KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over Belastingconstructies

27 aug 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 9f3d756f2f2b9eff · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202425 087Internationaal fiscaal (verdrags)beleidNr. 341 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 27 augustus 2024 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën overBelastingconstructiesDe vragen en opmerkingen zijn op 20 juni 2024 aan de Staatssecretarisvan Financiën voorgelegd. Bij brief van 27 augustus 2024 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,TielenDe adjunct-griffier van de commissie,Lips kst-25087-341ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3411 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deStaatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst Ik heb met belangstelling kennisgenomen van de vragen van de verschil-lende fracties van de Tweede Kamer naar aanleiding van de beant-woording van een drietal sets schriftelijke Kamervragen inzake Belasting-constructies.1 Ik dank de leden voor de door hen gestelde vragen, waaropik hierna inga. Bij de beantwoording van de vragen is de volgorde van hetverslag aangehouden.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de diversebrieven samenhangend met «Belastingconstructies» en hebben hierovernog enkele vragen.Kan de Staatssecretaris aan de leden van de PVV-fractie aangeven of ereen uniforme internationale definitie bestaat van «High net worthindividuals» en zo ja, wat deze definitie dan behelst?Er is geen officiële internationale definitie van «high net worth indivi-duals» (HNWI’s).Kan de Staatssecretaris aan de leden van de PVV-fractie aangeven welkeOESO-landen steun hebben uitgesproken voor een belastingheffing van«High net worth individuals»?Begin dit jaar viel er in de pers te lezen dat er sprake was van«momentum» over het extra belasten van «extreem rijken», zo consta-teren deze leden. Wat is de status hiervan? Zijn er concrete voorstellengedaan en zo ja, welke?Er bestaat nog steeds momentum om de belastingheffing van HNWI’s teverbeteren. Internationaal wordt dit onderwerp in diverse gremiageagendeerd, zoals in de G20.2 Ook in OESO verband wordt over ditthema gesproken. Zo heeft tijdens de vergadering van het InclusiveFramework (IF) van de OESO eind mei een discussie plaatsgevonden over«Tax and Inequality». Nederland heeft actief deelgenomen aan depaneldiscussie en is daarbij onder andere ingegaan op de bevindingen uithet IBO Vermogensverdeling.3 Een verslag van de IF-vergadering is beginjuni naar uw Kamer gestuurd.4 Zowel het OESO-secretariaat als diverseandere landen hebben positief gereageerd op de opmerking vanNederland dat de OESO met dit onderwerp aan de slag gaat en om tekomen tot internationale afspraken.Nederland heeft bij de OESO ook het belang van een stapsgewijze aanpakbenadrukt om zoveel mogelijk draagvlak bij andere landen te creëren enzodoende te komen tot een effectieve aanpak. Bij het uitwerken van eerste1Dit betreft antwoorden op 1) vragen van het lid Idsinga over het artikel Hoge Raad oordeelt innadeel van de fiscus, boetes dividendstrippen onzeker (2024D05178, beantwoord op 12 februari2024, Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 999) 2) vragen van de leden Stultiens, Maâtougen Dijk over het artikel over belastingontwijking door de rijkste vrouw van Nederland(2024D20515, beantwoord op 22 mei 2024, Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 1803) en3) vragen van het lid Idsinga over het artikel Hoe chemiebedrijf OCI zijn aandeelhoudersmil-jarden uitkeert en de fiscus met lege handen achterblijft ( 2024D20527, beantwoord op 22 mei2024, Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 1804).2https://www.g20.org/en/documents/documents-resulting-from-the-3rd-g20-finance-ministers-and-central-bank-governors-meeting-rio-de-janeiro-25th-and-26th-of-july-2024/1-g20-ministerial-declaration-international-taxation-cooperation.pdf/@@download/file3«Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling», IBO vermogensverdeling, https://open.overheid.nl/documenten/ronl-c2da23e05fef0df2b0cd79ff09c88c673d3b3e95/pdf.4Kamerstukken II 2023–24, 25 087, nr. 339.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3412 concrete stappen kan worden gedacht aan het uitbreiden van de interna-tionale uitwisseling van informatie naar bezit van vastgoed en andereniet-financiële bezittingen. Ook kan worden gekeken naar de knelpunten inde verschillende nationale stelsels. Denk daarbij ook aan fiscale regimesdie verschillende landen in afgelopen decennia hebben opgetuigd omvermogende personen naar zich toe te trekken. Zo heeft Nederland bij deOESO het voorstel gedaan om te onderzoeken of en op basis van welkecriteria schadelijke regimes gericht op zeer vermogende personenbeoordeeld zouden moeten worden. Hierover wordt mogelijk komendeperiode verder gesproken.Kan de Staatssecretaris nader toelichten wat de effecten zijn vanmaatregelen in verband met het belasten van «high net worth indivi-duals» in nationaal verband ten opzichte van internationaal verband?Het gaat hier om een evenwichtige belastingheffing van personen enhuishoudens. Verschillende analyses lijken er op te wijzen dat gemiddeldgenomen zeer vermogende personen en huishoudens een lagerebelastingdruk kennen dan andere huishoudens. Dit als gevolg vanonevenwichtigheden in nationale belastingstelsels en vanwege (grote)verschillen in belastingstelsels tussen landen. De onevenwichtighedenbinnen nationale stelsels betreft het verschil in belasten van inkomen uitarbeid en vermogen en het verschil in het belasten van verschillendevormen van vermogen (zoals de eigen woning, pensioenen, aanmerkelijkbelang in box 2 en spaar- en beleggingsvermogen in box 3). In het IBOVermogensverdeling5 is daar uitgebreid op ingegaan en in afgelopenperiode zijn diverse maatregelen genomen om hier meer evenwicht in tebrengen. Dergelijke nationale maatregelen die nationale belastingstelselsevenwichtiger maken kan elk land unilateraal nemen en sluiten interna-tionale afspraken niet uit. Integendeel, internationale afspraken kunnenjuist nationale maatregelen versterken. Zeer vermogende personen zijn instaat om – vergelijkbaar met multinationale ondernemingen – hunbelastingdruk wereldwijd te optimaliseren.6 Internationale belasting-stelsels zijn op het gebied van de inkomstenbelasting, vermogensbe-lasting en schenk- en erfbelasting niet goed op elkaar afgestemd. Doorgebruik te maken van de verschillen tussen nationale belastingstelsels zijnmet name vermogende personen – vergelijkbaar met multinationaleondernemingen – in staat om hun belastingdruk wereldwijd te optimali-seren. Dit effect wordt versterkt doordat diverse landen in de afgelopendecennia hun belastingstelsel hebben aangepast om zeer vermogendepersonen dan wel schaarse werknemers aan te trekken, waarbij deachterliggende gedachte is dat deze personen uiteindelijk meer bijdragenaan de welvaart van dat land dan het verlies aan belastinginkomsten ineerste instantie kost. Sommige landen hebben bijvoorbeeld hogevrijstellingen voor (arbeids-)inkomen, dan wel belasten personen op eenongebruikelijke wijze7, of laten al het in een ander land verdiend inkomenbuiten beschouwing, waardoor dat onder omstandigheden nergens belastwordt. Daarnaast zijn er landen met in het geheel geen inkomstenbe-lasting. Deze mogelijkheden vergroten de kans dat een deel van de zeervermogenden internationaal bezien relatief laag wordt belast en mogelijklager dan de huishoudgroepen en personen met een lager inkomen en/ofvermogen. Het gevolg van deze fiscale concurrentie is dat op wereldwijdniveau de belastinggrondslag erodeert en de meeste landen belastingop-5«Licht uit, spot aan: de vermogensverdeling», IBO vermogensverdeling, https://open.overheid.nl/documenten/ronl-c2da23e05fef0df2b0cd79ff09c88c673d3b3e95/pdf.6Zie ook Belastingen in maatschappelijk perspectief – Bouwstenen voor een beter en eenvou-diger belastingstelsel, 2024. Kamerstukken II, 2023/24, 32 140, nr. 1807Ongebruikelijk in de zin dat het niet de relatie met de omvang van het inkomen of vermogenniet helder is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3413 brengsten verliezen. Mondiale en Europese samenwerking dat inzet opeen gelijk speelveld op het gebied van de belastingheffing van zeervermogende personen kan dit tegengaan.Kan de Staatssecretaris aan de leden van de PVV-fractie aangeven of demogelijkheid van een onbelaste kapitaalterugbetaling een uniekeNederlandse maatregel is, dan wel of deze in brede internationale zineveneens wordt gehanteerd? Kortom wijkt Nederland internationaalgezien op dit vlak significant af van andere landen?De leden van de fractie van PVV vragen of de mogelijkheid van eenonbelaste kapitaalterugbetaling een unieke Nederlandse maatregel is. Hetis van belang om een onderscheid te maken tussen het financieren vaneen vennootschap (inclusief een eventuele terugbetaling van diefinanciering) en het verkrijgen van een opbrengst uit die financiering. Dedividendbelasting belast de opbrengst uit de financiering van een bedrijfmet eigen vermogen. Omdat een terugbetaling van kapitaal – mits aanbepaalde voorwaarden voldaan wordt – voor een aandeelhouder geenopbrengst is, vindt dit onbelast plaats. Dit onderscheid wordt internati-onaal breder gehanteerd. De precieze fiscale regels verschillen per land.De informatie over de wijze hoe andere landen fiscaal omgaan met eenterugbetaling van kapitaal is niet direct voorhanden. Op basis vanopenbare informatie, waarbij het een interpretatie betreft van buitenlandsrecht zonder communicatie hieromtrent met de desbetreffende landen,lijkt het bijvoorbeeld wel zo te zijn dat in omliggende landen – zoalsDuitsland, Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk – een terugbetalingvan kapitaal eveneens onbelast is.Kan de Staatssecretaris voor de leden van de PVV-fractie