KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 5 februari 2025, over Regio’s en grensoverschrijdende samenwerking

18 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 67fe89f976403679 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 697Gebiedsgerichte economische perspectieven enRegionaal Economisch BeleidNr. 160 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 18 maart 2025 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 5 februari 2025overleg gevoerd met mevrouw Uitermark, Minister van BinnenlandseZaken en Koninkrijksrelaties, over:–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 20 december 2024 inzake nadere uitwerkingElke regio telt! (Kamerstuk 29 697, nr. 158);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 12 december 2024 inzake negende voort-gangsrapportage Wind in de zeilen (Kamerstuk 33 358, nr. 46);–de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 11 juli 2024 inzake achtste voortgangsrappor-tage Wind in de zeilen (Kamerstuk 33 358, nr. 45).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,De VreeDe griffier van de commissie,Honsbeek kst-29697-160ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1601 Voorzitter: De VreeGriffier: KlingAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bikker, Chakor, Flach,Kamminga, Krul, Soepboer, De Vree en Wijen-Nass,en mevrouw Uitermark, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties.Aanvang 15.32 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom aan eenieder hier aan tafel en uiteraard op detribune. Die zit bijzonder vol en dat verheugt ons zeer. Ik open ditcommissiedebat van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken. Hetonderwerp is regio’s en grensoverschrijdende samenwerking. Uiteraardeen speciaal welkom aan de Minister.Wij gaan naar de eerste termijn van de heer Soepboer. Excuses, ik vergeetde commissie voor te stellen om te werken met vier interrupties perronde. Ik zie dat iedereen hiermee akkoord gaat. Dan heb ik helemaal aanmijn verplichtingen voldaan en ga ik alsnog naar de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dank, voorzitter. Vandaag hebben we het over de regio, een fantastischonderwerp. Geweldig om te zien dat de tribune goed gevuld is met allerleimensen uit de regio die precies weten waar de regio ligt en wat die is. Erzijn natuurlijk ook mensen die niet weten wat een regio is. Voor al diemensen wil ik toch een poging doen om de regio te kenschetsen, wantzoals u weet, telt elke regio. Dat betekent echter niet dat heel Nederlandde regio is. Ik zal dus proberen om een soort schets te maken van wat deregio dan is. De regio is een soort mythisch gebied in de zin dat heel veelmensen erover praten, soms zonder er zelf geweest te zijn en soms ookregels en beleid ervoor bedenkend zonder precies te weten hoe dat in dieregio gaat. U moet zich voorstellen dat zo’n regio een soort eldorado is,maar dan wél door de kolonisten gevonden en een waar al het goud uit isgetrokken. Zo zou u zich de regio een beetje voor kunnen stellen. Ubegrijpt natuurlijk dat dit beeldspraak is, maar die raakt wel dicht aan dekern.Laat mij vooropstellen: ik wil helemaal niet over die regio praten vanuiteen gevoel van minderwaardigheid. Integendeel, de regio is prachtig,krachtig en vol zelfvertrouwen. Ik merk echter dat woorden als«mienskip», «noaberschap» en «brede welvaart» allemaal holle frasendreigen te worden waar mensen zich gewoon ook aan beginnen teergeren omdat het redenen lijken te zijn, soms, om niet te hoeveninvesteren, in de trant van: jullie hebben toch al die prachtige mienskip?Maar het tegendeel is waar. Het rapport Elke regio telt! onderstreept dit.Maar wat gaan we concreet zien van de adviezen in dat rapport? Laten wede drie hoofdpunten even langslopen. Bij elk punt heb ik een aantalvragen aan de Minister.Punt één: herijk de beleids- en investeringslogica van het Rijk. In de regiowordt de meeste energie opgewekt, is het stroomnet het lichtst en zijn degevolgen van netcongestie het grootst als er niets gebeurt. Is de Ministerhet met ons eens dat dit zwaar meegewogen moet worden bij deprioritering van bijvoorbeeld de aanpak van netcongestie? De regio moetsoelaas bieden als het gaat om het ruimtevraagstuk, bijvoorbeeld ruimtevoor Defensie, maar ook andere ruimtelijke vraagstukken en ook zaken alsde aanlanding van kabels. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Waar blijftde evenredige compensatie, vraag ik de Minister. Mag er in de regioruimte blijven voor ruimte? Want ik denk dat die weidsheid, die ruimte, alskwaliteit heel erg belangrijk is voor de regio. Ik zou dat ook graag willenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1602 behouden. En hoe wil de Minister het geld eerlijker verdelen over hetland, bijvoorbeeld cultuurgeld?Dan het tweede punt: investeer in langjarige programma’s. De RegioDeals lopen af; bijvoorbeeld in Friesland is de laatste nu toegekend. Hetwaren een soort beautycontests; je moest aan een soort contest meedoen,door een soort hoepel springen, en kreeg dan een zak met geld. We willeneen gegeven paard absoluut niet in de bek kijken – er zijn heel mooiedingen gebeurd – maar langdurig was het niet en structureel was het ookniet. We hebben nu een nieuw plan, het Nationaal Programma VitaleRegio’s. Mijn vraag is hoe langdurig en structureel dit is. Hoe zorgen weervoor dat dit geen Regio Deal 2.0 wordt? Komt er alleen procesgeld ofkomt er nog meer, zou ik aan de Minister willen vragen.Dan punt drie: werk aan de vitale relaties tussen regio en Rijk. Mijn eerstevraag gaat over de spreiding van de rijkswerkgelegenheid. Welke concreteresultaatverplichting zit er in de database spreiding rijkswerkgelegenheid?De verdeling van de rijkswerkgelegenheid over de regio is erg belangrijk.Als die ontbreekt, zou ik er graag een resultaatsverplichting in plaats vaneen inspanningsverplichting in zien.Dan even een ballonnetje: hoe staat de Minister ertegenover om tewerken met regiobewindslieden, dus om een bewindspersoon tekoppelen aan een regio en die, nou ja, niet verantwoordelijk, maar weleen soort ambassadeur voor dat gebied te maken? Die bewindspersoon isdaar dan regelmatig en haalt op wat er in dat gebied leeft, om datvervolgens aan de ministertafel te verspreiden onder de collega’s. Hoekijkt de Minister naar dat idee? Hoeveel contacten heeft de Ministerbijvoorbeeld met de P10, de M50, de K80, in verhouding tot de VNG?Mijn laatste vraag bij het derde punt is heel belangrijk voor mij. Die gaatnamelijk over de positie van de regionale talen. We hebben het Fries. Uweet dat ik daar een groot voorstander van ben. Daar heb ik veelvuldigover gesproken in deze Kamer. Maar er zijn ook andere talen die vallenonder deel II van het Handvest, bijvoorbeeld het Twents en het Limburgs.Ik wil de Minister uitdagen: wat kunnen we doen om mooie initiatievendie ontstaan in de gebieden waar die talen worden gesproken, een kans tegeven? Ziet de Minister een kans om daar iets voor te ontwikkelen,bijvoorbeeld door via de provincie een geldstroom op gang te latenkomen of iets anders, om de initiatieven die daar zijn een vruchtbarebodem te kunnen bieden? Daar zou ik graag iets over willen horen van deMinister.Hoever ben ik in de tijd, voorzitter?De voorzitter:U zit daar nu ongeveer precies op.De heer Soepboer (NSC):Nou, dat vermoeden had ik al een klein beetje. Dan sluit ik af, met uwgoedvinden, voorzitter. De regio zit diep in mijn hart, of het nu gaat omPaskal Jakobsens bloedmooie Zeeland, het Drenthe waarvan DaniëlLohues terecht hoopt dat het er stiller wezen mag, of het Gelderland waarde beuken met brede kronen ons van een koele schaduw voorzien. Het ismij allemaal even lief, al bliuwt myn hert in pompeblêd. Ik hoop dat ditook voor deze Minister geldt, al lijkt het er soms een klein beetje op dathet meer naar Rowwen Hèze neigt, met: het is een kwestie van geduld. Ikhoop niet dat dat het geval is, maar daar gaat de Minister vast iets overzeggen. Dan doe ik de rest in mijn interrupties.De voorzitter:Dank u wel. U heeft er in ieder geval zelf eentje van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1603 Ik word er altijd vrolijk van als er een lofzang klinkt op de regio, dus watdat betreft heeft meneer Soepboer een mooie aftrap gegeven. Hij zeiterecht: wat je ook doet, zorg nou dat het niet alleen maar een tijdelijkverhaal is, maar dat het ook structureel is. Dat deel ik van harte met hem.Maar daarop zou ik willen aanvullen: zorg dan dat het niet éénprogramma is bij één ministerie. Als je de regio op heel veel plekkennoemt, met alle egards, moet je ook leveren. Ik ben benieuwd hoe de heerSoepboer bijvoorbeeld kijkt naar alles wat we al heel lang van plan zijnvoor het ov, of het nu gaat om de Lelylijn of de Nedersaksenlijn. Zeworden allemaal genoemd in het hoofdlijnenakkoord, maar er moet eenmoment komen dat er ook boter bij de vis komt. Welke rol ziet de heerSoepboer daarin voor de Minister, die verantwoordelijk is voor al dezeregiozaken? Ik zou zeggen: hij moet eigenlijk als een soort teckel in debroekspijpen hangen van de Minister, die dit heeft te fiksen. Vindt de heerSoepboer dat ook?De heer Soepboer (NSC):Dat is een brede vraag. Ik ga proberen ’m zo goed mogelijk te beant-woorden voor u. In eerste instantie wil ik beginnen met een complimentvoor deze Minister. Ik heb heel veel burgemeesters gesproken. Heel veelburgemeesters vertellen mij dat het inderdaad een kwestie is van alledepartementen, maar Binnenlandse Zaken is het moederdepartement. Zijzeggen dat deze Minister, overigens het hele departement, heel goed in dewedstrijd zit. Dus dat is een compliment voor de Minister. Maar ik ben hetnatuurlijk met mevrouw Bikker eens dat het breder is dan het Ministerievan BZK. We zitten nu in de Suze Groenewegzaal, maar eigenlijk zoudenwe dit debat natuurlijk groots in de plenaire zaal moeten voeren, eniedereen zou erbij moeten zijn. Want het is iets wat over alle ministeriesgaat. Dat ben ik met haar eens. Zaken als bereikbaarheid en ov moetenlangdurig structureel aangevlogen worden. Morgen gaan we het over deWadden hebben. Daar zal dit ook een thema zijn. Dus ik ben dat van hartemet haar eens. Ik wil wel opmerken dat dat breder is dan alleen eentreinverbinding naar het Noorden, al is die essentieel, zeker voor dieflessenhals bij Meppel. Ik woon in die regio en voordat ik überhaupt in detrein zit, moet ik een halfuur met de auto. Ik ontkom daar niet aan. Hetgaat dus niet alleen over ov, maar veel breder over mobiliteit. Dan gaathet ook over: kunnen we in de regio onze auto nog op de weg houden?Komt er wel of niet een generieke kilometerheffing? Ik ben het met u eensdat het over alle departementen gaat en dat we het structureel moetenaanvliegen. Het is breder dan wel of niet een spoorlijn.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Goed om dat te horen. We zijn het er ook mee eens dat je daarom moetinvesteren in bijvoorbeeld goede, verkeersveilige N-wegen. Daarvankunnen we ook een heel aantal voorbeelden noemen. Wat mij betreftvinden we elkaar daarop. Mijn punt is dat ik nu zie dat er een heleboelgoede dingen zijn opgeschreven – daar ben ik blij mee – maar dat die pasvan de grond gaan komen als we er ook geld voor neer gaan leggen. Mijnvraag aan de heer Soepboer, als eerste woordvoerder van de coalitie, is:op welk moment gaan we dat geld hiervoor neerleggen? Ik weet ook weldat de Minister mij zal doorverwijzen naar IenW, maar als ik dan bij IenWkom, word ik doorverwezen naar Financiën, en zo maak ik dan keurig hetrondje met u allen, maar daar koopt de regio niks voor. Ik denk wel dat wijals Kamer bij machte zijn om uit te spreken dat bij deze Voorjaarsnotaduidelijk moet worden hoe het nou verdergaat met de Nedersaksenlijn,om maar een voorbeeld te noemen. Dat geldt ook voor het regionaleopenbaar vervoer en de prijs van de kaartjes. Dat ben ik helemaal met deheer Soepboer eens. Als je in Sint Annaparochie woont, heb je niks aande trein, als ik het goed heb, als de spoorwegenkaart in mijn hoofd deugt,maar wel wat aan een fatsoenlijke bus die rijdt. Dus ja, dat maakt uit. MaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1604 op al die fronten geldt: als wij hier in Den Haag iets zeggen, moeten weook leveren. Vandaar mijn concrete vraag: welk tijdpad ziet de heerSoepboer daarbij voor zich en wat kan deze commissie daarin betekenen,om onze collega’s verderop in het pand van harte aan te moedigen omdaarin wat stevigere passen te zetten?De heer Soepboer (NSC):Dat is een hele mooie vraag. Dat concrete tijdpad laat ik echt even aan deMinister, maar er komen de komende tijd natuurlijk meerdere momentenwaarop we daarover met elkaar in gesprek kunnen gaan, zoals bij deVoorjaarsnota. Dat dat geld er moet komen, ben ik met u eens. Dat heeftte maken met prioriteren en met de manier waarop je het geld over hetland verdeelt, zoals ik net zei. Ik vind dat de regio er dan bekaaid afkomt.Dat ben ik met u eens. Dat heb ik gezegd. Niet voor niks heb ik het een«eldorado» genoemd. Ik hoop dat het goud terug kan naar Eldorado endat het geen bladgoud is, maar dat het echt is. Dat is een verdelings-vraagstuk.Over IenW gesproken: ik moet toegeven dat de Minister daar, bijvoorbeeldals het gaat om het starten van een MIRT-verkenning naar de verbindingmet Ameland, gestes heeft gedaan om aan de regio tegemoet te komen,maar ik ben het met u eens dat het structureler moet. Ik denk ook dat ditministerie daarin een voorvechtersrol kan vervullen. Ik zou deze Ministerniet met een teckel willen vergelijken, want dan zou ik haar echttekortdoen, maar ik zou wel tegen haar willen zeggen: laat zien dat u hartvoor de regio hebt; profileer u als plattelandsvrouw, gooi uw haar los enleg ze het vuur na aan de schenen op dit vlak. Zeker.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik word ontzettend enthousiast van het verhaal dat de heer Soepboer hiernet gehouden heeft. Ik zou zeggen: een teckel is eigenlijk wel te klein;maak er dan een groter beest van, een pitbull die bijt en ook vasthoudt. Ikhoor bijvoorbeeld voorstellen om regioambassadeurs aan te stellen, zoalsze die bij de gemeentes ook hebben, net als wijkwethouders. Dat zijnallemaal mooie voorbeelden om de regio vitaler te krijgen, zoals in datnieuwe programma staat. Maar de vorige spreker, mevrouw Bikker, zei hetook al: je kunt geen deuk in een pakje boter slaan als je geen middelenhebt. Hoe kunnen we, met dat pitbullachtige idee erachter, een pot of eenfonds vullen, of hoe kunnen we zorgen voor structurele middelen zodatgemeenten weten waar ze aan toe zijn? Hoe ziet u dat voor zich? Wanneerzouden we dat kunnen doen en wat is daarvoor nodig? Had het ermisschien nu al niet moeten liggen, met een uitvoeringsagenda erbij in dezin van: dit zijn de elf regio’s, dit gaan we doen en dit zijn de budgetten?De heer Soepboer (NSC):Dank voor deze vraag. Ik denk niet dat we een pot of een fonds moetenvullen. Dat is mooi voor een aantal hele concrete zaken – dan kun je datdoen – maar niet in bredere zin. Een van de oproepen uit het rapport Elkeregio telt! is om de investeringslogica van het Rijk te herzien. Dan moet jedus juist geen potten of fondsen vullen en geen Regio Deals sluiten dieeen paar jaar duren en een korte impuls zijn, maar dan moet je juist metelkaar gaan nadenken over waar we in willen investeren. Willen we nouinvesteren waar de meeste mensen wonen of waar het meeste geld wordtverdiend, of willen we investeren waar de gevolgen van niet-investerenhet grootst zijn?Ik geef een voorbeeld: in de gemeente Noardeast-Fryslân zitten bedrijvenecht met de handen in het haar omdat de netcongestie daar zo’n dringendprobleem is dat ze eigenlijk niet kunnen uitbreiden; daar zijn geenmogelijkheden voor. Als dit soort bedrijven omvallen, is de impactdaarvan in de regio vele malen groter dan wanneer een advocatenkantoorop de Zuidas omvalt. Als zo’n bedrijf omvalt, betekent dat niet alleen datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1605 werknemers thuis komen te zitten, maar ook dat het ten koste gaat van deleefbaarheid en van alles wat zo’n bedrijf voor de directe omgevingbetekent. Mijn vraag zou dus zijn: zou je niet juist op dit soort gebiedenmoeten inzetten en zou je niet juist daar moeten beginnen met hetoplossen van die netcongestie, in plaats van ergens anders? Dat vergt eenandere manier van denken.Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld transportbedrijven uit de regio diegeconfronteerd worden met zero-emissiezones. Zij moeten daarvoorverduurzaming toepassen, maar doordat het net op slot zit, kunnen ze datniet. Het vergt een andere manier van denken. Ik wil juist af van het vullenvan potjes en fondsen; ik wil juist toe naar een structurele investering.Daar zal ik als Kamerlid alles aan doen. Ik ben geen Minister, maarKamerlid en vanuit die rol wil ik dit heel graag voor elkaar zien te krijgen.Welk tijdpad daarbij hoort? Het liefst zo snel mogelijk. U vindt mij in uwqueeste aan uw zijde.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik dank de heer Soepboer voor dit antwoord, want dat wilde ik horen.Inderdaad: geen potjes vullen, maar juist structurele oplossingen vinden.Dat betekent ook dat er structurele gelden moeten komen. Laten we erdus met elkaar achteraan gaan om te zorgen dat dat zo snel mogelijkgebeurt.De heer Soepboer (NSC):Dat was meer een oproep. Natuurlijk doen we dat. Ik zei net al: het is nietalleen een vraagstuk van meer geld, maar het is ook een herverdelings-vraagstuk. We zullen dus ook keuzes moeten maken in de dingen waarinwe willen investeren.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Er kwam een heel mooi betoog van de heer Soepboer over de regio. Ikvind het heel fijn om te horen dat hij die ook heel belangrijk vindt en datdie ook voor NSC belangrijk is. Nu is er door mijn collega, mevrouw Vander Plas, een motie ingediend in oktober vorig jaar om te kijken wanneerwe zouden kunnen gaan vergaderen in de regio, zeker als het regionalethema’s betreft, maar daar heeft NSC tegen gestemd. Daardoor heeft diemotie het niet gehaald. In relatie tot het betoog dat de heer Soepboerheeft gehouden, zou ik graag weten hoe NSC hier nu in staat.De heer Soepboer (NSC):Het is heel mooi van mevrouw Wijen-Nass om mij dat nu in dit debat voorde voeten te werpen. Ik had liever een andere opstelling van de BBBgehad ten aanzien van het vraagstuk van de regio, maar dat terzijde. Ikzou naar deze specifieke motie kunnen kijken, mevrouw Wijen-Nass. Ikkan kijken waarom we daartegen hebben gestemd. Het zal in ieder gevalniet zijn geweest omdat we niet in de regio willen vergaderen. Ik vergaderheel graag in de regio. Ik ben ook heel veel in de regio. Het mooistemoment van de week is donderdagavond, als ik weer thuiskom. Ik houvan die regio en ik kan er niet vaak genoeg zijn. Het zal vermoedelijk ietste maken hebben met de kwaliteit van de motie, maar daar durf ik op ditmoment geen harde uitspraak over te doen. Maar ik kijk er graag naar metu.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Het was een motie die samen met D66 is ingediend, dus daarmee valt uniet alleen de BBB aan, maar ook andere collega’s. De motie was in iedergeval best breed gesteund in de Kamer. Ik vind het wel prettig om tehoren dat de heer Soepboer dit nog wel een keer wil bespreken in zijnfractie. Wellicht zal er dan toch een Kamermeerderheid gevonden wordenom toch af en toe te gaan vergaderen in de regio.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1606 De heer Soepboer (NSC):We gaan het bezien. Ik hoop alleen – dat hoop ik straks te horen – dat hetbij BBB verder gaat dan alleen vergaderen in de regio, als het gaat omhart hebben voor de regio.De heer Krul (CDA):Ik ga de heer Soepboer niet vragen hoeveel geld hij er wanneer voor wiluittrekken en wat het tijdpad is, want ik ken dat spelletje inmiddels wel.Het is ook helemaal niet de heer Soepboer die mij dat antwoord kangeven. Ik vind het een mooi betoog. Het punt over investeringslogica vindik echt heel belangrijk. Mijn zorg zit ’m erin, als ik deze brief lees, dat ikonvoldoende het gevoel krijg dat er echt iets gaat veranderen. Ik stel devraag aan de heer Soepboer, maar misschien kan de Minister alvast goedopletten. Mijn zorg is deze. Als ik straks bij een debat met de Minister vanOCW aan hem vraag hoe hij zijn investeringslogica gaat aanpassen, ben ikbang dat hij mij met grote ogen zal aankijken en geen flauw idee zalhebben waar ik het over heb. Ik ben benieuwd hoe de heer Soepboer dattaxeert in deze brief. Zit hier nou voldoende in? Heeft NSC nu het gevoel:ja, we gaan structureel iets veranderen aan het overheidsdenken en in delogica die wij hanteren als het gaat om het verdelen van schaarste?De heer Soepboer (NSC):Ik zou tegen meneer Krul willen zeggen: ik heb niet voor niets het pleidooigehouden dat ik net heb gehouden. Als ik volledig tevreden was geweestmet de inzet, had ik hier gezeten en had ik louter de loftrompet gestokenover hoe goed alles ging. