veel, omdat het Noodfonds van 2023, 2024 en 2025erop gericht was om huishoudens in energiearmoede te ondersteunen bijhet betalen van de energierekening. Het betrof een zeer gerichtemaatregel voor een aantal maanden, waar niet alle huishoudens voor inaanmerking kwamen. Het meten van de gemiddelde impact over degehele bevolking zegt daarom niks over de effectiviteit van hetinstrument.Vraag 66Wat verklaart de toename van het aantal arbeidsongeschikten? Stijgt ditaantal harder dan redelijkerwijs verwacht mag worden op basis van degroei van de (beroeps)bevolking?Antwoord 66Er zijn verschillende factoren die hebben bijgedragen aan de toename vanhet aantal arbeidsongeschikten in de afgelopen jaren. Dit betreft teneerste veranderingen in de omvang en samenstelling van de verzekerdepopulatie door de demografische ontwikkeling, de conjunctuur en destijging van de pensioenleeftijd. Ten tweede worden er vanwege demismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoordelingenWGA-voorschotten verstrekt, wat zorgt voor een hoger aantal arbeidson-geschiktheidsuitkeringen. Een deel van deze mensen stroomt echter weeruit op moment van beoordeling. De verstrekte voorschotten zorgendaarom voor een vertekening van het aantal arbeidsongeschikten. Tenderde zijn er de afgelopen jaren verschillende maatregelen getroffen omde uitvoeringsproblematiek bij UWV terug te dringen. Deze leiden totextra arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Tot slot hebben recenteontwikkelingen in ziektebeelden bijgedragen aan de toename van hetaantal arbeidsongeschikten. Zo zijn er de laatste jaren meer menseningestroomd als gevolg van langdurige covid en psychische aandoe-ningen. De toegenomen WIA-instroom in de afgelopen jaren wordt ook16De energierekening januari 2025 | CBS17Huishoudens nu | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 733 toegelicht in het UWV-kennisverslag WIA-instroom 2018–2024 geduid (Deinstroom in de WIA is opnieuw gestegen. Hoe komt dit? | UWV).In onderstaande tabel is het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringenafgezet tegenover de beroepsbevolking voor de afgelopen 15 jaar. Hettotale aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is in de periode 2010 tot2017 gedaald en in recente jaren weer toegenomen. Ten opzichte van deberoepsbevolking is het aantal uitkeringen vrijwel elk jaar gedaald.Tabel: De ontwikkeling van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringenJaarAantal AO-uitkeringen (x 1.000)1% van beroepsbevolking2010829,79,2%2011827,99,2%2012819,69,0%2013818,18,9%2014820,19,0%2015816,18,9%2016811,18,8%2017810,28,7%2018813,68,7%2019818,68,6%2020816,68,5%2021816,68,5%2022826,78,4%2023837,28,3%2024851,88,4%20252865,08,5%1 Betreft WIA, WAO, WAZ en Wajong2 Betreft voorlopige cijfersBron: CBS, Statline, geraadpleegd 15-10-2025. Vraag 67Hoeveel mensen werken er op dit moment op het minimumloon? Wat isde verwachting voor 2026? Hoeveel mensen zullen eind 2026 op hetminimumloon werken?Antwoord 67De meest recente cijfers van CBS over het aantal banen op hetminimumloon in Nederland gaan over het jaar 2023. In 2023 waren er 470duizend banen op het minimumloon. Het actuele aantal ligt vermoedelijkhoger. Dat komt doordat het minimumloon sindsdien nog is gestegen alsgevolg van de invoering van het minimumuurloon in 2024. In debeantwoording van vorig jaar werd het actuele aantal geschat opongeveer 750 duizend minimumloonbanen. De verwachting is dat hetaantal minimumloonbanen ook in 2026 rond die ordegrootte zal liggen.Vraag 68Wat is het arbeidsmarkteffect van het al dan niet koppelen van hetminimumloon aan de hoogte van bijstands- en andere uitkeringen?Antwoord 68In het antwoord op vraag 102 zijn geschatte arbeidsmarkteffecten tevinden van aanpassingen van het wettelijk minimumloon met en zonderdoorwerking op de uitkeringen. Het verschil tussen de varianten met enzonder doorwerking geeft het effect van de koppeling weer.Vraag 69Wat kost het de Rijksbegroting in 2026 om het minimumloon met1 procent te verhogen? En met 5 procent?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 734 Antwoord 69Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon in 2026 is nietmeer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergt eenwetswijziging.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 1% kostongeveer € 870 miljoen in 2027 en structureel € 900 miljoen per jaar. Eenbijzondere verhoging met 5% kost ongeveer € 4,3 miljard in 2027 enstructureel € 4,4 miljard per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledigedoorwerking op aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. De ramingbevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten voor de Rijksoverheidals wetgever en niet voor de Rijksoverheid als werkgever.Vraag 70Wat kost het de Rijksbegroting in 2026 om het minimumloon te verhogentot het 60 procent van het mediane inkomen is?Antwoord 70Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon in 2026 is nietmeer uitvoerbaar. Een verhoging van het minimumloon vergt eenwetswijziging.Het antwoord hangt in hoge mate af van de definitie van het inkomen envan welke groep mensen de mediaan wordt bepaald. Bij de beant-woording gaan wij ervan uit dat de vraag doelt op 60% van het medianebrutoloon van voltijds werkenden. Het meest recente jaar waarover dezecijfers beschikbaar zijn is 2024. Volgens de OESO (Organisatie voorEconomische Samenwerking en Ontwikkeling) bedroeg het wettelijkminimumloon inclusief vakantiegeld in 2024 48,29% van het medianebrutoloon bij een volledige werkweek (OESO, oecd.stat.org, geraadpleegdop 10-10-2026).Door een gebrek aan ramingen voor de ontwikkeling van het medianebrutoloon nemen wij aan dat in 2027 het wettelijk minimumloon nog altijd48,29% van het mediane brutoloon bedraagt. Volgens de huidige inzichtenis het minimumuurloon in 2027 gemiddeld € 15,42. Een verhoging naar60% van het mediane brutoloon betekent dat het minimumuurloon in2027 verhoogd moet worden naar gemiddeld € 19,16. Dit is eenverhoging van ongeveer 24,6% per 1 januari 2027.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 24,6% per1 januari 2027 kost ongeveer € 21 miljard in 2027 en structureel€ 22 miljard per jaar. Dit betreft een grove inschatting van het budgettaireeffect van een verhoging van het minimumloon met volledigedoorwerking op aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. De ramingbevat alleen de kosten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de huur- en zorgtoeslag niet is meege-nomen. Daarnaast bevat de raming alleen de kosten voor de Rijksoverheidals wetgever en niet voor de Rijksoverheid als werkgever.Dit alles is gebaseerd op de huidige inzichten. Als in de komende jaren dereguliere indexatie van het minimumloon anders uitvalt dan nu verwacht,of het mediane brutoloon zich anders ontwikkelt, dan wijzigt debenodigde beleidsmatige verhoging van het minimumloon en daarmeede kosten voor de rijksbegroting.Vraag 71Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 735 Wat zijn de structurele kosten van het verhogen van het minimumloonnaar 18 euro, inclusief koppeling van de uitkeringen?Antwoord 71Voor de beantwoording van deze vraag is uitgegaan van een verhogingvan het minimumloon per 1 januari 2027. Volgens de huidige inzichten isper 1 januari 2027 een verhoging van het minimumloon van circa 18,1%nodig om uit te komen op een minimumuurloon van € 18.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 18,1% per1 januari 2027 kost structureel ongeveer € 16 miljard per jaar. Dit betrefteen grove inschatting van het budgettaire effect van een verhoging vanhet minimumloon met volledige doorwerking op aan het minimumloongekoppelde uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op deSZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur-en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen dekosten voor de Rijksoverheid als wetgever en niet voor de Rijksoverheidals werkgever.Als de reguliere indexatie in de komende jaren anders uitvalt dan nuverwacht, dan wijzigt het benodigde stijgingspercentage om per 1 januari2027 uit te komen op een minimumuurloon van € 18 en daarmee ook destructurele kosten.Vraag 72Hoe hoog zou de bijstandsuitkering zijn als het minimumloon verhoogdwordt tot 60 procent van het mediane inkomen? Hoe zou dit zichverhouden tot de bijstandsuitkering in andere EU-landen?Antwoord 72Zoals ook aangegeven is in het antwoord op vraag 70, hangt het antwoordin hoge mate af van de definitie van het inkomen en van welke groepmensen de mediaan wordt bepaald. Net als bij vraag 70 wordt aange-nomen dat de vraag niet op het mediane inkomen doelt, maar op hetmediane brutoloon van voltijds werkenden. Die mediaan is gebruikelijk inde context van de toereikendheid van het wettelijk minimumloon. Vooreen vergelijking van de hoogte van de resulterende bijstandsuitkering metandere EU-landen moet worden uitgegaan van de situatie in 2024. Dit ishet meeste recente jaar waarover cijfers beschikbaar zijn.Volgens de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking enOntwikkeling) bedroeg het wettelijk minimumloon bij een 36-urigewerkweek en inclusief vakantietoeslag 48,29% van het mediane brutoloonbij een volledige werkweek (OESO, oecd.stat.org, geraadpleegd op10-10-2026). Het wettelijk minimumuurloon was in 2024 gemiddeld€ 13,48. Een verhoging tot 60% van het mediane brutoloon zou eenuurloon van € 16,74 hebben betekend. De gemiddelde bijstandsuitkeringvoor een alleenstaande was dan € 1.500 netto per maand geweest,inclusief vakantietoeslag. In werkelijkheid was dit in 2024 € 1.296 nettoper maand (inclusief vakantietoeslag).Ter vergelijking bevat de tabel hieronder voor de EU-27 het gegaran-deerde minimuminkomen (Guaranteed Minimum Income benefits) zoalsdat gedefinieerd wordt door de OESO. In Nederland is dit de algemenebijstandsuitkering. In de tweede kolom is voor ieder land het nettomaandbedrag in euro’s per 1 januari 2024 dat een alleenstaande ontvingweergegeven. Voor Nederland bevat het bedrag de vakantietoeslag maarniet de toeslagen. De maandbedragen zijn niet gecorrigeerd voorprijsverschillen tussen landen (koopkrachtpariteit). De derde kolom toontTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 736 de verhouding van deze maandbedragen tot een uitkeringsbedrag van€ 1.500.Tabel: Minimuminkomen in EU-lidstaten, voor een alleenstaandeEU-lidstaatNetto maandbedrag (€)€ 1.500 als percentage vanmaandbedragBelgië1.263119%Bulgarije183819%Cyprus480313%Denemarken1.459103%Duitsland563266%Estland200750%Finland588255%Frankrijk620242%Griekenland216694%Hongarije672.223%Ierland997151%Italië1––Kroatië1501.000%Letland1371.095%Litouwen246609%Luxemburg1.91079%Malta666225%Nederland1.284117%Oostenrijk876171%Polen600250%Portugal237632%Roemenië811.842%Slovenië465322%Slowakije180833%Spanje604248%Tsjechië226664%Zweden515291%1 In Italië bestaat per 2024 geen regeling meer die geldt als gegarandeerd minimuminkomen.Bron: OESO, oecd.stat.org, geraadpleegd en bewerkt op 10-10-2025.Noot: Maandbedragen voor niet-eurolanden zijn omgerekend op basis van de wisselkoersen diede OESO hanteert voor 2024; maandbedragen zijn exclusief huurkostentoeslagen. Vraag 73Wat was het bruto en netto mediane inkomen in 2025? Wat is demarginale druk van een alleenstaande die een mediaan inkomen verdient?En voor twee mediane inkomens met kinderen?Antwoord 73Het mediane inkomen is het middelste inkomen als alle inkomens inNederland van hoog naar laag worden gerangschikt. De helft van demensen heeft een inkomen dat hoger is dan het mediane inkomen en deandere helft heeft een inkomen dat lager is dan het mediane inkomen.De inkomensverdeling van 2025 is nog niet bekend. 2024 is het meestrecente jaar waarvoor data beschikbaar is. Volgens data van CBS bedroeghet mediane persoonlijk inkomen € 34,3 duizend in 2024 (Bron: CBS,Statline, geraadpleegd 08-10-2025). Met een door het CPB geraamdegemiddelde contractloonontwikkeling van 4,9% voor 2025 in de MEV 2026bedraagt het op deze manier geraamde mediane persoonlijk inkomen€ 36,0 duizend in 2025.Een werkende alleenstaande zonder kinderen met een brutoinkomen van€ 36.000 heeft een netto-inkomen van € 30.437 en een marginale druk van56%. Een werkend paar met 2 kinderen (tussen 6 en 11 jaar oud) zonderkinderopvang die beiden een brutoinkomen hebben van € 36.000 (dus€ 72.000 als bruto huishoudinkomen), hebben een netto huishoudin-komen van € 63.861 en een marginale druk van 50%. De marginale druk isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 737 in deze voorbeelden berekend over een brutoinkomensstijging van 3%,zoals dat gebruikelijk is in berekeningen over marginale druk.In de koopkrachtplaatjes wordt overigens de mediane koopkrachtontwik-keling van huishoudens getoond. Hierin zijn de huishoudens gerangschiktvan huishoudens met de laagste koopkrachtontwikkeling naarhuishoudens met de hoogste koopkrachtontwikkeling. De medianekoopkrachtontwikkeling is de middelste koopkrachtontwikkeling van dezeverdeling. Het huishouden met het mediane inkomen is dus niet hetzelfdehuishouden als het huishouden met de mediane koopkrachtontwikkeling.Vraag 74Met hoeveel procent is de bijstandsuitkering verhoogd in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 74De bijstandsnormen zijn tussen 1 juli 2020 en 1 juli 2025 met 29%gestegen. Tussen 1 juli 2015 en 1 juli 2025 was deze stijging 42%.Vraag 75Met hoeveel procent is het mediaan inkomen gegroeid in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 75Volgens data van CBS bedroeg het mediaan persoonlijk inkomen € 34,3duizend in 2024. 2024 is het recentste jaar waarvoor data beschikbaar is.In 2014 bedroeg het mediaan persoonlijk inkomen € 23,3 duizend en in2019 € 26,3 duizend (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd 08-10-2025). Alsgevolg is sprake van een groei van 47% in de laatste tien jaar en 30% in delaatste vijf jaar. Overigens zijn deze groeicijfers ongecorrigeerd voorinflatie.Vraag 76Met hoeveel procent is het gemiddelde inkomen gegroeid in de laatstetien jaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 76Volgens data van CBS bedroeg het gemiddelde persoonlijk inkomen€ 42,2 duizend in 2024. 2024 is het recentste jaar waarvoor databeschikbaar is. In 2014 bedroeg het gemiddelde persoonlijk inkomen€ 29,9 duizend en in 2019 € 33,4 duizend (Bron: CBS, Statline, geraad-pleegd 08-10-2025). Als gevolg is sprake van een groei van 41% in delaatste tien jaar en 26% in de laatste vijf jaar. Overigens zijn dezegroeicijfers ongecorrigeerd voor inflatie.Vraag 77Met hoeveel procent is het modale inkomen gegroeid in de laatste tienjaar? En in de laatste vijf jaar?Antwoord 77Volgens het CPB bedraagt het bruto modale inkomen € 46 duizend in 2025(Bron: CPB, Raming september 2025 (MEV 2026)). Ten opzichte van 2015 issprake van een stijging van 39% en ten opzichte van 2020 een stijging van21%. Overigens houden deze cijfers geen rekening met de inflatie.Vraag 78Welk percentage van vakbondsleden in Nederland heeft een baan? Welkpercentage is gepensioneerd?Antwoord 78Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 738 Het CBS publiceert iedere twee jaar cijfers over het aantal vakbondsleden.Volgens de meest recente cijfers uit 2023 zijn 1.440.900 mensen lid vaneen vakbond (Bron: CBS, Statline, geraadpleegd op 6-10-2025). In dezestatistiek zitten ook mensen die geen werknemer (meer) zijn, zoalsgepensioneerden, zelfstandigen of werklozen. Welke vakbondsleden eenbaan hebben of gepensioneerd zijn is niet bekend. Wat wel bekend is, zijnde leeftijdsgroepen van de werknemers die lid zijn van een vakbond.Daaruit blijkt dat van het totaal aantal vakbondsleden er 316.000 zijn metde AOW-leeftijd of ouder. Dat is 21,9%. Het CBS publiceert nieuwe cijfersop 31 oktober 2025.PeriodeTotaal (x1.000)<25 jaar25–45 jaar45 tot AOW-leeftijdAOW-leeftijd of ouder20231.440,935,3340,7748,9316,0Bron: CBS StatLine - Leden van vakverenigingen; geslacht en leeftijdToelichting: de cijfers uit 2023 staan op Statline vermeld als voorlopig. CBS heeft echter aangegeven dat deze inmiddels definitief zijn (en ongewij-zigd). Vraag 79In welk jaar hadden vakbonden relatief gezien de grootste ledenaantallen?Antwoord 79Uit de cijfers van het CBS over de historie van het aantal vakbondsleden,blijkt dat vakbonden in het jaar 1999 in absolute getallen de grootsteledenaantallen hadden, te weten 1.935.000 (Bron: Statline, CBS, geraad-pleegd op 06-10-2024, StatLine - Historie leden vakverenigingen (cbs.nl)).Er zijn geen relatieve cijfers van alle vakbondsleden over de jaren.Het CBS heeft in 2024 een historisch overzicht gepubliceerd van stakingenin Nederland. Daarbij is ook gekeken naar het aantal vakbondsleden tenopzichte van de werkzame beroepsbevolking. Op basis daarvan waren ervolgens het CBS in 1978 de meeste vakbondsleden (Bron: CBS, Tijdlijnstakingen, 1979 | CBS). Het CBS heeft geen nadere cijfers gepubliceerdhierover.Vraag 80Wat is de ontwikkeling van het totale pensioenvermogen van pensioen-fondsen sinds het jaar 2000?Antwoord 80Op basis van publiekelijk beschikbare informatie kan alleen een overzichtgegeven worden van het totale pensioenvermogen van pensioenfondsenvanaf 2007. Het totale belegd vermogen van pensioenfondsen kent overde periode 2007–2024 de volgende ontwikkeling in miljoenen euro’s (bron:DNB statistieken, tabel 8.9, stand eind van het jaar, geraadpleegd op10-10-2025):Tabel: Totale belegd vermogen voor risico pensioenfondsen (2007–2024), stand eindevan het jaar (in duizenden euro’s)2007683.1932008576.0492009663.9102010746.6602011802.2012012916.8732013951.46620141.133.42420151.148.15620161.265.53420171.338.06520181.322.57220191.554.446Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 739 20201.679.39320211.803.49820221.425.81620231.548.71120241.669.550 Vraag 81Kunt u alle inkomensregelingen in 2026 in een grafiek weergeven, denkaan de toeslagen en arbeidskortingen? Kunt u hierbij ook de marginaledruk grafisch weergeven?Antwoord 81De ontvangen toeslagen en arbeidskortingen hangen niet alleen af van hetinkomen, maar zijn ook afhankelijk van andere factoren als het hebbenvan een partner, werk, kinderen en huur. Het is daarom niet goed mogelijkom alle inkomensregelingen voor verschillende type huishoudens in éénfiguur te vatten. Voor de onderstaande figuur is daarom specifiek één typehuishouden verondersteld. De figuur toont de op- en afbouw vaninkomensregelingen voor een werkende alleenstaande ouder van tweekinderen tussen de 6 en de 11 jaar. Deze ouder maakt gebruik van driedagen kinderopvang per kind en betaalt een huur van € 733 per maand.Dit is een voorbeeld waarin gebruik wordt gemaakt van alle toeslagen ende meest voorkomende heffingskortingen. In deze weergave is geenrekening gehouden met de verzilvering van heffingskortingen.Bovenstaande figuur is niet representatief voor alle huishoudens inNederland. De meeste huishoudens hebben aanspraak op minderinkomensregelingen, waardoor zij minder te maken hebben met deinkomensafhankelijke afbouw van deze regelingen, en als gevolg eenminder hoge marginale druk kennen. Figuur 9 in paragraaf 7.2.7 van deSZW-begroting 2026 toont grafisch de marginale druk voor allehuishoudens en de tabellen marginale druk van het Belastingplan 2026tonen in detail de afbouw van inkomensregelingen voor verschillendehuishoudtypen met bijbehorende marginale druk per inkomensniveau.