Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. Nieuw financieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31322-571)
Brontekst
Versie 06b47ede99470cf4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 322KinderopvangNr. 573 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 december 2025 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de staatssecretarissen vanSociale Zaken en Werkgelegenheid en Financiën over de volgendebrieven: Toelichting op verhoging vergoedingspercentages kinderopvang-toeslag in 2026 (Kamerstuk 31 322, nr. 562), Herziene versie «Overzichtdossiers vertrouwensinspectie Kinderopvang 2022 – 2024 (Kamerstuk31 322, nr. 563), Toegankelijkheid en doelmatigheid in het nieuwefinancieringsstelsel kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 569), Verzamel-brief Kinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 570), Nieuw financieringsstelselkinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 571) en Regeldruk en toezichtkinderopvang (Kamerstuk 31 322, nr. 572).De vragen en opmerkingen zijn op 11 december 2025 aan de staatssecre-tarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Financiën voorgelegd.Bij brief van 16 december 2025 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Van der BurgAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-31322-573ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5731 InleidingHierbij zenden wij u de antwoorden op de vragen die door de Kamer zijngesteld naar aanleiding van het schriftelijk overleg over kinderopvang d.d.10 december 2025.Tevens bieden wij u hierbij de uitkomsten van de doenvermogentoets ophet wetsvoorstel financiering kinderopvang aan. De Behavior ChangeGroup en het Kenniscentrum Psychologie en Economisch Gedrag hebbenafgelopen najaar een doenvermogentoets uitgevoerd op het nieuwefinancieringsstelsel voor kinderopvang. Zij hebben de «doenlijkheid» vanhet financieringsstelsel onderzocht met vier specifieke (en kwetsbare)doelgroepen.Uit de toets blijkt dat het stelsel voor de meeste ouders doenlijk enoverzichtelijk is. De onderzoekers zien het wetsvoorstel als een verbe-tering ten opzichte van het huidige financieringsstelsel met de kinderop-vangtoeslag en raden aan om het stelsel zo snel mogelijk in te voeren. Deonderzoekers doen ook een aantal aanbevelingen.Wij zijn de onderzoekers zeer erkentelijk voor hun inspanningen en nemenhun aanbevelingen mee in de verdere uitwerking van het wetsvoorstelfinanciering kinderopvang.I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van destukken op de agenda voor het schriftelijk overleg over kinderopvang.Bijna gratis kinderopvang geeft duidelijkheid aan ouders, na jaren vanonzekerheid over toeslagen. Daarom willen deze leden graag dezeherziening voortvarend doorzetten. Zij hebben enkele vragen ten aanzienvan de stelselwijziging en de toegankelijkheid.De leden van de D66-fractie steunen de koers van de Staatssecretaris omde stelselherziening door te zetten, met oog voor toegankelijkheid van hetstelsel en rechtmatige en doelmatige besteding van overheidsgeld.Bovendien achten zij het noodzakelijk om de situatie te voorkomenwaarbij er ongeoorloofde staatssteun wordt gegeven. Deze leden vindenhet terecht om maatregelen te nemen ten behoeve van doelmatigebesteding, gezien het risico op tariefstijgingen en de bijna completepublieke financiering van de dienst. Wel hebben zij enkele vragen over depraktische uitvoering. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris debesluitvorming over de Dienst van Algemeen en Economische Belang(DAEB-)aanwijzing voor ogen ziet. Zij vragen daarbij hoe hij gaatvoorkomen dat extra activiteiten die nu worden aangeboden doorkinderopvangorganisaties ten behoeve van de ontwikkeling van kinderenniet buiten de definitie van de omschreven werkzaamheden gaat vallen.Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris ervoor gaat zorgen datadministratieve lasten zo laag mogelijk zijn voor kinderopvangorgani-saties.De leden van de D66-fractie zijn enthousiast over de manier waarop hetnieuwe stelsel wordt uitgewerkt, waarbij er nauwere samenwerking istussen beleid en uitvoering. Deze leden vragen daarbij of daar al lessen uitte trekken zijn voor andere hervormingen, met name op het gebied van de(interne) ontwikkeling van ICT-functionaliteiten en de ontwikkeling vanprototypes. Ook vragen deze leden hoe ouders en kinderopvangorgani-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5732 saties betrokken worden bij het verdere proces en ontwikkeling van hetsysteem.De leden van de D66-fractie steunen de lijn om gemeenten meermogelijkheden te geven om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden,maar vragen daarbij wel aandacht voor uniformiteit tussen gemeenten.Deze leden zijn blij dat de handreiking Sociaal Medische Indicatie (SMI) injanuari 2026 gepresenteerd wordt, naar aanleiding van vragen van dezeleden. Zij vinden het onwenselijk dat onrechtvaardige verschillen zijn in deuitvoering van SMI. Ook zijn zij blij met de toename in middelen in 2025en 2029 in het gemeentefonds voor het verstrekken van maatwerk viaSMI. Wel vragen zij in hoeverre de Staatssecretaris zicht blijft houden ophet effect van de handreiking en modeldocumenten. Op welke wijzemonitort de Staatssecretaris om te zien of de handreiking ook daadwer-kelijk het beoogde effect heeft? Daarbij vragen deze leden hoe de extramiddelen voor gemeenten om maatwerk te leveren voor ouders met eenSMI zich verhouden tot voor- en vroegschoolse educatie, of dat deze enkelbestemd zijn voor de reguliere kinderopvang.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de stukken over de kinderopvang. Deze leden hebben nog een aantalvragen en opmerkingen.Allereerst zijn de leden van de PVV-fractie benieuwd of er reeds eenconcreet ingroeipad is vastgesteld voor de situatie in 2028 en, zo ja, hoedit pad er precies uitziet.De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd of en welke maatregelen deStaatssecretaris in gedachten heeft indien de wachtlijsten in 2029 te langworden door de grote instroom van nieuwe kinderen.De leden van de PVV-fractie vragen wat de Staatssecretaris gaat doen omde administratieve lasten van de DAEB te beperken.De leden van de PVV-fractie vragen waarom er, naast de DAEB, niet vooris gekozen om andere alternatieven verder uit te werken.De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd wat de Staatssecretarisbeschouwt als een redelijk rendement voor kinderopvangorganisaties.De leden van de PVV-fractie zijn benieuwd hoeveel procent van dekinderopvangorganisaties volgens de verwachting boven de maximumuurprijs (MUP) zal uitkomen.De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de forsestijging verklaart van het aantal dossiers over fysiek geweld bij devertrouwensinspecteurs kinderopvang: van 103 in 2022 naar 200 in 2024,een toename van bijna 100%.De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een overzichtkan geven van de gemeenten waarin deze 200 meldingen over fysiekgeweld in 2024 hebben plaatsgevonden.De leden van de PVV-fractie willen tevens begrijpen waarom het aantalstrafrechtelijke aangiften naar aanleiding van deze meldingen is gedaaldvan 28 in 2022 naar 22 in 2024, terwijl het aantal meldingen zelf bijnaverdubbelde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5733 De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris een verderestijging dan wel een daling verwacht van het aantal incidenten met fysiekgeweld op het moment dat kinderopvang vrijwel gratis wordt.De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris gevallen bekendzijn waarin kinderopvangorganisaties genoodzaakt zijn beveiligers in tehuren ter bescherming van kinderen en/of personeel.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met tevredenheid kennisgenomenvan de inzet van de Staatssecretaris om de regeldruk in de kinderopvang-sector te verminderen en onder controle te houden, met name voor kleineondernemers. Deze leden moedigen hem aan deze koers onverminderdvoort te zetten, en vragen hem of hij zijn ambities en de reden hierachternader kan toelichten. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij eenvolledig overzicht kan geven van de regels die door de sector op ditmoment nog als knellend of onnodig belastend worden ervaren, maarwaarvoor nog geen concrete stappen zijn gezet richting vereenvoudigingof afschaffing. Indien dergelijke regels bestaan, vernemen zij graag omwelke regels het gaat, welke gevolgen deze hebben voor met name klein-en middenbedrijven binnen de sector, en of de Staatssecretarisvoornemens is deze te schrappen, te vereenvoudigen of anderszins teverlichten.De leden van de VVD-fractie onderschrijven de ambitie van de Staatsse-cretaris om te komen tot daadwerkelijke deregulering. In met Kamerstuk31 322, nr. 572 geeft de Staatssecretaris aan bij enkele maatregelen nog tezullen bezien hoe en of tot versoepeling kan worden gekomen. Deze ledenverzoeken de Staatssecretaris per maatregel inzichtelijk te maken welkbesluitvormingstraject wordt voorzien, binnen welke termijn de Kamereen vervolgstap of keuze tegemoet kan zien, en hoe de voortgangmeetbaar en controleerbaar wordt gemaakt. Deze leden wijzen daarbij opde werkwijze van de Minister van Economische Zaken, waar concretereductiedoelen voor regeldruk expliciet worden geformuleerd enperiodiek worden gemonitord, en vragen of een dergelijke systematiekook hier toegepast kan worden.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voornemenvan het kabinet om de formele kinderopvang in Nederland aan te wijzenals DAEB. Deze leden begrijpen de noodzaak om staatssteunrisico’s tevoorkomen, mede gezien het feit dat terugvordering van miljarden aanfinanciering een onverantwoord risico zou vormen voor ouders,aanbieders en overheid. Tegelijkertijd nemen zij zorgen uit de sectorserieus, onder andere op het gebied van investeringsbereidheid eninnovatiekracht. Daarom vragen deze leden naar de stand van zaken m.b.t.de doenvermogentoets. Wat zijn de resultaten hiervan? Deze leden willenook weten hoe het kabinet de impact inschat van een sectorbredeDAEB-aanwijzing op het investeringsklimaat, en in het bijzonder op debeschikbaarheid van financiering voor uitbreiding, innovatie en kwaliteits-ontwikkeling. Hoe lang wordt er al gesproken met de kinderopvangsectorover een mogelijke DAEB-aanwijzing? Kan de Staatssecretaris ook delenhoeveel medewerkers de kinderopvang in de afgelopen jaren heeft wetente werven? Deze leden verzoeken de Staatssecretaris tevens toe te lichtenin hoeverre de stabiliteit van een jaarlijkse directe overheidsfinancieringvan circa € 8,6 miljard kan worden gezien als een compenserendezekerheid met een positief effect op het investeringsperspectief, en inhoeverre dit opweegt tegen mogelijke beperkingen die voortvloeien uitregels omtrent overcompensatie en normrendement.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5734 De leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast opwelke wijze eerdere ervaringen met DAEB-aanwijzingen in anderesectoren inzicht geven in financieringsbereidheid bij banken en institu-tionele beleggers, en welk beeld uit deze vergelijkingen relevant is voor dekinderopvangsector. Tevens vragen deze leden het kabinet te verduide-lijken of DAEB, anders dan soms wordt gesuggereerd, niet moet wordengezien als een noodmaatregel maar als een regulier instrument voorpublieke diensten zoals kinderopvang, zorg en sociale huisvesting, en ofde Staatssecretaris deze duiding kan bevestigen.De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet van oordeel is dat voorde continuïteit van kinderopvangorganisaties een redelijk rendementnoodzakelijk is. Deze leden vragen de Staatssecretaris welke bandbreedtehij op voorhand redelijk acht, gegeven de uiteenlopende kostprijsstruc-turen in de sector zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt, de omvangrijkeinvesteringsopgave in huisvesting en personeel, en het belang van eenaantrekkelijk ondernemingsklimaat voor aanbieders van iedere omvang.Daarnaast vragen zij welke informatie het kabinet reeds heeft over debereidheid van financiers om binnen een DAEB-kader langjarige investe-ringen mogelijk te blijven maken. Deze leden vragen tevens hoe hetkabinet voornemens is te borgen dat een normrendement voldoenderuimte laat voor meerjarige investeringen en voor het opbouwen vanreserves die noodzakelijk zijn voor een gezonde bedrijfsvoering. Daarbijvragen zij in hoeverre het kabinet duidelijke kaders kan schetsen over deruimte voor rendement die zij wil bieden, zodat ondernemers perspectiefhebben en diversiteit in het aanbod behouden kan blijven.Met betrekking tot tariefregulering constateren de leden van deVVD-fractie dat het kabinet uitgebreid uiteenzet dat tariefregulering risico’skent voor de reële toegankelijkheid, de diversiteit van het aanbod en dekwaliteit. Deze leden vragen de Staatssecretaris te bevestigen dattariefregulering geen verplicht element is binnen een DAEB-kader en duseen afzonderlijke politieke keuze betreft, en alleen overwogen zal wordenindien gegarandeerd kan worden dat dit geen negatieve gevolgen heeftvoor de beschikbaarheid van kinderopvangplekken, de groei van hetaanbod en de kwaliteit van de opvang.Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie hoe de Staatssecretaris, in hetlicht van de groeiopgave en de DAEB-kaders het ondernemersvertrouwenin de sector actief borgt en versterkt. Deelt hij de opvatting van deze ledendat ondernemerschap cruciaal is om deze belangrijke stelselwijzigingmogelijk te maken? Deze leden verzoeken de Staatssecretaris uiteen tezetten welke aanvullende maatregelen overwogen worden om ervoor tezorgen dat ondernemers, van klein tot groot, daadwerkelijk kunnen blijveninvesteren in uitbreiding, innovatie en kwaliteit richting 2029, zodat hetnieuwe stelsel niet alleen eenvoud en zekerheid biedt, maar ook eenduurzaam en toekomstbestendig aanbod van kinderopvang.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de geagendeerde stukken. Deze leden vinden dat de kinder-opvang een publieke voorziening hoort te zijn, net als scholen. Zijmoedigen stappen aan die gratis kinderopvang voor alle kinderenmogelijk maken. Deze leden constateren echter ook dat het kabinet eeneigen bijdrage in stand houdt, nog geen duidelijkheid geeft in hoeverre demaximumuurprijs wordt beperkt waardoor kinderopvang juist duurder inplaats van goedkoper wordt voor minder vermogende ouders, en dat nogsteeds complexiteit en ongelijkheid wordt gecreëerd door het in standTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5735 houden van de arbeidseis. Deze keuzes staan haaks op de uitgangspuntenvan zekerheid, eenvoud en gelijke kansen. Deze leden hebben daaromverschillende vragen aan de Staatssecretaris.Arbeidseis en eigen bijdrageDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat kinderopvangop allerlei vlakken goed is voor de ontwikkeling van jonge kinderen enervoor zorgt dat onze kinderen samen opgroeien. Daarom vinden dezeleden het van cruciaal belang dat alle kinderen toegang krijgen totkinderopvang, en niet alleen kinderen van werkende ouders. Deze ledenpleiten dan ook voor het loslaten van de zogeheten arbeidseis. Deelt deStaatssecretaris de opvatting dat kinderopvang meer is dan een arbeids-marktinstrument? Deelt de Staatssecretaris de opvatting van deze ledendat investeren in (bijna) gratis kinderopvang voor iedereen zorgt voormaatschappelijke baten, zoals meer gelijke ontwikkelkansen, minderstress bij ouders en minder segregatie? Wat zijn de uitvoeringskosten vanhet in stand houden van de arbeidseis en van het innen van de 4% eigenbijdrage? Kan de Staatssecretaris de maatschappelijke baten van (bijna)gratis kinderopvang voor alle kinderen in kaart brengen samen metandere departementen, waaronder Volksgezondheid, Welzijn en Sport(VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), en deze batenafwegen tegen de kosten van het in stand houden van de arbeidseis enhet innen van de eigen bijdrage van 4%?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het Toeslagen-schandaal een diep litteken heeft achtergelaten in de samenleving en bijouders in het bijzonder. Het vertrouwen in de overheid is diep beschadigden er leeft angst rondom het gebruikmaken van overheidsregelingen. Omdit vertrouwen terug te winnen is het belangrijk dat ouders het gevoelhebben dat de overheid naast hen staat en dat zij laagdrempelig gebruikkunnen maken van kinderopvang, zonder bewijslast en complexeregelingen. Deze leden constateren dat het kabinet een belangrijke stapzet in het terugdringen van de complexiteit door te kiezen voor eeninkomensonafhankelijk stelsel. Helaas constateren deze leden dat met hetin stand houden van de arbeidseis en de eigen bijdrage het stelselonnodig complex blijft. Hoe verhoudt het voorliggende wetsvoorstel zichvolgens de Staatssecretaris tot de constatering van de Raad van State ineen eerder advies dat «werkelijke reductie van complexiteit alleen [kan]worden bereikt als ingeleverd wordt op de uitgangspunten van inkomens-afhankelijkheid en arbeidsparticipatie»?1 Zijn extra kosten als gevolg vanhet laten vallen van de arbeidseis (indien kosten hoger zijn dan baten) nietbeter op te lossen in fiscaliteit dan door de ene groep kinderen tebevoordelen ten opzichte van een andere groep kinderen?De keuze om de eigen bijdrage in stand te houden houdt het systeemonnodig complex, constateren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie.Deze leden vragen hoeveel uitvoeringskosten er concreet gemoeid zijnmet het innen van de 4% eigen bijdrage, en hoe dit zich verhoudt tot hetbedrag dat op wordt gehaald met de eigen bijdrage. Wat is de reden omdeze 4% in stand te houden? Deze leden constateren daarnaast dat in hetnieuwe stelsel derden in staat worden gesteld om ouders die de 4% eigenbijdrage niet kunnen opbrengen financieel te helpen. Te denken valt aangemeenten, de werkgever of familieleden. Hoe voorkomt de Staatssecre-taris ongelijkheid tussen gemeenten of sectoren op de arbeidsmarkt?1Stcrt. 2018, nr. 50013.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5736 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast zorgen overde ouders in de laagste inkomensgroepen. Hoe voorkomt de Staatssecre-taris dat zij erop achteruitgaan? Hun vergoedingspercentage is immersreeds 96%. Er bestaat een reëel risico dat in het nieuwe stelsel kinderop-vanglocaties hun uurtarief verhogen, waardoor deze ouders meer moetenbetalen dan zij nu doen en dus juist de eerste groep zijn die wordenverdrongen. Ouders die werken kunnen vijf dagen bijna gratis kinder-opvang afnemen ongeacht hoeveel zij werken. Wanneer de uurtarievenverhoogd worden in de schaarste die ontstaat, zijn het de ouders met delaagste inkomens die als eerste verdrongen worden. Hoe voorkomt deStaatssecretaris dat de ouders met de laagste inkomens als eersteverdrongen worden, wanneer de uurtarieven verhoogd worden in deschaarste die ontstaat? Is het mogelijk om in het stelsel te regelen datouders toegang hebben tot een aantal dagen zonder arbeidseis?Daarnaast is de keuze om de arbeidseis in stand te laten volgens de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie een gemiste kans om zowel segregatie alsstress bij ouders tegen te gaan. In de kabinetsplannen blijven kinderennamelijk onder een breed scala aan regelingen vallen afhankelijk van de(werk)situatie van hun ouders. Een greep uit de opties: een kind metwerkende ouders gaat bijna gratis naar de kinderopvang, een kind wiensouders niet werken blijft thuis en een kind wiens ouders niet werken maarwaar thuis een andere taal gesproken wordt gaat naar de voor- envroegschoolse educatie (vve). Deze kinderen komen elkaar niet tegen.Welke gevolgen heeft dit op het gebied van segregatie en vindt deStaatssecretaris dat wenselijk? Daarnaast wordt specifiek op de vveouderparticipatie verwacht. Hoe verhoudt dat zich tot de mogelijkheid totarbeidsparticipatie?De keuze om de vele verschillende regelingen in stand te houden isdaarnaast volgens de GroenLinks-PvdA-fractie een gemiste kans omstress bij ouders tegen te gaan. We weten dat het huidige stelsel vankinderopvang veel stress veroorzaakt bij ouders.2 Hoewel het nieuwestelsel hier op sommige vlakken aan tegemoet komt, blijft er met dearbeidseis een bron van stress bestaan vanwege alle verschillenderegelingen. Hoeveel verschillende regelingen blijven in stand omdat dearbeidseis blijft bestaan? Een van de oorzaken van stress en onzekerheidis de tijdelijkheid van toegang, bijvoorbeeld in geval van een sociaal-medische indicatie (SMI) of gedurende een re-integratietraject. Inhoeverre deelt de Staatssecretaris de opvatting dat het loslaten van dearbeidseis stress bij ouders kan verminderen? Deze leden hebbendaarnaast zorgen over de positie van ouders die chronisch ziek zijn. Debestaande gemeentelijke regeling bij ziekte (de SMI) is tijdelijk en dus perdefinitie niet toereikend voor ouders die chronisch ziek zijn. Bovendienzijn gemeenten niet verplicht om deze regeling aan te bieden. Door dearbeidseis in stand te houden, blijft deze groep tussen wal en schip vallen.Hoe zorgt de Staatssecretaris voor een passende oplossing voor oudersdie kampen met een chronische ziekte? Daarnaast zijn er ouders metonregelmatig werk voor wie het lastiger is om aan te tonen dat zij werken,bijvoorbeeld seizoenswerkers of flexwerkers. Kan de Staatssecretaris inkaart brengen voor welk type werkenden het lastiger is om aan te tonendat zij voldoen aan de arbeidseis? Hoe voorkomt hij dat deze bewijslastleidt tot stress en zelfs angst rondom het gebruikmaken van kinder-opvang? Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat ouders die (net) werken endat lastig kunnen aantonen in de eerste fase zelf de kinderopvang moetenbetalen? En in hoeverre kunnen ouders met terugwerkende kracht dekinderopvang vergoed krijgen, als zij toch aan de arbeidseis blijken tevoldoen? Hoe werkt het voor werkenden die hun baan kwijtraken, of2Minder werken en geen tweede kind: 65 procent ouders heeft kopzorgen om kinderopvangTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5737 mensen met flexibele contracten of opdrachten die tussentijds zonderwerk zitten?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat er in hetwetsvoorstel twee stelsels blijven bestaan, namelijk de vve en dekinderopvang. Waarom is niet gekozen om de harmonisatie te volmaken?Hoe werkt het ministerie aan de aansluiting van de gemeentelijkeregelingen op het nieuwe stelsel?DAEB/uurtariefDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn positief over het voornemenvan de Staatssecretaris om een DAEB te vestigen en over de keuze vooreen inkomensafhankelijk stelsel. Hoeveel middelen worden bespaard inde uitvoering door het stelsel inkomensonafhankelijk te maken? Op welkemanier wordt de kinderopvang betrokken bij de uitwerking van de DAEBen hoe zorgt de Staatssecretaris dat dit niet tot uitstel leidt? Welkevoorbeelden zijn er uit het buitenland waar kinderopvang in een verge-lijkbare structuur is geregeld? Hoewel het vestigen van een DAEB eenpositieve stap is, hebben deze leden zorgen over het feit dat in hetwetsvoorstel nog geen wettelijk maximumuurtarief is opgenomen. Hoevoorkomt de Staatssecretaris dat (commerciële) kinderopvanginstellingenhun uurtarieven flink verhogen? Wat is het verwachte effect wat betreftkwaliteitsverschillen wanneer er geen maximumuurtarief wordt ingesteld?Zoals eerder in deze bijdrage omschreven betekent dit dat juist ouders inde laagste inkomensgroepen meer gaan betalen. Hun eigen bijdrage is inhet huidige stelsel immers al 4%, en door verhoging van de uurprijs zalhet te betalen bedrag hoger worden. Hoe voorkomt de Staatssecretarisdat dit negatieve gevolgen heeft voor segregatie en kansengelijkheid? Hoevoorkomt de Staatssecretaris dat ouders in de laagste inkomenscategoriestraks geen kinderopvang meer kunnen betalen? Zijn er voorbeelden vanandere sectoren die in vergelijkbare mate gefinancierd worden metoverheidsgeld, waar geen maximumtarieven gelden?InwerkingtredingDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien het wetsvoorstel als eenbelangrijke stap richting gratis kinderopvang voor alle kinderen. Kan deStaatssecretaris toezeggen dat invoering per 2029 prioriteit heeft? Dekinderopvang en ouders hebben een duidelijke stip op de horizon nodigen een betrouwbare overheid, en niet voor de derde keer uitstel. Inhoeverre ziet de Staatssecretaris risico voor vertraging en hoe kan hij ditvoorkomen?PersoneelstekortDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat met deinvoering van het nieuwe financieringsstelsel het personeelstekort in dekinderopvang speciale aandacht vergt. Op welke manier zijn de in zijnbrief genoemde pijlers van de aanpak van het personeelstekort (nieuwpersoneel aantrekken, huidig personeel behouden en hen stimulerenmeer uren te werken) uitgewerkt in concreet beleid? Heeft de Staatssecre-taris zicht op de effectiviteit van elke pijler, en ziet hij aanknopingspuntenom de pijlers verder uit te bouwen? Deze leden zijn van mening dat hetuitbreiden van het ouderschapsverlof naast deze pijlers een heilzame wegis. Langer ouderschapsverlof is goed voor ouder en kind, en ontlastdaarnaast de kinderopvang. Dit effect is des te sterker voor de kleinstekinderen, omdat er voor nuljarigen meer personeel nodig is dan vooroudere kinderen. Kan de Staatssecretaris in kaart brengen wat het effect isvan langer ouderschapsverlof op de personeelstekorten in de kinder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5738 opvang? Is dit element onderdeel van het door de Staatssecretarisuitgezette onderzoek naar de personeelskrapte, uitgevoerd door Ipsos I&Oen SEO? Zo nee, is de Staatssecretaris bereid dit alsnog te laten onder-zoeken? Daarnaast geloven deze leden dat meer samenwerking met hetonderwijs veel baten heeft, waaronder het feit dat er meer doorlopendeleerlijnen en een meer eenduidig pedagogisch klimaat kan wordengecreëerd. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken wat de batenzijn van een betere samenwerking met het onderwijs, waarbij kinderop-vangmedewerkers zowel op school als in de kinderopvang aan de slagkunnen?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hechten veel waarde aan het onderwerpkinderopvang, omdat onze kinderen kwetsbaar, kostbaar en bescherm-waardig zijn. Kinderopvang markeert voor veel gezinnen een belangrijkdagelijks ritueel, namelijk het moment dat je je kind achterlaat in de goedehanden van de kinderopvang of gastouder. Ouders zijn in de manierwaarop zij hun dag en werk inrichten afhankelijk van de beschikbaarheidvan en het vertrouwen in de mensen die de kinderen opvangen. Kinder-opvang moet daarom vanzelfsprekend, beschikbaar en betaalbaar zijn.Vanuit deze uitgangspunten hebben deze leden een aantal vragen bij destaat van de kinderopvangmarkt en de beweging naar een nieuw stelsel,omdat zij zorgen hebben dat de beoogde doelen op gespannen voet staanmet elkaar.Staat van de kinderopvangDe leden van de CDA-fractie merken op dat de huidige discussie over destaat van de opvangmarkt en het nieuwe stelsel overlappen. In de huidigemarkt is een tekort van zo’n 7.000 opvangkrachten en in de meestegevallen is sprake van wachttijden, vooral in de grote steden. Onderzoeks-uitkomsten laten zien dat met het nieuwe financieringsstelsel de vraagnaar opvang met 20% zal stijgen, terwijl onderzoek van het CBS laat ziendat sinds 2022 de groei in het aantal opvangplekken afzwakt. Deze ledenmerken op dat dit de doelen van betaalbaarheid en toegankelijkheid onderdruk zet, zowel in de huidige situatie met een vraag groter dan het aanboden vrije prijzen die kinderopvang voor lagere inkomens duurder maakt,maar ook in de plannen voor een nieuw gereguleerd subsidiestelsel watmarktwerking drukt. Zij vragen of de Staatssecretaris deze spagaatherkent en het met deze leden eens is dat links- of rechtsom de druk vande ketel moet.De leden van de CDA-fractie lezen dat de enige oplossing die de Staatsse-cretaris overweegt is proberen een groot aantal nieuwe medewerkers aante trekken, of medewerkers meer in te zetten. Deze leden vragen of deStaatssecretaris de kans van slagen van deze aanpak met onderzoek kanonderbouwen. Zij vragen hoe de Staatssecretaris het advies van deAdviescollege toetsing regeldruk (ATR) weegt, die een goede afwegingvan het voorgenomen stelsel niet mogelijk acht, omdat onvoldoendeonderbouwd is hoe aan een forse stijging van de vraag kan wordenvoldaan, en dat de gevolgen daarvan voor ouders onvoldoende trans-parant zijn. Ook vragen zij of de Staatssecretaris kan ingaan op de zorgengeuit in de brief van CNV dat de stelselwijziging alleen kans van slagenheeft als de omstandigheden in de kinderopvang dit mogelijk maken, dusoplossen van de te hoge werkdruk en meer waardering voor professionalsin de kinderopvang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 5739 De CDA-leden lezen dat het kabinet een evaluatie van het arbeidsmarkt-kraptebeleid laat uitvoeren, die pas begin 2026 verschijnt. Hoe ziet deStaatssecretaris het voor zich om «lerenderwijs» beleid te verbeteren,terwijl er vooraf voldoende zekerheid moet zijn alvorens met een nieuwstelsel kan worden ingestemd dat de krapte mogelijk vergroot? Watbetekent «lerenderwijs» concreet? Voor deze leden staat vast dat dekinderopvang juist zekerheid en voorspelbaarheid moet bieden en geenterrein mag zijn voor experimenten.De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet alternatieven heeftoverwogen, zoals beperken van het aantal opvangdagen, of meer verlof inhet eerste jaar te geven, maar hier niet voor kiest. Ook wordt niet meerruimte gecreëerd voor gastouders. Het versoepelen leidster-kind ratio isniet overwogen, en inzet van MBO 2 medewerkers ook niet, omdat dit totverminderde kwaliteit zou kunnen leiden. Deze leden hebben daarovereen aantal vragen. Zij vragen de Staatssecretaris waarom inzet van MBO 2geschoolde medewerkers tot minder kwaliteit zou leiden, terwijl de eisvoor gastouders ook MBO2 is, met een aanvullende pedagogischemodule. Waar zit dan het verschil? Ook vragen zij waarom niet verderverkend wordt of meer verlof voor ouders in het eerste levensjaar kanhelpen de druk in het eerste jaar naar beneden te brengen, als juist deleidster-kind ratio het hoogst is. Ook vragen deze leden waarom niet juistmeer wordt geïnvesteerd in gastouderopvang, als bekend is dat het aantalgastouders afgelopen jaren een dalende trend laat zien, terwijl zij juistveel flexibel aanbod kunnen creëren. Waarom zoekt de Staatssecretarishiervoor geen ruimte, als hij juist in zijn brief schrijft dat de kosten vangastouders hoger liggen dan hun maximumuurprijs? Deze leden zijn vanmening dat hier juist mee aan de slag moet worden gegaan om de drukop opvanglocaties te verminderen. Zij vragen of de Staatssecretaris demening deelt dat goedkope kinderopvang voor ouders geen meerwaardebiedt, als deze niet beschikbaar is, waar de kwaliteit en aandacht voorkinderen onder te leiden heeft.Ruimte voor de marktIn de brieven van de Staatssecretaris lezen de leden van de CDA-fractiedat meer investeringen in de markt nodig zijn, maar zij merken op datdeze nu erg onrustig is vanwege de plannen voor aanmerken vankinderopvang als DAEB-activiteit. Het kabinet zegt dat ook onder eenkwalificatie van kinderopvang als DAEB-activiteit, een redelijk rendementboven de netto kostprijs behaald moet kunnen worden, maar voor hetvaststellen van een redelijk rendement zal nader onderzoek wordenuitgezet bij een onafhankelijk extern bureau. Deze leden vragen wie ditonderzoek zal gaan doen en wanneer de Staatssecretaris de uitvoeringvan dit onderzoek verwacht. Worden hierbij marktpartijen betrokken? Enop welke wijze wordt hun advies gerapporteerd?Ook lezen de leden van de CDA-fractie dat in de nadere uitwerkingcentraal zal staan dat er vrijheid moet zijn voor ondernemers in dekinderopvang om te ondernemen en investeren in innovatie, kwaliteit encapaciteit, en dat voor invoering van DAEB een impactanalyse zalplaatsvinden waarbij ook de effecten op ondernemers en het aanbodzullen worden onderzocht. Deze leden vragen waarom het kabinet pastijdens de internetconsultatie start met dit impact onderzoek, in plaats vanvoor de internetconsultatie, om minder onrust te creëren. Zij wijzen hierbijook op het ATR-advies, dat eveneens zegt dat de impact eerst in kaartgebracht moet worden. Zij vragen wat de tijdsplanning van de impact-analyse is. Ook vragen zij waarom DAEB als ultieme middel wordtaangegrepen om staatssteun te vermijden. Waarom worden geen anderemiddelen ingezet. Kijk bijvoorbeeld naar de jeugdzorg ook directTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57310 gefinancierd wordt met overheidsmiddelen. Zij vragen wat hierin hetverschil isDe leden van de CDA-fractie lezen verder dat om voldoende aanbod tehouden, ruimte voor ondernemerschap volgens de Staatssecretarisbelangrijk is, dus verminderen van regeldruk. Deze leden vragen ofvolgens de Staatssecretaris een DAEB-activiteit niet juist meer regeldrukveroorzaakt en hoe de Staatssecretaris dit wil mitigeren. De stijging vande regeldruk voor kinderopvang organisaties werd tijdens de technischebriefing duidelijk, waarbij werd aangegeven dat er een marktmeester alstoezichthouder zal functioneren. Deze leden vragen welke organisatie dezerol zal krijgen toebedeeld en op welke wijze het toezicht wordt vormge-geven.De leden van de CDA-fractie vinden het tegengaan van spookregelgevingeen mooi streven. Daarbij gaat de Staatssecretaris sectorpartijen vragenom hierbij behulpzaam te zijn. Deze leden vragen hoe zij dit moeten zien.Krijgen sectorpartijen meer informatie, of wordt van sectorpartijenverwacht een eigen interpretatie te geven aan regelingen? Een andereinteressante verkenning van de Staatssecretaris om regeldruk te verlagen,vinden deze leden meer ruimte in het toezicht om af te wijken van regels,maar dit lijkt tot meer druk op de uitvoering te leiden. Een ontheffingsbe-voegdheid voor gemeenten verhoogt de uitvoeringskosten. En het nietmeer noteren van iedere overtreding, maar alleen naar redelijkheid enproportionaliteit leidt weer tot nieuwe benodigde competenties op hetgebied van oordeelsvorming, waar scholing voor moet worden gevolgd.Deze leden vragen de Staatssecretaris of hier niet op meer praktischewijze mee kan worden omgegaan en vanuit vertrouwen op ervaring enonderling overleg van/tussen toezichthouders.De leden van de CDA-fractie zien ook dat ouders in de grensregio derechten op financiering van hun opvangplekken verliezen. Worden dezeouders ondersteund met het vinden van een volwaardig alternatief?UitvoeringDe leden van de CDA-fractie hebben voorts een aantal vragen bij deuitvoering van het nieuwe stelsel, met inkomensonafhankelijk 96%vergoeding. Deze leden lezen dat de beoogd uitvoerder voor de nieuwefinancieringssystematiek Dienst Toeslagen is. Zij vragen of de Staatssecre-taris kan bevestigen dat zij hiermee transformeren van uitvoerder op hetniveau van Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), naareen uitvoerder als Subsidient. Klopt het dat dat inhoudt dat zij een anderejuridische en financiële relatie krijgen met de partijen, zowel met deouders als de kinderopvangorganisaties? Kan de Staatssecretarisaangeven hoe de transformatie van Awir dienstverlener naar subsidientplaats moet vinden?De leden van de CDA-fractie lezen dat de Staatssecretaris aangeeft dat deuitvoering voor zowel ouders als houders stapsgewijs gaat. Het nieuwesysteem gaat pas in per 1 januari 2029. Dat betekent dat het ingroeipad tot2029 met verhoging van het vergoedingspercentages en de verruimingvan de groep die in aanmerking komt (al dan niet via de gemeente) nogvolgens de bestaande regeling «ingroeit». De risico’s en de nadelen zoalsde Staatssecretaris schetst van het huidige systeem, blijven dan aanwezig.Deze leden vragen aan de Staatssecretaris om dit helder te communi-ceren, is de Staatssecretaris daartoe bereid? Het ingroeiscenario wordtgezien als mitigerend voor de zorgen die leven op de o.a. markteffecten.De Staatssecretaris gebruikt de komende periode om aan knoppen tedraaien indien er ongewenste effecten zich voordoen. Deze leden vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57311 hoe verantwoord het is om aan de knoppen te draaien en het ministerie telaten bijsturen op onderdelen, terwijl de risico’s voor de ouders blijvenbestaan. Hoe weegt het Staatssecretaris deze risico’s? En welk mandaat iser nodig om aan die knoppen te mogen draaien binnen de bestaande Awirconstellatie? Verder vragen zij wat dit betekent voor de risico’s van te hogebijdragen en terugvorderingen voor ouders.Tijdens de technische briefing van 9 december 2026 werd aangegeven datten behoeve van de technische uitvoering door Dienst Toeslagen in week13 van 2026 een go-no go moment is gepland. De leden van deCDA-fractie vragen wat de criteria zijn waarop deze weging plaatsvindt.Deze leden vragen wie weegt of een go verantwoord is, of een no gologisch is, en hoe de Kamer hierbij betrokken wordt.De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een makkelijker pakketvan kindregelingen binnen één gezinsbudget, dat wil zeggen voor hetsamenvoegen van kinderbijslag, kindgebonden budget en kinderopvang-toeslag binnen één kader. Deze leden vragen of de nieuwe definities voorouder en gezin getest zijn op ruimere toepasbaarheid voor kindregelingenen exporteerbaarheid van regelingen, voor Nederlanders die op grondvan internationaal recht een toeslag mag meenemen bij een verhuizing oflager verblijf in het buitenland.De leden van de CDA-fractie merken op dat de rol van subsidient eennieuwe rol is voor de uitvoerder, en dat de dienstverlening ook aanzienlijkwijzigt. De Staatssecretaris geeft aan dat er sprake zal zijn van eenresponsieve en proactieve dienstverlening, voor zowel de ouders als dehouders. Gebruikelijke subsidie beschikkingstermijnen van 8 wekenworden ingekort tot 5 dagen. Bij onduidelijkheden worden klanten gebeld.Deze leden vragen of de uitvoerder in staat is om een ingroei scenario opte pakken. Zij vragen of in de overgangsperiode twee stelsels naast elkaarblijven bestaan, en zo ja, wie dan bepaalt welke ouder en houder overgaatnaar het nieuwe stelsel en wie blijft in het oude stelsel, en op basis vanwelke criteria.De leden van de CDA-fractie willen los van de complexe route naar eenstelselherziening, graag ook op korte termijn aanpassen wat het meesturgent en mogelijk is. Zij vragen of het klopt dat uit de uitvoeringsge-gevens van de Dienst Toeslagen blijkt dat de grootste oorzaak vanterugvorderingen niet de hoogte van het inkomen, maar verkeerddoorgeven van het aantal opvanguren is. Zij vragen of dit niet eenvoudigkan worden opgelost, door het doorgeven van uren bij ouders weg tehalen, omdat kinderopvanginstellingen dit toch al maandelijks moetendoorgeven. Ook merken zij op dat het inkomen vooral een probleem is bijfinancieel kwetsbare inkomens, die vaak ook onregelmatig inkomenhebben. Zij vragen of verhogen van de 96% tot een dubbelmodaalinkomen niet al veel druk en onzekerheid van gezinnen kan wegnemen,omdat juist de combinatie van terugvorderingen en lage inkomenskwetsbaar is.De leden van de CDA-fractie vinden dat tot nu toe het voorstel voor eennieuw financieringsstelsel op onderdelen niet voldoende uitgewerkt is.Deze leden willen evenals het kabinet graag een oplossing voor definanciering van de kinderopvang. Zij zijn tegelijkertijd voorstander omsamen met de sector een realistisch langetermijnplan te maken, waarin dedoelen van toegankelijkheid en betaalbaarheid worden ingepast, zodatzekerheid bestaat ouders en de sector. Deze leden twijfelen of erüberhaupt zekerheid te bieden is, omdat het budget er wel is, maar demarkt er niet klaar voor is. Zij willen voorkomen dat er een deuk in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57312 precaire vertrouwen in het kinderopvangstelsel komt, als er iets wordtaangeboden dat in praktijk niet werkt.Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractieDe leden van de FvD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van 27 november 2025 over het voorgestelde nieuwe financierings-stelsel kinderopvang. Deze leden onderschrijven de ambitie van hetkabinet om het financieringsstelsel eenvoudiger te maken, zeker gezien deproblemen in het verleden met het terugvorderen van toeslagen. Hetvoorgestelde nieuwe financieringsstelsel maakt het voor oudersinderdaad makkelijker en het risico op grote terugvorderingen verdwijntgrotendeels. Dat is een goede zaak.Toch zijn de leden van de FvD-fractie bezorgd omdat het erop lijkt dat derisico’s en de regeldruk niet zozeer verdwijnen uit het nieuwe stelsel maarverplaatst worden naar de kinderopvangorganisaties (en gastouders) diein het nieuwe stelsel grotendeels verantwoordelijk worden voor hetfinancieringsstelsel en waar allerlei eisen aan zullen (moeten) wordenopgelegd. Eisen waar kinderopvangorganisaties niet blij mee zijn. Al metal vragen deze leden of het stelsel hierdoor eenvoudiger en beter gaatworden.In het nieuwe stelsel zal de kinderopvangsector worden aangewezen alseen DAEB, lezen de leden van de FvD-fractie. Dit brengt veel extraregelgeving met zich mee en beperkt de ondernemingsvrijheid. De sectorspreekt in een brief zelfs over «een complete ontregeling van een stelseldat internationaal juist als voorbeeld geldt» en beschouwt het als een«feitelijke nationalisatie» van de kinderopvang waardoor innovatie wordtbelemmerd en investeringen in de sector zullen gaan afnemen. Hoe kijktde Staatssecretaris hiernaar? Vooral kleine aanbieders, is de verwachting,zullen hierdoor zwaar getroffen worden met als gevolg verdere schaalver-groting in de sector, minder diversiteit in aanbod en meer marktmacht bijenkele grote partijen. Deelt het kabinet deze zorg?Er komen onder andere, begrijpen de leden van de FvD-fractie, «kostprijs-onderzoeken», toezicht door een «marktmeester», er wordt gecontroleerdop «overcompensatie» en er zal, onvermijdelijk, in het nieuwe stelselmoeten worden gekeken of winsten in de sector «redelijk» zijn. Maar hoegaat de Staatssecretaris bepalen wat een «redelijke winst» is? Watbetekent dit voor innovatie en investeringen in de kinderopvang? Welkeprikkel heeft een ondernemer nog om de kwaliteit te verbeteren of dekosten te verlagen als de hogere winsten, die hiervan het gevolg zijn,straks afgeroomd gaan worden omdat ze volgens de Staatssecretaris«niet redelijk» zijn? Is dit niet de logica van een planeconomie die nog nooitergens heeft gewerkt? Welke juridische risico’s loopt de staat wanneerkinderopvangaanbieders gaan procederen omdat de DAEB-aanwijzingwordt beschouwd als een de facto (onrechtmatige) nationalisatie van desector? Deze leden maken zich over dit alles grote zorgen.Een ander punt van zorg voor de leden van de FvD-fractie is de arbeidseis.Deze eis maakt het stelsel complexer. Bovendien wordt hiermee een zogoed als volledig publiek gefinancierde voorziening geïntroduceerd dieniet voor iedereen toegankelijk is. Is het correct dat, in het nieuwe stelsel,ouders die, vanwege een beperking of chronische ziekte en bijkomendemantelzorgtaken niet kúnnen werken, ook geen aanspraak maken op debijna gratis kinderopvang? Betekent dit niet dat met de arbeidseis van(twee) werkende ouders het stelsel ouders benadeelt die vanwege eenbeperking of chronische ziekte of vanwege de zorg voor een kind ofnaaste niet kunnen werken. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Zou hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57313 wellicht al met al niet beter zijn om de arbeidseis daarom maar te latenvallen? En stel dat ouders er bewust voor kiezen één partner niet te latenwerken zodat er altijd één ouder is die thuis voor de kinderen kan zorgen,gezinnen met een traditioneel waardenpatroon bijvoorbeeld, maar die hetwel fijn zouden vinden als hun zoon of dochter, bijvoorbeeld vanwege desociale ontwikkeling of het leren van het Nederlands (in een gezin waarkinderen bijvoorbeeld tweetalig worden opgevoed) één of twee dagen perweek naar de kinderopvang gaat, is het correct dat dit gezin wél het vollepond moet betalen (omdat aan de arbeidseis niet wordt voldaan)? Metandere woorden, is het correct dat (traditionele) gezinnen met éénkostwinner (bewust?) worden uitgesloten van deze regeling vanwege dezearbeidseis, gezinnen die bovendien al relatief veel inkomstenbelastingbetalen, ten koste van (progressieve) gezinnen waar beide partners willenwerken? Wat vindt de Staatssecretaris hiervan? Is dit voor de Staatssecre-taris een ongewenst negatief bijeffect of juist een gewenst effect,bijvoorbeeld omdat dit kabinet graag de arbeidsparticipatie vergroot endaarom een voorkeur heeft voor gezinnen waarin beide partners (moeten)werken ten opzichte van het (traditionele) kostwinnersgezin?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven overkinderopvang. Deze leden hebben de volgende vragen aan de Staatsse-cretaris.De leden van de BBB-fractie lezen dat de wachttijdenmonitor laat zien datvooral in grote steden en bij jonge kinderen wachttijden oplopen. Hoezorgt de Staatssecretaris ervoor dat ook in krimpregio’s en op hetplatteland voldoende aanbod blijft? Kan de Staatssecretaris toezeggen dattoekomstige beleidswijzigingen altijd vooraf worden getoetst op hunimpact op betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit, inclusief effectenop commerciële en regionale aanbieders?Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat een DAEB-statuskan leiden tot beperkingen op ondernemerschap en innovatie in dekinderopvangsector. Hoe borgt de Staatssecretaris dat kleinschalige enagrarische kinderopvanginitiatieven niet worden weggedrukt door extraregels en lagere winstmarges? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat erruimte blijft voor ondernemerschap en diversiteit in het aanbod?Verder maken de leden van de BBB-fractie zich zorgen over hetvoornemen om de financiering van grensoverschrijdende kinderopvang tebeëindigen. Deze opvang voorziet al decennialang in een behoefte vanNederlandse ouders die in Nederland wonen en werken, maar gebruik-maken van kinderopvanglocaties net over de grens, bijvoorbeeld inDuitsland of België, omdat dit praktisch en efficiënt is in hun woon- enwerksituatie. Hoe rechtvaardigt de Staatssecretaris deze beleidswijziging,gezien het vertrouwen van ouders en ondernemers? Komt er eenovergangsregeling of maatwerk voor grensregio’s om te voorkomen datouders en kleinschalige voorzieningen plotseling in de problemen komen?Zo nee, waarom niet en kan de Staatssecretaris dit alsnog toezeggen?Tot slot draagt volgens de leden van de BBB-fractie agrarische kinder-opvang bij aan boer-burger verbinding en biedt unieke voordelen zoalsmeer buitenruimte en rust. Hoe waarborgt de Staatssecretaris dat dezevorm van opvang niet verdwijnt door strengere regels en lagere marges?Komt er een uitzonderingspositie of maatwerk voor agrarischekinderopvang?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57314 II Reactie van de Staatssecretaris Participatie en Integratie en deStaatssecretaris Herstel en Toeslagen Met interesse hebben wij kennisgenomen van de vragen en opmerkingenvan de leden van de fracties van D66, PVV, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA,Forum voor Democratie en BBB over kinderopvang. Het doet ons goedom te zien dat de Kamer grote interesse voor en betrokkenheid bij ditbelangrijke onderwerp toont.Wij lezen in uw vragen een breed gedeelde ambitie om de financieringvan kinderopvang fundamenteel te herzien en deze financiering voorouders eenvoudiger, zekerder en (voor de meeste ouders) beterbetaalbaar te maken. Tegelijkertijd zien wij dat er zorgen leven overarbeidsmarkttekorten, de toegankelijkheid en regeldruk, ook binnen hetbestaande stelsel. We kijken er naar uit om samen met de Kamer verder tewerken aan deze belangrijke onderwerpen. Dit geldt in het bijzonder voorhet nieuwe financieringsstelsel. Alleen samen kunnen we ouders zo snelals mogelijk eenvoud en zekerheid bieden en de sector duidelijkheidbieden over de voorgenomen veranderingen.Hieronder gaan wij per aan de hand van negen onderwerpen in op degestelde vragen. Deze onderwerpen zijn: toegankelijkheid, arbeidseis,arbeidsmarkt kinderopvang, de Dienst van Algemeen Economisch Belang,uitvoering, proces, regeldruk algemeen, kwaliteit en veiligheid en overig.Vanwege de vele verschillende vragen over de Dienst van AlgemeenEconomisch Belang is dit onderwerp onderverdeeld in subonderdelen.Vragen over toegankelijkheidDe leden van de fractie van de BBB vragen hoe de Staatssecre-taris ervoor zorgt dat er ook in krimpregio’s en op het plattelandvoldoende aanbod overblijft.Het kabinet deelt de mening dat het belangrijk is dat er overal inNederland voldoende aanbod is van kinderopvang, ook in krimpregio’s enop het platteland. Wij leggen meerdere werkbezoeken af door het heleland. Zo is er onlangs een werkbezoek gebracht aan een agrarischkinderdagverblijf, een unieke en prachtige vorm van kinderopvang dieveel kansen biedt en waarvan het belangrijk is dat er voldoende ruimtevoor blijft. Uit cijfers van het CBS over het aantal kindplaatsen pergemeente blijkt dat er geen grote verschillen zijn tussen krimpregio’s ende rest van Nederland.3 Het relatieve kinderopvangaanbod in krimpregio’sis niet lager dan in de rest van Nederland. Het kinderopvangbeleid is er,ook in het nieuwe stelsel, onder andere op gericht arbeidsmarkttekortenzoveel mogelijk tegen te gaan en ondernemen in de kinderopvangvoldoende interessant te houden. Ook bij het ontwikkelen van het nieuwefinancieringsstelsel zijn dit belangrijke aandachtspunten.De leden van de fractie van de PVV vragen of er reeds eenconcreet ingroeipad is vastgesteld voor de situatie in 2028 enhoe dit pad er uitziet.Er is nog geen concreet ingroeipad vastgesteld voor 2028. De preciezeverhoging van de vergoedingspercentages in 2028 wordt vastgelegd inhet Besluit kinderopvangtoeslag. Het ontwerp hiervan wordt voor dezomer van 2027 bij de Kamer voorgehangen.3CBS Statline, 2025, Dashboard kinderopvangTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57315 De leden van de fractie van de PVV vragen hoeveel procent vande kinderopvangorganisaties volgens de verwachting boven demaximum uurprijs (MUP) zal uitkomen. Ook zijn zij benieuwd ofen welke maatregelen de Staatssecretaris in gedachten heeftindien de wachtlijsten in 2029 te lang worden door de groteinstroom van nieuwe kinderen. De leden van de fractie vanGL-PvdA vragen hoe het kabinet voorkomt dat (commerciële)kinderopvangorganisaties hun tarieven flink gaan verhogen. Zijvragen ook hoe het kabinet wil voorkomen dat de toeganke-lijkheid voor lage inkomens hierdoor onder druk komt te staan.In september 2025 hanteerde 71% van de kinderdagopvanglocaties eentarief boven de maximum uurprijs. In de bso vraagt 89% van de locatieseen tarief hoger dan de maximum uurprijs en in de gastouderopvang60%. In de dagopvang ligt het mediane tarief € 0,29 boven de maximumuurprijs, in de bso € 0,52 en in de gastouderopvang € 0,08 tot € 0,21.Kinderopvangorganisaties zijn vrij om hun eigen tarief te bepalen. Hetnieuwe financieringsstelsel brengt een risico op prijsstijgingen met zichmee als het aanbod de groei van de vraag niet kan bijbenen. Dit risicospeelt vooral op de korte en middellange termijn als de toename van hetaanbod achterblijft bij de toename van de vraag. Eventuele prijsstijgingenzetten druk op de toegankelijkheid voor lage inkomens, omdat zij al hetmaximale vergoedingspercentage ontvangen en een tariefverhogingboven de maximum uurprijs zwaarder op hun inkomen weegt. Het is nogonduidelijk in welke mate dit risico zich voordoet en welk percentage vande kinderopvangorganisaties een tarief boven de maximum uurprijs zalvragen. Het kabinet neemt verschillende maatregelen om dit risico temitigeren, zoals het arbeidsmarktbeleid waarmee we tekorten in dekinderopvang zoveel mogelijk tegengaan, het verruimen van de mogelijk-heden van gemeenten om de eigen bijdrage te vergoeden en hetingroeipad, waarbij het kabinet de vergoedingspercentages stapsgewijsverhoogt zodat de markt tijd heeft om zich aan te passen aan de toene-mende vraag en we de effecten kunnen monitoren. Ook biedt hetingroeipad handelingsperspectief om aanvullende maatregelen te nemenals dat nodig is. Zo is het mogelijk om maatregelen te nemen die de vraagdempen. Denk bijvoorbeeld aan het tijdelijk beperken van het aantaldagen bijna gratis kinderopvang. Over deze en andere (mogelijke)maatregelen bent u in september geïnformeerd met de brief overtoegankelijkheid en doelmatigheid.4Voorts uiten de leden van de fractie van GL-PvdA hun zorgen overdat er geen maximumtarief wordt opgenomen in hetwetsvoorstel. Zij vragen wat het verwachte effect is op kwaliteit,segregatie en kansengelijkheid wanneer er geen maximumuur-tarief wordt ingesteld.De leden van de fractie van de VVD vragen of tariefreguleringalleen zal worden overwogen indien kan worden gegarandeerddat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de beschikbaarheidvan kinderopvangplekken, de groei van het aanbod en dekwaliteit van de opvang.Het kabinet begrijpt de vragen van de leden van de fractie van GL-PvdAover de toegankelijkheid van kinderopvang in het nieuwe stelsel en hunzorgen over potentieel ongewenste prijsstijgingen. Het kabinet neemtverschillende maatregelen om dat tegen te gaan, zoals in het antwoord opde vorige vraag en de Kamerbrief van 15 september jl.5 is toegelicht. Een4Kamerstukken II, 2025/26, 31 322, nr. 569.5Kamerstukken II, 2025/26, 31 322, nr. 569.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57316 potentiële maatregel die toegankelijkheid en doelmatigheid kan helpenborgen is tariefregulering. Tariefregulering is een instrument datprijsstijgingen maximeert. De Dienst van Algemeen Economisch Belangdraagt bij aan doelmatigheid door een normrendement te stellen eneventuele overcompensatie terug te halen, maar laat ondernemers vrij omhun eigen tarieven vast te stellen. Tariefregulering maximeert tarievendirect en is daarmee gericht op de financiële toegankelijkheid. Tariefregu-lering is echter een ingrijpende maatregel, waarbij de overheid ook sterkintervenieert in de markt. Het kabinet gaat op basis van de inzichten uit deverkenning en het kostprijsonderzoek tariefregulering verder uitwerken.Als een eerste stap gaat het kabinet in ieder geval deelname aan periodiek(steekproefsgewijs) kostprijsonderzoek verplichten via het wetsvoorstelWfk.Ook vragen de leden van de fractie van GL-PvdA of er anderesectoren zijn die in vergelijkbare mate gefinancierd worden metoverheidsgeld, waar geen maximumtarieven gelden.Ook in andere sectoren die grotendeels publiek worden gefinancierd isregelgeving van toepassing om te borgen dat publieke doelen behaaldworden en overheidsmiddelen doelmatig worden besteed. In sommigezorgsectoren is bijvoorbeeld sprake van contractering of budgettering. Hetis van belang dat deze regelgeving past bij de sector waarop deze vantoepassing is, om zo effectief te kunnen bijdragen aan publieke doelen. Inhet wetsvoorstel financiering kinderopvang is daarom een aantalmaatregelen opgenomen die gericht zijn op een doelmatige besteding vanoverheidsmiddelen, zoals transparantie-eisen, de WNT, openbarejaarverantwoording, verplichte deelname aan steekproefsgewijzekostprijsonderzoeken en het vestigen van een dienst van algemeeneconomisch belang.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen waarom in hetnieuwe stelsel aan ouders een eigen bijdrage van 4% wordtgevraagd. Zij willen daarnaast weten wat de uitvoeringskostenvan het innen van deze bijdrage zullen zijn en hoe deze zichverhouden tot de totale hoogte van de eigen bijdrage. In hetnieuwe financieringsstelsel kunnen derden zoals gemeenten,werkgevers of familieleden deze eigen bijdrage voor oudersvergoeden. De leden vragen hoe voorkomen kan worden dathierdoor ongelijkheid ontstaat tussen gemeenten of arbeids-marktsectoren.In de nieuwe financiering blijft er een eigen bijdrage voor ouders bestaan.Hierdoor is er een financiële prikkel voor ouders om bewust kinderopvangaf te nemen die men nodig heeft. Daarbij zou volledig door de overheidvergoede kinderopvang een sterke prikkel voor tariefstijgingen vormen enkunnen leiden tot een opwaartse prijsspiraal. Daarom subsidieert deoverheid in het nieuwe stelsel 96% van het uurtarief tot aan een wettelijkbepaalde maximum uurprijs. Ouders betalen de meerkosten (de 4% en alser sprake van is het deel van het uurtarief dat boven de maximum uurprijsligt) direct aan de houder van het kindercentrum of het gastouderbureau.De uitvoerder heeft hierin geen rol en maakt dus hiervoor dus ook geenuitvoeringskosten.In het nieuwe stelsel is het betalen van deze eigen bijdrage geenvoorwaarde voor het recht op gesubsidieerde kinderopvang. Zoals deleden van de fractie van GL-PvdA aangeven, betekent dit dat ook anderepartijen dan ouders deze eigen bijdrage kunnen betalen. Dit kan helpenom de toegankelijkheid van kinderopvang te borgen. Gemeenten krijgenmet het wetsvoorstel financiering kinderopvang bijvoorbeeld meer ruimteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57317 en budget om de ouderbijdrage te vergoeden voor groepen in eenkwetsbare positie. Het is denkbaar dat verschillende gemeenten dezemogelijkheid op verschillende manieren zullen toepassen. Samen met deVereniging Nederlandse Gemeenten werken wij een aanpak uit omonwenselijke verschillen tussen gemeenten te voorkomen.Naast gemeenten kunnen ook andere partijen de eigen bijdragen betalenof vergoeden. Werkgevers zouden dit bijvoorbeeld kunnen aanbieden alssecundaire arbeidsvoorwaarde. Wij zien geen aanleiding om dezemogelijkheid te beperken.De leden van de fractie van GL-PvdA GL vragen te onderzoekenwat de baten zijn van een betere samenwerking met hetonderwijs, waarbij kinderopvangmedewerkers zowel op schoolals in de kinderopvang aan de slag kunnen.Hier is al eerder en vaker onderzoek naar gedaan. Zo heeft Kinderopvangwerkt!, met subsidie vanuit het Ministerie van SZW, een onderzoekuitgevoerd naar combinatiebanen, onder meer tussen kinderopvang enprimair onderwijs. Eind 2023 heeft Kinderopvang werkt! visuals uitge-werkt van vier persona’s die uiteenlopende behoeften en motivatieshebben voor een combinatiebaan met subsidie van SZW. Deze visuals vanpersona’s ondersteunen het gesprek tussen werkgevers en werknemersover de verschillende mogelijkheden voor combinatiebanen.Combinatiebanen tussen kinderopvang en onderwijs kunnen eenbelangrijke bijdrage leveren aan het tegengaan van de personeelstekortenin beide sectoren. Combinatiebanen kunnen namelijk het werken in dekinderopvang (en dan met name de bso) en het onderwijs aantrekkelijkermaken door het bieden van de mogelijkheid tot een groter contract enmeer diversiteit en doorgroeimogelijkheden. Daarnaast kunnen combina-tiebanen leiden tot een betere overdracht tussen kinderopvang enonderwijs en stimuleert het de uitwisseling van kennis tussen sectoren.De leden van de fracties van D66 en GL-PvdA stellen vragen overde Sociaal Medische Indicatie (SMI) en in het bijzonder over SMIvoor mensen met een beperking of chronische ziekte.We delen de zorgen en kennen de signalen dat deze groep mensen nietaltijd voldoende geholpen is met SMI. Daarom hebben we de afgelopenperiode samen met VNG en gemeenten gewerkt aan een basislijn SMI.Deze basislijn is onderdeel van de handreiking die op 29 januari gelan-ceerd wordt. Het doel van de handreiking SMI is om de niet uitlegbareverschillen te verminderen, en om de uitvoering van SMI voor gemeenteneenvoudiger te maken. Hierdoor weten ouders beter wat zij van hungemeente kunnen verwachten.De basislijn vormt de minimale dienstverlening die ouders met sociaalmedische problematiek van hun gemeente kunnen verwachten. In diebasislijn is een minimale periode opgenomen waarin SMI wordt verstrekt.Ook is opgenomen dat SMI verlengd kan worden wanneer de situatie vanhet gezin hierom vraagt. Ten slotte is een van de punten uit de basislijn deinzet van de hardheidsclausule van een SMI verordening, om gezinnen dielangdurig SMI nodig hebben ook voldoende te ondersteunen. Dit betreftde groep ouders met een chronische ziekte.Gemeenten kunnen dit maatwerk bieden, dankzij de beleidsvrijheid die zijhebben bij de uitvoering van SMI. Om gemeenten in staat te stellen ommeer gezinnen via SMI te ondersteunen, heeft het kabinet per 2025 5miljoen euro extra beschikbaar gesteld en per 2029 nog eens 5 miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57318 euro. Daarmee bedraagt het totale budget voor SMI per 2029 circa 55miljoen per jaar.De leden van de fractie van D66 vragen op welke manier wij zichtwillen op wat het effect is van de handreiking en de modeldocu-menten.Samen met VNG zal de Staatssecretaris Participatie