KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie op het rapport 'Blind voor mens en recht' van de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD)

5 dec 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 667b112c2c025ecd · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202535 867Parlementaire enquête fraudebeleid endienstverleningNr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE-GENHEID EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 5 december 2024Op 26 februari van dit jaar verscheen het rapport Blind voor mens en rechtvan de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening(PEFD).1 Op 14 juni jl. stuurde het vorige kabinet een eerste reactie op hetrapport. Het kabinet nam met waardering voor het werk van de PEFDkennis van de pijnlijke conclusies en de aanbevelingen. Het werd evenwelpassend gevonden de inhoudelijke reactie over te laten aan het volgendekabinet.2 Met deze brief geeft dit kabinet daaraan opvolging.Dit kabinet trekt de conclusies van de PEFD zich net als zijn voorgangerzeer aan. De overheid dient altijd oog te hebben voor mens en recht. Elkestaatsmacht is er voor de burger en niet andersom. Het kabinet wil hetgeschonden vertrouwen van de burger daarom herstellen en patronendoorbreken die ervoor kunnen zorgen dat burgers opnieuw onrecht wordtaangedaan. Zoals al aangekondigd in het Regeerprogramma, wil hetkabinet de democratische rechtsstaat versterken en de grondrechten vanmensen beter beschermen. Dat begint met regelingen die menselijk,eenvoudig en rechtvaardig zijn. Zeker als het gaat om regelingen diegericht zijn op inkomensondersteuning of waar het gaat om handhaving.Wet- en regelgeving horen aan te sluiten bij de leefwereld van mensen dieervan afhankelijk zijn. Zoals het kabinet in het Regeerprogramma stelt,lukt herstel van vertrouwen echter niet alleen met systeemverbeteringenen juridische maatregelen. Het vraagt ook om ambtelijk vakmanschapwaarbij responsiviteit, rechtsstatelijk besef en waardegedreven werkenbelangrijke aspecten zijn. Zo kijkt het kabinet naar de aanbevelingen vande PEFD.De enquêtecommissie focuste zich in haar onderzoek op enkele wetten diein de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik een belangrijke rol1Kamerstuk 35 867, nr. 6.2Kamerstuk 35 867, nr. 12. kst-35867-13ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 131 hebben gespeeld. Het gaat dan met name om de Algemene wetinkomensafhankelijke regelingen (Awir), de Wet kinderopvang (Wko)– beide van kracht sinds 2005 – de Wet aanscherping handhaving ensanctiebeleid SZW-wetgeving – van kracht sinds 2013 – en de Wet aanpakfraude toeslagen en fiscaliteit (Waftf) uit 2014.De commissie wijst er in haar rapport terecht op dat deze wetten voormensen onrechtvaardig uitpakten. Dat kwam door ontwerpfouten, decomplexiteit van deze wetgeving en de vaak voor meerdere uitleg vatbarebepalingen.Het kabinet vindt dat de menselijke maat in de regelingen voorop moetstaan. Daarom heeft het kabinet in het Regeerprogramma een hervor-mingsagenda aangekondigd. Het doel is om op de lange termijn detoeslagen, sociale zekerheid en de inkomstenbelasting te hervormen. Optermijn zal de vergoeding voor kinderopvang rechtstreeks aan kinderop-vangorganisaties worden uitgekeerd. Het kabinet zet in op begrijpelijkerechten en plichten. Een vergissing of fout mag iemand niet in groteproblemen brengen. Met die insteek werkt het kabinet de komende tijdaan een Wet handhaving sociale zekerheid. Met deze wet wordt hethuidige handhavings- en sanctioneringsstelsel herzien. Daarnaast wordtook het boetebeleid bij de toeslagen aangepast, om te voorkomen datboetes kunnen worden opgelegd voor onbewuste fouten en dat dispro-portioneel hoge boetes kunnen worden opgelegd. Verder geldt al voor debehandeling van de toeslagen dat het mogelijk is terugvorderingen tematigen, wordt de «alles of niets» benadering niet meer gebruikt en geldter een zienswijzenprocedure. Ook werkt het kabinet aan het voorstel Wetversterking waarborgfunctie Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met ditwetsvoorstel wil het kabinet de dienstverlening door de overheidverbeteren, de menselijke maat versterken en laagdrempelig contactbevorderen. Verder kondigde het kabinet in het Regeerprogramma aanonevenredige hardheden gericht op te sporen en aan te pakken. Dit zalgebeuren onder coördinatie van de Minister van BZK en in nauwesamenwerking met de overige bewindspersonen. In het bijzonder deMinister van SZW als verantwoordelijk bewindspersoon voor hetRijksbrede programma Werk aan Uitvoering (WaU). In de afgelopen jarenzijn grote stappen gezet in de dienstverlening, maar we zijn er nog niet.Het kabinet zet daarom in op toegankelijke dienstverlening met alsuitgangspunt: geen «verkeerde deur», maar altijd de juiste. Bij welkeoverheidsorganisatie de burger ook aanklopt, de overheid helpt hem altijdverder. Met het wetsvoorstel proactieve dienstverlening wil het kabinetgemeenten, UWV en SVB in staat stellen mensen proactief te benaderen,zodat niet-gebruik van regelingen minder wordt en bestaanszekerheidtoeneemt.In deze kabinetsreactie worden de aanbevelingen van de PEFD overtoeslagen en handhaving als eerste uitgewerkt. Daarna de aanbevelingendie gaan over inzet van risicogericht toezicht en harmonisering vanbegrippen in de sociale zekerheid. Beleid valt of staat met de uitvoering.Andersom is dat ook het geval, zo laat ook het onderzoek van de PEFDzien. De aanbevelingen van de PEFD worden daarom nadrukkelijk bezienvanuit het perspectief van uitvoerbaarheid. Sommige aanbevelingen vande PEFD hebben een bredere strekking dan het terrein van toeslagen/sociale zekerheid. Of ze overlappen met de aanbevelingen die deStaatscommissie rechtsstaat op 10 juni jl. presenteerde in haar advies-rapport De gebroken belofte van de rechtsstaat. Ook het Regeerpro-gramma bevat een richting voor hoe het kabinet wil omgaan met eenaantal aanbevelingen van beide commissies. Alle aanbevelingen van dePEFD zullen aan de orde komen in deze brief. Waar uitwerking van deaanbevelingen in het licht van het rapport van de StaatscommissieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 132 rechtsstaat echter een bredere afweging vraagt, zullen deze in dekabinetsreactie op laatstgenoemd rapport of in specifieke brieven aan uwKamer nader worden uitgewerkt. De overige aanbevelingen wordenmeegenomen in de reactie op het PEFD-rapport. Daaronder valt ook deaanbeveling die betrekking heeft op de informatievoorziening aan deKamer.Tot slot bevat het rapport van de PEFD enkele observaties over het procesrondom de parlementaire enquête. Deze gaan vooral over de figuur vande bijstandsverlener, de aard en omvang van de informatievordering ende inrichting van de werkprocessen bij departementen. Hier zal aan heteinde van deze kabinetsreactie nader op worden ingegaan.Het toeslagenstelselAanbeveling PEFD: Toon politiek lef en schaf het toeslagenstelsel af, metoog voor de belangen van mensen op de korte termijn.Toeslagen zijn van groot maatschappelijk belang. Miljoenen huishoudenszijn van toeslagen afhankelijk. Ze maken gezondheidszorg, huisvesting enzorg voor kinderen toegankelijk en betaalbaar. Tegelijkertijd is duidelijkgeworden dat het toeslagenstelsel ook fundamentele problemen