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb een aantalkritische kanttekeningen geplaatst. Die komen uit de grond van mijn hart.Ik deel uw zorgen dus en wij kijken graag mee om te zien of we dekomende tijd wel die drie punten uit het rapport Elke regio telt! voorelkaar kunnen krijgen. Als men niet van plan is om die uit te gaan voeren –daar kan de Minister straks misschien iets over zeggen – zou ik zeggen:zeg dat dan ook eerlijk. Maar ik zou graag zien dat men zegt: we gaan diezeker uitvoeren en we laten ook zien hoe. Of dat nu voldoende gebeurt? Ikheb u net gezegd – daar heb ik mijn pleidooi over gehouden – dat ik vinddat dat nog steviger kan, maar ik vind ook dat we de tijd moeten hebbenom dat uit te rollen.De voorzitter:Meneer Krul, in de eerste termijn.De heer Krul (CDA):Voorzitter, dank u wel. Stel je een regio voor. De overheid besluit te kortenop het regionaal openbaar vervoer waardoor de vervoerder die enebuslijn schrapt die langs de wijk gaat waar al minder mensen met de busgaan. Logisch. Een paar jaar later sluiten de bibliotheek en het zwembadvanwege teruglopende bezoekersaantallen. Logisch. Mensen trekken weguit deze regio vanwege het ontbreken van dat soort voorzieningen.Logisch. De overheid die er nog een belastingkantoor had, heeft hetpersoneel er niet meer voor en besluit het kantoor te verplaatsen naar deRandstad. Logisch. Naast dat de regio nu niet meer ontsloten is via hetopenbaar vervoer besluit het Rijk niet meer te investeren in het aanleggenvan die nieuwe weg, omdat er onvoldoende verkeer over deze weg gaatom een dergelijke investering noodzakelijk te achten. Ook logisch. Hetziekenhuis kan hierdoor geen personeel meer aantrekken en moetuiteindelijk sluiten. Logisch.Dit is geen fictief scenario, maar de realiteit voor heel veel regio’s inNederland, van de Kop van Noord-Holland tot Zeeuws-Vlaanderen. Wanthet besluit tot het wegbezuinigen van die ene buslijn lijkt logisch en degevolgen daarvan zijn logisch, maar neem dat besluit 40 keer op rij en erontstaat een nieuw patroon, een patroon van onrechtvaardigheid enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1607 kaalslag. Want met de rekenmachine op schoot afwegingen maken overvoorzieningen leidde altijd tot dezelfde uitkomsten. Het woord is dan«investeringslogica», trickle-down economics: investeren als overheiddaar waar het al druk is en dan volgt de rest. Niets is minder waar en hetis een ongelofelijk gevecht, zeg ik er maar bij, om dit probleem inRandstedelijk Den Haag onder de aandacht te houden. De eerste maandenleidde het rapport Elke regio telt! tot een terechte schokgolf door DenHaag en toen zaten we nog in een grote zaal. Een paar jaar later zijn weinmiddels naar de kleinere zaaltjes verbannen. Dit is de laatste halte voorde uitgang van het gebouw, zeg ik er maar bij. We zijn wat jaartjes verder.De aandacht verslapt een beetje. Niet bij deze Minister, zeg ik erbij, maarals coördinerend bewindspersoon is de uitdaging voor deze Minister omde aandacht van haar collega’s erbij te halen. Heeft ze daar voldoendedoorzettingsmacht voor, vraag ik haar. Is een inspanningsverplichting vandie andere ministeries dan niet te vrijblijvend?Voorzitter. Dan even over die brief. We lezen dat er al veel gebeurt voorregio’s, bijvoorbeeld in het NOVEX-programma, het NationaalProgramma Leefbaarheid en Veiligheid en als kers op de taart de RegioDeals, een verschrikkelijk noodzakelijk kwaad. Wat ik me elke keer weerafvraag, is hoe het in vredesnaam mogelijk is dat wij hier trots zijn opRegio Deals. Hoewel dit allemaal sympathiek klinkt, zit er in deopsomming van deze drie programma’s een onderdeel van het probleem:het is bijsturen, het is incidenteel, het is tijdelijk. Wanneer gaan we daarnou iets aan veranderen? Wanneer gaan die besluitvormingsmodellennou echt op de schop? Wanneer nemen we afscheid van het verschrikke-lijke MKBA-denken?Neem bijvoorbeeld hoe wij kijken naar infrastructuur, de MIRT-gelden. Elkjaar houden wij hier in Den Haag de N-wegenbingo: lokale bestuurdersdie wanhopige pogingen doen om hun weg boven aan die MIRT-lijst tekrijgen. Maar wat bepaalt nou eigenlijk dat zo’n weg hoog op dieMIRT-lijst komt? Twee dingen: intensiteit en veiligheid.De voorzitter:Voor u verdergaat, onderbreek ik u voor een interruptie van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Natuurlijk ben ik het eens met de heer Krul dat structureel investeren in enaandacht voor de regio heel belangrijk is, zoals de heer Soepboer zegt enik straks ook zal zeggen, maar ik ben toch wel wat verbaasd over zijnnegatieve opstelling ten opzichte van bijvoorbeeld Regio Deals. In eenvorig leven ben ik twee keer bestuurlijk trekker geweest van zo’n RegioDealtraject en die is ook twee keer toegekend. Dat is grote vreugde in deregio hoor, mag ik zeggen. Dat gaat om miljoenen. Er zitten tweebelangrijke neveneffecten aan en ik ben benieuwd hoe de heer Krul daardan naar kijkt. Je wordt gedwongen in zo’n regio om goed samen tewerken, als gemeente, maar ook als bedrijfsleven, onderwijs enzovoorts.Er is ook integrale aandacht van het Rijk op dat moment. Ik ben het met ueens dat dat incidenteel is, dat dat structureel zou moeten, maar het is weleen fantastisch leerproces geweest voor hoe we zouden moeten samen-werken. Zou de heer Krul er dan eens op willen reflecteren waarom zijnnegatieve gevoelens dan nog zo sterk zijn?De heer Krul (CDA):Iets is beter dan niets, zou ik willen zeggen. Maar gewoon evenuitzoomend, kijk er even goed naar. We hebben als overheid eengigantische zak met geld die hoofdzakelijk in de Randstad terechtkomt endan zeggen we: we organiseren een Miss Universewedstrijd, eenbeautycontest, en dan mogen de regio’s die structureel onderbedeeld zijntegen elkaar opbieden voor dat laatste beetje, voor dat restje, en wie demooiste propositie heeft, wie de beste propositie heeft, heeft aanspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1608 op die Regio Deal. Ik vind dat inherent pervers. Ik zeg daarbij niet dat ikniet blij ben met de Regio Deals en het feit dat er toch nog middelen zijngegaan naar bijvoorbeeld uw prachtige regio, zeg ik tegen de heer Flach,maar ik vind het in het principe geen goed instrument, want dat laateigenlijk zien dat wij elders falen. Het lukt ons niet om dit structureel teborgen en dus organiseren wij een wedstrijd waarin regio’s veel geldmoeten investeren. Uw regio heeft gelukkig die deal gehad, maar ik kenook regio’s die achter het net gevist hebben. Die moeten het het jaardaarop dan weer met een nieuwe propositie proberen en ik vind dateigenlijk niet rechtvaardig.De heer Flach (SGP):Een heel korte reactie. Die verdeling over het land is een punt. Ik zie datdie juist bij Regio Deals best goed tot zijn recht komt. Ik ken ook deteleurstelling, want ik heb ’m ook weleens niet gehad. Deels deel ik dusuw opvatting dat dit niet zo kan blijven, dat we toe moeten naar ietsstructureels, maar ik denk toch dat we juist moeten kijken hoe dit nou eenmooie opstap is geweest en hoe we de lessen die daar geleerd zijnstructureel kunnen maken. Ik zou er dus in de basis voorzichtig optimis-tisch over zijn, raad ik de heer Krul aan.De heer Krul (CDA):Zo ken ik de heer Flach. Die is in de basis altijd optimistisch en dat isaanstekelijk, dus ik wil ook niet helemaal negatief kijken. Ik zie ook wel datin die triple helix, namelijk overheid, onderwijs en ondernemerschap,samenkomt en gaat samenwerken aan een propositie. Dat is altijd noregret. Dus natuurlijk is dat goed voor regio’s, maar ik zou graag willendat het niet nodig zou zijn.Mevrouw Kamminga (VVD):Dank aan de heer Krul. Ik voel wel mee met de heer Flach. Want hoewelhet natuurlijk allemaal grappige zinnen zijn, allemaal leuke dingen,moeten we ook wel een beetje oppassen dat we niet alle inspanningen dieer gedaan zijn een beetje ridiculiseren. Ik zou in ieder geval anderewoorden kiezen. We hebben natuurlijk ook al jaren gewoon grotesteden-beleid. Je zult altijd specifiek beleid houden voor bepaalde gebieden. Datis denk ik ook wel de charme. Er zijn nou eenmaal verschillendeproblemen in verschillende gebieden. We zullen ook altijd het schaarste-probleem zien. Dan de vraag aan de heer Krul: gaan we dan ook bijvoor-beeld het grotestedenbeleid afschaffen? U moet toch ook erkennen dat wealtijd op alles schaarste hebben, dat we nooit alles tegelijk kunnen? Hoeziet de heer Krul dat dan voor zich?De heer Krul (CDA):Ik zou het grotestedenbeleid niet afschaffen, maar het ging hier specifiekover de Regio Deals, waarbij je een bepaalde concurrentie, die ik echtgewoon pervers vind, tussen regio’s hebt om het restbeetje naar binnente halen. Ik had het over de MIRT-gelden. Besef even dat meer dan 92%van de MIRT-gelden de afgelopen veertien jaar naar de Randstad ging endat 4% van die hele pot ging naar de noordelijke provincies. Dat komtdoordat zij in de besluitvormingsmodellen, in de investeringslogica, altijdboven aan het lijstje terechtkomen omdat het daar al druk is. Als dat degrootste bepalende factor is – het is daar druk, dus daar gaat het geldheen – dan vis je dus als regio altijd achter het net. Dat staat los van devraag of je specifiek bijvoorbeeld grotestedenbeleid moet voeren omdatgrootstedelijke problematiek bepaalde uitdagingen met zich meebrengtdie je nou eenmaal niet in elke regio ziet. Maar dan heb je het overmaatwerk. Hier gaat het over één grote pot met geld – dat zien we op heelveel terreinen – die verdeeld moet worden. En in het verdelen van die potgeld die voor het hele Rijk is, zie je een gigantische scheefgroei in wat weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1609 in de Randstad uitgeven ten opzichte van wat we in de regio uitgeven. Ikvind inderdaad dat daar iets aan moet veranderen.Mevrouw Kamminga (VVD):De heer Krul heeft net als ik het rapport Elke regio telt! gelezen, want hijleest gewoon die analyse nog een keer op. Dat kan ik me van een aantalcollega-Kamerleden die deze keer voor het eerst in dit debat zitten nogvoorstellen, maar ik herinner me nog meer debatten over deze analyse. Ikben misschien al een stapje verder om te kijken hoe we dit gaan oplossen.Nogmaals, nog los van dat ik die analyse deel – dat geldt volgens mij voorveel van ons – is het aan ons om samen met de Minister en de mensendie hier op de tribune zitten en breed in de regio te kijken hoe dan verder.Misschien leggen we daar verschillende accenten, maar laten we een keerblij zijn dat we redelijk verenigd zijn in dat dit misschien anders moet. Ikzou de heer Krul dus ook willen uitdagen om te kijken hoe dan wel. Wantnogmaals, de analyse is volgens mij gevoeglijk bekend.De heer Krul (CDA):Hoe dan wel? Dat zat deels ook in het betoog van de heer Soepboer. Alswe in de uitwerking van wat er nu ligt, niet gaan voor een inspanningsver-plichting maar voor een resultaatsverplichting met die regio’s, en als weiets doen aan het idee dat je een twintigjarig programma optuigt zonderenige notie van hoeveel geld je daarvoor hebt, en als we die twee dingendus tackelen, dan denk ik dat de regio’s al meer zekerheid zouden hebben.Dan zijn er nog allerlei andere vraagstukken over investeringslogica,bijvoorbeeld hoe groot de hoofdletter M bij de MKBA is en of we daarniets mee kunnen. Zo zie je voorbeelden bij tal van ministeries. Bij OCWfinancieren we op basis van marktaandeel, maar je zou er ook naarkunnen kijken waarom alle universiteiten in de Randstad moeten groeien,terwijl die in de regio krimpen. Het zit eigenlijk overal in het overheids-denken. Hoe dan wel? Laten we die knoop stuk voor stuk met elkaarontwarren. Ik ben het met mevrouw Kamminga eens als zij zegt: hier isvoor het eerst in lange tijd weer politiek draagvlak voor en brede steun.Daar wil ik graag mee aan de slag.De voorzitter:Gaat u verder met uw verhaal.De heer Krul (CDA):Ik kan een deeltje overslaan, want het stukje mobiliteit hebben we nu welgehad, voorzitter.De kernvraag voor dit debat is voor het CDA de volgende, en ik vraag deMinister daar ook een uitgebreide reflectie op te geven: wat gaan wij alsoverheid structureel en fundamenteel anders doen? Ik vraag dus niet watwe méér gaan doen, want er komt een nieuw programma en dat is goed.Het is meerjarig en dat is ook goed. Ik vraag wat er nu echt verandert inhet overheidsdenken en -handelen, niet alleen bij het Ministerie van BZKmaar ook bij de andere ministeries. Heeft de Minister voldoende munitie?Een teckel kan hard bijten, maar kan een teckel ook hard genoeg bijten,vraag ik, richting de logge apparaten van IenW, van OCW, van SZW alshet gaat om dit soort vraagstukken?Voorzitter, tot slot. Elke regio telt, maar wel zonder geld. Je kunt geenandere conclusie trekken dan dat, als het om deze plannen gaat, er welecht boter bij de vis moet. Dan heb ik nog een heel klein beetje tijd overen wil ik ook even meedoen in de beeldspraak. Het is een mooi verhaal inbeeldspraak. Ik ga niet zeggen van wie het verhaal is, maar hij heeftgemillimeterd haar en een rode baard en hij komt uit Friesland. Hijvertelde mij ooit dat er een voetbalveld was waar drie kindjes langs dekant stonden te kijken: een wat groter kindje, een middelgroot kindje eneen wat kleiner kindje. Maar er was boarding rondom het veld, waardoorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16010 ze de voetbalwedstrijd niet allemaal konden zien. Het kleine kindje konhelemaal niets zien. Het middelgrote kindje kon al wat meer zien en hetwat langere kindje kon gewoon mooi kijken.Toen kwam de vrijwilliger van de vereniging met twee lege kratjes bier.Het middelgrote kindje en het kleine kindje kregen ieder een kratje om opte staan. Het middelgrote kindje kon toen mooi over de boarding kijken enkon de wedstrijd ook zien, maar het kleine kindje kon nog steeds nietszien. De kernvraag daarbij is: zijn deze kindjes nou gelijkwaardig of zijn zegelijk behandeld? Soms moet je het kleine kindje dat extra kratje biergeven, zodat ze toch allemaal gelijkwaardig zijn. Dat voorbeeld wilde ikmaar meegeven, ondanks dat het van mijn grote Friese vriend hier is,want dat is de kernvraag waar het over gaat. Durven wij als overheid hetkleine kindje af en toe dat extra kratje bier te geven?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik zou er een kratje frisdrank van maken bij een kleintje, maar dat terzijde.De beeldspraak is prachtig. Dat brengt me wel bij een vraag. Ik vind deafdronk van het CDA over de Regio Deals – hoe zal ik het zeggen? – iets temager. Laat ik het rustig uitdrukken. Want volgens mij was het in Rutte IIIjuist een hele goede stap om in beeld te brengen dat in Den Haag te vaaksnel beslissingen worden genomen, zoals de heer Krul schetste, waarbijde regio vergeten wordt. Het was ook goed dat de regio de kracht kreegom te laten zien waar al deze plekken ijzersterk in zijn. Ik zou daar nietsomber op terugkijken, integendeel, maar het is wel belangrijk hoe wedan ook vooruit gaan kijken. We moeten van Elke regio telt! naar «elkeregio telde». Volgens mij zit daar nu de uitdaging: hoe komen we ookdaarin verder? Dan ben ik wel benieuwd of de heer Krul het met mij eensis dat we in die zin nu wel het jaar van de waarheid hebben. Kan de heerKrul daarop reflecteren? Deelt hij mijn mening dat dit het jaar van dewaarheid is? Zo ja, is hij het dan met mij eens dat we het kabinet enormhebben aan te moedigen richting de komende Prinsjesdag, zodat er weliets structureels ligt naar de toekomst toe?De heer Krul (CDA):Dat is een goede vraag. Als ik het stuk goed lees dat wij hebben meege-kregen, dan is het de ambitie om pas in de tweede helft van 2025 weereen update te geven over wat hier voorligt. Als je dat beziet in dewetenschap dat het ravijnjaar eraan komt, dan moet je jezelf hardopafvragen of wat wij hier doen niet te laat komt. Als we hiermee pas tegenhet eind van 2025 verdergaan en weer een stapje gezet hebben in degesprekken en de dialogen met de regio’s en andere ministeries, terwijlaan de andere kant heel veel gemeentes kopje onder gaan, dan zijn we,denk ik, water naar de zee aan het dragen. Ik ben het met mevrouw Bikkereens dat dit het jaar van de waarheid is als het hierom gaat, want er moetwel een perspectief geschetst worden voor al die regio’s. Dat mis ik nogeen beetje in dit verhaal. Daar moet ik mij dus bij aansluiten.De voorzitter:Ik ga naar mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Dat was een prachtige beeldspraak over equality. Ik ziehet helemaal voor me. Hoe zorg je ervoor dat elke regio mee kan doen?Voorzitter. In Nederland zou iedereen toegang moeten hebben totbasisvoorzieningen, zoals zorg, onderwijs, ov en cultuur, ongeacht waar jewoont. Toch zie ik als Groningse dat dit buiten de Randstad vaakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16011 tekortschiet. Dat hoor ik ook terug in mijn gesprekken met inwoners enbestuurders door het hele land. De bereikbaarheid speelt daarin eencruciale rol, zoals net al werd gezegd. Als het ov en de basisvoorzieningenniet op orde zijn, dan verslechteren de leefbaarheid en het vestigings-klimaat. Als we met elkaar willen dat de leefbaarheid in alle regio’s vanons land erop vooruitgaat, dan moeten we het niveau van de voorzie-ningen en de bereikbaarheid versterken. Waar je ook woont, op deWaddeneilanden, in Twente of in Zeeuws-Vlaanderen: je hebt gewoonrecht op basisvoorzieningen. Deze moeten versterkt worden in plaats vandat ze verschralen.Als er niets gebeurt, dan worden de gemeenten helaas volgend jaar algeconfronteerd met grote bezuinigingen. Ik denk zelfs dat het de grootsteooit zijn. De Minister weet dat de provincies en de gemeenten hier echtwakker van liggen. Toch staat hierover niets vermeld in het nieuwe NPVR,het Nationaal Programma Vitale Regio’s. Dit kabinet stelt, net als hetvorige kabinet, dat elke regio telt. Om dit handen en voeten te geven,komt de Minister met dit nationaal programma. Hiermee wil ze inzetten opmaatwerk en langjarige betrokkenheid. Ik vind dat hartstikke positief. Hetis ontzettend goed dat we maatwerk gaan leveren. Ik hoor ook heel veelpositieve reacties daarop. Maar het roept ook vragen op, bijvoorbeeld:hoe wordt dit programma gefinancierd? Want er zijn geen financiëlemiddelen voor gereserveerd, ook niet vanuit de onderhandelingen. Er isgeen geld voor gemarkeerd. Dat is best een uitdaging, want hoe pak je ditdan aan? De vraag is ook: komt er een uitvoerings- en kansenagenda perregio, zodat de gemeenten weten waar ze aan toe zijn? Gemeentenzeggen: als aan ons gevraagd wordt waar we op willen inzetten, dankunnen we dat zo aangeven. Ik vraag me af of de Minister hier ook al overin gesprek is met de regio. Ik hoor graag een reactie hierop.Voorzitter. Vanuit GroenLinks-PvdA geloven we er echt in dat hetbelangrijk is om in alle regio’s te investeren. Natuurlijk is er een extraimpuls nodig richting de regio’s die dat kei- en keihard nodig hebben.Maar ik heb nog wel een punt van zorg: hoe voorkomen we dat we aan deene kant problemen aanpakken, terwijl zaken aan de andere kant viaandere ministeries worden wegbezuinigd? Dat zien we ook bij dedreigende bezuinigingen op het regionale ov in de komende begroting.Dat is wel een zorg. Als je aan de ene kant probeert te plussen, terwijl eraan de andere kant een minnetje komt, wat heb je dan met elkaar? Ik denkdat dat ook impact heeft op de bereikbaarheid, wat weer effect heeft op deleefbaarheid. Dat krijg je dus een soort kip-eiverhaal. Ik denk echt dat datde doelstelling van het NPVR ondermijnt. Ik denk niet dat de Minister ditprogramma heeft neergelegd met de bedoeling om straks ergens neutraaluit te komen, door hier een plus en daar een min te zetten. Dat is niet debedoeling. Ik zie daar een soort tegenstijdigheid in, dus ik ben heel ergbenieuwd naar de visie en het verhaal van de Minister. Hoe denkt zij dit tegaan voorkomen en hoe pakt ze het gesprek met de andere bewindsper-sonen aan? Daarbij denk ik aan de structurele middelen.Voorzitter. Ik kom op een ander punt. Er worden nu elf regio’s aangewezenwaarin extra geïnvesteerd gaat worden. Ik krijg vanuit de regio’s diebuiten de boot vallen nu al de vraag: kunnen wij ook inritsen? Is diemogelijkheid er, is dan ook mijn vraag aan de Minister. Hebbengemeenten die nu buiten de boot vallen straks de mogelijkheid om in teritsen? Er was net inderdaad al een vraag met betrekking tot ... Ik heb hiereen heel klein kaartje, maar dat geeft wel aan ... Ik kom zelf uit hetNoorden. Nou, daar gebeurt in ieder geval wat, in heel Noord-Nederland.Maar als je kijkt naar het oosten, dan zie je daar totaal niks. En dan kijk iknaar de regio waar we nu zelf zitten en daar zie ik inderdaad ontzettendveel activiteit. Dat kan toch niet de bedoeling hiervan zijn, denk ik.Ik vraag me dus echt af wat we gaan doen om de regio’s die buiten deaangewezen gebieden vallen, in dit geval Oost-Nederland, Enschedebijvoorbeeld ... Volgens mij komt de heer Omtzigt daarvandaan. DieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16012 kampen ook met allemaal vraagstukken over leefbaarheid en bestaansze-kerheid. Volgens mij staan ze ook in de top tien van wijken waaraan ietsmoet gebeuren. Almelo ook. Daar moet gewoon iets gaan gebeuren. Daarwil ik dus graag antwoord op hebben.Dan kom ik op het punt van de duurzaamheid van investeringen. Iedereengeeft aan, hier ook volgens mij, de vorige sprekers in ieder geval, dat alswe iets gaan doen, we moeten zorgen dat we het structureel aanpakkenen dat ook structureel gaan borgen. Die langdurige zekerheid is ontzettendbelangrijk. Kijk naar de sociale agenda voor Groningen en Noord-Drenthe.Het is hartstikke goed dat die vanuit de parlementaire enquête langjarig isingezet, op 30 jaar. Je kunt natuurlijk twisten over hoeveel geld ernaartoegaat, maar er is in ieder geval voor 30 jaar zekerheid. Ik snap ook echt weldat de situatie niet te vergelijken is en dat het in Groningen anders is.Maar ik denk dat die garantie of in ieder geval die langdurige zekerheidook goed is voor het slagen van de regioaanpak, dus dat we die langjarigeinvestering en zekerheid gaan borgen. Ik ben heel erg benieuwd hoe deMinister dat voor zich ziet.Ik ben in ieder geval gewend dat als je met een visie komt, er ook eensoort uitvoeringsagenda bij zit, zodat je het ook helder hebt, zo van: dit iswat we willen gaan doen – dat weten we – en dit is hoe we het willen gaanaanpakken, hoe we het gaan inzetten en hoe we het gaan financieren. Datmis ik nu. Ik ben heel erg benieuwd wanneer we dat tegemoet kunnenzien. Ik hoop echt dat dat voor het zomerreces is. Zoals eerder gezegdkunnen gemeenten niet langer wachten, ook gezien de grotere uitda-gingen met betrekking tot het ravijnjaar. En dan zijn er vragen.De voorzitter:Nou, dat eigenlijk niet. Tenminste, van mijn kant wel, want dit is een vande langste zinnen die ik ooit gehoord heb – dat moet ik onmiddellijktoegeven – en u bent inmiddels ver over uw tijd heen.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Nou, dat kan niet waar zijn!De voorzitter:Ja, ik moet u teleurstellen, of misschien juist niet. Maar wilt u toch welredelijk snel naar een afronding toewerken? En doet u dat dan met eenminder lange zin dan de afgelopen zin, want dat was er eentje van tochwel vijf minuten.