KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie WODC-onderzoek “De stilte achteraf – De langetermijngevolgen van de schoolgijzeling in Bovensmilde (1977)”

22 sep 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dc0364160e13e6d2 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2026Nr. 9 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE ENVEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 september 2025Op 23 mei 1977 gebeurde iets ondenkbaars: die dag werden leerlingen enleraren van de lagere school in het Drentse dorp Bovensmilde gegijzelddoor vier Molukse jongeren, onder andere om van de Nederlandseoverheid te eisen dat Molukse plegers van eerdere gijzelingsacties zoudenworden vrijgelaten. Na vier dagen werden alle kinderen en één leraarvrijgelaten, nadat sommige kinderen ziek waren geworden. Op 11 juni1977, na twintig dagen, werd de gijzeling beëindigd, en werden de vieroverige leraren bevrijd.De impact van deze gebeurtenis was heel groot. In de eerste plaats op degetroffen leerlingen, leraren en hun naasten. En ook op de rest van hetdorp en daarbuiten. Nooit eerder had zich een vergelijkbare situatievoorgedaan in Nederland. Toch blijkt de bekendheid met de schoolgij-zeling onder de Nederlandse bevolking, anno 2025, beperkt. De gelijktijdigbegonnen treinkaping bij De Punt is verankerd in het collectief geheugen.Dat geldt niet voor de schoolgijzeling in Bovensmilde. Voor een deel vande getroffenen werkt de gijzeling echter – ook na al die tijd – nog steedsdoor in hun dagelijks leven. In 2006 vroegen oud-leerlingen aandacht voordeze historie in Bovensmilde en de nog altijd «lege» grasvelden waar hunoude school stond. Ze richtten de plek samen met bewoners opnieuw in.Ook kwamen er gedenktekens. In 2022 vroegen andere oud-leerlingenaandacht voor de gevolgen van deze gijzeling. Lid Ellian (VVD) heeft, naaraanleiding van zijn aanwezigheid bij de 45-jarige herdenking van degijzeling in 2022, vervolgens bij het Kabinet aandacht gevraagd voor dezegroep.1 De toenmalige Minister voor Rechtsbescherming heeft besloten tebezien wat hij voor deze getroffenen kan betekenen en een projectopgestart («Erkenning en ondersteuning getroffenen schoolgijzelingBovensmilde», afgekort EOGB) om op een zorgvuldige manier en zoveel1Zie de door hem gestelde Kamervragen, Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, Aanhangsel(nr. 3373) kst-36800-VI-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 91 als mogelijk in samenspraak met de getroffenen invulling te geven aan ditproces.2Om de behoeften van getroffenen en de aangewezen vervolgstappen inkaart te brengen, heeft mijn ambtsvoorganger het WetenschappelijkOnderzoek- en Datacentrum (WODC) gevraagd onafhankelijk onderzoek te(laten) doen. ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum heeft, in opdrachtvan het WODC, onderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de langeter-mijngevolgen van de gijzeling voor getroffenen. Gedurende het onderzoekis op verzoek van het projectteam door ARQ een telefonisch contactpuntingericht, bemand door getrainde hulpverleners. Getroffenen en betrok-kenen konden hier terecht met vragen over het onderzoek. Daarnaastbood het contactpunt een luisterend oor en dacht het mee over passendezorg en hulpvragen voor voormalig gegijzelden en hun naasten.In aanwezigheid van de getroffenen die aan het onderzoek hebbenmeegewerkt, heb ik het onderzoeksrapport vandaag in Drenthe van deonderzoekers in ontvangst mogen nemen. Dit was een heel indrukwek-kende bijeenkomst. Hierbij bied ik uw Kamer het rapport «De stilteachteraf – De langetermijngevolgen van de schoolgijzeling in Bovens-milde (1977)» en bijbehorende beleidsreactie aan. In deze brief geef ikachtereenvolgens een samenvatting van de onderzoeksresultaten en deaanbevelingen van de onderzoekers. Daarna schets ik hoe ik invulling wilgeven aan de aanbevelingen.Uitkomsten ARQ-onderzoekHet onderzoek geeft inzicht in de langetermijngevolgen van de gijzelingvoor getroffenen en in de behoeften van getroffenen. Onder