KamerkringInloggen
Kamerbrief

Versterking van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem

13 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 036bc458c69d8807 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 023Voorzienings- en leveringszekerheid energie31 239Stimulering duurzame energieproductieNr. 643 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 april 2026Decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem zijn essentieel voorwoningbouw, economische groei en verduurzaming van bedrijventer-reinen en mobiliteit. Er ontstaan steeds meer mogelijkheden om opwek,opslag en verbruik van energie lokaal te combineren. In de kamerbrief van18 juni 20251 heeft het vorige kabinet hiervoor een visie neergezet. In diebrief zijn het perspectief op decentrale ontwikkelingen en de hoofdkeuzesvoor beleid beschreven. Ook is in die brief toegezegd om beter in beeld tebrengen welke besparingen op netinvesteringen hiermee mogelijk zijn. Ditin aanvulling op acties die worden uitgevoerd vanuit het LandelijkeActieprogramma Netcongestie (LAN).In deze brief beschrijf ik, mede namens de Staatssecretaris van Klimaat enGroene Groei, hoe het kabinet de decentrale ontwikkelingen in hetenergiesysteem voluit wil versterken. Het energiesysteem bestaat uit eensamenhangend geheel van bronnen, infrastructuur, opslag en gebruikersop verschillende niveaus. We hanteren daarom niet één definitie van eendecentraal energiesysteem, maar spreken van decentrale ontwikkelingen.Het streven is om deze ontwikkelingen gebiedsgericht vorm te geven,waarbij lokale opwek, opslag en verbruik van energie zoveel mogelijk bijelkaar komen, zowel in tijd als in ruimte. Daarmee dragen decentraleontwikkelingen bij aan een betaalbaar, duurzaam en betrouwbaarenergiesysteem.Het is de taak van de Rijksoverheid om de randvoorwaarden hiervoor oporde te brengen zodat decentrale ontwikkelingen sneller en eenvoudigertot stand kunnen komen. In deze brief agendeer ik daartoe relevant beleiden acties, met name voor gebiedsgericht beleid en marktontwikkelingen.Deze brief gaat daarmee onder andere over de stimulering van deessentiële doorgroei van hernieuwbare energie op land, de uitwerking vanhet sturingsinstrumentarium omgevingsrecht en de ontwikkeling van eenstrategische aanpak voor gewenste marktontwikkelingen.1Kamerstukken II, 2024/2025, 29 023, nr. 587 kst-29023-643ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6431 De brief is opgebouwd uit vier samenhangende delen. Allereerst ga ik inop de potentie van decentrale ontwikkelingen. Vervolgens vertaal ik dezeinzichten, samen met de staat van decentrale ontwikkelingen in hetenergiesysteem (hierna: staat van decentraal), naar concrete beleidsactiesin een samenhangende en verbindende aanpak. Daarna wordt detoekomst van decentraal verkend aan de hand van diverse innovatiepro-jecten. De brief sluit af met afgedane moties en toezeggingen. Met dezebrief voeg ik een aantal jaarlijkse brieven samen, inclusief de bijbeho-rende monitoringsrapporten2, 3, 4, 5, 6. Ook stuur ik vijf onderzoeken meedie het afgelopen jaar zijn uitgevoerd7, 8, 9, 10, 11.Potentie van decentrale ontwikkelingenDe recente gebeurtenissen benadrukken het belang van energie opwek opeigen bodem: strategische onafhankelijkheid, grip op opwek en daarmeegrip op betaalbaarheid. Nederland is een windrijk land en heeft daardoormogelijkheden voor opwek op zee en op land. Nationale, grootschaligeopwek betekent transport van deze energie naar bedrijven enhuishoudens verspreid over Nederland. Dit is kostbaar en vraagt veelruimte. Decentrale oplossingen zetten in op opwek dicht bij de vraag enenergiedragers zoals warmte en lokale flex, waarmee netcapaciteit op delangere termijn geborgd kan worden. Energiegemeenschappen kunnenhier een rol in spelen. Zo kan lokaal energiebesparing, in combinatie metopwek, opslag en verbruik afgestemd worden, zodat wonen, werken enverplaatsen mogelijk is. Decentrale ontwikkelingen zijn hiermee óók eenruimtelijke opgave en een waardevolle toevoeging voor het Nederlandseenergiesysteem.TNO heeft in beeld gebracht wat de potentie van decentrale ontwikke-lingen in het energiesysteem is op besparingen op investeringen in hetelektriciteitsnet12. Als decentrale ontwikkelingen op de juiste manierworden ingezet, hoeft er minder energie getransporteerd te worden, ookop momenten van piekbelasting. Op die manier kan er bespaard wordenop de verzwaring van het elektriciteitsnet. Het eerdere interdeparte-mentale beleidsonderzoek (IBO) naar de Bekostiging van de Elektriciteits-infrastructuur13 vormt de basis voor dit TNO-onderzoek. Uit dit IBO bleekal dat er een significante besparing mogelijk is als gevolg van het beterbenutten van het net. Specifiek voor decentrale ontwikkelingen schat TNOhet besparingspotentieel in verdere doorrekeningen op 4,5 tot 24,5 miljardeuro14, 15, afhankelijk van hoe sterk er op wordt gestuurd. Een groot deel2Bijlage A – Monitor RES, PBL, 20253Bijlage B – Foto NP RES, 20254Bijlage C – Monitor Wind op Land 2024, RVO, 20255Bijlage D – Monitor Zon-PV 2025, RVO, 20256Bijlage E – Monitor financiële participatie hernieuwbare energie op land 2024, ASISEARCH enBosch & van Rijn, 20257Bijlage F – Decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem in relatie tot de benodigdeinvesteringen in het elektriciteitsnet, TNO, 20258Bijlage G – Onderzoek hernieuwbare opwek op land, CE Delft en Generation Energy, 20269Bijlage H – Lokaliteitsbeperking bij energiedelen met