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ja, heel attent van de voorzitter dat ik in ieder geval nog iets mag zeggenover wat ik nog mis. Dat gaat om de betrokkenheid van inwoners. Die misik in de plannen. Ik wil gewoon weten hoe de betrokkenheid van inwonersconcreet geborgd gaat worden, en dan vooral het jongerenperspectief.Want het gaat over de toekomst. Het gaat over de vraag hoe we jongerenvasthouden. Kan de Minister daar dus wat woorden aan wijden, en danvooral aan een visie daarop?Dank, voorzitter.De voorzitter:Dat was een relatief korte zin. Meneer Krul, heeft u nog een interruptie,want ik zag u wapperen.De heer Krul (CDA):Wapperen, ja. Ja, ik heb een interruptie. Ik herken wat er geschetst wordtover regio’s die buiten de boot vallen. Maar het ingewikkeldste aanmaatwerk is het accepteren van verschillen. Dat is wel de kern, wil ditlukken. Ik heb dus geprobeerd om dit een beetje van me af te houden,want we moeten ergens beginnen. Ik ben benieuwd of mevrouw ChakorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16013 het met mij eens is dat we niet eerst elkaar moeten bevechten omuiteindelijk elke regio mee te laten doen, maar dat het misschien beter isom gewoon te beginnen. Het waren er eerst vijf en het zijn er nu elf. Latenwe met deze elf beginnen. We moeten dan als regio’s ook accepteren dathet dus maatwerk is, dat mijn buurman nu misschien iets krijgt wat ik nietkrijg, maar dat ik ook aan de beurt kom. Is mevrouw Chakor dat met mijeens of vindt zij echt dat alle regio’s moeten kunnen inritsen?Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik ben ontzettend blij met de vraag die u stelt, want dan kan ik inderdaadeen verheldering geven. We zijn vanuit GroenLinks-PvdA voorstandersvan dóén, denk ik, dus echt niet van zitten wachten en in de achterka-mertjes met elkaar zitten bespreken, zeker niet. We willen gewoon zorgendat we aan de slag gaan, dat die uitvoeringsagenda er komt en dat weweten waar er geïnvesteerd wordt en hoeveel. Alleen, die zorgen zijn erwel. Ik kan me heel goed de teleurstelling voorstellen als je buiten de bootvalt. Dan wil je natuurlijk ergens inritsen. Dat is wat ik aangeef: is diemogelijkheid er? Als je kijkt naar die kaart, zie je dat Oost-Nederlandgewoon niet goed vertegenwoordigd is. Dat vind ik toch wel een kans diewe met elkaar laten lopen. Als er dus kritisch naar gekeken kan wordendat er in ieder geval ingestoken kan worden. Dat is niet omdat ik zeg: datwil ik forceren. Helemaal niet. Ik wil juist dóén, maar daarbij kun je nogsteeds kijken of de mogelijkheid bestaat om gebieden in Nederland die nuniet betrokken zijn, ook aan tafel te laten zitten en ook mee te laten doen.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Kamminga.Mevrouw Kamminga (VVD):Dank u wel, voorzitter. We zien al aan deze hele volle publieke tribune, wateigenlijk traditie is bij dit soort debatten – welkom allemaal – dat het nietalleen mij en de collega’s aan het hart gaat, maar dat dit onderwerpeigenlijk in het hele land speelt. Daarom is het ook goed dat we hethierover hebben met deze Minister, denk ik. Volgens mij is het namelijk deeerste keer dat we met haar over dit onderwerp en de opvolging van deaanbevelingen, de conclusies eigenlijk, van het rapport Elke regio telt!spreken. We zijn als VVD erg blij dat er zowel in het hoofdlijnenakkoord alsin het regeerprogramma volop aandacht is voor het rapport dat ik alnoemde. Ik zie ook dat de Minister de handschoen heeft opgepakt. Dat isbelangrijk, want er is nog steeds heel veel werk aan de winkel als we rechtwillen doen aan die conclusies.Ook in de afgelopen periode ben ik weer het land ingegaan. Ik heb het alveel eerder gezegd, maar waar ik ook kwam, de boodschap was eigenlijknog steeds hetzelfde, of het nou bestuurders, ondernemers of inwonerswaren: hou meer rekening met de effecten van landelijk beleid op deverschillende regio’s; durf te differentiëren en maatwerk te leven, en geefvooral ook meer ruimte. Maar wat ik ook hoorde – dat was relatief nieuw –was: «Ondersteun ons beter, geef ons langjarig commitment en voorkomverkokering, want in Den Haag mogen jullie een probleem dan wel perministerie hebben georganiseerd, maar voor ons komt alles samen. Hierkunnen we de problemen door een rietje zien. Hier zijn we verantwoor-delijk voor het geheel.» Neemt deze Minister ook deze punten mee in haarplanvorming?Wat nog meer opviel, is dat er deze keer nadrukkelijk aandacht werdgevraagd voor het aflopen van de Regio Deals. Dat is natuurlijk logisch,want we lezen in de kabinetsplannen dat die gaan stoppen. Maar deeffecten voor de regio’s die niet geselecteerd zijn voor de nieuweprogramma’s, zijn nog onduidelijk. Ik begrijp heel goed dat we niet allestegelijk kunnen doen. Dat ben ik heel erg met de heer Krul eens. Daar hebik ook altijd voor gepleit: als je voor maatwerk en deze aanpak kiest, moetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16014 je ergens beginnen. Dat vind ik dus ook fijn. Tegelijkertijd is het wel goedals er dan wel perspectief is voor de regio’s die misschien nu nog evenniet aan de beurt zijn.Kijk bijvoorbeeld ook naar een gebied als Drechtsteden, waar ik vorigeweek nog een mooi werkbezoek had. Deze regio is koploper in deEuropese maritieme maakindustrie. Het is een regio die strategisch isgepositioneerd tussen de Randstad en de Brabantse stedenrij en die volopkansen heeft. Daarvan ben ik echt overtuigd na dat bezoek. Maar hoezorgt de Minister ervoor dat ook van deze regio’s het potentieel goedwordt benut? Want volgens mij kan dat nu al, ook zonder een regiodeal eneigenlijk ook zonder daar een specifieke aanpak voor te doen. Maar je zietvaak gebeuren dat deze regio’s net niet meekunnen in de nieuwe aanpak,vervolgens ook niet bij de Randstand horen en wel hun eigen proble-matiek hebben. Ik zag ze ook hier zitten. Rivierenland is ook zo’n regio enzo kan ik er nog wel meer noemen die tussen wal en schip dreigen tegeraken. Dat zou ik onwenselijk vinden.Voorzitter. Uiteraard heb ik ook de brief goed gelezen. Ik zie gelukkig veelvan die elementen terug, maar ik heb wel ook wat zorgen. Ik zie namelijkook vooral heel veel initiatieven. Wellicht zijn die goedbedoeld en ik twijfelook echt niet aan de inzet van de mensen die ermee aan de slag zijn. Ikheb zelf nog een verleden op dat departement, dus ik heb er het volstevertrouwen in dat ze daar hard aan het werk zijn. Maar de programma’s inhet initiatief lijken een beetje over elkaar heen te buitelen. We zijn voorallekker aan de slag met planmakerij, maar er is nog weinig oog voor deuitvoering. Die moeten we volgens mij echt niet vergeten. Met sommigedingen kunnen we volgens mij namelijk nu al aan de slag. Ik zou het zojammer vinden als we vooral weer menskracht, denkkracht en middelen ...Ik zag ook weer dat er voor de procesmiddelen wel geld is, terwijl er voorde uitvoering van het project weer veel te weinig is. Ziet de Minister ditrisico ook?En hoe voorkomen we dat het één grote bureaucratische molen wordt,waarbij bovendien wederom alles in verkokerde kolommen blijft hangenen de gemeentes er vervolgens chocola van mogen maken? Want ook hierzag ik het weer. Heel goed dat alle ministeries betrokken zijn en datiedereen aan de slag gaat, maar je wilt natuurlijk eigenlijk een integraleaanpak, waardoor we met elkaar de problemen die er zijn per regiointegraal kunnen bekijken. Dan kunnen we de fondsen en de middelen dieer al zijn ook optimaal benutten en kunnen we ook echt stappen zetten.Bovendien heb ik ook zorgen over de impact die het heeft op de kleineregemeenten. Die hoorde je namelijk bij die Regio Deals ook al ... Ja ...Klagen wil ik het niet noemen, want ik vind dat iedereen er altijd heeloptimistisch mee aan de slag gaat. Maar je ziet wel dat als je met 2 fteergens mee aan de slag moet, de verantwoordingsdruk toch wel erg hoogis. Ook hier zie je dat. Ze willen graag meedoen met die plannenmakerij,maar dat moet dan wel kunnen, want het gewone werk gaat natuurlijk ookgewoon door.De voorzitter:U heeft nog een interruptie van de heer Flach.De heer Flach (SGP):Zoals de heer Soepboer enthousiast wordt als het over de pompeblêdengaat, zo word ik enthousiast als het over de rauwe oevers van de Noorden de Merwede gaat en over de historische binnenstad van de regioDrechtsteden, waar zowel de voorzitter als ik vandaan komen. Terecht datu ook aandacht vraagt voor de zogenaamde weesregio’s – dat zijn het weleen beetje. Je ziet regio’s waar heel veel aandacht voor is. Maar er zijnook in Randstedelijke gebieden regio’s die je zou kunnen kenmerken alsweesregio’s. Niemand houdt er eigenlijk van, terwijl daar ook heleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16015 belangrijke dingen gebeuren. Wat zou er wat de VVD betreft nodig zijn omdie regio’s te laten aanhaken en ze niet te vergeten?Mevrouw Kamminga (VVD):Zeer terechte vraag en ik had al verwacht dat u aan zou slaan op hetwerkbezoek dat ik heb gehad in een regio die u na aan het hart ligt. Nouja, de VVD heeft al vaker en al langer gepleit voor meer werken met diekansenagenda’s. Die zie ik nu wel een beetje aan de horizon verdwijnen.Wellicht zijn die er nog steeds, maar het lijkt alsof er iets voor in de plaatsgekomen is dat maar aan elf regio’s ter beschikking staat. Ik hoop eigenlijkop het volgende en zag dat ook in Dordrecht toen ik daar was. Daar is menecht aan de slag gegaan in dat denkproces, zo van: waar liggen nou onzekansen, hoe kunnen wij nou de krachten van de regio verbinden en desamenwerking zoeken met de onderwijsinstellingen, wat kan de overheiddoen en wat kunnen bedrijven doen? Ik denk dat daar een ultieme kans zit.Maar zij vroegen wel nadrukkelijk naar hoe de overheid hun een zetje kangeven om die kansen te kapitaliseren.Ik refereerde eraan dat zij een hele belangrijke rol hebben in de maritiemeindustrie. Maar heel eerlijk gezegd, wist ik dat niet. Dus ik dacht: waaromweten we dat eigenlijk niet? Dat heb ik als Groningse ook weleens, dat ikdan denk: wat gebeuren daar prachtige dingen. Gisteren had ik een dinerop de Franse ambassade en daar spraken ze vol lof over de lng-projectenin de Eemshaven, hoe knap dat wel niet was. Dat is het ook, maar hierhebben we het er zelden over, terwijl ze het er dus kennelijk in Frankrijkwel over hebben. Daarvoor hebben de gemeentes en die gebieden echt desteun van de overheid nodig, denk ik. Dat netwerk hebben ze namelijkvaak niet.Het is van belang daar dan ook consequent in te zijn. Ik denk dan ook: alser dan een keer een conferentie is, doe die dan daar en bijvoorbeeld nietin Den Haag. Doe het een het een keer niet in Rotterdam, maar ga dannaar Dordrecht toe, want daar zitten die bedrijven en mkb’ers. Ergo,volgens mij liggen er veel kansen. Ik zie daarbij niet altijd een grootprojectteam voor me. We kunnen nu al met elkaar grote stappen zetten.De voorzitter:Gaat u verder met uw verhaal.Mevrouw Kamminga (VVD):Ja, voorzitter, dank u wel. Ik zag dat ook ík rap door de tijd ging, dus ik zalook wat dingen laten, want daar hebben mijn collega’s al veel overgezegd. Maar ik noem toch nog even de rijkswerkgelegenheid. Daar heb ikvaker een punt van gemaakt. Ik zeg altijd dat werken bij het Rijk nietsynoniem moet zijn met wonen in de Randstad. Ik zie nu dat ook andereregio’s hier zelf mee aan de slag zijn gegaan, zoals de Achterhoek. Dat isheel goed. Maar hoe kijkt de Minister daarnaar en welke stappen zet zij nuconcreet?Dan heb ik toch ook nog een punt over de grensregio’s. We hebben hetdaar in het debat natuurlijk nog weinig over gehad, maar je ziet dat zij veelvoor hun kiezen krijgen, bijvoorbeeld met de accijnzen. En ik vraag menou zo af of we daarin niet wat stappen kunnen zetten om een aantaldingen makkelijker te maken. De buurtsupermarkten verliezen bijvoor-beeld een groot aandeel van hun verkopen, maar hebben vaak eenbredere rol. Kunnen we nou niet met de gemeentes kijken of we zekunnen helpen om wat neventaken te gaan doen, zodat de buurtsupergewoon blijft bestaan en de bedrijvigheid en de sociale omgeving daarook zitten.Voorzitter. Het laatste punt heb ik aan mijn Zeeuwse collega’s beloofd.Zeker op een dag als vandaag – het Zeeuws diner in Nieuwspoort staat ophet punt te beginnen – wil ik toch ook nog even vragen hoe we nou dewind in de zeilen houden bij dat project in het mooie Zeeland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16016 De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Vandaag is mijn eerste commissiedebatBinnenlandse Zaken. Ik hoor dat ik inmiddels ook officieel ben toegelaten.Het gaat vandaag over de regio en dat is een onderwerp dat mij heel ergna aan het hart ligt. Ik ben zelf opgegroeid in Zuid-Limburg. Daar woon ikoverigens ook nog steeds, in het prachtige Gulpen-Wittem. Dat horenjullie waarschijnlijk ook aan mijn tongval, maar ik ben altijd heel erg trotsop mijn accent. Iedereen mag horen dat ik uit Limburg kom. Ik ben ooktien jaar gemeenteraadslid geweest in Gulpen-Wittem. Mij viel daar al diejaren op hoe ver de Randstad eigenlijk af stond van die kleine gemeentes.Het leek altijd alsof het in Den Haag alleen maar om de Randstad draait. Ikvoelde me daar als raadslid nooit gehoord of serieus genomen. Dat wasvoor mij ook een van de redenen om de landelijke politiek in te gaan, wantik vond dat de regio echt veel en veel meer gehoord moest worden hier inDen Haag. Vanaf het moment dat ik hier zit, heb ik me daar sterk voorgemaakt. Ik wil dat vandaag nog een keer extra benadrukken in ditcommissiedebat over de regio.Er ligt een rapport, Elke regio telt!, waar veel collega’s voor mij vandaag alover hebben gesproken. Dat is in dit verband ook heel erg belangrijk, wantin dat rapport wordt duidelijk gemaakt dat iedere regio, van de grotesteden tot de kleine dorpen en alles wat daar tussenin zit, telt en gehoordmoet worden. Het laat zien dat er ruimte voor verbetering is in de manierwaarop de overheid naar ons kijkt en met ons praat. Het rapport roept optot meer betrokkenheid en een beleid dat aansluit bij de echte behoeftenvan de inwoners van die regio. Ik ben heel benieuwd hoe de Ministerervoor wil zorgen dat de overheid beter gaat luisteren naar wat er speeltin de regio’s. Denk bijvoorbeeld aan de regio Zuid-Limburg, waar degemeentes zich hebben samengepakt en nu ook een agenda hebbenopgesteld.Maar naast Limburg, waar ik vandaan kom en waar mijn hart natuurlijkligt, wil ik wel ook nog aandacht vragen voor een andere regio. Dat is deregio Rivierenland. Dat is een voorbeeld van een regio die tussen wal enschip valt. Het is geen grensregio, het is geen NOVEX-gebied en het valtook niet onder de elf regio’s die nu extra aandacht krijgen. Maar het is welook een regio en het is ook een belangrijke regio. Die vraagt nu zelf ook:help ons daarbij. Zij vragen niet specifiek, niet alleen, om financiëlemiddelen, maar vooral ook om de leefbaarheid van de regio. Er zit ookheel veel energie in de regio zelf. Ik ben eigenlijk wel heel benieuwd hoede Minister hiernaar kijkt en ik wil er nog een keer extra aandacht voorvragen.Ik vind het heel erg belangrijk dat de rijksoverheid ook in gesprek gaat metde burgers zelf, want ...De voorzitter:Ik ga u heel even onderbreken voor een interruptie van meneer Krul.De heer Krul (CDA):Eigenlijk ga ik dezelfde vraag stellen als die ik aan mevrouw Chakor hebgesteld. We zijn inmiddels 25 minuten verder. We begonnen met elfregio’s en we zitten nu al op veertien, want er zijn nu eigenlijk al drie aanhet wensenlijstje toegevoegd door de Kamer. Nee, zegt mevrouwWijen-Nass, maar er wordt specifiek aandacht gevraagd voor Drecht-steden, terecht, voor het oosten van het land, terecht, en nu ook voorRivierenland, terecht. Mijn vraag zou weer dezelfde zijn: moeten we nietgewoon eerst aan de slag met de regio’s die we nu uitgekozen hebben,voordat wij hier als Kamer meer aandacht vragen voor regio’s die er nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16017 op staan? Dat doen we nu volgens mij letterlijk. Nogmaals, moeten we bijmaatwerk niet accepteren dat er eerst verschillen ontstaan?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik begon ook mijn betoog met vertellen waar ik vandaan kom,Zuid-Limburg. Dat is weer een hele andere regio dan Rivierenland. Als hetdus gaat om regio’s: ja, natuurlijk, dan moet het maatwerk zijn. Ik ben hetook helemaal met de heer Krul eens dat het heel goed is dat we aan deslag zijn en dat er nu in die elf regio’s in ieder geval daadwerkelijk watgebeurt. Maar wat we wel moeten voorkomen ... Ik wil vandaag wel graagde visie van de Minister horen op hoe we omgaan met al die anderevoorbeelden. De Drechtsteden worden genoemd. Ik heb zojuist regioRivierenland genoemd. Maar zo zijn er nog veel meer regio’s tebenoemen. Ik zou er wel naartoe willen dat we uiteindelijk gaan kijken hoewe een langjarige agenda kunnen opstellen. Er is ook eerder een motievoor ingediend samen met collega Flach. Die heeft het helaas niet gehaaldin de Kamer, maar dat zou wel de insteek zijn die de BBB het liefste ziet.De voorzitter:Gaat u verder.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ja, meneer de voorzitter. Ik was gebleven bij de opmerking dat ik hetbelangrijk vind dat de overheid ook in gesprek gaat met de burgers zelf.Wij vinden het dus niet genoeg om met alleen de gemeente te praten. Datmoet ook met de inwoners zelf, want zij weten wat er speelt, zij leven enwerken daar. Wij vinden het wel belangrijk dat de zorgen vanuit de helesamenleving gehoord worden. Ik ben heel benieuwd wat de Minister zouwillen doen om die dialoog nog extra te bevorderen. Hoe gaat de Ministerervoor zorgen dat er structureel en oprecht contact komt met inwonersvan onze regio? Het rapport Elke regio telt! geeft ons een hele mooieleidraad, maar het is nu wel echt aan de politiek om concrete stappen tezetten. Alleen zo kunnen we samen bouwen aan een Nederland waariniedereen zich gehoord en gewaardeerd voelt. En ...De voorzitter:U zag het al: u heeft een interruptie van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Het is aan de politiek om concrete stappen te zetten, zegt u. Welke stappengaan we volgens de BBB zetten en in welke volgorde?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):We hebben het vandaag hier in het commissiedebat over de regio. Er zijnelf regio’s waarvoor volgens mij concrete stappen gezet worden. Ik zit ookin de commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. En er zijnonlangs een aantal mooie Regio Deals toegekend. Dat zijn volgens mijpolitieke stappen die we momenteel aan het zetten zijn. Die zijn hartstikkegoed. Als BBB zouden we de regio nog een extra steuntje in de rug willengeven, onder andere met die langjarige agenda waar ik het zojuist overhad. Daar is in de Kamer op dit moment nog geen meerderheid voor,maar daar zullen wij ons als BBB wel voor blijven inzetten.De heer Soepboer (NSC):Ik hoorde nog geen nieuwe stappen, dus misschien komt dat zo meteen?Maar zegt mevrouw Wijen-Nass dat BBB die Regio Deals wel zou willenhouden? Zegt u dat?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16018 Tot nu toe is wel gebleken dat de regio’s superblij waren met de RegioDeals. Ik sta daar zelf dus wel heel positief in, in tegenstelling tot de heerKrul. Maar ik denk wel dat het goed is als we ook gaan kijken naar hoe welangjarig kunnen investeren. Dat is iets waar ik de komende tijd zekergoed naar zal blijven kijken. Ik zal dat blijven volgen met een kritische blik.De voorzitter:Mevrouw Bikker, heeft u ook een interruptie?Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja, voorzitter. Die laatste woorden stemmen hoopvol en tegelijkertijdmoet er dan wel boter bij de vis komen, om het maar met een mooieuitdrukking te zeggen. Want ja, die langjarige investeringen lijken me heelerg nodig. Als ik het hoofdlijnenakkoord lees, zie ik ook echt de invloedvan BBB. Het zegt: we willen op een heel aantal punten in de regio hetverschil maken. Als ik mevrouw Wijen-Nass hoor zeggen «laat mensenzelf meepraten en meebeslissen», ben ik blij. Alleen, er is niks zo erg alsheel veel avonden bezocht hebben en het vervolgens laten bij: wedronken een glas, we deden een plas en alles bleef zoals het was. Datmoeten we in het komende jaar echt zien te voorkomen, denk ik. In die zinben ik wel echt benieuwd naar een concreter routekaartje. Betekent datdat we bij de komende Voorjaarsnota al weten of er extra geld moet gaankomen, omdat we dan met elkaar de opgave scherp hebben? Of is dat opPrinsjesdag of nog later? In die zin hoop ik en zou ik BBB mee willengeven: let op uw zaak. Als u het nu niet fikst, zou het weleens heel lastigkunnen worden. Ik geef dus mijn hartelijke aanmoediging om het tefiksen. En mijn concrete vraag is de volgende. Wanneer denkt u dat we ditconcreet klaar hebben staan?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Op de vraag naar een concrete tijd moet ik het antwoord schuldig blijvenvoor nu, mevrouw Bikker. Maar mijn pleidooi ziet er vooral op – dat ismijn belangrijkste punt vandaag, denk ik – dat er vanuit Den Haageindelijk oog is voor de regio. Dat vind ik echt superbelangrijk. Ik vraagdaar ook zo ongeveer in elk commissiedebat en in elk plenair debataandacht voor. Ik vind dat een heel belangrijk onderwerp. Ik zal het dekomende tijd kritisch blijven volgen. Aan de inzet van de BBB zal het inieder geval niet liggen.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik heb een vraag. Het waren mooie woorden over oog hebben voor deregio. Ik weet dat de BBB zich in ieder geval tijdens de campagne heel erghard heeft gemaakt voor het uitdragen van hoe belangrijk voorzieningenzijn. We zien nu ook dat die echt op de tocht staan door de bezuinigingen.Ik was dus heel erg benieuwd hoe de BBB de tanden erin gaat zetten omervoor te zorgen dat voorzieningen in de regio blijven in plaats van dat zeverdwijnen?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik heb dat natuurlijk zelf ook van dichtbij meegemaakt, want ik ben tienjaar gemeenteraadslid geweest in een kleine gemeente. Ik weet dus ookhoe het daar werkt. Een heel belangrijk onderdeel daarvan is de kwestiewonen. Zuid-Limburg, en de gemeente waar ik vandaan kom, wasjarenlang een krimpgebied. Daar mocht niet gebouwd worden. Allejongeren konden geen woning meer vinden, dus het gros vertrok richtingde Randstad. Daar waren de betere banen en daar waren de huizen. Ikdenk wel dat we het plaatje breder moeten bezien dan alleen de voorzie-ningen, want het een hangt natuurlijk ook weer met het ander samen. Totnu toe vragen we echt heel veel aandacht voor de regio. Ik ben blij dat deregio eindelijk weer op de agenda staat. Dat is in ieder geval een stap inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16019 de goede richting. We zijn er nog niet, maar ik denk dat we met de regiodie weer op de kaart gezet wordt al hele goede stappen zetten.