en Integratie begin2026 bekijken op welke wijze hij de inzet van SMI in beeld kan brengen.De leden van de fractie D66 vragen aanvullend hoe de extramiddelen voor SMI zich verhouden tot voor- en vroegschoolseeducatie.Het is aan gemeentes om het best passende aanbod te vinden voorouders met sociaal medische problematiek, ook afhankelijk van wat voorde kinderen het meest passend is. Soms kan dit het gebruik van peuter-opvang of VE zijn, waarvoor de gemeente aparte budgetten heeft.De leden van de fractie van het CDA vragen of de personeelste-korten de betaalbaarheid onder druk zetten, zowel in het huidigeals het nieuwe financieringsstelsel. Zij vragen zich af hoe de drukop de sector verminderd kan worden.Doordat de kinderopvang in het nieuwe stelsel voor de meeste oudersgoedkoper wordt, stijgt naar verwachting de vraag naar kinderopvang.Dat kan positief zijn voor de arbeidsparticipatie maar heeft ook risico’svoor de toegankelijkheid. De kinderopvangmarkt is nu al krap, vooral doorpersoneelstekorten. Belangrijk om te benoemen is dat er geen eenvoudigeoplossingen zijn. De risico’s voor toegankelijkheid en doelmatigheid zijnhet gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid enbetaalbaarheid. Deze keuze is gemaakt om de fundamentele problemen inde huidige kinderopvangtoeslag met complexiteit, onzekerheid enterugvorderingen op te lossen. Van die keuze profiteren alle partijen in hetstelsel: (werkende) ouders, kinderopvangorganisaties en de overheid. Denadelige gevolgen van die keuze zijn te beperken, maar niet geheel weg tenemen.Daarbij is het goed om te benadrukken dat het gaat om risico’s die zichkunnen voordoen, maar waarvan niet zeker is dat ze zich zullen voordoen.De kinderopvangmarkt heeft de afgelopen jaren laten zien veerkrachtig tezijn en in te kunnen spelen op de toenemende vraag.Het kabinet zet in op arbeidsmarktbeleid, geeft gemeenten meer ruimteom de eigen bijdrage te vergoeden en neemt daarnaast de tijd voor deinvoering. De stapsgewijze verhoging van het vergoedingspercentagegeeft ruimte aan de markt om zich aan te passen en handelingsperspectiefvoor aanvullende maatregelen als dat nodig is.Het nieuwe financieringsstelsel met eenvoud en zekerheid kan alleenworden ingevoerd met voldoende waarborgen voor een doelmatigebesteding en waarbij ook staatssteun wordt voorkomen. Ook in hetnieuwe stelsel blijft er ruimte voor investeringen en ondernemerschap.Dat is ook hard nodig voor het aanbod. Het is belangrijk dat de sectordivers blijft. Ondanks de personeelstekorten die breder in de maatschappijspelen heeft de kinderopvangsector laten zien veerkrachtig te zijn. Zo ishet aantal medewerkers sinds 2018 gegroeid met ruim 40.000medewerkers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57319 Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft samen met desector een aanpak met maatregelen om gezamenlijk het personeelstekorten de werkdruk in de kinderopvang tegen te gaan. Mooie voorbeeldendaarvan zijn het recentelijk vernieuwde Ontwikkelpad kinderopvang en deSubsidieregeling groepshulpen. Ook heeft de Staatssecretaris Participatieen Integratie recentelijk aangekondigd de verruimde inzet vanberoepskrachten-in-opleiding definitief te willen maken. De komendejaren zal hij zich samen met de sector blijven inzetten om de tekorten teverminderen.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de Staatssecre-taris het advies van de ATR over het voorgenomen stelsel weegt.De belangrijkste zorgen van de ATR zien op de toenemende vraag en degevolgen voor ouders en de sector. Met de stelselherziening maakt hetkabinet een fundamentele keuze voor eenvoud en zekerheid. Terugvorde-ringen zijn verleden tijd. Door de hoge inkomensonafhankelijkevergoeding wordt kinderopvang voor de meeste ouders betaalbaarder engaat werken meer lonen. Deze positieve effecten worden ook ondersteunddoor de bijgevoegde doenvermogentoets. Daarin is onderzocht of oudersmet het stelselontwerp overweg kunnen. De onderzoekers adviseren danook het huidige stelsel zo snel mogelijk in deze vorm in te voeren.De gevolgen voor de sector, zowel voor de dienst van algemeen econo-misch belang als de regeldruk in het algemeen, worden nog naderuitgewerkt. Die uitwerking vindt de komende tijd plaats in lagereregelgeving en in samenwerking met de sector. Daarbij sluiten we voorhet grootste deel aan bij informatie die nu al bij kinderopvangorganisatiesbeschikbaar is. Ook de lagere regelgeving wordt aan de ATR voorgelegdom op regeldruk te toetsen. Het kabinet heeft er vertrouwen in om tot eenvormgeving te komen die recht doet aan de noodzakelijke waarborgenvoor een doelmatige besteding van gemeenschapsgeld en het voorkomenvan onnodige regeldruk bij ondernemers.Voor de toenemende vraag geldt dat op dit moment niet is vast te stellenof en in welke mate het aanbod zal achterblijven bij de vraag. Wel isduidelijk dat de kinderopvangsector flexibel is en in het verleden heeftlaten zien om in te kunnen spelen op de toenemende vraag. Het kabinetneemt daarnaast verschillende maatregelen om het risico mitigeren, zoalshet arbeidsmarktbeleid en de stapsgewijze verhoging van het vergoe-dingspercentage. Dit zogeheten ingroeipad zorgt ervoor dat de markt tijdheeft om zich aan te passen en we effecten kunnen monitoren. Hetingroeipad biedt ook handelingsperspectief om aanvullende maatregelente nemen als dat nodig is.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom niet meerwordt geïnvesteerd in de gastouderopvang, aangezien de kostenvan gastouders gemiddeld hoger liggen dan de maximumuurprijs.Net als de leden van de fractie van het CDA zien wij het belang vangastouderopvang in het stelsel van kinderopvang, onder andere voor eenflexibel aanbod. We zijn dan ook blij dat we gastouders, door toepassingvan de DAEB de-minimisverordening, uit kunnen zonderen van deaanvullende administratieve verplichtingen die samenhangen met deDAEB.De maximum uurprijs is een tegemoetkoming voor ouders in de kostenvan kinderopvang. Op dit moment is het verschil tussen de maximumuurprijs en het gemiddelde tarief in de gastouderopvang kleiner dan in dedagopvang of bso.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57320 Uit het kostprijsonderzoek van SEO Economisch Onderzoek komt naarvoren dat de kostprijs voor gastouderopvang hoger ligt dan de gemid-delde tarieven die gastouders vragen. Deze bevinding sluit aan bij recentonderzoek dat laat zien dat gastouders moeite hebben om een passenduurtarief in rekening te brengen. Het kostprijsonderzoek van SEO geefthier cijfermatige onderbouwing bij, waarbij duidelijk wordt dat deuiteindelijke hoogte van de kostprijs afhankelijk is van de gekozenwaardering voor de tijdsinzet van gastouders. Dit geeft aanleiding om inde toekomst opnieuw naar deze waarderingen te kijken. Het kabinet heeftgeen budgettaire ruimte om de maximum uurprijs voor gastouderopvangextra te verhogen.Daarnaast vragen deze leden of goedkope kinderopvang voorouders meerwaarde biedt, als deze niet beschikbaar is en waarkwaliteit en aandacht voor kinderen onder te leiden heeft.Het aantal beschikbare plekken en de kwaliteit van de kinderopvang,waaronder gastouderopvang, is een belangrijk aandachtspunt voor ons.Zowel in het huidige stelsel als het nieuwe financieringsstelsel. Zo voerenwe beleid om personeelstekorten te verminderen en zorgen we er met hetingroeipad voor dat vraag en aanbod geleidelijk kunnen toenemen.Aanvullend heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie in april tienmaatregelen aangekondigd om de daling van het aantal gastouders tegente gaan en de instroom van nieuwe gastouders te bevorderen, om zo deuitstroom in balans te brengen met een hogere instroom. De dalingstoppen is helaas niet realistisch, aangezien deze al jaren gaande is en eenaanzienlijk deel van de gastouders binnen enkele jaren tot de pensioenge-rechtigde leeftijd behoort (23% van de gastouders is ouder dan 60 jaar).6Naast de trend van een daling van het aantal gastouders, lijkt er eenprofessionalisering gaande onder gastouders. Gastouders zijn de laatstejaren meer uren gaan werken en vangen gemiddeld meer kinderen op,waardoor de daling van het aanbod van de gastouderopvang kleiner isdan de terugloop van het aantal gastouders.De leden van de fractie van het CDA vragen welke organisatie derol van marktmeester toebedeeld zal krijgen en op welke wijzedit toezicht wordt vormgegeven.Op de marktregulering uit het wetsvoorstel financiering kinderopvangmoet toezicht worden gehouden. Dit betreft toezicht op de transparantie-eisen, de openbare jaarverantwoording, de verplichting tot deelname aankostprijsonderzoek en de verplichtingen volgend uit de Wnt en de Dienstvan Algemeen Economisch Belang. De markt voor kinderopvang is op ditmoment nog relatief ongereguleerd. Daardoor is er nog geen organisatiebelast met het markttoezicht in de kinderopvang. Het toebedelen van dezerol vraagt om een zorgvuldig proces. Dat proces voeren we op ditmoment uit. Daarbij kijken we naar welke kennis, expertise en ervaringnodig zijn voor het markttoezicht op de kinderopvang en waar erbereidheid en ruimte is om taken op te pakken. Dit doen we in nauwesamenwerking met experts uit de praktijk en met experts die ervaringhebben met het uitvoeren van toezicht op andere sectoren. Met dezeaanpak werken we toe naar markttoezicht dat past bij het ondernemendekarakter van de kinderopvangsector en tegelijkertijd borgt dat publiek gelddoelmatig wordt besteed.Vragen over de arbeidseisDe leden van de fractie van GL-PvdA vragen hoe het voorliggendewetsvoorstel zich verhoudt tot het eerdere advies van de Raadvan State.6Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 554.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57321 De Afdeling advisering van de Raad van State constateerde in 2017 in hetadvies op het toen voorliggende wetsvoorstel nieuw financieringsstelselkinderopvang dat «werkelijke reductie van complexiteit alleen [kan]worden bereikt als ingeleverd wordt op de uitgangspunten van inkomens-afhankelijkheid en arbeidsparticipatie». Alleen directe financiering is dusniet voldoende.Met het wetsvoorstel financiering kinderopvang gaan we verder dan hetwetsvoorstel dat in 2017 voorlag. Bovenal willen wij namelijk eeneenvoudig en zeker stelsel voor werkende ouders ontwerpen. Daarom iservoor gekozen om de nieuwe vergoeding inkomensonafhankelijk temaken. Hiermee geven we opvolging aan het advies van de Raad vanState. Daarbij willen we ouders zo veel als mogelijk ontzorgen. De eersteresultaten op het gebied van doenlijkheid ondersteunen dit.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen of kinderopvang nietmeer is dan een arbeidsmarktinstrument.Kinderopvang kent twee nevengeschikte beleidsdoelen: ervoor zorgen datouders werk en de zorg voor hun kinderen kunnen combineren (arbeids-participatie) en het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.Vervolgens vragen de leden van de fractie van GL-PvdA ofaanpassingen mogelijk zijn op de arbeidseis, bijvoorbeeld om alleouders een aantal dagen toegang te geven.Het nieuwe stelsel is modulair ontworpen. Dit maakt het mogelijk om optermijn aanpassingen door te voeren, zo ook op de arbeidseis. Het kabinetkiest er nu eerst voor om een eenvoudig en zeker stelsel te introducerenvoor werkende ouders. Dit is nodig om risico’s voor ouders uit het stelselte halen.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen ook of investeren in(bijna) gratis kinderopvang voor iedereen zorgt voor maatschap-pelijke baten.De kinderopvang in Nederland is van hoge kwaliteit. Dit komt mede doorde professionaliteit en dagelijkse inzet van de mensen die in de sectorwerken. We weten uit onderzoek dat kinderopvang kan bijdragen aan decognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Meerspecifiek onderzoek laat zien dat dit effect vooral zichtbaar is bij kinderenin kwetsbare situaties.7Een consequentie van de arbeidseis is dat niet alle huishoudens zondermeer toegang hebben tot kinderopvangtoeslag (of vergoeding kinder-opvang vanaf 2029). We zien dat voornamelijk huishoudens in kwetsbaresituaties niet altijd aan de arbeidseis voldoen.Het loslaten van de arbeidseis zou kunnen bijdragen aan de toegang voordeze huishoudens. Er zijn ook risico’s verbonden aan het loslaten van dearbeidseis. De vraag neemt nog verder toe en dit kan de toegankelijkheiden betaalbaarheid voor ouders op korte termijn verder onder druk zetten.Ook nemen de kosten voor de overheid toe.7Herziening financieringsstelsel kinderopvang: Maatschappelijke effecten van het voorgenomenkabinetsplan | CPB WebsiteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57322 Ook stellen de leden van de fractie van GL-PvdA ook over hetbrede scala aan kinderopvangregelingen, de spreiding vankinderen over de verschillende regelingen en de effecten hiervanop segregatie.Met kinderopvang en gemeentelijke regelingen zoals peuteropvang envoorschoolse educatie gaat op dit moment ca. 90% van de peuters inNederland naar de opvang en/of voorschool. In de huidige situatiebestaan ondanks de verschillende regelingen juist ook gemengde groepen(kinderen met een VE-indicatie, kinderen waarvan de ouders werken etc.),wat een positief effect heeft op het tegen gaan van segregatie. Voor allekinderen in de opvang, en specifiek voor VE, is betrokkenheid van oudersin de thuissituatie belangrijk. Kinderen kunnen op de opvang, net als bijschool en sport, met kinderen in contact komen waar zij anders niet snelmee in contact komen. En daarmee kan de kinderopvang dus segregatieverminderen en de sociale-cohesie versterken.In Nederland is een groot aantal kinderopvanglocaties. Onderzoek van hetCBS laat zien dat de gemiddelde afstand tot een kinderopvanglocatie ca.700 á 800 meter is. In 2020 konden Nederlandse ouders gemiddeld binneneen straal van 3 kilometer kiezen uit 22 locaties. Uiteraard verschilt ditregionaal. Kinderopvang is dus doorgaans in de nabijheid van thuisbeschikbaar. Ouders kiezen daarom ook bij voorkeur voor een locatiedichtbij huis, voor zover mogelijk.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen hoeveel verschil-lende regelingen in stand blijven omdat de arbeidseis blijftbestaan.Naast de kinderopvangtoeslag van het Rijk, zijn via gemeenten peuter-opvang, SMI (sociaal-medische indicatie) en VE (voorschoolse educatie)beschikbaar. Deze gemeentelijke regelingen worden veelal ingezet bijouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Deze regelingenblijven in het nieuwe stelsel bestaan. Daarnaast krijgen gemeenten meermogelijkheden om de eigen bijdrage van ouders te vergoeden (artikel1.13). Dit laatste is een lang gekoesterde wens van gemeenten.Ook vragen de leden van de fractie van GL-PvdA naar stress diebij ouders ontstaat rondom het verliezen van het recht op KOT enwat het effect hierop is van het loslaten van de arbeidseis.Om ouders meer zekerheid te geven rondom de arbeidseis, passen we inhet nieuwe stelsel het controleproces van de arbeidseis aan. Verderop inonze beantwoording komen wij hierop terug. De leden van D66 en Forumvoor Democratie hebben vergelijkbare vragen gesteld.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen om in kaart tebrengen voor welk type werkenden het lastiger is om aan tetonen dat zij aan de arbeidseis voldoen, hoe we angst rondom debewijslast voorkomen, en voorkomen dat net werkende oudersgeen toegang krijgen tot gesubsidieerde kinderopvang.In het nieuwe stelsel worden er grote bedragen aan subsidie uitgekeerd.Het kabinet vindt het belangrijk dat dit belastinggeld rechtmatig wordtuitgekeerd. Daarom controleert de uitvoerder (periodiek) op de oudervoor-waarden. Bij de inrichting van dit proces was het uitgangspunt dat hetvoor ouders eenvoudig en zeker moet zijn. Hieruit is een procesontwikkeld dat uit twee stappen bestaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57323 Allereerst stelt de uitvoerder zoveel mogelijk via een automatisch procesvast of ouders aan de arbeidseis voldoen. In het automatische procesworden bronnen van andere overheidsorganisaties geraadpleegd. Zowordt voor de controle op ouders in loondienst de polis administratie vanhet UWV gebruikt en voor studenten de registers van DUO. Het kabinetverwacht dat voor bijna alle ouders (ca. 99%) via dit proces is vast testellen dat zij aan de arbeidseis voldoen. Daarbij krijgen ouders binnenenkele seconden de uitkomst van deze controle. Ouders voor wie niet viade automatische controle vast te stellen is dat ze aan de arbeidseisvoldoen, moeten handmatig een bewijsstuk aanleveren. Ook dit procesmoet eenvoudig en zeker zijn. Daarom is het voornemen om de bewijslastlaag te houden.Het kan gebeuren dat wanneer ouders binnenkort starten met werken ofnet gestart zijn met werken en niet aan één van de andere voorwaardenvoldoen, niet door de automatisch controle komen. Deze ouders kunnendan bijvoorbeeld een arbeidscontract (wat binnenkort ingaat) gebruikenals bewijsstuk.Het bewijsstuk wordt vervolgens door een behandelaar van de uitvoerderbeoordeeld. De uitvoerder beoordeelt in maximaal 5 werkdagen hetbewijs, dus ouders hebben ook in dat geval snel zekerheid. Mocht debeoordeling langer dan 5 werkdagen duren, dan is het voornemen dat deouder automatisch een voorlopig recht op gesubsidieerde kinderopvangkrijgt.Bovenstaand proces is onderzocht in de doenvermogentoets. Hieruit bleekdat de meeste deelnemers het stelsel als begrijpelijk, overzichtelijk enuitvoerbaar ervaren. We verwachten daarom dat het voor de meestewerkenden gemakkelijk wordt om aan te tonen dat zij aan de arbeidseisvoldoen. Ook op het moment dat ze handmatig bewijs moeten aanle-veren. Wel volgt uit de toets dat er voor ouders met beperkte digitale- ofbeperkte leesvaardigheden uitdagingen zijn. In de verdere realisatie vanhet stelsel zullen we daarom extra aandacht besteden aan deze groepen.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen zich ook af hoe hetstelsel werkt voor werkenden die hun baan kwijtraken, ofmensen met flexibele contracten of opdrachten die tussentijdszonder werk zitten.Bij de inrichting van de periodieke controle op de arbeidseis is hetvoornemen om de controle elke drie maanden te herhalen en op hetcontrole moment zes maanden terug te kijken in de bronnen. Hiermeehebben we een balans gevonden tussen doelmatigheid, doenlijkheid voorouders en lasten voor de uitvoerder. We denken dat deze combinatie goedpast bij een stelsel wat gericht is op werkende ouders. Daarbij biedt degekozen doorlooptijd van de controle ruimte aan ouders in overgangssitu-aties, zoals van studie naar werk, ouders met flexibele arbeidscontractenof ouders in situaties van tijdelijke werkloosheid.De leden van de fractie van GL-PvdA vragen waarom nietgekozen is om de harmonisatie van de stelsels van vve enkinderopvang te volmaken.Het is van belang dat er voor kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar meteen risico op een onderwijsachterstand een aanbod van voorschoolseeducatie bestaat waarmee hun ontwikkeling wordt gestimuleerd. HierdoorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57324 hebben deze kinderen een bewezen betere start op de basisschool.8Gemeenten hebben de wettelijke taak om een aanbod van 16 uur aanvoorschoolse educatie te realiseren. Ook wanneer de arbeidseis zouworden afgeschaft, wil je het VE-aanbod kunnen borgen, ongeacht definancieringsroute.Onderdeel van de herziening is daarnaast ook dat gemeenten de vrijheidkrijgen om zelf te bepalen voor welke ouders zij de ouderbijdrage willenvergoeden (verruimen art. 1.13 Wko), waardoor het lokaal beter mogelijkwordt om passend binnen het lokale beleid kinderen een aanbod te doen.De leden van de fractie van Forum voor Democratie vragen naarde werking van de arbeidseis, ook voor ouders met een beperkingof chronische ziekte.Kinderopvangtoeslag is een instrument dat ervoor zorgt dat ouders dezorg voor hun kinderen kunnen combineren met hun werk, met studie ofmet een traject gericht op arbeidsinschakeling. Ook bestaat er bijvoor-beeld recht op kinderopvangtoeslag voor een ouder met een Wlz indicatieen een werkende partner. Dit betekent dat wanneer beide ouders nietvoldoen aan deze voorwaarden zij geen recht op kinderopvangtoeslaghebben. Eerder dit jaar heeft de Staatssecretaris van Participatie &Integratie een brief gestuurd over de arbeidseis.9 Hierin licht hij toewanneer ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag.In het nieuwe financieringsstelsel blijft het faciliteren van de combinatievan arbeid en zorg het doel. Gemeenten bieden regelingen aan waarbijkinderen van ouders die niet aan de voorwaarden voor kinderopvang-toeslag voldoen toch naar de kinderopvang kunnen. Voor peuters bestaaner speciale gemeentelijke regelingen met budget vanuit de rijksoverheid(peutermiddelen voor peuters zonder risico op een taalachterstand,voorschoolse educatie voor peuters met risico op een taalachterstand).Daarnaast is er de Sociaal Medische Indicatie (SMI), wanneer er sprake isvan sociaal medische problematiek in het gezin. Ouders met eenbeperking of chronische ziekte kunnen voor deze regelingen bij hungemeente terecht. Ook dit blijft in het nieuwe financieringsstelsel bestaan.Ook vragen de leden van de fractie van Forum voor Democratiewaarom de kinderopvangtoeslag alleen ouderparen waarvanbeide ouders werken in aanmerking komen.Naast het faciliteren van de combinatie van arbeid en zorg heeft dekinderopvang als doel de ontwikkeling van kinderen te stimuleren.Gezinnen waarin een van de ouders niet aan de arbeidseis voldoet,hebben de mogelijkheid om hun kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 viapeuteropvang naar de kinderopvang te laten gaan. Wanneer er een risicobestaat op een ontwikkelachterstand bij het kind, bijvoorbeeld wanneer erthuis geen Nederlands wordt gesproken, dan kunnen gemeenten eenindicatie voor voorschoolse educatie afgeven. Daarmee kunnen dezekinderen gebruik maken van kinderopvang met een VE-programma,waarbij er extra aandacht is voor hun ontwikkeling.Vragen over de arbeidsmarkt kinderopvangDoor de leden van de fracties van CDA, VVD en GL-PvdA zijn vragengesteld over het personeelstekort in de kinderopvang. Het is belangrijk dater voldoende personeel beschikbaar is in de kinderopvang. Dit is8Pre-COOL: Het pre-COOL cohort tot en met groep 8 | Rapport | Rijksoverheid.nl9Kamerstukken II, 2024/25, 31 322, nr. 559.