kent. Hetdraagt niet voor iedereen bij aan zekerheid en rust die het moet bieden.De enquêtecommissie benadrukt dit terecht. De bij de start van het stelselgeïntroduceerde voorschotsystematiek maakt het mogelijk burgersactueel en gericht te ondersteunen. Het legt echter ook veel verantwoor-delijkheid bij de burger. Dat leidt vaak tot (hoge) terugvorderingen ennabetalingen. Door de complexiteit van verschillende regelingen is hettoeslagenstelsel voor burgers moeilijk te begrijpen. Daardoor kunnen zij infinanciële problemen komen. Ook ervaren burgers onzekerheid en stress,of durven uit angst voor terugvorderingen geen gebruik te maken vanregelingen waar zij wel recht op hebben. Deze problemen tonen denoodzaak aan dat dit anders moet. Daarom heeft het kabinet de ambitieom binnen de huidige budgettaire kaders deze kabinetsperiode wetgevingvoor te bereiden om het toeslagen- en belastingstelsel te hervormen. Ookde sociale zekerheid pakt het kabinet op diverse onderdelen aan.Bij deze hervorming zijn veel keuzes te maken. Zoals het rapport van decommissie laat zien, zijn in het verleden vaker alternatieven voor hettoeslagenstelsel verkend. Daarnaast heeft het vorige kabinet op 9 februarivan dit jaar het Eindrapport Toekomst Toeslagenstelsel 3 aan uw Kameraangeboden. Daarin zijn beleidsopties onderzocht om het stelsel af teschaffen, fundamenteel te herzien en te vereenvoudigen en te verbeteren.Uit deze verkenningen blijkt telkens dat het vinden van een alternatiefvoor het toeslagenstelsel niet makkelijk is. Elk alternatief kent voor- ennadelen. Zo zal over het algemeen een eenvoudiger ingericht stelselzorgen voor meer zekerheid voor mensen, maar zal het ook duurder zijn of– bij gelijkblijvend budget – minder financiële ondersteuning bieden. Ookzal het geheel of gedeeltelijk loslaten van de voorschotsystematiekgevolgen hebben. Bijvoorbeeld voor de tijdigheid en/of gerichtheidwaarmee ondersteuning kan worden geboden. Hierbij moet oog zijn voorde burgers die erop achteruit kunnen gaan. Het is belangrijk dat ervoldoende aandacht is voor de uitvoerbaarheid van een nieuw stelsel.Verder komt uit eerdere studies naar voren dat een hervorming potentieheeft wanneer deze in brede zin wordt bezien. Daarom wil het kabinet een(gedeeltelijke) vervanging van heffingskortingen, aftrekposten entoeslagen door inkomensonafhankelijke toelagen en andere belastingta-rieven in samenhang verkennen. Vanuit een bredere visie op de3Kamerstuk 31 066, nr. 1340.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 133 vormgeving en uitwerking van (rijks)inkomensbeleid zal dat waar nodigook gebeuren in relatie met het minimumloon en de sociale zekerheid. Hetis dan ook van belang dat de effecten op de fiscaliteit en sociale zekerheidgoed in beeld worden gebracht. Zo kan er een zorgvuldige keuze wordengemaakt.Het is tijd om samen knopen door te hakken en met de voorbereidingenvan deze stelselherziening te beginnen. Daarom is in het hoofdlijnenak-koord en het Regeerprogramma de ambitie opgenomen om wetgevingvoor te bereiden voor een hervorming van het belasting- en toeslagen-stelsel. Het doel is een belasting- en toeslagenstelsel dat eenvoudiger isen mensen meer zekerheid biedt, en waarin (meer) werken loont. Op17 oktober jl. is uw Kamer geïnformeerd over de taakopdracht voor deaanpak van de hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel. Vanafhet voorjaar 2025 wil het kabinet met uw Kamer een open gesprekaangaan aan de hand van een brief met daarin ook enkele varianten enkeuzeopties.4 Het kabinet heeft hierin een leidende en faciliterende rol enstelt zich in dit proces dienstbaar en naar buiten gericht op.Mensen kunnen echter niet wachten op hervormingen die meerderekabinetsperiodes in beslag zullen nemen. Daarom doet het kabinet ookvoorstellen voor de korte en de middellange termijn. Zo werkt het kabinetdoor aan een alternatief voor de kinderopvangtoeslag. In lijn met deaanbeveling van de commissie richt het kabinet zich op een nieuwefinancieringssystematiek. Daarin wordt de vergoeding voor kinderopvangdirect aan kinderopvangorganisaties uitgekeerd. Daardoor wordt dezetoeslag effectief «afgeschaft» en vervangen door een voor ouders veelminder risicovolle benadering. Met deze aanpak zullen geen terugvorde-ringen meer plaatsvinden bij ouders. In het voorjaar van 2023 is eenontwerp voor zo’n stelsel van directe financiering gepresenteerd. Ditontwerp is sindsdien verder uitgewerkt. Op 11 november jl. heeft hetkabinet een hoofdlijnenbrief over het nieuwe stelselontwerp samen meteen bijgewerkte stelselbeschrijving naar uw Kamer gestuurd.5 Op de lossetoeslagen beziet het kabinet welke stappen er mogelijk zijn in de transitienaar het eindbeeld op lange termijn, waarbij de huidige inkomensver-deling en budgettaire kaders het uitgangspunt zijn. Dit kabinet onderzoektbijvoorbeeld de vormgeving van één kindregeling in één wettelijk kader.De huurtoeslag wordt vereenvoudigd en verbeterd onder andere door dehuurtoeslag lineair af te bouwen.Een aanbeveling van de enquêtecommissie luidt om mensen ook op kortetermijn te helpen. In lijn daarmee maakt dit kabinet werk van het zoveelmogelijk oplossen van de problemen binnen het huidige stelsel. Viawetgeving worden schrijnende situaties opgelost die ontstaan bijtoeslaggerechtigden met een partner die noodgedwongen niet bij hetgezin kan zijn. Bijvoorbeeld vanwege vermissing, detentie of eenvluchtsituatie. Zij krijgen hetzelfde recht op toeslagen (met uitzonderingvan de huurtoeslag) als alleenstaanden. Het kabinet gaat daarnaastvoorstellen om niet langer met terugwerkende kracht het recht optoeslagen aan te passen als gevolg van besluiten van overheidsinstel-lingen over een aan de toeslag gekoppelde grondslag. Zo worden hogeterugvorderingen en betalingsproblemen voorkomen. Ook wil het kabinettoeslaggerechtigden vier maanden langer de tijd te geven om dehuurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebonden budget aan te vragen.Daardoor zal het aanvragen van de toeslag nog een heel jaar na het jaarwaarop de toeslag ziet mogelijk zijn.4Kamerstuk 32 140, nr. 211.5Kamerstuk 31 322, nr. 547 en nr. 548.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 134 Nieuwe knelpunten of schrijnende situaties wil het kabinet op tijd in beeldkrijgen en oplossen. Daarom wordt sinds de ontvlechting van Toeslagenuit de Belastingdienst gewerkt met een nieuwe governancestructuur.Zoals de commissie signaleert, is het belangrijk goed om te gaan met degedeelde verantwoordelijkheid over meerdere departementen. Daarom isde rol van het directoraat-generaal Fiscale Zaken van het Ministerie vanFinanciën als coördinerend opdrachtgever geïntroduceerd. Daarnaastzorgen we ervoor dat de verschillende departementen en de uitvoeringelkaar regelmatig spreken. Hierdoor komen toeslagoverstijgendeknelpunten eerder in beeld en is het risico kleiner dat mensen tussen walen schip vallen.Als er sprake is van een terugvordering, wil het kabinet vanaf 2026uitkeringen gaan terugvorderen ter hoogte van netto te veel ontvangenbedragen.6 Daarnaast wil het kabinet het aantal hoge terugvorderingenvan toeslagen flink verminderen. Veranderingen van inkomen zijn debelangrijkste oorzaak van terugvorderingen. Daarom start het kabinet eenverkenning naar een betere inkomensregistratie. Ook in de uitvoeringkunnen we keuzes maken om hoge terugvorderingen terug te dringen.Uitgangspunt is om de toekenningszekerheid voor burgers te verbeteren,omdat we weten dat terugvorderingen voor burgers meer problemenopleveren dan nabetalingen. Het traject «Werken in de actualiteit» omvateen pakket aan maatregelen. Een aantal van die maatregelen heeftbetrekking op het optimaliseren van dienstverlening en het verkrijgen vanbetere (contra)gegevens. Maar ook willen we burgers beter wijzen op demogelijkheden om gegevens aan te passen. Als we zelf gegevensaanpassen, doen we dat op een veilige manier (ambtshalve muteren).Voor mensen moet het zo gemakkelijker worden om hun gegevensactueel te houden. De nieuwe Toeslagen-app helpt hier ook bij. Daarnaastzijn er andere maatregelen die worden verkend en die vragen om politiekekeuzes. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om de arbeidseis bij de kinderop-vangtoeslag op voorhand vast te stellen. Het kabinet kijkt ook naar demogelijkheid om behoudend voorschotten te verlenen op verzoek van deaanvrager. Deze maatregelen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aanhet verminderen van de problematiek op de korte termijn. Over devoortgang van deze onderwerpen wordt u separaat geïnformeerd.Herziening van het handhavings- en sanctioneringsbeleidAanbevelingen PEFD: Een menselijk handhavings- en sanctionerings-beleid • Pak echte fraude aan, maar sla niet door • Herzie het handhavings-en sanctioneringsstelsel grondig, zodat er altijd oog is voor de mens en deomstandigheden van het geval.Op het terrein van toeslagenIn 2023 ontvingen 5,9 miljoen huishoudens een of meerdere toeslagenmet een totale som van ongeveer € 19 miljard. Handhaving is belangrijkom ervoor te zorgen dat iedereen krijgt waar hij of zij recht op heeft. Bijhandhaving gaat het zowel om het voorkomen van fouten als om(intensief) toezicht. Het rapport van de enquêtecommissie heeft laten zienhoe de fraudejacht en de hardheid van het toeslagenstelsel in hetverleden verwoestend hebben uitgewerkt. In 2019/2020 heeft DienstToeslagen het intensief toezichtsproces stilgezet omdat – zoals ook blijktuit het rapport van de commissie – de waarborgen en zorgvuldigheidwaarmee het intensief toezicht werd uitgevoerd, onvoldoende waren.6Regeerprogramma. Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, 13 september2024, p. 15. Kamerstuk 36 471, nr. 96.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 135 De afgelopen jaren is de manier waarop invulling wordt gegeven aan dehandhaving door Dienst Toeslagen daarom herijkt. De basis vormt eenstevig fundament van dienstverlening om fouten te voorkomen. Debouwstenen zijn het uitgaan van transparantie en vertrouwen in deburger. Daarbij moet ook ruimte zijn om adequaat en zorgvuldig tehandelen. Zeker als opzettelijk misbruik wordt gemaakt van de regelingen.Belastingbetalers mogen erop vertrouwen dat geen toeslagen wordenuitgekeerd aan burgers die daar geen recht (meer) op hebben. Op 31 mei2023 is de Handhavingsstrategie van Dienst Toeslagen naar uw Kamergestuurd.7 Deze strategie is leidend voor de uitwerking van en de inzet ophandhaving van de toeslagen. Het afgelopen jaar is de strategie opverschillende punten uitgewerkt en geïmplementeerd. Een belangrijkemijlpaal daarbij is de (gefaseerde) opstart van het vernieuwde intensieftoezichtsproces. In de vormgeving van dit proces wordt gezocht naar deverbinding met de hieronder nader genoemde herziening van hethandhavings- en sanctioneringsstelsel in de sociale zekerheid.Een van de uitgangspunten hierbij is het in het Regeerprogrammabenoemde recht op vergissen. Dit principe houdt in dat burgers bij hetmaken van een onbewuste fout of vergissing niet in financiële problemenmoeten komen. Binnen de toeslagen werkt het kabinet dit principe uitdoor voor te stellen om op wetsniveau vast te leggen dat DienstToeslagen geen bestuurlijke boetes meer kan opleggen aan burgers voorverzuimen. Een verzuim kan namelijk het resultaat zijn van een onbewustefout of vergissing. Daarnaast wordt de maximumhoogte voor boetes opvergrijpen aangepast, waarmee wordt voorkomen dat disproportioneelhoge boetes kunnen worden opgelegd. Hierover wordt uw Kamerbinnenkort nader geïnformeerd.In de afgelopen periode zijn er signalen over mogelijk misbruik vantoeslagen in georganiseerd verband ontvangen. Vaak worden dergelijkesignalen in het reguliere toezichtsproces binnen Dienst Toeslagenonderkend. In die situatie wordt de toeslag stopgezet. De onterechtuitbetaalde toeslag wordt teruggevorderd. Het is belangrijk om in zulkesituaties niet opnieuw de mens en de menselijke maat uit het oog teverliezen. Tegelijkertijd mogen belastingbetalers erop vertrouwen datDienst Toeslagen misbruik effectief aanpakt en daar ook de mogelijkhedenvoor heeft. Dit is zoeken naar balans.Op het terrein van de sociale zekerheidOok op het terrein van de sociale zekerheid werkt het kabinet aan eenherziening van het huidige handhavings- en sanctioneringsstelsel. Hetkabinet heeft daartoe een wetsvoorstel in voorbereiding (Wet handhavingsociale zekerheid). Uw Kamer is op 24 september jl. geïnformeerd over devoortgang van dit traject.8 In deze brief is aangegeven dat, in navolgingvan de aanbeveling van de PEFD, het stelsel gebalanceerd vormgegevenzal worden. Het uitgangspunt bij deze wijziging is vertrouwen. Vertrouwendat iemand een uitkering aanvraagt omdat de desbetreffende persoon (aldan niet tijdelijk) ondersteuning nodig heeft en er niet op uit is om daarmisbruik van te maken. Iemand die een uitkering aanvraagt, wordt metvertrouwen behandeld.9 Daarbij is geen sprake van naïviteit.Het handhavingsinstrumentarium stelt de uitvoering in staat om passendte reageren op daadwerkelijk misbruik.10 Het uitgangspunt van7Kamerstuk 31 066, nr. 1233.8Kamerstuk 17 050, nr. 609.9Dit sluit ook aan bij de Meerjarige handhavingskoers 2022–2025. Kamerstuk 17 050, nr. 602.10Kamerstuk 17 050, nr. 603.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 136 vertrouwen krijgt op meerdere manieren invulling in het wetsvoorstel.Mensen krijgen een redelijke termijn om zelf een vergissing te herstellen.Zonder dat daar een straf op volgt. Bestuursorganen krijgen ruimte om afte wegen of een sanctie nodig is en hoe die er dan uitziet. Ook is in debrief ingegaan op voor- en nadelen van discretionaire bevoegdheden.Bijvoorbeeld op het gebied van terugvordering, zoals aanbevolen door decommissie. Zo wordt met het oog op recente jurisprudentie overwogenom bij terugvorderingen meer rekening te houden met fouten van deoverheid.11Sanctionering is het sluitstuk van rechtmatigheid in de sociale zekerheid.Het kabinet vindt het voorkomen van het niet of niet behoorlijk nakomenvan de verplichtingen belangrijk. Als we willen dat burgers de regelsnaleven, moeten ze daartoe in staat worden gesteld. Begrijpelijke endoenbare regels zullen daarbij helpen. In beleid wordt daarom ingezet oppreventieve maatregelen. Overtreding van regels wordt op die manierzoveel mogelijk voorkomen. Ook is het voor de preventie van overtre-dingen noodzakelijk om de burger en diens leefwereld te begrijpen. Wewillen begrijpen waarom iemand verplichtingen (deels) wel of nietnakomt. Deze inzichten kunnen helpen om de communicatie