de bedrijfseco-nomische waarde van een onbelaste kapitaalteruggave nader in kaartbrengen? In hoeverre zou het bedrijfsleven dan wel de Nederlandseconcurrentiepositie schaden als de kapitaalteruggave niet meer mogelijkzou zijn, dan wel beperkt zou worden?Het is niet mogelijk om in kaart te brengen welk bedrag aan kapitaalterug-gaven jaarlijks plaatsvindt. In de aangiften vennootschapsbelasting is eenkapitaalteruggave niet te onderscheiden van andere reguliere mutaties inhet kapitaal als gevolg van opheffing, herstructurering, ontvoeging in eenfiscale eenheid of het intrekken van aandelen (bijvoorbeeld na de inkoopvan eigen aandelen). Een kapitaalteruggave is, naast een (reguliere)dividenduitkering of een inkoop van eigen aandelen, een mogelijkheid vaneen vennootschap om een betaling aan haar aandeelhouders te doen. Aandeze keuze kunnen verschillende bedrijfseconomische redenen tengrondslag liggen. Als voorbeeld kan worden gegeven een vennootschapdie een deel van haar bedrijfsactiviteiten afstoot, daarmee opbrengstgenereert, maar waar geen winst mee wordt behaald. Terugbetaling vankapitaal kan dan voor de vennootschap een zakelijke overweging zijn. Eeneventueel aanwezige winstreserve – waaruit toekomstige dividenduitke-ringen gedaan kunnen worden – blijft in een dergelijk geval geheel instand.8Het wegnemen van de mogelijkheid voor een onbelaste kapitaalteruggavekan schadelijk zijn voor het bedrijfsleven, omdat een betaling aan deaandeelhouders dan mogelijk niet meer via de bedrijfseconomischoptimale route kan plaatsvinden. Als het buitenland niet heft over eenvergelijkbare terugbetaling, dan kan dit verschil in benadering hetNederlandse vestigingsklimaat en daarmee de concurrentiepositiebeïnvloeden.8ECLI:NL:PHR:1997:AA2208, onderdeel 3.6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3414 De leden van de PVV-fractie lezen uit de brief van de Staatssecretaris vanbegin dit jaar dat er op dit moment nog zes dividendstripping zaken onderde rechter zijn. Wanneer worden deze zaken behandeld? Kan de Staatsse-cretaris aangeven bij hoeveel fraudezaken de Belastingdienst isbetrokken? Op welk fiscaal gebied hebben deze zaken betrekking? Kan deStaatssecretaris aangeven wat de potentiële budgettaire impact is vandeze zaken?De Belastingdienst is op dit moment betrokken bij acht procedures overdividendstripping. De timing van het onderzoek ter zitting en het doen vanuitspraak wordt in beginsel bepaald door het betreffende rechtscollege.De procedure waarover de Hoge Raad op 19 januari 2024 arrest heeftgewezen9, is terugverwezen naar het Gerechtshof Den Haag. In vierprocedures is uitspraak gedaan door de rechtbank en is er hoger beroepingediend. In een procedure heeft de rechtbank besloten de zaak aan tehouden in afwachting van een uitspraak door het Europese Hof vanJustitie. De overige twee procedures zijn in behandeling bij de rechtbanken het gerechtshof.Binnen de Belastingdienst staat de FIOD opgesteld voor het doen vanopsporingsonderzoeken met een strafrechtelijk karakter. Naar de aard vanhet werk en de vigerende wetgeving (Wet Politiegegevens) kunnen hiergeen uitspraken over gedaan worden. In 2023 betrof ruim 22% van debeschikbare directe opsporingsuren fiscale zaken. Deze worden nietonderverdeeld naar belastingmiddelen. Voor inzicht van afgerondeonderzoeken verwijs ik u naar het Jaarverslag 2023 van de FIOD dat op20 juni 2024 naar uw Kamer is verzonden.10Nederland schijnt ten opzichte van Duitsland meer «speelruimte» tehebben in de aanpak van dividendfraude. Kan de Staatssecretaris eenoverzicht verstrekken op welke manier Duitsland «succesvoller» is danNederland, afgezet tegen andere Europese landen?De verschijningsvormen van dividendstripping in de praktijk zijn divers encomplex en de problematiek is niet per definitie in ieder land hetzelfde. Deproblematiek die in Duitsland speelde heeft veelvuldig de media gehaald.In Duitsland is geconstateerd dat op basis van de nationale wetgeving tot2012 door middel van cum/ex transacties de ene partij dividendbelastingkon inhouden zonder deze af te de dragen, terwijl de andere partij met deaan haar uitgereikte dividendnota de niet afgedragen dividendbelastingkon verrekenen. Inmiddels is de Duitse nationale wet op dit puntaangepast. In Nederland bestond en bestaat een dergelijke mogelijkheidniet. Wel kunnen zich in Nederland andere situaties voordoen rondomteruggaaf en verrekening van dividendbelasting.11 Het kabinet begrijptechter de wens om inzicht te krijgen in de aanpak van dividendstripping inandere landen. Het vorige kabinet heeft reeds nader onderzoek aange-kondigd naar alternatieve maatregelen tegen dividendstripping.12 Zoalsverzocht door uw Kamer zullen bij dat onderzoek ook maatregelen tegendividendstripping van andere EU-landen worden betrokken. Duitslandwordt in ieder geval in dit onderzoek betrokken.13 Naar verwachting wordthierover in het voorjaar van 2025 aan uw Kamer gerapporteerd.9Hoge Raad, 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49.10FIOD Jaarverslag 2023 | Tweede Kamer der Staten-Generaal11Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 327, p. 10.12Kamerstukken II 2023/24, 36 420, nr. 3, p. 10.13Kamerstukken I 2023/24, 36 420, C, p. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3415 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks- enPvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de antwoorden van deStaatssecretaris op de schriftelijke vragen over belastingconstructies metinteresse gelezen. Deze leden hebben enkele vervolgvragen.Deze leden zijn benieuwd naar de wettelijke behandeling van onbelastekapitaalterugbetalingen in het verleden. Wanneer zijn artikel 4.13,eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 3,eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965toegevoegd en zijn deze bepalingen ooit geëvalueerd? Indien er eenevaluatie heeft plaatsgevonden, wat zijn daarvan de uitkomsten? Inhoeverre hebben (relatief) recente ontwikkelingen, zoals een sterketoename van internationale geldstromen en financiële globalisering in hetalgemeen in de afgelopen halve eeuw, geleid tot heroverweging van dezeartikelen? Zijn er in het verleden wijzigingen aangebracht aan degenoemde wetsartikelen, alsmede aan artikel 3a van de Wet op dedividendbelasting 1965? Wat was destijds de aanleiding voor dezewijzigingen?Het huidige artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 is ontleendaan artikel 20b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 1964. Deze bepalingis per 1 januari 1997 opgenomen in de Wet IB 1964. Voor die tijd was deonbelaste kapitaalterugbetaling reeds vergelijkbaar geregeld in artikel 29,tweede lid, Wet IB 1964. Ook voor de dividendbelasting geldt dat deregeling voor terugbetaling van kapitaal al geruime tijd bestaat. DeWet DB 1965 is per 1 januari 1966 in werking getreden. Artikel 3, eerste lid,onderdeel d, Wet DB 1965 bestaat al sindsdien in vrijwel ongewijzigdevorm. Een fiscale regeling voor de terugbetaling van kapitaal in deinkomstenbelasting en dividendbelasting bestaat echter al langer en geldtal sinds 1931. Deze bepalingen hebben ten doel om te voorkomen dat debelastingheffing wordt uitgesteld door de uitkering van dividend om tevormen tot de terugbetaling van kapitaal. Tegelijkertijd zorgen dezebepalingen ervoor dat de terugbetaling van hetgeen door de aandeel-houder zelf is gestort op de aandelen niet wordt belast. Het uitgangspuntvoor de heffing van inkomstenbelasting en dividendbelasting is immersom het rendement op de aandelen te belasten en niet hetgeen door deaandeelhouder aan kapitaal is gestort op de aandelen. De terugbetalingvan kapitaal heeft voor box 2 van de inkomstenbelasting tot gevolg dat deverkrijgingsprijs van de aandelen met hetzelfde bedrag wordt verlaagd,zodat bij een eventuele vervreemding van de aandelen in de toekomst inbeginsel meer inkomstenbelasting in box 2 verschuldigd is over devervreemdingswinst (waarde in het economische verkeer van de aandelenminus de verkrijgingsprijs). Gezien het voorgaande is er geen redengeweest om de bepalingen inzake terugbetaling van kapitaal te onder-zoeken of te heroverwegen.Per 1 januari 2001 is artikel 3a Wet DB 1965 in werking getreden. Dit hieldverband met de invoering van de Wet IB 2001, waardoor enkeletechnische wijzigingen met betrekking tot de kapitaalregels bij deaandelenfusie, juridische fusie en juridische splitsing aangebrachtmoesten worden en in de Wet DB 1965 opgenomen moesten worden.14Per 29 augustus 2002 is naar aanleiding van een uitspraak van de HogeRaad met betrekking tot de inkoop van aandelen ter dekking van optiever-plichtingen een wijziging in het artikel doorgevoerd. De Hoge Raadoordeelde dat bij de toekenning van een werknemersoptie een informelekapitaalstorting plaatsvindt. De wetswijziging had als doel om onduide-lijkheid weg te nemen over de omvang en het tijdstip van deze kapitaal-14Kamerstukken II, 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3416 storting. Door een wijziging in de Wet Vpb 1969 per 1 januari 2007 isvoorgaande wettelijke bepaling overbodig geworden en kon dezevervallen. Per 1 januari 2008 is beleid (de opstapresolutie) dat reeds goldsinds 1990 omtrent de vaststelling van het gestort kapitaal bij eengrensoverschrijdende aandelenfusie wettelijk verankerd in artikel 3a WetDB 1965.15 Het beleid zag op het voorkomen van het ontstaan van eenNederlandse dividendbelastingclaim over buitenlandse winsten ingevallen waarin aandelen van een in het buitenland gevestigde vennoot-schap als storting op aandelen worden ingebracht in een in Nederlandgevestigde vennootschap.16 Dat gestorte kapitaal werd ondervoorwaarden als fiscaal erkend kapitaal aangemerkt. Het voorzien in eenresolutie voor dergelijke gevallen was destijds toegezegd aan de EersteKamer.17 Per 1 januari 2016 is artikel 3a Wet DB 1965 uitgebreid naar degrensoverschrijdende fusie en splitsing. Achtergrond hiervan