getroffenenwordt verstaan: leerlingen en leraren die tijdens de schoolgijzelinggegijzeld waren; hun naasten van toen, die de gijzeling van dichtbijmeemaakten; hun naasten van nu, die de gijzeling zelf niet hebbenmeegemaakt en/of hun gegijzelde dierbare destijds nog niet kenden, enandere betrokkenen, zoals niet-gegijzelde leraren, niet-gegijzeldeleerlingen en omwonenden. De nadruk in het onderzoek ligt op devoormalig gegijzelden en hun naasten.In 1977 telde de school een populatie van 120 kinderen. Op de dag van degijzeling was een aantal kinderen niet op school, en een aantal (Molukse)kinderen werd aan het begin van de gijzeling naar huis gestuurd. In totaalzijn 105 kinderen gegijzeld gehouden. Aan het onderzoek namen deel: 45voormalig gegijzelde leerlingen, 1 voormalig gegijzelde leraar, 2niet-gegijzelde oud-leraren, 2 niet-gegijzelde leerlingen van Molukseafkomst (van wie één leerling gedeeltelijk heeft deelgenomen), 1niet-gegijzelde leerling die nabij de school woonde, en 25 naasten. Vandeze 25 naasten maakten 11 de gijzeling als omstander mee. De overige14 waren ten tijde van de gijzeling nog niet betrokken; zij kenden hundierbare toen nog niet en hebben de gijzeling in Bovensmilde nietmeegemaakt.De bevindingen uit dit onderzoek zijn gebaseerd op vragenlijsten,interviews en groepssessies. In hoeverre deze deelnemers aan hetonderzoek representatief zijn voor alle getroffenen, is niet vast te stellen.Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de volgende onderzoeks-vragen:1.Wat zijn de langetermijngevolgen van de gijzeling in Bovensmildevoor getroffenen?2Hiertoe is een samenwerkingsverband opgezet tussen het Ministerie van JenV, de gemeenteMidden-Drenthe en de Expertise-unit Sociale Stabiliteit van het Ministerie van SZW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 92 2.Welke behoeften met betrekking tot erkenning en ondersteuningleven onder getroffenen in relatie tot de gijzeling?3.Welke aanbevelingen kunnen worden geformuleerd met betrekkingtot manieren waarop de overheid (rijksoverheid, uitvoeringsinstan-ties, gemeenten) tegemoet kan komen aan de behoeften vangetroffenen?In het onderzoek benoemen de onderzoekers dat niet zonder meer kanworden gezegd dat de Nederlandse overheid destijds, in de tijdsgeest vande jaren zeventig, meer had kunnen doen of beter had kunnen handelendan dat zij heeft gedaan. Nederland werd door de schoolgijzelinggeconfronteerd met een ongekende crisis, waarna de overheid directhandelde: er kwam een crisisdienst, opvang voor familie, en inzet vanpolitie, militairen, medici en hulpverleners. Onder leiding van de CentraleBeleids-en Ondersteuningsgroep Nazorg ex-gegijzelden (CBOG) starttennazorgprogramma’s voor kinderen en ouders, met samenwerking tussenhuisartsen, maatschappelijk werkers en psychiaters. De school ontvingprofessionele begeleiding en organiseerde activiteiten en uitjes. Ouderskregen professionele ondersteuning. Voor kinderen was vanuit deoverheid extra beveiliging in de nasleep geregeld om ze te beschermen.Ook kende de overheid een eenmalige financiële tegemoetkoming toe uitsolidariteit en medeleven.Tegelijkertijd, zo benadrukken de onderzoekers, speelde de schoolgijzelingzich ook af in een andere tijdsgeest, waarin minder aandacht bestond voortrauma, emotie en de belevingswereld van kinderen, en opvang en zorgna rampen en crises nog maar net in opkomst waren. Het conceptposttraumatische stressstoornis (PTSS) en de hulporganisatie Slachtof-ferhulp Nederland (SHN) bestonden nog niet. Ook waren er nog geenrichtlijnen voor psychosociale hulp en opvang, waren verantwoordelijk-heden wettelijk nauwelijks vastgelegd en kregen financiële regelingenvoor immateriële (psychische) schade weinig aandacht.Voordat ik hieronder, per onderzoeksvraag, aan de uitkomsten van hetonderzoek toekom, hecht ik er belang aan te benoemen dat de onder-zoekers aangeven dat er grote verschillen (kunnen) bestaan tussen deervaringen en behoeftes van getroffenen. Die kunnen in deze brief nietallemaal separaat worden benoemd. De