en dienstver-lening te verbeteren. Zo willen we de naleving van regels bevorderen. Ookis het van belang dat onze dienstverleners alert zijn op regelnaleving enburgers daarop wijzen. Met gerichte en tijdige voorlichting kunnenovertredingen mogelijk worden voorkomen of gecorrigeerd, zodaternstige of langdurige overtreding van regels wordt vermeden. Door deburger de kans te geven om zijn gedrag te herstellen, zal de persoon inkwestie zich mogelijk meer bewust worden van zijn verplichtingen.Inzet van risicogericht en datagedreven toezichtAanbevelingen PEFD: Zorg voor kennisopbouw over de risico’s van dataen digitale toepassingen en creëer waarborgen voor burgers • Versterk dewaakhondfunctie van de Autoriteit Persoonsgegevens door het jaarbudgette verhogen.Risicogericht toezicht kan – naast inzet van controles op basis van aselectesteekproeven om tunnelvisie te voorkomen – een effectief handhavingsin-strument zijn. Dat erkent ook de enquêtecommissie.12 Hiermee wordtvoorkomen dat burgers die de regels naleven onnodig worden gecontro-leerd. Risicogericht toezicht kan ook worden ingezet voor vroegdetectievan overtredingen. Zo worden onnodige kosten voor de betrokkene en demaatschappij voorkomen. Daarnaast wordt toezichtscapaciteit gericht enefficiënt ingezet. Uw Kamer erkent het belang hiervan. Dat blijkt uit dedoor uw Kamer aangenomen motie van de leden Martens-America en VanZanten. Deze roept op om het gebruik van risicogericht toezicht niet bijvoorbaat uit te sluiten.13Bij de inzet van risicogericht toezicht moet de overheid echter altijd dewet- en regelgeving naleven. De enquêtecommissie wijst terecht op hetbelang van zorgvuldigheid, transparantie en voldoende waarborgen bij deinzet hiervan.Belangrijke waarborgen zijn in ieder geval het baseren van risicomodellenop onderzoek en analyse. Maar ook het doen van regelmatige monitoring,onderhoud plegen en evalueren. Daarnaast is het belangrijk om open testaan voor signalen hoe het risicomodel uitpakt in de praktijk, zoals ookverwoord in het rapport van Amnesty International over etnisch profileren11Kamerstuk 17 050, nr. 609.12Rapport PEFD, Blind voor mens en recht, p. 39. Kamerstuk 35 867, nr. 6.13Kamerstuk 24 724, nr. 233.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 137 waarop begin 2025 een kabinetsreactie volgt.14 Dienst Toeslagen heeft eenVisie op Algoritmische Systemen ontwikkeld om algoritmen verantwoordin te zetten en de risicobeheersing rondom impactvolle algoritmischesystemen goed te kunnen inrichten. Uw Kamer wordt daarover nog nadergeïnformeerd. Ook is het wenselijk om (externe) expertise te betrekken.Bijvoorbeeld in de vorm van ethische commissies. Binnen het Ministerievan Financiën is daarom in 2023 de onafhankelijke en externe Adviescom-missie Analytics ingesteld. Deze adviseert over het ethisch verantwoordomgaan met data. Specifiek voor analyses voor het Ministerie vanFinanciën, de Belastingdienst, de Douane en Dienst Toeslagen.In de sociale zekerheid hebben UWV en SVB zorgvuldige procedures voorde ontwikkeling en inzet van risicomodellen. UWV heeft beleid ontwikkeldom integraal de risico’s te beheersen die het werken met modellen metzich meebrengt. In dit beleid is o.a. vastgelegd aan welke waarborgenmodellen moeten voldoen en hoe hierop intern en extern wordt getoetst.Zo worden modellen bijvoorbeeld getoetst door een ethische commissie.De SVB is momenteel o.a. bezig met het ontwikkelen én uitvoeren van eenethische toets voor risicoprofielen. Daarnaast zijn ze bezig met eenevaluatie van het risicogerichte onderzoeksproces. De ambitie van de SVBis om een holistische visie op risicogericht onderzoek te ontwikkelen.Hierbij worden zowel datagedreven, als mensgedreven en aselecteonderzoeken gebruikt. Deze worden op een complementaire manier naastelkaar gezet om tunnelvisie en bias te voorkomen. Ook zetten zowelDienst Toeslagen als UWV en de SVB in op aselect toezicht bijhandhaving. Dit als waarborg tegen vooringenomenheid van een model.Dat toezicht zorgt voor informatie om hun modellen bij te stellen en ombreed zicht te houden op misbruikrisico’s en veranderingen.Het kabinet heeft kennisgenomen van de door uw Kamer aangenomenmotie-Van Baarle. Daarin wordt verzocht om aan te geven met welkeaanvullende maatregelen de schending van recht op gelijke behandelingdoor de overheid voorkomen gaat worden.15 In aanvulling op demaatregelen die worden genomen door de uitvoeringsdiensten omdiscriminatie door risicoprofilering tegen te gaan, buigt ook de Staatscom-missie tegen Discriminatie en Racisme zich in haar onderzoek over etnischprofileren bij (semi)overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties. Destaatscommissie heeft onder meer de opdracht om te bekijken of hetmogelijk en wenselijk is overheidsinstanties te verbieden etniciteit tegebruiken om fraude te bestrijden. Daarnaast ontwikkelt de staatscom-missie een «doorlichtingsinstrument» voor uitvoeringsdiensten om tebeoordelen of er in de eigen organisatie sprake is van een wettelijk kaderof een uitvoeringspraktijk waarin ruimte is voor (indirecte) discriminatie.Dit instrument wordt momenteel in een aantal pilots getest.Verder onderzoekt de staatscommissie of het mogelijk en wenselijk is omeen wettelijke verplichting in te stellen voor overheidsdiensten omperiodiek te rapporteren over de wijzen waarop zij trachten te voorkomendat discriminatie in hun organisatie voorkomt, zowel van burgers als vanmedewerkers.Voor 1 mei 2026 zal deze staatscommissie haar eindadvies over dezeonderzoeken uitbrengen. Daarnaast heeft het College voor de Rechten vande Mens eind 2021 een mensenrechtelijk toetsingskader ontwikkeld voorhet gebruik van risicoprofielen. Het College werkt op dit moment aan deaanpassing van dit toetsingskader waarin alle nieuwe ontwikkelingen14Rapport Amnesty International Nederland «Etnisch profileren is overheidsbreed probleem»,maart 2024.15Kamerstuk 35 867, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 138 worden verwerkt (Europese en nationale jurisprudentie). Zodra hetnieuwe toetsingskader verschijnt, zullen de eventuele gevolgen voorbeleid opnieuw worden bekeken.Overheidsorganisaties voeren massale processen uit. Daardoor is hetgebruiken van geautomatiseerde selectietechnieken onvermijdelijk. Dit iszowel noodzakelijk voor het aanbieden van dienstverlening waar dit nodigis. Maar ook voor de inzet van capaciteit met betrekking tot toezicht. Bij deinzet van deze selectietechnieken is het van cruciaal belang dat dit op eenrechtvaardige en rechtmatige manier gebeurt. Er mag geen sprake zijnvan geautomatiseerde besluitvorming op basis van ongeoorloofdeprofilering. De onafhankelijke toezichthouder voor het recht opbescherming van persoonsgegevens, de Autoriteit Persoonsgegevens(AP), is advies gevraagd om verduidelijking te krijgen over begrippen uitde Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit naaraanleiding van een eerder advies van de Landsadvocaat.16 Bij brief van25 oktober jl. hebben de Staatssecretarissen van Financiën uw Kamer hetadvies van de AP aangeboden.17 De reactie van het kabinet op dit adviesvolgt naar verwachting ongeveer gelijktijdig met onderhavigekabinetsreactie.De enquêtecommissie doet in haar rapport ook de aanbeveling om hetjaarbudget van de AP