was ondermeer de implementatie van Richtlijn 2005/56/EG van 26 oktober 2005betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen(PbEU 2005, L 310), waardoor de mogelijkheid tot grensoverschrijdendefusies tussen lidstaten van de EU/EER civielrechtelijk werd vastgelegd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen voorts graag beterbegrijpen onder welke omstandigheden agiostortingen plaatsvinden,waardoor het fiscaal erkend kapitaal toeneemt, die niet lang daarnaonbelast weer terug worden betaald. Kan de Staatssecretaris hierop eentoelichting geven?Bij de heffing van dividendbelasting is van belang wat het op de aandelengestorte kapitaal is. Al het aanwezige vermogen in een lichaam dat ermeer is dan het gestorte kapitaal is bij uitkering onderworpen aan deheffing van dividendbelasting. Binnen het gestorte kapitaal wordt eenonderscheid gemaakt tussen het nominale kapitaal, agio en informeelkapitaal. Het agio kan alleen ontstaan op het moment van uitgifte vanaandelen en wordt gevormd door het verschil tussen het per aandeelingebrachte bedrag en de nominale waarde van het aandeel. Bij deuitgifte van aandelen door bijvoorbeeld beursfondsen komt storting vanagio veelvuldig voor. Bij dergelijke emissies ligt de emissiekoers namelijkboven de nominale waarde van de aandelen. De regels omtrent de uitgiftevan aandelen en de storting hierop worden verder bepaald in Boek 2 vanhet Burgerlijk Wetboek. Agio wordt als fiscaal erkend kapitaal aangemerkt.Dit is doorgaans anders in het geval wanneer sprake is van een aandelen-fusie, juridische fusie of juridische splitsing waarbij aandelen wordenuitgereikt. In die situaties kan agio ontstaan indien de ingebrachte waardevan de storting hoger is dan de nominale waarde van de uitgereikteaandelen. In dat geval is in de regel sprake van zogenoemd besmetkapitaal. Dan wordt slechts als fiscaal erkend kapitaal aangemerkt hetbedrag dat op de oorspronkelijk ingebrachte aandelen was gestort,verminderd met een eventuele bijbetaling in contanten. Op het fiscaalerkende kapitaal rust geen dividendbelastingclaim. Op het besmettekapitaal dat na een fusie kan ontstaan rust wel een dividendbelasting-claim. Indien sprake is van een grensoverschrijdende aandelenfusie,juridische fusie of juridische splitsing, kan zoals hiervoor – in antwoord opde allereerste vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie isaangegeven – onder voorwaarden toch sprake zijn van fiscaal erkendkapitaal. Voor een toelichting op deze situatie verwijs ik naar mijnantwoord op een van de volgende vragen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie.15Kamerstukken II, 2003/04, 29 643, nr. 2 en Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3.16Besluit van 29 november 2000, nr. CPP 2000/2149M (vervallen) en het besluit van 9 oktober2003, nr. CPP 2003/2165M (vervallen).17Kamerstukken I, 1989/1990, 20 595, nr. 131c.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3417 Deze leden constateren dat een onderneming die dividend ontvangt vaneen dochteronderneming dit dividend kan benutten om een lening teverstrekken aan een derde, al dan niet gelieerde, onderneming. Klopt hetdat het voor de moederonderneming en deze derde ondernemingvervolgens mogelijk is om de aldus ontstane schuld om te zetten inaandelenkapitaal via een zogeheten «debt-equity swap»? Is het nieuweaandelenkapitaal dan fiscaal erkend kapitaal en kan het onbelast terugworden betaald aan de moederonderneming, ook als die zich in hetbuitenland bevindt en dus geen gebruik kan maken van de inhoudingsvrij-stelling? Kan de buitenlandse aandeelhouder van de moederondernemingdan vervolgens dividend ontvangen zonder Nederlandse dividendbe-lasting te hoeven betalen en mogelijk ook zonder dividendbelasting in eenander land als de moederonderneming zich in een jurisdictie bevindt waargeen dividendbelasting wordt geheven? Klopt het dat de bovenstaanderoute volledig is toegestaan en dus niet geldt als misbruik? Zijn erdaarmee geen antimisbruikbepalingen van toepassing? Wat is het oordeelvan de Staatssecretaris hierover? Is de Staatssecretaris het met de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie eens dat de hierboven beschreven routeniet de oorspronkelijke bedoeling kan zijn van de desbetreffendewetsbepalingen?Kan de Staatssecretaris een theoretisch voorbeeld geven van eenniet-bestaande onderneming die de bovenstaande route benut en metbehulp van een stroomschema uitleggen wat er gebeurt en waarom eruiteindelijk wel of geen dividendbelasting wordt betaald?De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in wezen of deomzetting van een schuldvordering in aandelenkapitaal leidt tot fiscaalerkend kapitaal in de dividendbelasting en wat de gevolgen voor dedividendbelasting zijn als daaropvolgend een dividenduitkering wordtgedaan aan een buitenlandse aandeelhouder. De door de leden van defractie van GroenLinks-PvdA beschreven stappen en daaraan verbondengevolgen voor de dividendbelasting kunnen (schematisch) als volgtworden weergegeven.In de door de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA geschetstesituatie wordt allereerst door A BV een dividenduitkering gedaan aan M,die buiten Nederland is gevestigd. Vervolgens wordt door M met hetontvangen dividend een lening verstrekt aan een derde partij (B BV).Figuur 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3418 De schuldvordering van M op B BV wordt vervolgens omgezet in kapitaal,doordat B BV aandelen uitgeeft ter grootte van het nominale bedrag vanhaar schuld aan de moedermaatschappij (M). Door deze uitgifte krijgt Mop haar beurt een schuld aan B BV uit hoofde van de verplichting totvolstorting van de bij B BV geplaatste aandelen. Vervolgens vindt over enweer verrekening van de vordering en schuld plaats, waardoor devordering bij M van de balans verdwijnt en de kostprijs deelneming in Bwordt verhoogd. Bij B is sprake van een formele kapitaalstorting, watgeldt als fiscaal erkend kapitaal.Op het fiscaal erkende kapitaal bij B rust geen dividendbelastingclaim enkan, onder voorwaarden, onbelast worden terugbetaald aan M, degeldverstrekker. Het kapitaal is immers door M zelf ingebracht en er gaatgeen Nederlandse dividendbelastingclaim verloren bij de terugbetalingvan het zelf ingebrachte kapitaal. Het is daarbij niet van belang waar Mgevestigd is. Er van uitgaande dat M niet in Nederland is gevestigd envervolgens een dividenduitkering doet aan een niet in Nederlandgevestigde aandeelhouder, is de heffing van belasting op dividendenafhankelijk van de fiscale wetgeving van de bij die uitkering betrokkenstaten. In een dergelijk geval wordt geen Nederlandse dividendbelastinggeheven. M is immers niet in Nederland gevestigd en daarmee heeftNederland geen heffingsrecht over uitdelingen van M aan haar aandeel-houder. Indien M wel in Nederland gevestigd is, dan zou een dividenduit-Figuur 2Figuur 3Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 3419 kering door M aan haar buitenlandse aandeelhouder onderworpen zijnaan de heffing van dividendbelasting. De eerdere omzetting van deschuldvordering in kapitaal is daarbij niet relevant. Bij de dividenduit-kering kan, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, een inhoudings-vrijstelling van toepassing zijn. Het eventueel door de buitenlandseaandeelhouder in M gestorte kapitaal, kan onder voorwaarden door Mworden terugbetaald aan deze buitenlandse aandeelhouder zonderheffing van dividendbelasting. Middels bovenstaande «route» is geendividendbelastingvoordeel ontstaan, nu er geen dividendbelastingclaimverloren is gegaan. Om die reden is bovenstaande «route» dus in lijn metde letter en de geest van de wet.Indien hier sprake is van een ontwijkingsroute, kan deze dan ook wordengebruikt door natuurlijke personen die een aanmerkelijk belang houdenen daarover belasting zouden moeten betalen in box 2? Kan dezebelasting worden ontweken door winsten eerst via de hierbovenbeschreven route over te brengen naar een buitenlandse vennootschap,waarna deze vennootschap de winsten uitkeert aan de aanmerkelijkbelang-houder?In de beantwoording van de vorige twee vragen is uiteengezet dat er indie casus geen sprake is van een ontwijkingsroute. Er is geen dividendbe-lastingclaim verloren gegaan. Voor de beantwoording van onderhavigevraag over natuurlijke personen die een aanmerkelijk belang houden(box 2) wordt uitgegaan van een in Nederland woonachtige belasting-plichtige aanmerkelijkbelanghouder met een in het buitenland gevestigdevennootschap. Er is onder andere sprake van een aanmerkelijk belang inbox 2 als een binnenlands belastingplichtige, eventueel samen met defiscale partner, direct of indirect, minimaal 5% heeft van bijvoorbeeld deaandelen, winstbewijzen, genotsrechten of opties op aandelen in een(buitenlandse) vennootschap. Voor de heffing in box 2 maakt het geenverschil of een in Nederland woonachtige belastingplichtige een aanmer-kelijk belang heeft in een Nederlandse vennootschap of in een buiten-landse vennootschap. Als een in het buitenland gevestigde vennootschapdividend uitkeert of een terugbetaling van kapitaal verstrekt aan deaanmerkelijkbelanghouder, dan zijn op die dividenduitkering of terugbe-taling van kapitaal de regels van hoofdstuk 4 van de Wet IB 2001 vantoepassing zoals die ook van toepassing zijn als de dividenduitkering ofterugbetaling van kapitaal uit een in Nederland gevestigde vennootschapzou zijn verstrekt. Het is wel denkbaar dat in het buitenland een bronbe-lasting wordt ingehouden op de uitgekeerde winst. Onder voorwaardenkan deze bronbelasting verrekend worden met de verschuldigde inkom-stenbelasting in box 2.