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Het vorige kabinet had natuurlijk Elke regio telt!, dus ik denk dat de regioal wel op het netvlies stond. Daar is toen ook keihard aan gewerkt. Metalle respect, maar dat komt echt niet doordat de BBB nu aan tafel zit. Mijnvraag is hoe u dat concreet gaat doen. U heeft aan de voorkant namelijkniet goed onderhandeld om ervoor te zorgen dat u geld, budget, hebt omeen vuist te maken en te zorgen dat we nu aan de slag gaan in plaats vandat we praten en niet weten wanneer we gemeenten zekerheid kunnengeven.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Het debat over de gemeentefinanciën is al eerder uitvoerig gevoerd indeze Kamer en dat wil ik niet overdoen. Het gaat er wat ons betreft om datwe kritisch moeten kijken naar de taakstellingen, de doelen en de ambitiesvan gemeenten en of we daar wellicht in moeten bijstellen. Wij vinden deregio in ieder geval superbelangrijk. Ik weet ook van binnenuit hoebelangrijk die is. Ik heb vanochtend bij het VRO-debat over de Staat vande volkshuisvesting drie moties ingediend om concreet iets te doen voorde regio, dus ik hoop dat ik daarvoor weer op brede steun in de Kamerkan rekenen.De voorzitter:Heeft u een vervolgvraag, mevrouw Chakor? U bent eigenlijk door uwinterrupties heen.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Nee, voorzitter. Er wordt gerefereerd aan het debat over de gemeentefi-nanciën. Dat hebben we inderdaad eerder gevoerd. Ik doelde heel erg ophet NPVR. Op 26 maart hebben we weer een debat over de gemeentefi-nanciën. Er is op dit moment gewoon geen budget voor de financiering. Ukunt wel allerlei moties hebben, maar als er geen geld is, kun je geen stapzetten. Dus wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dit van plaatjes eneen mooi glossy document naar concrete uitwerkingen in de regio gaat?De voorzitter:Dank voor de verduidelijking.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Volgens mij is er zeker wel budget binnen het ministerie en kunnen erconcrete stappen gezet worden.De voorzitter:Misschien kunt u het ministerie nog toevoegen. Dan is mevrouw Chakorhelemaal gelukkig.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.Tot slot, want ik was bijna aan het einde van mijn betoog. Leefbaarheidvan de regio en van het platteland is superbelangrijk. Ik heb het altoegelicht. Ik kom zelf uit de regio; ik weet hoe het is om daar te wonen.Een leefbaar platteland is essentieel. Ik vind het heel belangrijk dat daarveel oog voor is vanuit Den Haag. Zoals ik al zei, is dit mijn eerstecommissiedebat bij Binnenlandse Zaken. Ik zal dit dossier de komende tijdkritisch gaan volgen.Dank u wel.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16020 Dank u wel. U heeft nog een interruptie van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Gefeliciteerd met het eerste debat en het mooie verhaal. De vraag die ik unu ga stellen, is niet vervelend bedoeld. We moeten altijd een beetjevoorzichtig omgaan met onze tijd. We hebben namelijk maar vier of vijfminuten spreektijd en een beperkt aantal interrupties. In de tweedetermijn is het ook weer beperkt. Daarom doe ik het hier en nu maar even.Wij vinden de BBB altijd een waardevolle bondgenoot als het gaat over deregio. Ik ben benieuwd wat er in uw hoofd omging toen u uw eersteinterruptie aan mij bedacht over de motie. Dat probeer ik te begrijpen.Mijn concrete vraag aan mevrouw Wijen-Nass is of zij, toen ze bedacht datze dit zou gaan doen, het stuk uit de plenaire zaal heeft teruggekeken.Heeft ze toen ook de stemverklaring die Nieuw Sociaal Contract heeftafgelegd over deze motie teruggekeken? Zo nee, waarom niet?Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Wat is dit voor gekibbel?De heer Soepboer (NSC):Nee, het is gewoon een vraag.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Het is net of er een huwelijk is ...De voorzitter:Dit gaat misschien iets te ver, mevrouw Chakor.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):De heer Soepboer voelt zich volgens mij erg aangevallen door mijn vraag,maar zo was die helemaal niet bedoeld. Het ging erom dat wij haddengevraagd om te vergaderen in de regio. Ik zou het heel mooi vinden alswe daar in de plenaire zaal door de voltallige Kamer een meerderheidvoor kunnen vinden. Ik was benieuwd of NSC toch bereid zou zijn omonze motie te steunen, vandaar mijn vraag.De heer Soepboer (NSC):Ik hoor mevrouw Chakor vragen of het weer aan is. Nou, het is bijna weeraan, denk ik. Mijn conclusie is dat mevrouw Wijen-Nass het debat nietheeft teruggekeken. Dan gaan we er gezellig over doorpraten, mevrouwWijen-Nass. En dan is de conclusie van mevrouw Chakor dat hethartstikke aan is. Wat mij betreft geldt dat voor de hele commissie, wantwe moeten dit met elkaar doen.De voorzitter:Dit soort conclusies mag de voorzitter niet trekken.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Een korte reactie nog van mijn kant. Laten we daar een keer overdoorpraten. Wie weet komt het dan toch echt een keer tot een vergaderingin de regio. Dat zou het mooiste resultaat zijn.De voorzitter:Dank u wel. Dan meneer Flach.De heer Flach (SGP):Voorzitter. Het is belangrijk dat bij een debat over de regio zo veel regio’sin dit huis aanwezig zijn. De tribune zit namelijk helemaal vol en danhebben we ook nog het Zeeuws diner in Nieuwspoort. Dat noem ik even,omdat ik daar net als collega Kamminga bij aanwezig wil zijn en ik dusTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16021 een deel van dit debat hier niet zal zijn. Dat is geenszins een gebrek aaninteresse, maar meer het spreiden van mijn aandacht over alle regio’s.Voorzitter. Dit kabinet zoekt de grens op. De Ministers gaan tot het randje.Nadat Minister Uitermark in december al elf regio’s aan de grens hadaangewezen om langjarige afspraken mee te maken, heeft Minister Keijzernu zestien Regio Deals toegekend, waarbij ook gekeken is naar grensre-gio’s en andere regio’s. Allereerst wil ik de regio’s feliciteren die in deprijzen zijn gevallen. Het is heel mooi dat het Rijk op deze wijze onder-steuning biedt aan gebieden die buiten de Randstad liggen. Niemand zalontkennen dat de regio’s aan de rand van Nederland grote maatschappe-lijke en economische opgaven hebben. Naast de elf en de zestien regio’sdie nu blij zijn met deze aandacht, zijn er helaas ook regio’s teleurgesteld.Ook daar is hard gewerkt aan een regionaal plan voor brede welvaart,maar de hulptroepen bleven uit. Daar zit meteen een grote zorg van deSGP. De kloof tussen de regio’s met en zonder extra ondersteuning kan dekomende vier of zelfs twintig jaar gaan groeien. Sommige regio’s zittengebakken door hun deelname in wel drie programma’s, terwijl andere hetmet nul moeten doen en hun opgaven niet bepaald nul zijn. Hoe gaat hetkabinet voorkomen dat er een kansenkloof ontstaat tussen regio’s?Voorzitter. De SGP ziet graag dat het kabinet bij de uitwerking van deverschillende regio’s onderzoekt hoe ook andere regio’s kunnen profiterenvan langjarige samenwerking. Want als echt elke regio telt, zou het Rijktoch ten minste aan elke regio de hand moeten reiken? Het gaat nietallereerst om geld, maar om de mogelijkheden om in samenwerkingtussen overheden periodiek en structureel uitdagingen en problemen tekunnen bespreken en aanpakken. Laat de energie die de afgelopenmaanden in alle regio’s is geleverd niet verloren gaan. Ik zou zeggen: detraining is voorbij, de wedstrijd gaat nu beginnen. Daarmee doel ikuiteraard op de middelen van de Regio Deal. Dat is om een beginnetje temaken; daar wijs ik dus nog even op. Dat is een mooie zak geld voor dekomende vier jaar, maar hoe voorkomen we dat de wagen daarnastilstaat? Wil het kabinet verkennen hoe de afstemming en afspraken vandeze zesde tranche langer kunnen doorwerken om blijvend verschil temaken voor de toekomst? Welke rol ziet de Minister voor zichzelfweggelegd daarin?Voorzitter. Dan de werkgelegenheid van de rijksoverheid. Dat is eenbelangrijke speler die kan scoren voor de regio. Het is mooi dat erprocedurele afspraken zijn over hoe het kabinet zich hiervoor wilinspannen, maar uiteindelijk telt wat er onderaan de streep voor deregio’s uit komt. De gemeente Doetinchem – volgens mij is de burge-meester hier aanwezig – geeft bijvoorbeeld heel concreet aan dat zij deaangewezen plek zou zijn voor een dienst voor landbouwinnovatie. Gaathet kabinet bij de uitwerking van de regio’s dan heel concreet knopendoorhakken over welke organisatie waar terechtkomt? Worden die knopenin de tweede helft van 2025 doorgehakt? Vindt de Minister ook dat naastde verdeling van rijkswerkgelegenheid per provincie, ook heel specifiek inde gaten moet worden gehouden hoe de verdeling uitpakt voor de vitaleregio’s?In de brieven wijst het kabinet herhaaldelijk op de toegevoegde waardevan rijksontmoetingspleinen in de provincies. Ik wil daar geen kwaadwoord over zeggen, maar je gaat niet studeren om later op het rijksont-moetingsplein te werken. Kan de Minister bevestigen dat dit geenvolwaardig alternatief kan zijn voor serieuze rijkswerkgelegenheid? Hetkan volgens de SGP niet zo zijn dat Drenthe bijvoorbeeld voorlopigtevreden moet zijn omdat er in Assen zo’n plein is geopend.Voorzitter. De inzet voor de vitale regio’s moet goed afgestemd zijn op deprojecten voor grensoverschrijdende samenwerking. In grensregio’s zoalsZeeuws-Vlaanderen kun je alleen succesvol werken aan leefbaarheid alsde Belgen erbij betrokken worden. Kan de Minister bevestigen dat dituitdrukkelijk de bedoeling is? Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16022 middelen uit de Interreg-fondsen van de EU beschikbaar blijven. Is dit deinzet van het kabinet in Brussel? Gaat de Minister als coördinerendbewindspersoon bewaken dat deze middelen daadwerkelijk beschikbaarblijven voor leefbaarheid in de grensregio’s?Tot slot wil ik een hartenkreet laten horen dat ik het van belang vind dat deregioplannen van het kabinet maatschappelijke wortels hebben. Het baartme zorgen dat in de uitwerking tot nog toe vooral veel overheden enadviesbureaus aan tafel lijken te zitten. Dat heeft ook alle te maken met deopzet van die programma’s. Daardoor klinkt de stem van de samenlevingmaar beperkt door. Daar zijn de regioplannen niet voor bedoeld, maar deinbreng van ondernemers uit het centrum en van de dorpsorganisatie uitde wijk verdienen een plek. Ik hoor graag hoe de Minister de schijn-werpers meer gaat richten op de wereld van de gewone man en vrouw inde regio.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. «De aanleg van de Lelylijn wordt voortgezet.» «Debereikbaarheid van het landelijk gebied wordt verbeterd door hetbusvervoer tussen dorpskernen op het platteland te versterken.»«Prioritair knelpunt in het openbaar vervoer is de Nedersaksenlijn.»«Nationaal beleid wordt getoetst aan de regionale praktijk.» Voorzitter, dithadden echt zinnen uit het ChristenUnieverkiezingsprogramma kunnenzijn, maar ze staan in het hoofdlijnenakkoord. We zijn natuurlijk blij om diete lezen, want het laat zien dat dit kabinet hecht aan het belang van deregio, dat het niet één programma is, maar dat het meer is. Alleen, als jeiets opschrijft, dan moet je het ook gaan betalen. Eerlijk gezegd is dat weliets waar wij met smart op zitten te wachten, want als je iets opschrijft eneen belofte doet, dan moet je die nakomen.Voorzitter. Het is op dit moment nog net niet pijnlijk, want het zijn stukvoor stuk beloftes waarvan ik echt hoop dat ze gaan gebeuren. De regio ziterom te springen. Maar het komt er nu wel op aan. Regio’s waar aljarenlang wordt gewacht op investeringen in leefbaarheid en het ov, omeen einde te maken aan de spiraal van verschraling. Ik weet heel goed datdeze Minister niet verantwoordelijk is voor de aanleg van spoorlijnen.Daar zal ik haar niet hard op aanvallen. Maar ik weet wel dat dit kabinetaan de ene kant zegt «elke regio telt», en «we moeten investeren in deregio», maar anderzijds tot nu toe niet aangeeft wanneer dat geld dankomt en hoe dat geld opzijgezet gaat worden.Voorzitter. Het is goed om te zien dat het kabinet nog deze week vol trotsde zesde tranche van de Regio Deals presenteert. Wat mij betreft is datecht een goed voortvloeisel van wat we in Rutte III en IV hebben ingezet.Dat is heel goed voor al die regio’s. Dit was de laatste ronde – en eigenlijknog een mooi afscheidscadeau aan al die zestien regio’s – die ook al wasbegonnen bij het vorige kabinet. Wat dit kabinet betreft is het wel de vraaghoe we dan verder echt gaan investeren in die regio’s. Of was het delaatste ronde? Dat zal toch niet? We moeten toch niet van «elke regio telt»gaan naar «elke regio telde»?Datzelfde geldt voor het lokaal openbaar vervoer. Dankzij de inzet van deChristenUnie is er vorig jaar 300 miljoen geïnvesteerd in de beschik-baarheid en betaalbaarheid van ov in de regio. De bezuiniging van ditkabinet op de SPUK’s draait dat echter weer fors terug, waardoor dorpenals Schipluiden, Rockanje, Ilpendam keihard geraakt worden. En wat gaatdéze Minister daaraan doen? Bovendien zijn er nog steeds groteverschillen tussen regio’s. Terwijl de prijzen voor buskaartjes gelijk zijngebleven, zijn de prijzen op de waddenveren met ruim 8% gestegen. Datis onuitlegbaar, want er is geen alternatief. Wil de Minister zich inspannenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16023 om de waddenveren ook aan te merken als ov? Kan zijn dat aandragen bijhaar collega van IenW?Dan de langjarige agenda’s, waar meerdere collega’s het over hebbengehad. Er is geen cent voor gereserveerd. Ik ben heel benieuwd wanneerhet kabinet van holle beloftes stevige daden gaat maken?Voorzitter. Mijn collega’s hebben al meerdere dingen gezegd over derijkswerkgelegenheid – en ik sluit me daar van harte bij aan.Zal ik afronden, voorzitter?De voorzitter:Ja, zeker zelfs.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik kom met mijn slotvraag, en die gaat over de burgerbetrokkenheid. In deKamerbrief van de Minister staat dat «signalen uit de praktijk vanmedeoverheden of vanuit het leven van inwoners meegenomen moetenworden bij het maken en wijzigen van beleid.» Prachtige zinnen, goedeambitie, maar kom dan niet aan met heel veel adviesbureaus, maar zetdeze mensen echt aan tafel – de dorpen, de gemeenteraden, de ruggen-graat van onze samenleving. Kan de Minister laten zien hoe ze dat gaatdoen?Dank u wel.Mevrouw Kamminga (VVD):Ik dank mevrouw Bikker voor haar warme betoog. We hebben ons in hetverleden, overigens geldt dat voor veel van u hier aan tafel, hard ingezetvoor de regio. Ook in de vorige kabinetsperiodes hebben we er hard aangetrokken om te zorgen dat dat voldoende tot zijn recht kwam. Wat ik menog wel afvroeg is het volgende. Mevrouw Bikker heeft een vlammendbetoog gehouden over het ov. Ik wil daar niks aan afdoen, want dat is ookbelangrijk. Tegelijkertijd moet ik in alle eerlijkheid zeggen: het is natuurlijkheel mooi dat je ov hebt, maar in heel veel van die gebieden, ook hetdorpje waar ik bijvoorbeeld woon, Zuidbroek, heb je gewoon een autonodig. Ik hoor de ChristenUnie dan toch vaak een warm pleidooi houdenvoor meer ov, maar merk dat dat dan vaak weer ten koste gaat van deauto. Mevrouw Bikker moet het toch met mij eens zijn – ik hoop in iedergeval dat ze dat hier kan bevestigen – dat zeker in sommige van diegebieden waar we het hier over hebben, het ov heel mooi is – dat moet erook zijn – maar dat dat echt niet alles gaat oplossen, en dat we vooral ookmoeten blijven inzetten op de bredere bereikbaarheid, waar nadrukkelijkook de auto toe behoort.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):De ChristenUnie heeft in dit opzicht soms juist bijna pijnlijke keuzesgemaakt die anderen niet durven te maken, door bijvoorbeeld het geldvan de Noord/Zuidlijn, dat voorlopig niet uitgegeven kon worden, in tezetten op andere plekken voor het ov. Dus ik pleit voor moedige keuzeswaarin je juist ook die regio vooropzet. Als het om dat autoverkeer gaat,dan snap ik dat heel goed. Ik heb zelf heel lang met veel plezier op deVeluwe gewoond. Ik weet heel goed hoe het is om te wachten op de busals je ’m net gemist hebt, en hij komt pas een uur later weer. Ik weet ookheel goed dat als jouw meisje van 14 daar staat, je dat niet laat gebeurenals het donker wordt en dat je zelf in de auto springt. Dus ja, dat snap ikheel goed. Dat is ook de reden waarom wij zeggen: investeer in dieN-wegen, in die knelpunten die al heel lang liggen. Ik weet nog goed hoeik vorig jaar het verkiezingsdebat had bij Tubantia. Daar speelt het al jaren.Daar hebben we voor aan de lat te staan. Het lastige is dat ik dat nu nietallemaal bij deze Minister wil parkeren, maar gelet op de grote belofte diehet kabinet in het hoofdlijnenakkoord doet, vind ik wel dat dit het jaar iswaar het op aankomt. Want als je het nu niet gaat doen, dan is het voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16024 deze kabinetsperiode alweer een verloren zaak. Dan zeg ik tegen eenkabinet dat zegt dat «de regio ons kroonjuweel» is: laat dat alsjeblieft geenglaskraaltje zijn.Mevrouw Kamminga (VVD):Dank voor de nadere toelichting. Goed om te horen dat mevrouw Bikkerook echt openstaat voor die bredere visie op mobiliteit, want volgens mijzit de oplossing vaak in een combinatie van alles. Ik zie het dan ook eenbeetje als een uitgestoken hand om daar verder naar te kijken. Want alswe het hebben over maatwerk voor die regio, dan gaat het om een mixvan maatregelen – en daar horen dus ook andere typen van vervoer bij.Het gaat uiteindelijk om de bereikbaarheid en niet per definitie om éénmiddel. Maar ik hoor mevrouw Bikker dat dan ook niet zeggen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik geloof heilig, maar niet heilig in één openbaarvervoermiddel, dus geenzorgen. Dat doen we juist heel graag op een goede manier, voor die regio.Maar als deze coalitie zegt «op momenten dat mensen veel betalen voorhun brandstof, brengen we die autoaccijnzen wat omlaag», dan snap ikdat. Mijn partij heeft dat ook gesteund, in tegenstelling tot sommigepartijen die wat meer ter linkerzijde zitten. Maar, zeggen we er dan ook bij,we moeten ook zorgen voor mensen die afhankelijk zijn van het ov, ook inde regio. We zien de verschraling van de busverbindingen, en ik hebgezien wat het betekent als de bus niet meer stopt in Stad aan ’t Haring-vliet maar doorrijdt. Dan willen wij daar dus wel in investeren. OpGoeree-Overflakkee zie ik dat het door de investering van die Bikkergeldenweer lukt om de bus langs Herkingen te laten rijden; dat maakt een grootverschil. Ik weet dat we hier niet in een IenW-debat zitten, dus de Ministerzal ook denken: waar ben ik nu beland? Tegelijkertijd maakt het een heelgroot verschil voor een vitaal platteland als we dit ook goed met elkaaraanpakken. Zelfs als deze Minister perfect werk aflevert, waar iedereen deloftrompet over steekt, dan nog moeten we het ook fiksen op die anderepunten. Anders zou de regio niet het kroonjuweel van dit kabinet zijn. Endat moeten we niet laten gebeuren. Dus ik zit hier eigenlijk een beetje omdeze hele commissie lekker in de actiestand te krijgen, zodat we bij deVoorjaarsnota zeggen: ja, we hebben het met elkaar gefikst; die regio iserop vooruitgegaan.De voorzitter:Daarmee komen we aan het einde van de eerste termijn van de kant vande commissie. Ik kijk naar de Minister. Heeft u enig idee hoelang het gaatduren voordat u de beantwoording voor elkaar heeft?Minister Uitermark:Daar wordt natuurlijk hard aan gewerkt door de ambtenaren. We hebbenongeveer 55 vragen gekregen van de collega’s, dus ik denk dat ik wel 40,45 minuten nodig heb om daar serieus naar te kunnen kijken.De voorzitter:Zal ik u tegemoetkomen met 50 minuten?Minister Uitermark:Ja, fantastisch.De voorzitter:Ik schors de vergadering voor 50 minuten, dus tot 17.40 uur.De vergadering wordt van 16.55 uur tot 17.47 uur geschorst.