structureel te verhogen naar € 100 miljoen. Volgensde commissie heeft de AP onvoldoende instrumenten en middelen omtoereikend toezicht te houden op de naleving van de wetgeving metbetrekking tot de bescherming van persoonsgegevens. Het kabinetonderschrijft het belang van de AP als onafhankelijk toezichthouder. Hetvorige kabinet heeft daarom extra middelen uitgetrokken om de capaciteitvan de AP uit te breiden. Het budget van de AP voor het toezicht op deAVG groeit hierdoor naar € 45 miljoen structureel in 2025. De AP ontvangtdaarnaast bijdragen van Financiën, Economische Zaken en BZK voorandere toezichtstaken. Dat brengt het totale budget van de AP voorvolgend jaar op ca. € 49 miljoen.De verwerking van persoonsgegevens is voor het bereiken van demaatschappelijke opgaven waarvoor overheidsorganisaties staan, in veelgevallen noodzakelijk. Dit moet zorgvuldig gebeuren en daartoe moetende normen uit de AVG verankerd zijn in de primaire processen van debetrokken organisaties. Goed toezicht op de naleving hiervan is eenonmisbaar onderdeel, maar investeringen in maatregelen aan de voorkantdragen mogelijk zelfs meer bij aan een goede toepassing van de privacy-regels. In dit verband wijzen wij op de beleidsreactie op het in opdrachtvan het WODC uitgevoerde onderzoek Verkennende analyse: naleving vande AVG door overheden die de toenmalige Minister voor Rechtsbe-scherming en de Staatssecretaris van BZK op 28 juni jl. aan de TweedeKamer hebben aangeboden.18In deze beleidsreactie wordt uitvoerig ingegaan op de maatregelen die hetkabinet voor ogen heeft om de naleving van de AVG binnen overheidsor-ganisaties verder te versterken en verbeteren. Het toekennen van meermiddelen aan de AP ziet het kabinet op dit moment niet als het middel bijuitstek om een goede omgang met persoonsgegevens te borgen.Om mensen goed te kunnen helpen, is integrale ondersteuning en uitlegnodig. Net als een goed beeld van de vragen of problematiek waarmensen mee te maken hebben. Dat vraagt vaak om inzicht in het16Kamerstuk 32 761, nr. 294.17Kamerstuk 32 761, nr. 309.18Kamerstuk 32 761, nr. 304.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 139 (volledige) dossier en eventueel gegevensuitwisseling tussen overheidsor-ganisaties. Dat vraagt verduidelijking van de voorwaarden voor dat soortuitwisselingen. Ook moet de wijze waarop gegevens worden gedeeldtransparant zijn. Hieraan wordt gewerkt door middel van de ontwikkelingvan een federatief datastelsel. Dit is een doorontwikkeling van het huidigestelsel van basisregistraties. Dit is te zien als het data-ecosysteem van deNederlandse overheid. Verantwoord gebruik van data vergt een anderemanier van organiseren van de Rijksbrede gegevenshuishouding. Degegevens waarover de overheid beschikt moeten beter vindbaar,koppelbaar en (her)bruikbaar worden. Daarbij worden gegevens eenmaliguitgevraagd en meervoudig toegepast. De data blijven bij de bron en erworden geen onnodige kopieën gemaakt. Dit kan alleen succesvol wordenals tegelijkertijd de legitimiteit van de overheid wordt versterkt. Bijvoor-beeld door in te zetten op verdere dataminimalisatie (just in time en justenough). Maar ook door het versterken van rechten van burgers enbedrijven bijvoorbeeld als het over transparantie en foutherstel gaat. Voorfoutherstel is onder andere het Meldpunt Fouten in Overheidsregistraties(MFO)19 opgericht. Het MFO helpt bij het corrigeren van een fout in eenoverheidsregistratie. Het werkt hierin samen met alle betrokkenoverheidsorganisaties.Het kabinet wil de kwaliteit en een verantwoord gebruik van datavergroten. Daarom is de Interbestuurlijke Datastrategie (IBDS) opgezet.Overheidsorganisaties kunnen hier terecht voor onafhankelijk advies bijvraagstukken over datadelen. De adviesfunctie faciliteert ook dialogenover bijvoorbeeld de spanning tussen het delen van gegevens enveiligheid en privacy. Deze pilot wordt momenteel omgezet naar eenvolwaardig centraal loket. Dat zal bemenst worden met medewerkers uitverschillende publieke organisaties. Ze zal fouten voorkomen en organi-saties helpen de juiste overwegingen te maken door analyses enkennisdeling. De IBDS ondersteunt organisaties ook bij het vergroten vanhun datavolwassenheid. Een beslishulp schetst wat er mogelijk is enondersteunt de uitwerking van de nodige veranderingen. De Rijksaca-demie voor Digitalisering en Informatisering Overheid (RADIO) heeftleergangen, cursussen, podcasts en microlearnings ontwikkeld. Daarmeekunnen medewerkers in alle overheidslagen hun i-kennis eni-vaardigheden vergroten.Harmonisering van begrippen in de sociale zekerheidAanbeveling PEFD: Definieer en harmoniseer relevante begrippen in desociale zekerheid.Vanuit het belang van vereenvoudiging beveelt de enquêtecommissie aanom relevante begrippen in de sociale zekerheid te definiëren en teharmoniseren. Zo wordt het stelsel begrijpelijker. Het kabinet onderkentdat de complexiteit van wet- en regelgeving een achterliggende oorzaakkan zijn van het maken van fouten. Onder meer het InterdepartementaalBeleidsonderzoek (IBO)Vereenvoudiging sociale zekerheid (2023)beschrijft de door mensen ervaren complexiteit van de wet- en regel-geving.20 Er is sprake van stapeling van regelingen en de uitvoering isverspreid over meerdere organisaties.Daarnaast zijn voorwaarden soms onduidelijk en per regelingverschillend. Ook zijn er uiteenlopende begrippen en gegevens, rechtenen verplichtingen.19https://www.rvig.nl/mfo20Kamerstukken 29 362 en 26 488, nr. 328.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1310 Het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen(VIM)21 kijkt vanuit het perspectief van mensen naar het gehele stelsel vaninkomensondersteuning. Daarbij ligt de nadruk op de domeinoverstij-gende interactie tussen de verschillende regelingen, in toeslagen, socialezekerheid, fiscaliteit, zorg-, onderwijs- en lokale regelingen. Hetprogramma VIM zet op papier aan welke kwaliteitseisen begrippen rondinkomensondersteuning moeten voldoen en beoogt gerichte ideeën tepresenteren voor harmonisering van de begrippen «vermogen»,«inkomen» en «partner». Eenduidige, omlijnde en geharmoniseerdebegrippen dragen immers bij aan het voorkomen van fouten en vergis-singen. Dit bevordert weer de naleving van wetten. Hierbij wordtbijvoorbeeld bezien of toegewerkt kan worden naar een kleinere setobjectiveerbare begrippen die beter aansluiten bij de belevingswereld vanmensen. Hierdoor worden regelingen op zich niet alleen eenvoudiger enbeter na te leven voor mensen, maar wordt ook betere gegevensdeling enmeer proactieve dienstverlening mogelijk. In de Kamerbrief over dehervormingsagenda inkomensondersteuning van 19 november jl. bent unader geïnformeerd.22 Voor de AOW wordt momenteel de mogelijkheidverkend om de leefvormdefinities te vereenvoudigen, zodat deze beteraansluiten bij hoe mensen nu leven.Daarnaast werkt het kabinet aan een fundamentele herziening van deParticipatiewet. Daarmee wil het kabinet mensen een toereikend en zekerbestaansminimum bieden en hen stimuleren deel te nemen aan desamenleving. Vertrouwen, eenvoud en de menselijke maat staan centraal.De nieuwe wet is goed te begrijpen, eenvoudiger en biedt passendeondersteuning. Daarbij moet het dus helder zijn wat we van mensenverwachten. Maar ook hoe