Verslag
Brontekst
Versie dc5fe2b64a1f03a1 · officiële bron36 993 Wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing subsidietermijn naar acht jaar Nr. 5 Verslag Vastgesteld 23 september 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid. I. Algemeen De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de aanpassing van de subsidietermijn naar acht jaar. Deze leden onderschrijven het doel om culturele instellingen meer rust en zekerheid te bieden, administratieve lasten te verminderen en meer ruimte te creëren voor langetermijninvesteringen en artistieke ontwikkeling. Zij vinden het tegelijkertijd belangrijk dat een langere subsidieperiode samengaat met voldoende ruimte voor vernieuwing, nieuwe makers en nieuwe instellingen. Deze leden waarderen daarom dat het wetsvoorstel ruimte laat voor verschillende subsidietermijnen en dat de verdere uitwerking hiervan plaatsvindt in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en de beleidskaders van de Rijkscultuurfondsen. Zij hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met aanpassing naar acht jaar. Deze leden hechten aan een sterke en ondernemende culturele sector. Zij onderschrijven het terugdringen van administratieve lasten, temeer als de bovengenoemde sector hiermee tijd en middelen worden bespaard. Deze leden hebben nog enkele vragen over onderhavig wetsvoorstel. De leden van de PRO-fractie willen dat essentiële cultuurvoorzieningen (lokaal, regionaal en landelijk) die het fundament vormen van onze cultuursector, een stevige wettelijke basis krijgen. Dit houdt verband met een zorgplicht voor cultuur met een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor Rijk, provincies en gemeenten, die deze leden graag in de wet vastgelegd zouden zien. Daarnaast willen zij dat het mogelijk wordt om voor acht in plaats van voor vier jaar subsidie aan te vragen, want dit geeft instellingen die hun meerwaarde hebben bewezen, meer vertrouwen, meer stabiliteit en meer zekerheid en vermindert de administratieve lasten. Wat dit betreft zien de leden van de PRO-fractie het onderhavige wetsvoorstel – dat regels voor cultuursubsidies voortaan voor de periode van acht jaren beoogt vast te stellen, fondsen voortaan voor de periode van acht jaren subsidie beoogt te verstrekken en een specifieke cultuuruitkering voortaan gedurende ten hoogste acht jaar beoogt te verstrekken – als een stap in de goede richting. Hoe denkt de regering over een wettelijke zorgplicht voor cultuur, naar analogie met het wetsvoorstel voor de bibliotheekvoorzieningen waarmee de Kamer nog onlangs heeft ingestemd?[voetnoot 1] De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn blij dat uitvoering wordt gegeven aan het advies van de Raad voor Cultuur om de subsidietermijn te verlengen van vier naar acht jaar. Zij hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het specifiek cultuurbeleid in verband met de aanpassing van de subsidietermijn naar acht jaar. Deze leden zien op dit moment geen aanleiding tot het stellen van vragen over het voorliggende wetsvoorstel. 1. Inleiding Kunst en cultuur dragen bij aan verbinding en creativiteit. De regering wenst vooral met de aangepaste beleidscyclus meer rust te brengen in de subsidieperiodes. De leden van de PRO-fractie verwachten echter dat de regering meer ambitie laat zien op cultuur dan vooralsnog zichtbaar wordt. 2. Algemeen 2.1 Aanleiding wetswijziging De Raad voor Cultuur bracht in 2024 het advies ‘Toegang tot cultuur’ uit en adviseerde verschillende elementen in het bestel aan te passen, waaronder de maximumduur van financiering.[voetnoot 2] Nu kende dit advies méér elementen dan dit wetsvoorstel nu gestalte beoogt te geven. De leden van de PRO-fractie vragen de regering om per element toe te lichten waarom zij ervoor heeft gekozen om deze (nog) niet over te nemen. 2.2 Probleemomschrijving De leden van de VVD-fractie onderschrijven de motivering dat een verlenging van de subsidiecyclus leidt tot minder administratieve lasten bij culturele organisaties. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten in hoeverre het knelpunt bij de duur van de subsidieperiode ligt en in hoeverre bij de aanvraagprocedures en de gestelde voorwaarden. 