vrije leverancierskeuze, Berenschot, 202510Bijlage I – Ontwerpend onderzoek naar decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem,Urban Synergy, Generation Energy & Bright, 202611Bijlage J – Evaluatie Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwek, KWINK groep, 202612Bijlage F – Decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem in relatie tot de benodigdeinvesteringen in het elektriciteitsnet, TNO, 202513Kamerstukken II, 2024/25, 29 023, nr. 55314In het perspectief van 103 miljard euro investering die tot 2040 nodig is voor de verzwaringvan het elektriciteitsnet op land, aldus de berekeningen voor het IBO. Recent zijn deze cijfersgeactualiseerd en hoger uitgevallen: dat laat de conclusies onverlet dat conform de bereke-ningen van TNO, gebaseerd op het eerdere IBO, significante besparingen mogelijk zijn viadecentrale ontwikkelingen in het energiesysteem.15FIEN26, Strategy& & PWC, 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6432 van de besparing, 2,5 tot 13 miljard euro, komt door de effecten vandecentrale ontwikkelingen op de hogere netvlakken, zogeheten knock-oneffecten.Het grootste deel van de in de studie beschreven decentrale ontwikke-lingen richt zich op eindverbruikers in de gebouwde omgeving en op enrond bedrijventerreinen:•Ontwikkelingen in de gebouwde omgeving: flexibiliteit in degebouwde omgeving (aansturing van: laadpalen/bi-directioneel laden,warmtepompen, thuis- en buurtbaterijen); warmtebatterijen enwarmtenetten; energiegemeenschappen.•Ontwikkelingen op en rond bedrijventerreinen: flexibiliteit op bedrij-venterreinen (industriële vraagresponse, conversie, opslag); warmte-netten; energiehubs.Het rapport geeft aan dat veel beleid in gang is gezet en veel partijen alactief zijn met decentrale ontwikkelingen, maar dat meer mogelijk ennodig is. Om het potentieel van decentraal te verzilveren, doet het rapportaanbevelingen voor een aantal aanvullende maatregelen. Het rapportgeeft hiermee belangrijke handvatten voor de versterking van dedecentrale ontwikkeling van het energiesysteem om aan de slag te gaanmet de nodige acties.Aan de slag met decentraalHet kabinet geeft met de in de bijlage opgenomen «Staat van decentraal»een overzicht van decentrale ontwikkelingen16. Hierin wordt inzichtelijkgemaakt hoe het ervoor staat op basis van de drie hoofdkeuzes uit devorige Kamerbrief: 1) afstemmen van opwek, opslag en verbruik op iederschaalniveau, 2) samenhang tussen gebiedsontwikkeling en het energie-systeem en 3) regie vanuit een sociaal-maatschappelijk perspectief. DeStaat van decentraal geeft een eerste inzicht en is opgebouwd vanuit debeschikbare veelal sectorale informatie. Deze wordt de komende jarenontwikkeld tot een complete Monitor Decentraal om beter inzichtelijk temaken hoe de drie hoofdkeuzes invulling krijgen. De eerste versie hiervankomt naar verwachting in 2027 beschikbaar.De Staat van decentraal laat zien dat een deel van de decentrale ontwikke-lingen gestaag groeien, zoals energiehubs, batterijen en het aantal ledenvan energiegemeenschappen. Het RES-doel van 35 TWh opgewektehernieuwbare decentrale elektriciteit in 2030 wordt waarschijnlijkgehaald17, maar het totale bod van 55 TWh van de RES-regio’s raakt uitzicht. RES-regio’s blijven zich inzetten om deze ambitie na 2030 te halen.Ook is de opwek van hernieuwbare elektriciteit vaak nog niet gekoppeldaan lokaal verbruik en lopen hernieuwbare energieprojecten in de praktijktegen belemmeringen aan, zoals schaarse netcapaciteit om in te voedenen ruimte. Daarnaast vlakt de verduurzaming in de sectoren wonen,werken en mobiliteit af. Deze stagnerende ontwikkeling laat zien dat erurgentie is voor een aanpak om de energietransitie vaart te latenbehouden: een versterkte en verbindende aanpak decentraal die lopendbeleid – zoals dat al vorm krijgt voor de warmtetransitie18 en in deNationale Agenda Laadinfrastructuur19 – aanvult en waar nodig verbindt.Figuur 1 bevat een samenhangende aanpak om de randvoorwaarden voorde ontwikkeling van decentrale ontwikkeling te versterken. De aanpak16Bijlage K – De staat van decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem17Bijlage A – Monitor RES, PBL, 202518Kamerstukken II, 2025–2026, 36 576, nr. 11919Kamerstukken II, 2024–2025, 31 305, nr. 523Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6433 richt zich op de drie hoofdkeuzes voor decentraal en vertaalt die naarconcrete acties in twee sporen: 1) Energiesysteem en gebiedsgerichtbeleid en 2) Energiesysteem en marktontwikkelingen. Beide sporen gevenook invulling aan de succesfactoren van decentraal uit de vorige Kamer-brief: digitalisering, professionalisering en financiering.Spoor 1: Energiesysteem en gebiedsgericht beleid1. Integraal programmeren energiesysteem Het energiesysteem van de toekomst vraagt om een goede samenwerkingmet andere ministeries (o.a. BZK en IenW), medeoverheden, netbe-heerders en maatschappelijke partners. Deze interbestuurlijke samen-werking krijgt vorm in de uitwerking van de zogeheten InterbestuurlijkeSamenwerkingsagenda (ISA). De ISA afspraken zijn in 2025 uitgewerkt enhet traject is een volgende fase ingegaan: van afspraken maken naardoen.Zo wordt nu gezamenlijk gewerkt aan pilots voor energiebeelden in vierprovinciale gebieden. De energiebeelden kijken integraal naar vraag enaanbod van alle decentrale energiedragers. Dat kan zinvol zijn opmeerdere schaalniveaus, zoals provincie, gemeente of regio. Op basis vande energiebeelden wordt scherp gemaakt wat