veranderingen in hun (financiële) situatiedoorwerken. Bijvoorbeeld voor het recht op en de hoogte van eenuitkering. Dit is in lijn met de aanbeveling van de commissie ombegrippen, waaronder «op geld waardeerbaar werk» beter te definiëren.Zodat mensen weten wat er van ze verwacht wordt en waar ze aan toezijn.De aanbeveling van de commissie om te kijken of het mogelijk is om eennadere definitie van het begrip fraude te vinden, lijkt op het eerste gezichtraadzaam. Onderzoek wijst echter uit dat dit niet zo is. Het kabinet verwijstnaar de onderzoekers van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuurdie in hun onderzoek Tussen Staat en Menselijke Maat, dat op11 november 2021 naar uw Kamer is verstuurd, het volgendeconcludeerden:Handhaving in de sociale zekerheid gaat immers niet alleen overuitkomsten (of iemand al dan niet een regel overtreedt) maar ook overintenties (of iemand het bedoeld heeft) en context (of handhaving mensenin bepaalde omstandigheden niet verder de afgrond in duwt). Daarmee isde vraag naar wat fraude is en wat niet per definitie ambigu enmeervoudig; het hangt af van zaken die niet per se helder zijn of zullenworden. Helderheid en eenduidigheid over wanneer er hoe moet wordengehandhaafd is vanuit een algemeen perspectief niet te beantwoorden.Dat toch proberen zal uitvoeringsorganisaties in de knel brengen omdat zijdan steeds vaker geconfronteerd worden met situaties die niet passen inhet eenduidige frame. Voor «echte» fraudeurs, anderzijds, zijn zulke21Het programma VIM een samenwerkingsverband tussen verschillende departementen(BZK/VRO, FIN, OCW, SZW en VWS), uitvoeringsorganisaties (Belastingdienst, DienstToeslagen, DUO, SVB en UWV) en de lokale overheid (VNG en Divosa).22Kamerstuk 26 448, nr. 792.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1311 definities eerder behulpzaam dan bedreigend omdat er een ijkpuntontstaat op basis waarvan leemtes in de wet kunnen worden gezocht.23Dat laat echter onverlet dat mensen in geval van een fout of vergissingniet als «fraudeurs» behandeld moeten worden. In het wetsvoorstelHandhaving sociale zekerheid wordt daarin voorzien. Bijvoorbeeld doorpublieke dienstverleners verschillende mogelijkheden te geven passend tereageren op een fout en een overtreding.Aanbevelingen die een bredere strekking hebben en/ofoverlappen met de aanbevelingen van de StaatscommissierechtsstaatMeerdere aanbevelingen van de PEFD hebben een bredere strekking dande terreinen van toeslagen en sociale zekerheid. Ook hebben diverseaanbevelingen belangrijke raakvlakken met de aanbevelingen van deStaatscommissie rechtsstaat uit het rapport De gebroken belofte van10 juni jl. Deze aanbevelingen behoeven nog verdere uitwerking ofbudgettaire besluitvorming. Wij zullen in deze brief de actuele stand vanzaken beschrijven en er verder op ingaan in onze reactie op het rapportvan de staatscommissie en/of in afzonderlijke brieven aan uw Kamer.Aanbeveling PEFD: Toets wetten zowel voor- als achteraf aan deGrondwet.Deze aanbeveling raakt aanbeveling 5 van de Staatscommissie rechts-staat: Schaf toetsingsverbod van wetgeving aan Grondwet af.Bestuur en wetgever moeten veel meer doen om te voorkomen dat erwetgeving en beleid tot stand komen die op gespannen voet staan met deGrondwet. Dit hebben we ook in het Regeerprogramma afgesproken.Daarom vindt het kabinet dat de constitutionele toetsing aan de voorkantmoet worden versterkt: door de Tweede Kamer, de Afdeling adviseringvan de Raad van State en uiteraard het kabinet.Het kabinet gaat in gesprek met het parlement en de Raad van State overde uitwerking van constitutionele toetsing ex ante in het wetgevings-proces. Met als doel om vanuit een breder perspectief naar (de versterkingvan) ieders rol in dit proces te kijken. We kennen al de verplichting om inde toelichting op elk wetsvoorstel en elke algemene maatregel vanbestuur in een aparte paragraaf aandacht te besteden aan de verenig-baarheid van het voorstel met de Grondwet, de grondrechten, hetEuropese en internationale recht en de beginselen van de rechtsstaat.Vanuit het Ministerie van BZK worden verschillende stappen gezet om deconstitutionele toets stevig in het wetgevingsproces te verankeren. DeMinister van BZK en de Staatssecretaris Rechtsbescherming werkensamen aan het verbeteren van de constitutionele toets respectievelijk dealgemene wetgevingstoets en zullen hierover volgend voorjaar aan deTweede Kamer rapporteren.Het kabinet is het met de enquêtecommissie eens dat artikel 120 van deGrondwet aanpassing behoeft. Rechterlijke toetsing van wetten aan deGrondwet achteraf moet mogelijk worden.Het kabinet werkt dan ook aan een (gedeeltelijke) opheffing van hettoetsingsverbod in artikel 120 van de Grondwet en aan de invoering vaneen grondwettelijk hof. Daarbij wil het kabinet vaart maken. Het kabinet23NSOB, Tussen staat en menselijke maat. Handhaving in de sociale zekerheid, 23-11-2021, p. 63en 64. Zie ook de kabinetsreactie hierop: Kamerstuk 17 050, nr. 601, in het bijzonder p. 8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1312 stuurt voor het einde van het jaar een contourennota naar beide Kamers,zoals aangekondigd in het Regeerprogramma en herhaald tijdens eencommissiedebat met uw Kamer van de Minister van BZK van 9 septemberjl.24 Deze nota moet inzicht bieden in de verschillende keuzes enafwegingen die voorliggen.Aanbeveling PEFD: Maak de overheid wettelijk aanspreekbaar opdiscriminerende handelingen.De enquêtecommissie beveelt aan om eenzijdig overheidshandelen onderde werking van de wetgeving over gelijke behandeling te brengen. Ook deNationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de Staatscom-missie tegen Discriminatie en Racisme en het College voor de Rechtenvan de Mens willen dat (zie hun gezamenlijke brief van 20 maart 202325).De aanbeveling is ook in lijn met het rapport Gelijk recht doen. Eenparlementair onderzoek naar de mogelijkheden van de wetgever omdiscriminatie tegen te gaan van de Parlementaire onderzoekscommissieeffectiviteit antidiscriminatiewetgeving.26 De Staatscommissie tegenDiscriminatie en Racisme is dit voorjaar gestart met een pilot waarbijoverheidsorganisaties zichzelf doorlichten op discriminatie van burgers bijde uitvoering van hun taken en diensten.De enquêtecommissie wijst erop dat het recht op gelijke behandeling isneergelegd in verschillende internationale verdragen. Bijvoorbeeldartikel 14 EVRM en Protocol nr. 12 bij het EVRM, artikel 26 van hetInternationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR),en nationale wet- en regelgeving, waaronder artikel 1 van de Grondwet ende Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). In zaken over (on)gelijkebehandeling door de overheid kan een rechter al aan deze bepalingentoetsen.Het College voor de Rechten van de Mens kan op schriftelijk verzoekoordelen of er onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in de Awgben aanverwante gelijkebehandelingswetgeving.27 Op dit moment ziet dezewetgeving primair op ongelijke behandeling bij arbeid en bij hetaanbieden van goederen en diensten (zoals onderwijs, gezondheidszorg,huren en sport). Daarnaast verbiedt artikel 7a van de Awgb het maken vanonderscheid op grond van «ras» bij de sociale bescherming. Socialezekerheid en sociale voordelen