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ookof de Staatssecretaris in het kader van het bovenstaande artikel 3.5, lid 6van de Wet op de dividendbelasting 1965 kan toelichten. Hoe beoordeeltde Belastingdienst of een aandelenruil, splitsing of fusie «niet plaatsvindtop grond van zakelijke overwegingen»? Wat doet de Belastingdienst ophet moment dat er sprake is van een grensoverschrijdende transactie?Wat is de informatiepositie van de Belastingdienst als het gaat om hetaandeelhouderschap van buitenlandse vennootschappen?In de vraag wordt gesproken over artikel 3.5, lid 6 van de Wet op dedividendbelasting 1965. Ik neem aan dat de leden doelen op artikel 3a,lid 6 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965). Artikel 3aWet DB 1965 bevat regels voor de vaststelling van de hoogte van hetgestorte kapitaal bij een aandelenfusie, een juridische splitsing en eenjuridische fusie (hierna te noemen: fusie). Dit artikel heeft als doel tevoorkomen dat als gevolg van een fusie de dividendbelastingclaim op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34110 nog niet uitgekeerde winstreserves verloren gaat. Voor een grensover-schrijdende fusie kent artikel 3a Wet DB 1965 een afwijkende regeling(step up), waardoor geen Nederlandse dividendbelastingclaim opbestaande buitenlandse winstreserves ontstaat. Bij een step-up wordt bijhet gestorte kapitaal uitgegaan van de waarde in het economische verkeerten tijde van de fusie. Bij een grensoverschrijdende fusie vindt geenstep-up plaats indien de fusie in overwegende mate is gericht op hetontgaan of uitstellen van belastingheffing.Artikel 3a, lid 6 Wet DB 1965 bepaalt dat een grensoverschrijdende fusie inoverwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belasting-heffing, indien deze fusie niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwe-gingen, zoals herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaam-heden van de bij de fusie betrokken rechtspersonen.De beoordeling van de aan de fusie ten grondslag liggende overwegingenvindt plaats vanuit de positie van de bij de fusie betrokken rechtspersonenaan de hand van de feiten en omstandigheden van het desbetreffendegeval. Met de zakelijkheidseis wordt dit in min of meer algemene termentot uitdrukking gebracht. Hierbij speelt ook een rol dat het niet goeddoenlijk is een uitputtende opsomming te geven van feitelijke situatieswaarbij van een zakelijke fusie gesproken zou kunnen worden. In plaatsdaarvan heeft de wetgever ervoor gekozen om met de algemeneformulering dat de fusie in overwegende mate niet mag zijn gericht op hetontgaan of uitstellen van belastingheffing meer recht wordt gedaan aande grote verscheidenheid van gevallen die zich in de praktijk kunnenvoordoen.Zoals hiervoor is aangegeven bevat artikel 3a Wet DB 1965 regels voor devaststelling van de hoogte van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaalis bij de heffing van dividendbelasting alleen van belang indien zich eenaantal specifieke situaties voordoen die kwalificeren als opbrengst voor dedividendbelasting, zoals inkoop van aandelen, liquidatie van de vennoot-schap en terugbetaling van kapitaal. Op het moment dat een van dezesituaties zich voordoet is het voor de Belastingdienst van belang dat dehoogte van het gestorte kapitaal vaststaat. Een inhoudingsplichtige kanaan de inspecteur verzoeken om het gestorte kapitaal door middel vaneen voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretariskan uitleggen wat er gebeurt met de dividendbelastingclaim als er sprakeis van fusies met of verkoop aan ondernemingen die in andere landen zijngevestigd. Kan de Staatssecretaris uitleggen welke invloed grensover-schrijdende fusies of verkopen hebben op het fiscaal erkende kapitaal vaneen onderneming?Wanneer sprake is van de verkoop van aandelen in een in Nederlandgevestigde onderneming aan een in het buitenland gevestigde onder-neming heeft dit geen effect op de hoogte van het fiscaal erkend kapitaal.Dit is ook het geval indien sprake is van een (grensoverschrijdende)aandelenfusie. De dividendbelastingclaim op de winst van de inNederland gevestigde vennootschap blijft in stand. Er vindt slechts eenwijziging op aandeelhoudersniveau plaats. Bij een grensoverschrijdendejuridische fusie moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds defusie waarbij een buitenlandse vennootschap opgaat in een in Nederlandgevestigde vennootschap (inbound fusie) – en anderzijds de fusie waarbijeen Nederlandse – verdwijnende – vennootschap opgaat in een in hetbuitenland gevestigde – verkrijgende – vennootschap (outbound fusie).Bij een inbound fusie gaat een buitenlandse vennootschap op in een inNederland gevestigde vennootschap en houdt de in het buitenlandgevestigde vennootschap op te bestaan. Het gestorte kapitaal van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34111 verkrijgende vennootschap bestaat hierna uit de waarde in het econo-misch verkeer van het vermogen dat als gevolg van de fusie overgaat opde verkrijgende vennootschap voor zover het vermogen niet bestaat uitaandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap, tenzij de fusie inoverwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belasting-heffing. Nederland legt dus in beginsel geen dividendbelastingclaim opwinsten in de vermogensbestanddelen die bij de buitenlandse vennoot-schap zijn ontstaan en die middels fusie worden gestort op de aandelen ineen in Nederland gevestigde vennootschap. Op de winsten die ontstaanna de fusie is er wel een dividendbelastingclaim.Bij een outbound fusie gaat een in Nederland gevestigde vennootschapop in een in het buitenland gevestigde vennootschap en houdt de inNederland gevestigde vennootschap op te bestaan. Als gevolg hiervaneindigt de (dividend)inhoudingsplicht in Nederland, waardoor Nederlandgeen dividendbelasting zal heffen over een toekomstige dividenduit-kering. Er is in dat geval immers niet langer sprake van een in Nederlandgevestigde vennootschap. De heffing van een belasting op dividenden isin dat geval afhankelijk van de fiscale wetgeving van de bij die uitkeringbetrokken staten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn daarnaast benieuwd of deStaatssecretaris bereid is de regels aangaande micro-ondernemingenzodanig te wijzigen dat ondernemingen met zeer grote kasstromenuitgebreider moeten rapporteren. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar hetfeit dat maar liefst zes EU-lidstaten geen micro-ondernemingen kennen?De mogelijkheid om een jaarrekening op te stellen als micro-onderneming, vloeit voort uit artikel 36 van de EU-Richtlijn inzake hetjaarrekeningenrecht (de jaarrekeningrichtlijn).18 Onder die richtlijn kan hetinderdaad zo zijn dat ondernemingen met zeer grote kasstromen kunnenkwalificeren als microbedrijven, daardoor vallen onder het lichtsterapportageregime, en kunnen volstaan met een beperkte jaarrekening. Dierichtlijn hanteert namelijk voor alle vier de categorieën ondernemingen(micro, klein, middelgroot en groot) de maatstaf dat er voldaan moet zijnaan twee van de volgende drie criteria: een balanstotaal, een netto-omzeten een gemiddeld personeelsbestand van een bepaalde omvang. Voormicro-entiteiten luiden die drie criteria: een balanstotaal van maximaal€ 450.000, een netto-omzet van maximaal € 900.000 en minder dan10 werknemers. Vennootschappen met zeer grote kasstromen, zoalsdoorstroomvennootschappen, vallen onder het lichtste rapportageregimevoor micro-ondernemingen, omdat ze voldoen aan die laatste tweecriteria. Voor het bepalen van de netto-omzet blijven financiële inkomsten,zoals rente, dividenden en winst uit de verkoop van deelnemingen,namelijk buiten beschouwing.De jaarrekeningrichtlijn staat niet toe om balanstotaal als een op zichzelfstaand criterium te hanteren, los van de netto-omzet of het aantalwerknemers. Voor ondernemingen waarvoor de netto-omzet geenadequate indicator is van de inkomsten – wat geldt voor doorstroomven-nootschappen – biedt de jaarrekeningrichtlijn wel de mogelijkheid om eenaangepaste inkomstendrempel in plaats van de netto-omzet te hanteren.Naar aanleiding van de problematiek van de doorstroomvennoot-schappen, heeft het vorige kabinet bezien of er van die mogelijkheid18Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende dejaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwanteverslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van hetEuropees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEGvan de RaadTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34112 gebruik gemaakt kan worden. Uit een eerste onderzoek is gebleken datvoor het antwoord op die vraag ten eerste een heldere definitie nodig isvan de doelgroep waarop die aangepaste berekening van toepassingdient te zijn en ten tweede moet worden onderzocht wat de gevolgen vandie berekening zijn voor andere sectoren en voor de rest van de jaarre-kening.19 Die definitie is afhankelijk van de definitie van doorstroomven-nootschappen in de uiteindelijke EU-richtlijn om misbruik vandoorstroomvennootschappen aan te pakken («Unshell»), waarover op ditmoment in Brussel onderhandeld wordt.20 Dit kabinet wil niet unilateraalvooruitlopen op de richtlijnonderhandelingen. Een uniforme interna-tionale aanpak van doorstroomvennootschappen is allereerst effectieverdan een nationale aanpak. Bovendien zouden unilaterale maatregelen, dievooruitlopen op een richtlijn, mogelijk dan een korte termijn vantoepassing zijn, vanwege de opvolgende wijziging als gevolg van eenEU-richtlijn. Dat zou de rechtszekerheid niet ten goede komen enwisselend beleid is over het algemeen onnodig belastend voor deuitvoering. Het kabinet wil daarom, net als het vorige kabinet, eerstproberen om op EU-niveau op dit punt verder te komen, alvorens tebezien of het jaarrekeningenrecht op dit punt kan worden aangepast.Nederland loopt ook Europees niet uit de pas op dit punt. Volgens deevaluatie door de Europese Commissie21 in 2021 hebben naast Nederlandtien lidstaten de categorie micro-ondernemingen uit de jaarrekening-richtlijn vrijwel volledig geïmplementeerd (dat wil zeggen met gebruik-making van vrijwel alle vrijstellingen van de rapportageverplichtingen diede richtlijn