er nu en in de toekomstmogelijk en nodig is aan opwek, opslag en verbruik voor wonen, werkenen verplaatsen.Om de samenhang met het nationale niveau (o.a. Nationaal PlanEnergiesysteem Programma Energie Hoofdstructuur en Nota Ruimte) teborgen, worden zoveel mogelijk gelijke uitgangspunten, bronnen endefinities gebruikt. Zo zijn de beelden vergelijkbaar en optelbaar oplandelijk niveau. Het energiebeeld wordt gebiedsgericht uitgewerkt,overeenkomstig de uitgangspunten en principes uit de ontwerp NotaRuimte, zodat de samenhang tussen energie en andere ruimtelijkeontwikkelingen geborgd is. Tot slot worden in de vorm van energieaf-spraken bestuurlijke keuzes gemaakt over de projecten en randvoor-waarden die nodig zijn om aan de slag te gaan. Naar aanleiding van depilots worden verdere afspraken gemaakt over de interbestuurlijkesamenwerking.De ondersteuning voor medeoverheden voor deze interbestuurlijkesamenwerking landt vanaf 2027 in een nieuw Nationaal Programma inoprichting (NP i.o.). In dit programma worden de krachten gebundeld vanFiguur 1: Versterkende en verbindende aanpak voor decentraal, aanvullend op lopendbeleidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6434 het huidige Nationaal Programma Lokale Warmte (NPLW), NationaalProgramma Regionale Energie Strategieën (NP RES) en Samenwerkings-programma Integraal Programmeren (SP IPE). Medeoverheden hebbeneigen bevoegdheden in het Huis van Thorbecke, maar gebruikendaarnaast de energyboards en energieregio’s20 om in de uitvoeringverschillende opgaven in een gebied met elkaar af te stemmen.De provincies, in samenwerking met gemeentes en netbeheerders, zijnook aan de slag met de ontwikkeling van het provinciale Meerjarenpro-gramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) 3.0, met als deadline1 maart 2027. Hierbij zijn twee aanvullende aandachtspunten: focussen ophet programmeren van toekomstige projecten en samen prioriteren enbeperken van het aantal projecten. Daarnaast zijn er in veel gebieden ooknationale projecten, zoals aanlandingen wind op zee, grootschaligebatterijen of het landelijk waterstofnetwerk. Bij de toekomstige inrichtingvan het gasnet houd ik rekening met lokale groen gasproductie, invoedingen de nationale groen gasvraag. Ook daarbij is aandacht voor deondersteuning, bijvoorbeeld via gebiedsinvesteringen voor gemeenteswaar veel projecten van nationaal belang samenkomen. Naar verwachtingstarten de eerste uitkeringen hiervan in het derde kwartaal van 2026.2. Hernieuwbare elektriciteit met zon- en windenergie op land Om inzicht te krijgen in doorontwikkeling van specifiek zon- enwindenergie op land, is een onderzoek uitgevoerd door CE Delft enGeneration Energy. Hierin is onderzocht welke rol zon- en windenergie opland in de nationale energiemix richting 2040 kunnen spelen en welkekeuzes dit vraagt21. Uit de analyse blijkt dat hernieuwbare energie op landook in 2040 van grote waarde is én dat de potentie zeer groot is. Dit staatlos van de ontwikkeling van kernenergie met Small Modular Reactors(SMR’s). Het onderzoek laat zien dat het pure theoretisch potentieel voorzon- en windenergie respectievelijk 600 GW en 50 GW is. Uit de uitge-voerde scenariostudies blijkt dat er 8–15 GW wind op land en 57–127 GWzon-PV nodig is in 2040, gebaseerd op de verwachte vraagontwikkeling,voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050.Nieuwe richtwaarden voor opwek met zon- en wind op land voor 2040 zijnonderdeel van de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem(NPE). Het perspectief wordt verbreed ten opzichte van de huidigeRES-doelstelling. Hierbij kijk ik niet alleen naar de kosten, maar ook naarhet sociaal-maatschappelijk en ruimtelijk perspectief. Deze nieuwe ambitiewil ik laten landen in de te maken eerdergenoemde energieafspraken metmedeoverheden. Uiteraard betrek ik in dit proces ook de sector enmaatschappelijke organisaties. Ik zal de kamer begin 2027 over devoortgang van de energieafspraken informeren.Het rapport bevestigt dat het combineren van lokale opwek, opslag enverbruik om een andere mix van instrumenten vraagt ten opzichte vanalleen stimulering van opwek die geen rekening houdt met tijd en ruimte.Financiële ondersteuning blijft noodzakelijk voor een rendabele businesscase en verlaging van risico’s. Dit is voor het belangrijkste deel geborgd inde onlangs verschenen Kamerbrief over de tweerichtings-contractenzon-PV en windenergie op land en op zee22. Naast de verdere uitwerkinghiervan, inventariseer ik welk ander instrumentarium moet wordenaangepast of toegevoegd om de doorgroei mogelijk te maken. Hierbij20De energieregio’s zijn een inhoudelijke verbreding van de bestaande RES-regio’s, waar opwek,opslag en verbruik van verschillende decentrale energiedragers samen komen.21Bijlage G – Onderzoek hernieuwbare opwek op land, CE Delft en Generation Energy, 202622Kamerstukken II, 2025–2026, 31 239, nr. 445Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6435 betrek ik ook de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE),die recentelijk is geëvalueerd23. Een netefficiënte inpassing is cruciaal bijde doorgroei, waarbij soms sprake kan zijn van botsende belangen.Daarom ga ik, in samenwerking met medeoverheden, netbeheerders ende nationale programma’s, verkennen waar zon- en/of windenergie opland netefficiënt kan worden ingepast. Hiermee geef ik invulling aan demotie van het lid Kröger om in kaart te brengen op welke locaties lokaleopwek netcongestieverlagend werkt en dit aan