onderzoekers hebben daarom derode draden benoemd in hetgeen bij de getroffenen is opgehaald. Zonderdaarbij de indruk te willen wekken dat deze signalen eenduidig zijn en datde andere geluiden niet worden gehoord of op waarde worden geschat.Onderzoeksvraag 1: Wat zijn de langetermijngevolgen van de gijzeling inBovensmilde voor getroffenen?Voor het merendeel van de deelnemende gegijzelde leerlingen was deschoolgijzeling een (zeer) negatieve ervaring, gekenmerkt door emotiesvan bedreiging, angst en stress. Toch, zo geven de onderzoekers aan,rapporteert de meerderheid geen blijvende negatieve gevolgen. Eenaanzienlijke minderheid ervaart echter ernstige mentale klachten enontevredenheid over hun kwaliteit van leven en mentale gezondheid. Eenkwart (24%) van de deelnemende leerlingen heeft vermoedelijke PTSS,met klachten als nachtmerries, waakzaamheid en onveiligheidsgevoelens.Het is niet vast te stellen of deze klachten (uitsluitend) voorkomen uit degijzeling, of (mede) samenhangen met andere traumatische ervaringen enmet andere factoren. Wel staat vast dat de schoolgijzeling voldoet aan decriteria van een potentieel traumatische gebeurtenis en dat de deelnemersklachten en problemen rapporteren die zij zelf aan de gijzelingtoeschrijven. Andere groepen getroffenen – zoals naasten, gegijzelde enniet-gegijzelde oud-leraren, en niet-gegijzelde leerlingen – rapporterenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 93 over het algemeen minder vaak negatieve gevolgen, en zijn vakertevreden met hun kwaliteit van leven en mentale gezondheid. In enkelegevallen waren de gevolgen voor naasten en omwonenden eveneens zeeringrijpend, of zelfs traumatisch. Sommige naasten werden ongewildmantelzorger of kostwinner.Onderzoeksvraag 2: Welke behoeften met betrekking tot erkenning enondersteuning leven in relatie tot de gijzeling?De onderzoekers onderscheiden drie verschillenden elementen: steun,erkenning en houdingen binnen en tussen gemeenschappen om dezevraag te beantwoorden.SteunRuim een op de vijf deelnemende gegijzelde leerlingen en bijna een op dezes naasten heeft momenteel behoefte aan ondersteuning. Leerlingengeven aan dat dit volgens hen gerelateerd is aan de schoolgijzeling.Naasten geven aan dat de behoefte aan steun in de helft van de gevallenmet zekerheid gerelateerd is aan de schoolgijzeling. Leerlingen en naastenzoeken vooral hulp bij verwerking en het omgaan met posttraumatischeklachten. In de nasleep van de gijzeling ontbrak het leerlingen aan bredesteun vanuit de directe omgeving en officiële instanties. De minste steunwerd ervaren van de rijksoverheid, gemeente en hulpverlening. Ookervoer bijna de helft weinig tot nauwelijks steun van het eigen gezin en deeigen familie. Wanneer wel steun werd ervaren, was dit vaak beperkt. Inde jaren daarna vonden sommige betrokkenen steun in lotgenoten-contact, professionele hulp, herdenkingsinitiatieven en het delen vanervaringen. De overige deelnemende getroffenen (niet-zijnde leerlingen ofnaasten) geven aan op dit moment geen behoefte te hebben aanondersteuning.ErkenningDe meeste deelnemende gegijzelde leerlingen hebben aangegeven geenerkenning te (hebben) ervaren vanuit de rijksoverheid, de gemeente en desamenleving. Zij houden de toenmalige regering medeverantwoordelijkvoor de aanleiding van de gijzeling en het gebrek aan nazorg na degebeurtenis. Ook verwijten zij de regering te bagatelliseren wat hen isoverkomen. Hun klachten en de gevolgen voor hun leven worden volgenshen onvoldoende gezien. Ook van de gemeente hebben zij in de nasleepen de jaren erna nauwelijks steun ervaren. Tegenover dit gemis staat datveel leerlingen juist wél steun vonden bij partners en lotgenoten, wathielp in de verwerking. Leraren voelden zich over het algemeen wélerkend. Een leerling van Molukse afkomst geeft aan zich niet erkend tevoelen door overheid en media en voelde zich door de gijzeling somsbuitengesloten op school. Voor naasten staat erkenning vooral in hetteken van recht doen aan hun gegijzelde dierbaren. Sommigen wensendaarnaast meer