toestaat): Bulgarije, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Ierland,Italië, Litouwen, Polen, Portugal, Roemenië en Slowakije. Negen lidstatenhebben de bepalingen voor micro-ondernemingen gedeeltelijk geïmple-menteerd: België, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Litouwen,Oostenrijk, Slovenië en Tsjechië. Alleen Cyprus, Kroatië, Luxemburg,Malta, Spanje en Zweden kennen geen micro-ondernemingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debeantwoording van een drietal sets schriftelijke vragen over «Belasting-constructies» en de daarbij behorende schriftelijke vragen en antwoorden.De leden van de VVD-fractie hebben nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van minimumbelasting dater momenteel steun lijkt te zijn vanuit enkele andere landen om minimum-belasting voor miljardairs in OESO-verband te bespreken. Op welketermijn zal hierover in OESO-verband worden gesproken? Voor welkeandere landen is de belastingheffing van miljardairs een prioriteit? Welkelanden zijn geen voorstander van de wereldwijde minimumbelasting voormiljardairs?Zowel het OESO-secretariaat als diverse andere landen hebben positiefgereageerd op de opmerking van Nederland dat het belangrijk is dat deOESO met dit onderwerp aan de slag gaat. Frankrijk, Spanje, Duitsland,Brazilië, Zuid-Afrika zijn voorbeelden van landen die net als NL vinden datde belastingheffing van zeer vermogende personen aandacht behoeft en19Zie Kamerstukken II 2023/34, 25 087, nr. 327.20Richtlijn met het oog op het tegengaan van misbruik door doorstroomvennootschappen ophet gebied van belastingen en de aanpassing van Richtlijn 2011/16/EU (administratievesamenwerkingsrichtlijn), COM(2021) 565.21Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economischen Sociaal Comité betreffende de herzieningsclausules in de richtlijnen 2013/34/EU,2014/95/EU, en 2013/50/EU, COM(2021) 199 final, 21 april 2021 en de bijlage daarbij: Fitness Checkon the EU framework for public reporting by companies, Commission Staff WorkingDo-cument.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34113 een prioriteit op de agenda van internationale gremia dient te zijn. Dezelanden hebben in een gezamenlijke verklaring hun steun uitgesprokenvoor het voorstel voor een minimale belastingdruk van 2% op hetvermogen van miljardairs uit onder andere het Global Tax Evasion Report2024 rapport van Zucman.22 Nederland heeft altijd het belang van eenstapsgewijze aanpak benadrukt om ook zoveel mogelijk draagvlak bijandere landen te creëren, voordat stevig voor een bepaalde oplossings-richting gepleit wordt. Belastingheffing van zeer vermogende personenzal immers het meest effectief kunnen worden aangepakt als zoveelmogelijk landen meedoen. Zo heeft de Verenigde Staten vooralsnogaangegeven geen voorstander te zijn van een wereldwijde vermogensbe-lasting.23 Dat hoeft overigens niet te betekenen dat zij zich ertegenverzetten om dit onderwerp te bespreken in internationale fora. Zij hebbenzich uitgesproken tegen de concrete oplossing van een wereldwijdevermogensbelasting maar niet tegen het in internationaal verband aan deorde stellen van de problematiek. Oplossingen binnen nationale stelselskunnen hier ook aan bijdragen. Dat benadrukt het belang van eenstapsgewijze aanpak.De leden van de fractie van de VVD vragen welke consequenties het heefthet voor de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven dat deVerenigde Staten (VS) nog altijd geen stappen lijken te zetten om dePijler-2 regels in te voeren.Op grond van de Pijler 2-regels wordt een minimumbelasting gehevenvan entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep of eenbinnenlandse groep met een (wereldwijde) jaaromzet van ten minste€ 750 miljoen als het effectieve belastingtarief van die entiteiten in eenland lager is dan 15%. Deze minimumbelasting wordt geheven doormiddel van een bijheffing in de vorm van een binnenlandse bijheffing,inkomen-inclusiebijheffing of onderbelastewinstbijheffing. Hoewel de VSde Pijler 2-regels (nog) niet hebben ingevoerd, zijn er wel gevolgen voorhet Amerikaanse bedrijfsleven dat actief is in implementerende landen,zoals Nederland, en het bedrijfsleven uit die landen dat actief is in de VS.Pijler 2 is immers zo ontworpen dat ook entiteiten in landen die zelf deregels niet hebben ingevoerd onder de minimumbelasting kunnen vallen.Concreet betekent dit dat in Nederland wordt bijgeheven op grond vaneen binnenlandse bijheffing over de laagbelaste winst van entiteiten inNederland die deel uitmaken van een multinationale groep met de (ofeen) uiteindelijke moedermaatschappij in de VS. Verder heft Nederland bijop grond van de inkomen-inclusiemaatregel over de laagbelaste winstvan entiteiten die gevestigd zijn in de VS en die deel uitmaken van eenmultinationale groep met de uiteindelijke (of een) moederentiteit inNederland. Daarnaast kan Nederland bijheffen op grond van de onderbe-lastewinstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten in de VS diedeel uitmaken van een multinationale groep waarvan de uiteindelijkemoe-derentiteit noch in Nederland noch in de VS is gevestigd. Nederland kanechter niet bijheffen op grond van de onderbelastewinstmaatregel over delaagbelaste winst van entiteiten in de VS indien de uiteindelijkemoederen-titeit is gevestigd in de VS. Deze uitzondering volgt uit de tijdelijkeonderbelastewinstbijheffing veiligehavenregel die van toepassing is tenaanzien boekjaren die eindigen op uiterlijk 31 december 2026. Voor eeninternationaal gelijk speelveld en daarmee de concurrentiepositie van hetNederlandse bedrijfsleven is het van belang dat dit een tijdelijke regel is.22https://www.theguardian.com/inequality/2024/apr/25/ministers-of-germany-brazil-south-africa-and-spain-why-we-need-a-global-tax-on-billionaires.23https://www.wsj.com/politics/policy/a-global-tax-on-billionaires-janet-yellen-says-no-cdb22e2f.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34114 Wat kan de Staatssecretaris doen om de wereldwijde implementatie vanPijler 2 te versnellen?Met de EU-richtlijn minimumniveau van belastingheffing24 – op basiswaarvan lidstaten verplicht zijn de Pijler 2-regels te implementeren – iseen belangrijke stap gezet. Verder is van belang dat in de Pijler 2-regelseen prikkel zit voor landen om de regels in te voeren. De wereldwijdeheffing van de minimumbelasting is gebaseerd op het beginsel dat als hetene land niet heft, een of meer andere landen dat kunnen doen. Indien ervoldoende landen zijn die de Pijler 2-regels toepassen, zal de druk opandere landen toenemen om ook de Pijler 2-regels in te voeren. Anderslopen zij immers belastinginkomsten mis.Bent u het met de leden van de VVD-fractie eens dat het onwenselijk is dathet uitstel van invoering van Pijler 2 in landen zoals de Verenigde Statenen China zorgt voor een ongelijk speelveld waarin multinationals alle tijden ruimte krijgen om structuren aan te passen waardoor belastingen zoalsde bijheffing wordt voorkomen?Het zou uiteraard een goede zaak zijn als ook de VS en China de Pijler 2-regels zouden invoeren. Ik wijs erop dat Pijler 2 zo is ontworpen dat ookentiteiten in landen die zelf de regels niet hebben ingevoerd onder deminimumbelasting kunnen vallen. Ik onderschrijf de stelling niet datmultinationale groepen alle tijd en ruimte hebben om bijheffing tevoorkomen nu deze staten de Pijler 2-regels nog niet hebben ingevoerd.Op grond van de Pijler 2-regels kan al worden bijgeheven over delaagbelaste winsten van een multinationale groep als er slechts éénentiteit is in een land dat de Pijler 2-regels toepast. Wel is het zo dat totuiterlijk 31 december 2026 geen onderbelastewinstbijheffing kan wordengeheven over de laagbelaste winst van entiteiten die zijn gevestigd in eenland met een statutair tarief van ten minste 20% waar de uiteindelijkemoederentiteit is gevestigd op grond van de tijdelijke onderbelastewinst-bijheffing veiligehavenregel. Voor een internationaal gelijk speelveld endaarmee de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven is hetvan belang dat dit een tijdelijke regel is.Wat is de verwachting van landen zoals de Verenigde Staten en Chinavoor de wereldwijde minimumbelasting voor miljardairs? Welke vervolg-stappen gaat het kabinet zetten om hier nog meer aandacht voor tevragen binnen de OESO?De Verenigde Staten heeft vooralsnog aangegeven geen voorstander tezijn voor een wereldwijde vermogensbelasting.25 Dat hoeft echter niet tebetekenen dat zij zich ertegen verzetten om de belastingheffing vanHNWI’s in algemene zin te bespreken in internationale fora. In het meestrecente rapport van Zucman26, waarin meerdere beleidsopties wordenbenoemd om voor zeer vermogende personen te komen tot een minimalebelastingdruk van omgerekend 2% op hun totale vermogen, wordt in datkader beschreven dat een recent voorstel van de regering Biden voorpersonen met een vermogen van meer dan honderd miljoen dollar hier alaan zou kunnen voldoen. De opvatting van China is niet bekend.24Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van eenmondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale onderne-mingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie PbEU 2022, L 328/1.25https://www.wsj.com/politics/policy/a-global-tax-on-billionaires-janet-yellen-says-no-cdb22e2f.26Zucman, A Blueprint for a Coordinated Minimum Effective Taxation Standard for Ultra-High-Net-Worth Individuals», juni 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34115 Zoals hiervoor is aangegeven, hebben zowel de OESO als andere landentijdens een paneldiscussie over «Tax and Inequality» positief gereageerdop de opmerking van Nederland dat de OESO met dit onderwerp aan deslag zou moeten. Het is nu in eerste instantie aan het OESO-secretariaatom dat vorm te geven. Waar mogelijk zal Nederland met hetOESO-secretariaat meedenken. Nederland zal ondertussen bij geschiktegelegenheden aandacht voor het onderwerp blijven vragen.De