te jagen24.Ook het programma Opwek Energie Rijksvastgoed (OER) speelt in op dezeontwikkelingen. In het voorjaar van 2026 wordt met de RES-en eengezamenlijk beeld gemaakt van mogelijkheden om vraag en aanbod bijelkaar te brengen in combinatie met opslag op rijksgronden. Voor dezeherijking starten eind 2026 een aantal focusprojecten. De ervaringenworden benut voor de uitwerking van het programma OER. Bijgevoegd ishet programmaplan OER25.Om lokaal eigendom bij wind- en zonprojecten te stimuleren, ben ik eenonderzoek gestart naar de succesfactoren en belemmeringen hiervan. Deresultaten worden voor de zomer van 2026 verwacht en die zal ikgebruiken om te komen tot eventuele maatregelen om het streefdoel uithet klimaatakkoord van 50% lokaal eigendom dichterbij te brengen. Ookbinnen OER-projecten wordt met NP RES en Energie Samen nagegaanhoe lokaal eigendom kan worden bereikt aan de hand van een opgesteldehandreiking26.3. Elektriciteit en warmte Naast elektriciteit is ook warmte een onmisbaar onderdeel van hetenergiesysteem, zeker op lokaal niveau. De aanpak van de warmtetransitieis in meerdere Kamerbrieven beschreven27. De wijze waarop de warmte-transitie vorm krijgt heeft ook impact op de behoefte aan netcapaciteitvoor elektriciteit op de verschillende netvlakken, vanwege de keuze omwel of niet te elektrificeren in bepaalde gebieden. Een groter beroep op delagere elektriciteitsnetten door zon-PV en elektrisch vervoer heeft namelijkeen effect op de benodigde netcapaciteit op de hogere netvlakken. Om diereden wil ik aanpakken bevorderen waarbij integraal per gebiedstypewordt gekeken naar zowel elektriciteit en warmte voor de gebouwdeomgeving, als ook de elektrificatie van mobiliteit in het gebied, via het NPi.o. Een mooi voorbeeld hiervan is het energieprogramma van degemeente Arnhem.Energie voor Arnhem is het energieprogramma van de gemeenteArnhem om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Het programma bestaatuit drie delen die op elkaar aansluiten. Als eerste zijn de visie enambitie in een koersdocument beschreven. Vervolgens is deze visievertaald naar de uitvoering in een omgevingsprogramma. Hierinwordt locatie specifiek uitgelegd welke oplossingen waar mogelijkzijn. Denk daarbij aan warmtenetten, warmtepompen, zonne-energieen andere systemen zoals laadinfra voor mobiliteit. Met veelaandacht voor energiebesparing. Als laatste is de gemeente van planom voor clusters van energiegebieden een gebiedsenergieplan te23Bijlage J – Evaluatie Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwek, KWINK groep, 202624Kamerstukken II, 2025–2026, 29 023, nr. 54725Bijlage K – Programmaplan OER. Hierin is de ambitie vertaald in doelen en de organisatie vanhet programma.26https://werkbladen.regionale-energiestrategie.nl/lokaal-eigendom-bij-oer-projecten27Zie o.a.: Kamerstukken II, 2025–2026, 36 576, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6436 maken samen met bewoners, bedrijven en partners. Dit gebeurtgefaseerd door de gemeente heen.Hierbij doen zich ook beleidsvragen voor rondom de betaalbaarheid vanwarmte en koude oplossingen. Op dit moment lopen met name warmte-netten, ondanks dat ze de laagste maatschappelijke kosten hebben, tegenonrendabele business cases aan. Het Interdepartementaal Beleidson-derzoek «energietransitie van de woningvoorraad richting 2050»28 gaathier inzicht in geven. De resultaten worden in de zomer van 2026verwacht.4. Energieplanologie op lokaal niveau De relatie tussen energie en ruimtelijke ordening en planologie, ookbekend als energieplanologie, ontwikkelt zich snel, en hiermee debehoefte aan een nieuwe rolinvulling van zowel overheden als netbe-heerders. De gebiedsgerichte afstemming tussen energiesysteem enruimtelijke ontwikkelingen vraagt om samenwerking en bijbehorendeinformatie-uitwisseling tussen netbeheerders en overheden en de gerichteinzet van instrumenten zoals ontwerpend onderzoek. Daarmee kan meteen duidelijke rolverdeling netbewust gestuurd worden op ruimtelijkefuncties en energieactiviteiten. Samen met provincies, gemeenten,netbeheerders en de Minister van VRO kijk ik of het mogelijk is omdecentrale overheden meer mogelijkheden te geven om op decentraalniveau ruimtelijk te sturen op de samenhang tussen ruimtelijke ontwikke-lingen en de ontwikkeling van het energiesysteem. Ik betrek hierbij hetamendement Flach en Koekkoek29 op artikel 6.12 Energiewet, en de motieGrinwis en de Groot30, over het wettelijk verankeren van de energietoets.Het ontwerpend onderzoek naar decentrale ontwikkelingen31 en hetgezamenlijk oefenen met «energieconfiguraties» is daar onderdeel van.Energieconfiguraties bestaan uit energiebouwstenen (opwek, transport,opslag, gebruik) en ruimtelijke bouwstenen (woning, wijk, boerderij,agrarisch gebied, etc.). Met deze ontwerpbenadering maken we gebieds-gericht zichtbaar welke energiebouwstenen beschikbaar zijn, wat desamenhang met ruimtelijke functies is en wat de ruimtelijke impact is. Ditmoet leiden tot een betere verbinding en samenhang tussen de domeinenvan ruimte en energie en concretisering van het begrip energieplanologie.Ook de in september 2025 gepubliceerde Ontwerp Nota Ruimte kiest voorenergieplanologie als nieuwe werkwijze32. Hierin staan ontwikkelprincipesvoor het (decentrale) energiesysteem en wordt gepleit voor een meerintegrale planning in samenhang met andere ruimtelijke opgaven, zowelregionaal als nationaal. Provincies hebben hiervoor al aanzetten gegevenin hun energiesysteemvisies, zo ook de