aandacht voor de weerslag op hun eigen leven.Houdingen binnen en tussen gemeenschappenDe onderzoekers zien een brede bereidheid onder de deelnemendegegijzelde leerlingen, leerkrachten, naasten en de betrokken leerling vanMolukse afkomst om het gesprek aan te gaan en samen te werken aan deverwerking van de schoolgijzeling op gemeenschapsniveau. Tegelijk is erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 94 ook een minderheid van de gegijzelde leerlingen die hier afwijzendtegenover staat.3Onderzoeksvraag 3. Welke aanbevelingen kunnen worden geformuleerdmet betrekking tot manieren waarop de overheid (rijk, uitvoering,gemeenten) tegemoet kan komen aan de behoeften van voormaliggegijzelden en hun naasten?Op basis van hun bevindingen uit het onderzoek, formuleren de onder-zoekers vijf aanbevelingen.1.Richt een steunpunt in voor getroffenen.Faciliteer een laagdrempelig steunpunt waar getroffenen terechtkunnen voor psychische, psychosociale en praktische hulp, inclusieftoeleiding naar gespecialiseerde traumazorg en lotgenotencontact.Zorg voor langdurige beschikbaarheid, betrokken casemanagementen expliciete aandacht voor naasten.2.Ontwikkel een handreiking voor hulpverleners en getroffe-nen.Stel een praktische handreiking op met informatie over de historischecontext, gevolgen van de gijzeling en passende bejegening. Richtdeze op professionals (zoals huisartsen, GGZ, maatschappelijkeorganisaties), maar maak deze ook beschikbaar voor getroffenen zelf,zodat zij deze kunnen inzetten bij gesprekken met hulpverleners enuitvoerende instanties.3.Richt een informatie- en herinneringspunt in.Bied een centrale plek voor betrouwbare informatie over deschoolgijzeling, persoonlijke verhalen en educatief materiaal. Dit puntdraagt bij aan publieke erkenning en maatschappelijke bewustwor-ding over de schoolgijzeling. Overweeg samenwerking met erf-goedinstellingen en borg structureel beheer en onderhoud.4.Verken wat overheden kunnen betekenen voor getroffenen.Erken dat de nazorg destijds tekort is geschoten en verken of eenfinanciële tegemoetkoming passend is voor getroffenen metaanhoudende posttraumatische klachten of geleden schade.Overweeg aansluiting bij bestaande regelingen zoals het Schade-fonds Geweldsmisdrijven. Combineer een eventuele tegemoetko-ming met publieke erkenning en onderhoud van gedenktekens.5.Verken draagvlak voor herstelgerichte ontmoetingen tussengemeenschappen.Ondersteun herstelgerichte initiatieven tussen de Molukse enNederlandse gemeenschappen voor wie daaraan behoefte heeft.Verken het draagvlak bij de Molukse gemeenschap en betrekbestaande initiatieven. Organiseer bijeenkomsten vanuit eenherstelrechtelijk en dialogisch kader. Niet iedereen wil verbinding;sommigen zijn uitgesproken tegen verzoening. Respecteer dit.Deelname mag nooit worden afgedwongen, maar ook niet wordenbelemmerd voor wie er wel behoefte aan heeft.Op grond van al het voorgaande komen de onderzoekers tot slot tot eenaantal lessen en inzichten inzake erkenning en ondersteuning, die voor depreventie en beperking van problemen bij toekomstige vergelijkbaregebeurtenissen van waarde zouden kunnen zijn. Enkele belangrijkeinzichten zijn dat er geen doden of gewonden hoeven te vallen voor deontwikkeling van aanhoudende ernstige traumatische klachten, en datkinderen bijzonder kwetsbaar zijn voor trauma’s als gijzeling. Verder3Uit het onderzoek volgt dat 20% van de deelnemende gegijzelde leerlingen en 15% van denaasten geen behoefte aan contact met de Molukse gemeenschap. Respectievelijk 11% van dedeelnemende leerlingen en 4% van de naasten is niet bereid te zoeken naar gezamenlijkeoplossingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 95 constateren de onderzoekers een grote verscheidenheid in individueletraumatische reacties na de schoolgijzeling. Ook benoemen zij datposttraumatische klachten die samenhangen met de gijzeling lang nietaltijd vanzelf verdwijnen en dat herstel en ondersteuning veel meer tijdvergen dan we geneigd zijn te denken.4BeleidsreactieIk ben de onderzoekers