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16025 Ik heropen deze vergadering en ik meld dat de heer Krul zich excuseert.Hij is iets later. Hij verwacht om 18.00 uur weer aanwezig te zijn. Ik ga indeze eerste termijn naar de beantwoording van de Minister.Minister Uitermark:Dank, voorzitter. Vandaag debatteren we over een heel belangrijkonderwerp, namelijk de regio’s en de grensoverschrijdende samen-werking. Ik noem het zelf eigenlijk liever «grensoverstijgende samen-werking». Het laatste debat dat we hadden met de Kamer over de regio’swas op 16 mei vorig jaar, dus nog onder het vorige kabinet. Toen werd ernog heel hard gewerkt aan de opvolging van het rapport Elke regio telt!en ook de bouwstenen voor een vervolgaanpak. De mensen op depublieke tribune die vanuit het hele land vandaag naar de Tweede Kamerzijn gekomen, laten nog een keer extra zien hoe belangrijk dit onderwerpis en hoe het leeft in het land. Dat merk ik zelf ook. Ik ben inmiddels tienkeer in de regio op bezoek geweest en je merkt gewoon dat het heelbelangrijk is voor de regio om zich gezien en gehoord te voelen en om deaandacht te krijgen die die verdient. Dus de oproep «hoort u de platte-landsvrouwen, uw haren naar achter», of wat de heer Soepboer ook zei: ikben zelf opgegroeid in de regio en ik ken en voel het belang van de regioook persoonlijk, de verbondenheid die je hebt met juist je eigen omgevingwaarin je opgroeit.Wat mij deugd doet, is dat niet alleen dit kabinet – zo ben ik de brief die ikuw Kamer heb gestuurd op 20 december ook begonnen – gelooft in dekracht van de regio. Wij vinden die regio enorm belangrijk. Het verheugtmij om te merken dat u dat eigenlijk Kamerbreed, zoals u hier in de Kamerzit vandaag, laat merken en voelen, het belang van de regio.Wat we doen met de inzet vanuit het kabinet zoals die is verwoord in diebest lange brief van december over het Nationaal Programma VitaleRegio’s dat we introduceren, dat ik verder het «NPVR» zal noemen, iseigenlijk inzetten op twee sporen. Het ene spoor betreft heel duidelijk deelf regio’s waar al een keuze voor was gemaakt en waar wij verder opdoorgaan, de specifieke maatwerkinzet op die regio’s. Het tweede spoor ishet ontwikkelen en implementeren van een andere logica bij beleid en ookbij investeringen, waarbij we meer regiogericht te werk zullen gaan. Vandat spoor profiteren in principe alle regio’s in Nederland. Dat vind ik ookbelangrijk om hier te zeggen.Ik noem de regio’s die deel uitmaken van het spoor specifiek metbetrekking tot de elf regio’s maar even, want dan kan er geen verwarringover bestaan. Er werd net gezegd dat het oosten daar geen onderdeel vanuitmaakt, maar Twente en de Achterhoek maken daar wel deel van uit. Deelf regio’s zijn de Achterhoek, de Kop van Noord-Holland, Midden-Limburg, Noord-Limburg, Noord-Friesland, Twente, Zeeuws-Vlaanderen,Zuid- en Oost-Drenthe, Zuid-Limburg, Zuidoost-Friesland en Noord- enOost-Groningen. Met al deze regio’s werken we tot rond de zomer aan eenplan voor de regio. We zijn dus echt de komende zes, vijf maanden bezigmet het maken van een plan voor de regio. Dat is de eerste helft van ditjaar. De bedoeling is om het na de brief van december van woord naardaad te brengen, eerst echt met de regio. Ik zal daar zo bij de vragen ookop nog op terugkomen, want er zijn veel vragen gesteld over hoe ik datnou doe, ook met de wortels van de samenleving, met de inwoners. Daarzal ik zo op terugkomen. Dat vind ik heel belangrijk. Die planmakerij is dustot aan de zomer en vanaf de zomer tot het eind van het jaar gaan we naarde tweede fase en worden er concrete uitvoeringsplannen uitgewerkt.Daarbij richten we ons op die drie doelstellingen uit Elke regio telt!, dienet ook al door uw Kamer zijn benoemd.Ik vind het belangrijk om te zeggen dat er veel is om trots op te zijn in deregio, maar dat er ook echt wel de nodige zorgen zijn. Die werden gedeelddoor inwoners, zorgwerknemers, onderwijzers en lokale ondernemers inde genoemd in de zogenoemde regiodialogen. Tussen het vorigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16026 Kamerdebat en nu hebben er in bijna alle regio’s behalve Groningenregiodialogen plaatsgevonden. Dat waren dialogen van vaak twee dagen,waar in breed verband – er waren ook inwoners bij betrokken – isgesproken over de zorgen uit de regio. Die zijn meestal regionaal, maarsoms speelt de grens met een buurland er een rol in. Daarom wordt desamenwerking die we hebben met de autoriteiten in onze buurlanden, dusmet die van Noordrijn-Westfalen, Wallonië, Vlaanderen en Nedersaksen,onze samenwerking over de grens, onveranderd voortgezet.Er is net ook door uw Kamer genoemd dat de opgaves waar we voorstaan echt niet op te lossen zijn met geld alleen. Een andere blik en ookeen warme samenwerking zijn daarvoor nodig. Voor het Rijk ligtdaarnaast de taak om een goede verbinding te leggen tussen de rijkspro-gramma’s die al lopen in de elf regio’s. De elf regio’s zijn allemaal regio’sdie ook in het verleden al een Regio Deal hebben gehad of recent eenRegio Deal toegekend hebben gekregen. Wij willen de verbinding leggentussen alle programma’s die op dit moment al lopen en die juist samen-brengen en verbinden met de regio’s.Dan het tweede spoor, de beleids- en investeringslogica. Het kabinet wildus die beleids- en investeringslogica anders gaan vormgeven. Departe-menten werken daarom aan een fundamentele beweging met deaanpassing van eigen beleid en investeringen voor belangrijke regionaleopgaven. Ik vind het heel belangrijk dat we de signalen uit de praktijkdaaraan gaan verbinden en ook om te zeggen dat de brede welvaart hetuitgangspunt vormt van het denken en van beleidskeuzes. De komendetijd komen er van diverse collega’s uit het kabinet voorstellen opspecifieke thema’s. Ik zal er zo nog iets specifieker op ingaan. De brief vandecember is natuurlijk afgestemd in het kabinet, in de ministerraad, enheeft de steun van het hele kabinet en ook het expliciete commitment vanmeerdere ministeries, juist de ministeries die betrokken zijn om deregioplannen te helpen bloeien. Zo wordt vanuit IenW de mogelijkheid ombereikbaarheidsdoelen op te stellen verkend. Voor de periode tot 2028 iseen geografische spreiding opgenomen als een van de hoofdcriteria voorde basisinfrastructuur vanuit OCW. Zo worden meer voorbeelden in deKamerbrief van december genoemd.De diversiteit aan beleidsterreinen waar dit speelt, laat zien dat er brederaandacht voor de regio nodig is dan alleen in deze commissie. Het is echteen samenspel. Dit kabinet zet zich in, uw Kamer zet zich in, de regio zetzich in. We komen echt met een concreet plan dit jaar. Zoals ik net aangaf,vergt dit samenwerking van meerdere departementen en ookoverstijgend, dus integraal. Dat betekent ook dat u als Kamer natuurlijkeen mooie kans hebt om bij de diverse vakcommissies steeds hieraandacht voor te vragen, dus gewoon, wat mij betreft, de NPVR-vraag testellen in de respectievelijke vakcommissies. We zetten dus in op hetdoorontwikkelen van de beleids- en investeringslogica, het aan devoorkant beter rekening houden met de regionale eigenheid, hetopsporen en bespreekbaar maken van dingen die beter kunnen en waardat nodig is ook het aanpassen van beleid, het liefst zo vroeg mogelijk inhet proces.De voorzitter:Ik onderbreek u voor een interruptie van mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Dank ook aan de Minister voor haar betoog, ook metbetrekking tot het belang van de regio, en voor dat zij de regio goed kent.Ik wil even terugkomen op het voorbeeld van het samenspel en hetconcrete plan om daar dit jaar mee te komen. U heeft het terecht oversamenwerking. Dat is natuurlijk ontzettend belangrijk, maar het is ookbelangrijk dat er duidelijkheid is over de financiering. Je kunt welsamenwerken, maar met wat voor geld ga je dat dan doen? De MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16027 gaf aan dat het ook van de Kamerleden vergt om druk te zetten op deeigen vakcommissies. Ik weet niet of ik het goed heb begrepen, maargeeft de Minister aan dat wij dan met de pet rond moeten, zeg maar, omgeld op te halen? Ik hoor graag uitleg.Minister Uitermark:Dank voor de vraag, want zo is het niet bedoeld. Ik kom daar zo meteenook op, want er zijn een heleboel vragen gesteld over de middelen diehier wel of niet bij horen. Daar zal ik zo wat meer over zeggen. Het is zekerniet de bedoeling dat ik u langs de vakcommissies stuur om met de petrond te gaan. Het is de bedoeling om steeds op de goede momentenaandacht te vragen voor het aspect van hoe de dingen die we doen inonze eigen vakcommissies uitwerken in de regio. Dat is de vraag, denk ik,die u als Kamer bij alle vakcommissies kunt stellen. Dit gaat dus niet overgeld; dit gaat over een andere manier van nadenken over hoe onzewetten, regels en beleid uitwerken in de regio. Is de regio wel voldoendemeegenomen aan de voorkant van het proces?De voorzitter:U bent door uw beantwoording van de interruptie heen? Dan heeft u eeninterruptie van mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik hoor de Minister nu zeggen dat ze eigenlijk een beetje op twee sporenwil gaan werken. Het ene spoor is dat van die elf regio’s waar we hetvandaag uitgebreid over hebben gehad. Het tweede spoor is dat van dieoverige regio’s. Zij gaat daar in de eerste helft van het jaar mee aan deslag, en in de tweede helft wil ze daar concrete doelstellingen aan stellenen tot afspraken komen. Ik was benieuwd hoe zij de Kamer hierin wil gaanmeenemen.Minister Uitermark:Ik weet niet of ik de vraag nu goed gehoord heb, maar het plan van ditjaar is om tot aan de zomer voor die elf regio’s tot een plan te komen, enin de tweede helft van het jaar tot een uitvoeringsagenda te komen voordie elf regio’s. Daar zal ik u in meenemen. Ik zal de Kamer in de tweedehelft van dit jaar informeren over de voortgang.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Gaat het dan om kwartaal 3 of 4?Minister Uitermark:Er zit een knip rond de zomer. We hebben dus tot de zomer nodig omsamen met de regio’s de plannen op te stellen. Na de zomer hebben wetot het einde van het jaar nodig om ook daadwerkelijk uitvoeringsa-genda’s op te stellen. Als uw Kamer goed mee wil kunnen kijken met devoorgang daarvan, is het misschien handig dat ik na die eerste fase, dusna de planmakingsfase, een voortgangsbrief naar de Kamer stuur.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik heb een paar keer aandacht gevraagd voor de vraag hoe dat wordtbetaald. Als ik kijk hoe ambtenaren van andere departementen adviseren,valt het mij op dat er ergens een beetje de schuchterheid is om niet al teveel verwachtingen te wekken, omdat er op dit moment nog onvoldoendefinanciën kunnen worden vrijgemaakt. Het lijkt me wel goed dat de Kamerook weet heeft van de financiële claim, omdat je dan bij Prinsjesdag en bijde begroting in het najaar zo nodig kan schuiven. Ik hoop natuurlijk dat deMinister daar perfect uit gaat komen met het kabinet, maar mocht dezeKamer nog reden zien om her en der wat aan te dikken, dan moet dit bijPrinsjesdag wel bekend zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16028 Minister Uitermark:Ik snap de vraag. Zoals ik al aangaf, hebben we tot de zomer de tijd nodigom samen met die elf regio’s, volgens het proces dat we voor ogenhebben, een plan te maken. Voor de uitvoeringsagenda hebben we detweede helft van het jaar nodig. Dat betekent ook dat het te vroeg is om alduidelijk te hebben wat dat betekent in termen van financiën. We gaanermee aan de slag. Dat zal voor elke regio tot een andere uitvoeringsa-genda kunnen leiden, dus kan ik op dit moment nog niet zeggen wat daarfinancieel voor nodig is. Het is ook maar de vraag wat er precies financieelnodig is. Het is namelijk primair geen financieel vraagstuk; het gaat meerom de vraag waar de behoeftes van de regio’s liggen en wat er per regionodig is. Dat gaan we met elkaar in de uitvoeringsagenda zetten. Webrengen het dus echt van woorden naar een begin van daden. Maar danweet ik ook pas wat ervoor nodig is.Ik vind het mooi dat u zoekt naar draagvlak voor de regio’s, wat ik echtbreed proef. Maar we zien ook andere belangrijke nationale programma’sdie zonder een dubbeltje begonnen zijn. We beginnen nu inderdaad nietmet middelen voor de uitvoering. We moeten eerst tot die uitvoeringsa-genda komen. Uit de eigen middelen die ik heb op mijn ministerie, denieuwe middelen die ik heb vanuit de envelop van goed bestuur,reserveer ik bijna 4 miljoen. Ik reserveer 3,8 miljoen, verdeeld over die elfregio’s. Er gaat een bedrag van € 350.000 naar elk van die elf regio’s, in devorm van decentralisatie-uitkeringen. Zo kunnen de regio’s zelf ook echtdie plannen maken via een decentralisatie-uitkering, zodat die zo minmogelijk verantwoordingslasten met zich meebrengt. Ja, die middelen zijnprimair bedoeld voor het proces; dat is waar. Maar we hebben dat procesook nodig om vervolgens tot die uitvoering te kunnen komen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Er is ook al veel gebeurd in de regio’s; er is al veel op poten gezet. Ik waspas nog in de Achterhoek. Daar zag ik dat er juist al heel veel op gang isgekomen. Ik zou het heel jammer vinden als die € 350.000 – waarmee zalik dit vergelijken? – neer gaat komen op een soort stoofpan waar nog eenklein beetje suddervlees in zit dat warm moet blijven, in de hoop dat we erlater weer een schep bovenop gaan doen. Maar dat weten we dan nietzeker. Mijn zorg is daarom dat we hiermee een jaar verliezen.Ik snap heel goed dat de Minister zegt: ik ga niet nu al zeggen dat iedereregio zoveel miljoen krijgt, want voor je het weet teken je dan voorbedragen waarvan je denkt «dit is niet nuttig». Ik snap dus heel goed datde Minister zegt dat ze de inhoud leidend wil laten zijn. Maar je hebt weleen soort brandbreedte nodig, want anders heb je een jaar verloren. Datzou ik heel spijtig vinden. Kan de Minister dus ten minste eenbandbreedte aangeven, of een indicatie geven wat betreft hoe zij verwachtdit te gaan dekken? Dan kan een regio namelijk ook vooruitdenken. Op hetmoment dat je iets in de lucht wil houden, en denkt «ik wil mijn pannetjeop het vuur toch wat meer gevuld hebben», wil je ook een indicatiehebben dat je verwachtingen gerechtvaardigd zijn.Minister Uitermark:Nee, dat is nog niet de keuze die nu aan de orde is. Er zijn vanuit hethoofdlijnenakkoord geen extra middelen aan dit programma toegekend.Maar zoals ik al zei, zijn veel grote nationale programma’s zonder eendubbeltje begonnen. Voor mij is het echt belangrijk dat we eerst samenmet de regio plannen maken. Dat moeten plannen zijn die passen bij deregio. Die moeten we dan tot een uitvoeringsagenda zien te krijgen. Datbrengt ons dan gewoon naar het einde van het jaar. Dan is het niet zo dater niks is gedaan; dan is er een heleboel gedaan. In sommige regio’s kandat wellicht sneller gebeuren. Maar dit is de planning zoals we die nuvoorzien. Daarbij maken we natuurlijk gebruik van de regio’s waarvoor erwat betreft de Regio Deals al een structuur is. We verwachten natuurlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16029 dat we wat betreft de regio’s die al wat verder zijn, met de nodigesnelheid tot ontwikkelingen kunnen komen. Maar het is op dit momentecht te vroeg om te zeggen hoeveel centen daar dan bij moeten komen.Dit is ook nog wel leuk om te zeggen: ik heb twee mensen meegenomendie hier in de eerste termijn niet zaten. Dat heb ik ook gedaan om ze evenbij u op het netvlies te krijgen. De een is – ik moet het goed zeggen – deprogrammamanager van het Nationaal Programma Vitale Regio’s, deNPVR-manager. De ander is de programmadirecteur van de Regio Deals.Ik ben hier namelijk ook trots op. Het is ons echt menens. Dit is niet alleeneen kwestie van nota’s schrijven en plannen maken. Ik heb op mijnministerie een team zitten van wel tien mensen die actief als regioadvi-seurs de regio in gaan, de verbinding opzoeken en echt helpen met hetmaken van de plannen en met het verbinden. Daarnaast zullen elf hogeambtenaren optreden als rijksvertegenwoordigers. Op die manier wordenalle ministeries daar ook op aangehaakt. Zij zullen met elkaar gaan werkenin een klankbordgroep. Vanuit onze kant wordt daar dus flink op ingezet.Maar we hebben die tijd echt nodig om tot een praktische en concreteuitwerking van de plannen voor de regio te komen.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Als ik het dan goed begrijp, komt die uitwerking er eind 2025. Dan hebbenwe de begroting voor Binnenlandse Zaken al behandeld. Dan is hier in2026 dus geen extra geld voor, ook als die plannen dan zijn uitgewerkt.Dat zou toch bijzonder spijtig zijn? Ik hoop dat het anders zit en dat ik hetniet goed heb begrepen. Als deze Minister door een coalitie op pad isgestuurd zonder extra centen, snap ik heel goed dat ze die niet kantoveren. Dat zal ik ook niet van haar vragen. Maar ik zie hier een Kamerdie bereid is om te zeggen: ook wij gaan de schouders eronder zetten.Mijn oproep, of aanmoediging zou dan zijn: als het niet lukt bij debesprekingen over de begroting die de coalitie in augustus zal voeren, stelde Kamer hier dan in ieder geval toe in staat. Het zou toch uitermatezonde zijn als we in december gaan spreken over uitgewerkte plannenwaar niet één financiële bijlage bij zit.Minister Uitermark:Ik waardeer de gedachte achter de vraag. Tegelijkertijd hebben we overtien maanden gewoon concrete plannen en dat zijn plannen die zien opeen samenwerking die we langdurig aangaan, voor twintig jaar. De inzet isecht anders dan bij de Regio Deals, die natuurlijk beperkt waren in de tijdtot vier jaar. Hier gaan we iets structureels, langjarigs doen. Het is echteen strategische en ontwikkelagenda voor twintig jaar. Dat betekent ookgewoon dat we even tijd nodig hebben om dit goed in de startblokken tezetten. Misschien kan ik in tweede termijn nog terugkomen op of ik dat opde een of andere manier kan meenemen in de brief die ik na de zomerstuur, want ik begrijp de gedachte achter uw vraag. Maar misschien is datvoor u ook nog te vroeg. Ik ga daar even over nadenken.Mevrouw Kamminga (VVD):Dank aan de Minister. Alle vertrouwen – ik zie nog een aantal bekendegezichten ook – in het feit dat uw ministerie er hard aan zal trekken en eengroot hart heeft voor die regio’s en er ook altijd veel inzet op pleegt. Hetpunt is natuurlijk vooral dat we moeten voorkomen dat uw ministerie datin zijn eentje moet gaan doen, want daar gaat het natuurlijk vaak mis.Nogmaals, het is een prachtige stap om ook per ministerie iemand aan tewijzen. We moeten immers ergens beginnen, dus ik wil ook niet tesceptisch zijn. Tegelijkertijd heb ik ook Nij begun en de opvolging daarvanin Groningen gezien. Iedereen zegt op dat moment «dat gaan we doen,daar zetten we ons voor in, daar komt breed programma» en vervolgensis het toch het Ministerie van BZK of EZK, afhankelijk van waar het ondergehangen is, dat het hardste loopt en toch iedere keer weer moet vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16030 bij de ander: we gaan iets doen op de energietransitie, jullie hadden daartoch ook fondsen voor? Kan de Minister mij verzekeren dat dat nu echtanders gaat over de volle breedte en dat ook die ministeries aan het kijkenzijn en alvast aan de voorkant meedenken over de opgaves die er zijn, dieer liggen per regio, en hoe zij vanuit hun ministerie ook de bestaandepotten – volgens mij moeten we daar eens beginnen – alvast kunneninzetten. Ik zou het gewoon echt een gemiste kans vinden als we die stapnu niet gaan zetten met elkaar.Minister Uitermark:Dat is een heel terecht punt van aandacht. Niet van zorg zeg ik erbij, maarwel een punt van aandacht. Ik denk echt dat met hoe we het nu inrichtenen ook de structuur die we eromheen zetten met al die topambtenaren diedaar vanuit verschillende ministeries met elkaar verantwoordelijk voorworden en ook in een klankbordgroep zitten, die de functie van rijksverte-genwoordiger hebben, die ondersteund worden door regioadviseurs, echteen heel grote stap zetten in die elf regio’s. Dan is natuurlijk de groterevraag hoe we dat nieuwe denken, dat andere denken doen. Die anderebeleids- en investeringslogica moet natuurlijk breder zijn, juist vanuit watwe ophalen vanuit de elf regio’s. Met de structuur die daar zit, halen weook een heleboel andere informatie op waarmee we continu het denken,ook op de departementen, aan kunnen zetten en hier aandacht voorkunnen vragen.Maar terecht is ook in eerste termijn, ik meen door de heer Krul, aan mijgevraagd hoe ik ervoor zorg dat ik voldoende doorzettingsmacht heb.Nou, het is een soort terugkerend thema in mijn portefeuille op allerleionderwerpen of ik maar doorzettingsmacht wil hebben. Die heb ik dusniet. Elke Minister stuurt zijn eigen ministerie aan, maar ik ben echtoptimistisch en niet pessimistisch. Voor mij geldt dat voor de stap vandoorzettingsmacht de stap van doorzettingskracht komt. Ik denk dat wemet wat we nu inregelen hier een heel krachtige constructie hebben omecht op tijd voldoende op te halen wat er nodig is voor de regio’s. Maar ikkan me ook voorstellen – daarom noemde ik dat net ook expliciet – dat ditecht iets is van samenspel, waar uw Kamer ook steeds de vakministers opkan bevragen. Vandaar ook dat ik zei: stel in uw vakcommissie gewoon deNPVR-vraag. Dan kunnen we samen, aan beide kanten, vanuit het kabineten de Kamer, goed het belang van de regio in de gaten houden.Mevrouw Kamminga (VVD):Ik zal in ieder geval zeker die handschoen oppakken en ik denk veel vanmijn collega’s hier ook. Het punt is alleen – dat zien we nu misschien ookwel weer een beetje – dat hier best veel Kamerleden zitten die uit eenregio komen waar vaak deze problemen spelen. Ik ben ook een tijdjewoordvoerder Koninkrijksrelaties geweest. Daar zie je ook dat het ondanksalle goede bedoelingen toch vaak weer op die ene commissie neerkomtdie dan eigenlijk met één bewindspersoon weer dat debat voert. Dusnogmaals, ik ben er van harte toe bereid. De Minister verwijst ernaar datop vele onderwerpen het Ministerie van BZK coördinerend is. Dan zou ikzeggen: dan zijn er wellicht een aantal lessen die geleerd zijn die we nuhier kunnen implementeren om te voorkomen dat het alleen maar bijvriendelijk vragen blijft, maar dat er toch, ondanks dat er wellicht geenformele doorzettingsmacht is, een vorm van doorzettingsmacht komt. Hetwoord «teckel» werd al genoemd. Ik weet niet of ik dat zou herhalen, maarwe zouden het toch wat makkelijker moeten kunnen bijsturen enmonitoren en het zou ons niet weer moeten gebeuren, zoals op zoveel vandie andere terreinen. Welke lessen zijn er nu waardoor de Kamer straksmet iets meer vertrouwen uit deze zaal loopt, en ook de mensen die op depublieke tribune zitten, over dat we nu ook echt die stappen gaan zettenen we dus niet toch, ondanks alle goede bedoelingen – nogmaals vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16031 beide zijden van de tafel, daar twijfel ik niet aan – over een halfjaar weer indezelfde discussie zitten?Minister Uitermark:Ik pak het punt op. Ik heb trouwens ook genoten van de beeldspraak in deeerste termijn, in allerlei varianten, maar ik vind het draagvlak in uwKamer heel belangrijk. Ik begrijp ook uw behoefte om mee te kunnenkijken, te monitoren en mee te sturen op de goede momenten om devoortgang er voldoende in te laten zitten. Dus ik kom er in de tweedetermijn even op terug wat we daarin aan uw Kamer kunnen aangeven.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik concludeer na wat er is gezegd inderdaad dat de Minister toch iets meertijd nodig heeft. Mijn zorg zit hem er heel erg in dat gemeenten die tijdniet hebben en misschien ook wel zouden kunnen gaan versnellen. Ikdenk zelf ook dat bepaalde processen misschien naast elkaar zoudenkunnen lopen, want ik maak me ook wel zorgen met betrekking tot debegrotingen die we dan straks vastleggen. In Q4 heb je dan een plan,maar dan heb je er geen dekking voor. Zou de Minister dan ook kunnentoezeggen dat ze bijvoorbeeld een versnellingsproces gelijk meeneemt inhet gesprek met de regio? Misschien is die mogelijkheid er wel dat dieplannen al wel klaarliggen en dat men zou kunnen versnellen. Dan zoudenwe bijvoorbeeld in Q2, denk ik, voor de zomer, het hele pakket kunnenhebben, zodat we ook na de zomer die uitvoeringsagenda hebben liggen.Misschien ben ik te optimistisch, maar ik leg hem wel voor, omdat ik hetanders gewoon veel te lang vind duren. Ik vind die parallelle processendan niet helemaal goed op elkaar aansluiten. Daar maak ik me gewoonzorgen over.Minister Uitermark:Ik denk ook dat deze vraag eigenlijk aansluit bij de twee eerdere vragen. Ikbegrijp het relatieve ongeduld, omdat u ook zoekt naar het juiste momentom het verschil te kunnen maken voor die regio’s. Maar aan de anderekant hebben we ook een proces dat gewoon even zijn tijd nodig heeft endat niet uit parallelle processen bestaat. Je moet namelijk eerst een planmaken en dan vanuit het plan een uitvoeringsagenda opstellen. Maar ikga in tweede termijn ook even terugkomen op uw vraag of er mogelijk-heden tot versnelling in zitten, of dat we in ieder geval ergens rond ofvoor de begroting al iets van een inzicht kunnen geven of we het daartoekunnen leiden. Daar kom ik in tweede termijn even op terug.