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 740 Vraag 82Hoeveel Nederlanders hebben uitzendwerk? Hoe lang heeft iemandgemiddeld een uitzendbaan? Hoeveel mensen met een uitzendbaanstromen uit naar een «normale» baan? Hoeveel stroomt uit naar eenuitkering?Antwoord 82Tussen de 3% en 10% van de werkzame bevolking is uitzendkracht(afhankelijk van de gebruikte cijfers). Over het exacte aantal uitzend-krachten zijn verschillende cijfers beschikbaar. Uit de Enquête Beroepsbe-volking (EBB) van het CBS volgt dat in het tweede kwartaal van 2025 er345 duizend mensen werkten als uitzendkracht. Uit cijfers van dePolisadministratie blijkt dat over het gehele jaar 2023 gezien ongeveer 900duizend mensen als uitzendkracht heeft gewerkt. De gemiddelde duur vande uitzendperiode in een jaar betrof 144 dagen in 2023.De onderstaande tabel toont de arbeidsmarktpositie van de uitzendkrachtdrie maanden na afloop van de uitzendbaan voor het jaar 2024. Hiervanheeft 23 procent een vast of tijdelijk dienstverband (het is niet bekend ofdit uitstroom naar de eerdere inlener is of naar een andere werkgever).Ongeveer 6 procent ontvangt drie maanden na de uitzendbaan eenuitkering (WW, ziektewet/arbeidsongeschikt of bijstand).Tabel: Arbeidspositie drie maanden na uitzendbaan voor 2024ArbeidsmarktpositieAandeel van voormalig uitzendkrachtenVast dienstverband6%Tijdelijk dienstverband17%Uitzendkracht29%Oproepkracht8%WW3%Ziektewet/arbeidsongeschikt2%Bijstand1%Overige arbeidsmarktposities8%Figuur 9 Gemiddelde en extreme marginale druk naar inkomensniveau 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 741 ArbeidsmarktpositieAandeel van voormalig uitzendkrachtenGeen volgende arbeidsmarkt-positie27%Bron: CBS StatLine, Werkzame beroepsbevolking; positie in de werkkring, geraadpleegd op06-10-2025.Bron: SEO (2025), Uitzendmonitor 2024, resultaten in tabellen en figuren: periode 20-8-2023. Vraag 83Zijn er kosten voor de Rijksbegroting bij het afschaffen van hetjeugdminimumloon?Antwoord 83Bij de beantwoording van deze vraag nemen wij aan dat na afschaffingvan het minimumjeugdloon het volwassenminimumloon gaat geldenvanaf 15 jaar.Het afschaffen van het minimumjeugdloon vergt een wetswijziging. Ditkost normaliter anderhalf tot twee jaar. Met een zeer krappe planning isafschaffing per 1 januari 2027 nog net haalbaar.Het afschaffen van het minimumjeugdloon voor alle leeftijden leidt tothogere uitgaven aan de Wajong (voor 18-, 19- en 20-jarigen) en loonkos-tensubsidie. De verwachte kosten van het afschaffen van het minimum-jeugdloon voor alle leeftijden lopen op van ongeveer € 76 miljoen in 2027naar € 125 miljoen per jaar structureel.Vraag 84Wat zijn de arbeidsmarkteffecten van een ongekoppelde verhoging vanhet Wml met 5 procent?Antwoord 84Een verdere verhoging van het minimumloon met 5% zonder doorwerkingop de sociale zekerheid leidt naar schatting tot een verlies aan arbeids-deelname van ongeveer 15 duizend personen.Vraag 85Hoeveel fte op het Ministerie van SZW is bezig met rapporteren aan deEuropese Unie en het vertalen van Europese regels naar Nederland?Antwoord 85Hier bestaat geen overzicht van.Vraag 86Wat zou een daling van het minimumloon van 5 procent inclusiefgekoppelde uitkeringen voor effect hebben op de arbeidsmarkt en dekoopkrachtcijfers? Wat zou het opleveren voor de Rijksfinanciën?Antwoord 86Het werkgelegenheidseffect van deze maatregel zou naar schatting +0,3%bedragen. Dit houdt in dat de arbeidsdeelname na verloop van jaren metordegrootte 30 duizend personen zou toenemen.Een bijzondere verlaging van het wettelijk minimumloon met 5,0% levertongeveer € 4,3 miljard per jaar structureel op. Dit betreft een groveinschatting van het budgettaire effect van een verlaging van hetminimumloon met volledige doorwerking op uitkeringen. De ramingbevat alleen de opbrengsten op de SZW-begroting, dat betekent dat dedoorwerking op bijvoorbeeld de inkomstenbelasting, de huur- enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 742 zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen deopbrengsten voor de Rijksoverheid als wetgever en niet voor de Rijks-overheid als werkgever.Onderstaande tabel toont het inkomenseffect van een verlaging van hetminimumloon en gekoppelde uitkeringen met 5% per 1 januari 2027. Hetinkomenseffect is het effect van een maatregel in een bepaald jaar op hetbesteedbaar inkomen van huishoudens. Hierbij is geen rekeninggehouden met de doorwerking van het lagere minimumloon en uitke-ringen op het macro-economische beeld. De laagste inkomensgroepenhebben een negatiever inkomenseffect door deze maatregel (– 2,4% bijlaagste inkomensgroep) dan hogere inkomensgroepen (– 0,2% bij hoogsteinkomensgroep). Het mediane inkomenseffect voor alle huishoudens is– 0,7%.InkomensgroepMediane inkomenseffect (%)1e (<=106% WML)– 2,4%2e (106–172% WML)– 1,6%3e (172–256% WML)– 0,5%4e (256–378% WML)– 0,3%5e (>378% WML)– 0,2%InkomensbronWerkenden– 0,3%Uitkeringsgerechtigden– 2,7%Gepensioneerden– 2,2%HuishoudtypeTweeverdieners– 0,4%Alleenstaanden– 1,0%Alleenverdieners– 0,5%KinderenHuishoudens met kinderen– 0,3%Huishoudens zonder kinderen– 0,3%Alle huishoudens– 0,7% Vraag 87Hoe ziet de ingroei naar het nieuwe kinderopvangstelsel in 2027 er nu uit?Hoe groeien de extra middelen in? Wat doet dit met de koopkrachtcijfers?Wat is de staat van de aanpak om meer personeel in de sector aan tetrekken? Wat is de stand van zaken rondom het kiezen van een uitvoerdervan de directe financiering? Wanneer ontvangt de Kamer nieuwe brievenmet de gehele stand van zaken?Antwoord 87Het kabinet verhoogt de vergoedingspercentages in de kinderopvang-toeslag stapsgewijs in de jaren tot aan de invoering van het nieuwefinancieringsstelsel. Met dit «ingroeipad» kan een zorgvuldige engeleidelijke groei van de vraag naar kinderopvang worden gerealiseerd.De eerste stap op dit ingroeipad is in 2025 genomen (Stb. 2024, nr. 273).De verhoging voor het jaar 2026 is ook al vastgelegd (Stb. 2025, nr. 233).Voor de jaren 2027 en 2028 zal in respectievelijk 2026 en 2027 met eenwijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag bepaald worden hoe devergoedingspercentages precies aangepast worden. Hiervoor is in 2027ruim € 700 miljoen beschikbaar en in 2028 nogmaals bijna € 700 miljoen.De inkomenseffecten van die wijzigingen worden beschreven in de notavan toelichting bij het betreffende wijzigingsbesluit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 743 De Dienst Toeslagen is de beoogd uitvoerder van het nieuwe financie-ringsstelsel. Uw Kamer is hierover met de Kamerbrief van 11 november2024 geïnformeerd (Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 547).De aanpak van het tekort aan pedagogisch professionals is van grootbelang voor de toegankelijkheid van kinderopvang. Vanwege de tekortenkijkt het kabinet samen met de sector doorlopend naar nieuwe mogelijk-heden tot acties en maatregelen. Momenteel lopen er diverse acties ompersoneel aan te trekken, te behouden en meer uren werken te bevor-deren.Het «Ontwikkelpad Kinderopvang» is ontworpen om de instroom endoorgroei in de kinderopvang te bevorderen, ook van mensen die nietdirect de stap naar pedagogisch professional kunnen zetten. Onder-steunend hieraan heeft het Ministerie van SZW een tijdelijke subsidiere-geling opgezet om kinderopvangorganisaties te stimuleren groepshulpenaan te nemen en scholing te bieden. Om de subsidie aantrekkelijker temaken, mogen kinderopvangorganisaties vanaf dit jaar voor tiengroepshulpen subsidie aanvragen in plaats van twee. Daarnaast is er deSLIM-scholingssubsidie voor scholing binnen het Ontwikkelpad, ominvesteringen in de ontwikkeling van medewerkers aantrekkelijker temaken. Ook zijn er kansen om pedagogisch professionals meer uren telaten werken in de kinderopvang. Het Groeifondsproject «Meer urenwerkt!» implementeert en onderzoekt verschillende interventies in dekinderopvang om te komen tot contractuitbreidingen. Tot slot zijnsectorpartijen bezig met acties die het kabinet ondersteunt met subsidies.Zo is het arbeidsmarktplatform Kinderopvang werkt! vorig jaar gestartmet de nieuwe arbeidsmarktcampagne «Kleine stappen, grote dromen»die zich richt op zij-instromers, gastouders, mannen en mbo-2 studenten.Vraag 88Kunt u een voorbeeld geven van de inkomsten en lasten- en belastingdrukvan de volgende huishoudens:a.Op bijstandsniveaub.In de WW (verdiende voorheen modaal)c.In de WIA (verdiende voorheen modaal)d.Op het WMLe.Op 130 procent van het WMLf.Modaal inkomeng.Twee keer modaal inkomenh.Drie keer modaal inkomen?Kunt u de aannemelijke lokale belastingen hierbij ook meenemen, gahierbij vanuit dat het huishouden vanaf het modale inkomen in eenkoophuis woont en daar onder in een sociale huurwoning?Antwoord 88Onderstaande tabellen geven een overzicht van de inkomsten enbelastingdruk van de gevraagde huishoudens. Daarbij zijn de volgendeaannames gedaan:–De cijfers hebben betrekking op 2025, omdat een aantal benodigdegegevens nog niet beschikbaar is voor 2026.–Bij alle huishoudens is de aanname dat het gaat om een alleenstaandezonder kinderen. Voor de vergelijkbaarheid is de huishoudsamenstel-ling steeds hetzelfde.–De eerste tabel bevat de huishoudens met een sociale huurwoning(a t/m e). Daarbij is steeds de aanname dat de huur gelijk is aan€ 682,96 per maand. Dat is gelijk aan de maximale huur die in hetkader van passend toewijzen wordt gehanteerd voor alleenstaandenmet een inkomen tot ongeveer € 28.400.–De tweede tabel bevat de huishoudens met een koopwoning (f t/m h).Daarbij is steeds de aanname dat de WOZ-waarde gelijk is aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 744 NHG-grens in 2025 [namelijk € 450.000] en dat huishoudens eenhypotheek hebben van de helft van de woningwaarde [namelijk€ 225.000] met een rentepercentage van 3,5%.–Voor lokale lasten is gerekend met de gemiddelde lokale lasten van hetCOELO.oVoor alleenstaanden met een huurwoning zijn de gemiddeldelokale lasten € 291 voor de afvalstoffenheffing, € 85 voor derioolheffing en € 201 voor waterschapslasten (zuiveringsheffing eningezetenenheffing). In totaal is dat € 577.oVoor alleenstaanden met een koopwoning zijn de gemiddeldelokale lasten € 291 voor de afvalstoffenheffing, € 220 voor derioolheffing, € 416 voor ozb [gebaseerd op een gemiddeld tariefvan 0,0924%] en € 339 voor waterschapslasten (zuiveringsheffing,ingezetenenheffing en heffing gebouwd). In totaal is dat € 1.266.–Zorgkosten omvatten de nominale zorgpremie en de gemiddeldebetalingen onder het verplichte eigen risico. De hoogte van het eigenrisico is gedifferentieerd naar verschillende huishoudtypen (zoalswerkenden, bijstandsgerechtigden en mensen met een arbeids-ongeschiktheidsuitkering).–Het huishouden met bijstand (a) betaalt geen inkomstenbelasting,omdat de bijstand een netto-uitkering is. Een huishouden met bijstandkomt mogelijk ook in aanmerking voor kwijtschelding van lokalelasten, maar daarmee is geen rekening gehouden omdat hiervoor inverschillende gemeenten verschillende regels gelden.–Bij het huishouden met WW (b) is de aanname dat iemand 75% vanhet laatstverdiende loon ontvangt in de eerste twee maanden en 70%van het laatstverdiende loon in de resterende 10 maanden.–Bij het huishouden met WIA (c) is de aanname dat iemand 75% van hetlaatstverdiende loon ontvangt (IVA) en niet werkt naast de uitkering, endat iemand de tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten ontvangt.Bijstand(a)WW (b)WIA (c)Wml (d)130% wml(e)brutoinkomenN.v.t.€ 32.583€ 34.500€ 28.756€ 37.382Pensioenpremie (werknemers-deel)N.v.t.€ 0€ 0– € 705– € 1.239Belastbaar inkomenN.v.t.€ 32.583€ 34.500€ 28.050€ 36.143Te betalen belastingN.v.t.– € 8.868– € 9.676– € 1.720– € 4.926Netto-inkomen€ 16.287€ 23.935€ 25.044€ 26.331€ 31.217Zorgtoeslag€ 1.573€ 1.001€ 739€ 1.573€ 513Zorgkosten– € 2.134– € 2.070– € 2.193– € 2.070– € 2.070Huurtoeslag€ 4.943€ 2.013€ 1.424€ 3.485€ 1.021Lokale lasten– € 577– € 577– € 577– € 577– € 577Tegemoetkoming arbeidsonge-schikten€ 0€ 0€ 220€ 0€ 0Resterend besteedbaarinkomen€ 20.092€ 24.083€ 24.657€ 28.741€ 30.104Lastendruk (inkomstenbelas-ting)N.v.t.27,2%27,4%8,4%16,5%Lastendruk (totaal)N.v.t.26,1%28,5%0,0%19,5% Modaal (f)2x modaal (g)3x modaal (h)Bruto-inkomen€ 46.000€ 92.000€ 138.000Pensioenpremie (werknemersdeel)– € 1.773– € 4.622– € 7.458Eigenwoningforfait€ 1.575€ 1.575€ 1.575Hypotheekrenteaftrek– € 7.875– € 7.875– € 7.875Belastbaar inkomen€ 37.927€ 81.078€ 81.078Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 745 Modaal (f)2x modaal (g)3x modaal (h)Te betalen belasting– € 5.597– € 28.494– € 52.575Netto-inkomen€ 38.630€ 58.884€ 77.967Zorgtoeslag€ 269€ 0€ 0Zorgkosten– € 2.070– € 2.070– € 2.070Lokale lasten– € 1.266– € 1.266– € 1.266Resterend besteedbaar inkomen€ 35.563€ 55.548€ 74.631Lastendruk (inkomstenbelasting)16,0%36,0%43,5%Lastendruk (totaal)22,7%39,6%45,9% Vraag 89Wat is de stand van zaken rondom de naleving van het Pensioenakkoord?Welke afspraken zijn reeds uitgevoerd, en welke moeten nog wordenuitgevoerd (bijvoorbeeld door wetgeving)? Kan hier een tijdlijn vangemaakt worden?Antwoord 89Het Pensioenakkoord bestaat uit vier onderdelen. Alle afspraken uit hetPensioenakkoord zijn uitgevoerd en/of opgepakt. De volgende afsprakenzijn nog in uitvoering: de verdere implementatie van de Wet toekomstpensioenen, de inwerkingtreding van Bedrag Ineens (wacht opinstemming van de Eerste Kamer) en het Wetsvoorstel basisverzekeringarbeidsongeschiktheid zelfstandigen (streven is in het eerste kwartaal vanvolgend jaar aan de Kamer aan te bieden). Hieronder per onderdeel eennadere toelichting over de stand van zaken van de verschillendeonderdelen.1. Vernieuwing van de pensioencontracten en transitie naar hetnieuwe pensioenstelselVoortgang pensioentransitieOnderdeel van het Pensioenakkoord is vernieuwing van de pensioencon-tracten en de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit is wettelijkverankerd in de Wet toekomst pensioenen, die op 1 juli 2023 in werking isgetreden. Op dit moment zijn pensioenuitvoerders bezig met hetvoorbereiden en uitvoeren van de pensioentransitie. Alle pensioen-regelingen dienen, als de Eerste Kamer instemt met het wetsvoorstelverlenging pensioentransitie, uiterlijk per 1 januari 2028 op eenzorgvuldige manier te zijn omgezet naar het nieuwe pensioenstelsel.De voortgang van de pensioentransitie wordt nauwlettend gevolgd, zodateventuele knelpunten tijdig gesignaleerd en opgelost kunnen worden. UwKamer wordt tweemaal per jaar geïnformeerd over de voortgang met devoortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen. Tevensbrengt de onafhankelijk regeringscommissaris Transitie Pensioenen tenminste tweemaal per jaar advies uit over het verloop van de transitie. Deeerste zes pensioenfondsen zijn inmiddels ingevaren naar het nieuwepensioenstelsel. Van de contracten ondergebracht bij verzekeraars enpremiepensioeninstellingen (PPI’s) is inmiddels 7% respectievelijk 9%omgezet naar het nieuwe pensioenstelsel. De komende tijd worden steedsmeer regelingen omgezet, zowel bij pensioenfondsen als bij verzekeraarsen PPI’s. In de voortgangsrapportage van januari 2026 zal een actueeloverzicht worden gegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 746 Nabestaandenpensioen en pensioen bij arbeidsongeschiktheidMet de Wet toekomst pensioenen (Wtp) is ook het nabestaandenpensioengeüniformeerd. De gerealiseerde uniformering ziet op drie onderdelen:het partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum, het partner-begrip en het wezenpensioen. In de Wet toekomst pensioenen is ookovergangsrecht gerealiseerd voor premievrije voortzetting van hetpensioen bij arbeidsongeschiktheid bij een gesloten fonds of verzekeraar.In het voorgenomen wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonder-werpen worden daarnaast voorstellen gedaan voor de vrijwilligevoortzetting van het wezenpensioen, uniformering van het kindbegrip enverruiming overgangsrecht premievrije voortzetting van het pensioen bijarbeidsongeschiktheid. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting in het eerstekwartaal van 2026 naar uw Kamer worden gezonden.Stand van zakenOnderwerpMaatregelWetgevingStand van zakenPartnerpensioen bijoverlijden vóórpensioendatumHet nabestaandenpensioen bijoverlijden vóór pensioendatumzal alleen nog op risicobasismogen worden aangeboden.WtpGerealiseerd (1/7/2023)De dekking is daarbij maximaal50% van het pensioengevendloon en is diensttijdonafhanke-lijk.WtpGerealiseerd (1/7/2023)PartnerdefinitieUniformering partnerbegripWtpGerealiseerd (1/7/2023)Vrijwillige voortzettingvan het partnerpensioenVrijwillige voortzetting van hetpartnerpensioen via uitruil vanhet ouderdomspensioenWtpGerealiseerd (1/7/2023)WezenpensioenHet wezenpensioen zal geldentot 25 jaar, zonder dat daarbijnadere (scholings-)voorwaardengelden.WtpGerealiseerd (1/7/2023)De fiscale ruimte voor hetwezenpensioen is verruimdnaar 20% van het pensioenge-vend salaris, respectievelijk 40%voor volle wezen.WtpGerealiseerd (1/7/2023)Vrijwillige voortzetting van hetwezenpensioen via uitruil vanhet ouderdomspensioen (enpartnerpensioen)Wetsvoorstel Wettoezeggingen pensi-oenonderwerpenHet wetsvoorstelwordt in het eerstekwartaal van 2026ingediend bij de TweedeKamer.KindbegripUniformering kindbegripWetsvoorstel Wettoezeggingen pensi-oenonderwerpenHet wetsvoorstelwordt in het eerstekwartaal van 2026ingediend bij de TweedeKamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 747 OnderwerpMaatregelWetgevingStand van zakenOvergangsrechtpremievrije voortzettingbij arbeidsongeschikt-heid (pensioenfonds)Opbouw van aanspraken in deuitkeringsovereenkomst endekking voor het nabestaanden-pensioen kan worden voortge-zet zolang recht bestaat oppremievrije voortzetting(gesloten pensioenfonds)WtpGerealiseerd (1/7/2023)Verruiming van het overgangs-rechtWetsvoorstel Wettoezeggingen pensi-oenonderwerpenHet wetsvoorstelwordt in het eerstekwartaal van 2026ingediend bij de TweedeKamer.Overgangsrechtpremievrije voorzettingbij arbeidsongeschikt-heid (verzekeraar)De premievrije voortzetting kanonder het karakter van de ouderegeling voortgezet wordenWtpGerealiseerd (1/7/2023)Verruiming van het overgangs-rechtWetsvoorstel Wettoezeggingen pensi-oenonderwerpenHet wetsvoorstel wordtin het eerste kwartaalvan 2026 ingediend bijde Tweede Kamer. 