provincie Noord-Holland.De provincie Noord-Holland heeft samen met netbeheerders engemeenten de Energievisie 2.0 gemaakt. Hierin staan de basiskeuzesvoor een duurzaam, betrouwbaar en toekomstbestendig energie-systeem. Denk daarbij aan keuzes voor collectieve warmte ingebouwde omgeving, netbewuste elektrificatie van logistieke sector,beleid rondom energieopslag (o.a. batterijen) en ruimtelijkeinpassing daarvan, en energy hubs in de glastuinbouw. Daarnaast28Kamerstukken II, 2025–2026, 29 023, nr. 60229Kamerstukken II, 2023–24, 36 378, nr. 46. Het amendement vraagt om meer ruimte voorgemeenten en provincies binnen de Energiewet om regels te kunnen stellen in het belang vande energietransitie.30Kamerstukken II, 2025–2026, 33 043, nr. 12931Bijlage I – Ontwerpend onderzoek naar decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem,Urban Synergy, Generation Energy & Bright, 202632Kamerstukken I, 2025–2026, 29 435, KTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6437 zijn er 12 grotere en kleinere energieknooppunten benoemd waargrootschalig aanbod en energie-intensieve vraag samen komen.Voor elk van deze energieknooppunten wordt een eigen strategieontwikkeld, passend bij het gebied. Daarnaast bevat de visie lokaleenergiesystemen, waar vraag, aanbod en opslag samenkomen.Hierbij wordt actief gekeken naar een zo goed mogelijk gebruik vanhet elektriciteitsnet. Op deze manier vereisen ze vaak mindergrootschalige ingrepen in de energie-infrastructuur. Zo werkt deprovincie Noord-Holland toe naar een combinatie van groteregionale knooppunten en kleinschalige lokale systemen.Daarnaast is het van belang dat medeoverheden voldoende middelen encapaciteit hebben voor het lokaal samenbrengen van vraag en aanbod. Ditwordt onder andere geregeld via het NP i.o. en de uitwerking van hetsturingsinstrumentarium omgevingsrecht. Ook ontvangen provincies,RES-regio’s en gemeenten uitvoeringsmiddelen voor hun inzet in deenergietransitie waarover doorlopend het gesprek plaatsvindt met hetRijk. De inzet van het kabinet is om de uitvoeringsmiddelen voor 2031 t/m2040 te continueren met 800 miljoen per jaar. Ook zijn middelen voor deenergieregio’s beschikbaar t/m 2030 voor hun werkzaamheden voorNPRES en NPLW. Die worden onderdeel van de regiomiddelen voor hetNP i.o. Daarmee zorg ik ervoor dat de instrumentatie vanuit het Rijk voorlagere overheden de juiste prikkels creëert om vraag en aanbod bij elkaarte organiseren. Hiermee doe ik de toezegging af aan het lid De Groot33.Spoor 2: Energiesysteem en marktontwikkelingenDe acute en urgente problematiek van netcongestie vraagt zowel actie enimpact op de korte als de lange termijn. Het LAN bevat hiervoor concreteacties. In de Kamerbrief over het Aansluitoffensief Netcongestie34 zijn achtdoorbraken voor flexibel netgebruik geïdentificeerd en uitgewerkt inconcrete maatregelen. Deze leiden met name op de korte termijn totresultaten, gericht op het drastisch terugbrengen van de wachtlijsten.Daarnaast is het lange termijnperspectief van belang, waar netcongestielangduriger onderdeel blijft van het energiesysteem. Zo bestaan erconcrete innovatieve initiatieven die netcongestie verlichten en investe-ringen in netuitbreidingen op den duur overbodig maken doordat degevraagde capaciteit van het elektriciteitsnet afneemt. Hiermee wordenmaatschappelijke kosten vermeden en ontstaat er ruimte voor kostenbe-sparingen. De energiehub Medel35 op het nieuwe bedrijvenpark in Tiel iseen voorbeeld waarbij gemeente, provincie en netbeheerder samen metdiverse adviseurs – elk met een eigen rol en expertise – een oplossinghebben gevonden om de uitbreiding van netcapaciteit overbodig temaken. Door de inzet van lokaal opgewekte zonne-energie, opslag inbatterijen en een intelligent energiemanagementsysteem kunnen debedrijven op het park volledig in hun eigen energiebehoefte voorzien.Innovatieve voorbeelden als deze wil ik verder uitwerken tot een langetermijnbouwwerk voor het beter benutten van het elektriciteitsnet. Ditvraagt om een strategische systeembenadering. Een benadering diegebiedsgericht kijkt en de verschillende energiedragers in samenhangbeziet. Alhoewel lokale omstandigheden bijna per definitie verschillen,waardoor lokaal maatwerk nodig is, kunnen een aantal generiekeelementen worden onderscheiden. Hieronder schets ik enkele van dezeelementen. Deze wil ik de komende tijd uitwerken in een strategischesysteembenadering in nauwe samenwerking met de Topsector Energie.33TZ202512-00734Kamerstukken II, 2025–2026, 29 023, nr. 62635https://energyhubmedel.nl/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6438 Zodat er binnen een jaar – in afstemming met relevante partijen – eenbreed gedragen aanpak ligt voor de marktontwikkelingen die de belem-meringen voor opschaling van innovatieve projecten wegneemt.1. Netbewust gebruik van energie-infrastructuur Een belangrijk element is de relatie tussen congestiemanagement alstijdelijke maatregel en structurele schaarste aan netcapaciteit op de langetermijn. Nieuwe contractvormen als tijdsblokcontracten en groepscon-tracten spelen hier al op in. Hierbij doen zich nieuwe vraagstukken voor.Onder meer waar het gaat om de ontwikkeling van greenfield-ontwikkelingen, zoals netbewust bouwen en nieuwe bedrijventerreinen.Een hieraan gerelateerd vraagstuk betreft het opvullen van bestaandecontractruimte met oplossingen achter de meter. Dit biedt voor aange-slotenen veelal een oplossing zonder dat zij extra gecontracteerdvermogen nodig