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan zijn er ook verschillende vragen gesteld over de betrokkenheid vaninwoners en in het bijzonder van jongeren. Het is juist ook heel belangrijkdat we hen betrekken bij de plannen voor de regio’s, want als we plannenmaken voor de komende twintig jaar, moeten die natuurlijk ook heel goedinspelen op de opgaven en de knelpunten waar juist de inwoners in deregio’s mee te maken hebben, want het gaat over hun leefomgeving enhun toekomst. Bij heel veel van de regiodialogen die de afgelopen periodehebben plaatsgevonden, waren inwoners ook aanwezig. Ik vind het ookbelangrijk dat ze blijvend betrokken zijn. Wat we gaan doen, is hetvolgende. De samenwerking tussen Rijk en regio zal plaatsvinden inzogenoemde regioallianties. Ik zie een interruptie, maar ik zal mijnantwoord even afmaken. Hoe die regioallianties eruit zullen zien, zal perregio ook verschillend zijn, omdat de regio’s zelf verantwoordelijk zijnvoor de inrichting daarvan. Maar ik zal er wel blijvend aandacht voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16032 vragen dat inwoners en in het bijzonder ook jongeren goed betrokkenworden, zeker als het straks richting de uitvoering gaat.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik hoor de Minister zeggen dat ze het heel belangrijk vindt dat inwoners enjongeren betrokken worden. Ik ben dus heel blij om dat te horen, wantdaar kunnen we elkaar dan op vinden. Ik was ook heel benieuwd hoe zebijvoorbeeld omgaat met een LVKK. Dat is de Landelijke Vereniging KleineKernen, die de belangen van al die kleine kernen behartigt. Hoe kan diebijvoorbeeld betrokken worden in zo’n proces?Minister Uitermark:Dat is een terecht punt. Dat vind ik ook heel belangrijk. Het is ook eenbelangrijke vereniging, die bij de laatste begroting overigens nog extramiddelen heeft gekregen. Met de LVKK is ook gesproken, dus die zijnhierin betrokken.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan is er nog de volgende vraag, van mevrouw Chakor. Er zijn regio’sgeselecteerd, maar er komen vragen van andere regio’s. Kunnen dieinritsen? Kunnen gemeenten er nu nog bij die nu buiten de boot vallen?Het NPVR beperkt zich natuurlijk tot die elf regio’s. Dat vergt ook eenfocus. Met de vergelijking tussen het kratje bier en frisdrank is de vraagook wel terecht gesteld: moet je ongelijke gevallen ongelijk behandelen?Ja, dat doen we dus eigenlijk precies in die regio’s. Dat is nou precies watwe in die elf regio’s gaan doen. Kunnen andere regio’s dan daarbijinritsen? Nee, want de focus ligt nou juist op die elf. De selectie van die elfis ook heel zorgvuldig tot stand gekomen. Maar ik wil wel in tweedetermijn nog even terugkomen op de vraag of er een mogelijkheid is omiets van dat leerproces ook open te stellen voor regio’s die niet onder dieelf vallen. Daar kom ik dus zo in tweede termijn nog even op terug. Ditwas een vraag van de heer Krul, die er nu even niet is, maar die heb ikeigenlijk al wel beantwoord. Ook een aantal andere mensen hebben diedoorzettingsmacht genoemd. Ik wil aan wat ik net heb gezegd nogtoevoegen dat ik daar in ieder geval van mijn kant in de ministerraadsteeds gepaste aandacht voor vraag. Om te beginnen zal ik komendevrijdag terugkoppelen wat we hier vandaag hebben besproken in ditcommissiedebat, juist ook omdat ik in de ministerraad levend wil houdendat dit iets is van het hele kabinet.Dan was er nog een vraag van mevrouw Kamminga: hoe voorkomen wedat het weer een bureaucratische molen wordt, die verkokering in de handwerkt? Eigenlijk heb ik daar net ook al een beetje een antwoord opgegeven. We kijken dus echt integraal. Al die dg’s op de ministeries kijkendaar met elkaar naar in een klankbordgroep. Vanuit het kabinet kijken weer ook integraal naar. Het is dus echt een aanpak die we niet vanuit eenrietje bekijken, maar integraal benaderen.Mevrouw Kamminga (VVD):Mijn excuus dat ik steeds over dit onderwerp doorga, maar ik denk echtdat een belangrijke sleutel in dit soort dingen zit. Dan zou ik de Ministernog willen vragen of er in die trajecten ruimte is voor maatwerk. Want alsik bijvoorbeeld kijk naar subsidies voor verduurzaming en isolatie, zie ikdat soms het ene wel mag en het andere niet. Het gaat me niet per se omdit voorbeeld, maar ik wil even een beeld schetsen. Soms loopt eenproject al in een bepaalde regio. Ik weet dat er bij mij in Oost-Groningen,in Veendam, een initiatief was om een aantal dingen te isoleren, notabene naar aanleiding van een Regio Deal. Daar kwamen een aantalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16033 onderwerpen en onderdelen uit die heel zinvol waren, maar niet in dieregelingen vielen. Nogmaals, het gaat mij er niet om dat er nu eentoezegging komt over die regeling. Maar ik zou zo hopen dat we in datsoort dingen flexibiliteit hebben en dat we dan niet iedere keer weer terugmoeten naar het brede schema. Als er geld voor zo’n doel beschikbaar isen een regio een plan heeft dat daartoe bijdraagt en dat de doelgroepenbereikt waarover we allemaal onze zorgen hebben, moeten we ook metelkaar in dat soort gremia de ruimte en flexibiliteit zoeken om datmaatwerk echt toe te gaan passen.Minister Uitermark:Ik vind het een heel terecht punt dat aandacht nodig heeft. Wat mij betreftzit dat niet alleen in die elf regio’s, maar is dat inherent verbonden aan hetnieuwe denken en de nieuwe investeringslogica. Dat is dus precies watwe gaan doen. De insteek zal ook zijn dat als we weten dat iets in eenbepaalde regio heel anders uitwerkt dan in een andere regio, we gaankijken of er afwijkingsmogelijkheden zijn. Ik denk dat we dat echt per keerzorgvuldig op het goede moment zullen moeten bekijken, want voor je hetweet zitten we in een knellend keurslijf van regels en kunnen we daar nietmeer van afwijken. Met die bril gaan we dus echt kijken bij de nieuwebeleidslogica.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan was er nog een vraag van de heer Soepboer: hoe staat de Ministertegenover werken met regiobewindslieden, waarbij ambassadeursterugkoppelen in de ministerraad? Ik vind dat een sympathieke vraag. Ikweet niet of die helemaal ziet op de elf regio’s of meer op de twaalfprovincies. Ik vind het in ieder geval sympathiek dat er wat betreft de elfregio’s voldoende betrokkenheid is op politiek-bestuurlijk niveau. Datgeldt dus zowel voor uw Kamer als binnen het kabinet. Binnen het kabinetzal ik zelf zorgen dat daar steeds voldoende aandacht voor wordtgevraagd, maar ik kan natuurlijk nu vanavond niet toezeggen dat erdaadwerkelijk per regio een bewindspersoon komt die zich daaraan wilcommitteren. Maar ik neem de gedachte graag mee. Ik koppel daar ookalvast aan dat er op 3 april een grote startbijeenkomst is van het NPVR. Bijdezen nodig ik graag de hele Kamer daarvoor uit.De heer Soepboer (NSC):Dat is al heugelijk nieuws. We gaan kijken of we daarbij kunnen zijn. Ikbegrijp dat u niet kunt toezeggen dat dit voor elkaar komt, want daar heeftu inderdaad uw collega’s voor nodig. Maar zou u mij wel de toezeggingkunnen doen dat u dit inbrengt in de ministerraad, dat u bij de Kamerterugkomt om ons te vertellen hoe erop gereageerd is en hoe we dit danvoor elkaar kunnen krijgen, als dat positief is? Eigenlijk vraag ik dus omeen concrete toezegging om dit naar de ministerraad te brengen en omhet daarna weer naar de Kamer te brengen en uit te leggen hoe hetverdergaat.Minister Uitermark:Dat is wel heel concreet. Op zich hou ik van concreet. Ik vind het eensympathieke vraag. Soms is het ook lastig om een vraag voor te leggenen dan een antwoord te krijgen dat onsympathiek zou kunnen overkomen,maar waar hele goede argumenten voor zouden kunnen zijn. We zijn inieder geval het eerste kabinet met een specifieke bewindspersoon voorGroningen, dus in die zin doen we al iets bijzonders. Maar ik vind het eensympathieke vraag en ik neem die mee in de ministerraad. Dan hoort uTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16034 van mij wat het antwoord daarop is. De inzet is misschien niet voor alle elfregio’s, maar wellicht kan ik er wel iets mee. Maar u hoort het nog.De voorzitter:Kunt u aangeven wanneer dat gaat gebeuren?Minister Uitermark:Ik zal het de komende ministerraad proberen te bespreken. Dan hoort uhet zo snel mogelijk.De heer Krul (CDA):Voorzitter, dubbele excuses dat ik én later ben én zo ook weer eerder wegmoet, maar soms kom je binnen en word je gelijk getriggerd om eenvraag te stellen. Ik denk: «Weet je wat? Dit is een lakmoesproef.» DeMinister heeft ons net uitgenodigd om bij een startbijeenkomst te zijn. Theproof of the pudding is in the eating. Dan ben ik heel benieuwd in welkvan die regio’s die startbijeenkomst is waar wij straks heen kunnen.Minister Uitermark:Het is nog work in progress. Volgens mij zijn er op dit moment nog tweelocaties waar we aan denken en moet de definitieve keuze nog vallen.De heer Krul (CDA):En welke twee zijn dat dan, waar we tussen twijfelen?Minister Uitermark:Het antwoord is dat het locaties zijn in het midden van het land, zodat debijeenkomst vanuit alle regio’s goed bereikbaar is: Utrecht en Ede.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Als er net al een bestelling is gedaan met betrekking tot de ministerraad,dan kan ik het niet nalaten om ook een bestelling mee te geven als deMinister toch die kant op gaat. Kan ze in plaats van dit regelen, gewoongelijk regelen dat de rijksmiddelen die nodig zijn, gefikst worden? Dankunnen we aan de slag.Minister Uitermark:Dat is een vraag van een wat andere orde. Ik denk dat ik net ook al goedheb aangegeven dat het eerst een traject vergt van plannen maken en toteen concrete uitvoeringsagenda komen. Dan weten we ook wat er al danniet nodig is aan middelen, want er zijn natuurlijk ook middelen in debestaande stromen. We gaan ook kijken of we die gerichter kunnen latenlanden bij de regio. Dit is dus echt een vraag die veel te vroeg komt.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik ben het niet helemaal eens met de Minister. Ik denk niet dat deze vraagte vroeg komt, want je kunt bepaalde processen gelijk oppakken. Deregio’s weten waar ze tegenaan lopen, hebben zelf al uitvoeringsagenda’sen zitten vaak met het vraagstuk van de financiering daarvan. Daarom zeiik net ook dat het gewoon en-en kan zijn. Op het moment dat u nu al ingesprek gaat en zaken ophaalt, kunt u volgens mij gelijk al aan de slagmet die uitvoeringsagenda. Dan blijft er natuurlijk het vraagstuk van derijksmiddelen, dus ik denk dat ook nu al de vraag gesteld moet wordenhoe we dit met elkaar gaan financieren, zodat we straks niet plannenhebben liggen maar geen budgetten. Volgens mij vraag ik hier dus geengekke dingen. Ik vraag alleen om dat in goede volgordelijkheid te doen.Het is hartstikke goed dat dat het NPVR er ligt, maar laat het niet alleenmaar een glossy magazine zijn. Laten we met elkaar voor elkaar boksendat die middelen er komen en dat we het proces versnellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16035 Minister Uitermark:Ik wil even het beeld wegnemen dat er niet al heel veel gebeurt. Dezeweek zijn de Regio Deals toegekend. Dat is weliswaar iets anders, maardat slaat ook neer in de regio’s. Dat gaat om 240 miljoen. We zijn hier heelconcreet bezig met een traject dat ik net heel duidelijk heb geschetst endat de komende maanden gaat lopen. Daarbij worden ook afsprakengemaakt met de regio’s. De vraag nu zo naar voren halen en versnellen isgeen pad en proces waarvoor wij kiezen.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan nog een vraag van mevrouw Kamminga over de zorgen over impactop kleinere gemeenten, omdat zij bij Regio Deals al signalen heeft datkleine gemeenten met 2 fte hoge verantwoordingsdruk ervaren. Dat geldtook hiervoor. Het moet wel kunnen, want het gewone werk gaat ook door.Ja, dat is een begrijpelijk punt. Zoals ik net ook aangaf, komt er eenbudget mee van € 350.000. Dat is trouwens niet eenmalig, maar voorzienvoor drie jaar. Ik breng dus drie jaar lang elk jaar 3,8 miljoen. Met datbudget kan de regio zelf zorgen dat die plannen en uitvoeringsagendaworden gemaakt.Mevrouw Kamminga (VVD):Voorzitter, ik realiseer me dat dit mijn laatste interruptie is, maar goed.Hartstikke goed. Fijn dat daar geld en middelen voor zijn. Ik vind hierbijdan toch wel weer het dilemma dat we dit soort middelen wel kunnenvinden voor fte en het maken van plannen, terwijl voor heel veelgemeentes zo’n bedrag juist heel goed van pas zou komen om een aantalvan de knelpunten op te lossen waar ze vandaag al tegen aanlopen. Ik blijfdat gewoon een dilemma vinden. Nogmaals, daar zit een zorg. Ik vind hetgoed dat we nu gaan starten met deze programma’s en dit gaan doen,maar ik wil toch nogmaals de oproep doen om te voorkomen dat we telang blijven zitten in planfases en alles overkoepelende en integraleplannen. Dat is natuurlijk een mooie ambitie, maar we moeten in detussentijd niet vergeten dat er ook op dit moment heel veel inzet nodig isvoor het oplossen van problemen. Wellicht kunnen we bij het verdelenvan het geld ook daarnaar kijken.Minister Uitermark:Ja, zo heeft alles een eigen mate van belangrijkheid. Dat begrijp ik. Debedoeling is echt om met dit geld, dat ik uit mijn envelop van goedbestuur drie jaar lang elk jaar beschikbaar stel, te komen tot plannen, eenuitvoeringsagenda en een begin van de uitvoering in de twee jaar na deplannenmaakfase. Ik zeg daar ook bij dat dat in de vorm is van eenDU-uitkering. Dat betekent dat die bestedingsvrij is, maar de uitdrukkelijkebedoeling is natuurlijk wel om die hiervoor aan te wenden. Maar dat geldis dus bestedingsvrij.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dank, voorzitter. Ik kijk even, want ik heb ondertussen eigenlijk eenheleboel vragen al beantwoord. Ik ga er dus wat sneller doorheen.Er was nog een vraag van de heer Krul: wanneer nemen we afscheid vanMKBA-investeren en wanneer stoppen we met de MIRT-aanpak? IenWwerkt aan het kabinetsstandpunt bereikbaarheidsdoelen, waarin debereikbaarheid van essentiële voorzieningen meer centraal komt te staan.MIRT is en blijft een belangrijk vehikel voor de samenwerking met deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16036 medeoverheden en om afspraken te kunnen maken over projecten enmiddelen. Daarover voert de Kamer dan zelf het debat. Er komt natuurlijkook een debat aan; op 2 april is het commissiedebat Strategische keuzesbereikbaarheid. Ik denk dat het daar verder aan de orde kan komen.Er was ook nog de vraag hoe de middelen in het MIRT verdeeld zijn overNederland. Die is ook al eerder in het MIRT-debat gesteld door het lidPierik van de BBB. Daar wordt voor het commissiedebat van 2 aprilantwoord op gegeven.Dan heb ik nog een vraag over ...De voorzitter:Voor u verdergaat, is er een interruptie voor u van de heer Krul.De heer Krul (CDA):Daar heb ik wel een vraag over, want deze Minister is eigenlijk een beetjeonze bondgenoot richting al die andere ministeries, waar het allemaal neteven wat minder snel gaat. Ik vind dus dat wij als commissie dezeMinister af en toe een beetje moeten helpen. Ik ben ook woordvoerderIenW geweest. Ik ken het commissiedebat en de MIRT-cyclus ook. Elk jaarproberen we daar iets aan te doen, maar het is ontzettend ingewikkeld.Laat ik het eens positief formuleren: krijgt de Minister in haar gesprekkenals coördinerend bewindspersoon met IenW als het gaat om die investe-ringslogica, die overal aangepast moet worden, het idee dat IenW daarinstappen zet, of kunnen wij een handje helpen?Minister Uitermark:In uw afwezigheid hebben we het hier eigenlijk al best over gehad. Hetpunt over die andere manier van kijken en denken, waar u in uw eerstetermijn duidelijk aandacht voor vroeg, is terecht. Dit is een brief van hethele kabinet met expliciet commitment van het hele kabinet, langs dietwee sporen. Dat gaat niet alleen om die elf regio’s, maar ook juist om dattweede spoor van die andere manier van denken. Ik gaf net ook hetvolgende als suggestie mee. Ik doe dat vanuit doorzettingskracht in hetkabinet, maar er zijn natuurlijk ook veel mogelijkheden om als vasteKamercommissies elke keer de NPVR-vraag te stellen, zoals ik dat netnoemde. Dat kunt u doen, want het hele kabinet is gecommitteerd aan diebrief van december.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan is er een vraag van de heer Soepboer. Hoe wil de Minister het geldeerlijker verdelen over het land, bijvoorbeeld als het gaat overcultuurgeld? Er zijn verschillende ministeries druk bezig met juist kritischte kijken naar de manier waarop het geld over het land wordt verdeeld. Erligt op dit moment een drietal aangenomen moties van uw Kamer over degeografische spreiding van cultuurmiddelen. Dat zijn de motie-Van derVelde/Van Zanten, de motie-Rooderkerk/Mohandis en de motie-VanZanten. De Minister van OCW zal in zijn contourenbrief over het toekom-stige cultuurbestel ingaan op dit onderwerp en ook op deze moties. Hij zaldie contourenbrief na de zomer sturen. Maar het meer algemeneantwoord is dus dat diverse ministeries gewoon druk bezig zijn metkritisch te kijken naar de manier waarop we het geld verdelen over hetland.Mevrouw Chakor had nog gevraagd hoe we nou voorkomen dat deaanpak ervoor zorgt dat er bij andere departementen wordt wegbezuinigdals de inzet op een ander beleidsterrein wordt geïntensiveerd. Het is juistheel belangrijk dat we als departementen gezamenlijk zorgen dat hetbeschikbare geld goed wordt besteed en verdeeld. Juist vanuit deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16037 gebiedsgerichte aanpak brengen we die inzet samen om zo meer tekunnen doen voor hetzelfde geld.Dan nog de vraag van de heer Soepboer hoe vaak ik nou contact heb metde VNG, maar ook met bijvoorbeeld de K80 en de G40 et cetera, over waten waarom. Ik heb inderdaad geregeld contact met de koepels vanmedeoverheden, dus de VNG, het IPO en de UvW, over allerlei uiteenlo-pende onderwerpen die raken aan interbestuurlijke en ook financiëleverhoudingen, zoals in het medeoverhedenoverleg, dat in maart al voorde derde keer plaatsvindt. Het doel van die overleggen is om goed ingesprek te blijven over de verhoudingen, de interbestuurlijke verhou-dingen, maar ook financiële, en over de uitvoerbaarheid van het rijks-beleid voor medeoverheden en ook om te komen tot een interbestuurlijkesamenwerkingsagenda. Maar daarnaast, en dat vind ik zelf ook belangrijk,worden er momenteel gesprekken ingepland met decentrale netwerken.Dat zijn inderdaad de P10, de K80, de M50, de G40 en de G4. Dat gebeurtomdat ik ook graag van hen wil horen wat er speelt en waar zij tegenaanlopen in hun relatie met het Rijk. Ik kan ook zeggen dat deze netwerkenambtelijk van meet af aan zijn betrokken bij de uitwerking van devervolgaanpak op Elke regio telt!Dan was er nog een laatste vraag in dit blokje, van de heer Soepboer. Inde regio wordt de meeste energie opgewekt, is het stroomnet het lichtsten zijn de gevolgen van netcongestie het grootst als er niks gebeurt, zeihij. Is de Minister het met NSC eens dat dit zwaar moet worden meege-wogen in de prioritering van netcongestie, vroeg hij. Netcongestie is hetgevolg van een snelle overgang naar duurzame elektriciteit en hetdecentraal opwekken daarvan. In heel veel gebieden in Nederland issprake van netcongestie. Binnen het landelijk actieprogramma, hetzogenoemde LAN, werken Rijk, medeoverheden, netbeheerders enmarktpartijen samen om netcongestie in alle gebieden zo veel mogelijk tebeperken, dus ook in alle gebieden met een achterstand in brede welvaart.Binnen de energyboards overleggen Rijk, medeoverheden en netbe-heerders onder andere over de weerslag van de netcongestie in deprovincies. Daar wordt ook gezamenlijk gekeken naar de regionaleoplossingen voor de netcongestieproblematiek.De heer Soepboer (NSC):Dat was een vrij lang antwoord. Het punt dat ik aanstipte, is dat denetcongestie in bepaalde delen van ons land hele grote gevolgen kanhebben als we die niet aan gaan pakken. Dat zijn niet per definitie degebieden waar de meeste mensen wonen en waar het meeste geld wordtverdiend enzovoort. U heeft net een betoog gehouden over het nieuwedenken. Dat verheugt mij ten zeerste. Ik kom daar vandaag nog een paarkeer op terug, als we daar de tijd voor hebben. Maar waar het mij dus omgaat, is het volgende. We kunnen niet overal tegelijkertijd beginnen methet aanpakken van die netcongestie. Overigens is de netcongestie éénvoorbeeld van de zaken die er spelen, maar het is wel het specifiekevoorbeeld dat ik aanhaalde. De vraag is eigenlijk: als u nou moet gaanprioriteren, zou dan het feit dat het niet aanpakken van die netcongestie indeze landelijke gebieden tot grote gevolgen leidt niet zwaar mee moetenwegen in de prioritering van de aanpak van die netcongestie? Het nietaanpakken heeft namelijk ook maatschappelijke gevolgen. Het gaat dusniet alleen over het sluiten van een bedrijf, maar het gaat ook over deimpact daarvan op bijvoorbeeld een dorp, of bijvoorbeeld op een streek.Met andere woorden, moet dat in het afwegingskader niet zwaarwegendmeegenomen worden en moeten we dan niet tot de conclusie komen datwe daar misschien zouden moeten beginnen met het aanpakken vannetcongestie? Dat is eigenlijk mijn vraag.Minister Uitermark:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16038 In mijn antwoord van net gaf ik ook aan dat er juist al gezamenlijk wordtgekeken naar de regionale oplossingen die er liggen. Daarbij wordtgekeken naar alle gebieden, dus ook naar de gebieden met juist eenachterstand in brede welvaart. Maar dit is een vraag die op dit momenteigenlijk het beste aan de vakminister kan worden gesteld. Dit lijkt me eenperfecte NPVR-vraag voor het commissiedebat dat er volgens mij heelbinnenkort al is, op woensdag 19 februari. Ik zal daar vanuit mijnverantwoordelijkheid natuurlijk ook steeds oog en oor voor hebben. Debeste beoordeling van deze vraag – of je moet prioriteren is echt eenvoorrangsvraag, want als je de een voorrang geeft, krijgt de ander eenvertraagd traject – moet de vakinhoudelijke Minister zorgvuldig geven. Ditzijn wel typisch vragen waar ik vanuit mijn verantwoordelijkheid zeker bijmee wil kijken, maar hij hoort primair bij de vakminister.