2.3 Motivering instrumentkeuze De leden van de D66-fractie lezen dat de huidige beleidscyclus van vier jaar vooral knelt bij organisaties met een lange planningshorizon en dat de huidige systematiek veel tijd en capaciteit vraagt voor het telkens opnieuw aanvragen van subsidie. Ook beperkt de vierjarige cyclus volgens de regering de mogelijkheden voor artistieke ontwikkeling en innovatie. Kan de regering nader toelichten voor welke typen culturele organisaties een achtjarige subsidieperiode naar verwachting de grootste meerwaarde heeft? Voor welke typen instellingen of activiteiten verwacht de regering juist dat een kortere subsidieperiode passend zal blijven? Kan de regering toelichten aan de hand van welke uitgangspunten straks in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid wordt bepaald welke functies of categorieën instellingen voor een langere subsidieperiode in aanmerking komen? Hoe wordt daarbij voorkomen dat de keuze tussen bijvoorbeeld een vier- en achtjarige termijn voor instellingen onvoldoende voorspelbaar wordt? De leden van de VVD-fractie vragen op basis van welke criteria wordt bepaald voor welke categorieën instellingen een achtjarige subsidie passend is. Kan de regering dat nader toelichten, zo vragen deze leden. Wordt daarbij bijvoorbeeld gekeken naar eerder geleverde prestaties, planning, financiële gezondheid en de mogelijkheid om andere inkomsten te verwerven? Hoe wordt voorkomen dat achtjarige subsidiëring de standaard wordt zonder dat de noodzaak daarvan per categorie is onderbouwd? De leden van de VVD-fractie lezen dat een vereenvoudiging van de zogeheten indieningsvereisten beperkt mogelijk is. Deze leden vragen de regering welke concrete vereisten daarbij zijn onderzocht. Zij vrezen dat het verlengen van de subsidietermijn beperkt helpt als de aanvraag zelf complex blijft. Kan de regering daar nader op ingaan, zo vragen deze leden. 2.4 Risico-mitigatie De leden van de D66-fractie onderschrijven dat bij een langere subsidieperiode aandacht nodig is voor de toegankelijkheid van het bestel voor nieuwe toetreders. De regering geeft aan dat de fondsen door de langere beleidscyclus juist meer differentiatie in hun instrumentarium kunnen aanbrengen en dat aan hen zal worden gevraagd een balans te zoeken tussen vernieuwing enerzijds en rust en ruimte anderzijds. Kan de regering nader toelichten hoe bij de uitwerking van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid wordt geborgd dat er gedurende de achtjarige periode voldoende mogelijkheden voor instroom en vernieuwing blijven bestaan? De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat een langere subsidieperiode de budgetflexibiliteit beperkt, maar dat het budgetrecht van de Staten-Generaal onverkort blijft bestaan. Bij een neerwaartse aanpassing moet volgens de regering rekening worden gehouden met reeds aangegane verplichtingen en een redelijke termijn. Kan de regering nader toelichten wat zij in dit verband onder een ‘redelijke termijn’ verstaat en hoe culturele instellingen voldoende zekerheid wordt geboden om daadwerkelijk langjarige verplichtingen aan te kunnen gaan? De leden van de VVD-fractie begrijpen dat er een begrotingsvoorbehoud wordt opgenomen waarbij de begrotingswetgever in staat blijft bij te sturen op het budget. Deze leden vragen de regering nader te duiden welke feitelijke ruimte de begrotingswetgever heeft ten aanzien van de redelijke termijn en de verplichtingen die reeds met ontvangers zijn aangegaan. Kan de regering met een voorbeeld schetsen hoe dit in de praktijk zou uitwerken, zo vragen deze leden. De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de regering meent dat minder toetredingsmomenten niet betekent dat het stelsel minder toegankelijk wordt voor nieuwe toetreders. Deze leden vragen de regering dit nader uit te leggen. Welke mogelijkheden houden makers en instellingen gedurende de periode van acht jaar om tot de door het Rijk gefinancierde infrastructuur toe te treden, zo vragen zij. Hoe voorkomt de regering dat nieuwe instellingen met veel potentie uitsluitend doorverwezen worden naar de fondsen? De regering erkent dat er met de verlenging van de subsidietermijn naar acht jaar, voor zover het de directe financiering door het Rijk betreft, minder momenten zijn waarop culturele organisaties op basis van een subsidieaanvraag