hebben. Tegelijk leidt het tot een extra belasting van hetelektriciteitsnet. Bij groepscontracten voor energiehubs wordt al welrekening mee gehouden met de belasting van het net. Hierbij wordtgekeken naar de werkelijke profielen van de aangeslotenen, waarbij«achter de (groeps)meter» niet betekent dat de vrije individuele ruimtevan de afzonderlijke aangeslotenen zonder meer benut kan worden. Deuitdaging is om netbewuste investeringen en gedrag af te stemmen opnettarieven die dit belonen. Niet alleen bij individuele aangeslotenen maarook in samenwerkingsvormen op bedrijventerreinen en in woonwijken.2. Lokale flexibiliteit en nieuwe rollen op de energiemarkt Een ander belangrijk element in het toekomstige energiesysteem betreftregelbaar elektrisch vermogen met standaard aanstuurbare apparaten.Het netbeheerdersperspectief is hierbij belangrijk, maar niet de enigeinvalshoek. Dit raakt aan meerdere vraagstukken van de energiemarkt,zoals de groei van (thuis)batterijen en elektrisch vervoer, de effecten vande beëindiging van de salderingsregeling, lokale toepassingen vanenergiedelen, de rol van aggregatoren op de elektriciteitsmarkt, en derelatie tussen nettarieven en de tarieven voor levering van energie. In eengewenst toekomstperspectief beschouwen consumenten en bedrijvenflexibiliteit als normaal, waarbij vanuit een gebiedsgerichte benaderingwordt gekeken hoe elektronen, moleculen en warmte elkaar onder-steunen. Dit perspectief krijgt al vorm in innovatieve projecten enmaatregelen zoals bij multi-commodity energiehubs36.3. Veranderende relatie met de netbeheerder Een belangrijk vraagstuk ligt ook bij de veranderende rol van netbe-heerders en hun relatie met – nieuwe rollen van – dienstverleners vanburgers en bedrijven die flexibiliteit kunnen ontsluiten. Netbeheerdershebben behoefte aan kwaliteitsborging bij het contracteren van lokaleflexibiliteit. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de afgesprokenflexibiliteit ook daadwerkelijk geleverd wordt. Professionalisering vanlokale partijen en heldere verdeling van verantwoordelijkheden helpt omdeze markt voor flexibiliteit op gang te brengen. Hierdoor kunnen meertoepassingen ontstaan van organisatievormen en constructies alsenergiegemeenschappen, energiehubs, aggregatoren, cable pooling,directe lijnen en gesloten distributiesystemen. Vaak gaat ook omverschillende soorten activiteiten waartussen coördinatie nodig is, als ook36Zie bijvoorbeeld: Harselaar, https://www.liander.nl/over-ons/nieuws/2025/start-realisatie-energiehub-boekelermeer-samen-werken-aan-een-slimme-energievoorzieningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 6439 professionaliteit en uitvoerend vermogen om de benodigde elementen televeren, installeren, beheren en digitaal te besturen.4. Digitalisering De rol van data en digitalisering is ook essentieel in dit spoor, met namewaar het gaat om de sturing van decentrale assets als batterijen,warmtepompen en elektrische voertuigen. Digitalisering is nodig voor hetontsluiten van de flexibiliteit van aanstuurbare assets die onderlingkunnen communiceren. Dit maakt het mogelijk om effectief te reageren opmarkt- en netprikkels, vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen ende beschikbare netcapaciteit efficiënter te benutten. Ook digitalisering vanmeetsystemen van netbeheerders is van belang. Beter bemeterde nettenzorgen voor een betere inschatting van wat er wel en niet mogelijk ennodig is. Met de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem37 is de basisgelegd voor een samenhangende aanpak waaraan de komende tijd wordtdoorgewerkt.Ook heeft de digitalisering van de decentrale ontwikkeling van hetenergiesysteem, en met name het elektriciteitssysteem, implicaties voorde weerbaarheid van het energiesysteem. Hier liggen zowel risico’s alskansen als het gaat om strategische autonomie en digitale soevereiniteit.Momenteel verken ik of er aanvullende acties en/of maatregelen nodig zijnom de weerbaarheid te vergroten. De resultaten hiervan neem ik mee inde kabinetsreactie op het recent gepubliceerde rapport van TopsectorEnergie over een autonoom en veilig energiesysteem38.Opschaling van innovatieve projecten: samenhang tussengebiedsgericht beleid en marktontwikkelingenOp basis van bovengenoemde acties werk ik in samenwerking metprovincies, gemeentes, netbeheerders, marktpartijen en eindgebruikerstoe naar een toekomst waarin decentrale ontwikkelingen onmisbaar zijn.Hierbij zijn innovaties op de deelgebieden van wonen, werken enmobiliteit, en combinaties hiervan, essentieel. Dat is namelijk waardecentrale ontwikkelingen samenkomen.Er zijn al veel en verschillende innovatieve projecten. Voor het opschalenvan deze gebiedsgerichte innovaties is de bovengenoemde strategischeaanpak nodig die rekening houdt met lokaal maatwerk. Hierbij wil ikinspiratie halen uit en gebruik maken van de Topsector Energie en hetactieonderzoek van het innovatienetwerk Transform.WonenVoor wonen liggen er, naast netbewust bouwen, belangrijke uitdagingenals het gaat om collectieve en individuele toepassingen van de aansturingvan lokale assets als warmtepompen, zon-PV, thuis- en buurtbatterijen enlaadinfra voor mobiliteit. Vanuit het LAN zijn hiervoor al verschillendeacties opgezet, die versterkt kunnen worden door inbedding in eenstrategische benadering. De warmtetransitie kan lokaal ook een oplossingzijn om naar meer decentraal te komen. Hieronder een voorbeeld uitVeenendaal39:37Kamerstukken II, 2025–2026, 29 023, nr. 