leden van de VVD-fractie vragen wat we kunnen leren van de onder-handelingen over en de implementatie van Pijler 2 voor multinationaleondernemingen? Dit in relatie tot de voorzichtige stappen die wordenondernomen om te komen tot een minimumbelasting voor miljardairs?De belastingheffing van «high-net-worth-individuals» vertoont inderdaadovereenkomsten met de belastingheffing van multinationale onderne-mingen. Bij het maken van de internationale afspraken over de belasting-heffing van multinationale ondernemingen is een stapsgewijze aanpakgehanteerd. Daarin was het belangrijk om eerst de problematiek teanalyseren en vervolgens concrete beleidsvoorstellen te ontwikkelen omdeze te verminderen. De OESO heeft bijvoorbeeld voorafgaand aan deactiepunten uit het Base Erosion and Profit Shifting project een aantalrapporten gepubliceerd27, ook voorafgaand aan de vormgeving vanPijler 2 zijn er veel waardevolle documenten gepubliceerd en publiekgeconsulteerd.28 Bij het maken van internationale afspraken over debelastingheffing van «zeer vermogende personen is een vergelijkbarestapsgewijze aanpak van belang om zoveel mogelijk draagvlak bij anderelanden te creëren en te komen tot een effectieve aanpak.Multinationale ondernemingen kunnen tot op zekere hoogte door deglobaliserende en digitaliserende economie gemakkelijker gebruik makenvan verschillen in nationale belastingstelsels om hun belastingdrukwereldwijd te optimaliseren. Er bestaat een prikkel voor bedrijven omwinsten te verschuiven naar laagbelastende landen en dit leidt totbelastingconcurrentie tussen landen om deze bedrijven aan te trekken.Om de prikkel voor bedrijven om winst te verschuiven naar laagbelas-tende staten te verminderen en een ondergrens te stellen aan belasting-concurrentie tussen staten is in oktober 2021 op internationaal niveau eenakkoord bereikt over een wereldwijd minimumniveau van belastingheffingvoor multinationale groepen, bekend als Pijler 2. Pijler 2 bewerkstelligt datmultinationale groepen met een omzet van € 750 miljoen euro of meeraltijd ten minste effectief 15% aan belasting over hun winst betalen.De situatie van zeer vermogende personen is vergelijkbaar in die zin datzij hun woonplaats en (inkomen uit) vermogen zo kunnen vormgeven datgebruik gemaakt kan worden van de belastingstelsels van landen waarineen lagere belastingdruk is. Sommige landen hanteren ook specifiekvoordelige fiscale regelingen om deze personen aan te trekken. Diemobiliteit en belastingconcurrentie leidt ertoe dat het ook voor debelastingheffing van deze doelgroep van groot belang is om hieroverinternationale afspraken te maken waar zoveel mogelijk landen aanmeedoen.27Bijvoorbeeld OECD, Report Adressing Base Erosion and Profit Shifting, februari 2013, OECD,Base Erosion and Profit Shifting interim-Reports, september 2014 en OECD, Base Erosion andProfit Shifting Final Reports, oktober 2015.28Bijvoorbeeld OECD, Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy –Policy Note, januari 2019 en OECD, Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy –Report on Pillar Two Blueprint, oktober 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34116 Verder geldt dat de Pijler 2-regels ook van toepassing zijn op entiteiten inlanden die deze regels niet hebben ingevoerd. Zo bewerkstelligen zowelde inkomen-inclusiemaatregel als de onderbelastewinstmaatregel datlanden die wel meedoen aan Pijler 2 belasting kunnen heffen over winstdie in landen terechtkomt die daar niet aan meedoen om zo de prikkelvoor het verschuiven van winst naar die landen alsnog weg te nemen. Bijhet maken van internationale afspraken over de belastingheffing van zeervermogende personen is het raadzaam om vergelijkbare mechanismen opte nemen. Deze zouden verder onderzocht moeten worden bij hetontwikkelen van de oplossingsrichtingen.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van doorstroomvennoot-schappen dat er naar aanleiding van de problematiek van doorstroomven-nootschappen is gekeken naar de jaarrekeningrichtlijn om een aangepasteinkomstendrempel te hanteren. Wat is volgens het kabinet de definitie vande doelgroep waarop de aangepaste berekening van toepassing dient tezijn? Wat zijn de gevolgen van de berekening voor andere sectoren envoor de rest van de jaarrekening?Op dit moment lopen er richtlijnonderhandelingen over de aanpak vandoorstroomvennootschappen («Unshell»). Het kabinet is voorstander vaneen uniforme internationale aanpak van misbruik van doorstroomven-nootschappen. Het kabinet wil daarom afwachten wat de definitie van dedoelgroep wordt die voortvloeit uit de richtlijnonderhandelingen.Vervolgens kan worden onderzocht wat de gevolgen van die berekeningzijn voor andere sectoren en voor de rest van de jaarrekening.Wat is de aanpak vanuit de Europese Unie om misbruik van doorstroom-vennootschappen aan te pakken? Hebben landen buiten de Europese Uniete maken met de doorstroomvennootschappen? Zo ja, bent u het met deleden van de VVD-fractie eens dat dit OESO-breed moet wordenaangepakt kijkend naar de concurrentiepositie?De Europese Commissie heeft op 22 december 2021 de Unshell richtlijngepubliceerd met als doel om misbruik als gevolg van doorstroomenti-teiten te bestrijden. Voor de appreciatie van dit voorstel verwijs ik naar hetBNC fiche29. Een belangrijk voordeel van dit richtlijnvoorstel is datgerichte informatie over doorstroomvennootschappen wederkerig tussende lidstaten wordt uitgewisseld. De besprekingen over deze richtlijn zijnnog gaande. Ook landen buiten de EU kunnen uiteraard last ondervindenvan misbruik als gevolg van doorstroomentiteiten. Een wereldwijdeaanpak heeft om die reden inderdaad in eerste instantie de voorkeur.Echter omdat er op dit moment nog geen concreet voorstel over ditonderwerp in de OESO besproken wordt, heeft de Europese Commissieervoor gekozen om, in ieder geval voor de EU, een oplossing te vinden.De leden van de VVD-fractie zijn blij om te lezen dat er coördinatiegroepenzijn die zich actief en specifiek richten op de bestrijding van constructieswaarmee het betalen van belasting wordt ontweken. Welke stappen heeftu concreet gezet om een beter zicht te krijgen in de geldstromen vandoorstroomvennootschappen?Tijdens het plenair debat over het verslag van de parlementaire ondervra-gingscommissie fiscale constructies op 5 september 2018 heeft hettoenmalige kabinet toegezegd30 om te onderzoeken op welke manier deaanpak van belastingontwijking en belastingontduiking kan wordengemonitord. Dit heeft ertoe geleid dat in 2018 aan uw Kamer de eerste29Fiche 1 – richtlijn doorstroomvennootschappen | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl30Handelingen II 2017/18, nr. 105, item 8Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34117 Kamerbrief gestuurd is over het monitoren van de effecten van de aanpakvan belastingontwijking.31 Sindsdien monitort het kabinet op basis vangegevens van De Nederlandsche Bank (DNB) de Nederland inkomende enuitgaande rente-, royalty- en dividendstromen. De CommissieDoorstroomvennootschappen heeft in 2021 ten behoeve van haaradviesrapport nader onderzoek gedaan naar doorstroomvennoot-schappen op basis van gegevens van DNB.32 De meest recente monito-ringsbrief33 laat zien dat de stromen vanuit Nederland naar laagbelas-tende landen fors is afgenomen: van € 38,5 miljard in 2019 naar€ 6 miljard in 2022.Welke ontwikkelingen binnen de coördinatiegroepen hebben er plaatsge-vonden op basis van gegevens van deze doorstroomvennootschappen?Hoe wordt er op dit moment geacteerd op dergelijke signalen vanuit deBelastingdienst?Het toezicht op doelgroepen, zoals bijvoorbeeld vennootschappen diekwalificeren als doorstroomvennootschappen vindt plaats binnen hetreguliere toezicht van de Belastingdienst. Nederlandse doorstroomven-nootschappen die zich in internationale verhoudingen binnen concern-verband hoofdzakelijk bezig houden met het ontvangen en doorbetalenvan rente, royalty’s, huur of leasetermijnen zijn verplicht in de aangiftevennootschapsbelasting te melden of zij voldoen aan de substance-eisen,zoals de eis dat loonkosten ten minste 100.000 euro moeten bedragen ende doorstroomvennootschap beschikking heeft over kantoorruimte voorten minste 24 maanden. Als dit niet het geval is en een dergelijkedoorstroomvennootschap doet een beroep op een belastingverdrag, deEU-interest- en royaltyrichtlijn of op een nationale bepaling die strekt totuitvoering van deze richtlijn, dan wordt de informatie waaruit het gebrekaan substance blijkt, doorgestuurd naar het bronland. Het bronland kanvervolgens beoordelen of een Nederlandse doorstroomvennootschap –ondanks het gebrek aan substance in Nederland – in aanmerking komtvoor de betreffende verdrags- of richtlijnvoordelen. Er vindt door deBelastingdienst risicogericht toezicht plaats op deze doorstroomvennoot-schappen. Binnen de Belastingdienst zijn verschillende coördinatie-groepen actief die zich specifiek richten op de bestrijding van constructieswaarmee het betalen van belasting wordt ontweken.34 Een coördinatie-groep wordt ingeschakeld als vanuit het toezicht op doorstroomvennoot-schappen vraagstukken opkomen die raken aan het aandachtsgebied vande betreffende coördinatiegroep.Worden deze bevindingen in EU-verband gedeeld voor een beteregezamenlijke aanpak?Ten aanzien van de aanpak van fiscaal misbruik van doorstroomvennoot-schappen is Nederland voorstander om in een zo breed mogelijkEuropees verband afspraken te maken. De effectiviteit van unilateralemaatregelen tegen belastingontwijking is namelijk beperkt als bedrijvenbelastingontwijkende structuren naar andere landen kunnen verplaatsen.Op dit moment bestaat er nog geen Europese wetgeving over hetbestrijden van doorstroomvennootschappen. Het kabinet streeft ernaarom te komen tot een EU-brede aanpak van doorstroomvennootschappenonder het richtlijnvoorstel «Unshell» waarbij wederkerig wordt31Kamerstukken II 2017/18, 25 087, nr. 