2. Andere afspraken rondom tweede pijler pensioenZelfstandigenOnderdeel van het Pensioenakkoord zijn afspraken voor het verbeterenvan pensioensparen door zelfstandigen. Als uitwerking daarvan is in deWtp experimenteerwetgeving opgenomen, waardoor pensioenregelingenin de tweede pijler opengesteld kunnen worden voor vrijwilligeaansluiting door zelfstandigen. Deze experimenteerwetgeving zietbijvoorbeeld op zelfstandigen die voorheen deelnamen aan een bedrijfs-takpensioenfonds en zelfstandigen die actief zijn binnen een sectorwaarvoor een pensioenregeling bestaat. Ook is met de Wtp een arbeids-vormneutraal fiscaal kader geïntroduceerd waardoor de fiscale regelsvoor pensioensparen in de tweede en de derde pijler hetzelfde zijn.Hierdoor hebben zelfstandigen in de derde pijler meer ruimte om fiscaalvoordelig pensioen op te bouwen. Pensioensparen voor zelfstandigen isdaarmee eenvoudiger en aantrekkelijker gemaakt.Witte vlek (werknemers zonder pensioen)In het Pensioenakkoord is afgesproken dat sociale partners eenaanvalsplan opstellen om het aantal werknemers zonder pensioen terugte dringen. Dit aanvalsplan wordt sinds 2020 uitgevoerd, jaarlijks stuurt deStichting van de Arbeid een voortgangsrapportage. Tijdens de behan-deling van de Wet toekomst pensioenen heeft de Stichting van de Arbeideen aangescherpt aanvalsplan opgesteld en een reductiedoelstellinggeformuleerd. Dit is vervolgens ook wettelijk verankerd in de Wtp. Dezereductiedoelstelling ziet op een halvering van het aantal werknemerszonder pensioenopbouw in 2028 ten opzichte van het aantal in 2019.Om de voortgang van dit doel te monitoren, doet het Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS) periodiek onderzoek naar deze cijfers. De meestrecente publicatie van 29 september 2025 geeft de stand van eind 2023.Daaruit blijkt dat 680 duizend werknemers geen actieve pensioenopbouwhadden, dit betreft 9,3% van het totaal. Binnenkort wordt de Kamer naderTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 748 geïnformeerd over de stand van zaken rondom de voortgang van dereductiedoelstelling.SZW heeft een aantal eigen actiepunten in het aanvalsplan. Het eersteactiepunt betreft het introduceren van een wettelijke verplichting om opde loonstrook te vermelden of de werkgever een pensioenregelingaanbiedt. De aangepaste wettelijke verplichting loopt mee in het voorge-nomen wetsvoorstel Wet toezeggingen pensioenonderwerpen. Hettweede actiepunt is het opzetten van een campagne gericht opwerkgevers die nog geen pensioenregeling voor hun werknemersgetroffen hebben. Deze campagne is twee keer uitgevoerd, afgelopennajaar en afgelopen zomer. Tot slot is uw Kamer in het voorjaar van 2025(Verzamelbrief pensioenonderwerpen voorjaar 2025) geïnformeerd overde uitkomsten van het onderzoek in hoeverre het juridisch mogelijk is dater bij de aanbesteding een pensioenregeling wordt vereist. Daarin isaangegeven dat de benodigde aanvullende wetgeving op dit punt nietdoelmatig en niet doeltreffend is.3. Afspraken rondom Gezond werkend naar pensioenAOW-leeftijdIn het kader van het Pensioenakkoord is afgesproken om de AOW-leeftijdvanaf 2020 in een vertraagd tempo te laten stijgen. Daarnaast is overeen-gekomen om de structurele koppeling van de AOW-leeftijd en pensioen-richtleeftijd aan de levensverwachting te versoepelen. Concreet isafgesproken dat de ontwikkeling van de AOW-leeftijd met ingang van2025 voor 2/3 gekoppeld wordt aan de ontwikkeling van de resterendelevensverwachting op 65 jaar. Dit betekent dat elk jaar levenswinst wordtvertaald in gemiddeld 8 maanden langer doorwerken en gemiddeld4 maanden langer AOW-pensioen. De wet waarmee de verhoging van deAOW-leeftijd getemporiseerd werd, is op 1 januari 2020 in werkinggetreden. De wet waarmee de aangepaste 2/3-koppeling werd gereali-seerd is op 1 januari 2021 in werking getreden. De effecten van deverhoging van de AOW-leeftijd worden sinds 2020 jaarlijks gemonitordmet de AOW monitor.RVUIn het Pensioenakkoord is de tijdelijke drempelvrijstelling voor regelingenvoor vervroegd uittreden (RVU) afgesproken voor de periode van 2021 toten met 2025. Deze tijdelijke RVU-drempelvrijstelling is in 2021 gereali-seerd met de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen. In 2024 hebben hetkabinet en sociale partners met het akkoord «Gezond naar het pensioen»overeenstemming bereikt over maatregelen voor de periode na 2025. Indit akkoord zijn afspraken gemaakt over een breed pakket aan maatre-gelen, waaronder een gezamenlijke agenda voor duurzame inzetbaarheiden een structurele en meer gerichte RVU-drempelvrijstelling metijkmomenten.Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden(MDIEU)De laatste tijdvakken voor de Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheiden Eerder Uittreden (MDIEU) zijn gesloten, de regeling wordt eind 2025afgerond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 749 Meerjarig investeringsprogramma Duurzame Inzetbaarheid enLeven Lang Ontwikkelen (MIP)Vanuit het MIP lopen een aantal activiteiten. Het grootste deel heeftbetrekking op de Expeditie-regeling. Deze regeling stimuleert de ontwik-keling van praktisch toepasbare kennis over Duurzame Inzetbaarheid (DI)en Leven Lang Ontwikkelen (LLO) door het subsidiëren van:•Het in de praktijk toetsen van bestaande wetenschappelijke kennis.•Het valideren en overdraagbaar maken van praktijkkennis.In 2022 en 2024 is een tijdvak geopend van de Expeditie-regeling. In deeerste twee aanvraagperiodes startten 13 meerjarige projecten, met eentotale subsidie van € 30 miljoen. Er zitten in totaal zo’n 70 partijen in deverschillende samenwerkingsverbanden. Op dit moment wordt gewerktaan de voorbereidingen van een tijdvak in 2026.Daarnaast is er vanuit het MIP budget beschikbaar gesteld vooropschaling van de kennis die voorkomt uit de gesubsidieerde projecten.Hiermee zetten wij ook in om deze toepasbare kennis verder teverspreiden.Tot slot is er vanuit het MIP budget beschikbaar gesteld voor communica-tieactiviteiten op het gebied van leercultuur, psychosociale arbeidsbe-lasting, de RI&E en seksueel grensoverschrijdend gedrag.Verruiming verlofsparenIn het Pensioenakkoord van 2019 is afgesproken om werknemers ruimeremogelijkheden te geven om verlof te sparen. De Wet bedrag ineens, RVUen verlofsparen (Kamerstuk 35 555) verruimde per 1 januari 2021 demogelijkheid van fiscaal verlofsparen van 50 weken tot maximaal100 weken.Uittreden na aantal dienstjarenVoorts heeft het kabinet toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is omhet moment van uittreden onder voorwaarden te koppelen aan het aantaldienstjaren, bijvoorbeeld 45. Dit onderzoek is afgerond en op 10 mei 2021naar uw Kamer gezonden (Kamerstukken II, 2020/21, 32 043, nr. 560).4. Breder Pensioenakkoord overigBedrag ineensIn januari 2021 heeft de Eerste Kamer de Wet bedrag ineens, RVU enverlofsparenaangenomen. Die wet heeft tot doel mensen meer keuze-vrijheid te geven bij het benutten van hun pensioen, door het mogelijk temaken dat mensen bij pensionering maximaal 10% van hun pensioen inéén keer kunnen opnemen als bedrag ineens. Naar aanleiding van eenmotie van de Eerste Kamer is het onderdeel bedrag ineens nog niet inwerking getreden. Om invulling te geven aan deze motie is eenwetsvoorstel Herziening bedrag ineens ingediend dat het onderdeelbedrag ineens wijzigt. Dit wetsvoorstel is op 8 oktober 2024 aangenomendoor de Tweede Kamer en is momenteel in behandeling bij de EersteKamer. De beoogde inwerkingtreding is meerdere keren uitgesteld en ismomenteel 1 juli 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 750 Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstan-digenHet wetsvoorstel dat een verplichte verzekering tegen inkomensverliesvoor zelfstandigen regelt (Wet Baz) ligt op dit moment voor advies bij deAfdeling advisering van de Raad van State. Zoals aangegeven in de briefvan 15 september jl. hierover is het streven om het wetsvoorstel in heteerste kwartaal van volgend jaar aan te bieden aan uw Kamer (Kamer-stukken II 2024/25, 31 311, nr. 292).Vraag 90Wat is de stand van zaken rondom de pensioentransitie (Wet toekomstpensioenen)? Hoe verloopt het invaren?Antwoord 90Om over de voortgang van de transitie te kunnen rapporteren, lopen erverschillende onderzoeken, wordt gebruik gemaakt van de beschikbareinformatie uit de sector en is de regeringscommissaris Transitie Pensi-oenen gevraagd om periodiek advies uit te brengen. Uw Kamer wordtdoor middel van de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomstpensioenen (Wtp) twee keer per jaar geïnformeerd over de stand vanzaken rondom de pensioentransitie. Aangezien invaren hiervan eenbelangrijk onderdeel is, wordt ook daar op ingegaan.Naar verwachting zijn per 1 januari 2026 ongeveer de helft van de18,5 miljoen deelnemers (actieve deelnemers, gewezen deelnemers engepensioneerden) ingevaren. De overige deelnemers maken in de periodena 1 januari 2026 de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Ookpensioenfondsen die niet invaren moeten voor hun nieuwe opbouw eenregeling hanteren die voldoet aan de Wtp. Dit betreft een relatief kleinaantal deelnemers. Tot slot geldt de pensioentransitie niet alleen voorpensioenfondsen, maar moeten ook de pensioencontracten onderge-bracht bij verzekeraars en premie-pensioeninstellingen (PPI’s) omgezetworden naar het nieuwe stelsel. In de voortgangsrapportage monitoringWtp van begin 2026 wordt u geïnformeerd over het aantal deelnemers datop dat moment is ingevaren.Vraag 91Wat voor invloed heeft de passage uit het Regeerakkoord over depensioenen op de pensioentransitie?Antwoord 91In het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma is pensioen drie keergenoemd. Daarbij gaat het in deze gevallen om het organiseren van eenWoontop waar pensioenfondsen worden uitgenodigd. Deze passage heeftgeen invloed op de pensioentransitie.Vraag 92Wanneer wordt de Wijziging wet bedrag ineens behandeld in de EersteKamer?Antwoord 92Het wetsvoorstel is momenteel in behandeling in de Eerste Kamer. DeEerste Kamer gaat zelf over haar agenda.Vraag 93Welke subsidies staan er op de begroting? Wat is de tijdelijke of struc-turele aard per subsidie? Welke invloed heeft de taakstelling uit hetHoofdlijnenakkoord op deze subsidies? Zijn deze subsidies juridischverplicht?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 751 Antwoord 93Bijlage 3 van de SZW-begroting 2026 geeft een overzicht van allesubsidies van SZW.Subsidieregelingen en projectsubsidies op basis van de Kaderregelingsubsidies OCW, SZW en VWS komen in principe van rechtswege ten eindewanneer de subsidieperiode of -regeling stopt. De subsidieperiode staatvermeld in de subsidiebijlage. Instellingssubsidies op basis van deKaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS kunnen binnen een schappe-lijke termijn worden beëindigd door SZW.In onderstaande tabel staan de subsidies, bijdragen aan organisaties enoverige budgetten waarmee de subsidietaakstelling is ingevuld.x € 1.00020252026202720282029SubsidiesExpeditieregeling (DI&LLO)4.60016.900800SLIM62.47523.28811.17416.097Preventie geldzorgen6.000Subsidies praktijkleren1.2001.2001.2001.200Impuls dekkende regionaledienstverlening1.5003.0003.0003.000Vakkundig altijd1.4172.1672.1672.1672.167Praktijkleren bij sociaalontwikkelbedrijven5.0005.000Bijdragen aan organisaties9131.1011.8481.980Overige budgetten1.1383.9574.6925.2635.050Totaal74.63054.92512.96024.65235.494 Gedurende de looptijd van de subsidieperiode worden de middelen voorsubsidieregelingen en projectsubsidies aangemerkt als juridisch verplicht.Dit is in de betreffende begrotingsartikelen terug te vinden in de paragraafbudgetflexibiliteit bij de tabel Budgettaire gevolgen van beleid.Middelen voor instellingssubsidies worden aangeduid als juridischverplicht tot aan het einde van de looptijd van de instellingssubsidie.Vraag 94Kunt u een overzicht verstrekken van equivalenten van de WW-uitkering inalle Scandinavische landen, Duitsland, België, Frankrijk, Zwitserland,Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk? Kunt u de duur en de hoogte vande uitkeringen vermelden.Antwoord 94In onderstaande tabel is een vergelijking van de duur en hoogte vanwerkloosheidsuitkeringen gemaakt. Het is lastig om een beknopte envolledige vergelijking van de verschillende stelsels te maken. De hoogteen duur van de werkloosheidsuitkering varieert namelijk vaak naarpersoons- en andere kenmerken. Hierbij kan worden gedacht aan leeftijd,opgebouwd arbeidsverleden, gezinssamenstelling. De vergelijking in detabel is dan ook een versimpelde weergave van de hoogte en duur van dewerkloosheidsuitkering in de verschillende landen, zoals die golden op1 januari 2025. Voor een volledig inzicht in de verschillende stelsels wordtverwezen naar de vergelijkende tabellen van MISSOC18. Voor een meergedetailleerde en toelichtende verkenning van meer EU-lidstaten wordtverwezen naar een rapportage door Eurofound19.18https://www.missoc.org/missoc-database/comparative-tables/19https://www.eurofound.europa.eu/en/publications/all/social-protection-20-unemployment-and-minimum-income-benefits in het bijzonder Tabel 3 (blz. 34–36).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 752 Duur Werkloosheidsuitkering1(minimum en maximum, indienvan toepassing)Hoogte WerkloosheidsuitkeringBelgië3 perioden:1e periode van 12 maanden2e periode van maximaal36 maanden3e periode voor onbepaalde tijd1e periode: 65% van het laatst verdiende loon voor deeerste drie maanden; 60% voor de daaropvolgendenegen maanden2e periode: tussen de 40 en 60% van het laatstverdiende loon met graduele afbouw na maximaal12 maanden3e periode: in de eerste 3 maanden een uitkeringtussen de € 52,18 en de € 84,13 per dag, waarna eenvaste uitkering volgt tussen de € 30,49 en € 66,89 perdagDenemarken2 jaar binnen een periode van3 jaar90% van het laatst verdiende brutoloonFinlandTussen de 300 en 500 dagenMaximaal 90% van laatstverdiende loon (100% ondervoorwaarden), naar 80% van originele bedrag na40 dagen en 75% na 170 dagenFrankrijkTussen de 6 en 27 maandenIn principe 57% van het laatst verdiende loonDuitslandTussen de 6 en 24 maandenTussen de 60 en 67% van het laatst verdiendenettoloonIJsland3 perioden:1e periode van 2 weken2e periode van 3 maanden3e periode van maximaal30 maanden1e periode: maximaal € 2,536 per maand2e periode: maximaal 70% van het laatst verdiendeloon3e periode: maximaal € 2.536 per maandNederlandTussen de 3 en 24 maanden75% van laatst verdiende brutoloon voor de eerstetwee maanden en 70% in de vervolgperiodeNoorwegenTussen de 52 en 104 wekenIn principe 62,4% van het laatst verdiende loonOostenrijkTussen de 20 en 52 wekenIn principe 55% van laatst verdiende nettoloonZweden300 of 450 dagen80% gedurende de eerste 200 dagen en 70% voor devervolgperiodeZwitserlandTussen de 90 en 520 dagenTussen de 70 en 80% van het verzekerde loon1 In enkele landen bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid tot aanvullende verlenging.Bron: MISSOC en Eurofound. Vraag 95Kunt u het aandeel van de post SZW op de begroting weergeven alspercentage van de totale rijksbegroting en als percentage van het bbp?Kunt u dit per jaar weergeven sinds het jaar 2000? Kunt u ook eeninschatting maken van deze gegevens voor de komende 10 jaar?Antwoord 95In onderstaande grafiek staan de netto-uitgaven (uitgaven minusontvangsten) uit de jaarverslagen van Hoofdstuk XV (SZW) in miljardeuro’s, als percentage van de totale rijksbegroting en als percentage vanhet bbp. Voor de jaren 2025 t/m 2030 zijn geen realisatiecijfersbeschikbaar. Hiervoor is de raming uit de ontwerpbegroting 2026 gebruikt.De bbp-cijfers voor 2024 en verder zijn nog niet beschikbaar, daarvoor isde meest recente CPB-meerjarenraming (Centraal Economisch Plan (CEP)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 753 2025) gebruikt. In het CEP worden cijfers tot en met 2029 gegeven.Vandaar dat er maximaal 5 jaar vooruit gekeken kan worden.Vraag 96Hoeveel Nederlandse huishoudens ontvangen hypotheekrenteaftrek?Antwoord 96In 2025 zullen naar verwachting circa 4 miljoen huishoudens hypotheek-renteaftrek ontvangen.Vraag 97Wat kost een uur kinderopvang gemiddeld?Antwoord 97Een uur kinderopvang kost de overheid in 2025 naar verwachtinggemiddeld € 7,03 aan kinderopvangtoeslag. Hoeveel een uur kinder-opvang kost voor ouders, hangt af van veel variabelen, zoals het tarief datouders betalen aan hun kinderopvanginstelling, het inkomen dat zeverdienen en daarmee de hoogte van de kinderopvangtoeslag die zeontvangen, het type kinderopvang en het aantal kinderen. De gemiddeldetarieven voor ouders bedroegen in het eerste kwartaal van 2025gemiddeld € 11,17 in de dagopvang, € 10,14 in de bso en € 8,23 in degastouderopvang. Het gemiddelde vergoedingspercentage bedroeg ruim71%. Daarbij geldt een bandbreedte van 36,5% voor de hoogste inkomenstot 96% voor de laagste inkomens. Ouders ontvangen het vergoedingsper-centage over het uurtarief dat de kinderopvangorganisatie in rekeningbrengt, tot maximaal de maximum uurprijs.Vraag 98Wat is het personeelstekort in de kinderopvang? En wat is het verwachtetekort door de invoering van het nieuwe stelsel?Antwoord 98In december 2024 is de meest recente arbeidsmarktprognose voor dekinderopvang van ABF Research gepubliceerd. De raming houdt rekeningmet de beleidsvoornemens die toen bekend waren. Door het uitstel vande stelselherziening met twee jaar en het besluit om de kinderopvang-toeslag wel te indexeren, is de raming daarom niet meer helemaalactueel. De nieuwe arbeidsmarktprognose wordt in december 2025verwacht. Wel geeft de huidige prognose nog steeds een beeld van dewaarschijnlijke stijging van het tekort aan personeel de komende jaren.In 2025 is er een tekort van 7.200 personen in de kinderopvang geraamd(op een totaal van 126.000 werknemers). Bij een stelselherziening (in deraming per 2027) wordt er voor 2034 een tekort van 33.400 personenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 754 voorzien. Zonder nieuw beleid zou het tekort in 2034 oplopen tot 23.100personen. Mitigerende arbeidsmarktmaatregelen die SZW en de sectornemen (zie het antwoord op vraag 87), kunnen niet worden meegenomenin de tekortraming.Vraag 99Wat is het koopkrachtbeeld in 2026 voor pensioenen van deelnemerswiens fondsen zijn ingevaren?Antwoord 99Het koopkrachtbeeld in 2026 voor gepensioneerden bij ingevarenpensioenfondsen is nog niet bekend. De verwachting in de MacroEconomische Verkenning 2026 (MEV 2026) van het Centraal Planbureau isdat gepensioneerden er in 2026 in het algemeen 1,5% op vooruitgaan.Hierbij wordt uitgegaan van een (gemiddelde) indexering van aanvullendepensioen van 4%.Vraag 100Wat is de totale pensioenpot van Nederland?Antwoord 100Het totale vermogen van alle pensioenfondsen in Nederland was eind2024 € 1.669,55 miljard, zoals blijkt uit de tabel bij antwoord 80. Hetpensioenvermogen dat door verzekeraars werd beheerd was in mei 2025ongeveer € 108 miljard.20Vraag 101Welk percentage van de Rijksbegroting bestaat uit consumptie en welkpercentage uit investeringen?Antwoord 101In de rapportage over de Rijksbegroting wordt geen onderscheid gemaakttussen consumptieve uitgaven en investeringen. Wel monitort het kabinetde ontwikkeling van de uitgaven, waaronder het onderscheid tussenconsumptief en investeringen, waar dat kan. Conform de aanbevelingenuit de 17e Studiegroep Begrotingsruimte gebeurt dat onder meer via hettonen van de volledige looptijd van investeringsfondsen op de departe-mentale begrotingen. Daarnaast publiceert het kabinet een investerings-monitor, waarin wordt gerapporteerd over de ontwikkeling van deinvesteringsfondsen (zie bijlage 11 Miljoenennota 2026). De monitor toontonder andere de horizontale ontwikkelingen van deze fondsen, dekasschuiven en aanvullende investeringen per fonds. Ook publiceert hetkabinet in Europese begrotingsstukken op basis van CPB-cijfers over deoverheidsfinanciën, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt tussen onderandere sociale uitkeringen, sociale overdrachten, subsidies en investe-ringen in vaste activa, inclusief een raming voor het volgende jaar.21Onderstaande grafiek toont terugkijkend de gerealiseerde ontwikkelingvan de overheidsconsumptie en investeringen op basis van CBS-cijfers. In2024 ging het in totaal om € 36,9 miljard aan publieke investeringen en€ 289,7 miljard overheidsconsumptie, respectievelijk 3,3% en 25,8% vanhet bbp. Dit telt niet op tot het totaal aan overheidsuitgaven, aangezienonder andere inkomensoverdrachten (sociale uitkeringen) en vermogens-overdrachten (aflossing van de staatsschuld) niet worden meegenomen.20https://www.afm.nl/nl-nl/sector/actueel/2025/mei/sb-sector-in-beeld-pensioenen (p.16).21Zie Ontwerpbegroting Nederland 2026 | Publicatie | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 755 Vraag 102Kunt u weergeven wat een verhoging met het minimumloon van5 procent, 10 procent, 15 procent, 20 procent en 25 procent doet met dewerkgelegenheid? Kan dit in procenten en in absolute aantallen banenweergegeven worden?Antwoord 102De gevraagde effecten zijn weergegeven in onderstaande tabel.Voor de beantwoording van deze vraag is de schatting van de effectengeactualiseerd ten opzichte van een eerdere schatting (Kamerstukken II2023/24, 29 544, nr. 1230). Aanname is dat de verhoging plaatsvindt per1 januari 2026.De geschatte effecten zijn gebaseerd op Kansrijk arbeidsmarktbeleid– update minimumloonbeleid van het Centraal Planbureau uit 2020. In deschatting is rekening gehouden met het feit dat het minimumloon in 2023al met ruim 8% is verhoogd.22 Bijvoorbeeld: de schatting voor eenverhoging met 10% komt overeen met de schatting uit Kansrijk arbeids-marktbeleid – update minimumloonbeleid voor de stap van 108% naar118%.De absolute aantallen