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57325 essentieel voor de kwaliteit, de werkomstandigheden en de toeganke-lijkheid van de kinderopvang.Personeelstekorten spelen niet alleen in de kinderopvang, maar breder inde maatschappij. Ondanks die brede tekorten heeft de kinderopvangsectoreerder laten zien veerkrachtig te zijn. Zo is het aantal medewerkers sinds2018 met ruim 40.000 gegroeid.De leden van de fractie van het CDA vragen of de effectiviteitmet de huidige arbeidsmarktaanpak met onderzoek te onder-bouwen is. De leden van de fractie van GL-PvdA vragen of depijlers van de huidige aanpak uitgewerkt zijn in concreet beleid,of er zicht is op de effectiviteit van elke pijler, en of er aankno-pingspunten zijn om de pijlers verder uit te bouwen.Het Ministerie van SZW heeft samen met de kinderopvangsector eenaanpak met maatregelen om gezamenlijk het personeelstekort en dewerkdruk in de kinderopvang tegen te gaan. Deze aanpak bestaat uit driepijlers: «nieuwe medewerkers aantrekken», «huidige medewerkersbehouden» en «medewerkers stimuleren meer uren te werken». Mooievoorbeelden daarvan zijn het recentelijk vernieuwde Ontwikkelpadkinderopvang en de Subsidieregeling groepshulpen. Ook heeft deStaatssecretaris Participatie en Integratie recent aangekondigd dat hijvoornemens is om de verruimde inzet van beroepskrachten-in-opleidingdefinitief in te voeren.10 De komende jaren zal de StaatssecretarisParticipatie en Integratie zich samen met de sector blijven inzetten om detekorten te verminderen. De maatregelen die de afgelopen jaren zijngenomen, worden momenteel geëvalueerd op doelmatigheid endoeltreffendheid. De resultaten van dit evaluatieonderzoek zullen in Q12026 met De Kamer gedeeld worden. De resultaten zullen wordenmeegenomen in het optimaliseren en waar mogelijk uitbreiden van hetarbeidsmarktbeleid.Ook vragen de leden van de fractie van het CDA om in te gaan opde brief van CNV over de werkomstandigheden in de kinder-opvang.Het Ministerie van SZW werkt samen met de sector om de werkomstan-digheden in de kinderopvang zo goed en aantrekkelijk mogelijk te maken.Zo heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie recentelijk een briefverstuurd naar de Kamer met maatregelen om regeldruk tegen te gaan,met behoud van kwaliteit van de kinderopvang. Ook zet de Staatssecre-taris Participatie en Integratie zich in op het verlagen van de werkdrukdoor de inzet van groepshulpen. De bovenformatieve inzet van eengroepshulp zorgt voor een lagere werkdruk op de groep en voor meer tijddie een pedagogisch professional kan besteden aan de kinderen. Dit isrecentelijk aangetoond in een onderzoek van Het Centrum InclusieveArbeidsorganisatie. Om de inzet van groepshulpen te stimuleren, heefthet Ministerie van SZW de Subsidieregeling groepshulpen ontwikkeld.Deze subsidieregeling biedt kinderopvangorganisaties een tegemoet-koming in de loonkosten van een groepshulp. Om meer waardering voorprofessionals en een positief imago van werken in de kinderopvang teondersteunen, heeft de Staatssecretaris Participatie en Integratie ten slottesubsidie geboden aan de sector voor hun arbeidsmarktcampagne en vooracties rondom het versterken van professioneel zeggenschap. Dekomende jaren zal het kabinet zich samen met de sector blijven inzettenom de aantrekkelijkheid van het vak van pedagogisch professioneel teverbeteren.10Kamerstukken II, 2025/26, 31 322, nr. 572Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57326 De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de Staatssecre-taris Participatie en Integratie het voor zich ziet om «leren-derwijs» het arbeidsmarktbeleid te verbeteren om de personeels-tekorten in de kinderopvang tegen te gaan.Wij hebben er bewust voor gekozen om de evaluatie van het arbeids-marktbeleid in twee fases op te delen. In de eerste fase kijken we terug opde doelmatigheid en doeltreffendheid van het arbeidsmarktkraptebeleidtot nu toe. Dat geeft concrete aanknopingspunten om het beleid waarnodig bij te sturen. In de tweede fase zetten we de evaluatie voort in devorm van een lerende evaluatie. Daarbij streven we een participatiefonderzoekstraject na waarbij beleid, uitvoering, de sector en belangen-organisaties gezamenlijk lerenderwijs evidence-based beleid ontwikkelen.Lerenderwijs betekent hier concreet dat we op basis van inzichten uitonderzoek, beleid, praktijk en uitvoering een afweging maken van demeest kansrijke beleidsopties, waarna we die beleidsopties in de praktijkimplementeren en direct monitoren hoe dit in de praktijk uitpakken. Dezewerkwijze zorgt voor het verkorten van de doorlooptijd tussen het opdoenvan kennis en het toepassen ervan. Juist met oog op het nieuwe stelsel ishet verkorten van de doorlooptijd en een goede samenwerking met depraktijk van groot belang.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom inzet vanMBO 2 geschoolde medewerkers tot minder kwaliteit zou leiden,terwijl de eis voor gastouders ook MBO2 is, met een aanvullendepedagogische module.Bij het beoordelen van de wenselijkheid van de maatregel heeft hetkabinet gekeken naar verschillende factoren. Bij deze vraag is onderandere gekeken naar de gevolgen voor de kwaliteit, uitvoerbaarheid enhaalbaarheid waaronder de gevolgen voor de werkdruk. De verschillen inontstaansgeschiedenis en uitgangspositie maken de afweging voor degastouderopvang anders dan voor dagopvang en bso.Voor de gastouderopvang investeert het kabinet in het waarborgen van dekwaliteit met de Wijziging van de Wet kinderopvang in verband metverbetermaatregelen van de gastouderopvang. Deze wetswijziging is op1 oktober 2024 aangenomen door de Kamer en op 10 juni 2025 door deEerste Kamer. De wet bevat diverse maatregelen die bijdragen aan hetverhogen van de kwaliteit van de gastouderopvang, bijvoorbeeld deintroductie van coaching door het gastouderbureau en van een pedago-gisch werkplan voor de gastouder. Bij het wetsvoorste l is niet gekozenom het opleidingsniveau generiek te verhogen naar mbo niveau-3. In degastouderopvang bestond aanvankelijk geen minimaal opleidingsniveauen is dat sinds 2010 vastgelegd op mbo niveau-2. Het vereiste opleidings-niveau verder verhogen heeft naar verwachting forse impact op het aantalgastouders en daarmee op het aanbod van kinderopvang. Het risico is dateen deel van de gastouders met mbo niveau-2 niet wil scholen naar mboniveau-3 en daarmee uit de sector verdwijnt. Hiertoe ziet het kabinetonvoldoende aanleiding, ook omdat in de praktijk en uit onderzoek(Landelijke Kwaliteitsmonitor Kinderopvang 2023) blijkt dat er in de groepmet best presterende gastouders ook gastouders zijn met een opleidingop mbo niveau-2.Voor de dagopvang en de bso heeft het kabinet in het kader van hetpersoneelstekort de mogelijkheid verkend om een lager geschooldemedewerker in te mogen zetten (bijvoorbeeld een groepshulp, opgeleidop mbo-niveau 2) in de plaats van een pedagogisch professional(mbo-niveau 3 of 4). De uitkomst van de verkenning is dit er naarverwachting toe zou leiden dat de kwaliteit in de kinderopvang zou dalenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57327 ten opzichte van de huidige situatie. Ook verwachten pedagogischprofessionals en de meeste andere gesprekspartners dat de onderzochteaanpassingen zouden leiden tot een hogere werkdruk en minderwerkplezier voor de pedagogisch professionals. Dit doet afbreuk aan deaantrekkelijkheid van het vak en leidt mogelijk tot meer uitstroom enminder instroom van pedagogisch professionals. Deze optie kan daarmeejuist een averechts effect hebben op het personeelstekort. Deze gevolgenacht het kabinet onwenselijk.De leden van de fracties van GL-PvdA en CDA vragen naar deeffecten van langer ouderschapsverlof op de personeelstekortenin de kinderopvangsector. Voorts vragen de leden van de fractievan de fractie van GL-PvdA of dit onderdeel is van het onderzoekvan Ipsos I&O en SEO Economisch Onderzoek naar personeels-krapte.Als ouders het langere verlof willen gebruiken, kan het zo zijn dat zij laterstarten met kinderopvang. Hierdoor neemt de vraag naar babyopvang(voor kinderen tot 1 jaar oud) af. Babyopvang vergt een hoge personeel-sinzet door geldende kwaliteitseisen, zoals de beroepskracht-kind-ratio(BKR). De BKR is het strengst voor babyopvang, namelijk drie baby’s opéén pedagogisch professional.Een afnemende vraag naar babyopvang zou het mogelijk maken om eendeel van de medewerkers in de babyopvang elders in de kinderopvang inte zetten, waarmee plekken kunnen worden vrijgespeeld voor ouderekinderen in de kinderdagopvang en totale opvangcapaciteit toeneemt. Metoog op de huidige wachtlijsten in de kinderopvang is het te verwachtendat deze extra capaciteit direct wordt opgevuld; ouders zullen gebruikwillen maken van de extra ontstane kindplaatsen. De wachtlijsten (endaarmee het personeelstekort) kunnen hierdoor afnemen. De hoogte vande afname is afhankelijk van de combinatie van bovengenoemde effectenen daarmee onzeker.Naast het effect op de krapte in de kinderopvangsector heeft hetverruimen van het ouderschapsverlof en eventueel beperken vanbabyopvang bredere effecten. Naar verwachting heeft dit ook effect oparbeidsmarktparticipatie op korte en lange termijn (het netto-effect isonduidelijk), de emancipatie en de ontwikkeling van het kind. Ook heefthet grote financiële gevolgen (budgettair beslag van tussen de ongeveer€ 1,5 en 2,5 miljard bij een gezamenlijk verlof van zes maanden tot eenjaar; bij 100% doorbetaling).Komend jaar laten wij de bredere effecten van een dergelijke maatregelonderzoeken. Oplevering van dit onderzoek wordt verwacht in het najaarvan 2026. Dit staat los van het door GL-PvdA genoemde onderzoek naarhet arbeidsmarktbeleid van de afgelopen jaren door Ipsos I&O en SEOEconomisch Onderzoek.De leden van de fractie van de VVD vragen hoeveel medewerkersde kinderopvang in de afgelopen jaren heeft geworven.Hieronder vindt u een tabel van de instroomcijfers van de afgelopen zesjaren. De tabel laat de instroom zien van personen in de kinderopvang inNederland in het tweede kwartaal van ieder jaar. Voor het bepalen vaninstroom wordt het aantal in een kwartaal vergeleken met dat in hetzelfdekwartaal één jaar eerder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57328 Perioden2020 2ekwartaal2021 2ekwartaal2022 2ekwartaal2023 2ekwartaal2024 2ekwartaal2025 2ekwartaalInstroom in de kinderopvang14.03017.48018.60020.15017.72019.680Bron: AZW Statline Vragen over de Dienst van Algemeen Economisch BelangAlgemene toelichtingIn het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang verhoogt deoverheid haar bijdrage aan kinderopvang aanzienlijk, met een structureleintensivering van circa € 3,4 miljard per jaar. De totale overheidsbijdragestijgt daarmee naar ongeveer € 9 miljard per jaar, ruim anderhalf keerzoveel als nu. Het kabinet wil deze middelen inzetten voor betaalbarekinderopvang voor werkende ouders. Het invoeren van een DAEB draagteraan bij dat overheidsmiddelen voor kinderopvang daadwerkelijk aan ditdoel ten goede komen. Het vergroot de prikkel om opbrengsten te(her)investeren in kwaliteit en aanbod in de sector.De financiering in het nieuwe stelsel gaat gepaard met een staatssteun-risico. Staatssteun is het direct dan wel indirect verstrekken van financiëlevoordelen aan bepaalde ondernemingen door overheden. Het kabinetheeft geoordeeld dat er een aanzienlijke kans is dat wordt voldaan aan devijf staatssteuncriteria uit artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betref-fende de werking van de Europese Unie11. En dat er dus een risico opstaatssteun bestaat. Dat risico kan en wil het kabinet niet lopen. Hetkabinet ziet het als haar verantwoordelijkheid om een stelselontwerp temaken zonder het risico dat de Europese Commissie of een rechter in detoekomst concludeert dat sprake was van ongeoorloofde staatssteun. Indat geval zou namelijk alle door de overheid verleende steun moetenworden teruggevorderd bij de kinderopvangorganisaties. Dat zou grotenegatieve gevolgen hebben voor de kinderopvangsector, werkendeouders en de overheid.Door de dienst kinderopvang aan te merken als en uit te voeren volgensde regels voor een Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB),ontstaat een rechtszeker financieringsstelsel. Met een DAEB wordtgewaarborgd dat de verleende staatssteun geoorloofd is en daarmeeverenigbaar met de Europese staatssteunregels. De DAEB gaat gepaardmet een aantal voorwaarden, er mag bijvoorbeeld geen sprake zijn vanovercompensatie door de lidstaat. Kinderopvangorganisaties mogen weleen redelijke winst blijven maken, ook als zij subsidie ontvangen. Er magalleen geen overcompensatie plaatsvinden. Er is sprake van overcompen-satie als de subsidie vanuit de overheid hoger is dan de kosten metinbegrip van een redelijke winst, verminderd met de inkomsten van deDAEB. Het figuur hieronder geeft dit op eenvoudige wijze grafisch weer.Overcompensatie is onrechtmatig verleende staatssteun en moet daaromworden teruggevorderd.111) de steun wordt verleend aan een onderneming die een economische activiteit verricht, 2) desteun wordt door staatsmiddelen bekostigd, 3) deze staatsmiddelen verschaffen een econo-misch voordeel dat niet via normale commerciële weg zou zijn verkregen(non-marktconformiteit), 4) de maatregel is selectief: het geldt voor één of enkele onderne-mingen, een specifieke sector/regio, en 5) de maatregel vervalst de mededinging (in potentie)en (dreigt te) leiden tot een ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer in de EU.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57329 Het Europese DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnenblijven en ondernemen mogelijk blijft. Het vergroot de prikkel omopbrengsten te (her)investeren in kwaliteit en aanbod in de sector. Dekosten die hiermee gemaakt worden, hangen immers direct samen methet uitvoeren van de dienst kinderopvang. Uitgangspunt bij devormgeving van de DAEB is dat de gebruikelijke activiteiten en dienstendie worden aangeboden in het kader van het verzorgen, opvoeden en deontwikkeling van kinderen kunnen blijven plaatsvinden. Het wordt daarbijvan groot belang geacht om de diversiteit die kenmerkend is voor dekinderopvangsector te behouden.Het besluit om een DAEB te vestigen in de kinderopvangsector, en meerspecifiek de gevolgen daarvoor voor de sector, heeft tot veel vragengeleid in dit schriftelijk overleg. Vanwege de inhoudelijke overlap ensamenhang van de verschillende vragen, hebben we de beantwoordingingedeeld aan de hand van enkele sub-onderwerpen: algemeen,regeldruk, redelijke winst, investeringsklimaat en betrokkenheid sector.1. Algemeen De leden van de fractie van Forum voor Democratie geven aandat het aanwijzen van een DAEB veel extra regelgeving met zichmeebrengt en de ondernemingsvrijheid in de sector wordtbeperkt. Zij verwijzen daarbij naar een brief uit de kinderopvang-sector waarin gesproken wordt over «een complete ontregelingvan een stelsel dat internationaal juist als voorbeeld geldt» enwaarin gesproken wordt over een «feitelijke nationalisatie» vande kinderopvang, waardoor innovatie wordt belemmerd eninvesteringen in de sector zullen gaan afnemen. De leden vragenhoe de Staatssecretaris Participatie en Integratie hier naar kijkt.In het nieuwe stelsel is sprake van een risico op staatssteun. Het doel isnaast een eenvoudig, zeker en betaalbaar stelsel, ook om de kinderopvangeen stabiele en toekomstbestendige financiering te bieden. Deze doelenzijn niet haalbaar wanneer er een staatssteunrisico boven de markt hangt.Van nationalisatie van de kinderopvangsector is absoluut geen sprake. Enik betreur dat dit soort uitingen worden gedaan door een deel van desector. Het aanmerken van de dienst kinderopvang als DAEB en hetuitvoeren volgens het DAEB-kader, neemt het risico op ongeoorloofdestaatssteun weg. De DAEB is een juridisch-economisch instrument ompublieke belangen te waarborgen in markten waar commerciële partijenóók actief kunnen zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57330 Dat ondernemers kunnen blijven ondernemen is een belangrijkuitgangspunt in de verdere uitwerking van de DAEB, en daar biedt hetDAEB-kader ook alle ruimte toe. We willen graag de expertise uit de sectorgebruiken om de DAEB zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de sector,en de regeldruk zo veel als mogelijk te beperken.De leden van de fractie van de VVD vragen de regering teverduidelijken dat de DAEB, anders dan soms wordt gesugge-reerd, niet moet worden gezien als een noodmaatregel maar alseen regulier instrument voor publieke diensten zoals kinder-opvang, zorg en sociale huisvesting, en of de StaatssecretarisParticipatie en Integratie deze duiding kan bevestigen.Het vestigen van een DAEB is inderdaad een regulier staatssteunin-strument dat een overheid in staat stelt om via marktpartijen te investerenin maatschappelijk belangrijke diensten. Het vestigen van een DAEBwaarborgt dat verleende staatssteun verenigbaar is met de Europeseregels voor de interne markt. Kinderopvang wordt in hetDAEB-vrijstellingsbesluit expliciet genoemd als voorbeeld van dienstenvan algemeen economisch belang waarmee wordt voldaan aan socialebehoefte.De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de DAEB alsultiem middel wordt aangegrepen om staatssteun te vermijden.Zij vragen waarom geen andere middelen worden ingezet enverwijzen daarbij naar de jeugdzorg, waar ook geen DAEB isgevestigd. Zij vragen wat hierin het verschil met het nieuwefinancieringsstelsel voor kinderopvang is. De leden van de fractievan de PVV vragen in aanvulling hierop waarom er niet voor isgekozen om andere alternatieven dan de DAEB verder uit tewerken.Het vestigen van een DAEB, en uitvoeren volgens de daarvoor gestelderegels, is een manier om kinderopvang in Nederland betaalbaarder enzekerder te maken voor ouders, zonder een onaanvaardbaar risico opstaatssteun op de sector te laten rusten. Het DAEB-kader biedt ruimte omenerzijds ondernemerschap in kinderopvangsector te behouden, en eranderzijds voor te zorgen dat publieke middelen bij werkende oudersterecht komen.Het DAEB-vrijstellingsbesluit stelt regels voor het vestigen van een DAEB.Door het vrijstelllingsbesluit te volgen bij het vestigen van de DAEB hoeftgeen notificatietraject worden doorlopen. Als alternatief voor het gebruikvan het DAEB-vrijstellingsbesluit voor het vestigen van een DAEB kan deherziening aangemeld worden bij de Europese Commissie. De EuropeseCommissie kan dan goedkeuring verlenen op de verleende staatssteun.Dit is een lang traject met onzekere uitkomst. Het is daarbij niet realistischgoedkeuring te verwachten voor het nieuwe stelsel, zonder dat daarbijaanvullende maatregelen worden geëist op het gebied van overcompen-satie en transparantie. Deze aanmelding is dus niet nodig als hetDAEB-vrijstellingsbesluit gevolgd wordt.Ten aanzien van de jeugdzorg merken we het volgende op. De Ministervan Volksgezondheid Welzijn en Sport heeft in zijn besluit van 6 december201912 cruciale jeugdzorg aangewezen als DAEB. Ook is er in het verledenop gemeentelijk niveau voor gekozen subsidie te verlenen aan jeugdzorgonder het DAEB-vrijstellingsbesluit. In overige gevallen verloopt definanciering van jeugdzorg via openbare aanbesteding. Dit zou in de12Kenmerk 1617702-199192.