vallen hieronder. Hierdoor kan het Collegevoor de Rechten van de Mens nu al oordelen als mensen vinden dat zijvanwege hun afkomst zijn gediscrimineerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld metklachten van ouders die in de toeslagenaffaire zijn gedupeerd.Toch is vanuit het Ministerie BZK in het najaar van 2023 begonnen meteen onderzoek naar de voorgestelde uitbreiding van de reikwijdte van deAwgb. De hierboven genoemde brief en rapport waren aanleiding voor ditonderzoek. Het onderzoek gaat over de volgende vragen: hoe is derechtsbescherming tegen mogelijk discriminerend handelen nu geregeld?Waar schiet die bescherming mogelijk tekort?En is een uitbreiding van de bevoegdheid van het College voor deRechten van de Mens daar een oplossing voor? Ook kijken we bij hetonderzoek naar:24Tevens bevestigd bij brief van 17 september 2024, zie Kamerstuk 36 344, nr. 5.25Brief van 20 maart 2023 aan de Minister over eenzijdig overheidshandelen onder de AWGB, teraadplegen op https://publicaties.mensenrechten.nl.26Kamerstuk ICXLVI, nr. X.27Artikel 10, lid 1, Wet college voor de rechten van de mens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1313 –de afbakening van het begrip «eenzijdig overheidshandelen»;–het beoordelingskader in de wet voor door de overheid gemaaktebelangenafwegingen;–de verhouding van de oordelenprocedure bij het College voor deRechten van de Mens tot bestaande rechterlijke procedures en tot deklachtenprocedure bij de Nationale ombudsman.Dit vraagt om zorgvuldige bestudering. De afgelopen periode zijn ervanuit het Ministerie van BZK verkennende gesprekken gevoerd met debetrokken organisaties. Ook heeft dit ministerie een expertmeetinggeorganiseerd. Naar verwachting zal uw Kamer in het voorjaar van 2025over de resultaten van het onderzoek worden geïnformeerd.Aanbeveling PEFD: Splits de Afdeling bestuursrechtspraak af van de Raadvan State en breng deze onder bij de rechterlijke macht.De enquêtecommissie beveelt aan om de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State (ABRvS) af te splitsen en onder te brengen bij derechterlijke macht. In het Regeerprogramma is vermeld dat het kabinet wilkomen tot verzelfstandiging van de ABRvS. Dat kan op verschillendemanieren. Uw Kamer wordt begin 2025 afzonderlijk geïnformeerd over decontouren van de verzelfstandiging.Aanbeveling PEFD: Zorg dat overheidshandelen nooit mag leiden totonevenredig nadelige gevolgen voor mensen.Het kabinet heeft het wetsvoorstel voor de Wet versterking waarborg-functie Awb in voorbereiding. Hiermee wil het kabinet onder meerstimuleren dat de overheid besluiten voor burgers begrijpelijker maakt. Endat de overheid zich bij de uitvoering van taken meer verplaatst in deburger en zich minder formeel opstelt. Hierbij is de goede uitvoerbaarheidrandvoorwaardelijk. Het wetsvoorstel is tot en met 31 juli 2024 inconsultatie geweest. De consultatiereacties en uitvoeringstoetsen bij ditwetsvoorstel worden nu beoordeeld en verwerkt. Ook is op dit momentnog niet voorzien in financiële dekking. Naast het uitvoeringsperspectiefzullen de aanbevelingen van de PEFD worden betrokken bij het opstellenvan de nieuwe versie van het wetsvoorstel. Hierna kan het voorstel vooradvies worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad vanState. In hoofdstuk 7 van het Regeerprogramma wordt het belang van ditvoorstel onderstreept.Het kabinet is het eens met de enquêtecommissie dat overheidshandelenniet mag leiden tot onevenredige gevolgen. In de consultatieversie vanhet wetsvoorstel is, mede ter uitvoering van de motie van de leden Jettenen Marijnissen, een aanpassing van artikel 3:4 Awb voorgesteld.28De voorgestelde wijziging zorgt ervoor dat de in artikel 3:4 Awbopgenomen evenredigheidstoets van toepassing is op gebondenbevoegdheden in een wet in formele zin. De inhoudelijke reacties op dezebevoegdheid voor bestuur en rechtspraak moeten nu door het kabinetnader worden gewogen.Aanbeveling PEFD: Voorkom schrijnende gevallen in de praktijk.De uitvoering kan schrijnende gevallen zoveel mogelijk voorkomen. Maardan moet de betreffende wet- en regelgeving daarvoor wel de ruimtebieden. Als knelpunten te voorzien zijn, moeten de criteria voor hetafwijken van de regel in wet- en regelgeving worden opgenomen. Ook is28Kamerstuk 35 510, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1314 het mogelijk een hardheidsclausule in wetten en regels op te nemen. Zo’nclausule kan in bepaalde gevallen en omstandigheden verlichting biedenvoor mensen. Vooral als het gaat om regelgeving over verplichtingen enaanspraken die massaal worden uitgevoerd. Een hardheidsclausule kandienen als noodventiel. Noodventiel of niet, het maken van een degelijkewet is natuurlijk het uitgangspunt. En degelijkheid betekent niet dat jebepalingen dichttimmert met harde voorwaarden, maar een zekere ruimtebiedt aan de uitvoerder. Zo bestaat in de sociale zekerheidswetgeving alde mogelijkheid om op grond van een dringende reden af te zien vanherziening, intrekking, terugvordering of het opleggen van een boete ofmaatregel. Het kabinet is van mening dat die ruimte er niet voor niets isen dat de uitvoering die ruimte ook moet gebruiken, juist bij schrijnendegevallen.Het evenredigheidsbeginsel kan in schrijnende situaties ook uitkomstbieden als ultimum remedium. In de consultatieversie van het voorstelvoor een Wet versterking waarborgfunctie Awb is daarom voorgesteld detoetsing aan het evenredigheidsbeginsel te verruimen. Het zou ookmoeten gelden bij gebonden bevoegdheden in formele wetten. Deconsultatiereacties op en uitvoeringstoetsen bij dit voorstel worden nuverwerkt. Dit neemt niet weg dat voorop staat dat de bijzondere ofsectorale wetgeving zélf op orde moet zijn.Een versterking van de waarborgfunctie van de Awb kan niet als vangnetdienen voor niet goed doordachte, te strenge of niet uitvoerbare wettenen regels. Deze dienen zelf te voldoen aan de menselijke maat.Aanbeveling PEFD: Zorg ervoor dat wetten beter aansluiten bij de mensenin de samenleving.Deze aanbeveling sluit aan bij voorstellen van de Staatscommissierechtsstaat voor vereenvoudiging van beleid, wetgeving en uitvoerings-praktijk. Zoals uit deze kabinetsreactie blijkt, onderschrijft het kabinet dezeaanbeveling van harte. Dat begint met het vermijden – en als het omwetgeving gaat die al van kracht is het repareren – van complexe engedetailleerde wet- en regelgeving. Het is belangrijk dat mensen enbedrijven voor wie wet- en regelgeving wordt gemaakt goed bij detotstandkoming ervan worden betrokken. Zij kunnen het beste inschattenhoe die voor hen uitpakt. Dat geldt ook voor de dienstverleners in deuitvoering. Zij kennen de dagelijkse praktijk immers als geen ander.Daarbij moet niet alleen naar het effect van de individuele regelingworden gekeken, maar ook naar de samenhang met andere wet- enregelgeving. Instrumenten om wet- en regelgeving beter aan te latensluiten bij mensen in de samenleving, zoals de uitvoeringstoets, dedoenvermogentoets en de invoeringstoets, zijn onmisbaar om degevolgen van voorgenomen beleid goed in beeld te krijgen.En daarnaast is het belangrijk om burgers en bedrijven zoveel mogelijkaan de voorkant van het beleidsproces te betrekken.De enquêtecommissie wil dat wetten en regels beter aansluiten