erkentelijk voor het grondige onderzoek dat zijhebben uitgevoerd. Uit het indrukwekkende rapport dat ARQ heeftopgeleverd komt duidelijk naar voren hoe (de nasleep van) de gijzelingniet alleen de gegijzelden, maar ook hun gezinnen van herkomst, huidigepartners, andere dierbaren en gemeenschappen in Bovensmilde (zowel deNederlandse als de Molukse) heeft geraakt – en nog altijd raakt. Hetonderzoek laat ook zien dat de ervaringen, gevolgen en behoeften binnenen tussen groepen getroffenen variëren. Daarom zijn er gerichte aanbeve-lingen voor specifieke groepen getroffenen waarmee wordt getracht rechtte doen aan wat mensen nodig hebben. De onderzoekers geven duidelijkaan dat de aanbevelingen bedoeld zijn als mogelijkheden en niet alsverplichtingen of standaardoplossingen waar iedereen aan zou moetendeelnemen. Niet iedere getroffene zal zich aangesproken voelen om deelte nemen aan lotgenotencontacten of verbindende activiteiten tussengemeenschappen, of zal zich willen aanmelden bij het steunpunt. En dat ishun goed recht.Erkenning voor getroffenenUit het onderzoek komt naar voren dat bij een deel van de deelnemers, debehoefte leeft aan publieke excuses. De onderzoekers hebben ookbenoemd dat de overheid in 1977 een aantal maatregelen heeft getroffenter ondersteuning en begeleiding van de getroffenen van de gijzeling endat niet zonder meer kan worden gezegd dat de Nederlandse overheiddestijds, in de tijdsgeest van de jaren zeventig, meer of beter had kunnenhandelen dan dat zij heeft gedaan. De onderzoekers geven dan ook in hunaanbevelingen aan dat een publiek excuus minder voor de hand ligt. Inhet licht daarvan zie ik geen aanleiding voor een publiek excuus voor dekeuzes die de overheden hebben gemaakt op het gebied van onder-steuning en begeleiding na de schoolgijzeling. Tegelijk constateer ik datwat er destijds vanuit de overheid is gedaan een deel van de getroffenenniet heeft bereikt en dat voor een deel van hen simpelweg meer nodigwas (en is) om te kunnen omgaan met wat hen is overkomen. Ondanksalle goede bedoelingen en acties destijds vanuit de overheid blijkt dat eendeel van de getroffenen zich niet gezien en gehoord voelt en het gevoelheeft dat de gijzeling is gebagatelliseerd. Dit onderzoeksrapport maaktduidelijk welke gevolgen dat voor een deel van de getroffenen heeftgehad. Het is belangrijk dat dat nu in beeld is gebracht, zodat we hieropkunnen handelen voor de getroffenen die daar behoefte aan hebben.Ik erken dat de gijzeling voor een deel van de getroffenen grote gevolgenheeft gehad. En dat zij te kampen hebben, of hebben gehad, met leed entrauma. Ik zet daarom ter uitvoering van de aanbevelingen in op eenaantal maatregelen met als doel hulp en ondersteuning te bieden aan diegetroffenen. Met dit geheel aan maatregelen wil ik graag bijdragen aan dedoor de onderzoekers aanbevolen publieke erkenning.4Voor een totaaloverzicht van de lessen en aanbevelingen verwijs ik naar p. 187–188 van hetrapport.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 96 Zorg en ondersteuning, inrichten steunpunt voor getroffenenGedurende het onderzoek is zowel via het eerdergenoemde contactpuntals bij de projectgroep al een aantal signalen binnengekomen rondomzorg, hulp en ondersteuning. Naar aanleiding daarvan is, al gedurende hetonderzoek, een aantal acties in gang gezet. Dat zijn:–Het via het contactpunt doorgeleiden door ARQ van een aantalgetroffenen naar passende zorg.–Het informeren van mensen over bestaande regelingen en voorzienin-gen met betrekking tot tegemoetkomingen.