worden beoordeeld, maar spreekt tegen dat het subsidiesysteem minder toegankelijk wordt voor nieuwe toetreders. Kan de regering nader toelichten wat de verlengde subsidietermijn kan en moet betekenen voor nieuwe toetreders? Van welke factoren hangt het af of er iets verandert in de toegankelijkheid van het bestel voor nieuwe toetreders, zo vragen de leden van de PRO-fractie. De regering heeft ervoor gekozen om bij directe subsidies door het Rijk aan instellingen (de kleine BIS) en bij de subsidies aan de fondsen een nieuwe termijn van acht jaar te hanteren, maar bij subsidies door de fondsen flexibiliteit aan te brengen door hen weliswaar de mogelijkheid te bieden om achtjarige subsidies te verlenen, maar ook de mogelijkheid hiervan af te wijken en een kortere termijn te hanteren. Wat de leden van de CDA-fractie betreft kan hieruit de verwachting ontstaan dat alle subsidies voor acht jaar verleend zullen worden. Deze leden vragen de regering te bevestigen dat dit niet het doel is. Bij het Fonds Podiumkunsten en in de sector blijft behoefte bestaan aan kortere en langlopende subsidies tussen de één en acht jaar, zodat nieuwe instroom mogelijk blijft en makers die meer behoefte hebben aan korter lopende subsidies nog steeds bij het Fonds terecht kunnen. Deze leden vragen op welke wijze het voorliggende wetsvoorstel hier ruimte aan geeft. Deze leden vragen of de regering hierbij ook wil ingaan op het advies van de Raad voor Cultuur die juist heeft geadviseerd om de fondsen wel te financieren voor acht jaar, maar bij de uitkering van subsidies door fondsen wel vast te houden aan een subsidietermijn van vier jaar. Deze leden vragen of de regering nader wil toelichten waarom van het advies van de Raad voor Cultuur wordt afgeweken. De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering aan de fondsen wil vragen om een balans te zoeken tussen stabiliteit en ruimte voor vernieuwing en dat hierover indien nodig aanwijzingen aan de fondsen worden gegeven. Deze leden vragen de regering aan welke kaders zij op dit moment denkt. 3. Wetsvoorstel 3.1 Doel van het wetsvoorstel De leden van de CDA-fractie onderkennen dat een langere subsidietermijn kan bijdragen aan rust in de culturele sector, minder administratieve lasten en ruimte voor investeringen in grotere producties. Tegelijkertijd geldt dat culturele instellingen in het algemeen niet acht jaar vooruit begroten of reeds weten hoe de behoefte van het publiek of activiteiten er dan uit zien. Deze leden vragen of de regering dit ook zo ziet en hoe het wetsvoorstel en de uit te werken regeling hiermee rekening houden. 3.2 Inhoud van het wetsvoorstel De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de medewetgever ten minste één keer per acht jaar zal informeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid. Deze leden vragen de regering nader te duiden waarom een achtjarige subsidieperiode niet kan samengaan met een vierjaarlijkse beleidsbrief waarin wordt ingegaan op eventuele ontwikkelingen, opdat de medewetgever bij kan sturen. De Raad voor Cultuur heeft voor cultuurbeleid een viertal doelen geformuleerd. Dat zijn: 1) talentontwikkeling; creatief en kunstzinnig talent in alle genres en disciplines krijgt voldoende kansen en mogelijkheden om zich artistiek te ontplooien, 2) toegang; iedereen in Nederland heeft, ongeacht leeftijd, culturele achtergrond, inkomen en woonplaats, toegang tot cultuur, 3) pluriformiteit; de overheid waarborgt een pluriform aanbod van cultuur waarin het bestaande wordt gekoesterd en het nieuwe wordt omarmd en 4) reflectie; er is een wederkerige relatie tussen cultuur en samenleving waarin cultuur functioneert als veilige haven om kritisch te kunnen reflecteren op de samenleving en haar burgers. Omgekeerd geeft de culturele sector zich rekenschap van zijn plek in de maatschappij. De leden van de PRO-fractie onderschrijven de doelen voor het cultuurbeleid zoals geformuleerd door de Raad voor Cultuur, maar constateren dat deze nog niet zijn verankerd in de wettekst. Dat geeft de wet minder richting dan deze leden wenselijk achten. Wat hen betreft zou de betere borging van een bloeiende culturele sector in heel Nederland, waar de Kamer in 2024 met het aannemen van de motie van de leden Rooderkerk en Mohandis om heeft gevraagd[voetnoot 3], tevens het vastleggen van culturele doelstellingen in de wet veronderstellen. De minister schreef onlangs met het rapport over geografische spreiding deze motie af te doen.