222.32Bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 25 087, nr. 286.33Kamerstukken II, 2023–2024, 25 087, nr. 32034De Belastingdienst heeft op dit moment drie coördinatiegroepen: de coördinatiegroepTaxhavens en Concernfinanciering, de coördinatiegroep Verrekenprijzen en de coördinatie-groep Constructiebestrijding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34118 afgesproken om informatie over doorstroomvennootschappen uit tewisselen. Momenteel zijn de besprekingen tussen de lidstaten over hetrichtlijnvoorstel «Unshell» nog gaande. Het kabinet blijft zich inzetten omprogressie te maken in deze onderhandelingen.De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van terugbetaling vankapitaal dat een terugbetaling van kapitaal onder omstandighedenonbelast kan plaatvinden en in lijn is met de letter en de geest van de wet.Is de route om dit te bewerkstelligen (een voorafgaande statutenwijzigingom de nominale waarde van de aandelen te verminderen) nietomslachtig? Is het de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB 1965) diedeze route noodzakelijk maakt? Waarom is agio niet in de wet geformu-leerd? Welke afwegingen waren +nb betrokken bij dit besluit? Zou het nieteenvoudiger – en minder «verdacht» zijn – als een kapitaalteruggaverechtstreeks uit het agio kan worden gedaan?De kwalificatie van een geldstroom van de vennootschap naar deaandeelhouder is van belang voor de fiscale behandeling. Voor eenwinstuitdeling gelden geen formele eisen. Een winstuitdeling kan ook inverkapte vorm plaatsvinden. Winstuitdelingen zijn een belaste opbrengstvoor de dividendbelasting. Een geldstroom vanuit de vennootschap aande aandeelhouder in de vorm van een terugbetaling van kapitaal is opbasis van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, Wet DB 1965 ook een belasteopbrengst (voor zover er zuivere winst is). Dit is anders indien er na eenbesluit van de algemene vergadering van aandeelhouders bij statutenwij-ziging een vermindering van de nominale waarde van de desbetreffendeaandelen heeft plaatsgevonden. In dat geval is een terugbetaling vankapitaal onbelast. Het is voor een onbelaste terugbetaling van kapitaal dusvan belang dat duidelijk is dat de geldstroom vanuit de vennootschapnaar de aandeelhouder ziet op een terugbetaling van kapitaal. Om dezereden is in de wetgeving opgenomen dat alleen na een formele statuten-wijziging voorafgegaan door een besluit daartoe van de aandeelhouders-vergadering een onbelaste teruggaaf van kapitaal kan plaatsvinden. Bijeen rechtstreekse terugbetaling van kapitaal vanuit het agio is eronvoldoende zicht op of deze geldstroom vanuit een vennootschap ziet opeen winstuitdeling of op een kapitaalteruggaaf.De leden van de VVD-fractie stellen vast dat vennootschappen ombedrijfseconomische redenen ervoor kiezen om een betaling aan haaraandeelhouders te doen middels een terugbetaling van kapitaal op eendividenduitkering. Welke bedrijfseconomische redenen zijn er om juist tekiezen voor een terugbetaling van kapitaal? En juist niet voor eendividenduitkering?Een kapitaalteruggave is een van de mogelijkheden van een vennoot-schap om een betaling aan haar aandeelhouders te doen. Een vennoot-schap kan naast een kapitaalteruggave ook kiezen voor een (reguliere)dividenduitkering of een inkoop van eigen aandelen om een betaling aanhaar aandeelhouders te doen. Aan deze keuze kunnen verschillendebedrijfseconomische redenen ten grondslag liggen. Als voorbeeld kanworden gegeven een vennootschap die een deel van haar bedrijfsactivi-teiten afstoot, daarmee opbrengst genereert, maar waar geen winst meewordt behaald. Terugbetaling van kapitaal kan dan voor de vennootschapeen zakelijke overweging zijn. Een eventueel aanwezige winstreserve –waaruit toekomstige dividenduitkeringen gedaan kunnen worden – blijft ineen dergelijk geval geheel in stand.3535ECLI:NL:PHR:1997:AA2208, onderdeel 3.6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34119 De leden van de VVD-fractie lezen dat een woordvoerder van hetMinisterie van Financiën heeft gezegd dat de bestrijding van dividend-stripping bemoeilijkt zal worden door de uitspraak van de Hoge Raad.Door welke aspecten van de uitspraak door de Hoge Raad wordt debestrijding van dividendstripping bemoeilijkt?De Hoge Raad heeft op 19 januari 202436 een arrest gewezen overuiteindelijke gerechtigdheid. Anders dan het gerechtshof, oordeelt deHoge Raad hierbij dat de wettelijke uitzondering die omschrijft wanneereen opbrengstgerechtigde niet de uiteindelijke gerechtige is, eenuitputtende regeling betreft. Dit betekent dat de wettelijke uitzonderingbeperkter moet worden uitgelegd dan op basis van de uitspraak van hetgerechtshof mogelijk leek. Het arrest van de Hoge Raad vormt op dit punteen verduidelijking. Het is echter nog niet duidelijk wat de gevolgen indeze zaak zullen zijn, omdat de zaak is verwezen naar het gerechtshofDen Haag voor een nieuwe beoordeling waarbij dit arrest moet wordenbetrokken. In ieder geval zal de Belastingdienst ook in andere zakenrekening moeten houden met het rechtskader dat de Hoge Raad heeftgeschetst in zijn arrest van 19 januari 2024.Welke (materiële) maatregelen neemt u om de aanpak van de dividend-stripping verder te versterken?De Belastingdienst is alert op gevallen van dividendstripping. In voorko-mende gevallen treedt de Belastingdienst daar ferm tegen op. De lopendeaanpak is geïntensiveerd, onder andere door de uitvoeringscoördinatie teorganiseren vanuit de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinan-ciering. Ook zijn per 1 januari 2024, als onderdeel van de Wet OverigeFiscale Maatregelen 2024, nieuwe maatregelen in werking getreden.Daarnaast is een onderzoek naar alternatieve maatregelen aangekondigd.Dit onderzoek is inmiddels gestart. Naar verwachting wordt hierover inhet voorjaar van 2025 aan uw Kamer gerapporteerd.37 Hoewel ik de vraagnaar concrete verdere stappen begrijp, vergt een gedegen verdere aanpakvan dividendstripping dat de tijd wordt genomen om zorgvuldigonderzoek te doen naar effectieve en passende vervolgmaatregelen. Hetgenoemde onderzoek richt zich op de vraag welke (materiële) maatre-gelen kunnen worden genomen om de aanpak van dividendstrippingverder te versterken.38In dit kader is ook van belang dat onlangs in de Raad van de EuropeseUnie overeenstemming is bereikt over het richtlijnvoorstel FASTER.39Deze richtlijn heeft als doel om procedures voor het verminderen vanbronbelasting op beursgenoteerde effecten efficiënter te maken entegelijkertijd beter bestand tegen het risico op belastingfraude enmisbruik. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2028 door lidstatengeïmplementeerd zijn en uiterlijk 1 januari 2030 inwerkingtreden. Allefinanciële instellingen die betrokken zijn tussen de entiteit die debeursgenoteerde effecten heeft uitgegeven en de uiteindelijk gerechtigde,zullen informatie over onder andere het dividend en de gerechtigdemoeten delen. Zij moeten ook aangeven of het onderliggende aandeelonderdeel is van een samenstel van transacties. Deze extra informatiehelpt de Belastingdienst mogelijk bij het opsporen van dividendstripping.36Hoge Raad, 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:49.37Kamerstukken II 2023/24, 36 420, nr. 3. p. 10. Zie ook: Kamerstukken II 2023/24, 36 420, nr. 6,p. 2.38Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 120, p. 2.39Voorstel voor een Richtlijn van de Raad betreffende een snellere en veiligere vermindering vante veel ingehouden bronbelasting van 19 juni 2023, COM(2023) 0187.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34120 Hoever bent u in het onderzoek over welke maatregelen tegen dividend-stripping gebruikt worden in andere EU-landen? Welke alternatieven,naast de genoemde houdsterperiode, worden meegenomen in hetonderzoek van succesvolle maatregelen in andere landen?Vindt u een houdsterperiode een wenselijk alternatief?Als onderdeel van het eerder genoemde brede onderzoek wordt ookonderzocht welke maatregelen tegen dividendstripping andere EU-landenhebben genomen. Daarbij wordt ook gekeken naar een houdsterperiode.40Het onderzoek naar maatregelen van andere EU-landen beperkt zichoverigens niet specifiek tot de houdsterperiode of andere van te vorengeïdentificeerde maatregelen. Het toegezegde onderzoek naar demaatregelen van andere EU-landen vergt dat zorgvuldig wordt bekeken inwelke mate het systeem, de problematiek en oplossingen van anderelanden vergelijkbaar zijn met, respectievelijk inpasbaar zijn in, hetNederlandse systeem.Kunt u al iets zeggen over de effectiviteit van de maatregel rondom debewijslastverdeling die per 1 januari 2024 is ingevoerd?De per 1 januari 2024 in werking getreden maatregelen inzake deversterking van de aanpak van dividendstripping zien onder andere opeen aanpassing van de bewijslastverdeling. Degene die een beroep doetop een tegemoetkoming in de dividendbelasting, bijvoorbeeld eenteruggaaf, dient niet alleen de feiten te stellen, maar bij betwisting doorde inspecteur ook aannemelijk te maken dat hij of zij aanspraak kanmaken op een dergelijke tegemoetkoming. De verwachting is dat deinspecteur door de voorgestelde wijziging in de bewijslastverdelingeerder kan beschikken over de bewijsrechtelijk relevante informatie endocumentatie van transacties met aandelen en eventuele daarmeeverband houdende derivaten. Met de per 1 januari 2024 in werkinggetreden nieuwe maatregel rondom de bewijslastverdeling is nog geenpraktijkervaring opgedaan.De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris ten aanzien vande aanpak van constructies een overzicht kan geven van alle maatregelendie in de afgelopen 10 jaar zijn genomen om de aanpak van belastingont-wijking te intensiveren.Kan het resultaat van deze inzet worden gekwantificeerd? Hoe verhoudtNederland zich in dezen met de landen om ons heen?Tabel 1 biedt een overzicht van maatregelen tegen (internationale)belastingontwijking en voor een evenwichtigere heffing van multinati-onals in de afgelopen tien jaren In totaal heeft Nederland voor€ 5,5 miljard aan maatregelen genomen tegen belastingontwijking. Eenbelangrijk deel van dit bedrag komt van de earningsstrippingmaatregel.Deze maatregel heeft Nederlands aanmerkelijk strenger geïmplementeerddan andere landen om ons heen. Nederland draagt daarmee zijn deel bijaan de aanpak van belastingontwijking in verhouding met andere landen.Tabel 1MaatregelJaar€ mln11Het 23-ontwikkelingslandenproject en de NotitieFiscaal Verdragsbeleid 20202013–heden–40Zie Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 120, p. 2; Handelingen II 2023/24, nr. 17, item 8, p. 46;Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 999.