betreffen niet het aantal banen, maar het aantalpersonen. Hiervoor is de procentuele schatting van het werkgelegenheids-effect vermenigvuldigd met een structurele werkgelegenheid van10,3 miljoen personen in 2033. Vervolgens zijn de aantallen afgerond omschijnnauwkeurigheid te voorkomen.Geschat effect op werkgele-genheid (in %)Geschat effect op werkgele-genheid (in personen x 1.000)MetkoppelingZonderkoppelingMetkoppelingZonderkoppelingMinimumloon 5% omhoog– 0,3%– 0,1%– 35– 1522De verhoging per 1 januari 2023 bedroeg in totaal 10,15%. Deze stijging bestond uit eenbeleidsmatige verhoging van 8,05 procentpunt en een reguliere indexatie van 2,1 procentpunt.Bron: CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 756 Geschat effect op werkgele-genheid (in %)Geschat effect op werkgele-genheid (in personen x 1.000)MetkoppelingZonderkoppelingMetkoppelingZonderkoppelingMinimumloon 10%omhoog– 0,8%– 0,4%– 85– 40Minimumloon 15%omhoog– 1,3%– 0,7%– 140– 70Minimumloon 20%omhoog– 2,0%– 1,1%– 200– 120Minimumloon 25%omhoog– 2,6%– 1,5%– 260– 160 Vraag 103Wat doet een afschaffing van het jeugdminimumloon met de werkgele-genheid voor jongeren? Wat is het beeld in omliggende landen zonderjeugdminimumloon?Antwoord 103Volledige afschaffing van het minimumjeugdloon zou inhouden dat hetminimumloon, dat nu geldt vanaf 21 jaar, zou gaan gelden voor allewerknemers vanaf 15 jaar. Het Centraal Planbureau schatte in 2020 datdeze maatregel de werkgelegenheid onder de groep jongeren onder de 21jaar met 20% zou verminderen. Bij afschaffing van het minimumjeugdloonvan 18 tot 21 jaar werd dit effect geschat op minus 10%. Zie CentraalPlanbureau (2020), Kansrijk arbeidsmarktbeleid – update minimumloon-beleid, pagina’s 18 en 19.Het effect van het feit dat sommige omliggende landen geen minimum-jeugdloon hebben is niet bekend. Wel bekend is dat de arbeidsdeelnamevan jongeren in Nederland hoger is dan in andere landen, en dewerkloosheid onder jongeren relatief laag. Onderstaande figuren gevendit weer. De figuren zijn afkomstig uit de recente verkenning naar hetwettelijk minimumjeugdloon (Kamerstukken II 2024/25, 36 545, nr. 18).Figuur: Arbeidsparticipatie van jongeren tussen de 15 tot 24 jaar (2023)Bron: Eurostat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 757 Vraag 104Hoeveel Nederlanders ontvangen een toeslag? En hoeveel is dit exclusiefkinderopvangtoeslag?Antwoord 104Uit de meest recente Stand van de uitvoering van Dienst Toeslagen (2025)blijkt dat 6 miljoen huishoudens één of meerdere toeslagen ontvangen.730.000 huishoudens ontvangen kinderopvangtoeslag. Deze cijfers zijnniet zonder meer vergelijkbaar, omdat een gedeelte van de kinderopvang-toeslagontvangers ook huurtoeslag, zorgtoeslag en/of kindgebondenbudget ontvangt.Vraag 105Kan een concreet overzicht gegeven worden van de uitwerking van de22 procent bezuiniging op apparaatslasten vanuit het regeerprogramma?Graag in een tabel waarbij wordt aangegeven op welke organisaties oforganisatieonderdelen deze bezuiniging neerslaat, en per organisatiedeelhoeveel externe inhuur teruggedrongen wordt, hoeveel FTE verdwijnenen welke type functies het daar betreft.Antwoord 105Bedragen x € 1 miljoen20252026202720282029Taakstelling SZW HLA2345689099Kerndepartement2231384539waarvan fte-budget09142022Bijdrage NLA11234Bijdrage SVB02457Bijdrage UWV012243649 KerndepartementDe taakstelling voor het kerndepartement SZW bouwt op tot structureel€ 39 miljoen vanaf 2029. Dit komt neer op een percentage van circa 14%van het apparaatsbudget in 2029.Figuur: Jeugdwerkloosheid van jongeren tussen de 15 tot 24 jaar (2023)Bron: Eurostat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 758 SZW voldoet aan de Roemernorm, maar streeft conform regeerpro-gramma naar vermindering van externe inhuur. Gekeken wordt waarverambtelijken zinvol is, bijvoorbeeld in de ICT.Het kerndepartement heeft de taakstelling voor een deel ingevuld opfte-budget (zie de reeks in bovenstaande tabel). Dit komt overeen metcirca 90 fte in 2026 oplopend tot circa 225 fte in 2029. De genoemdeaantallen fte zijn indicatief. De uiteindelijke krimp in fte hangt samen metde precieze invulling, zoals schaalniveau. De 225 fte in 2029 betreffen114 fte gerelateerd aan beleid en 111 fte op het terrein van staf enondersteuning.NLAConform het hoofdlijnenakkoord wordt de Nederlandse Arbeidsinspectie(NLA) ontzien bij de taakstelling, maar levert ze wel een bijdrage. Dezebijdrage is 0,5% per jaar oplopend naar 2% structureel vanaf 2029. Ditnoopt de NLA ertoe terughoudend en kritisch om te gaan met materiëleen personele uitgaven door niet meer anticiperend te werven, de externeinhuur te beperken, het gebruik van externe vergaderlocaties te beperkenen zuinig om te gaan met de aanschaf van materieel.SVB en UWVOok UWV en de SVB dragen bij aan de taakstelling. Deze bijdrage iseveneens 0,5% per jaar oplopend naar 2% structureel vanaf 2029. De inzetis om de taakstelling zo maximaal mogelijk in te vullen met vereenvou-diging. Beide uitvoeringsorganisaties vullen de taakstelling daarnaast inmet maatregelen in de bedrijfsvoering en taakaanpassingen. De preciezeinvulling van de taakstelling is en blijft onderwerp van gesprek tussenSZW en de uitvoeringsorganisaties, omdat de SVB en UWV voorvereenvoudigingen afhankelijk zijn van politieke besluitvorming. Er zijngeen concrete afspraken gemaakt met UWV en de SVB over het terug-dringen van externe inhuur of het verdwijnen van fte’s.Vraag 106Hoeveel geld is er gereserveerd voor de Wet proactieve dienstverleningSZW?Antwoord 106In de Voorjaarsnota 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 36 550 XV, nr. 1 en 2)en 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 36 725 XV, nr. 1 en 2) zijn middelengereserveerd voor zowel de uitkeringslasten als de uitvoeringskosten vanproactieve dienstverlening. Het bedrag loopt op tot structureel€ 62,3 miljoen per jaar.Vraag 107Kan er een overzicht gegeven worden van hoeveel geld uit de enveloppeGroepen in de knel (GIDK) is uitgegeven, en aan wat en voor welkedoelgroepen dat is?Antwoord 107Met de envelop Groepen in de knel heeft het kabinet Schoof in hethoofdlijnenakkoord middelen gereserveerd om verschillende kwetsbaregroepen te ondersteunen. De besteding van deze middelen is in tweedelen met uw Kamer gedeeld, bij Miljoenennota 2025 en Voorjaarsnota2025. De middelen worden onder meer ingezet om de financiering vansociaal ontwikkelbedrijven te verbeteren, schoolmaaltijden structureel tefinancieren en het minimumjeugdloon te verhogen per 1 januari 2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 759 Nr.Budgettaire effecten maatregelen, in mln. euro’s20252026202720282029Struc.Miljoenennota 20251.Integraal pakket problematische schulden245673100002.Aanpassing handhaving sociale zekerheid612121212123.Schoolmaaltijden4545454545454.Aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voor achterblij-vers noodgedwongen elders verblijvende partner112121212125.Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen vangrondslag toeslagen op basis van verblijfstitel en rechtkinderbijslag0555556.Verlengen aanvraagtermijn toeslagen0555557.Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskosten doorziekte of invaliditeit in de inkomstenbelasting1111118.Netto in plaats van bruto terugvorderen1313131009.Reservering voor aanpak armoede Caribisch Nederland (CN)22222210.Tijdelijke verlenging Individuele Plaatsing en Steun (IPS)-regeling gemeentelijke doelgroep43200011.Tijdelijke verlenging energiefonds60600000Voorjaarsnota 202512.Ontwikkeling arbeidsvermogen afgewezen Wajongeren0048132913.Structurele verlenging IPS-regeling gemeentelijke doelgroep061414121214.Inkomensafhankelijke kindregeling en plusopvang CN11333315.Werken met een arbeidsbeperking CN04444416.Financiering sociaal ontwikkelbedrijven34373942449017.Uitstellen aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bijloonkostensubsidie met 1 jaar (naar 2027)01111018.Vereenvoudiging Toeslagenwet00044519.Verbreden pilot dakloze arbeidsmigranten08880020.Verhoging minimumjeugdloon003940426021.Re-integratiedienstverlening WW’ers met een kwetsbarearbeidsmarktpositie00000322.Uitvoering Wet gegevensverwerking door samenwerkings-verbanden en uitbreiding toezicht Wet toelating terbeschik-kingstelling van arbeidskrachten377777 Vraag 108Wat gebeurt er met het energiefonds in 2025? Hoe zorgt de regeringervoor dat mensen deze winter niet in de kou komen te staan omdat zeenergie rekeningen niet kunnen betalen?Antwoord 108Er komt geen publiek-privaat Tijdelijk Noodfonds Energie in de winter van2025/2026. Er zijn geen private middelen beschikbaar. Zonder dezebijdrage wordt niet voldaan aan een belangrijke randvoorwaarde om viaeen privaat-publieke constructie een tijdelijk noodfonds in te richten. EenRijksbijdrage in de bestaande publiek-private constructie zonder inleg vanderde partijen heeft verregaande financiële, juridische en maatschappe-lijke consequenties die ik in de brief van 30 september 2025 aan deTweede Kamer heb geschetst. Deze optie beschouwt het kabinet daaromniet als realistisch en daarom wordt hier dan ook niet voor gekozen.Om huishoudens te ondersteunen bij het betalen van de energierekening,wordt via een Decentrale Uitkering 30 miljoen euro beschikbaar gesteldaan gemeenten. Met deze middelen kunnen zij huishoudens die moeitehebben met het betalen van de energierekening aanvullend onder-steunen. Gemeenten kunnen daarbij aansluiten bij de bestaandedienstverlening in het kader van de aanpak energiearmoede. Het doel isde energierekening voor huishoudens beter beheersbaar te maken. Naeen pilot in november is de inzet dat alle gemeenten de mogelijkheidkrijgen om de data van zo’n 151.000 huishoudens van de Stichting TijdelijkNoodfonds Energie te ontvangen, zodat zij een gerichter aanbod kunnendoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 760 Er wordt met voorrang verder gewerkt aan de inrichting van een publiekenergiefonds. De planning is dat het fonds vanaf de winterperiode2026/2027 operationeel wordt. Meer informatie over de stand van zakenrond het publieke energiefonds en de inzet voor aankomende winter treftu in de Kamerbrief van 7 november 2025.23 In deze Kamerbrief kunt uonder andere lezen dat het kabinet op 7 november 2025 heeft besloten omaanvullend € 75,25 miljoen uit het SCF beschikbaar te stellen voor hetpublieke energiefonds. Daar wordt vanuit het Rijk een cofinanciering van€ 30 miljoen tegenover gezet, deze middelen komen uit het amendementGrinwis. De middelen voor het publieke energiefonds komen daarmee intotaal uit op € 339,75 miljoen.Vraag 109Wordt bij de bepaling van de hoogte van uitkeringen in de RijksbegrotingSZW rekening gehouden met het feit dat een deel van de doelgroep geengebruik maakt van regeling(en)? Zo ja, kunt u aangeven hoe hoog deuitkeringslasten zouden zijn indien er wél 100 procent gebruik van dezeregelingen zou worden gemaakt? Als er niet met volledig gebruik wordtgerekend: betekent dit dan dat het actief stimuleren van volledig gebruik(volgebruik) budgettair nadelig uitwerkt voor de overheid?Antwoord 109In de ramingen in de SZW-begroting wordt er inderdaad rekening meegehouden dat een deel van de doelgroep geen, of niet volledig gebruikmaakt van regelingen waar wel recht op bestaat. In de ramingen wordtdaar rekening mee gehouden door te kijken naar realisatiecijfers (hetdaadwerkelijke gebruik) van afgelopen jaren.Er is geen integraal overzicht beschikbaar van de uitkeringslasten als wél100% gebruik gemaakt zou worden van de regelingen. Het verschilt vanregeling tot regeling hoe het geraamde gebruik zich verhoudt tot hetmaximaal mogelijke gebruik, omdat ook de aard van regelingen verschilt.Er is wel onderzoek gedaan naar niet-gebruik, bijvoorbeeld de recentemonitor van het niet-gebruik van toeslagen (Panteia en UniversiteitLeiden, Monitor niet-gebruik toeslagen, Rapportage niet-gebruik 2021, mei2025).Bij sommige regelingen – zoals de AOW – treedt het recht in bij deaanvang van een bepaalde gebeurtenis, in dit geval het bereiken van degepensioneerde leeftijd. De belanghebbende wordt daarover geïnfor-meerd en kan vervolgens zelf een aanvraag doen. Het kindgebondenbudget wordt automatisch toegekend als iemand al andere toeslagenontvangt, zoals huur- of zorgtoeslag. Er zijn ook regelingen en voorzie-ningen waarbij een actieve aanvraagplicht geldt. Denk aan bepaaldegemeentelijke voorzieningen, studiefinanciering of een bijstandsuitkering.Belanghebbenden worden hierover vaak niet actief geïnformeerd.Het actief stimuleren van gebruik leidt inderdaad tot hogere uitgaven voorde overheid. Het verhoogt ook de effectiviteit van beleid doordat eengroter deel van de beoogde doelgroep wordt bereikt. Het wetsvoorstelproactieve dienstverlening is een middel waarmee wordt beoogd om hetniet-gebruik van uitkeringen en andere sociale voorzieningen te vermin-deren. Dit wetsvoorstel leidt tot hogere uitvoeringskosten vanwege hetgevraagd en ongevraagd verstrekken van informatie en advies overrelevante uitkeringen en voorzieningen, en het faciliteren van het doenvan een aanvraag. Proactieve dienstverlening zal logischerwijs niet alleeneffect hebben op de uitvoeringskosten, maar ook op de uitkeringslasten.23Stand van zaken publiek energiefonds en motie van het lid Timmermans c.s. over vaart makenmet de inrichting van een Publiek Energiefonds | Tweede Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 761 Vraag 110Wordt bij de berekening van koopkrachtplaatjes eveneens rekeninggehouden met niet-gebruik van regelingen, of wordt er daarbij veronder-steld dat huishoudens alle beschikbare regelingen volledig benutten? Zoja, Hoe realistisch acht u de gepresenteerde koopkrachtplaatjes, gegevendat het niet-gebruik bij sommige regelingen kan oplopen tot circa50 procent?Antwoord 110Bij het maken van koopkrachtberekeningen houden we rekening metniet-gebruik. Maar in de koopkrachtplaatjes is niet te herleiden welkeindividuele huishoudens wel of geen niet-gebruik hebben.SZW maakt – net als het CPB – koopkrachtberekeningen met behulp vaneen microsimulatiemodel (Mimosi), op basis van gedetailleerde(inkomens)gegevens van 100 duizend echte huishoudens in Nederland.Van deze huishoudens weten we onder andere of er sprake is van recht opeen toeslag, en of daar gebruik van wordt gemaakt. Deze huishoudens zijnrepresentatief voor alle huishoudens in Nederland.Het CPB heeft aannames geformuleerd over niet-gebruik in ramingsjaren.Die aannames zijn gebaseerd op onderzoek:•Bij koopkrachtramingen is de regel dat huishoudens die in hetbasisjaar (t) recht hadden op een toeslag maar die niet ontvangen, inhet ramingsjaar (t+1) ook geen toeslag ontvangen. Dus een huishou-den dat in 2025 geen zorgtoeslag ontvangt terwijl daar wel recht op is,ontvangt in de koopkrachtraming voor 2026 ook geen zorgtoeslag.•Indien een huishouden in het basisjaar geen recht had op de toeslag,maar als gevolg van een beleidswijziging in het ramingsjaar rechtkrijgt op een toeslag, dan wordt voor deze groep nieuwe rechthebben-den gerekend met een gemiddeld niet-gebruik. Voor de huurtoeslag isdat 12,0%, voor de zorgtoeslag is dat 13,8% en voor het kindgebondenbudget is dat 8,5%.Naast koopkrachtberekeningen met het microsimulatiemodel maakt SZWook koopkrachtberekeningen voor een aantal voorbeeldhuishoudens.Deze berekeningen zijn gebaseerd op individuele aannames over concretehuishoudtypen, zoals minimumloonverdieners, huishoudens met bijstand,alleenstaande ouders of AOW’ers zonder aanvullend pensioen. In dezeberekeningen is wel de veronderstelling dat een huishouden gebruik-maakt van alle beschikbare regelingen, tenzij anders is vermeld.Vraag 111Hoeveel kost het om het minimumjeugdloon vanaf 18 jaar af te schaffenvanaf 1 januari 2027?Antwoord 111Bij de beantwoording van deze vraag nemen wij aan dat na afschaffingvan het minimumjeugdloon vanaf 18 jaar het volwassenminimumloongaat gelden voor jongvolwassenen van 18 tot en met 20 jaar.Het afschaffen van het minimumjeugdloon vanaf 18 jaar leidt tot hogereuitgaven aan de Wajong (voor 18-, 19- en 20-jarigen) en loonkostensub-sidie. De verwachte kosten van het afschaffen van het minimumjeugdloonvanaf 18 jaar per 1 januari 2027 lopen op van ongeveer € 66 miljoen in2027 naar € 102 miljoen per jaar structureel.Vraag 112Hoeveel mensen krijgen recht op een WIA-uitkering als de drempel wordtverlaagd naar 15 procent arbeidsongeschiktheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 762 Antwoord 112Bij de uitwerking van de adviezen van de Onafhankelijke CommissieToekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) is onder andere dedrempelverlaging naar 25% of 15% verkend. In deze uitwerking isaangegeven dat bij een drempelverlaging naar 15% het aantal arbeidson-geschikten in de WIA naar verwachting structureel toeneemt met 83duizend mensen.Vraag 113Hoelang duurt het om een sectoraal uitzendverbod in te voeren in devleessector?Antwoord 113Er wordt een in- en uitleenverbod uitgewerkt voor de vleessector als stokachter de deur. Een nieuw kabinet zal besluiten of het invoeren van hetverbod gepast en evenredig is. Het uitwerken en voorbereiden van eenuit- en inleenverbod kost minimaal een jaar. Dat betekent dat demaatregel op z’n vroegst in de zomer van 2026 gereed kan zijn. Een nieuwkabinet kan besluiten of ze de maatregel willen gaan invoeren.Vraag 114Hoelang duurt het om een sectoraal uitzendverbod in te voeren in detransportsector?Antwoord 114Op dit moment wordt er geen sectoraal in- en uitleenverbod voorbereidvoor de transportsector. Mocht het kabinet hiertoe besluiten, dan zal hetinvoeren van een dergelijk verbod minimaal 1,5 jaar vragen voordat dezekan worden ingevoerd.Vraag 115Hoelang duurt het om een sectoraal uitzendverbod in te voeren in dedistributiesector?Antwoord 115Op dit moment wordt er geen sectoraal in- en uitleenverbod voorbereidvoor de distributiesector. Mocht het kabinet hiertoe besluiten, dan zal hetinvoeren van een dergelijk verbod minimaal 1,5 jaar vragen voordat dezekan worden ingevoerd.Vraag 116Hoe draagt de hervormingsagenda inkomensondersteuning bij aan eenbegrijpelijker en toegankelijker stelsel voor mensen met een beperking?Antwoord 116Voor een zekerder en begrijpelijker stelsel van inkomensondersteuningwaarin (meer) werken loont, is het noodzakelijk het stelsel te verbeterenen te vereenvoudigen. Op 11 juli jl. heeft het demissionaire kabinet vanuitde wens om stappen te zetten de Hervormingsagenda Inkomensonder-steuning met een routekaart en 7 sporen voor de sociale zekerheid aan uwKamer aangeboden (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 849).In algemene zin geldt dat mensen met een beperking gemiddeld vakerbehoefte hebben aan inkomensondersteuning. In die zin helpt deHervormingsagenda inkomensondersteuning deze doelgroep in denbrede. Daarnaast zijn verschillende trajecten onder de Hervormingsa-genda meer specifiek gericht op mensen met een beperking. Denkbijvoorbeeld aan de hervorming van het stelsel van ziekte en arbeidsonge-schiktheid en de verbreding van de banenafspraak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 763 Ook brengt het kabinet in kaart welke vereenvoudigingen voor dezedoelgroep specifiek mogelijk zijn. In juni 2024 heeft het Nibud eenonderzoek naar de meerkosten voor mensen met een beperking aan deTweede Kamer aangeboden. Uit het Nibud-rapport blijkt met welkemeerkosten huishoudens van mensen met een beperking te makenkunnen hebben. Deze huishoudens moeten daardoor meer dan anderenpuzzelen om rond te komen. Het kabinet herkent deze bevindingen,waaronder dat er veel tegemoetkomingen zijn die tegelijkertijd niet altijdinzichtelijk zijn. Dit knelpunt is ook in het programma VereenvoudigingInkomensondersteuning voor Mensen (VIM) geconstateerd. Er wordtdaarom in kaart gebracht welke verschillende soorten financiëleinkomensondersteunende regelingen er zijn waar mensen een beroep opkunnen doen. Op basis van dit overzicht bekijkt het kabinet hoe deregelingen verbeterd kunnen worden, zodat het gehele stelsel goed werktvoor de mensen voor wie het bedoeld is.Vraag 117Hoe verhoudt het wetsvoorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeids-relaties en Rechtsvermoeden (VBAR) zich tot de in de Wet kwaliteit,klachten en geschillen zorg (Wkkgz) zelfstandig gepositioneerde solistischwerkend zorgverlener? Welke consequentie wordt in het wetsvoorstelVBAR verbonden aan deze positionering van deze zorgverlener alszorgaanbieder met alle daarbij behorende (kwaliteits)verantwoordelijk-heden?Antwoord 117Het wetsvoorstel Vbar brengt geen wijziging met zich mee ten aanzien vande solistisch werkende zorgverlener in het kader van de Wkkgz. Dezorgwetgeving, waaronder de Wkkgz, bepaalt niet direct de kwalificatievan arbeidsrelaties in de zorg. De zorgwetgeving is gericht op hetwaarborgen van de kwaliteit van de zorg en de positie van de patiënt. Dezorgwetgeving kan daarmee wel invloed hebben op de feiten en omstan-digheden waaronder wordt gewerkt, waaronder ook de verdeling van deverantwoordelijkheid voor de verrichte werkzaamheden. Deeindverantwoordelijkheid voor de verrichte werkzaamheden is één van deelementen die van belang zijn bij de beoordeling van de arbeidsrelatie.Mogelijk ten overvloede willen we erop wijzen dat in het kader van deWkkgz een solistisch werkend zorgverlener een zorgverlener is die, andersdan in dienst of onmiddellijk of middellijk in opdracht van een instelling,beroepsmatig zorg verleent. Dat betekent dat een zorgverlener dieonmiddellijk of middellijk in opdracht van een instelling zorg verleentgeen solistisch werkend zorgverlener in de zin van de Wkkgz is.Vraag 118Kan de samenloop van wetsvoorstellen en beleidsvoornemens rond dearbeidsmarkt, zoals de wet VBAR en de wetgeving Meer zekerheidflexwerkers, er in de praktijk toe leiden dat de arbeidsmarktpositie vanuitzendkrachten zodanig verbeterd wordt dan dit juist het aangaan vaneen vast dienstverband (voor de werknemer) ontmoedigt? Hoe verhoudtdit eventuele effect zich tot de wens om in de zorg zoveel mogelijk metvaste medewerkers te werken?Antwoord 118Nee, dit wordt niet waarschijnlijk geacht. Uitzendkrachten zijn over hetalgemeen minder tevreden met hun werk dan niet-uitzendkrachten. Uitonderzoek van SEO blijkt dat 76% van werknemers met een vast contractgemiddeld genomen tevreden of zeer tevreden is met hun werk, vooruitzendkrachten is dit aanzienlijk lager met 65% (Bron: SEO et al (2020), Depositie van uitzendwerknemers, ontwikkelingen 1998–2019, pagina 66). Uithetzelfde onderzoek blijkt dat ook als uitzendkrachten gelijke rechtenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 764 zouden krijgen als andere werknemers, slechts een klein deel van deuitzendkrachten een voorkeur heeft om als uitzendkracht te blijven werken(zo’n 17%). 