[voetnoot 4] Waar zegt het rapport iets en wat zegt het over wettelijke verankering van de vier culturele doelstellingen uit de motie? Ook het IPO en de belangenvereniging Kunsten ’92 pleiten voor zo’n verankering van de doelen in de wetstekst. Heeft de regering dit ook overwogen? Is zij bereid om deze doelen alsnog in de wet op te nemen? De leden van de PRO-fractie overwegen anders hiertoe een amendement in te dienen. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader wil toelichten of en in hoeverre instellingen die gefinancierd worden vanuit de Erfgoedwet effect ondervinden van dit wetsvoorstel. Verandert voor de (Rijks)musea die hun wettelijke grondslag vinden in de Erfgoedwet de subsidietermijn? De leden van de CDA-fractie constateren verder dat er ook allerlei culturele instellingen zoals musea zijn die gesubsidieerd worden door andere departementen zoals het ministerie van Defensie of het ministerie van VWS. Deze leden vragen in hoeverre ook voor deze subsidies een termijn van acht jaar gaat gelden. 4. Doeltreffendheid en doelmatigheid De leden van de D66-fractie vinden het positief dat het wetsvoorstel beoogt de administratieve lasten voor culturele instellingen te verminderen. De memorie van toelichting laat zien dat het voorbereiden van een subsidieaanvraag op dit moment aanzienlijke kosten met zich kan brengen. Hoe zal de regering na invoering vaststellen in hoeverre de beoogde vermindering van de administratieve lasten daadwerkelijk wordt bereikt? Welke gegevens worden daarvoor voorafgaand aan de nieuwe subsidieperiode verzameld zodat de ontwikkeling van deze lasten kan worden gevolgd? De leden van de D66-fracctie lezen ook dat het grotere belang van één aanvraag voor acht jaar ertoe kan leiden dat instellingen meer tijd en middelen in die aanvraag investeren. Hoe wordt bij de vormgeving van de nieuwe Regeling op het specifiek cultuurbeleid voorkomen dat de aanvraagprocedure hierdoor juist omvangrijker of ingewikkelder wordt en een deel van de beoogde administratieverlichting verloren gaat? De leden van de VVD-fractie zien kansen om een langere financieringsperiode te benutten voor het aanjagen van cultureel ondernemerschap. Kan de regering aangeven of zij aanwijzingen heeft dat een langere subsidieperiode zal leiden tot meer zekerheid onder private financiers waardoor zij zich voor langere tijd aan instellingen zullen verbinden, zo vragen deze leden. Op welke manier wordt bevorderd dat instellingen de extra tijd en zekerheid gebruiken om eigen inkomsten en private bijdragen te vergroten? De leden van de VVD-fractie vinden het van belang dat de verdubbeling van de subsidieperiode niet leidt tot verlies van de urgentie dan wel motivatie om ondernemend te werken. Deze leden vragen de regering toe te lichten of, en zo ja, welke verwachtingen aan instellingen worden gesteld ten aanzien van het verwerven van eigen inkomsten en het vergroten van publieksbereik. Worden daarover toetsbare afspraken gemaakt met subsidieaanvragers? Welke mogelijkheden zijn er voor de (mede)wetgever om daarin tussentijds bij te sturen? 5. Monitoring en evaluatie De leden van de VVD-fractie vragen aandacht van de regering voor wat er gebeurt als een instelling of maker wel aan de verantwoordingsvereisten voldoet, maar het publieksbereik substantieel achterblijft. Zijn er op dat moment manieren om bij te sturen dan wel in te grijpen, zo vragen deze leden de regering. 6. Financiële gevolgen De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen additionele middelen nodig zijn die verband houden met deze wetswijziging. Daarbij vragen deze leden zich af of er een analyse is gemaakt van mogelijk juridische gevolgen en aansprakelijkheid van een veranderend politiek landschap waarbij het jaarlijks beschikbare budget voor de regelingen verlaagd wordt. Als die analyse is gemaakt, wat is dan de uitkomst daarvan? De regering stelt dat er geen additionele middelen nodig zijn die verband houden met deze wetswijziging en dat het jaarlijkse budget dat beschikbaar is voor de regelingen, onder voorbehoud van politieke besluitvorming, in principe gelijk blijft. Nu tonen de nieuwste cijfers van de Monitor Creatieve Industrie 2025 de aanzienlijke economische betekenis aan van de culturele en creatieve sector: een gezamenlijke directe toegevoegde waarde van € 27,6 miljard en werkgelegenheid voor meer dan 400.000 mensen.