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34121 MaatregelJaar€ mln12Aanvullende documentatieverplichtingen (o.a. coun-try-by-country rapport)2016–3Introductie algemene anti-misbruikregeling met oogop voordelen moeder-dochterrichtlijn & mismatchbe-paling2016104Uitwisseling van rulings (DAC3)2017–5Introductie begrip «samenwerkende groep» t.b.v.renteaftrekbeperkingen20171676Aanscherping toelatingseisen innovatiebox20171487Aanpassing Transfer Pricing Guidelines (o.a. voorimmateriële activa)2017–8Verhoging effectief tarief innovatiebox van 5% naar7%20181249Spoedreparatie fiscale-eenheidsregime2018010Inhoudingsplicht dividendbelasting houdstercoöpera-ties2018011Beperking afschrijvingsmogelijkheden onroerendgoed in eigen gebruik201920012Anti-misbruikbepalingen in belastingverdragen via hetMultilateraal Instrument (MLI)2019–13Eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD1):earningsstrippingmaatregel (generieke renteaftrekbe-perking)20191.81514Eerste EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD1):aanvullende CFC-maatregel2019015Nationale lijst met laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoelein-den2019–16Beperking voorwaartse verliesverrekeningstermijn201910017Vernieuwde rulingpraktijk2019–18Openbaarmaking vergrijpboetes2020–19Minimumkapitaalregel voor financiële sector202029520Tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking (ATAD2)2020021Invoering van UBO-register2020–22Aanscherping minimumkapitaalregel voor financiëlesector202113023Verhoging effectief tarief innovatiebox van 7% naar9%202114624Conditionele bronbelasting op renten en royalty’s naarlaagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties2021025Aanscherping specifieke renteaftrekbeperking gerichttegen winstdrainage (artikel 10a Wet Vpb)202112526Beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling202124227Meldingsplicht grensoverschrijdende constructies(DAC6)2021–Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34122 MaatregelJaar€ mln128Tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheids-beginsel202223129Belastingplichtmaatregel uit de tweede EU-richtlijnantibelastingontwijking (ATAD2)2022030Aanscherping aftrekpercentage earningsstripping-maatregel van 30% naar 20% van het bruto bedrijfsre-sultaat202273531Beperking van verliesverrekening in de vennoot-schapsbelasting202256032Uitwisselen fiscale informatie digitale platformen(DAC7)2023–33Conditionele bronbelasting ook op dividendstromennaar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksitua-ties2024034Versterking aanpak dividendstripping2024035Wet minimumbelasting 202420244661 Deze kolom geeft het geraamde structurele budgettaire effect weer in miljoenen euro’s. Eenpositief bedrag betekent een budgettaire opbrengst. Een 0 betekent dat de maatregel geenbudgettair effect heeft voor Nederland, maar dat de maatregel preventief is of dat de opbrengstvooral in het buitenland valt. Een liggend streepje betekent dat de maatregel geen direct effectheeft op de belastbare grondslag. Bijvoorbeeld als de maatregel ten doel heeft om de informatie-positie van de Belastingdienst te versterken. Wat zijn de meest recente cijfers voor het verloop van financiële stromenvanuit Nederland naar laagbelastende jurisdicties?De leden van de fractie van de VVD vragen wat de meest recente cijferszijn voor het verloop van financiële stromen vanuit Nederland naarlaagbelastende jurisdicties. In de monitoringbrief van oktober 2023 is eenoverzicht gegeven tot en met het jaar 2022.41 Daaruit bleek dat degeconstateerde daling van de stromen sinds 2019 zich bestendigd had in2022 (van € 38,5 miljard in 2019 naar € 6 miljard in 2022). Een update vandeze bedragen volgt dit najaar en zal gerapporteerd worden in devolgende monitoringsbrief.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debeantwoording van de verschillende schriftelijke vragen omtrentbelastingconstructies. Deze leden hebben enkele vragen.De leden van de D66-fractie vinden het cruciaal dat iedereen eerlijkbelasting betaalt, zowel bedrijven als individuen. De sterkste schoudersmoeten de zwaarste lasten dragen. Het is dus zeer onwenselijk als sterkwinstgevende bedrijven of zeer vermogende individuen tegen de geestvan de wet in belasting ontwijken of ontduiken. De leden van deD66-fractie zijn blij met de stappen die er de afgelopen jaren gezet zijn opdeze dossiers. Deze leden zien dat als een goed begin, maar niet heteindpunt. Het is daarom de hoop van deze leden dat dit beleid wordtvoorgezet en uitgebouwd. De leden van de D66-fractie zijn benieuwd naarde visie van de Staatssecretaris hierop en hoe de Staatssecretaris ditdenkt te gaan bewerkstelligen.41Kamerstukken II, 2023–2024, 25 087, nr. 320Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34123 Belastingontduiking is verboden. Bij belastingontduiking verhult iemandbijvoorbeeld inkomsten of vermogen voor de Belastingdienst. Het spreektvoor zich dat het kabinet belastingontduiking zal blijven aanpakken. Doorbelastingontduiking loopt de schatkist in de eerste plaats belastingin-komsten mis waar mensen die wél netjes belasting betalen vooropdraaien. Als niet iedereen zijn aandeel betaalt, beschadigt belastingont-duiking bovendien het vertrouwen in het belastingstelsel. Belastingont-duiking ondermijnt zo ook het rechtvaardigheidsgevoel en debelastingmoraal.Belastingontwijking is ook onwenselijk. Bij belastingontwijking gaat hetdoorgaans om structuren of transacties die legaal zijn, maar die (mede)gericht zijn op het verkrijgen van een belastingvoordeel, terwijl ditbelastingvoordeel niet beoogd is door de wetgever. Belastingontwijkingkan eenzelfde eroderende werking hebben op het vertrouwen in eerlijkebelastingheffing. Het kabinet zal daarom de aanpak van belastingont-wijking en -ontduiking voortzetten. In navolging van internationaleafspraken over het belasten van multinationale ondernemingen isNederland is voorstander van het verkennen of in internationaal enEU-verband afspraken gemaakt kunnen worden over het belasten van zeervermogende personen. Zoals hiervoor is benoemd zijn internationalebelastingstelsels zijn op het gebied van de inkomstenbelasting, vermo-gensbelasting en schenk- en erfbelasting niet goed op elkaar afgestemdwaardoor met name vermogende personen – vergelijkbaar met multinati-onale ondernemingen – in staat om hun belastingdruk wereldwijd teoptimaliseren. Mondiale en Europese samenwerking dat inzet op eengelijk speelveld op het gebied van de belastingheffing van zeer vermo-gende personen kan fiscale concurrentie en wereldwijde erosie van debelastinggrondslag en verlies van belastingopbrengsten tegengaan.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennis genomenvan de antwoorden van de Staatssecretaris op vragen van het lid Stultiens(GL-PvdA) over de vermeende belastingontwijking van «de rijkste vrouwvan Nederland» en hebben over deze set schriftelijke vragen enantwoorden nog enkele vragen.In antwoord op vraag 8 schrijft de Staatssecretaris het volgende: «Er is opdit moment geen overzicht beschikbaar in hoeverre de beschreven routewordt gebruikt. Dit zou een complexe analyse vragen van ofwel gegevensvan de Kamer van Koophandel dan wel van de aangiften vennootschaps-belasting over de jaren tot en met 2023, die op zijn vroegst in 2026beschikbaar zijn. Maar ook dan blijft het de vraag of een volledig beeld opmacroniveau gegeven kan worden gezien de complexiteit van debeschreven route in het artikel. De Belastingdienst houdt terugbetalingenvan kapitaal niet bij, omdat een terugbetaling van kapitaal als zodanig nietkan worden aangemerkt als belastingontwijking.»Kan de Staatssecretaris verder verduidelijken waarom aangiften pasenkele jaren later beschikbaar zouden zijn? Vanwaar deze vertraging?Standaard moeten vennootschapsbelastingplichtigen binnen 5 maandenna het einde van het boekjaar hun aangiften indienen. Het is echtermogelijk om uitstel te vragen. Bij een verzoek tot uitstel wordt standaarduitstel van 5 maanden verleend, maar bij een met redenen omkleedverzoek kan dit uitstel verlengd worden. Ook geldt de belastingconsulen-tenregeling. Dan kan uitstel verleend worden tot 30 april van het daarop-volgende jaar. De consulent kan dan gespreid over het jaar aangiftenindienen waarbij hij zich aan een inleverschema moet houden. Als extrauitstel nodig is dan kan dit ook verleend worden mits dit goed gemoti-veerd wordt. Verder kunnen ook grote bedrijven in aanmerking komenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34124 voor uitstel omdat het gaat om complexe aangiften en zij, vooraf aan hetindienen van de aangifte, bijvoorbeeld in het kader van horizontaaltoezicht, eerst kunnen overleggen over de ingenomen posities in deaangifte. Omdat juist deze grote bedrijven zeer relevant zijn voor inzicht inde totale grondslag van de vennootschapsbelasting, kan pas over degrondslag in de vennootschapsbelasting in 2023 op zijn vroegst in 2026inzicht gegeven worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 087, nr. 34125

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b157e3eccca69cc1

14 okt 2026 · da71e92208cebae2

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.