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Uitermark:Dan heb ik een mapje met vragen over grensoverschrijdende – ik noemhet zelf liever «grensoverstijgende» – samenwerking met de buurlanden.Alle elf regio’s hebben natuurlijk te maken met buren aan de overkant vande grens en met afspraken. We stellen per NPVR-regio een regioplan op.De afspraken in relatie tot de grensoverstijgende samenwerking zullenaltijd in samenspraak met de autoriteiten van onze buurlanden gaan. Ditzou trouwens mijn antwoord zijn op een vraag van de heer Flach, die ernu even niet is. Waar dat relevant is, kunnen natuurlijk ook bestuurdersvan de grenslanden worden uitgenodigd. Het is ook zo – dat is misschienook goed om te noemen – dat de bestaande samenwerkingsstructuurzoals die er was tussen Rijk, gemeenten, provincies en relevanteoverheden in de buurlanden, in de NPVR-regio worden voortgezet. Dus desamenwerkingsagenda met Nedersaksen, de grenslandagenda metNoordrijn-Westfalen en de grensgovernance van Vlaanderen-Nederlandworden voortgezet in de NPVR-regioaanpak.Dan had ik een vraag gekregen, ook van de heer Flach, over dat deInterreg-fondsen beschikbaar moeten blijven. Het antwoord daarop is dathet kabinet in het eerste kwartaal met een inzet op hoofdlijnen komt tenaanzien van het Meerjarig Financieel Kader. Ik wil hier niet op vooruit-lopen, omdat het kabinet hierin een integrale afweging moet maken.Dan de laatste vraag, die gaat over ondernemers in de grensregio. Datwas een vraag van mevrouw Kamminga: kunnen we stappen zetten ombuurtsupers in de grensregio’s te ondersteunen? Ik lees uw vraag eigenlijkals de algemene vraag hoe we ondernemers in de grensregio kunnenondersteunen. Dat doen we ook. Samen met Duitsland kijken we onderandere ook naar regeldruk voor onder andere buurtsupers. Ik zal dit ookopnemen met de collega’s van Economische Zaken.Dan kom ik bij mijn volgende mapje. Ik heb er nu nog drie: rijkswerkgele-genheid, Regio Deals en een mapje overig. Ik kom nu bij het mapjerijkswerkgelegenheid. Door mevrouw Kamminga werd ook gevraagdwelke concrete stappen ik zet om de rijkswerkgelegenheid buiten deRandstad te bevorderen. U verwijst onder meer naar het profiel van deregio Achterhoek. Ik ben het met u eens dat er meer rijkswerkgelegenheidbuiten de Randstad terecht moet komen. Het is taaie problematiek; dathebben we de afgelopen jaren gezien. Het is belangrijk, want het draagtbij aan de ontwikkeling van de regio, maar ook aan de kwaliteit vanwonen, werken en leven. Maar de aanwezigheid en de zichtbaarheid vande rijksdienst zorgt ook voor verbinding tussen inwoners van de regio ende overheid. Vorig jaar zijn daar in het kabinet ook afspraken overgemaakt, waarbij ik als Minister van Binnenlandse Zaken een sterkerecoördinerende en adviserende rol krijg om ervoor te zorgen dat alleMinisters werken aan een betere spreiding. Ik heb uw Kamer opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16039 25 oktober een brief geschreven waarin uitgebreid toegelicht is hoe ik datoppak en welke accenten ik daarbij leg, zoals bijvoorbeeld het verbindenvan een rijksdienst in de regio met de onderwijsinstellingen daaromheen.Ik ben ook al aan de slag. Zo adviseer ik nu collega’s in het kabinet bijlocatiekeuzes voor nieuwe diensten, bij uitbreiding of bij herhuisvesting.Als het moet heb ik ook de ruimte om dit in de ministerraad te bespreken.Ik betrek de regio’s ook bij het advies. Daarom ben ik ook blij met hetzogenoemde ontwikkelprofiel dat ik nu van de regio’s krijg en dat ik ookbijvoorbeeld eind vorig jaar van de regio Achterhoek ontving. Daarinbeschrijft de regio welke kansen men ziet voor de vestiging van rijks-diensten.Dan de vraag van de heer Soepboer wat we precies beogen met dedatabase als het gaat om de spreiding van rijkswerkgelegenheid. Hijvraagt ook of er een resultaatsverplichting in kan komen in plaats van eeninspanningsverlichting. De database die momenteel wordt opgezet isbedoeld om goede matches te maken voor de vestiging van rijksdiensten,op basis van de organisatieontwikkelingen bij ministeries en de ontwikkel-profielen van provincies en gemeenten. In de praktijk betekent dit dat bijeen huisvestingsvraag van een ministerie we in beeld hebben bij welkeregio een rijksdienst aansluiting kan vinden. Dan zoeken we naar eenlocatie waar de rijksdienst en de regio de meeste baat bij hebben. Ingesprekken met commissarissen van de Koning en burgemeesters wordtinformatie opgehaald. Natuurlijk zijn die ontwikkelprofielen niet een soortbidbook voor het aantrekken van rijksdiensten, maar ze hebben welinformatie die wij breder uitdragen binnen verschillende ministeries.Daarmee dienen ze in gesprek met rijksdiensten te gaan over locatiesbuiten de Randstad. De database an sich bevat geen concrete doelstel-lingen. Die is er vooral op gericht om tot goede matches te komen. Hetdoel is om te bekijken waar de rijksoverheid en de regio elkaar kunnenversterken door een betere verspreiding van rijksdiensten over het land. Ikben dus bezig om daar concrete stappen op te zetten.De voorzitter:U heeft een interruptie van mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik hoop met zijn welnemen ook een beetje namens collega Flach, die hetook over de rijkswerkgelegenheid had juist in het hele land. Wij wezensamen op het programma Elke regio telt!, ook op hoe de Minister daarvervolg aan geeft. Dat kan juist een aanleiding zijn om het wat steviger tekoppelen en te bekijken in welke regio’s we amper rijkswerkgelegenheidzien. De Minister noemde zelf de Achterhoek. Ik denk dat dat inderdaadeen voorbeeld is van waar dat minder het geval is. Maar dan zou ik hetook wel goed vinden om daarover concrete afspraken te maken. DeMinister gaat dit uitwerken richting het einde van het jaar. Dan is dit ookeen soort kans om, even oneerbiedig gezegd, laaghangend fruit makkelijken snel te plukken en te laten zien wat je in die plannen opschrijft overhoeveel rijkswerkgelegenheid je daar de komende jaren wilt realiseren.Dan breng je namelijk echt die beweging op gang in plaats van dat je hetlaat afhangen van de vraag of de Minister op tijd in de ministerraad heeftaangeklopt bij een van haar collega’s. Ik zou het dus ook aan de anderekant volop in beweging willen brengen. Ik hoop dus dat we de afspraakkunnen maken om dit te koppelen, zodat deze commissie daar verder opkan sturen en duwen en we de Minister daarmee een handje helpen in hetcontact met haar collega’s, die hier misschien niet in eerste instantie aandenken. Zou ze dat kunnen toezeggen? Dat scheelt ook weer een motie,zeg ik richting u; daar zult u blij mee zijn.Minister Uitermark:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16040 Ik ben even aan het nadenken. In de oktoberbrief staat een heel uitgewerktplan over de spreiding van rijkswerkgelegenheid. Zo komt er sturing bijelke verhuisbeweging of uitbreidingsbeweging van rijksdiensten dieboven de 100 fte zitten. Bij die sturing ben ik ook coördinerend. Daarmeehebben we het echt in zicht. Voor de rest houden we het overal in degaten. Dat geldt bijvoorbeeld voor als Defensie plannen aan het ontwik-kelen is of als er justitievoorzieningen komen. We houden overal in hetland vinger aan de pols. Het blijkt enorm lastig te zijn om hier van tevorenop te sturen of daar verwachtingen over te kunnen geven. Als uw vraag iswat de plannen zijn voor dit jaar en hoe we kunnen sturen op daadwer-kelijk effect in de regio, moet ik zeggen dat dat echt nog niet zo eenvoudigis. Dit zijn processen die ook gewoon tijd nodig hebben. Wat we nu doenen in kaart brengen, heeft soms pas over twee jaar effect, namelijk als deverhuisbeweging daadwerkelijk wordt gemaakt. De centrale aandacht, desturingsmechanismen en de coördinatie die we hebben neergelegd in debrief van 25 oktober geven mij echt wel een nieuwe positie om hier beterop te kunnen sturen. Maar het is lastig om nu heel concreet aan te gevenwat we dit jaar doen.De heer Soepboer (NSC):Misschien dat ik mevrouw Bikker ten dienste kan zijn, want ik heb gelukkignog twee interrupties, als ik goed heb geteld. De vraag is dus of er sprakeis van een resultaatsverplichting. Om een heel lang verhaal kort te maken:het antwoord is dat er op dit moment geen sprake is van een resultaats-verplichting. Om moties te voorkomen, zou mijn vraag zijn: kunnen weniet toe naar een resultaatsverplichting? Die kan natuurlijk vele vormenaannemen. Dat is niet alleen van: dit jaar gaan we zo- en zoveel doen. Eenresultaatsverplichting kan ook zijn dat je zegt «in elke regio willen we erzo- en zoveel» of «de komende jaren gaan we het op die en die manierspreiden». Een resultaatsverplichting is in ieder geval wat anders dan deinspanningsverplichting die het nu is. Die vind ik in alle eerlijkheid tochwat zacht. Ik hoop dat mijn vraag duidelijk is en dat die in het verlengdeligt van wat mevrouw Bikker zei.Minister Uitermark:Het is inderdaad een inspanningsverplichting. Er zijn ook allerlei goederedenen voor om die keuze te maken. Ik begrijp wel dat dat niet zobevredigend is voor uw Kamer en dat de materie taai en stroperig is. Datvind ik zelf ook. Ik ga even kijken of ik in tweede termijn een vorm kanvinden die wellicht aan de wens van uw Kamer tegemoetkomt.Dan als laatste de vraag van de heer Flach over de rijksontmoetings-pleinen. Hij stelt dat dat toch geen volwaardig alternatief is voor serieuzerijkswerkgelegenheid. Daar ben ik het mee eens. Het is geen vervangingvan een rijksdienst of een andere rijkswerkgelegenheid in een regio. Maarhet is wel een ontzettend goede manier voor rijksmedewerkers om meerhybride te kunnen werken, zodat ze in de regio kunnen blijven wonenterwijl ze toch bijvoorbeeld in Den Haag werken. Op die manier kunnen zeelkaar daar ook treffen. We zien echt dat daar mooie dingen gebeuren.Daarmee zijn ze ook zichtbaar in de regio. Maar het is geen vervanging.Binnenkort wordt er nog een geopend en aan het eind van het jaar nogeen. Ik weet even niet meer precies waar die wordt geopend. InMiddelburg, hoor ik. We groeien de komende jaren toe naar nog meerrijksontmoetingspleinen, maar het is dus geen vervanging van eenrijksdienst.Dan zijn er nog een paar vragen over de Regio Deals. Was het echt delaatste ronde? Ja. Er zijn geen nieuwe middelen voor Regio Deals. Hetkabinet heeft wel aangegeven dat we de Regio Deals doorontwikkelennaar investeringsagenda’s. Dat doen we in samenhang met alle andereprogramma’s, zoals het NPVR, het Nationaal Programma Vitale Regio’s,het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en NOVEX.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16041 Dan nog twee vragen van de heer Flach: wil het kabinet verkennen hoezestien Regio Dealtranches door blijven werken en welke rol ziet deMinister hierin voor haarzelf? Ik zei net ook al iets over de investeringsa-genda’s. Het gaat dus over de langetermijndoorwerking. Die doorontwik-keling wordt gekoppeld aan de bestaande programma’s, die ik net ooknoemde. De Regio Deals zitten sinds het aantreden van dit kabinet in deportefeuille van mijn collega Keijzer, de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening. Op 9 april is er een debat met haar over onderandere de Regio Deals.Dan is er nog een vraag van mevrouw Wijen-Nass. Zij zei: «Naast Limburgwil ik ook vragen naar Rivierenland. Dat valt tussen wal en schip, wantdaar is sprake van geen grensregio, geen NOVEX, geen NPVR. Het is weleen belangrijke regio. Ze vragen om hulp, niet alleen financieel.» In dezesde tranche is geld gereserveerd voor Rivierenland. Dit is afgelopenweek bekendgemaakt. Het gaat om 22,5 miljoen euro. Eerder liep er eenRegio Deal in Rivierenland. Dat was er een uit de derde tranche, van 7,5miljoen euro. Samen met het Rijk zal deze aanvraag de komende tijdverder worden uitgewerkt.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Het is ook mijn laatste interruptie, dus helaas. Ik had nog heel veel anderevragen, maar we moeten het aantal vragen beperkt houden, ook gelet opde tijd. Ik heb inderdaad gezien dat de regio Rivierenland een bedragtoegekend heeft gekregen. Dat is heel fijn. Ik denk dat ze daar ookhartstikke blij mee zijn, dus laat ik dat vooropstellen. Maar het gaat mij omhet volgende. We hebben vandaag uitgebreid gesproken over die elfregio’s. Ik ben ook blij om te horen dat er een concrete doelstelling gaatkomen in de loop van het jaar en dat we daar ook voor de langere termijnmee aan de slag gaan. Ik maak me er nog steeds wel een beetje zorgenover dat al die andere regio’s tussen wal en schip vallen. Daaromnogmaals de vraag aan de Minister hoe zij dat voor zich ziet het komendejaar. Hoe gaan we om met de regio’s die nu tussen wal en schip vallen?Minister Uitermark:Dat blijft natuurlijk toch de vraag die al meerdere keren is gesteld. Defocus op elf regio’s betekent dat de focus daar ligt en dus niet op deregio’s die niet tot die elf regio’s behoren. Gelukkig blijven heel veelregio’s ook op een andere manier onder de aandacht van het Rijk. Watbetreft Rivierenland denk ik dat zij deze week een heel mooi berichthebben gehad.Ik heb nog één vraag in dit mapje. Zo meteen kom ik toe aan mijn laatstemapje. Mevrouw Kamminga zegt: «De effecten van de regio’s die nietgeselecteerd zijn voor de Regio Deals zijn onduidelijk. We kunnen nietalles tegelijk doen. We moeten ergens beginnen. Het is goed dat erperspectief is voor de regio’s die niet aan de beurt zijn. Hoe zorgt deMinister dat de potentie van deze regio’s, zoals Drechtsteden, wordtbenut?» Dat is eigenlijk ook weer de wal- en schipvraag. Op dit momentlopen er bijna 70 Regio Deals, in meer dan 40 regio’s. Deze week heeftcollega Keijzer dus een beslissing genomen over de laatste tranche. Inbijna alle regio’s loopt nu dus wel een Regio Deal. Er zijn ook nog heelveel andere programma’s met een regiocomponent; die noemde ik net al.In stedelijk gebied loopt bijvoorbeeld ook het NPLV. Voor verdere vragenover de Regio Deals verwijs ik naar het debat van 9 april met MinisterKeijzer.Dan kom ik bij mijn laatste mapje, het mapje varia en overig. De heerFlach had twee vragen over de kloof tussen de regio’s: hoe gaat hetkabinet voorkomen dat er een kansenkloof ontstaat tussen de regio’s enwil de Minister onderzoeken hoe ook andere regio’s kunnen profiteren vanlangdurige samenwerking? Ik heb net al aangegeven dat ik daar in tweedetermijn even op wil terugkomen. Daar neem ik deze vragen in mee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16042 De heer Soepboer zei: «De regio moet ruimte bieden aan onder andereDefensie. Hoe worden de regio’s gecompenseerd voor het gebruik van deruimte in de regio? Mag er ruimte blijven voor de regio? Ruimte is ookeen kwaliteit.» De ontwikkeling van Defensieterreinen is ook goed voor deregio. Het kan werkgelegenheid bieden, er zijn regio’s die zichzelf actiefhebben aangemeld en het draagt bij aan nationale veiligheid, en daarmeeook aan regionale veiligheid. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldtdat alle regio’s in Nederland naar kunnen en passend bij de identiteitbijdragen aan de nationale opgave. Daarmee krijgen ze ook ontwikkelper-spectief. Als een ruimtelijke opgave van Defensie knelt met andereopgaven, zoekt Defensie zo veel mogelijk naar de combinatie. Maaractiviteiten van Defensie gaan niet per se ten koste van kwaliteit, wantDefensie is bijvoorbeeld ook onderhouder van natuurgebieden.De heer Soepboer vroeg om aandacht voor streektalen. Het Rijk is ervoorverantwoordelijk dat het Europees Handvest voor regionale talen of talenvan minderheden wordt nageleefd. Dat betekent dat we deze talenmoeten beschermen en stimuleren. Het Fries in Friesland en het Papia-ments op Bonaire vallen onder deel III van het handvest, maar inEuropees Nederland vallen het Limburgs, Nedersaksisch, Papiaments,Jiddisch en Romanes onder deel II van het handvest. Primair ligt deverantwoordelijkheid voor het beleid op de erkende talen bij de erbijbetrokken provincies en gemeenten. Waar nodig pakt mijn ministerie eenondersteunende en faciliterende rol. Die vullen we onder andere in doorhet organiseren van een symposium elke twee, drie jaar. Dit jaar vindt datplaats op 10 april. Dat is bedoeld voor iedereen die betrokken is bij deerkende talen in Nederland en om kennis en ervaringen uit te wisselen envan elkaar te leren.De voorzitter:U heeft een interruptie van meneer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dat is dan mijn laatste, voorzitter. Dan ga ik die toch maar hiervoorgebruiken. De Minister heeft natuurlijk gelijk. Dat zijn precies de talenwaar ik het over had. Ik heb het al heel vaak over het Fries gehad – datvind ik ook heel belangrijk – maar ik had het nu juist over de talen dieonder het tweede deel vallen. U noemt er een aantal. Nu wil het toeval –nou ja, ik weet niet of het toeval is – dat veel van die talen ook overeen-komen met de regio’s waarop wordt ingezet. U zegt ook terecht: deprovincies en de gemeenten moeten daarmee aan de slag, en waar nodigwil mijn ministerie daarnaar kijken. Nou, ik vertel u: het is nodig. En ikdenk dat er meer nodig is dan een symposium; dat zeg ik er dan ook maareven bij. Ik weet van initiatieven die in de regio’s ontstaan om deze mooietalen overeind te houden, te emanciperen en door te ontwikkelen. Er isvaak een gebrek aan geld, want gemeentes en provincies moeten ookkeuzes maken. We hebben het ravijnjaar al genoemd, maar er zijn nogveel meer van dat soort ontwikkelingen die ervoor zorgen dat deprovincies en de gemeenten op de kleintjes moeten letten. Dus ja, het isnodig. Het is misschien wel meer nodig dan ooit. Ik wil u dus vragen omtoe te zeggen dat u hier toch naar gaat kijken, mogelijk in combinatie metdie elf regio’s, maar misschien ook op een andere manier, en daar bij deKamer op terug te komen, want het is nodig. Initiatieven die nu ontstaan,doven ook weer uit, omdat er geen vruchtbare grond is om deze initia-tieven door te laten groeien. Ik vraag u of u daarnaar wil kijken en daaropwil terugkomen.Minister Uitermark:Ik zat even te luisteren en te schakelen tegelijkertijd. Ik ken u natuurlijk alseen hartstochtelijk voorvechter van streektalen. We hebben flink ingezetop het Fries; dat zegt u zelf ook. Dat gaat al behoorlijk goed. Ik begrijp datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16043 u zich ook sterk maakt voor de andere talen. Tegelijkertijd is de volgordewel dat de verantwoordelijkheid primair ligt bij provincies en gemeentenen ik ze daar vanuit mijn ministerie verder in kan ondersteunen. Maar inuw vraag ligt ook besloten dat het ’m precies zit in de elf regio’s waar weook het nationaal plan voor maken. Ik wil u wel toezeggen dat ik ernaar gakijken of ik daar vanuit mijn ministerie een ondersteunende rol in zoukunnen vervullen, en zo ja, welke.De heer Soepboer (NSC):Goed, u weet natuurlijk ook dat het pas een toezegging is als het hard isgemaakt, als er een tijd aan is gekoppeld en als u toezegt het ook aan deKamer terug te gaan koppelen. Dat ga ik u dus vragen, want ik wil datdeze toezegging wel hard wordt gemaakt, omdat ik weet hoe nodig het is,omdat ik weet dat er op dit moment mensen in het land bezig zijn omvoor hun taal op te komen en prachtig mooie initiatieven te ontwikkelen,maar op dit moment bakzeil halen. U bent dus nodig op dit moment. Hetis nu juist het moment voor uw ministerie om die faciliterende rol te gaanspelen. Ik zou dus heel graag de toezegging van u willen dat u kijkt hoe udie rol kunt gaan vervullen, mogelijk in combinatie met deze regio’s, maarhet mag ook op een andere manier. U bent van de uitvoering; dat laat ikook graag bij u. Dit zou ik graag van u willen.Minister Uitermark:Wat ik zal doen, is het volgende. Ik kan toezeggen dat ik ernaar kijk. Ik doedus nog geen andere beloftes, maar ik zeg toe dat ik ernaar kijk en dat ik udaarover informeer in de brief na de zomer.De voorzitter:Dan is het woord weer aan de Minister. Ik wijs de vergadering erop dat wijminder dan 30 minuten over hebben.Minister Uitermark:Ik ben bijna door de vragen heen, hoor. Ik heb nog drie vragen. MevrouwBikker vroeg: wil de Minister zich inspannen om de waddenveren aan tewijzen als ov en de prijzen te drukken? Er loopt nu een onderzoek naar deov-status van de waddenveren. De Kamer wordt daar op korte termijnover geïnformeerd. De betaalbaarheid is een belangrijk uitgangspunt bijeen nieuwe concessie. Daarom wordt daarin een korting voor frequentereizigers en een aanvullende korting voor eilandbewoners opgenomen. Ikzal uw vraag verder doorgeleiden naar de collega-Minister van IenW.Dan heb ik nog een vraag van mevrouw Kamminga. Hoe houden we dewind in de zeilen bij het mooie project Wind in de zeilen? Er zit zeker windin de zeilen, zeg ik tegen mevrouw Kamminga. Zoals u ook bekend is, ishet project gericht op het versterken van de sociaaleconomische structuurvan Vlissingen. We gaan nu naar het vijfde jaar van de uitvoering. Er zijnal mooie successen geboekt. In 2024 is het Delta Climate Center van startgegaan, een uniek samenwerkingsverband van Zeeuwse kennisinstel-lingen, universiteiten en bedrijfsleven. Voor het grote justitiële complex isde aanbestedingsprocedure inmiddels afgerond. Het bouwconsortiumgaat nu aan de slag om het complex in 2029 op te leveren. Tot slot zijn ernegen huisartsen afgestudeerd en opgeleid in Zeeland. Alle negen hebbenzich ook ingeschreven voor diensten op de huisartsenpost. Dat is eenmooi resultaat.Tot slot de laatste vraag van mevrouw Chakor. Zij geeft aan dat dezeaanpak de regio versterkt maar dat er tegelijkertijd ander beleid is dat deregio verzwakt. Wat is de visie van de Minister, vroeg zij. Als voorbeeldgaf zij het effect van SPUK’s op het ov. In het hoofdlijnenakkoord isbesloten om de SPUK’s over te hevelen naar het Gemeentefonds enProvinciefonds en daarbij een budgetkorting van 10% te hanteren. Dieomzetting zal plaatsvinden na een zorgvuldig proces, waarbij de VNG enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16044 het IPO nauw betrokken zijn. De Minister van IenW is beleidsmatig en ookbudgettair verantwoordelijk voor de specifieke uitkeringen op zijnbegroting, zoals de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer, de BDU. Defondsbeheerders hebben daarbij een toetsende maar ook coördinerenderol. In sommige gevallen zal na weging worden besloten om bepaaldespecifieke uitkeringen niet over te hevelen naar een fondsuitkering. In datgeval blijft toch de korting op de departementale begroting staan. Hetbetrokken departement zal dan nadere keuzes moeten maken.De voorzitter:U heeft nog één