60238Autonoom en veilig: hoe Nederland zijn energiepositie kan versterken, Rolf Schuttenhelm,i.o.v. Topsector Energie/Energy Innovation NL, 202639MSG Sustainable Strategies, i.o.v. de Topsector Energie Urban Energy, Inspiratieboekwarmtenetten en netcongestie, 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 64310 Het warmtenet in de nieuwbouwwijk Groenpoort in Veenendaal(ongeveer 1000 woningen) is een flexibel all-electric systeem. Ditsysteem bestaat uit een combinatie van bodem- en luchtwarmte-pompen voor warmte- en koudeopwekking, een warmte- enkoudeopslag installatie, een grote warmtebuffer en slimme sturing.Bijzonder is dat dit project is gerealiseerd in een congestiegebied.Via een non-firm ATO zijn afspraken gemaakt dat er alleen warmtemag worden geproduceerd buiten piektijden. Dit zal voornamelijkgebeuren als er veel duurzame elektriciteit beschikbaar is. Op anderemomenten wordt de warmte geleverd uit de warmtebuffer. In 2024werd het bekroond als het meest innovatieve warmtenet vanNederland.WerkenEr is aandacht nodig voor de relatie tussen individuele oplossingen encollectieve oplossingen zoals die zich voordoen bij bedrijven(terreinen) enhun omgeving. Dit vraagt onder meer om meer inzicht in de mogelijk-heden om bij bedrijventerreinen te gaan werken met een «cap» of een«virtueel hek» op de te gebruiken netcapaciteit. In Arnhem is hier eenoplossing voor ontwikkeld40:Cleantech Park Arnhem beschikt over een innovatief capaciteitsdeel-systeem dat de beschikbare capaciteit op het net slim verdeelt overde gebruikers. Het systeem is een combinatie van technologischeinnovatie én sociale innovatie. Aan de ene kant is het een slimsoftwaresysteem dat realtime de belasting monitort en aangesloteninstallaties aanstuurt, aan de andere kant is het een set onderlingeafspraken over wie wanneer welke capaciteit kan gebruiken.Dergelijke systemen kunnen, met beperkte aanpassingen, ooktoegepast worden op andere bedrijventerreinen in Nederland.Ondanks netcongestie kunnen bedrijven op deze manier tochgroeien of verduurzamen.Ook is een doortastende aanpak van barrières bij energiehubs nodig, ombijvoorbeeld een rendabele business case te creëren voor deelnemendebedrijven. Daarnaast vraagt de doorontwikkeling van multi-commodityenergiehubs aandacht. Het Stimuleringsprogramma energiehubs bevathiervoor de nodige impulsen. Specifiek voor waterstof ontwikkel ik samenmet GroenvermogenNL een regeling om lokale productie, transport,eventueel opslag en verbruik te stimuleren in waterstofhubs.MobiliteitVoor mobiliteit liggen de elektriciteitsvraagstukken op verschillendegebiedstypen en schaalniveaus. Naast de ontwikkelingen bij het perso-nenvervoer zoals laadvoorzieningen bij nieuwbouw, is de ontwikkelingvan laadinfrastructuur voor trucks en bestelwagen op bedrijventerreineneen uitdagend vraagstuk. Het Charging Energy Hubs41 project wil ditversnellen:Met technologische innovaties en verbeterde logistieke planningworden batterijopslag en hernieuwbare energiebronnen geïnte-greerd in bestaande elektriciteitsnetwerken. Zo kunnen bij deze hubselektrische vrachtwagens ook laden als het stroomnet vol zit. Op drieuse case locaties wordt dit getest, waarbij o.a. gebruik wordtgemaakt van gelijkstroomoplossingen en open standaarden. Zo40https://cleantechparkarnhem.nl/capaciteitsdeelsysteem/41https://chargingenergyhubs.nl/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 64311 kunnen de geteste oplossingen in de toekomst ook op andere(internationale) locaties overgenomen en ingevoerd worden. Ookworden de uitdagingen rondom financiën en wet- en regelgeving inkaart gebracht.Daarnaast is de ontwikkeling van bi-directioneel laden zeer kansrijk. DeStaatssecretaris van IenW zal later dit jaar de Tweede Kamer informerenover de opschaling van deze technologie in de Nationale RoutekaartBi-directioneel laden. Met betrekking tot trucks en bestelwagen laat hetrapport Charging-Energy-Hubs42 zien dat er veel potentie is voor hetcombineren van logistieke laadvraag en lokale duurzame energie. Er zijnongeveer 500 locaties voor het collectief organiseren en aansturen vanlaadvraag van meerdere gebruikers en modaliteiten, al dan niet incombinatie met lokale duurzame energie-opwek en eventueel stationaireopslag. De realisatie hiervan kent echter nog belangrijke barrières, zoalsde samenwerking en te maken afspraken tussen betrokken partijen,kosten en baten en technische voorzieningen die nodig zijn. Daarom blijftik mij met een gezamenlijke inzet van Ministeries van IenW, EZK, BZK enFIN inspannen om de potentie van deze ontwikkeling te verzilveren.Overige innovatiesDaarnaast zijn aanvullende technologische innovaties nodig om in 2050tot een duurzaam en klimaatneutraal energiesysteem te komen. Metbetrekking tot batterijtechnologie is er een heel scala aan ontwikkelingen,zoals natrium-ion batterijen (zoutbatterij), ijzer-luchtbatterijen en vaste-stofbatterijen (solid state). Een redox-flow batterij bijvoorbeeld heeft eenlangere levensduur en grotere brandveiligheid ten opzichte van gangbarebatterijen43. Veel van deze innovaties zijn nu nog niet commercieelbeschikbaar en zullen versneld opgeschaald moeten worden.Overige moties en toezeggingenMet deze brief geef ik ook invulling aan een aantal moties die niet zijnbenoemd in bovenstaande tekst. Als eerste, samen met de Ministeries vanBZK en IenW, aan de moties van de leden Vermeer/Postma44 en Vermeer45over windturbines langs de grens. De besluitvorming over windprojectenin