–Het onder de aandacht brengen van deze problematiek bij het UWV.Resultaat daarvan is dat het UWV intern een centraal punt heeftingericht, met kennis en expertise over de gijzeling;–Het verzorgen door ARQ van een online webinar voor huisartsenprak-tijken in de regio over verwerking van en ondersteuning bij schok-kende gebeurtenissen.Ik ga zorgen dat er voor getroffenen van de schoolgijzeling die kampenmet psychische- en psychosociale klachten die zij toeschrijven aan degijzeling, een centrale plek komt waar zij terecht kunnen voor detoeleiding naar zorg, steun, praktische hulp en lotgenotencontact. Heteerdergenoemde contactpunt heeft hierin een rol vervuld, maar metgetroffenen kijk ik welke vorm hiervoor het beste past. Voor dedeelnemers waarvan is gebleken dat zij kampen met ernstige trauma-klachten als gevolg van de schoolgijzeling en behoefte hebben aangespecialiseerde psychische zorg op maat, vind ik het belangrijk dat zijsnel geholpen kunnen worden toeleiding naar de juiste zorg, ook in detussenliggende periode waarin dit centrale steunpunt er nog niet is.Daarvoor zet ik in op het langer openhouden van het bestaandecontactpunt tot het moment dat het steunpunt is ingericht. In dit kader kijkik ook naar de aanbeveling om te verkennen of mensen een financiëletegemoetkoming kunnen krijgen die door hun gijzeling nog steedsaanhoudende posttraumatische klachten of schade hebben. De overheidis niet direct verantwoordelijk voor de schade en daarom ligt een apartefinanciële tegemoetkoming niet voor de hand.5 Wel kan per persoonworden gekeken of extra hulp nodig is en worden geholpen bij hetaanvragen bij bestaande regelingen en fondsen.Opstellen handreiking voor professionalsEr wordt een praktische handreiking voor professionals (huisartsen, GGZ,maatschappelijke organisaties) opgesteld, met informatie over de contexten gevolgen van de gijzeling en passende bejegening. Daarnaast wil ik,voor zover daar bij getroffenen behoefte aan bestaat, het optekenen vanindividuele verhalen faciliteren. Sommigen geven immers aan het moeilijkte vinden het verhaal telkens weer opnieuw aan diverse instanties ofhulpverleners te moeten vertellen. Het laten optekenen van het levens-verhaal ontlast hen hiervan. Dat is primair bedoeld voor eigen gebruikdoor de getroffenen en zij kunnen zelf bepalen of en met wie zij dit delen.Dat kan zijn een naaste, een behandelaar of hulpverlener zijn; of eenbreder publiek, bijvoorbeeld via het in te richten informatie- of herinne-ringspunt. Hierbij zij opgemerkt dat een dergelijk verhaal niet gedeeldhóeft te worden; uit eerdere ervaringen in andere contexten is bekend dathet helend kan zijn het eigen verhaal goed opgeschreven terug te kunnenlezen. In die zin kan het optekenen van het verhaal ook een vorm vanondersteuning zijn.5Zo volgt ook uit het afwegingskader van de Raad van State, «Tegemoetkomen doe je nietzomaar. Een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmendesituaties», mei 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 97 Inrichten informatie- en herinneringspuntSamen met de getroffenen wil ik kijken hoe een informatie- en herinne-ringspunt kan worden ingericht. Het is van belang om het zwijgen over degijzeling, dat door de getroffenen wordt ervaren, te doorbreken enpublieke bekendheid te geven aan de schoolgijzeling en de gevolgendaarvan voor getroffenen. In gesprek met getroffenen kan onder meerworden bezien welke informatie moet worden ontsloten, waar hetinformatiepunt kan worden geplaatst, of het fysiek en/of online toegan-kelijk moet zijn, of aansluiting kan worden gezocht bij bestaandeorganisaties, of een inbedding in de lokale context – bijvoorbeeld bijhistorische verenigingen in de regio – voor de hand ligt, of het eenstatisch document wordt of een levend document dat aangevuld wordt,en wie verantwoordelijk is voor het beheer.Gedenkteken en onderhoudGetroffenen benadrukken het belang van goed onderhoudenmonumenten, die een belangrijke rol spelen in de herdenking, betekenis-geving en verwerking van de schoolgijzeling. De onderzoekers adviserendaarom de gemeente Midden-Drenthe coulant te zijn en het onderhoudover te nemen van het bestaande monument en bij eventuele nieuwemonumenten vooraf heldere afspraken te maken met alle betrokkeninitiatiefnemers over beheer en instandhouding. Mijn ambtsvoorgangerheeft in 2024 middelen beschikbaar gesteld, zodat het bestaande en doorde inwoners van Bovensmilde gezamenlijk gerealiseerde monument metde tekst «Wij willen samen leven» opgeknapt kon worden. Dat isinmiddels gerealiseerd