62% geeft aan dan nog steeds een voorkeur te hebben vooreen baan in directe loondienst. Van de werknemers in directe dienst zoubij gelijke rechten slechts 5% willen overstappen naar een baan alsuitzendkracht. Daarbij moet worden opgemerkt dat het wetsvoorstel Meerzekerheid flexwerkers de positie van uitzendkrachten verbetert, maar nietgelijktrekt met die van werknemers in directe dienst. De arbeidsvoor-waarden moeten gelijkwaardig worden, maar er blijven verschillen inrechtspositie. Werkgevers in de zorg hebben dus nog steeds allemogelijkheden om als aantrekkelijk werkgever vaste werknemers aan zichte blijven binden.Vraag 119Hoeveel kost het om een gezamenlijk ouderschapsverlof van 12 maandenin te voeren met gedeeltelijke doorbetaling met 100 procent van hetminimumloon als ondergrens?Antwoord 119In totaal bedragen de kosten voor een gezamenlijk ouderschapsverlof vantwaalf maanden met gedeeltelijke doorbetaling en het minimumloon alsondergrens structureel € 1,0 miljard per jaar. De raming bestaat uit drieaspecten. Om ouders gezamenlijk recht te geven op twaalf maandenouderschapsverlof met gedeeltelijke doorbetaling, krijgen oudersallereerst recht op een uitkering van 70% van het dagloon (tot maximaal70% van het maximumdagloon) tijdens alle zesentwintig weken ouder-schapsverlof. De kosten hiervan worden geraamd op € 1,0 miljard perjaar.Ten tweede zijn er verschillende manieren om een minimale uitkerings-hoogte of ondergrens in de betaling tijdens het verlof in te voeren. Demogelijkheden hiervoor zijn onderzocht en opgenomen in een bijlage bijde brief Scenario’s vereenvoudiging verlofstelsel (Kamerstukken II2023/24, 32 855, nr. 39). Voor de uitwerking in dit antwoord is uitgegaanvan scenario 5b uit de bijlage. De kosten van deze minimumhoogte in deuitkering voor zesentwintig weken ouderschapsverlof worden geraamd op€ 300 miljoen per jaar. Recent hebben de leden Patijn en Saris een motieingediend die verzoekt te onderzoeken hoe een minimumbedrag kanworden opgenomen in het ouderschaps- en geboorteverlof (Kamer-stukken II 2024/25, 29 544, nr. 1295). Met de genoemde brief Scenario’svereenvoudiging verlofstelsel wordt voldaan aan deze motie.Ten derde leidt een uitbreiding van het verlof tot een afname van hetgebruik van kinderopvang en daarmee de uitgaven aan kinderopvangvoor het Rijk. De besparing hierop wordt geraamd op € 300 miljoen perjaar.Vraag 120Het kabinet onderzoekt de opties voor een fundamentele herziening vande Participatiewet. Wanneer worden de resultaten hiervan verwacht?Antwoord 120Het kabinet heeft beleidsopties uitgewerkt voor een fundamenteleherziening van de Participatiewet. Die zijn per brief van respectievelijk4 juli 2025 en 19 september 2025 naar de Tweede en Eerste Kamergestuurd (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 344). In het debat van23 september 2025 in de Eerste Kamer over het wetsvoorstel Participa-tiewet in balans is toegezegd om de Kamers te informeren over definanciële impact van de opties die in deze brief zijn beschreven. Dit zalgedaan worden in het eerste kwartaal van 2026. Keuzes over deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 765 herziening van de Participatiewet moeten worden gemaakt door eennieuw kabinet.Vraag 121Hoeveel kost het om het belastingnadeel voor deeltijdwerkers op telossen?Antwoord 121Het kabinet heeft op 17 oktober jl. een nota van wijziging op het Belas-tingplan 2026 naar uw Kamer gestuurd. In deze nota van wijziging is demotie Klaver/Kouwenhoven uitgewerkt.Conform de wens van de Kamer wordt in de nota van wijziging deindexatie van de eerste twee inkomensgrenzen van de arbeidskorting per2026 zo aangepast dat deze uitkomen op het bedrag wanneer geïndexeerdzou zijn met de volledige tabelcorrectiefactor in 2025 en 2026. Hierdoorkrijgen werkenden met een laag inkomen meer recht op arbeidskorting in2026. Deze aanpassing kost initieel jaarlijks circa € 600 miljoen en loopt na2030 op tot € 734 miljoen in 2035. Om deze budgettaire derving te kunnendekken, wordt de voorgenomen verhoging van het bedrag van dearbeidskorting uit het Belastingplan 2026 alternatief ingezet. Ook wordthet tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting minder verlaagdmet ingang van 2026. Tot slot wordt het aangrijpingspunt van het toptariefminder verhoogd.Vraag 122Hoeveel kost het om het belastingnadeel voor deeltijdwerkers structureelop te lossen door middel van een tabelcorrectiefactor?Antwoord 122Zie het antwoord op vraag 121.Vraag 123Voor welk totaalbedrag in welke jaren staat de WW-duurverkorting in deboeken?Antwoord 123De tabel hieronder geeft de totale besparing als gevolg van de duurver-korting van de WW- en loongerelateerde WGA-uitkering weer. Het gaathierbij om een totaalbedrag als gevolg van een verwacht effect op de WW,WGA, bijstand, Toeslagenwet en uitvoeringskosten.Budgettaire effecten (in mln. €)202520262027202820292030Totaaleffect WW-duurverkorting005,0– 5,0– 141,5– 471,5 Vraag 124Hoe komt het dat de nabetalingen voor de WIA-herstelacties vertragingoplopen?Antwoord 124Om de nabetalingen op een zorgvuldige manier uit te voeren is tijd nodigom de regeling uit te werken. Zo is er de nadrukkelijke wens om bijnabetalingen keteneffecten zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom wordtnu samen met UWV en de Belastingdienst gewerkt aan een regeling, zoalsaangekondigd in de voortgangsbrief over de verbeteraanpak van UWVvan juli 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 848). De gemiddeldedoorlooptijd van een regeling is normaal gesproken een jaar. Er wordtgeprobeerd dit sneller af te ronden. Daarnaast moet er rekening wordengehouden met samenhangende dossiers zoals andere WIA-herstelactiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 766 en loonloze tijdvakken. Dit alles moet zorgvuldig en nauwkeurig gebeurenen daarom gaat er veel tijd overheen.Vraag 125Welk bedrag is er gereserveerd voor de WIA-herstelacties? Kunt uonderbouwen dat dit voldoende is?Antwoord 125De WIA-herstelacties hebben betrekking op de correctie van fouten in deberekening van het dagloon en de indexatie daarvan. Voor deWIA-herstelactie dagloon is totaal bijna € 120 miljoen gereserveerd. Dit isaan de Kamer gemeld in de brief over de uitkomst van de voorjaarsbe-sluitvorming van juni 2025 (Kamerstukken II 2024/25, 26 448, nr. 846). Ditgereserveerde bedrag bestaat voor € 66 miljoen uit de kosten voor denabetalingen. Voor de uitvoeringskosten is € 53 miljoen gereserveerd.Voor de WIA-herstelactie indexatie is totaal € 6 miljoen gereserveerd.Voor loonloze tijdvakken staat € 141 miljoen gereserveerd voor nabeta-lingen en de uitvoering door UWV. De raming van beide herstelacties isgebaseerd op cijfers van UWV, maar is onzeker omdat op voorhand nietzeker is in hoeveel van de gecontroleerde dossiers ook correcties nodigzijn en wat de hoogte van de gemiddelde nabetaling zal zijn. Daarnaastwordt nog gewerkt aan de uitwerking van de regeling om bij nabetalingenketeneffecten zoveel mogelijk te voorkomen. Naast de WIA-herstelactiewerkt UWV, zoals vermeld in Kamerbief (Kamerstukken II 2024/25, 26 448,nr. 846), ook aan het aanpassen van uitkeringen naar aanleiding vanuitspraken van de Centrale Raad van Beroep omtrent het meenemen vanloonloze tijdvakken in de berekening van de uitkeringshoogte. Ook hierzijn de aantallen gebaseerd op een raming met onzekerheden. In hetvoorjaar 2026 wordt bekeken of het nodig is om de ramingen van deWIA-herstelacties en de gevolgen van loonloze tijdvakken te herzien aande hand van nieuwe informatie van UWV.Vraag 126Hoeveel kost het om elke uitkeringsgerechtigde een plek bij dewerk-ontwikkelbedrijven vrij te maken voor re-integratie?Antwoord 126Wanneer voor alle uitkeringsgerechtigden onder de AOW-leeftijd (teweten ontvangers van een WW-, WAZ-, Wajong-, WIA-, ZW- of Participa-tiewetuitkering) een re-integratieplek bij een werk-ontwikkelbedrijf zouworden gerealiseerd, zou dit circa € 18 miljard per jaar kosten. Mogelijkebesparingen als gevolg van deze re-integratieplekken zijn niet meege-nomen in deze berekening. Het is mogelijk dat deze besparingentoenemen na het eerste jaar omdat mensen uitstromen naar werk en demeerwaarde van werken bij sociaal ontwikkelbedrijven niet ismeegenomen.Deze berekening is gebaseerd op het aantal uitkeringsgerechtigden uitdeze regelingen, vermenigvuldigd met een gemiddelde kosteninschattingper beschut werkplek. De begeleidingskosten per beschut werkplekbedragen circa € 12.000 per persoon per jaar. Dit is een relatief hogeinschatting, omdat een groot deel van de uitkeringsgerechtigden minderintensieve begeleiding nodig heeft dan bij beschut werk het geval is. Opdit moment zijn er geen betrouwbare kosteninschattingen beschikbaarvoor andere doelgroepen. Daardoor zouden de werkelijke kosten naarverwachting lager uitvallen.Het is relevant om te benadrukken dat een dergelijke aanpak uitvoerings-technisch niet haalbaar is, gezien de zeer grote aantallen betrokkenpersonen en de beschikbare capaciteit bij sociaal ontwikkelbedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 767 Daarnaast sluit de dienstverlening van sociaal ontwikkelbedrijven nietaltijd aan bij wat mensen nodig hebben om de stap naar werk te kunnenzetten. Dan zijn alternatieven meer passend.Vraag 127Hoeveel kost het om een uitkering te koppelen aan het re-integratietrajectvan een werknemer een uitkering, zodat hier op terug kan wordengevallen indien nodig, tot maximaal één jaar?Antwoord 127De vraag is geïnterpreteerd als hoeveel het kost om mensen die gaanwerken met een WIA-uitkering een garantie te geven dat wanneer zij gaanwerken dit er niet toe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordtingetrokken gedurende een bepaalde periode, in dit geval 1 jaar. Dehuidige wet- en regelgeving schrijft voor dat een WIA-uitkering niet eerderwordt beëindigd dan nadat iemand 12 maanden aaneengesloten meerdan 65% van het maatmanloon heeft verdiend. Het stelsel kent daarmee aleen garantieperiode van een jaar waarbij alleen uitkeringsgerechtigdendie een substantieel deel van hun oude loon verdienen na deze periodekunnen uitstromen zonder herbeoordeling. Voor uitkeringsgerechtigdendie een lager percentage van het maatmanloon verdienen kan de uitkeringniet wijzigen of vervallen zonder herbeoordeling. In die zin is er voor henook een garantie dat de uitkering niet zomaar wordt ingetrokken als zijgaan werken. Omdat een garantieperiode van 1 jaar al bestaat, zijn er naarverwachting geen aanvullende kosten tenzij deze op een andere manierwordt vormgegeven.Vraag 128Hoeveel kost het om een uitkering te koppelen aan het re-integratietrajectvan een werknemer een uitkering, zodat hier op terug kan wordengevallen indien nodig, tot maximaal twee jaar?Antwoord 128De vraag is geïnterpreteerd als hoeveel het kost om mensen die gaanwerken met een WIA-uitkering een garantie te geven dat wanneer zij gaanwerken dit er niet toe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordtingetrokken gedurende een bepaalde periode, in dit geval maximaal 2jaar. Het introduceren van een garantieperiode van meer dan 1 jaar leidttot meerkosten doordat mensen die op dit moment uitstromen langer inde WIA zouden blijven. Dit betreft voornamelijk mensen die meer dan 12aaneengesloten maanden meer dan 65% van het maatmanloonverdienen. Aan de andere kant stimuleert deze garantieperiode naarverwachting mensen om (meer) te gaan werken vanuit de WIA. Dit gaatom mensen met onbenut arbeidspotentieel die door de bestaandearbeidsprikkels onvoldoende gestimuleerd worden om hun volledigecapaciteit te benutten. Dit effect levert naar verwachting een besparing op.Het introduceren van een garantieregeling voor een periode vanmaximaal 5 jaar kost naar verwachting per saldo circa € 70 miljoenstructureel per jaar. Deze raming is niet direct schaalbaar naar een periodevan 2 jaar. Er was onvoldoende tijd om een raming te kunnen maken voorelke gevraagde periode.Vraag 129Hoeveel kost het om een uitkering te koppelen aan het re-integratietrajectvan een werknemer een uitkering, zodat hier op terug kan wordengevallen indien nodig, tot maximaal drie jaar?Antwoord 129De vraag is geïnterpreteerd als hoeveel het kost om mensen die gaanwerken met een WIA-uitkering een garantie te geven dat wanneer zij gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 768 werken dit er niet toe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordtingetrokken gedurende een bepaalde periode, in dit geval maximaal 3jaar. Het introduceren van een garantieperiode van meer dan 1 jaar leidttot meerkosten doordat mensen die op dit moment uitstromen langer inde WIA zouden blijven. Dit betreft voornamelijk mensen die meer dan 12aaneengesloten maanden meer dan 65% van het maatmanloonverdienen. Aan de andere kant stimuleert deze garantieperiode naarverwachting mensen om (meer) te gaan werken vanuit de WIA. Dit gaatom mensen met onbenut arbeidspotentieel die door de bestaandearbeidsprikkels onvoldoende gestimuleerd worden om hun volledigecapaciteit te benutten. Dit effect levert naar verwachting een besparing op.Het introduceren van een garantieregeling voor een periode vanmaximaal 5 jaar kost naar verwachting per saldo circa € 70 miljoenstructureel per jaar. Deze raming is niet direct schaalbaar naar een periodevan 3 jaar. Er was onvoldoende tijd om een raming te kunnen maken voorelke gevraagde periode.Vraag 130Hoeveel kost het om een uitkering te koppelen aan het re-integratietrajectvan een werknemer een uitkering, zodat hier op terug kan wordengevallen indien nodig, tot maximaal vier jaar?Antwoord 130De vraag is geïnterpreteerd als hoeveel het kost om mensen die gaanwerken met een WIA-uitkering een garantie te geven dat wanneer zij gaanwerken dit er niet toe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordtingetrokken gedurende een bepaalde periode, in dit geval maximaal 4jaar. Het introduceren van een garantieperiode van meer dan 1 jaar leidttot meerkosten doordat mensen die op dit moment uitstromen langer inde WIA zouden blijven. Dit betreft voornamelijk mensen die meer dan 12aaneengesloten maanden meer dan 65% van het maatmanloonverdienen. Aan de andere kant stimuleert deze garantieperiode naarverwachting mensen om (meer) te gaan werken vanuit de WIA. Dit gaatom mensen met onbenut arbeidspotentieel die door de bestaandearbeidsprikkels onvoldoende gestimuleerd worden om hun volledigecapaciteit te benutten. Dit effect levert naar verwachting een besparing op.Het introduceren van een garantieregeling voor een periode vanmaximaal 5 jaar kost naar verwachting per saldo circa € 70 miljoenstructureel per jaar. Deze raming is niet direct schaalbaar naar een periodevan 4 jaar. Er was onvoldoende tijd om een raming te kunnen maken voorelke gevraagde periode.Vraag 131Hoeveel kost het om een uitkering te koppelen aan het re-integratietrajectvan een werknemer een uitkering, zodat hier op terug kan wordengevallen indien nodig, tot maximaal vijf jaar?Antwoord 131De vraag is geïnterpreteerd als hoeveel het kost om mensen die gaanwerken met een WIA-uitkering een garantie te geven dat wanneer zij gaanwerken dit er niet toe leidt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordtingetrokken gedurende een bepaalde periode, in dit geval maximaal 5jaar. Het introduceren van een garantieperiode van meer dan 1 jaar leidttot meerkosten doordat mensen die op dit moment uitstromen langer inde WIA zouden blijven. Dit betreft voornamelijk mensen die meer dan 12aaneengesloten maanden meer dan 65% van het maatmanloonverdienen. Aan de andere kant stimuleert deze garantieperiode naarverwachting mensen om (meer) te gaan werken vanuit de WIA. Dit gaatom mensen met onbenut arbeidspotentieel die door de bestaandearbeidsprikkels onvoldoende gestimuleerd worden om hun volledigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 769 capaciteit te benutten. Dit effect levert naar verwachting een besparing op.Het introduceren van een garantieregeling voor een periode vanmaximaal 5 jaar kost naar verwachting per saldo circa € 70 miljoenstructureel per jaar.Vraag 132Kunt u beleidsmatig de noodzaak voor het WW-beëindigen op eigeninitiatief onderbouwen? Welke onderzoeken zijn hier in het verleden overgedaan? Welke informatie is hierover beschikbaar?Antwoord 132De wens voor de tijdelijke maatregel waarmee het makkelijker gemaaktwordt voor WW-gerechtigden om op eigen verzoek de WW-uitkering telaten beëindigen, komt op dit moment primair voort uit het uitvoerings-belang om UWV zo goed mogelijk in staat te stellen de hersteloperatieWIA-dagloon uit te kunnen voeren. Om hiervoor voldoende uitvoeringsca-paciteit beschikbaar te maken, heeft UWV gekeken waar in de uitvoeringcapaciteit bespaard kan worden. UWV ontvangt veel verzoeken totbeëindiging van de WW-uitkering op eigen initiatief, zo’n 26.000verzoeken per