Duitsland nabij de Nederlandse grens valt onder de verantwoorde-lijkheid van de Duitse autoriteiten. Nederlandse burgers en maatschappe-lijke organisaties hebben bij grensoverschrijdende effecten demogelijkheid om hun zorgen te delen via Duitse inspraak en bezwaar- enberoepsprocedures.Het Verdrag van Espoo is niet van toepassing bij elke voorgenomenplaatsing van een windturbine of bij het komen tot een uniformebouwprocedure voor dergelijke projecten, en geldt alleen als er sprake isvan mer-plicht én van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Indeze gevallen biedt het Verdrag van Espoo verplichtingen rondominformatie-uitwisseling, inspraak en overleg met het andere land. Tot opheden hebben de Ministeries van BZK en IenW geen signalen vernomendat er situaties zijn waarbij het Verdrag van Espoo onterecht niet istoegepast. Het Ministerie van BZK blijft in gesprek met Duitse autoriteiten,onder andere via de Nederlands-Duitse Ruimtelijke Ordening Commissie(NDCRO) en andere bilaterale kanalen.42Charging Energy Hubs, ElaadNL, 202643https://projecten.topsectorenergie.nl/projecten/het-indie-terrein-een-slimme-buurtbatterij-in-de-oude-weverij-3521444Kamerstukken II, 2025–2026, 36 600 XXIII, nr. 4145Kamerstukken II, 2025–2026, 28 089, nr. 345Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 64312 Daarnaast geef ik invulling aan de motie van het lid Vermeer46, waarin deregering wordt verzocht om ondersteuning te bieden aan regio’s dieonevenredig zwaar getroffen worden door de energie- en grondstoffen-transitie en regionale transitieplannen op te stellen die aansluiten bijlokale economische omstandigheden en mogelijkheden. Dat doe ik dooraansluiting te zoeken bij de energievisies die regio’s opstellen die ondermeer in beeld brengen wat er vanuit het lokale en regionale perspectiefnodig is en welke (on)mogelijkheden er zijn. In de interbestuurlijkesamenwerkingsagenda is hiervoor de basis gelegd. Het NationaleProgramma in oprichting, waar ook NP RES, NPLW en SP IPE onderdeelvan zullen uitmaken zal hen hierbij ondersteunen.Ook doe ik hierbij de toezegging af om de Kamer te informeren overgesprekken met de medeoverheden over de opschaling van energiehubs,onder andere inzake gesloten distributiesystemen (GDS)47. Met demedeoverheden en netbeheerders is besloten om een gezamenlijkeaanpak uit te werken voor de opschaling van energiehubs met groepscon-tracten voor transportcapaciteit (GTO) en voor de doorontwikkeling vaninnovatieve energiehubs. Over de aansluiting van wind- op zonneparkenop een gesloten distributiesysteem is er Europese regelgeving diebeperkingen stelt, met het oog op de betrouwbaarheid van netten enonafhankelijk beheer daarvan. Er is in beginsel onbegrensd ruimte vooraansluiting van productie-installaties zo lang deze verwant zijn aan deexploitant van het GDS. De mogelijkheid om derde partijen aan te sluiten– partijen zonder binding met de exploitant van het GDS – is echterjuridisch begrensd. Zo dient het transport van elektriciteit op het GDSprimair (in de praktijk 51%) aangeslotenen verwant aan de beheerder vanhet GDS te zijn. Afwijking van deze Europese vereisten is niet mogelijk.Als laatste ga ik ook in op de motie Stoffer/Grinwis48 die de regeringverzoekt om in samenspraak met de planbureaus en het CBS bij beleid enjaarlijkse analyses in het kader van de klimaat- en energietransitie demaatschappelijke en economische effecten voor regio’s inzichtelijk temaken, zodat beleid gevoerd kan worden op het voorkomen vanongewenste ongelijkheden. Door verschillende kennisinstellingen wordtdaar inmiddels invulling aan gegeven. Zo brengt het CBS de bredewelvaart in kaart voor gemeenten, provincies en COROP-gebieden.Daarnaast heeft PBL in samenwerking met het Research CentrumOnderwijs & Arbeidsmarkt (ROA) in 2022 een model ontwikkeld omregionaal te verkennen waar de spanning op de arbeidsmarkt kan stijgendoor de investeringen volgend uit het klimaatbeleid. In het werkpro-gramma 2026 is PBL voornemens in de Ruimtelijke verkenning in te gaanop regionale verschillen.Tot slotDecentrale ontwikkelingen zijn onmisbaar in het energiesysteem van detoekomst. De Staat van decentraal laat zien dat de meeste decentraleontwikkelingen gestaag groeien en dat doorgroei mogelijk én nodig is.Om die potentie te verzilveren, is het essentieel dat provincies,gemeenten, netbeheerders, energieregio’s, eindgebruikers en energiege-meenschappen hun respectievelijke rol pakken. Het kabinet staat voor eensamenhangende en verbindende aanpak voor decentraal en heeftverschillende beleidsacties geagendeerd om de randvoorwaarden voordecentrale ontwikkelingen op orde te brengen. Ik zal de Kamer begin 2027informeren over de voortgang van deze aanpak. Het kabinet zal ook actief46Kamerstukken II, 2024–2025, 32 813, nr. 145547TZ202512-00348Kamerstukken II, 2021–2022, 32 813, nr. 89Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 64313 het land in blijven gaan om te leren van decentrale ontwikkelingen,ervaringen uit te wisselen met betrokken partijen en eventuele obstakelste signaleren. Op die manier werkt we samen aan een toekomstigenergiesysteem dat wonen, werken en verplaatsen blijvend mogelijkmaakt.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S. van Veldhoven-van der MeerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 023, nr. 64314

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a0e9f961e52cb02c

14 okt 2026 · f0073ee095141552

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.