[voetnoot 5] In hoeverre ziet de regering in deze economische betekenis reden om cultuursubsidies te herwaarderen, zo vragen de leden van de PRO-fractie. 7. Gevolgen voor decentrale overheden De leden van de D66-fractie constateren dat veel culturele instellingen zowel door het Rijk als door gemeenten en provincies worden gefinancierd. In de internetconsultatie is daarom aandacht gevraagd voor verdere vereenvoudiging en betere afstemming van procedures en informatievereisten tussen verschillende overheden. De regering geeft aan dit mee te nemen in gesprekken met decentrale overheden. Ziet de regering mogelijkheden om samen met provincies en gemeenten verantwoordingsvereisten beter op elkaar af te stemmen? De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat de regionale functie van culturele instellingen en de geografische spreiding verder worden uitgewerkt in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. Kan de regering nader toelichten op welke wijze regionale spreiding en de betekenis van instellingen voor omliggende gemeenten en regio's worden betrokken bij de criteria voor de subsidieperiode vanaf 2029? In artikel 2 van de Wet op het specifiek cultuurbeleid is opgenomen dat de minister is belast met het scheppen van voorwaarden voor onder andere de geografische spreiding of anderszins verbreiden van cultuuruitingen.[voetnoot 6] Dit artikel blijft met dit wetsvoorstel ongewijzigd. De leden van de PRO-fractie constateren dat er op dit moment nog geen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor cultuursubsidies bestaat tussen het Rijk, gemeenten en provincies, met alle financiële onzekerheid voor culturele initiatieven van dien. Hoe denkt de regering erover om ook op dit punt meer duidelijkheid te scheppen in de wet, bijvoorbeeld over de rol van gemeenten als onderdeel van de culturele basisinfrastructuur waarbij gemeenten investeren in voldoende cultuurprofessionals en betaalbare plekken waar cultuur kan worden gemaakt en gepresenteerd? 8. Toetsen en consultatie 8.2 Raad voor Cultuur Het heeft de instemming van de leden van de PRO-fractie dat de Raad voor Cultuur haar belangrijke rol behoudt bij de verdeling van de cultuursubsidies. Deze rol is ook in overeenstemming met het principe van Thorbecke dat de regering geen oordeel noch gezag heeft op het gebied der kunst.[voetnoot 7] Dit principe betekent bescherming van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting als fundament van onze democratie en als tegenwicht tegen de antidemocratische krachten. Voelt de regering ervoor om dit principe ook te verankeren in de wet? 8.3 Rijkscultuurfondsen De leden van de VVD-fractie lezen dat het niet mogelijk is om met zekerheid te zeggen welke effecten de aanpassing van de subsidieperiode naar acht jaar hebben, maar dat de gevolgen wel kunnen worden ingeschat, gevolgd door een beschrijving van die inschatting. Waar is deze inschatting op gebaseerd? Zijn de fondsen gevraagd om bij te dragen aan die inschatting? De voorzitter van de commissie, Koorevaar Adjunct-griffier van de commissie, Easton 2 Kamerstuk 36902. Raad voor Cultuur, 26 januari 2024, Toegang tot cultuur: Op weg naar een nieuw bestel in 2029 (https://www.raadvoorcultuur.nl/documenten/2024/01/26/advies-toegang-tot-cultuur). Kamerstuk 36600-VIII, nr. 50. Kamerstuk 32820, nr. 527. Monitor creatieve industrie 2025, maart 2026 (https://uploads.strikinglycdn.com/files/edee69d8-a560-469d-8d15-c0c0de44f2a9/Monitor_creatieve_industrie_2025_def.pdf). Wet op het specifiek cultuurbeleid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005904/2016-07-01/0). De minister van Binnenlandse Zaken, de heer Thorbecke: “Ik zal niet zeggen dat ik er geen belang in stel: een groot deel van mijn leven was daaraan gewijd. Maar het is geen zaak van regering. De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst.” Handelingen II, vergaderjaar 1862-1863, blz. 36.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.