jaar (gemiddeld per jaar in 2022 en 2023). Deze verzoekenworden zorgvuldig beoordeeld en deze beoordeling is complex entijdsintensief voor UWV. Dit komt onder andere doordat UWV een fictiefinkomen moet berekenen en afhankelijk is van de loongegevens die nietaltijd direct beschikbaar zijn voor UWV. Door deze beoordeling nu tijdelijkeenvoudiger te maken, speelt UWV capaciteit voor de herstelactie vrij.UWV vraagt al langer aandacht voor een vereenvoudiging van het procesvan de beoordeling van deze verzoeken, zo ook in hun knelpuntenbrieven.In het onderzoek «Waar knelt de WW», dat in opdracht van het Ministerievan SZW in 2023 is uitgevoerd, komt het kunnen beëindigen van deWW-uitkering op eigen initiatief ook reeds als knelpunt in de uitvoeringnaar boven. Naast de tijdelijke maatregel, verkent het Ministerie van SZWdaarom op dit moment samen met UWV hoe structureel om te kunnengaan met dit knelpunt.Vraag 133Hoeveel kost het om het minimumloon te verhogen naar 18 euro per uurvanaf 1 januari 2027?Antwoord 133Volgens de huidige inschattingen is per 1 januari 2027 een verhoging vanhet minimumloon van circa 18,1% nodig om uit te komen op eenminimumuurloon van € 18. Dit benodigde stijgingspercentage kan nogwijzigen als de toekomstige indexaties van het minimumloon andersuitvallen dan nu verwacht.Een bijzondere verhoging van het wettelijk minimumloon met 18,1% per1 januari 2027 kost ongeveer € 15,5 miljard in 2027 en structureelongeveer € 16 miljard per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect van een verhoging van het minimumloon met volledigedoorwerking op uitkeringen. De raming bevat alleen de kosten op deSZW-begroting, dat betekent dat de doorwerking op bijvoorbeeld de huur-en zorgtoeslag niet is meegenomen. Daarnaast bevat de raming alleen dekosten voor de Rijksoverheid als wetgever en niet voor de Rijksoverheidals werkgever.Als de reguliere indexatie in de komende jaren anders uitvalt dan nuverwacht, dan wijzigt het benodigde stijgingspercentage om per 1 januari2027 uit te komen op een minimumuurloon van € 18 en daarmee ook destructurele kosten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 770 Vraag 134Hoeveel kost het om de WIA mee te laten stijgen met een minimumloonvan 18 euro per uur vanaf 1 januari 2027? Hoeveel zal de WIA danbedragen?Antwoord 134Zoals beschreven in het antwoord op vraag 133 is volgens de huidigeinschattingen per 1 januari 2027 een verhoging van het minimumloon vancirca 18,1% nodig om uit te komen op een minimumuurloon van € 18. Ditbenodigde stijgingspercentage kan nog wijzigen als de toekomstigeindexaties van het minimumloon anders uitvallen dan nu verwacht. Eendergelijke verhoging van het minimumloon kost voor de WIA € 0,9 miljardstructureel per jaar. Dit betreft een grove inschatting van het budgettaireeffect. Na deze minimumloonsverhoging zouden de totale structureleuitkeringslasten van de WIA circa € 21 miljard per jaar bedragen. Ook ditbetreft een grove inschatting.Vraag 135Hoeveel kost het om de Wajong mee te laten stijgen met eenminimumloon van 18 euro per uur vanaf 1 januari 2027? Hoeveel zal deWajong dan bedragen?Antwoord 135Zoals beschreven in het antwoord op vraag 133 is volgens de huidigeinschattingen per 1 januari 2027 een verhoging van het minimumloon vancirca 18,1% nodig om uit te komen op een minimumuurloon van € 18. Ditbenodigde stijgingspercentage kan nog wijzigen als de toekomstigeindexaties van het minimumloon anders uitvallen dan nu verwacht. Eendergelijke verhoging van het minimumloon kost voor de Wajong€ 0,8 miljard structureel per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect. Na deze minimumloonsverhoging zouden de totalestructurele uitkeringslasten van de Wajong circa € 5,5 miljard per jaarbedragen. Ook dit betreft een grove inschatting.Vraag 136Hoeveel kost het om de bijstand mee te laten stijgen met eenminimumloon van 18 euro per uur vanaf 1 januari 2027? Hoeveel zal debijstand dan bedragen?Antwoord 136Zoals beschreven in het antwoord op vraag 133 is volgens de huidigeinschattingen per 1 januari 2027 een verhoging van het minimumloon vancirca 18,1% nodig om uit te komen op een minimumuurloon van € 18. Ditbenodigde stijgingspercentage kan nog wijzigen als de toekomstigeindexaties van het minimumloon anders uitvallen dan nu verwacht. Eendergelijke verhoging van het minimumloon kost voor de bijstand€ 1,6 miljard structureel per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect. Na deze minimumloonsverhoging zouden de totalestructurele uitkeringslasten van de bijstand circa € 11 miljard per jaarbedragen. Ook dit betreft een grove inschatting.Vraag 137Hoeveel kost het om de AOW mee te laten stijgen met een minimumloonvan 18 euro per uur vanaf 1 januari 2027? Hoeveel zal de AOW danbedragen?Antwoord 137Zoals beschreven in het antwoord op vraag 133 is volgens de huidigeinschattingen per 1 januari 2027 een verhoging van het minimumloon vancirca 18,1% nodig om uit te komen op een minimumuurloon van € 18. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 771 benodigde stijgingspercentage kan nog wijzigen als de toekomstigeindexaties van het minimumloon anders uitvallen dan nu verwacht. Eendergelijke verhoging van het minimumloon kost voor de AOW€ 11 miljard structureel per jaar. Dit betreft een grove inschatting van hetbudgettaire effect. Na deze minimumloonsverhoging zouden de totalestructurele uitkeringslasten van de AOW circa € 83 miljard per jaarbedragen. Ook dit betreft een grove inschatting.Vraag 138Hoeveel mensen worden schuldenvrij als drie miljard aan problematischeschulden worden kwijtgescholden?Antwoord 138We hebben geen volledig overzicht van alle openstaande problematischeschulden in Nederland. Wél weten we dat het gemiddelde bedrag aanschulden waarmee mensen zich bij de schuldhulpverlening bij gemeentenmelden € 42.786 bedraagt.24 Uitgaande van een totaalbedrag van€ 3 miljard is de meest voor de hand liggende berekening om dit bedragdoor de gemiddelde schuldenlast te delen. Het betreft dan circa 70.000inwoners waarvan hun schuld afgekocht kan worden. Daarbij geldt deaanname dat de volledig openstaande vordering aan de schuldeiserswordt terugbetaald. In geval van een schuldregeling wordt echter niet devolledige schuld afbetaald. In de meeste gevallen is er dan sprake vangedeeltelijke kwijtschelding door de schuldeisers. Ook is dit antwoordalleen gebaseerd op de groep mensen met problematische schulden diezich melden of hebben gemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening.Bij het kwijtschelden van schulden of het hanteren van een «schulden-pardon» moet een aantal kanttekeningen worden geplaatst. In hetInterdepartementaal Beleidsonderzoek Problematische schulden is danook geoordeeld dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen en dater meer doelmatige en doeltreffende opties zijn om tot een duurzaamschuldenvrije toekomst te komen (Kamerstukken II 2023/24, 24 515,nr. 766, Bijlage 11). Daarnaast verdwijnt bij het kwijtschelden van formeleschulden het probleem van informele schulden niet. Informele schuldenzijn namelijk schulden die mensen aangaan bij familie, kennissen en/ofvrienden en zijn veelal mondelinge afspraken. Deze schulden passenalleen in een schuldregeling op het moment dat deze alsnog schriftelijkworden vastgelegd. Deze schulden zijn hierdoor vaak onderbelicht, maarvormen wel een groeiend probleem onder diverse groepen waaronderjongeren en alleenstaande ouderen.Vraag 139Hoeveel schijnzelfstandigen zijn op dit moment werkzaam in Nederland?Antwoord 139Het meten van de omvang en groei van het aantal schijnzelfstandigen opbasis van individuele arbeidsrelaties zou het meest betrouwbare beeldgeven van de omvang van de problematiek. Dit is echter niet één op éénte geven, doordat schijnzelfstandigheid zich grotendeels buiten het zichtafspeelt. Buiten het zicht van publieke instanties, en door het grijze gebiedsoms ook buiten het zicht van de (schijn)zelfstandigen en hun opdracht-gevers zelf. Of sprake is van schijnzelfstandigheid is bovendien alleen perarbeidsrelatie (per casus) vast te stellen. Harde gegevens over het aantalschijnzelfstandigen in Nederland zijn er dan ook niet. Dat betekent dat hetniet mogelijk is om de problematiek van schijnzelfstandigheid precies tekwantificeren. Desalniettemin zijn er sterke aanwijzingen dat schijnzelf-24NVVK Jaarverslag 2024. Wanneer het gaat over alleen particulieren betreft het bedrag€ 39.079 en alleen ondernemers: € 79.333.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 772 standigheid in Nederland dermate veel voorkomt, dat de omvang – zekerin relatie tot de hiervoor beschreven gevolgen van de problematiek –voldoende serieus is om maatregelen te nemen.In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Verduidelijkingbeoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) is een beargu-menteerde schatting gemaakt, op basis van diverse bronnen. Samen-vattend lijkt op basis van de beschikbare informatie een aantal schijnzelf-standigen van rond de 200 duizend een logische ruwe inschatting. Ditgetal is, zoals duidelijk gemaakt, wel omgeven met de nodige onzekerheiden moet dus met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd engeïnterpreteerd. Het bovenstaande maakt in elk geval duidelijk dat deomvang van schijnzelfstandigheid geen marginaal probleem is. Voor eenuitgebreidere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 1.4.2 van dememorie van toelichting.De mate van onzekerheid rond het aantal schijnzelfstandigen in Nederlandis bovendien aanleiding voor het kabinet om meer zicht te krijgen op deomvang van het probleem. Dit is onder meer van belang voor eentoekomstige evaluatie van de in dit wetsvoorstel voorgestelde maatre-gelen en van het verbeteren van de handhaving. Het kabinet werktdaarom aan een onderzoek waarmee beter en concreter zicht komt op hetfenomeen schijnzelfstandigheid.Vraag 140Hoe beoordeelt u de consequentie dat door het wegvallen van decompensatie, de financiële mogelijkheden om mensen met een onder-steuningsbehoefte naar werk te begeleiden (meer) onder druk komt testaan?Antwoord 140Sociaal ontwikkelbedrijven spelen een belangrijke rol om mensen met eenondersteuningsvraag aan het werk helpen. Het gaat hierbij vaak ommensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Hiertoe ontvangen zijfinanciële middelen vanuit gemeenten.Sociaal ontwikkelbedrijven maken vaker aanspraak op de compensatiere-geling transitievergoeding na ontslag bij langdurige ziekte (Compensatie-regeling LAO) dan het gemiddelde bedrijf. Met de inperking van deCompensatieregeling LAO tot kleine werkgevers, zullen sociaal ontwikkel-bedrijven die niet als klein worden aangemerkt, de transitievergoedingniet meer vergoed krijgen. De meeste sociaal ontwikkelbedrijvenkwalificeren niet als kleine werkgever. Daardoor zijn hun kosten hoger. Ditkan van invloed zijn op de ondersteuning die het sociaal ontwikkelbedrijfkan bieden. Het is aan sociaal ontwikkelbedrijven en gemeenten om hierkeuzes in te maken.Vraag 141Deelt u dat de werkontwikkelbedrijven juist als maatschappelijke taakhebben om zoveel mogelijk mensen met een ondersteuningsvraag aanpassend werk te helpen? Zo ja, hoe beoordeelt u het gevolg van dezemaatregel?Antwoord 141Ja, de maatschappelijke taak van sociaal ontwikkelbedrijven is ommensen met een (grote) afstand tot de arbeidsmarkt ondersteuning tebieden waarmee zij passend werk kunnen vinden. Het is aan gemeentenhoe zij deze rol van het sociaal ontwikkelbedrijf precies inrichten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 773 Door de inperking van de Compensatieregeling LAO tot kleinewerkgevers, kunnen grotere sociaal ontwikkelbedrijven de kosten voor detransitievergoeding niet meer vergoed krijgen. De meeste sociaalontwikkelbedrijven kwalificeren niet als kleine werkgever.Het wegvallen van de compensatie kan mogelijk betekenen dat eensociaal ontwikkelbedrijf minder mensen kan ondersteunen. Het is aansociaal ontwikkelbedrijven en gemeenten om hier keuzes in te maken.Vraag 142Welke mogelijkheden zijn er onderzocht om de negatieve impact voorwerkontwikkelbedrijven op te lossen?Antwoord 142Er zijn twee mogelijkheden onderzocht om de impact van het inperkenvan de Compensatieregeling LAO voor sociaal ontwikkelbedrijven teverkleinen.De eerste mogelijkheid betreft het in de wet opnemen van een uitzon-dering voor sociaal ontwikkelbedrijven. Hier is niet voor gekozen omdateen uitzondering ertoe zou leiden dat het besparingsdoel dat met deaanpassing van de Compensatieregeling LAO is beoogd niet zou wordengehaald. Een grotere groep werkgevers houdt dan recht op compensatievan de transitievergoeding. Het brengt ook het risico op vertraging metzich, omdat het wetsvoorstel aangepast dient te worden. Ook vanwegehet risico op precedentwerking, is niet gekozen voor een wettelijkeuitzondering. Naar alle waarschijnlijkheid zullen meerdere sectoren/branches zich (blijven) melden om in aanmerking te komen voor eenuitzonderingspositie. Er is echter geen sluitende onderbouwing waaroméén bepaalde sector/branche in aanmerking komt voor een uitzonderings-positie en een andere sector/branche niet, die opweegt tegen de boven-staande nadelige gevolgen. Daarnaast, met het oog op eenvoudigewetgeving, is het passend terughoudend te zijn met het maken vanwettelijke uitzonderingen die de uitvoering bemoeilijken.De tweede mogelijkheid betreft financiële compensatie van sociaalontwikkelbedrijven via gemeenten. Gemeenten kunnen het budget vansociaal ontwikkelbedrijven dan verhogen. Deze optie betreft een naar ratoverdeling en geen gerichte tegemoetkoming van sociaal ontwikkelbe-drijven die een transitievergoeding moeten betalen. Hier is door hetkabinet niet voor gekozen vanwege onvoldoende financiële ruimte bij deVoorjaarsnota 2025.Vraag 143Welke Herstel- en Veerkrachtplan-mijlpalen (HVP-mijlpalen) zijn gemoeidmet het arbeidsmarktpakket en wat is de deadline van deze mijlpalen?Antwoord 143Er zijn vijf Herstel- en Veerkrachtplan-mijlpalen (HVP-mijlpalen) gemoeidmet het arbeidsmarktpakket. Deze vijf HVP-mijlpalen hebben te makenmet twee hervormingen, namelijk de Wet Basisverzekering Arbeidsonge-schiktheid Zelfstandigen (BAZ) en de aanpak van schijnzelfstandigheid.Ondanks de geboekte vooruitgang op twee wetgevingstrajecten, isvertraging ontstaan waardoor de haalbaarheid van deze maatregelenbinnen de looptijd van het HVP onder druk staat.De mijlpalen die samenhangen met de BAZ, zijn onderdeel van het vijfdebetaalverzoek, dat in 2026 wordt ingediend. Het gaat om de publicatie inde Staatscourant van de wet tot instelling van een verplichte arbeidsonge-schiktheidsverzekering voor zelfstandigen, en versturen van een Kamer-brief over de stand van de uitvoering van de verplichte arbeidsongeschikt-heidsverzekering. Het wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 774 Afdeling advisering van de Raad van State. Na deze beoordeling zal hetkabinet het wetsvoorstel zo snel mogelijk aan uw Kamer aanbieden.De mijlpalen die samenhangen met de aanpak van schijnzelfstandigheid,zijn onderdeel van het eerste en derde betaalverzoek. De Kamerbrief metdaarin een actieplan om het aantal schijnzelfstandigen terug te dringen isverstuurd op 16 december 2022, en maakte onderdeel uit van het eerstebetaalverzoek, die al is ingediend en goedgekeurd door de EuropeseCommissie (Kamerstukken II 2022/23, 31 311, nr. 246). Met het opheffenvan het handhavingsmoratorium op de Wet deregulering beoordelingarbeidsrelaties, is eveneens een mijlpaal behaald, die onderdeel uitmaaktvan het derde betaalverzoek in het najaar van 2025. Tot slot maakt depublicatie in de Staatscourant van een wet tot wijziging van de definitievan het begrip arbeidsrelatie (Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsre-laties en Rechtsvermoeden, hierna: Wet Vbar) onderdeel uit van het derdebetaalverzoek. De wet Vbar is op 7 juli jl. ingediend bij de Tweede Kameren moet nog worden behandeld door beide Kamers (Kamerstukken II2024/25, 36 783, nr. 2). Het kabinet is voornemens voor het einde van ditjaar een wijzigingsverzoek in te dienen bij de Europese Commissie. Hierinstelt het kabinet voor om de vertraagde hervorming (Wet Vbar) van hetderde naar het vijfde betaalverzoek te verplaatsen. Met deze verplaatsingwordt de maximale looptijd van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF)benut om het alsnog mogelijk te maken de HVP-mijlpalen te behalen.Vanwege de eindigheid van de HVF dienen alle HVP-mijlpalen namelijk opzijn laatst op 31 augustus 2026 te zijn behaald. Indien HVP-mijlpalen nietzijn behaald vóór het einde van de HVF, zal dit leiden tot een forse kortingop de te ontvangen HVF-middelen, oplopend tot € 600 miljoen perniet-behaalde mijlpaal.Vraag 144Wat is het beoogde tijdspad van inwerkingtreding van de VBAR en hoeverhoudt dit zich tot de mijlpaal uit het HVP?Antwoord 144Het kabinet streeft naar inwerkingtreding van Vbar uiterlijk 1 juli 2026.Daarmee heeft het wetsvoorstel vertraging opgelopen ten opzichte van deoorspronkelijke HVP-mijlpaal. Met de Kamerbrief van 4 november 2025inzake de halfjaarlijkse rapportage Herstel- en Veerkrachtplan bent uhierover geïnformeerd. Daarin is aangegeven dat om te voorkomen datdeze vertraging nu al leidt tot een korting er bij de Commissie een verzoekis gedaan om onder meer de wet Vbar te verplaatsen naar het vijfdebetaalverzoek, waarvoor indiening gepland staat in 2026.Zoals bekend is de Herstel- en Veerkracht Faciliteit (HVF) eindig; per eindaugustus 2026 moeten alle mijlpalen en doelstellingen zijn behaald. Omde beoordeling van de laatste mijlpalen en doelstellingen tijdig te kunnenafronden heeft de Commissie aangegeven dat het bewijs, dat nodig is omhet behalen van de mijlpalen en doelstellingen aan te tonen, uiterlijk31 augustus 2026 beschikbaar moet zijn. Dit betekent dat de Wet Vbaruiterlijk 31 augustus 2026 gepubliceerd moet zijn in het Staatsblad. Indiendeze mijlpaal niet wordt behaald kan dit financiële gevolgen hebben in devorm van een korting op de te ontvangen middelen uit de HVF, die kanoplopen tot € 600 miljoen. Het kabinet hoopt daarom het wetsvoorstel insamenwerking met uw Kamer zo spoedig mogelijk te kunnen behandelen.Vraag 145Kan een schematisch overzicht worden gegeven van de stand van zakenvan alle wetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket?Antwoord 145Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 775 De onderstaande tabel geeft de huidige stand van zaken van allewetsvoorstellen uit het arbeidsmarktpakket weer.Tabel: Stand van zaken arbeidsmarktpakketWetsvoorstelStand van Zaken1.Wetsvoorstel Meer zekerheid flexwerkers (Flex)Wetsvoorstel is 19 mei 2025 ingediend bij deTweede Kamer.2.Wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeids-relaties en rechtsvermoeden (Vbar)Wetsvoorstel is 7 juli 2025 ingediend bij de TweedeKamer.3.Wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschikt-heid zelfstandigen (BAZ)Wetsvoorstel is 12 september 2025 naar de Raadvan State verstuurd. Streven is om het wetsvoorstelin het eerste kwartaal van volgend jaar aan tebieden aan uw Kamer (Kamerstukken II 2024/25,31 311, nr. 292).4.Wetsvoorstel Personeelsbehoud bij crisis (WPC)Wetsvoorstel is 26 september 2025 naar de Raadvan State verstuurd.5.Hervorming arbeidsmarktinfrastructuurDe internetconsultatie is 29 april 2025 afgelopen. Deopbrengst wordt nu verwerkt.6.Wijziging re-integratieverplichting 2de ziektejaarwerknemers MKBDe Raad van State heeft 23 juli 2025 adviesuitgebracht over het wetsvoorstel. Op dit momentwordt dit advies nader bestudeerd. Vraag 146De werkontwikkelbedrijven hebben als maatschappelijke taak om zoveelmogelijk mensen met een ondersteuningsvraag aan passend werk tehelpen. Kunt u inzicht bieden in de verwachte financiële gevolgen van hetschrappen van de