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57331 kinderopvang beperkingen geven in de keuzeruimte van ouders voor dekinderopvang van hun kinderen en zou kinderopvangorganisatiesbeperken in de diversiteit van het aanbod aan kinderopvang. De keuze-vrijheid van ouders en de diversiteit in het aanbod zijn van groot belang inons kinderopvangstelsel.De leden van de fractie van D66 vragen hoe de Staatssecretarisde besluitvorming over de DAEB-aanwijzing voor ogen ziet.De manier waarop een DAEB wordt gevestigd is vormvrij, en daarmee ookweer zo toe te passen dat het past bij de sector waarin de DAEB gevestigdwordt. In het conceptwetsvoorstel financiering kinderopvang wordt deaanwijzing van de DAEB op wetsniveau vastgelegd. Het is dus niet zo datvoor iedere houder van een kinderopvangorganisatie een afzonderlijkaanwijzingsbesluit wordt gemaakt. In het wetsvoorstel worden kinderop-vangorganisaties die voldoen aan de aansluiteisen uit het nieuwe stelselen zijn ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang, belast methet uitvoeren van de DAEB.Naast dat in wetgeving wordt vastgelegd welke organisaties belastworden met het uitvoeren van de DAEB, is ook de afbakening van dedienst kinderopvang van belang. Er is een traject gestart met Pricewater-houseCoopers om samen met experts uit de sector de gewensteafbakening van de dienst kinderopvang in kaart te brengen. Dezeafbakening landt in het wetsvoorstel wat in het voorjaar voor advies aande Raad van State wordt aangeboden.De leden van de fractie van D66 vragen voorts hoe de Staatsse-cretaris gaat voorkomen dat extra activiteiten die nu wordenaangeboden door kinderopvangorganisaties ten behoeve van deontwikkeling van kinderen niet buiten de definitie van deomschreven werkzaamheden gaat vallen.De diversiteit en verscheidenheid aan activiteiten die bijdragen aan deontwikkeling van kinderen is één van de sterke kanten van de kinderop-vangsector. Het is van groot belang dat dit in de nieuwe situatie behoudenblijft. Daarom willen we bij het definiëren van de dienst kinderopvangrekening houden met een zo een breed mogelijke definitie van de dienstkinderopvang. Bovendien behoudt de sector ruimte om te blijveninvesteren in capaciteit en kwaliteit van kinderopvang en zij kan, ook als zijeen subsidie ontvangt daar een winst mee blijven maken.De leden van de fractie van Forum voor Democratie geven aandat de verwachting is dat vooral kleine aanbieders zwaargetroffen worden door het aanwijzen van een DAEB. Met alsgevolg verdere schaalvergroting in de sector, minder diversiteit inaanbod en meer marktmacht bij enkele grote partijen. Deze ledenvragen of het kabinet deze zorg deelt.De kleinere organisaties en ondernemers in de kinderopvangsector zijnvan cruciaal belang voor de grootte en de diversiteit van het opvan-gaanbod. Deze groep aanbieders wordt nadrukkelijk ondersteund zodathet nieuwe financieringsstelsel ook voor hen goed kan werken. Zo kunnenzij straks gratis gebruik maken van een basistool voor het aanleveren vangegevens die de uitvoerder ter beschikking zal stellen. Ook zullen we inhet wetsvoorstel de DAEB de-minimisverordening toepassen opgastouders. Dat betekent dat voor gastouders geen nieuwe regels zullengelden rond de administratie en de hoogte van de toegestane compen-satie. En bij de uitwerking van de openbare jaarverantwoording zalworden gedifferentieerd naar de omvang van de organisaties. Dit betekentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57332 dat de lasten van dit toezicht aangepast worden aan de omvang van deonderneming.De leden van de fractie van GL-PvdA vraagt welke voorbeelden erzijn uit het buitenland waar kinderopvang in een vergelijkbarestructuur is geregeld.In het buitenland zien wij vergelijkbare aanwijzingen van kinderopvang alsDAEB om subsidiëring van marktpartijen door de overheid mogelijk temaken. Hier leren wij van ook voor de invulling in Nederland.Voorbeelden hiervan zijn Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland. De invullingvan de DAEB verschilt per land echter in grote mate. De genoemde landenhebben een verschillende type kinderopvangsector en verschillendewijzen van financiering, daarmee is de impact van de DAEB op de sectorper land ook verschillend.De leden van de fractie van de VVD vraagt de Staatssecretaris tebevestigen dat tariefregulering geen verplicht element is binneneen DAEB-kader en dus een afzonderlijke politieke keuze betreft.Een tariefplafond is geen verplicht element binnen de DAEB. Bij een DAEBmag er geen sprake mag zijn van overcompensatie. Voor overcompen-satie is het van belang dat de subsidie van de overheid niet groter is dande gemaakte kosten met inbegrip van een redelijke winst, verminderd metde opbrengsten. Zowel de kosten als de opbrengsten moeten samen-hangen met het uitvoeren van de dienst kinderopvang. Als een kinderop-vangorganisatie hogere kosten maakt, bijvoorbeeld door te investeren inkwaliteit, kan het een hoger tarief vragen, zodat de kosten en opbrengstendie samenhangen met uitvoering van de DAEB in evenwicht zijn metelkaar. Wanneer de kosten en opbrengsten niet meer met elkaar inverhouding zijn, is er sprake van overcompensatie. En dient de kinderop-vangorganisatie het te veel gecompenseerde terug te betalen aan deuitvoerder. In de algemene toelichting over de DAEB wordt dit visueelweergeven.2. Regeldruk De leden van de fractie van de VVD geven aan de noodzaak omstaatssteunrisico’s te voorkomen te begrijpen, mede gezien hetfeit dat terugvordering van miljarden aan financiering eenonverantwoord risico zou vormen voor ouders, aanbieders enoverheid. Tegelijkertijd geven zij aan de zorgen uit de sectorserieus te nemen, onder andere op het gebied van investeringsbe-reidheid en innovatiekracht. Daarom vragen deze leden naar destand van zaken rond de doenvermogentoets.Voorafgaand aan de internetconsultatie van het wetsvoorstel financieringkinderopvang is er onderzoek gedaan naar de doenlijkheid van het nieuwefinancieringsstelsel voor burgers (de zogenoemde doenvermogentoets).De doenvermogentoets onderzoekt de mate waarin het beleid en deuitvoering haalbaar en doenlijk zijn voor burgers. De analyse richtte zichop vier dimensies: de eenvoud, de begrijpelijkheid, de uitlegbaarheid ende algemene doenlijkheid. De hoofdconclusie van het onderzoek13 is dathet nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvang voor het merendeelvan de ouders binnen de getoetste doelgroepen doenlijk is. De grootstewinst voor ouders ligt in het wegnemen van terugvorderingen en devermindering van administratieve lasten bij ouders. Mede op basis13Eindrapportage Doenvermogentoets Nieuw financieringsstelsel kinderopvang voor groepen inkwetsbare omstandigheden, Oktober 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57333 hiervan doet het onderzoeksbureau de aanbeveling om het stelsel zoveel(en zo spoedig) mogelijk in te voeren.De doenvermogentoets richt zich op de doenlijkheid voor ouders, nietvoor ondernemers. In mei 2025 is het ontwerp van het nieuwe financie-ringsstelsel daarom ook besproken met een gevarieerde groep vanvertegenwoordigers van de kinderopvangsector. De organisaties hebbenbruikbare input geleverd op het wetsvoorstel, waardoor de doenlijkheidvoor hen als organisatie, en daarmee het nieuwe stelsel, zou kunnenverbeteren. Een samenvatting van deze zogenoemde MKB-toets isopgenomen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.Het is van belang om hierbij op te merken dat de MKB-toets heeftplaatsgevonden op een versie van het wetsvoorstel waarin de DAEB nogniet was uitgewerkt. Wij hebben u echter in de brief van 15 september202514 toegezegd dat er voor de invoering van de DAEB een impact-analyse gedaan wordt waarbij de effecten op ondernemers (waaronder deadministratieve last) en het aanbod zullen worden onderzocht. Begin vanhet jaar wordt dit onderzoek uitgezet bij een onafhankelijk onderzoeks-bureau. Daarnaast wil het kabinet de verdere uitwerking van de DAEBgezamenlijk met de sector oppakken. Waarbij een van de uitgangspuntenhet zoveel mogelijk beperken van administratieve lasten voor onder-nemers is.De leden van de fracties van de BBB, het CDA, D66 en de PVVhebben zorgen geuit over de mate van regeldruk die het vestigenvan een DAEB met zich mee zal brengen. Deze leden vragen zichaf hoe de Staatssecretaris Participatie en Integratie de regeldrukwil mitigeren en er voor gaat zorgen de regeldruk zo laagmogelijk te houden.Een belangrijk uitgangspunt in de verdere uitwerking van de DAEB is datondernemen mogelijk moet blijven voor kinderopvangorganisaties. Ditgeldt zowel voor de grote, maar zeker ook voor de kleine ondernemingen.Daarom willen we de administratieve lasten zo laag mogelijk te houden.We zijn dan ook blij dat we gastouders, door toepassing van de DAEBde-minimisverordening, uit kunnen zonderen van de aanvullendeadministratieve verplichtingen die samenhangen met de DAEB. Maar ookvoor andere ondernemers is het van belang om de regeldruk zo veel alsmogelijk te beperken. In de toegezegde impactanalyse is nadrukkelijkaandacht voor de effecten van het vestigen van een DAEB op onder-nemers (waaronder de administratieve last) en daarmee een belangrijkaandachtspunt in de verdere uitwerking van de DAEB. Zoals in eenrecente brief15 aan Uw Kamer te lezen is, zet het kabinet los van hetnieuwe financieringsstelsel ook in op het verminderen van bestaanderegeldruk in de kinderopvang.De leden van de fractie van de BBB vragen of de StaatssecretarisParticipatie en Integratie kan toezeggen dat er ruimte blijft voorondernemerschap en diversiteit in het aanbod, inclusiefagrarische kinderopvang.Ja, die ruimte blijft er. Kleinschalige en agrarische kinderopvangonder-nemers zijn belangrijk voor de sector. Hun aanbod komt tegemoet aan eenspecifieke behoefte die ouders kunnen hebben voor een bepaalde vormvan kinderopvang. De diversiteit in het aanbod van kinderopvang is eenkracht van deze sector en moet behouden blijven. Agrarische kinder-14Kamerstukken II, 2024/25, 31 322, nr. 569.15Kamerstukken II, 2025/2026, 31 322, nr. 572.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57334 opvang is een mooi voorbeeld van deze diversiteit. In de afbakening vande dienst kinderopvang wordt dan ook zoveel als mogelijk rekeninggehouden met de diversiteit van het aanbod.3. Redelijke winst De leden van de fractie van de VVD vragen de StaatssecretarisParticipatie en Integratie welke bandbreedte voor winst hij opvoorhand redelijk acht, gegeven de uiteenlopende kostprijsstruc-turen in de sector zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt, deomvangrijke investeringsopgave in huisvesting en personeel, enhet belang van een aantrekkelijk ondernemingsklimaat vooraanbieders van iedere omvang. Aanvullend zijn de leden van defracties van het CDA en de PVV benieuwd wat de Staatssecre-taris beschouwt als een redelijk rendement voor kinderopvangor-ganisaties en op welke wijze het onderzoek naar een redelijkrendement uitgevoerd zal worden.Uitgangspunt bij het stellen van een redelijke winst is dat het voorondernemers in de kinderopvang mogelijk blijft om een gezondebedrijfsvoering te hanteren en te kunnen blijven investeren in het aanboden kwaliteit. De groei van het aanbod van kinderopvang blijft de komendejaren immers hard nodig. De DAEB beperkt de kostprijsstructurenoverigens niet. Binnen de DAEB is ruimte voor verschillende kostenzolang deze bijdragen aan het uitvoeren van de dienst kinderopvang.Het kabinet begrijpt dat ondernemers behoefte hebben aan duidelijkheid.Daarom werkt het kabinet hard aan het uitzetten van onderzoek naar deredelijk winst. Een onafhankelijk onderzoeksbureau zal begin 2026 startenmet het onderzoek naar de hoogte van een redelijke winst binnen detoegestane overheidscompensatie. Om de onafhankelijkheid van hetonderzoek te borgen zal dit uitgevoerd worden door een externe partijmet ervaring op het gebied van vaststellen van normen. De sector zalwordt betrokken bij de uitvoering van het onderzoek. De resultaten van ditonderzoek worden medio 2026 verwacht.De leden van de fractie van de VVD vragen tevens hoe deregering voornemens is te borgen dat een normrendementvoldoende ruimte laat voor meerjarige investeringen en voor hetopbouwen van reserves die noodzakelijk zijn voor een gezondebedrijfsvoering. Ook vragen zij in hoeverre de regering duidelijkekaders kan schetsen over de ruimte voor rendement die zij wilbieden, zodat ondernemers perspectief hebben en diversiteit inhet aanbod behouden kan blijven. In het verlengde hiervan vragende leden van de fractie van Forum voor Democratie zich af welkeprikkel een ondernemer heeft om de kwaliteit te verbeteren of dekosten te verlagen als de hogere winsten afgeroomd wordenomdat ze «niet redelijk» zouden zijn.Zoals hiervoor aangegeven zal er, voor het vaststellen van een redelijkewinst binnen de toegestane overheidscompensatie, een onderzoekworden uitgezet bij een onafhankelijke partij. Bij het vaststellen van eenredelijke winst wordt rekening gehouden met het feit dat ondernemersmoeten kunnen blijven ondernemen, investeren en innoveren. Daarnaastwordt de norm voor een redelijke winst niet lager gesteld dan eenvoorgeschreven minimum en wordt deze zo gesteld dat een gemiddeldeondernemer in de kinderopvang dit nog wil blijven aanbieden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57335 Het Europese DAEB-kader legt geen maximum op aan de winst die eenondernemer mag maken. De redelijke winst ziet op een winst die gemaaktmag worden binnen de compensatie die de overheid biedt aan deonderneming. Deze redelijke winst beschermt de prikkel voor onder-nemers om te blijven ondernemen en te (her)investeren in kwaliteit enaanbod in de sector.Als een ondernemer meer compensatie ontvangt dan noodzakelijk is voorde kosten van de DAEB met inbegrip van een redelijke winst dan heeft deondernemer verschillende keuzes. De ondernemer kan investeren in dekwaliteit van het aanbod, kan het aanbod uitbreiden of de tarieven voorouders verlagen. Ook kan de ondernemer besluiten meer te investeren inpersoneel. De ondernemer zou kunnen investeren in de arbeidsvoor-waarden van pedagogisch professionals zou meer (ondersteunend)personeel kunnen inzetten, bijvoorbeeld door groepsondersteuners aan tenemen. Dit kan ook bijdragen aan het tegengaan van personeelstekorten.Dit alles zorgt voor een borging van ondernemerschap in kinderopvang-sector, terwijl belastinggeld aan kinderopvang wordt besteed. Van belangis wel dat de kosten voor de investering in kwaliteit of capaciteit noodza-kelijk zijn voor het uitvoeren van de dienst kinderopvang.De leden van de fractie van het CDA geven aan dat zij lezen datin de nadere uitwerking centraal zal staan dat er vrijheid moetzijn voor ondernemers in de kinderopvang om te ondernemen eninvesteren in innovatie, kwaliteit en capaciteit, en dat voorinvoering van DAEB een impactanalyse zal plaatsvinden waarbijook de effecten op ondernemers en het aanbod zullen wordenonderzocht. Deze leden vragen waarom het kabinet pas tijdens deinternetconsultatie start met dit impactonderzoek, in plaats vanvoor de internetconsultatie. Zij wijzen hierbij ook op hetATR-advies, dat eveneens zegt dat de impact eerst in kaartgebracht moet worden. De leden vragen wat de tijdsplanning vande impactanalyse is.Voor invoering van het nieuwe financieringsstelsel zal een impactanalyseplaatsvinden. Voordat de impact nauwkeurig en goed ingeschat kanworden is het belangrijk dat er eerst een aantal zaken binnen de DAEBverder is uitgewerkt. Momenteel wordt de afbakening van de dienstkinderopvang verder uitgewerkt, dat doen we samen met de sector. Ookzal er zoals hiervoor genoemd een extern onderzoek worden gedaan naareen redelijke winst. Dit zijn belangrijke elementen van de DAEB die vaninvloed zijn op de impact. Gezien de samenhang tussen het vaststellenvan de redelijke winst en de impact van de DAEB, zal de impactanalysegezamenlijk worden uitgevoerd met het onderzoek naar een redelijkewinst.4. Investeringsklimaat De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de regeringinschat wat de impact van een sectorbrede DAEB-aanwijzing isop het investeringsklimaat. Daarbij wijzen zij in het bijzonder opde beschikbaarheid van financiering voor uitbreiding, innovatieen kwaliteitsontwikkeling. Deze leden vragen hoe lang algesproken wordt met de kinderopvangsector over een mogelijkeDAEB-aanwijzing.Het ondernemerschap in de kinderopvangsector is een groot goed. Bij deuitwerking van de DAEB is het behouden van ruimte voor ondernemer-schap één van de uitgangspunten. Het voornemen is om de DAEB zovorm te geven dat ondernemen, investeren en innoveren mogelijk blijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57336 Dat past ook goed binnen de Europeesrechtelijke regels omtrent de DAEB.De sector behoudt ruimte om te investeren in capaciteit en kwaliteit vankinderopvang en zij kan daar een redelijke winst mee blijven maken. Opdeze manier kan ook de diversiteit, een van de sterke punten van dekinderopvangsector, behouden blijven. Er zal ruimte blijven voormeerjarige investeringen en het opbouwen van reserves die noodzakelijkzijn voor een gezonde bedrijfsvoering. Kosten die nodig zijn voor het doenvan investeringen of reserveringen daarvoor moeten wel noodzakelijk zijnvoor uitvoeren van de dienst kinderopvang.Voor de invoering van het nieuwe financieringsstelsel zal er een impact-analyse plaatsvinden waarbij de effecten van de DAEB op de kinderop-vangmarkt worden onderzocht. Het uitgangspunt is dat daarbij ook degevolgen voor de beschikbaarheid van financiering en de effecten op hetaanbod, worden onderzocht. Voordat de impact nauwkeurig en goed kanworden ingeschat, is het belangrijk dat er eerst een aantal zaken verderzijn uitgewerkt zoals de reikwijdte van de DAEB. Tevens zal de impact vande DAEB afhangen van de norm die wordt gesteld voor een redelijkewinst. Daarom zal de impactanalyse in samenhang worden uitgevoerdmet het onderzoek naar een redelijke winst.Tijdens de uitwerking van het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang ismeermaals gecommuniceerd over het staatssteunvraagstuk en de DAEB.In de beantwoording van Kamervragen16 gesteld door het lid Inge van Dijk(CDA) is uiteengezet op welke momenten er communicatie heeftplaatsgevonden. Ook is het vraagstuk op verschillende momentenbesproken met de brancheorganisaties van de kinderopvangsector. Degesprekken hierover zijn gestart in het voorjaar van 2025. De brancheorga-nisaties reageren op verschillende manieren op de DAEB-aanwijzing. Bijeen deel van de sector is er veel onrust over de aanwijzing. Er is bijvoor-beeld onrust over de effecten op het ondernemerschap en regeldruk. Eenander deel van de sector pleit daarentegen juist voor het gezamenlijkuitwerken van de DAEB en om daarbij de discussie over de DAEB niet totverder uitstel te laten leiden van het nieuwe financieringsstelsel kinder-opvang.We betreuren de onrust die in een deel van de sector is ontstaan. DeDAEB is nieuw voor de kinderopvang in Nederland. Het kabinet begrijptde onzekerheid en daarmee de onrust in de sector en realiseert zich dateen concrete uitwerking noodzakelijk is om een compleet beeld te kunnenvormen over de effecten van de DAEB op de sector. Het kabinet betrekt desector actief bij het de uitwerking van de DAEB. Dat is belangrijk, zodat devormgeving van de DAEB zo goed als mogelijk zal aansluiten bij dewensen vanuit de sector. Door samen te werken kan er recht wordengedaan aan de verscheidenheid en het ondernemerschap in de sector. Weroepen de sector daarom op om de uitwerking gezamenlijk op te pakken.De leden van de fractie van de VVD vragen de StaatssecretarisParticipatie en Integratie tevens toe te lichten in hoeverre destabiliteit van een jaarlijkse directe overheidsfinanciering vancirca € 8,6 miljard kan worden gezien als een compenserendezekerheid met een positief effect op het investeringsperspectief,en in hoeverre dit opweegt tegen mogelijke beperkingen dievoortvloeien uit regels omtrent overcompensatie en normren-dement.16Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 390.