door de gemeente Midden-Drenthe. Naast hetmozaïek, is er bij sommige deelnemers behoefte aan het plaatsen van eengedenkteken bij de «nieuwe» school in Bovensmilde. Dit is een van deonderwerpen waarover het projectteam samen met de mensen om wiehet gaat de komende periode in gesprek wil gaan, om te bezien hoe breedhet draagvlak hiervoor is, om ideeën op te halen en om te bezien of enhoe daar invulling aan kan worden gegeven.Ondersteuning herstelgerichte initiatieven inwonersDe onderzoekers bevelen aan om herstelgerichte initiatieven tussen deMolukse en Nederlandse gemeenschappen in Bovensmilde te onder-steunen en bevelen aan dat de gemeente Midden-Drenthe hier eenleidende rol neemt en het draagvlak in kaart brengt. Uit het onderzoekkomt ook naar voren, dat niet iedereen behoefte heeft aan dit soortinitiatieven. Ik ben het met de onderzoekers eens dat niemand verplicht isom hieraan mee te doen en niemand zich bezwaard hoeft te voelen overzijn of haar keuze hierin. Het is goed om hierbij op te merken dat er, zowelaan Molukse als aan Nederlandse zijde, geen sprake is van «de» gemeen-schap: er is sprake van een verscheidenheid aan perspectieven enbehoeften, ongeacht de achtergrond van inwoners. Daarnaast is het goedom op te merken dat vanuit bewoners van Bovensmilde zelf al van alles isgeorganiseerd in het teken van samen leven, zoals de stichting Brink Baruen de stichting De school van Bovensmilde. De gemeente heeft al geruimetijd initiatieven ontplooid die hier aan bijdragen, door het faciliteren enondersteunen van initiatieven uit de bevolking die zijn gericht op hetsamenleven in Bovensmilde, zoals voormelde stichtingen, het Buurtin-fohuis, en door (financiële) bijdragen aan monumenten en herdenking.Zoals eerder gemeld maakt de gemeente onderdeel uit van de project-groep EOGB. Daarin ontsluit de gemeente de hiervoor genoemde socialestructuren voor de doelen van de projectgroep en levert de gemeentekennis over de bestaande organisaties en faciliteiten. De gemeente heeftaangegeven hierop te blijven inzetten als het een relatie heeft metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 98 inwoners van Bovensmilde. Ik ben graag bereid de gemeente hierin teondersteunen met kennis, expertise en capaciteit vanuit de projectgroep.Ter afsluitingIk wil de getroffenen van de schoolgijzeling in Bovensmilde en hunnaasten, die hebben deelgenomen aan het onderzoek danken voor hunopenheid en vertrouwen. Het is belangrijk dat zij via het onderzoek vanARQ een stem hebben gekregen, dat de stilte achteraf daarmee isdoorbroken. Ik heb deze stemmen gehoord en het heeft mij geraakt. En ikhoop dat de deelname aan het onderzoek en de opvolging van voorstellenzoals beschreven in deze brief kunnen bijdragen aan erkenning en herstel,voor hen die daar behoefte aan hebben. Daarbij is het van wezenlijkbelang, dat de totstandkoming en vormgeving van de voorstellen toterkenning en ondersteuning zoveel als mogelijk in samenspraak met degetroffenen die daar behoefte aan hebben worden gedaan, zodat zeaansluiten bij de behoeften van de mensen om wie het gaat. Erkenning enherstel beginnen immers met luisteren. Dat is gebeurd middels ditonderzoek, en dat blijf ik doen door de manier waarop invulling wordtgegeven aan het vervolg. Door deze aanpak handel ik in lijn met het doordit kabinet in gang gezette werken vanuit de principes van herstelrechtzoals toegezegd naar aanleiding van het rapport van de Nationaleombudsman «Herstel bieden, een vak apart» en vindt ondersteuningplaats door het overheidsbrede programma Erkenning en Herstel.6 UwKamer informeer ik over de stand van zaken van erkenningsmaatregelenin de volgende voortgangsbrief over de Meerjarenagenda Slachtoffer-beleid.De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,A.C.L. Rutte6Kamerstukken II 2024–2025, 33 047, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VI, nr. 99

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b67cf14b8f645f51

14 okt 2026 · 35c517f316017166

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.