interruptie, mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ja, dat weet ik. Ik ga er goed gebruik van maken. Dit was een uitgebreidantwoord; ik moet nog terugkijken wat er eigenlijk is gezegd. De Ministerhad gezegd dat ze nog even terugkomt op het inritsverhaal, dus of regio’snog kunnen inritsen en hoe dat zit. Ik kan me voorstellen dat die vraag nuniet kan worden beantwoord, maar misschien kan zij er schriftelijk opterugkomen in een brief. Misschien kan de Minister ook toezeggen dat weeen procesbrief krijgen met de looptijd en de stappen die worden gezet,waarin staat wanneer we uiteindelijk het uitvoeringsprogramma krijgen.Dan hebben we in de volgordelijkheid in ieder geval helder wat er staat tegebeuren en wanneer en hoe. Dan kunnen we naar aanleiding daarvanonze controlerende taak goed doen.Minister Uitermark:Dat lijkt me een uitstekend voorstel, dus dat zeg ik graag toe.De voorzitter:Kunt u aangeven wanneer?Minister Uitermark:Tijdig. Ik had natuurlijk beloofd om het andere antwoord in de tweedetermijn te geven. Dat is voorbereid; dat kan ik zo al geven. De procesbriefkan ik binnen een maand sturen.Daarmee ben ik door de vragen heen.De voorzitter:Dank u wel. Dan komen we aan het einde van de eerste termijn. Ikconstateer dat u in tweede termijn nog zes vragen gaat beantwoorden. Wegaan dan over naar de tweede termijn, althans, als daar van de kant vande commissie behoefte aan is. Ik zie instemmend geknik. Het woord is aande heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dank, voorzitter. Er zijn veel mooie dingen gezegd. Ik dank de Ministerdaar hartelijk voor. U zit er goed in; dank u wel daarvoor. Toch zou ik graageen tweeminutendebat willen aanvragen. Daar ontkomen we niet aan. Ikdenk ook dat het goed is om het hier plenair nog eens over te hebben metelkaar. Dat zeg ik maar even vooraf.Dan is er nog één ding dat ik graag in tweede termijn onder uw aandachtwil brengen. Dat is mij in eerste termijn niet gelukt. Dat is het faciliterenvan al die vrijwilligers die toch de dragende kracht zijn van de gemeen-schappen die we in de regio hebben. We zien daar steeds groterwordende problemen, bijvoorbeeld rondom het organiseren van feesten.Dat kunnen dorpsfeesten zijn, maar ook iets van een andere orde. Hetaantal vrijwilligers neemt af. We zien dat de individualisering en dementale verstedelijking toenemen. We zien ook dat mensen de eisen diehier en daar worden gesteld, als onevenredig hard ervaren. Wie wil daneigenlijk nog de verantwoordelijkheid dragen? Mijn vraag aan de MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16045 is of zij dit grote probleem scherp op haar netvlies heeft. Wat zouden wijeraan kunnen doen? Ik wil u daar natuurlijk graag bij helpen, maarmisschien heeft u zelf ook ideeën. Veel geld gaat nu bijvoorbeeld naarveiligheid, preventie en verzekeringen. Kunnen we werken met fondsendie dit kunnen opvangen? We kunnen ook denken aan andere oplossingenzoals collectief verzekeren, uitzonderingen voor lokale tradities, regel-geving en meerjarige vergunningen. Dat past allemaal binnen het nieuwedenken van het kabinet waarover u het in eerste termijn had.Ik rond af met een hartenkreet van een collega van mij, die zowel heelserieus als een klein beetje satirisch is. Het is een hartenkreet van eenpartijgenoot van mij, die zich afvraagt waarom het krokusreces op eenander moment moet worden gehouden dan carnaval. Dat moest ik tochnog even zeggen. Dat schreeuwt aan de spreeuwen, heb ik maaropgeschreven. Dat is een vernederlandste Friese uitspraak die betekentdat het nergens op lijkt.Nogmaals, ik dank u vriendelijk voor de eerste termijn.De voorzitter:Dank u. Dan de heer Krul.De heer Krul (CDA):Voorzitter. Ik kan het kort houden, omdat ik denk dat er niet veel meer tebespreken is. Er is nog heel veel te bespreken, maar de afdronk is toch welweer dat we nog even geduld moeten hebben. Dat geduld wordt redelijkop de proef gesteld, zeg ik u heel eerlijk, maar ik begrijp het wel. Ik sluitme aan bij de heer Soepboer dat de Minister goed in de wedstrijd zit. Mijnzorg is nog steeds – die is niet weggenomen – of we genoeg doorzettings-kracht hebben richting dat toch diepgewortelde overheidsdenken dat deafgelopen decennia zo is gegroeid.Ik denk dat het goed is dat er een tweeminutendebat is aangevraagd. Datis de kans voor de commissie om wat accenten te leggen in de wijzewaarop we de komende tijd verdergaan. Ik neem aan dat het tweeminu-tendebat niet al te lang op zich zal laten wachten en ga ervan uit dat deprocesbrief in ieder geval voor die tijd komt. Dat zou heel erg helpen,want dan kunnen we daarop anticiperen.Voorzitter. Het zal mij niet lukken om de hele tweede termijn bij te wonen,want ik moet naar een plenair debat. Nogmaals dank, ook aan allemensen op de publieke tribune. Laten we de volgende keer weer de grotezaal bemensen en laten we dan hopen dat dan alle politieke partijen erzijn, want we moeten scherp blijven met elkaar.Dank u wel.De voorzitter:Dank u. Mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ook ik dank de Minister. Ik dank ook iedereen die hieraanwezig is. Dat geeft aan dat het ook leeft. De regio leeft. We zijnallemaal de regio. We zijn er in ieder geval allemaal onderdeel van.Ik denk dat u in mijn verhaal heel erg hebt gehoord dat ik voor versnellenben. Dat is niet omdat ik niet voor zorgvuldigheid ben, helemaal niet,maar wel omdat ik denk dat het tijd wordt om het met elkaar te gaandoen. Volgens mij kunnen die twee dingen naast elkaar. Ik ben dus heelbenieuwd hoe we dit verder gaan oppakken. De hier aanwezige Kamer-leden moedigen de Minister ook heel erg aan, bijvoorbeeld om meerwerkgelegenheid in de regio’s te creëren en dat goed te coördineren enom de ministeries daar ook stappen in te laten zetten en uit de vrijblij-vendheid te halen. Wij moedigen haar ook zeker aan in het zoeken naar demiddelen die nodig zijn, want zonder geld heb je geen vitale regio’s enkun je ook de stappen van het NPVR, dat staat voor maatwerk, niet zetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16046 Ik ben ontzettend blij om te horen dat de burgerbetrokkenheid endaarbinnen het jongerenperspectief – want jongeren zijn belangrijk voorde toekomst – erbij wordt betrokken en erin wordt meegenomen. Ik hoopdat we dat in de brief terug kunnen zien. Ik ben natuurlijk benieuwd naarhet inritsverhaal voor de regio’s. Ik ben ontzettend blij met de toezeggingdat we een procesbrief krijgen met de looptijd en de stappen. Misschienkan het bredere verhaal met betrekking tot de inwoners en de jongerendaarin worden meegenomen. Dan hebben we op papier wat we metelkaar hebben afgesproken.De voorzitter:Dank u. Mevrouw Kamminga.Mevrouw Kamminga (VVD):Dank, voorzitter. Dank ook aan de Minister en haar ambtenaren voor debeantwoording en al het harde werk dat is verzet.Ik ben blij om te horen dat er ook mogelijkheden zijn om trajecten teversnellen, omdat sommige gebieden en regio’s misschien al wat verderzijn in de planvorming. Ik weet in ieder geval dat dit geldt voor een aantalwaar ik weleens op werkbezoek ben geweest. Ik kijk nu toevallig deburgemeester van Doetinchem aan. Ik weet zeker dat hij al vol metplannen en ideeën zit die misschien iets sneller kunnen dan de huidigeplanning.In mijn punt over de grensgebieden nam ik de lokale supermarkten evenals voorbeeld. Ik heb in eerdere debatten een warm pleidooi gehoudenvoor dorpshuizen. Dat wordt niet altijd zo gezien bij een VVD’er, maar tochvinden we dat belangrijk. Een dorpshuis is belangrijk, maar in heel kleinekernen, die je bijna geen «kern» meer kunt noemen, is een supermarktnog de enige plek waar mensen elkaar ontmoeten. Ze staan nu overalonder druk, maar zeker daar. Er is al de mogelijkheid om daar pakketjes telaten afleveren, maar er zijn volgens mij best nog wel een aantal anderedingen te verzinnen waarmee misschien ook de gemeente geholpen zouzijn. We zouden daar iets kunnen combineren. We moeten een beetjemeedenken over hoe we het daar levensvatbaar kunnen houden. Ik vinddat belangrijk. We hebben het eerder gezegd: een overheid die je nietkent, laat zich gewoon heel slecht vertrouwen. We hebben er allemaalbaat bij als we dat anders kunnen doen.Tot slot nog even over de rijksontmoetingsplaatsen, even los van wat ikvan de term vind. Maar goed, laat ik me daar maar niet mee gaanbemoeien. We hebben hier vaak besproken dat het makkelijker zoumoeten zijn voor ambtenaren die voor het Rijk werken om te werken opeen werkplek in een provinciehuis of bij een gemeente. Ik kom zelf uit hetNoorden. Ik moest echt naar Den Haag verhuizen om bij het Rijk te kunnenwerken. Dat is eigenlijk ook een beetje het gebruik. Een ontmoetingsplaatsis dan natuurlijk handig, maar het is geen alternatief. Ik zou het zelf zomooi vinden als we naar een model kunnen waarin je als rijksambtenaarmisschien één dag in de week naar Den Haag gaat of desnoods één keereen overnachting hebt en waarin je de andere dagen niet per se thuishoeft te werken – dat is ook niet altijd gezellig en niet iedereen vindt datleuk – maar op een andere plek kunt werken. Dat bevordert mijns inziensook de interactie over wat er speelt in een bepaald gebied. Volgens mij isdat dus gewoon een win-winsituatie.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik wil allereerst de Minister bedankenvoor haar uitgebreide beantwoording. Ik ben er heel erg blij mee dat zij defocus op de regio heeft. Ik zou graag nog een paar puntjes willenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16047 aanstippen. Het gaat mij vooral ook om de andere regio’s. Zojuist zei deMinister in de beantwoording: ze hebben een deal en een zak met geldgekregen, dus daar mogen ze hartstikke blij mee zijn. Dat zijn ze volgensmij ook. Maar ik vind het wel een beetje kort door de bocht, want zo’n dealis echt bedoeld om een boost te geven op de wat kortere termijn, terwijlde langere termijn ook superbelangrijk is. Dus daar wil ik wel echtnogmaals aandacht voor vragen.Dan het betrekken van de inwoners. Ik vind het echt superbelangrijk datdat gaat gebeuren, omdat zij ook heel goed weten wat er speelt. Dat moetdan niet weer vervallen in van die ambtelijke overleggen. Dus ik hoop datde Minister mij straks ook kan toezeggen dat zij dat daadwerkelijkconcreet gaat doen, net zoals met bijvoorbeeld de organisatie LVKK, deLandelijke Vereniging voor Kleine Kernen, waar ik het vandaag ook al overheb gehad.Voorzitter, tot slot. Ik vind de leefbaarheid van het platteland echt super-,super-, superbelangrijk. Je ziet de laatste jaren dat het verenigingslevenonder druk staat; de verenigingen hebben het steeds lastiger. Jongerentrekken richting stedelijk gebied. Daarmee verdwijnen er ook voorzie-ningen. Wij hebben onlangs in onze gemeente een enorme discussiegehad over het zwembad Mosaqua, dat echt een enorme regionale functiehad en een van de weinige was die nog over waren. Dat zwembad moestook gaan sluiten, omdat het voor de gemeente gewoon niet meer op tehoesten was. Dat is maar één voorbeeld van de vele voorbeelden die erzijn. Ik wil de Minister dus nog wel meegeven dat de leefbaarheid van hetplatteland echt superbelangrijk is.Dank u wel.De voorzitter:Dank u. Mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Dank aan de Minister en ook aan allen die haarondersteund hebben bij de beantwoording. Natuurlijk wil ik ook vanuitmijn partij de Minister warm aanmoedigen om alle mooie plannen waarde Minister zich met al haar mensen ambitieus achter zet, verder gestaltete geven. In de ChristenUnie vindt u dan de bondgenoot om bij plannenook poen te vinden. Aan het einde van de eerste termijn van dit debat isdat wel mijn grote zorg. Ik wacht nog op de beantwoording van deMinister van de vraag of we bij dat vraagstuk als Kamer op welke manierdan ook een steuntje in de rug kunnen geven, indien nodig. Maar ik zouhet echt een gemiste kans vinden als we dit najaar begrotingen besprekenen eigenlijk voor de regio nul euro noteren, terwijl de plannen welgemaakt zijn. Dat moeten we onszelf niet aandoen. We moeten dat vooralde mensen die stevig aan het werk zijn, die enthousiasme hebben en diedoor willen, al helemaal niet aandoen.Voorzitter. Ik wacht op een aantal antwoorden die de Minister gaat gevenin de tweede termijn. Als het op het punt van de rijkswerkgelegenheidalleen bij een inspanningsverplichting blijft, dan geloof ik er niet zo in:iedereen zal zeggen dat hij het graag wil, maar het wordt dan nietdaadwerkelijk gerealiseerd. Minister, u zit er goed achteraan, zou ik via devoorzitter willen zeggen, maar we moeten met elkaar ook gewoon hardeafspraken kunnen maken. Ik snap heel goed dat alle bureaus nog niet indecember 2025 overal ingevuld zijn; ik ben een redelijk mens. Maar als wegeen stip op de horizon zetten, dan varen we er ook niet naartoe.Ten aanzien van de dorpsgemeenschappen heb ik de Minister goedgehoord. Ik ga er wel nog even op kauwen, want mijn zorg is dat we nueigenlijk toch te veel de adviesbureaus gaan betalen, in plaats van demensen die al heel goed weten hoe het zit erbij betrekken. Daar zal ik deMinister dus nauwlettend op volgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16048 De voorzitter:Dank u wel. Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn vande kant van de commissie. Ik kijk naar de Minister en ik hoop natuurlijkstellig dat u geen schorsing nodig heeft.Minister Uitermark:Vijf minuutjes.De voorzitter:Vijf minuten. Dan heeft u daarna nog ongeveer zeven minuten om teantwoorden. Lukt dat?Minister Uitermark:Ja, dat gaat lukken.De voorzitter:Dat is mooi. Ik schors de vergadering voor vijf minuten.De vergadering wordt van 19.17 uur tot 19.25 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering. Ik geef het woord aan de Minister voor haartweede termijn.Minister Uitermark:Dank, voorzitter. Ik zal er snel doorheen gaan. Er was een vraag vanmevrouw Chakor, die aandringt op versnelling. Ik zie de opmerking omhet programma in een stroomversnelling te brengen als een uitgestokenhand. Daar wil ik wel in meebewegen, mits het ook passend is voor deregio’s. Ik ben al met alle elf regio’s aan de slag om de plannen voor deregio op te stellen. De ene regio is daarin verder dan de andere. Maar inde regio’s die sneller kunnen en willen, zullen we eerder overgaan tot hetopstellen van de uitvoeringsagenda. We volgen daarbij dus nadrukkelijkhet door de regio gewenste tempo.De vraag van mevrouw Bikker sluit daarbij aan: wat staat er in de brief vanrond de zomer? Ik had in de brief van december al geschreven dat ik deKamer rond de zomer zal informeren over de voortgang. Zoals ik net ookantwoordde op de vraag van mevrouw Chakor, is de ene regio gewoon alwat verder dan de andere. We willen de regio’s vooral ook ruimte gevenin het proces. Vanuit de plannen voor de regio’s kunnen we kijken of webandbreedtes kunnen schetsen met betrekking tot de financiële onder-steuning van die agenda’s, want daar bent u naar op zoek. Begin 2026informeer ik u dan weer nader over de uitvoeringsagenda’s en over devervolgstappen rondom de doorontwikkeling van de beleids- en investe-ringslogica. Maar in de brief van rond de zomer zal ik, voor zover datmogelijk is en we al ver genoeg zijn met bepaalde regio’s, ook ingaan opdie bandbreedtes.Mevrouw Chakor vroeg: hoe kunnen we ervoor zorgen dat de gemeentendie erbuiten vallen, toch nog mee kunnen doen? Het korte antwoord iseigenlijk: elf blijft elf; er komen er geen bij. Maar ik wil wel binnen hetnationaal programma aandacht hebben voor kennis en innovatie. Daarinzullen we de vraag meenemen hoe andere regio’s kunnen leren van delessen die worden geleerd in het NPVR.Dan heb ik een vraag van de heer Soepboer, over de spreiding vanrijkswerkgelegenheid en de resultaatsverplichting. Daar had mevrouwBikker ook aandacht voor gevraagd. Het is geen resultaatsverplichting,maar een inspanningsverplichting. Maar ik ben ook van mening dat wehet zo concreet mogelijk moeten maken. Ik kom medio dit jaar met eenKamerbrief, met daarin concrete casussen. Daarbij zal ik ook aandachthebben voor hoeveel fte’s dat dan oplevert. Maar de stip op de horizonTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16049 kan ik op dit moment niet geven. We zouden in die brief kunnen kijken ofen, zo ja, hoe we die stip op de horizon kunnen zetten.Dan de laatste vraag van de heer Soepboer, over vrijwilligers. Heb ik dieop mijn netvlies? Ja. Dat is ook een heel belangrijk onderdeel, dat ookbetrokken kan worden bij de plannen van de regio’s. U heeft net eenaantal interessante suggesties genoemd. Die zal ik ook verder geleiden.Verder hoort de kwetsbare positie van vrijwilligers primair bij SocialeZaken. Ik zal dit in ieder geval ook meenemen als aandachtspunt bij deplannen van de regio. Ik zal aandacht besteden aan de vormen die unoemde.Mevrouw Wijen-Nass had een vraag over het betrekken van inwoners enburgers. Meerderen van u hebben daar ook iets over gezegd. Ik vind heteen goed idee, maar we kunnen dat niet afdwingen bij de regio’s. Deregio’s gaan daar zelf over. Maar om het belang daarvan te benadrukken,zal ik het opnemen in de procesbrief die we opstellen. Dat geldt ook voorhet betrekken van jongeren.Dan heb ik een afsluitende opmerking. Ik denk ook dat het handig zou zijnals uw Kamer die procesbrief voor het tweeminutendebat heeft. Wij doenons best om het zo snel mogelijk te doen. Ik heb een maand gezegd, maarwe kijken of dat nog iets sneller kan. Vervolgens is het aan uw Kamer omrekening te houden met de planning.Dat was ’m.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie toch nog een weliswaar aarzelende vinger van mevrouwChakor. Of is dat geen aarzelende vinger?Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Nee, dit is een volledige vinger! Dank aan de Minister voor de beant-woording, ook met betrekking tot de procesbrief. Ik ga eventjes in op watik het inritsen van die elf regio’s zou willen noemen, over «elf regio’sblijven elf regio’s». Ik begrijp inderdaad dat die wens er is vanwege defocus. Volgens mij is dat ook wel goed voor de elf regio’s. Maar ik benheel blij met de toezegging dat er toch gekeken wordt hoe je die anderegemeenten dan inderdaad ergens ook mee kan laten liften. Zo noem ik datmaar: we gaan van inritsen naar meeliften. Ik was dus wel benieuwd hoedat vormgegeven wordt. Ik ben wel heel erg benieuwd. Ik kan mevoorstellen dat dat niet in de huidige procesbrief meegenomen kanworden. Maar misschien kunnen we daar wel iets over teruglezen in debrief die we voor de zomer krijgen.Minister Uitermark:Ja, hoor. Dat zeg ik toe. Dat zullen we meenemen in de brief van rond dezomer.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):De Minister heeft een procesbrief toegezegd. Collega Soepboer heeft hettweeminutendebat aangevraagd. Dat kan elkaar versterken. Maar het kanelkaar ook tot uitstel brengen, en dat zou heel spijtig zijn. Ik magaannemen dat de Minister de procesbrief ergens in maart wel op kanleveren. Kunnen we dan ook proberen om dat tweeminutendebat in maartof begin april te houden, om te voorkomen dat we alles weer gaanopschuiven?De voorzitter:Ik begrijp uw vraag. We kunnen dat uiteraard wel doorgeven. Maarinderdaad – u geeft dat zelf ook aan – bepalen wij de planning niet.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16050 Nee, voorzitter, ik vertrouw op uw hertenogen. Dan doen we samen onsbest.De voorzitter:Dat stel ik uitermate op prijs. Dank u wel. Daarmee komen wij aan heteinde van de tweede termijn. Dank voor uw beantwoording. Wij komentot een afsluiting van deze vergadering. Ik meld dat er een tweeminuten-debat is aangevraagd door de heer Soepboer.Dan heb ik een vijftal toezeggingen.–De eerste. De Kamer ontvangt rond de zomer een brief over devoortgang van de plannen voor de elf regio’s vanuit het NationaalProgramma Vitale Regio’s, inclusief bandbreedtes.–Twee. De Kamer ontvangt zo snel mogelijk een brief over de uitkomstvan de bespreking in de ministerraad over de mogelijkheid vanregiobewindspersonen. Dat is een toezegging aan het lid Soepboer.–Drie. De Kamer ontvangt na de zomer een brief over of en, zo ja, welkeondersteunende rol de Minister van BZK kan spelen als het gaat omregionale talen en talen van minderheden, gecombineerd met de briefinzake het NPVR. Dat is ook een toezegging aan het lid Soepboer.–Vier. De Kamer ontvangt binnen een maand een procesbrief over hetNPVR. Dat is een toezegging aan het lid Chakor.–Dan kom ik bij de vijfde en laatste toezegging. De Kamer ontvangtmedio dit jaar een brief inzake de spreiding van rijkswerkgelegenheidmet of en, zo ja, hoe er een stip op de ... Het staat er echt! U gelooft hetniet, maar dat is wel het geval. Ik vind het eigenlijk best aardigNederlands. Vind je niet? Oké. Ik herhaal ’m gewoon. De Kamerontvangt medio dit jaar een brief inzake de spreiding van rijkswerkge-legenheid met of en, zo ja, hoe er een stip op de horizon kan wordengezet.Kan de Minister zich daarin vinden?Minister Uitermark:Ja, zeker. Ik krijg net even de suggestie dat we de uitkomst van de vraagover de bewindspersonen, die ik in de mr zou bespreken, ook gewoonmee zouden kunnen nemen in die procesbrief. Dan comprimeren we hetnamelijk een beetje. Is dat een idee?De voorzitter:Dat is altijd een idee. Kan de heer Soepboer zich daarin vinden?De heer Soepboer (NSC):Dat maakt mijn verwachtingen nog veel groter, mevrouw Uitermark. Alsde Minister dat zo serieus wil nemen en dat in die brief wil zetten,verwacht ik daar heel veel van. Dan is het goed.De voorzitter:Dank u wel daarvoor. We zullen het op deze manier verwerken. Daarmeekom ik – ik kijk ook naar even naar de griffier, mijn rechterhand die linksvan mij zit – bij het einde van de vergadering. Ik dank u voor uw beant-woording en uw aanwezigheid. Dank aan de commissie. Uiteraard dankaan de mensen op de tribune en de mensen thuis. Wel thuis!Sluiting 19.34 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 16051

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1c6070a3ccb13c04

14 okt 2026 · 3b8aaaa6accf11f4

Documentversies en bestanden

Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.

Historische bestandscontext niet beschikbaar. De gekozen brontekst blijft ongewijzigd.

Bijlagen

Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.

Bij dit hoofddocument

Historische bijlagecontext niet beschikbaar bij deze brontekstversie.

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Verder bij de Tweede Kamer

Externe officiële informatie