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57337 Met het nieuwe financieringsstelsel beoogt het kabinet naast eeneenvoudig, zeker en betaalbaar stelsel, ook om de kinderopvang eenstabiele en toekomstbestendige financiering te bieden. Het nieuwefinancieringsstelsel voor kinderopvang gaat gepaard met een intensi-vering.Door de intensivering zal het debiteurenrisico van ondernemers in dekinderopvangsector aanzienlijk dalen. Ouders betalen zelf slechts eenbeperkt deel van de opvangkosten en de kredietwaardigheid van deoverheid zal hoger zijn. Dit leidt tot een verbetering van de financiëlepositie van ondernemers in de kinderopvang en kan daarmee debereidheid van financiers om te investeren in de kinderopvang positiefbeïnvloeden.Het DAEB-kader biedt ruimte voor investeringen en het realiseren van eenredelijke winst. Tevens biedt de DAEB juist ook zekerheid aan onder-nemers en financiers, omdat het risico op toekomstige terugvorderingenop grond van ongeoorloofde staatssteun wordt voorkomen. Met de DAEBwordt er geen winstbeperking opgelegd, kinderopvangorganisatieskunnen nog steeds winst maken. Wel wordt (er een deel van) de subsidieteruggevorderd zodra de kosten (met inbegrip van een redelijke winst) enopbrengsten niet meer in verhouding zijn (zie algemene toelichtingDAEB). Vanuit maatschappelijk oogpunt is dit een logisch principe, opdeze manier wordt voorkomen dat overheidsgeld wegvloeit als excessievewinst. Met de DAEB kan ondernemerschap in de sector worden behoudenen tegelijkertijd worden geborgd dat belastinggeld ten gunste komt vanwerkende ouders.De leden van de fractie van de VVD vragen de Staatssecretarisdaarnaast op welke wijze eerdere ervaringen metDAEB-aanwijzingen in andere sectoren inzicht geven in financie-ringsbereidheid bij banken en institutionele beleggers, en welkbeeld uit deze vergelijkingen relevant is voor de kinderopvang-sector.Een onderlinge vergelijkingen tussen DAEB’s is moeilijk te maken,aangezien een DAEB wordt vormgegeven naar de specifieke dienst ensector waar de DAEB betrekking op heeft. In de sociale woningbouw iseen DAEB gevestigd. Er kan echter gesteld worden dat de socialewoningbouw als sector sterk verschilt van de kinderopvang gelet opgrootte, kapitaalintensiviteit en aantallen actieve ondernemingen. Ditmaakt de impact van de DAEB moeilijk te vergelijken tussen kinderopvangen sociale woningbouw. Bij het eerder genoemde onderzoek naar eenredelijke winst zal tevens rekening worden gehouden met de financier-baarheid in de kinderopvangsector.Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD in dit kaderwelke informatie de regering reeds heeft over de bereidheid vanfinanciers om binnen een DAEB-kader langjarige investeringenmogelijk te blijven maken.In 1996 is op verzoek van sector met overheidsfinanciering het instituutWaarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang opgericht. Een kerntaakvan het Waarborgfonds is het ondersteunen van de financierbaarheid vande sector kinderopvang. Daartoe heeft het waarborgfonds afspraken metde banken en is er frequent overleg over de sectorale en bancaireTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57338 ontwikkelingen.17 Tot heden zijn er geen aanwijzingen dat financiers naaraanleiding van de plannen voor een nieuw financieringsstelsel en deDAEB terughoudend zijn bij het verstrekken van financieringen, andersdan de reguliere eisen. Daarbij geldt dat nog niet alle details bekend zijn,waaronder de invulling van de DAEB. Zodra er meer invulling is gegevenaan het wetsvoorstel, bijvoorbeeld over de redelijke winst binnen deDAEB, zal de financierbaarheid opnieuw moeten worden bekeken. Bij heteerder genoemde onderzoek naar een redelijke winst zal tevens rekeningworden gehouden met de financierbaarheid. De StaatssecretarisParticipatie en Integratie blijft samen met het Waarborgfonds & Kennis-centrum Kinderopvang de financierbaarheid van de sector doorlopendmonitoren.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de Staatssecre-taris Participatie en Integratie het ondernemersvertrouwen in desector actief borgt en versterkt in het licht van de groeiopgave ende DAEB-kaders. Deze leden vragen of hij de opvatting van deVVD-fractie deelt dat ondernemerschap cruciaal is om dezebelangrijke stelselwijziging mogelijk te maken.Ja, deze opvatting wordt gedeeld. Doordat kinderopvang in het nieuwestelsel voor de meeste ouders goedkoper wordt, zal de vraag naarkinderopvang naar verwachting stijgen. Om het aanbod te latenmeegroeien met de verwachtte vraagtoename is het, naast de huidigeinzet op arbeidsmarktmarktbeleid, ook van groot belang dat ondernemerskunnen blijven investeren in de kinderopvang. Het DAEB-kader biedt hierruimte voor.Het DAEB-kader is zo ontworpen dat marktpartijen actief kunnen blijvenen ondernemen mogelijk blijft. De sector houdt binnen de DAEB de ruimteom te investeren in capaciteit en kwaliteit van de kinderopvang én kandaar een redelijke winst mee blijven maken. Bij het vaststellen van wateen redelijke winst is, wordt rekening gehouden met het feit dat het voorondernemers in de kinderopvang mogelijk blijft om een gezondebedrijfsvoering te hanteren en te kunnen blijven investeren in het aanboden kwaliteit. Daarbij vergroot de DAEB de prikkel om opbrengsten te(her)investeren in kwaliteit en aanbod in de sector. Zo kan het onderne-merschap, net als de diversiteit die kenmerkend is voor de kinderopvang-sector, behouden blijven.De leden van de fractie van de VVD verzoeken de Staatssecre-taris Participatie en Integratie uiteen te zetten welke aanvullendemaatregelen overwogen worden om ervoor te zorgen dat kleineen grote ondernemer kunnen blijven investeren in uitbreiding,innovatie en kwaliteit richting 2029, zodat het nieuwe stelsel nietalleen eenvoud en zekerheid biedt, maar ook een duurzaam entoekomstbestendig aanbod van kinderopvang.Het ondernemerschap in de kinderopvang acht de StaatssecretarisParticipatie en Integratie van groot belang. Bij de vormgeving van hetnieuwe stelsel wordt daarom rekening gehouden met het creëren vanrandvoorwaarden voor een gezonde bedrijfsvoering en voldoende ruimtevoor investeringen, zodat er straks voor zoveel mogelijk kinderen een plekop de opvang is. Zoals in de beantwoording van eerdere vragen toegelichtis dit ook één van de uitgangspunten bij het vaststellen van wat eenredelijke winst is.17Het waarborgfonds kinderopvang rapporteert ook over de financierbaarheid van de sector,bijvoorbeeld via de sectorrapporten kinderopvang: Sectorrapport Kinderopvang | Waarborg-fonds Kinderopvang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57339 Ook wordt in de uitwerking van het wetsvoorstel rekening gehouden metverschillende type organisaties en de omvang van deze organisaties. Erwordt naar gestreefd de administratieve lasten zo laag mogelijk te houdenen maatregelen proportioneel in te voeren. In dat kader is bijvoorbeeldgeconcludeerd dat de DAEB de-minimisverordening kan wordentoegepast op gastouders. Voor gastouders zullen daarom geen nadereregels gelden voor de administratie en toegestane compensatie metbetrekking tot de DAEB. Een ander voorbeeld is dat bij de uitwerking vande openbare jaarverantwoording zal worden gedifferentieerd naaromvang van de organisaties. De Staatssecretaris Participatie en Integratiezet daarnaast in op het verminderen van bestaande regeldruk in dekinderopvang. Hierover heeft hij recent een brief gestuurd aan uwKamer.185. Betrokkenheid van de sector De leden van de fractie van GL-PvdA vragen op welke manier dekinderopvang betrokken wordt bij de uitwerking van de DAEB.Daarbij vragen deze leden hoe de Staatssecretaris er voor zorgtdat dit niet tot uitstel leidt.Kennis en kunde uit alle geledingen van de kinderopvangsector isbelangrijk om tot een zo een goed mogelijke invulling van de DAEB tekomen die past bij de diversiteit binnen de sector. Naast de reguliereoverleggen met de brancheorganisaties loopt er op dit moment eentraject, geleid door PricewaterhouseCoopers, dat erop gericht is omaandachtspunten vanuit de sector in beeld te brengen.De DAEB heeft veel losgemaakt in een deel van de sector, waarbij debrancheorganisaties op een verschillende manier reageren op deDAEB-aanwijzing. We begrijpen de onzekerheid en daarmee de onrust inde sector. Tegelijkertijd biedt de DAEB juist ook zekerheid aan onder-nemers, omdat het risico op toekomstige terugvorderingen op grond vanongeoorloofde staatssteun wordt voorkomen. Door alle kennis en kundeop constructieve wijze te benutten, kan er een zo een goed mogelijkeuitwerking van de DAEB vormgegeven worden. Door samen te werkenkan er recht worden gedaan aan de verscheidenheid en het ondernemer-schap in de sector. We roepen de sector daarom op om de uitwerkinggezamenlijk met ons op te pakken.Vragen over de uitvoeringDe leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt datDienst Toeslagen als uitvoerder verandert van uitvoerder van deAwir naar een subsidiënt en of het klopt dat dit de relatie met deouders en houders zal veranderen.Dit is correct. Het nieuwe financieringsstelsel is een subsidiestelsel voorkindercentra en gastouderbureaus. De financiering van kinderopvang is inhet nieuwe stelsel dus niet langer een toeslag aan ouders gebaseerd opde Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Hiervoormoeten de Wet kinderopvang en de Awir gewijzigd worden. Dat gebeurtmet het wetsvoorstel financiering kinderopvang dat volgens onzeplanning in 2026 bij uw Kamer zal worden ingediend. De uitvoering doorDienst Toeslagen zal ook veranderen als Dienst Toeslagen het nieuwefinancieringsstelsel uit gaat voeren. Om dit in goede banen te leiden werktDienst Toeslagen samen met het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid aan een uitvoerings- en transitieplan.18Kamerstukken II, 2025/26, 31 322, nr. 572Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57340 Voorts vragen de leden van de fractie van het CDA naar het go-nogo moment voor Dienst Toeslagen dat in week 13 van 2026 isgepland. Deze leden vragen wat de criteria zijn waarop dezeweging plaatsvindt en wie deze weging doet en hoe de Kamerhierbij betrokken wordt.Op dit moment is Dienst Toeslagen de beoogd uitvoerder van hetwetsvoorstel financiering kinderopvang. Voordat dit wetsvoorstel aan deRaad van State wordt aangeboden, zal definitief worden bepaald of DienstToeslagen de uitvoerder wordt. Het kabinet neemt die beslissing op basisvan onder meer de uitvoeringstoets op het wetsvoorstel financieringkinderopvang waarmee de impact op de uitvoering door Dienst Toeslagenin kaart wordt gebracht. Het is cruciaal dat zowel Dienst Toeslagen als hetkabinet ervan overtuigd zijn dat de Dienst het stelsel goed kan uitvoeren.De Tweede Kamer zal geïnformeerd worden zodra de beslissing isgenomen.Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of de uitvoerderin staat is om het nieuwe stelsel gefaseerd in te voeren. Zijvragen of in de overgangsperiode naar het nieuwe financierings-stelsel twee stelsels naast elkaar blijven bestaan, en zo ja, wiedan bepaalt welke ouder en houder overgaat naar het nieuwestelsel en wie in het oude stelsel blijft, en op basis van welkecriteria dit wordt bepaald.Wij veronderstellen dat de leden van de factie van het CDA vragen naar dewijze waarop het ingroeipad naar het nieuwe financieringsstelsel en de«test and learn»-aanpak, zoals tijdens de technische briefing vanwoensdag 10 december jl. is toegelicht, wordt geoperationaliseerd. Hetnieuwe financieringsstelsel treedt op 1 januari 2029 in werking. Vanaf diedatum vallen alle houders van kindercentra en gastouderbureaus diegebruik willen maken van de subsidie onder het nieuwe stelsel. Op tweemanieren werken we in de jaren daarvoor echter al toe naar het nieuwefinancieringsstelsel.Als eerste hanteert het kabinet in de jaren voor 2029 een ingroeipadbinnen de kinderopvangtoeslag. Dit betekent dat de vergoedingspercen-tages stapsgewijs worden verhoogd. Daardoor krijgen ieder jaar steedsmeer ouders recht op het hoge vergoedingspercentage van 96% dat ookin het nieuwe financieringsstelsel gehanteerd wordt. Dankzij ditingroeipad neemt de vraag naar kinderopvang geleidelijk toe en heeft desector meer tijd om op deze toenemende vraag te reageren.Ten tweede zullen we de komende jaren met een «test and learn»-aanpakwerken. Dit is een aanpak waarbij integraal getest wordt met ouders enhouders of de processen, systemen en het beleid goed werken en ook degewenste en bedoelde resultaten hebben. Aanpassingen wordenvervolgens opnieuw getest. Deze iteratieve aanpak zorgt voor eenstapsgewijze verbetering en ontwikkeling van beleid en uitvoering,waardoor veel risico’s van een grootschalige stelselwijziging kunnenworden weggenomen. Deze vernieuwende werkwijze is mogelijk omdatwe de benodigde systemen voor informatievoorziening zoveel mogelijkzelf willen ontwikkelen. Dit jaar hebben bijvoorbeeld al tests plaatsge-vonden over de gegevenslevering van houders van kindcentra engastouderbureaus aan de uitvoerder. De komende tijd worden ook andereonderdelen van het nieuwe financieringsstelsel in de praktijk gebracht engetoetst. Dat willen we richting 1 januari 2029 steeds meer gaan doen.Hoe (en welke) specifieke groepen ouders en houders betrokken wordenbij «test and learn»-aanpak zal tijdens de realisatiefase (de periode na hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57341 go/no go moment van Dienst Toeslagen) bepaald worden. Hierbij houdenwe nadrukkelijk oog voor de risico’s op rechtsongelijkheid.De leden van de fractie van D66 vragen naar de betrokkenheidvan ouders en kinderopvangorganisaties bij de verdere ontwik-keling van het nieuwe financieringsstelsel.Wij zullen de sectorpartijen die kinderopvangorganisaties, gastouders enpedagogisch medewerkers vertegenwoordigen, en ouderorganisaties, netals overige stakeholders, nauw blijven betrekken bij de verdere uitwerkingvan het stelsel. Dit betreft zowel informeren als consulteren en concreteinput ophalen zodat alle expertise benut wordt. Ook zullen we samen methouders, ouders en andere experts uit de sector samenwerken via dehierboven beschreven «test and learn»-aanpak.De leden van de fractie van het CDA vragen of het klopt dat uitde uitvoeringsgegevens van de Dienst Toeslagen blijkt dat degrootste oorzaak van terugvorderingen niet de hoogte van hetinkomen, maar verkeerd doorgeven van het aantal opvanguren is.Zij vragen of dit niet eenvoudig kan worden opgelost, door hetdoorgeven van uren bij ouders weg te halen, omdat kinderop-vanginstellingen dit toch al maandelijks moeten doorgeven. Ookmerken zij op dat het inkomen vooral een probleem is bijfinancieel kwetsbare inkomens, die vaak ook onregelmatiginkomen hebben. Zij vragen of verhogen van de 96% tot eendubbelmodaal inkomen niet al veel druk en onzekerheid vangezinnen kan wegnemen, omdat juist de combinatie van terugvor-deringen en lage inkomens kwetsbaar is. Ook vragen de ledenvan de fractie van het CDA aan de Staatssecretaris om helder tecommuniceren over de risico’s van het ingroeipad in de kinderop-vangtoeslag, en of de Staatssecretaris daartoe bereid is. Dezeleden vragen zich af hoe het ministerie deze risico’s weegt.Verder vragen zij wat dit betekent voor de risico’s van te hogebijdragen en terugvorderingen voor ouders.In 2023 moesten circa 135.000 huishoudens een deel van de ontvangenkinderopvangtoeslag terugbetalen. Bij circa 59% van deze terugvorde-ringen spelen verkeerd doorgegeven opvanguren een rol. De resterende41% is het gevolg van inkomensafwijkingen. Van deze 135.000 terugvorde-ringen ging het in circa 30.000 gevallen om een hoge terugvordering vanmeer dan € 1.000. Hiervan was ongeveer 41% gerelateerd aan afwijkingenin opvanguren en was ongeveer 59% het gevolg van inkomensafwij-kingen. Beide terugvorderingsgronden zijn fundamentele problemen vanhet toeslagenstelsel die met het nieuwe financieringsstelsel kinderopvangworden weggenomen. Momenteel is de ouder zelf verantwoordelijk voorde juistheid van de aan te leveren gegevens die het recht op kinderop-vangtoeslag bepalen, omdat de toeslag aan de ouder wordt verstrekt. Dekwaliteit van de gegevens is op dit moment onvoldoende om de urenre-gistratie namens de ouders via de kinderopvangorganisaties te regelen.Maar zelfs als dit wel mogelijk zou zijn, is het kabinet van mening dat erfundamentele problemen blijven bestaan. Ook dan blijven immers grotegeldstromen van en naar de ouders plaatsvinden.Het ingroeipad naar het inkomensonafhankelijke vergoedingspercentagevan 96% is bedoeld om de markt geleidelijk te laten wennen aan demogelijke gevolgen van een hogere overheidsbijdrage voor kinder-opvang, zodat de markt kan wennen en vraag aanbod zich kunnenaanpassen. Omdat ouders de komende jaren recht krijgen op een steedshoger vergoedingspercentage, neemt de gemiddelde kinderopvang-toeslag voor ouders toe. Daarmee kan ook het risico op hoge terugvorde-ringen toenemen, bijvoorbeeld als ouders minder opvang afnemen danTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57342 waar zij kinderopvangtoeslag voor ontvangen hebben. Tegelijkertijd zijn ersteeds meer inkomensgroepen die recht hebben op het maximalevergoedingspercentage van 96%, waardoor het risico op een terugvor-dering door inkomensafwijkingen afneemt. Om het risico op terugvorde-ringen volledig weg te nemen, wordt de vergoeding voor kinderopvang inhet nieuwe stelsel volledig inkomensonafhankelijk, worden houders vankindercentra en gastouderbureaus direct gefinancierd en worden dezehouders verantwoordelijk voor het doorgeven van relevante subsidiege-gevens, zoals het aantal te subsidiëren opvanguren.Verder vragen de leden van de CDA-fractie welk mandaat nodig isom de vergoedingspercentages te mogen verhogen binnen debestaande Awir-constellatie.De Wet kinderopvang regelt dat de vergoedingspercentages in dekinderopvangtoeslag per algemene maatregel van bestuur kunnenworden aangepast. Dit gebeurt met een wijziging van het Besluitkinderopvangtoeslag, die wordt voorgehangen bij beide Kamers.De leden van de fractie van GL-Pvda vragen hoeveel uitvoerings-middelen bespaard worden door het financieringsstelselinkomensonafhankelijk te maken.De keuze voor inkomensonafhankelijkheid is in de eerste plaats een keuzevoor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid voor ouders. Alleen met eeninkomensonafhankelijk stelsel kunnen we ouders op een begrijpelijke eneenvoudige wijze zekerheid bieden over waar zij recht op hebben engaranderen dat terugvorderingen nooit meer voorkomen. Daarnaast levertde keuze voor inkomensonafhankelijkheid een forse vereenvoudiging inde uitvoering op. Momenteel is niet bekend wat de directe budgettairegevolgen van een keuze voor inkomensafhankelijkheid zouden zijn.Vragen over het procesDe leden van de fractie van GL-PvdA vragen naar de prioriteit vande invoering van het nieuwe financieringsstelsel per 2029.Het kabinet doet er alles aan om invoering per 2029 te bewerkstelligen. Op28 november is de internetconsultatie gesloten. De reacties worden nubeoordeeld en verwerkt. Gelijktijdig worden de uitvoeringsprocessen,IV-keuzes en gevolgen voor ketenpartners nader uitgewerkt. Voordat hetwetsvoorstel naar de Raad van State gaat, zal de uitvoerbaarheid getoetstworden door Dienst Toeslagen, maar ook door vele andere instantieszoals GGD GHOR NL, gemeenten, DUO en UWV, en wordt de AutoriteitPersoonsgegevens gevraagd te adviseren. Dit voorjaar besluit het kabinetdefinitief of Dienst Toeslagen de stap maakt van «beoogd uitvoerder» naar«uitvoerder» van het nieuwe financieringsstelsel. Na dit besluit wordt hetwetsvoorstel aangeboden aan de Raad van State voor een adviesaan-vraag. Het kabinet verwacht het wetsvoorstel na advies van de Raad vanState in het derde kwartaal van 2026 aan de Kamer te sturen. Met dezeplanning en aanpak ligt het kabinet volop op koers om per 1 januari 2029het nieuwe stelsel in te voeren. Desondanks kent deze planning ookonzekerheden en afhankelijkheden, waaronder de formatie, de inhoud vande adviezen en de wetsbehandeling in het parlement. We zullen de Kamerblijven informeren en betrekken bij zowel inhoud als proces.De leden van de D66-fractie vragen of er al lessen te trekken zijnvoor andere hervormingen op het gebied van (interne) ontwik-keling van ICT-functionaliteiten en de ontwikkeling van proto-types.