compensatieregeling voor de werkontwikkelbedrijven?Antwoord 146De Compensatieregeling LAO zal worden beperkt tot kleine werkgevers.Hierdoor wordt het aantal sociaal ontwikkelbedrijven dat in aanmerkingkomt voor compensatie kleiner. De totale verwachte financiële gevolgenvan inperking van de Compensatieregeling LAO voor sociaal ontwikkelbe-drijven zijn:Tabel: Verwachte financiële gevolgen inperking Compensatieregeling LAO voor so-bedrijvenx € 1 mln.2026 12027202820292030Struc.bedragStruc. jaarFinanciële gevolgen inperking CRTV voor so-bedrijven€ 8,6€ 16,1€ 15,2€ 14,3€ 13,9€ 6,420481 Het bedrag in 2026 betreft de financiële gevolgen voor een half jaar in verband met invoering van de wetswijziging per 1 juli 2026. De verwachte financiële gevolgen zijn in het begin hoger dan in destructurele situatie (vanaf 2048). Dit heeft te maken met de ontwikkelingvan de aantallen medewerkers in dienst van sociaal ontwikkelbedrijven.Vanwege de uitstroom uit de Wsw (geen nieuwe instroom meer mogelijk)en de verwachte lagere instroom van medewerkers met een indicatieBeschut Werk en medewerkers vanuit de doelgroep banenafspraak daalthet aantal medewerkers in dienst van sociaal ontwikkelbedrijven.Daarmee dalen ook de verwachte kosten voor de transitievergoeding.Vraag 147Welke mogelijkheden zijn er onderzocht om de negatieve impact voorwerkontwikkelbedrijven op te lossen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 776 Antwoord 147Zie het antwoord op vraag 142.Vraag 148Eerder is aangegeven richting de Tweede Kamer dat de regering bekend ismet de zorgen van de werkontwikkelbedrijven en wilde hierover ingesprek gaan. Hoe zijn/worden de uitkomsten van de gesprekken verwerktin het wetsvoorstel?Antwoord 148In het najaar van 2024 hebben meerdere gesprekken met Cedris en VNGplaatsgevonden over de gevolgen van de inperking van de Compensatie-regeling LAO voor sociaal ontwikkelbedrijven. Onderdeel van degesprekken was een gezamenlijke analyse van de verwachte kosten. Indeze overleggen is gesproken over een mogelijke uitzondering binnen dewet of tegemoetkoming via gemeenten besproken.Ten aanzien van het wetsvoorstel is, met het oog op eenvoudigewetgeving, het risico op precedentwerking en vanwege het feit dat hetbesparingsdoel dat met aanpassing van de Compensatieregeling LAO isbeoogd niet zou worden gehaald, hier niet toe besloten.Vraag 149Kunt u inzicht bieden in de verwachte financiële gevolgen van hetschrappen van de compensatieregeling voor de werkontwikkelbedrijven?En welke financiële impact dit op de mensen heeft die daar werken?Antwoord 149De verwachte financiële gevolgen van inperking van de Compensatiere-geling LAO voor sociaal ontwikkelbedrijven zijn:Tabel: Verwachte financiële gevolgen inperking Compensatieregeling LAO voor so-bedrijvenx € 1 mln.2026 12027202820292030Struc.bedragStruc. jaarFinanciële gevolgen inperking CRTV LAO voorso-bedrijven€ 8,6€ 16,1€ 15,2€ 14,3€ 13,9€ 6,420481 Het bedrag in 2026 betreft de financiële gevolgen voor een half jaar in verband met invoering van de wetswijziging per 1 juli 2026. De verwachte financiële gevolgen zijn in het begin hoger dan in destructurele situatie (vanaf 2048). Dit heeft te maken met de ontwikkelingvan de aantallen medewerkers in dienst van sociaal ontwikkelbedrijven.Vanwege de uitstroom uit de Wsw (geen nieuwe instroom meer mogelijk)en de verwachte lagere instroom van medewerkers met een indicatieBeschut Werk en medewerkers vanuit de doelgroep banenafspraak daalthet aantal medewerkers in dienst van sociaal ontwikkelbedrijven.Daarmee dalen ook de verwachte kosten voor de transitievergoeding.De inperking van de Compensatieregeling LAO heeft geen impact op demensen die bij een sociaal ontwikkelbedrijf in dienst zijn. Zij behoudenhun recht op een transitievergoeding indien zij worden ontslagen nalangdurige ziekte.De hogere kosten die sociaal ontwikkelbedrijven maken, hebben mogelijkwel invloed op het aantal mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt diesociaal ontwikkelbedrijven kunnen ondersteunen. Het is aan sociaalontwikkelbedrijven en gemeenten om hier keuzes in te maken.Vraag 150Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 777 Hoe beoordeelt u de consequentie dat door het wegvallen van decompensatie, de financiële mogelijkheden om mensen met een onder-steuningsbehoefte naar werk te begeleiden (meer) onder druk komt testaan? Hoe rijmt u dit met de taak van werkontwikkelbedrijven om zoveelmogelijk mensen met een ondersteuningsvraag aan passend werk tehelpen?Antwoord 150Zie het antwoord op vraag 140.Vraag 151Heeft u onderzoek gedaan naar welke mogelijkheden er zijn om denegatieve impact voor werkontwikkelbedrijven op te lossen? Zo niet,waarom niet? En zo ja, welke opties waren dit dan en wat waren deconclusies?Antwoord 151Er zijn twee mogelijkheden onderzocht om de impact van het inperkenvan de Compensatieregeling LAO voor sociaal ontwikkelbedrijven teverkleinen.De eerste mogelijkheid betreft het in de wet opnemen van een uitzon-dering voor sociaal ontwikkelbedrijven. Hier is niet voor gekozen omdateen uitzondering ertoe zou leiden dat het besparingsdoel dat met deaanpassing van de Compensatieregeling LAO is beoogd niet zou wordengehaald. Een grotere groep werkgevers houdt dan recht op compensatievan de transitievergoeding. Het brengt ook het risico op vertraging metzich, omdat het wetsvoorstel aangepast dient te worden. Ook vanwegehet risico op precedentwerking, is niet gekozen voor een wettelijkeuitzondering. Naar alle waarschijnlijkheid zullen meerdere sectoren/branches zich (blijven) melden om in aanmerking te komen voor eenuitzonderingspositie. Er is echter geen sluitende onderbouwing waaroméén bepaalde sector/branche in aanmerking komt voor een uitzonderings-positie en een andere sector/branche niet, die opweegt tegen de boven-staande nadelige gevolgen. Daarnaast, met het oog op eenvoudigewetgeving, is het passend terughoudend te zijn met het maken vanwettelijke uitzonderingen die de uitvoering bemoeilijken.De tweede mogelijkheid betreft financiële compensatie via gemeenten.Gemeenten kunnen het budget van sociaal ontwikkelbedrijven danverhogen. Deze optie betreft een naar rato verdeling en geen gerichtetegemoetkoming van sociaal ontwikkelbedrijven die een transitiever-goeding moeten betalen. Hier is niet voor gekozen vanwege onvoldoendefinanciële ruimte bij de Voorjaarsnota 2025.Vraag 152Hoe hoog zou een stagevergoeding moeten zijn om de gemiddelde vastelasten te kunnen betalen, uitgaande van een fulltime stage?Antwoord 152Er zijn verschillende redenen om een stagevergoeding aan te bieden,zoals het uiten van waardering of met het oog op de onkosten die eenstudent maakt om de stage te kunnen volgen. Een stagevergoeding is nietbedoeld om in levenskosten te voorzien. Daarvoor ontvangen studentenonder andere studiefinanciering. In een stage staat het leren centraal ende stage maakt onderdeel uit van de opleiding. Tijdens het volgen van destage gedurende de opleiding behoudt de student recht op studiefinan-ciering. Het totale inkomen van de student is daarbij afhankelijk van veelfactoren, zoals of een student thuis of uitwonend is, hoeveel oudersbijdragen, hoeveel zij lenen en of ze een bijbaan hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 778 Momenteel voert de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap eenverkenning uit naar de mogelijkheden om een wettelijk verplichtestagevergoeding te regelen. Deze verkenning wordt eind 2025 met deKamer gedeeld. Conform de motie Klaver c.s. (Kamerstukken II 2025/26,36 800 IX, nr. 15), wordt deze verkenning verder uitgewerkt om tot decontouren van een wetsvoorstel van een verplichte stagevergoeding tekomen. Dit wordt voor de zomer van 2026 met de Kamer gedeeld.Vraag 153Hoeveel kost een collectieve publieke pensioenregeling voor zelfstan-digen?Antwoord 153De kosten van een collectieve pensioenregeling voor zelfstandigen zijnniet eenduidig te bepalen. Deze zijn afhankelijk van verschillende factoren,zoals de hoogte van de premie, de uitvoeringskosten, de opzet van deregeling en de uitvoerder.Zelfstandigen bouwen overigens ook op dit moment al pensioen op. Viade eerste pijler, het overheidspensioen, ontvangen zelfstandigen eenAOW-uitkering. In de tweede pijler, het arbeidsvoorwaardelijk pensioen(bij werkgevers), kunnen zelfstandigen pensioen opbouwen als zij onderde werkingssfeer van een bedrijfstakpensioenfonds vallen, of als zij hunpensioenregeling vrijwillig voortzetten na loondienst of als de pensioen-uitvoerder via de experimenteerruimte een regeling openstelt voorzelfstandigen. In dat geval betalen zij de volledige pensioenpremie zelf,die bij een bedrijfstakpensioenfonds vaak neerkomt op zo’n 20 procentvan het salaris. Tot slot kunnen zelfstandigen in de derde pijler aanvullendpensioen opbouwen, bijvoorbeeld via pensioensparen of een lijfrente.Vraag 154Wat is de planning voor het realiseren van het integraal schuldenoverzichten hoeveel middelen zijn daarvoor gereserveerd? Zijn die middelenvoldoende voor het inrichten van het overzicht? Zijn er al keuzes gemaaktover welke organisatie van het integraal schuldenoverzicht gaat beheren?Antwoord 154Het kabinet werkt aan een zo volledig mogelijk integraal schuldenover-zicht. Om dit tot stand te brengen bouwen we onder andere voort op albestaande initiatieven, zoals de Schuldenwijzer, het VorderingenoverzichtRijk en het Schuldenknooppunt. Nu al zijn alle beslagen van gerechtsdeur-waarders inzichtelijk via Schuldenwijzer. Het Vorderingenoverzicht Rijkheeft als doel burgers inzicht te geven in hun betalingsverplichtingen bijde overheid. De eerste partijen van de acht grootste schuldeisers van hetRijk sluiten dit jaar aan. Na de testfase en de inrichting van beheer wordthet overzicht gefaseerd beschikbaar gesteld aan burgers. Door dezelopende initiatieven te bundelen komen we wel sneller tot resultaat danals we bij nul zouden beginnen.Desondanks is het bieden van inzicht en overzicht in private en publiekeschulden een flinke uitdaging. Parallel aan het versterken van reedsbestaande initiatieven werken we aan de ontwikkelagenda voor eenintegraal schuldenoverzicht. Bij Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinetbesloten de eerder gereserveerde middelen vanaf 2029 elders binnen deSZW-begroting in te zetten. Het kabinet zal u over de ontwikkelagenda enover de inzet van de resterende incidentele middelen in het tweedekwartaal van 2026 informeren. Zonder structurele dekking voor deuitvoeringskosten kan een volledig integraal schuldenoverzicht nietgerealiseerd worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 779 Het beheer van het integraal schuldenoverzicht is een onderdeel van deuitwerking van de ontwikkelagenda waarbij wordt gezocht naar eengerenommeerde partij die het best past bij deze opgave, rekeninghoudend met het ontbreken van structurele middelen.Vraag 155Hoeveel extra beschutte werkplekken worden er in 2026 gerealiseerd bijreguliere bedrijven?Antwoord 155Het kabinet streeft ernaar dat in 2048 in totaal 30.300 beschuttewerkplekken zijn gerealiseerd. De jaarlijkse groei wordt vastgelegd in eenministeriële regeling waarin staat hoeveel beschutte banen gemeentenminimaal moeten realiseren om dit einddoel te bereiken.De realisatie van beschut werk ontwikkelt zich positief en de doelstel-lingen voor beschut werk komen steeds meer binnen bereik. Het aantalmensen dat werkt in een beschutte werkplek blijft toenemen. Tot en metmaart 2025 hadden 10.849 mensen met een indicatie beschut werk eenbaan. Volgens sectorinformatie van Cedris werkt ongeveer 6 tot 8 procentvan hen bij een reguliere werkgever.Voor het demissionaire kabinet staat voorop dat mensen kunnen werkenop een plek die past bij hun mogelijkheden en talenten. Of dat bij eensociaal ontwikkelbedrijf is of bij een reguliere werkgever, is daaraanondergeschikt. Daarom wordt binnen het totaal aantal te realiserenbeschutte werkplekken geen onderscheid gemaakt tussen de plekken bijreguliere werkgevers en die bij sociaal ontwikkelbedrijven.Wel zet het demissionaire kabinet zich in om de diversiteit aan werk tevergroten. Op dit moment sluit het werkaanbod bij sociaal ontwikkelbe-drijven namelijk nog niet altijd voldoende aan bij wat mensen kunnen enwillen. Daarom stimuleert het demissionaire kabinet enerzijds deverbreding van het werkaanbod binnen sociaal ontwikkelbedrijven, enanderzijds meer mogelijkheden voor beschut werk bij regulierewerkgevers. In de Voortgangsbrief sociaal ontwikkelbedrijven en beschutwerk (Kamerstukken II 2024/25, 34 352, nr. 341) is de Kamer hierover nadergeïnformeerd.Vraag 156Hoe wordt het switchen tussen uitkering, dagbesteding, beschut werk enregulier werk concreet vergemakkelijkt?Antwoord 156Het Ministerie van SZW werkt met VWS en vele partners in het velddomeinoverstijgend samen in het programma Simpel Switchen in deParticipatieketen. Het doel van dit programma is dat mensen makkelijkerkunnen switchen tussen uitkering en (deeltijd) werk en tussen dagbe-steding, beschut werk, de banenafspraak en regulier werk.Om dat doel te bereiken ondersteunen we professionals van gemeenten,UWV en zorginstellingen proactief en doelgericht met producten, toolkitsen handreikingen zodat zij kunnen inzetten op het implementeren vanprocesveranderingen gericht op het versoepelen van de overgangen.Onder andere op het gebied van financieel inzicht, de mogelijkheden vooreen soepele overgang van dagbesteding naar (beschut) werk en desamenwerking die in het sociaal domein nodig is om duurzaam switchenmogelijk te maken. De Uitkering naar Werk Berekenaar van het Nibudbijvoorbeeld helpt inwoners en hun professionals om inzicht te krijgen inde financiële gevolgen van een stap. De Toolkit Snelle Aanvraag – SnelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 780 Besluit helpt bij het inrichten van het werkproces van gemeenten voor hetsnel verwerken van uitkeringsaanvragen. De Keuzehulp Simpel Switchentussen dagbesteding en beschut werk helpt mensen die een stapoverwegen én hun begeleiders bij het maken van hun keuze door inzichtte geven in de relevante wet- en regelgeving, instrumenten en betrokkenorganisaties.We kijken ook altijd of aanvullend op deze veranderingen, aanpassing vanlandelijke wet- en regelgeving nodig en mogelijk is. Voorbeelden hiervanzijn de maatregelen uit de aanstaande wetswijziging Participatiewet inbalans om de bijverdiengrenzen te verruimen, de aanvraagprocedure teversoepelen, het verrekenen van inkomen met de bijstandsuitkeringmakkelijker te maken en het bufferbudget. En we werken aan hetaanpassen van het besluit advisering beschut werk waarmee we willenzorgen dat mensen die de stap zetten van beschut werk naar een baan inhet kader van de banenafspraak, veilig kunnen terugvallen mocht datnodig zijn. Daarvoor willen we in het besluit opnemen dat voor dezegroep het eerder afgegeven positief advies beschut werk herleeft zondernieuwe inhoudelijke beoordeling door UWV.Alle producten zijn te vinden op de website van Simpel Switchen. En zievoor meer informatie over waar we nu aan werken de KamerbriefVoortgang programma Simpel Switchen in de Participatieketen (Kamer-stukken II 2024/25, 34 352, nr. 339).Vraag 157Wat zijn de concrete maatregelen om het aantal banen voor mensen meteen arbeidsbeperking te verhogen, gezien de achterblijvende realisatie inde banenafspraak?Antwoord 157Er zijn inmiddels ruim 90.000 extra banen gerealiseerd binnen debanenafspraak. Daarmee zijn we er nog niet, maar het is goed dat steedsmeer werkgevers werkgelegenheid bieden voor mensen met eenarbeidsbeperking. Tegelijkertijd wordt er aan allerlei maatregelen gewerktom de banenafspraak te verbeteren. Grofweg gebeurt dit in 3 stappen. Deeerste stap is de wet vereenvoudiging banenafspraak die vlak voor dezomer is gepubliceerd in het Staatsblad. Deze wet regelt bijvoorbeeld hetopheffen van het onderscheid tussen markt en overheid, zodat insamenwerking tussen deze sectoren meer banen gerealiseerd kunnenworden. Ook regelt de wet dat het loonkostenvoordeel banenafspraakstructureel gemaakt wordt. Deze fiscale maatregel voor werkgevers kantot nu toe slechts voor een periode van 3 jaar aangevraagd worden enwordt vanaf 1 januari 2026 structureel. De tweede stap is het verderverbreden van de doelgroep banenafspraak met mensen in de WIA en deWW die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen. De derdestap is de langetermijnvisie banenafspraak waarbij we vergaandeverbeteringen willen gaan doorvoeren. Deze laatste stap is nog inontwikkeling, maar het belangrijkste hierbij is dat we veel meer willenuitgaan van de ondersteuningsbehoefte van mensen. Op dit moment isdie ondersteuning voor werknemers en werkgevers namelijk nog te vaakafhankelijk van iemands uitkeringssituatie of de specifieke doelgroep waariemand toe behoort. In de nieuwe banenafspraak willen we kijken naarwat mensen wél kunnen en welke ondersteuningsbehoefte er eventueelis. Ook zullen we daarbij oog hebben voor vereenvoudiging en hetbeperken van regeldruk voor werknemers en werkgevers.Vraag 158Wat zijn de implicaties van de hervorming van de toeslagenwet voormensen met een beperking?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 781 Antwoord 158Het overkoepelende doel van de hervorming is om enerzijds de regel-geving rondom de Toeslagenwet te vereenvoudigen, zodat uitkeringsge-rechtigden eerder weten waar zij aan toe zijn. Anderzijds wordt gestreefdde uitvoering voor UWV makkelijker te maken, zodat de foutgevoeligheidvan deze wet afneemt. In de Kamerbrief die begin 2026 aan uw Kamerwordt toegezonden, worden de uitkomsten van de verkenning naarvereenvoudiging van de Toeslagenwet gepresenteerd. Daarin wordt deimpact van alle verkende beleidsopties voor uitkeringsgerechtigdeninzichtelijk gemaakt. Hervorming van de Toeslagenwet heeft over hetalgemeen vergelijkbare gevolgen voor uitkeringsgerechtigden met enzonder arbeidsbeperking, immers ook mensen met een WW-uitkeringkrijgen een aanvulling vanuit de Toeslagenwet.Vraag 159Wat is de onderbouwing voor het bedrag van 24,6 miljoen euro voor decompensatie voor het inkomensverlies als gevolg van een combinatie vanfiscale maatregelen en de indexatie van de inkomensbelasting? Is ditbedrag voldoende om het gehele inkomstenverlies te dekken van dezemedewerkers?Antwoord 159Het bedrag van € 24,6 miljoen is gebaseerd op een prijs-maal-aantalberekening (P x Q) en een vergoeding voor de uitvoeringskostenvan sociaal ontwikkelbedrijven. Voor het verwachte aantal te compen-seren werknemers in 2026 (Q) is aangesloten bij actuele ramingen. Dezeramingen worden ook gebruikt voor de verdeling van de rijksbijdragenaan de sociale werkvoorziening binnen het gemeentefonds. Voor dehoogte van de compensatie (P) is uitgegaan van de groep werknemersmet de hoogste achteruitgang in het netto-inkomen als gevolg van defiscale maatregelen in het Belastingplan 2025 en hun beperkteloonstijging in 2025. Dit betreft werknemers die vallen onder de cao Aande slag, ongeveer 22 uur per week werken en in 2024 net boven hetwettelijk minimumuurloon voor 2025 verdienden. Voor hen bedraagt denetto achteruitgang ongeveer € 19 netto per maand. Hierbij is rekeninggehouden met de loonstijging door de cao Aan de slag 2025, die in hetvoorjaar nog met terugwerkende kracht voor het hele jaar is afgesloten. Eris geen rekening gehouden met de verhoging van toeslagen. De € 19 isvervolgens omgerekend naar een brutobedrag, ruim naar bovenafgerond, verhoogd met een opslag voor werkgeverslasten enomgerekend naar een jaarbedrag. Dit bedrag is daarmee ruim voldoendeom de netto inkomensachteruitgang te compenseren.Vraag 160Hoeveel kost een collectieve publieke arbeidsongeschiktheidsverzekeringvoor zelfstandigen?Antwoord 160Het wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen(Baz) die een verplichte publieke arbeidsongeschiktheidsverzekeringvoorstelt is recent naar de Raad van State gestuurd voor advies. Middelsde Kamerbrief van 15 september jl. is uw Kamer hierover geïnformeerd(Kamerstukken II 2024/25, 31 311, nr. 292). In de memorie van toelichtingvan het voorstel, wat tegelijkertijd met de adviesaanvraag naar de Raadvan State openbaar is geworden, is opgenomen dat de totale kosten (deuitkeringslasten en uitvoeringskosten) van deze regeling op structureel€ 1,7 miljard worden geraamd.25 De totale kosten van een arbeidsonge-25Dit betreft de verwachte uitgaven in prijspeil 2025. In de praktijk zal dit bedrag jaarlijks wordenaangepast aan de loon- en prijsontwikkeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 782 schiktheidsverzekering voor zelfstandigen zijn afhankelijk van gekozenvormgeving van de regeling (onder andere kring van verzekerden, duurvan de wachttijd, hoogte van de uitkering, het arbeidsongeschiktheids-criterium en het wel of niet opnemen van een franchise). Aanpassingenaan het voorstel kunnen tot hogere of lagere lasten leiden. Hetuitgangspunt van de Baz is dat de regeling budgetneutraal wordtvormgegeven, dat houdt in dat alle uitgaven worden bekostigd via deopgehaalde premie voor die verzekering.Vraag 161Hoeveel extra beoordelingen kan het UWV per jaar doen door hetinvoeren van het wetsvoorstel waarmee het medisch advies van debedrijfsarts over de belastbaarheid van de zieke werknemer leidend wordtbij de toets door UWV op de re-integratie inspanningen?Antwoord 161Het conceptwetsvoorstel is in oktober voor uitvoeringstoets aan UWVvoorgelegd. Uit de uitvoeringstoets zal blijken hoeveel extra sociaal-medische beoordelingen UWV per jaar kan uitvoeren als de toets op dere-integratie-inspanningen een geheel arbeidskundige toets wordt perbeoogde inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2028. De Kamer zal overde uitkomsten van de uitvoeringstoets geïnformeerd worden.Vraag 162Hoeveel extra beoordelingen kan het UWV per jaar doen door hetstructureel invoeren van de praktisch beoordelen maatregel?Antwoord 162Door de maatregel praktisch beoordelen kan UWV naar verwachting perjaar tussen de 3.000 en 4.000 WIA-beoordelingen extra doen.Vraag 163Kan uitgesplitst worden hoe alle middelen uit de envelop GIDK zijnbesteed en hoeveel middelen de envelop nog bevat voor de komende 5jaar?Antwoord 163De besteding van de middelen uit de envelop Groepen in de knel is intwee delen met uw Kamer gedeeld, bij Miljoenennota 2025 enVoorjaarsnota 2025. Onderstaande tabel geeft een overzicht van devoorgenomen besteding. Hiermee zijn alle middelen uit de envelopbestemd.Nr.Budgettaire effecten maatregelen, in mln. euro’s20252026202720282029Struc.Miljoenennota 20251.Integraal pakket problematische schulden245673100002.Aanpassing handhaving sociale zekerheid612121212123.Schoolmaaltijden4545454545454.Aanpassen toeslagpartnerbegrip: oplossing voor achterblij-vers noodgedwongen elders verblijvende partner112121212125.Niet meer met terugwerkende kracht vaststellen vangrondslag toeslagen op basis van verblijfstitel en rechtkinderbijslag0555556.Verlengen aanvraagtermijn toeslagen0555557.Verhogen forfait aftrekbaar bedrag extra vervoerskosten doorziekte of invaliditeit in de inkomstenbelasting1111118.Netto in plaats van bruto terugvorderen1313131009.Reservering voor aanpak armoede Caribisch Nederland (CN)22222210.Tijdelijke verlenging Individuele Plaatsing en Steun (IPS)-regeling gemeentelijke doelgroep43200011.Tijdelijke verlenging energiefonds60600000Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 783 Nr.Budgettaire effecten maatregelen, in mln. euro’s20252026202720282029Struc.Voorjaarsnota 202512.Ontwikkeling arbeidsvermogen afgewezen Wajongeren0048132913.Structurele verlenging IPS-regeling gemeentelijke doelgroep061414121214.Inkomensafhankelijke kindregeling en plusopvang CN11333315.Werken met een arbeidsbeperking CN04444416.Financiering sociaal ontwikkelbedrijven34373942449017.Uitstellen aangepast arbeidsongeschiktheidscriterium bijloonkostensubsidie met 1 jaar (naar 2027)01111018.Vereenvoudiging Toeslagenwet00044519.Verbreden pilot dakloze arbeidsmigranten08880020.Verhoging minimumjeugdloon003940426021.Re-integratiedienstverlening WW’ers met een kwetsbarearbeidsmarktpositie00000322.Uitvoering Wet gegevensverwerking door samenwerkings-verbanden en uitbreiding toezicht Wet toelating terbeschik-kingstelling van arbeidskrachten377777 Vraag 164Kan de Minister opheldering geven over dat in de begroting enerzijdsgenoemd wordt dat de tegemoetkoming arbeidsongeschikten wordtafgeschaft per 2027 (p. 100), maar dat de financiering in tabel 117doorloopt tot 2030 (p. 158)?Antwoord 164Conform het hoofdlijnenakkoord wordt de tegemoetkoming arbeidsonge-schikten per 2027 afgeschaft, dit is verwerkt en zichtbaar in deSZW-begroting op artikel 3 en 4. De tegemoetkoming wordt gefinancierduit een rijksbijdrage die in het Toeslagenfonds wordt gestort, deze staat opartikel 12 van de begroting. Het gaat om een boekhoudkundige manier omaan te geven hoe de uitgaven worden gefinancierd, het zijn geenmiddelen die vrij kunnen worden ingezet. Na het aanpassen van deverwachte uitgaven aan de tegemoetkoming op artikel 3 en 4 hadden ookdeze rijksbijdragen naar beneden bijgesteld moeten worden, dat is dooreen technische fout niet gebeurd. Artikel 12 zal bij de eerstvolgendemogelijkheid worden gecorrigeerd zodat de afschaffing per 2027 op alleartikelen correct weergegeven wordt.Vraag 165Als de claim van afschaffing klopt, hoe verhoudt dit zich tot het standstill-beginsel van het VN-verdrag Handicap die stelt dat de Nederlandse staatgeen stappen mag nemen om de inkomenspositie van mensen met eenbeperking te verslechteren?Antwoord 165In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt hier nader opingegaan. Kort gezegd: met het VN-verdrag Handicap heeft Nederlandzich eraan gecommitteerd om de positie van mensen met een beperkingte verbeteren. Mensen die chronisch ziek of gehandicapt zijn en geenWAO-, WIA-, WAZ- of Wajong-uitkering ontvangen hebben geen recht opde tegemoetkoming arbeidsongeschikten. Deze ongelijkheid wordtweggenomen. De verlaging van het verplicht eigen risico vanaf 2027 geldtvoor iedereen met een hogere zorgbehoefte in het kader van de Zorgver-zekeringswet. Het kabinet beschouwt de grotere en gelijkwaardigeretoegankelijkheid tot zorg als een verbetering van de positie van chronischzieken en gehandicapten die in lijn is met de afspraken uit het VN-verdragHandicap, ook al heeft de groep mensen die nu een arbeids-ongeschiktheidsuitkering ontvangt van UWV minder baat bij de verlagingvan het verplicht eigen risico door de gelijktijdige afschaffing van detegemoetkoming arbeidsongeschikten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 784 Vraag 166Kunt u de gevolgen voor de koopkracht doorrekenen voor mensen dierecht hebben op de tegemoetkoming arbeidsongeschikten, op hetmoment dat deze wordt afgeschaft, maar de zorgpremie wel stijgt?Antwoord 166Zie het antwoord op vraag 167.Vraag 167Wat zijn de gevolgen van het afschaffen van de tegemoetkomingarbeidsongeschikten in het geval het eigen risico wordt gehalveerd? Kuntu de inkomenseffecten inzichtelijk maken van de situatie dat iemand diewel gebruik maakt van de tegemoetkoming en volledig gebruik eigenrisico en iemand zonder tegemoetkoming en volledig gebruik eigenrisico? Kunt u hierbij ook de zorgpremie en de verwachte wijziging daarinmeenemen?Antwoord 167De gevolgen van de afschaffing van de tegemoetkoming voor arbeidson-geschikten in combinatie met de verlaging en tranchering van het eigenrisico (en de daarmee samenhangende stijging van de nominalezorgpremie) hangen af van twee factoren, namelijk de mate waariniemand nu het eigen risico volmaakt en van het feit of iemand op ditmoment zorgtoeslag ontvangt of niet. Vooral mensen die het eigen risicovolmaken profiteren van de verlaging van het eigen risico. En iemand metrecht op zorgtoeslag wordt (gedeeltelijk) gecompenseerd voor de stijgingvan de nominale premie.Onderstaande tabel geeft een overzicht van de financiële effecten in 2027voor verschillende typen verzekerden met en zonder AO-tegemoetkoming.Een + duidt in de tabel op een positief financieel effect. Overigens is deverwachting dat een groot deel van de mensen met eenAO-tegemoetkoming het eigen risico volmaken.Met ongewijzigd beleid (zonder het hoofdlijnenakkoord) zou de tegemoet-koming in 2027 gelijk zijn aan € 235 en het eigen risico zou dan € 415 zijn.Door deze maatregel gaat het eigen risico omlaag naar € 165, een dalingvan € 250. De nominale zorgpremie stijgt door de daling van het eigenrisico met € 199 en de maximale zorgtoeslag stijgt met € 64.In aanvulling op de effecten in onderstaande tabel hebben de meesteverzekerden ook baat gehad bij de lastenverlichting via de inkomstenbe-lasting, die bedoeld is als compensatie voor de stijging van dezorgpremie. Dit is niet opgenomen in onderstaande tabel, omdat deeffecten sterk kunnen verschillen tussen huishoudens.Type verzekerdeEffect afschaffentegemoet-komingAOEffect verlagingeigen risicoEffect stijgingnominale premieEffect compen-satie zorgtoeslagTotaaleffectVerzekerde met AO-tegemoetkoming + maakteigen risico vol + ontvangt zorgtoeslag– € 235€ 250– € 199€ 64– € 120Verzekerde met AO-tegemoetkoming + maakteigen risico vol + ontvangt geen zorgtoeslag– € 235€ 250– € 199€ 0– € 184Verzekerde met AO-tegemoetkoming + geenzorgkosten onder het eigen risico + ontvangtzorgtoeslag– € 235€ 0– € 199€ 64– € 370Verzekerde met AO-tegemoetkoming + geenzorgkosten onder het eigen risico + ontvangtgeen zorgtoeslag– € 235€ 0– € 199€ 0– € 434Verzekerde zonder AO-tegemoetkoming +maakt eigen risico vol + ontvangt zorgtoeslag€ 0€ 250– € 199€ 64€ 115Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 785 Type verzekerdeEffect afschaffentegemoet-komingAOEffect verlagingeigen risicoEffect stijgingnominale premieEffect compen-satie zorgtoeslagTotaaleffectVerzekerde zonder AO-tegemoetkoming +maakt eigen risico vol + ontvangt geenzorgtoeslag€ 0€ 250– € 199€ 0€ 51Verzekerde zonder AO-tegemoetkoming +geen zorgkosten onder het eigen risico +ontvangt zorgtoeslag€ 0€ 0– € 199€ 64– € 135Verzekerde zonder AO-tegemoetkoming +geen zorgkosten onder het eigen risico +ontvangt geen zorgtoeslag€ 0€ 0– € 199€ 0– € 199 Vraag 168Hoeveel uitvoeringscapaciteit wordt er vrijgespeeld met de WW beëin-digen op eigen initiatief-maatregel en hoe telt dit op tot de genoemdecumulatieve 86 miljoen euro aan lagere uitkeringslasten?Antwoord 168Met de tijdelijke maatregel speelt UWV 8 fte vrij. Het wordt voor UWVeenvoudiger om verzoeken tot beëindigen van de WW-uitkering op heteigen initiatief van de WW-gerechtigden te behandelen. Naast eenbesparing op de uitvoeringscapaciteit leidt de tijdelijke maatregel tot eenbesparing op de uitkeringslasten van cumulatief € 86 miljoen. DeWW-uitkeringslasten dalen omdat door deze maatregel WW-gerechtigdenop eigen verzoek hun WW-uitkering kunnen laten beëindigen. Debesparing op de uitkeringslasten staat los van het aantal fte dat aanuitvoeringscapaciteit door UWV wordt vrijgespeeld met de tijdelijkemaatregel.Vraag 169Hoeveel middelen en uitvoeringscapaciteit worden er vrijgemaakt voorhet herstel van de fouten in de Ziektewet- en Wet Arbeid enZorg-uitkeringen?Antwoord 169Bij de Suppletoire begroting september 2025 zijn de budgettaire gevolgenvoor de herstelacties inkomstenkorting en de herstelactie leeftijdsher-ziening verwerkt in de begroting. Deze herstelacties gezamenlijk resul-teren in een beperkte budgettaire vrijval van € 17.000 op de begroting. Ditbedrag volgt uit het saldo van nabetalingen en terugvorderingen van deherstelacties. UWV heeft aangegeven de uitvoeringskosten voor dezeherstelacties binnen het eigen budget op te kunnen vangen.In de Kamerbrief van 23 september jl. (Kamerstukken II 2025/26, 26 448,nr. 850) is ook gemeld dat er gevallen zijn waarbij een aanvulling van eenwerkgever op de uitkering niet goed is verwerkt bij de vaststelling van hetdagloon Ziektewet en Wet Arbeid en Zorg en ook dat het proces rond deverstrekking van voorschotten in de ZW niet altijd correct is verlopen.Voor deze herstelacties zijn vooralsnog geen middelen vrijgemaakt op debegroting. We zijn met UWV in gesprek over de omvang en aanpak vandeze herstelactie. Uw Kamer wordt bij de eerstvolgende Stand van deuitvoering nader geïnformeerd.Vraag 170Welke wijziging vindt er plaats in de manier waarop de Eerste Hulp bijOngevallen-kwalificatie (EHBO-kwalificatie) voor medewerkers in dekinderopvang wordt gewaarborgd?Antwoord 170Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 786 SZW heeft op dit moment een lijst van kinder EHBO-certificaten in eenregeling staan die gebruikt kunnen worden in kinderopvang. Deze lijst vanaangewezen certificaten komt momenteel tot stand door middel van eendocumentencheck vooraf vanuit SZW, waarbij processuele en algemeneinhoudelijke eisen worden getoetst. De belangrijkste wijziging is dat dezeeisen worden vervangen door heldere eindtermen. Op die manier is vooriedereen duidelijk welke concrete vaardigheden een persoon diewerkzaam is in de kinderopvang moet beheersen bij het behalen van eencertificaat eerste hulp aan kinderen. Niet wordt gewijzigd dat ergedurende de opvangtijd altijd een volwassene aanwezig moet zijn metEHBO-certificaat dat voor maximaal twee jaar is afgegeven.Vraag 171Hoe groot is de loonkloof tussen mannen en vrouwen in 2025?Antwoord 171Cijfers over 2025 zijn pas in de loop van 2026 bekend. In 2024 was deloonkloof, het gemiddelde uurloonverschil tussen mannen en vrouwen,10,5%. Dit volgt uit de publicatie De arbeidsmarkt in cijfers 2024 van hetCBS. Wel publiceert het CBS in december dit jaar de nieuwe MonitorLoonverschillen mannen en vrouwen. Deze monitor, die het CBS elke tweejaar in opdracht van het Ministerie van SZW uitvoert, bevat gegevens overloonverschillen bij de overheid en in het bedrijfsleven over het jaar 2024en de ontwikkeling hiervan ten opzichte van eerdere jaren. Zowel defeitelijke (of ongecorrigeerde) loonkloof als het statistisch gecorrigeerdeloonverschil tussen mannen en vrouwen wordt daarin meegenomen.Vraag 172Hoeveel deelnemers maken er na 1 januari 2026 nog de overstap naar hetnieuwe pensioenstelsel?Antwoord 172Naar verwachting zijn per 1 januari ongeveer de helft van de 18,5 miljoendeelnemers (actieve deelnemers, gewezen deelnemers en gepensio-neerden) ingevaren. De overige deelnemers maken in de periode na1 januari 2026 de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel. Ookpensioenfondsen die niet invaren moeten voor hun nieuwe opbouw eenregeling hanteren die voldoet aan de Wet toekomst pensioenen (Wtp). Ditbetreft een relatief klein aantal deelnemers. In de voortgangsrapportagemonitoring Wtp van begin 2026 wordt u geïnformeerd over het exacteaantal deelnemers dat op dat moment is ingevaren.Vraag 173Hoeveel mensen zullen er naar verwachting gelijk gebruik maken van hetbedrag ineens wanneer de wet op 1 juli 2026 inwerking zou treden?Antwoord 173De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel Herziening bedragineens is meerdere keren uitgesteld en is momenteel 1 juli 2026. Hetwetsvoorstel is momenteel nog in behandeling bij de Eerste Kamer.In de oorspronkelijke wet bedrag ineens, rvu en verlofsparen is ervanuitgegaan dat 10% van het aantal personen dat in een jaar met pensioengaat, gebruikmaakt van het keuzerecht bedrag ineens (= 20.000 personen)(Kamerstukken II 2019/20, 35 555, nr. 3, pagina 33).Vraag 174Wat is de beoogde datum voor inwerkingtreding van de Wet toezeggingenpensioenonderwerpen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 787 Antwoord 174Het wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpen is nu in voorbe-reiding bij het Ministerie van SZW. De verwachting is dat dit wetsvoorsteldit najaar aangeboden kan worden aan de Raad van State en in het eerstekwartaal van 2026 aangeboden kan worden bij de Tweede Kamer.Afhankelijk van de parlementaire behandeling is de verwachte inwerking-tredingsdatum van het wetsvoorstel 1 januari 2027.Vraag 175Worden er nog toezeggingen van de huidige Kamerperiode meegenomenin de Wet toezeggingen pensioenonderwerpen? Zo ja, welke?Antwoord 175Bij de behandeling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in de EersteKamer is een aantal toezeggingen gedaan. Het wetsvoorstel toezeggingenpensioenonderwerpen geeft hier uitvoering aan. Er is toegezegd devrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk te maken en hetkindbegrip te uniformeren. Het wetsvoorstel bevat daarnaast eenverruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting vanpensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel gesloten fondsenals verzekeraars. Vanuit de huidige Kamerperiode loopt een wijziging vande regels omtrent gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereen-komst mee in dit wetsvoorstel.Vraag 176Hoe groot is de loonkloof tussen autochtonen en allochtonen in 2025?Antwoord 176De gehanteerde definitie van de loonkloof is het verschil in gemiddeldbrutoloon tussen werknemers met een migratieachtergrond in verge-lijking met werknemers zonder migratieachtergrond, zonder dat daarbijwordt gecorrigeerd voor leeftijd, bedrijfstak of opleidingsniveau(Rapportage Inclusieve Arbeidsmarkt 2025, CBS).Over 2025 zijn nog geengegevens bekend. Volgens de Rapportage Inclusieve Arbeidsmarkt vanhet CBS was het uurloon van mensen waarvan de ouders buiten Europazijn geboren (tweede generatie) in 2023 gemiddeld 10,2 procent lager dandat van mensen waarvan zowel zijzelf als hun ouders in Nederland zijngeboren. Voor werknemers met een migratieachtergrond buiten Europa(eerste generatie) ligt het uurloon 8,5 procent lager.Vraag 177Hoeveel kost het om de AOW-leeftijd te verlagen naar 65 jaar?Antwoord 177Een verlaging van de AOW-leeftijd kost per saldo € 3,2 miljard in 2031 enstructureel € 9,1 miljard per jaar vanaf 2060. De AOW-gerechtigde leeftijdis tot en met 2030 vastgesteld waardoor een verlaging pas op zijn vroegstmogelijk is per 2031. Een verlaging van de AOW-leeftijd resulteert inhogere AOW-uitkeringslasten door een hoger aantal AOW-gerechtigden.Daarnaast is er een kleinere besparing op overige socialezekerheidsrege-lingen (zoals de bijstand, WIA en WW). Deze regelingen lopen namelijkdoor tot de AOW-gerechtigde leeftijd en eindigen dus eerder bij eenAOW-leeftijdsverlaging. De uitgaven lopen op richting de toekomst doorde vergrijzing.Indirecte budgettaire effecten op de belasting- en premie-inkomstenvanwege een lagere arbeidsparticipatie zijn niet meegenomen in dezeberekening. Ook zijn de uitvoeringkosten niet meegenomen. Daarbij is hetgoed om te noemen dat er onder andere is gekozen voor verhoging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 788 de AOW-leeftijd om de balans tussen werkenden en niet werkenden teverbeteren.Vraag 178Hoeveel kost het om de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU) in testellen voor zware beroepen na 40 jaar werk?Antwoord 178Het kabinet en sociale partners hebben afgesproken dat de RVU gericht enbeheerst wordt ingezet voor mensen die door de zwaarte van hun werkniet gezond werkend hun pensioen kunnen bereiken. Wat zwaar werk is enwie er voor de RVU in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald doorcao-partijen. Er is geen centrale definitie van zwaar werk of inzicht in hoelang mensen zwaar werk hebben uitgevoerd. Daarom is het niet mogelijkom de kosten te ramen van een RVU voor mensen met 40 jaar zwaar werk.Wel is in het akkoord «Gezond naar het pensioen» in 2024 afgesproken teonderzoeken of de gerichtheid en beheersbaarheid van RVU kan wordengeborgd via (fiscale) wetgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XV, nr. 789
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.