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57343 Uiteraard zullen we achteraf alle aspecten van het beleid- en wetgevings-traject evalueren en best practices delen, maar we zien nu al dat hetgelijktijdig ontwerpen van prototypes en beleid ervoor zorgt dat concretevraagstukken naar boven komen die anders onzichtbaar zouden zijngebleven. Dit zorgt ervoor dat uitvoering en beleid elkaar versterken. Wijverwachten dat deze werkwijze lessen zal opleveren die voor de gehelerijksoverheid van waarde kunnen zijn.Vragen over regeldruk algemeenDe leden van de fractie van het CDA vinden de verkenning van deStaatssecretaris om meer ruimte in het toezicht te bieden om afte wijken van regels interessant, maar zo geven zij aan, dit lijkttot meer druk op de uitvoering te leiden. Een ontheffingsbe-voegdheid voor gemeenten verhoogt de uitvoeringskosten. En hetniet meer noteren van iedere overtreding, maar alleen naarredelijkheid en proportionaliteit leidt weer tot nieuwe benodigdecompetenties op het gebied van oordeelsvorming, waar scholingvoor moet worden gevolgd. Deze leden vragen de Staatssecre-taris of hier niet op meer praktische wijze mee kan wordenomgegaan en vanuit vertrouwen op ervaring en onderling overlegvan/tussen toezichthouders.Op grond van de huidige wetgeving dient de toezichthouder in principeiedere overtreding te noteren. Hierdoor is er geen ruimte voor eenafweging op basis van redelijkheid en proportionaliteit, dan wel voor eenpraktische werkwijze. De wetgeving moet daar dus voor wordenaangepast. Hoe dit vorm gegeven kan worden werkt het Ministerie vanSociale Zaken en Werkgelegenheid in 2026 verder uit in een apart proces.We denken juist dat deze maatregel de druk verlaagt op de kinderopvang-organisaties. Daarbij is het uitgangspunt ook dat we zo min mogelijkuitvoeringsdruk creëren voor toezicht en handhaving.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe zij voor zichmoeten zien dat de Staatssecretaris sectorpartijen gaat vragenom behulpzaam te zijn bij het tegengaan van spookregelgeving.Krijgen sectorpartijen meer informatie, of wordt van sectorpar-tijen verwacht een eigen interpretatie te geven aan regelingen, zovragen zij.Sectorpartijen ontvangen van kinderopvangorganisaties regelmatigvragen over wet- en regelgeving. Op basis van deze vragen vervullen zijeen signalerende functie richting het Ministerie van SZW over wet- enregelgeving die knelt, onnodig regeldruk veroorzaakt. Wanneer de vragendie kinderopvangorganisaties inbrengen bij sectorpartijen gaan overregels die niet bestaan, dan gaat de Staatssecretaris Participatie enIntegratie er in eerste instantie vanuit dat de sectororganisatie dat zelfconstateert. De Staatssecretaris Participatie en Integratie gaat er ookvanuit dat de sectororganisatie de onduidelijkheid hierover dan vaakdirect kan wegnemen bij de vragensteller. En wanneer er sprake blijkt vansteeds dezelfde vragen hier actief over communiceert. Uiteraard zien wijhier ook een rol voor het Ministerie van SZW bij het bieden van duide-lijkheid over wet- en regelgeving. Bijvoorbeeld wanneer ook voor desectororganisaties sprake is van onduidelijkheid over (de interpretatievan) wet- en regelgeving. Of als communicatie vanuit de sectorpartijenonvoldoende helpt om de onduidelijkheid weg te nemen. Over knelpuntenen verbetermogelijkheden in de wet- en regelgeving zijn de sectororgani-saties en de ambtenaren van het Ministerie van SZW doorlopend ingesprek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57344 De leden van de fractie van de VVD vragen of de Staatssecretariszijn ambitie, en de reden daarachter, om regeldruk in de kinderop-vangsector te verminderen nader kan toelichten. Zij vragen ookof de Staatssecretaris een volledig overzicht kan geven van deregels die door de sector op dit moment nog als knellend ofonnodig belastend worden ervaren, maar waarvoor nog geenconcrete stappen zijn gezet richting vereenvoudiging ofafschaffing. Indien dergelijke regels bestaan, vragen zij om welkeregels het gaat, welke gevolgen deze hebben voor met nameklein- en middenbedrijven binnen de sector, en of de Staatssecre-taris voornemens is deze te schrappen, te vereenvoudigen ofanderszins te verlichten.De kinderopvang speelt een belangrijke rol in de mogelijkheden vanouders om te werken en voor de ontwikkeling van kinderen. Hiervoor is dekwaliteit én de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de kinderopvangvan belang. Gezien het belang van voldoende aanbod van kinderopvangwil de Staatssecretaris Participatie en Integratie ruimte voor ondernemer-schap zoveel mogelijk bevorderen. Het verminderen van regeldruk is daaronderdeel van. Dit sluit aan bij de Rijksbrede ambitie van dit kabinet.In de gesprekken met sector- en toezichtpartijen hebben zij concrete regelsgenoemd die als onnodig knellend of belastend worden ervaren. Voor vijfonderwerpen zet de Staatssecretaris Participatie en Integratie in opaanpassing van de regel, zoals toegelicht in de brief. Voor drieingebrachte onderwerpen ziet de Staatssecretaris Participatie en Integratieeen mogelijkheid om de knelpunten op te lossen door meer ruimte tebieden voor afwijking van de regel in specifieke situaties. Via de dooront-wikkeling van het toezicht. 19 Dit gaat over de volgende ingebrachteonderwerpen: de verplichting voor de houder om een oudercommissie inte stellen, de minimale binnenspeelruimte per kind en de verplichting dater op ieder kindercentrum een volwassene met een EHBO-certificaataanwezig is. Deze voorstellen worden in aparte trajecten opgepakt.Er zijn drie concrete regels aangekaart waarvoor de StaatssecretarisParticipatie en Integratie vereenvoudiging of afschaffing onwenselijkvindt. Hieronder wordt dit per onderwerp toegelicht. Overigens bleek voorde voorgestelde wijzigingen ook onder de sectorpartijen geen breeddraagvlak te zijn.WensRedenen om niet in te zetten op aanpassing/schrappenvan de regel1. Een sectorpartij heeft voorgesteldom BOL-stagiairs te mogen inzettenals vast gezicht.Deze wijziging is niet wenselijk vanwege verwachtenegatieve gevolgen voor de kwaliteit van de opvang.BOL-stagiairs hebben immers nog geen kwalificatie, nogweinig tot geen ervaring en zijn in de regel slechts ééndag in de week aanwezig in de kinderopvang. Daarnaastis deze versoepeling niet in belang van de ontwikkelingvan de BOL-student zelf (en daarmee mogelijk van deinstroom van nieuwe medewerkers in de kinderopvang)en ongunstig voor de werkdruk.19Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 572.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57345 WensRedenen om niet in te zetten op aanpassing/schrappenvan de regel2. Een sectorpartij heeft voorgesteldom de inzet van beroepskrachten inopleiding (meestal BBL-studenten)nog verder te verruimen.Deze inzet is nu gemaximeerd op 50% (was voorheen33%) van de formatie. De Staatssecretaris Participatie enIntegratie heeft aangekondigd om deze verruimingdefinitief te maken. De wens van een sectorpartij is omdeze regel nóg verder te verruimen, door dit maximumlos te laten tijdens de randen van de dag en tijdenspauzes. Dit vindt de Staatssecretaris Participatie enIntegratie niet wenselijk vanwege zorgen die reedsbestaan over de inzet van beroepskrachten in opleidingen de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid. Daarnaastis dit niet in het belang van de ontwikkeling vanberoepskrachten in opleiding en ongunstig voor dewerkdruk in de kinderopvang.3. Een sectorpartij heeft voorgestelddat kinderopvangorganisaties nietlanger hoeven bij te houdenhoeveel kinderen en medewerkersaanwezig zijn.Dit vindt de Staatssecretaris Participatie en Integratieonwenselijk, want deze registratie is nodig om toezicht tekunnen houden op het naleven van de beroepskracht-kindratio (BKR). De BKR waarborgt dat kinderopvangor-ganisaties voldoende personeel inzetten voor het aantalkinderen dat zij opvangen. Daarmee is de BKR eenbasisvereiste voor de kwaliteit en veiligheid van dekinderopvang. Overigens gaven de meeste sectororgani-saties aan dat deze registraties voor kinderopvangorga-nisaties (los van de wetgeving) ook noodzakelijk zijnvanuit andere doeleinden, zoals de loonadministratie. Tot slot hebben de sectorpartijen suggesties gedaan waarbij de regel zelfniet de ervaren regeldruk veroorzaakt, maar onduidelijkheid of onvredeover de toepassing van de regel of het toezicht. Voor deze onderwerpenzit de oplossing niet in het aanpassen of schrappen van de regel, maar ineen eenduidige en gedragen toepassing van de regelgeving. Over dezeregels wil de Staatssecretaris Participatie en Integratie dat toezicht ensector met elkaar in gesprek gaan, en waar nodig sluit het Ministerie vanSZW aan.De leden van de fractie van de VVD vragen of de Staatssecretarisper maatregel inzichtelijk kan maken welk besluitvormingstrajectwordt voorzien, binnen welke termijn de Kamer een vervolgstapof keuze tegemoet kan zien, en hoe de voortgang meetbaar encontroleerbaar wordt gemaakt. Ook vragen zij of op dezemaatregelen een monitoringssystematiek wordt toegepast zoalsdie van de Minister van Economische Zaken.Voor de verruimde inzet van beroepskrachten in opleiding streeft deStaatssecretaris Participatie en Integratie naar inwerkingtreding per 1 juli2026. Deze maatregel kan de Staatssecretaris Participatie en Integratiedoorvoeren door aanpassing van een ministeriële regeling. Dedoorlooptijd voor de andere vier aangekondigde aanpassingen is naarverwachting twee tot drie jaar. Dit komt door de vaste processtappen bijhet veranderen van regelgeving die is opgenomen in een algemenemaatregel van bestuur. De Staatssecretaris Participatie en Integratieinformeert de Kamer medio 2026 over de stand van zaken en planning.Daarnaast zullen deze maatregelen worden toegevoegd aan de teller opde regeldrukmonitor van de Minister van Economische Zaken.Vragen over kwaliteit en veiligheidDe leden van de fractie van de PVV vragen hoe de Staatssecre-taris Participatie en Integratie de stijging verklaart van het aantaldossiers over fysiek geweld bij de vertrouwensinspecteurskinderopvang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57346 Het is onduidelijk of de stijging van het aantal dossiers komt doordat hetaantal gevallen van mogelijk fysiek geweld is toegenomen, of doorgrotere bekendheid van de meld-, overleg-, en aangifteplicht en devertrouwensinspectie waardoor mogelijk meer vermoedens gemeldworden. De afgelopen jaren is er namelijk gewerkt aan de bekendheid,mede door sectororganisaties en toezichtspartijen.De leden van de fractie van de PVV vragen of de StaatssecretarisParticipatie en Integratie een overzicht kan geven van degemeenten waarin deze meldingen over fysiek geweld in 2024hebben plaatsgevonden.De Staatssecretaris Participatie en Integratie beschikt niet over eendergelijk overzicht. Vanwege herleidbaarheid en privacy kan er ook geenuitsplitsing per gemeente gemaakt worden.De leden van de fractie van de PVV vragen ook waarom hetaantal strafrechtelijke aangiften naar aanleiding van dezemeldingen is gedaald in 2024, terwijl het aantal meldingen bijnaverdubbelde.Als in overleg met de vertrouwensinspecteur een redelijk vermoeden vaneen strafbaar feit wordt geconcludeerd, dan heeft de houder eenaangifteplicht. De vertrouwensinspecteurs zien erop toe dat de houderook daadwerkelijk aangifte doet. Het is vervolgens de taak van de politieom aan waarheidsvinding te doen.Door de grotere bekendheid van de vertrouwensinspectie overleggenhouders mogelijk vaker, ook bij twijfel, en is de drempel om contact op tenemen verlaagd. Ondanks de stijging van de totaalcijfers, daalde hetaantal aangifteplichtige dossiers inzake mishandeling. De StaatssecretarisParticipatie en Integratie vindt deze daling juist iets positiefs.De leden van de fractie van de PVV vragen of de StaatssecretarisParticipatie en Integratie een verdere stijging dan wel een dalingverwacht van het aantal incidenten met fysiek geweld op hetmoment dat kinderopvang vrijwel gratis wordt.Dit kan de Staatssecretaris Participatie en Integratie niet voorspellen. Hetis niet ondenkbaar dat een stijging van het aantal kinderen in de kinder-opvang en aantal werkenden in deze sector leidt tot een stijging in hetaantal dossiers. Meer dossiers hoeft zoals aangegeven niet altijd te leidentot een stijging van het aantal strafrechtelijke aangiften.De leden van de fractie van de PVV vragen of er gevallen bekendzijn waarin kinderopvangorganisaties genoodzaakt zijn bevei-ligers in te huren ter bescherming van kinderen en/of personeel.Bij het Ministerie van SZW is behalve de kinderopvangorganisatie in hetbericht waarover dit voorjaar Kamervragen werden gesteld, geen gevalbekend waarbij kinderopvangorganisaties beveiligers inhuren terbescherming van kinderen en/of personeel. Verder wordt verwezen naarde antwoorden van de Staatssecretaris Participatie en Integratie van15 april jl. op deze Kamervragen.2020Antwoorden op Kamervragen over het bericht ««Ouders «gaan volledig uit hun plaat» bijkinderopvang: «We moeten een streep trekken»«(2025Z05223).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57347 Overige vragenDe leden van de fractie van de BBB vragen of toekomstigewijzigingen in het kinderopvangbeleid vooraf getoetst kunnenworden op de impact op betaalbaarheid, toegankelijkheid enkwaliteit, inclusief de effecten op commerciële en regionaleaanbieders.Deze toetsen zijn onderdeel van het gebruikelijke brede afwegingskaderdat gebruikt wordt om (nieuw) beleid te toetsen en te evalueren.De leden van de fracties van de BBB en het CDA vragen wat dereden is dat in het nieuwe stelsel de subsidie alleen beschikbaaris voor kinderopvang binnen Nederland en niet voor opvang inhet buitenland. Ook vragen zij of er overgangsrecht of maatwerkvoorzien wordt voor houders in het buitenland en de ouders diebij daar kinderopvang afnemen.Er is een aantal redenen waarom de subsidie alleen voor houders inNederland beschikbaar wordt gesteld. Ten eerste acht het kabinet het,voor zover er sprake is van directe financiering, de verantwoordelijkheidvan ieder land om de financiering van kinderopvang in dat land teverzorgen. Ten tweede is het ingewikkeld om op basis van Nederlandsewetgeving eisen te stellen aan en toezicht te houden op een buitenlandseonderneming. zijn volgens het kabinet Voor de uitvoering is het finan-cieren van buitenlandse organisaties ook niet haalbaar. Het wetsvoorstelstelt diverse eisen aan de (financiële) administratie van houders en aan demanier waarop zij (digitale) gegevens uitwisselen met de uitvoerder. Bijkinderopvang in het buitenland zou dit betekenen dat de buitenlandsehouder voor één of enkele kinderen zou moeten worden aangesloten opde Nederlandse systemen van de uitvoerder. Hiervoor zouden steedskostbare en voor de uitvoering complexe maatwerkafspraken gemaaktmoeten worden. De buitenlandse kinderopvangorganisatie zou daarnaastmoeten voldoen aan de gestelde (Nederlandse) administratieve eisen,terwijl toezicht hierop in de praktijk niet mogelijk zou zijn. Ten slotte is ervanuit (Europese) wet- en regelgeving geen juridische verplichting om desubsidie voor kinderopvang ook voor opvang in het buitenlandbeschikbaar te stellen. Voor ouders die in de grensregio’s wonen, geldt datzij nog steeds aanspraak kunnen maken op de vergoeding als zij inNederland werken.Het wetsvoorstel voorziet niet in een overgangsrecht of maatwerk voorkinderopvang in het buitenland. Dit zou namelijk vereisen dat (delen van)het huidige stelsel met de kinderopvangtoeslag, inclusief de risico’sdaarvan voor ouders, parallel aan het nieuwe financieringsstelsel actiefzou moeten blijven. Dat achten we onwenselijk. Wel zal Dienst Toeslagenouders tijdig informeren over veranderingen in hun recht, zodat zij op tijdeen alternatief kunnen vinden wanneer de kinderopvangtoeslag stopt. Hetnieuwe financieringsstelsel wordt pas per 2029 ingevoerd. Ouders diekinderopvang in het buitenland afnemen hebben daarmee voldoendegelegenheid om rekening te houden met de gevolgen van de nieuwewetgeving. Ouders die in het buitenland wonen geldt dat zij straks nogsteeds aanspraak kunnen maken op gesubsidieerde kinderopvang als zijin Nederland werken en als de kinderopvang in Nederland wordtafgenomen.De leden van de fractie van het CDA vragen of het ouderbegrip inhet wetsvoorstel financiering kinderopvang getoetst is opruimere toepasbaarheid voor andere kindregelingen en voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57348 exporteerbaarheid van regelingen in het geval ouders naar hetbuitenland verhuizen.Het nieuwe financieringsstelsel kent een ander ouderbegrip dan dehuidige kinderopvangtoeslag en de andere (inkomensafhankelijke)kindregelingen. Om te bepalen of een ouder recht heeft op kinderopvang-toeslag wordt nu namelijk gekeken naar wie de ouder van het kind is en ofdie ouder een toeslagpartner heeft. Dit toeslagpartnerschap wordtgedefinieerd in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).Volgens deze definitie kunnen inwonende volwassenen zonder formelerelatie en zorgplicht voor het betreffende kind ook meetallen als partner.Dit is te verklaren met de inkomensafhankelijke aard van de toeslag: hethuishoudinkomen bepaalt de hoogte van de toeslag en het inkomen vanalle (toeslag)partners telt daarin mee. Daarom kan ook het ouderbegrip inhet kindgebonden budget niet los gezien worden van het partnerbegripzoals dat geldt in het toeslagenstelsel en is vastgesteld in de AlgemeneWet Inkomensafhankelijke regelingen. Wanneer gekozen zou worden omhet ouderbegrip van het nieuwe financieringsstelsel voor kinderopvangook toe te passen op het kindgebonden budget en de kinderbijslag zou ditbetekenen dat er binnen het toeslagenstelsel verschillen ontstaan in dewijze waarop de samenstelling van een huishouden en daarmee dehoogte van de toeslag wordt vastgesteld. Tevens leidt dit voor hetkindgebonden budget tot de aanname dat gehuwden die niet op hetzelfdeadres wonen (bijvoorbeeld omdat een van de ouders ergens anders werkten woont), ook geen gezamenlijke financiële huishouding voeren. Dit kanonduidelijk zijn voor de burger en gaat gepaard met (mogelijk fors)hogere budgettaire effecten, in het bijzonder door het ontstaan van rechtop de alleenstaande ouder-kop.Er is een aantal redenen waarom het nieuwe financieringsstelsel eenander ouderbegrip kent dan de huidige kindregelingen. Ten eerste is hetnieuwe financieringsstelsel een inkomensonafhankelijke regeling. Het ligtdaarom niet voor de hand om vast te houden aan de Awir-begrippen. Tentweede sluit het nieuwe ouderbegrip beter aan bij de gangbare belevingvan verantwoordelijkheid voor de zorg voor het kind. En dat sluit weer aanbij aan een van de doelstellingen van het kinderopvangbeleid: ervoorzorgen dat ouders arbeid en de zorg voor hun kinderen kunnen combi-neren. Ten derde draagt het hanteren van een eenvoudiger en intuïtieverouderbegrip bij aan een van de doelen van de nieuwe financiering: eeneenvoudiger en beter begrijpelijk financieringsstelsel voor ouders.Ten aanzien van verhuizingen naar of verblijf in het buitenland geldt dathet recht op gesubsidieerde kinderopvang niet exporteerbaar is. Zoals inde beantwoording hierboven beschreven staat is de subsidie namelijkalleen beschikbaar voor houders van kindercentra en gastouderbureaus inNederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 322, nr. 57349
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.