bij desamenleving. Zij wijst in haar toelichting op deze aanbeveling op tweerandvoorwaarden. Ten eerste zouden ambtenaren moeten werken indivers samengestelde teams. Ten tweede moeten ambtenaren zich bewustzijn van hun rechtsstatelijke rol. Zij moeten er immers voor zorgen dat deoverheid zich aan haar eigen regels houdt. Dat komt overeen met detweede aanbeveling van de Staatscommissie rechtsstaat: versterk hetrechtsstatelijk kompas binnen alle onderdelen van de overheid. Hetkabinet zal in zijn reactie op dit rapport hier nader op terugkomen. Voor nuwil het kabinet het belang van een inclusief personeelsbeleidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1315 benadrukken, evenals de inzet van deelnemersraden, focusgroepen enandere vormen van participatie. Zo worden de kennis en ervaring benutvan de mensen die het beleid raakt. Het is aan de wetgevers, inafstemming met de verschillende uitvoeringsorganisaties, om hieraanvorm te geven. Daarnaast is het van groot belang dat ambtenaren vanbestuursorganen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in hundagelijkse werkzaamheden actief betrekken. Het bestuursorgaan datverantwoordelijk is voor de uitvoering moet dan ook niet alleen organi-seren dat besluiten volgens de regels verlopen, maar ook ruimte makenvoor de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaastmoet er ruimte zijn voor die gevallen waarbij een nadere beoordelingnoodzakelijk lijkt.Aanbeveling PEFD: Begeleid mensen in plaats van ze te beoordelen.Na het verschijnen van het eindrapport van de Parlementaire ondervra-gingscommissie Kinderopvangtoeslag is veel gedaan om de menselijkemaat centraal te stellen in de publieke dienstverlening. In haar rapportGrip op de menselijke maat van april jl. wijst de Algemene Rekenkamererop dat het begrip «menselijke maat» een open norm is. In feite gaat hetom een afweging van verschillende publieke waarden of belangen, zoalsbegrijpelijkheid, rechtvaardigheid, rechtmatigheid, voorspelbaarheid,uitvoerbaarheid, eenvoud en doeltreffendheid. Dat betekent dat diewaarden in elke fase van beleidsontwikkeling telkens expliciet enonderbouwd tegen elkaar afgewogen moeten worden. Instrumenten alsde doenvermogentoets helpen hierbij. Het rapport van de AlgemeneRekenkamer bevat concrete handvatten om te komen tot meer menselijkemaat in beleid en uitvoering van de sociale zekerheid. Die handvattenkunnen echter ook behulpzaam zijn voor andere beleidsterreinen.29In haar toelichting op deze aanbeveling wijst de enquêtecommissie eropdat mensen concreet, volledig en helder moeten worden geïnformeerd.Zowel over hun rechten en plichten als over mogelijke gevolgen vanwijzigingen in hun persoonlijke omstandigheden. Mensen moeten door deoverheid niet worden beoordeeld, laat staan veroordeeld, maar wordenbegeleid waar dat nodig is. Daarvoor is volgens de commissie onderandere een (volledig) dossier en de mogelijkheid van correctie nodig. Steldaarnaast voor inkomensvoorzieningen en toeslagen een bezwaartermijnvan ten minste één jaar vast, aldus de commissie.Het kabinet is het met de commissie eens dat verplichtingen voor dedoelgroep in de praktijk duidelijk en doenlijk moeten zijn. Zo kunnenonbewuste fouten zoveel mogelijk worden voorkomen. Het kabinet weetdat niet elke burger even goed in staat is om wetgeving te doorgronden.Wet- en regelgeving is daarvoor simpelweg té complex. De overheid kaner dan ook niet altijd vanuit gaan dat burgers juridisch zelfredzaam zijn.Mensen moeten daarom over concrete, volledige en heldere informatiekunnen beschikken. Zowel over hun rechten en plichten als over mogelijkegevolgen van wijzigingen in hun persoonlijke omstandigheden. Deoverheid moet deze informatie proactief en herhaald aanbieden, zodatmensen goede keuzes kunnen maken en tijdig kunnen handelen als datnodig is. Als burgers daarbij vragen hebben of vastlopen, moet erpassende hulp beschikbaar zijn. Bovenal moeten overheidsregelingen ensystemen zo zijn ingericht dat het voor mensen vanzelfsprekend engemakkelijk is om de juiste actie te kunnen nemen.Dat de overheid regelmatig in de rol van beoordelaar zit is een feit, dit iseen kerntaak van de overheid. Zij dient het algemeen belang en moet29ARK, Grip op menselijke maat, april 2024, p. 8 en 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1316 daardoor soms ten nadele van een individu beslissen. Daar hoort wel eenmenselijke benadering bij en een duidelijke uitleg van de beoordeling enhet besluit. Soms blijkt dat mensen een vergissing hebben gemaakt. In datgeval moeten fouten op eenvoudige wijze hersteld kunnen worden. In deuitvoering vraagt dit ruimte bij publieke dienstverleners: zowel om tewerken volgens de bedoeling van de wet als om fouten te herstellen. Deeerdergenoemde aanpassingen aan de Awb voorzien daar al meer in dannu het geval is.De commissie beveelt aan om de bezwaartermijn (voor het sociaaldomein) te verlengen naar een jaar. Dat raakt aan aanbeveling 9 van deStaatscommissie rechtsstaat: richt de bestuurlijke besluitvorming en deprocedure voor bezwaarschriften zo in dat burgers ervaren dat zij gehoorden gezien worden. Het kabinet is niet overtuigd van de noodzaak van eendergelijke verlenging van de bezwaartermijn. In de preconsultatie van hetvoorstel voor een Wet versterking waarborgfunctie Awb werd voorgesteldde bezwaartermijn in het sociaal domein te verlengen naar dertien weken.De rechtspraak en de uitvoering hebben naar voren gebracht dat hetverlaten van een uniforme bezwaartermijn van zes weken geen oplossingbiedt voor het probleem dat termijnen niet worden gehaald. Het kan zelfsverwarrend werken en wordt daarmee complexer voor de praktijk. Ookbetekent zo’n verlenging dat de totale procedure langer duurt. Datbetekent dat betrokkenen langer in onzekerheid verkeren. Daarom neemthet kabinet deze aanbeveling van de commissie niet over.Wel bekijkt het kabinet nu nog een keer of in het voorstel voor een Wetversterking waarborgfunctie Awb bij verschoonbaarheid van termijnover-schrijding ook het belang van de indiener kan worden meegewogen. Inrecente nieuwe jurisprudentie van het College van Beroep voor hetbedrijfsleven (CBb) ziet de bestuursrechter hiervoor geen ruimte in hethuidige recht. Daarom toetst de rechter alleen aan de mate van het te laatindienen van een bezwaarschrift.30 Het meewegen van het belang van deindiener kan ernstige gevolgen van een termijnoverschrijding voor hem ofhaar voorkomen. Daarnaast onderzoekt het kabinet andere oplossingenom de schrijnende gevolgen van een termijnoverschrijding weg te nemen.Zoals aan het begin van deze kabinetsreactie naar voren is gebracht, zalhet «recht op vergissen» worden opgenomen in het wetsvoorstelHandhaving sociale zekerheid. Hierbij krijgen publieke dienstverlenersverschillende mogelijkheden om passend te reageren op een overtreding.Wij hebben uw Kamer toegezegd dat we zullen bezien welke facetten van«het recht op vergissen» zich verder lenen om wettelijk te wordenverankerd. Wij willen dit doen aan de hand van de uitkomsten van deinternetconsultatie en de uitvoeringstoetsen bij het voorstel voor een Wetversterking waarborgfunctie Awb. Uw Kamer had daar via de motie-Sneller31 om gevraagd. Het kabinet wil nagaan of voor meer sectorensectorspecifiek maatwerk op dit punt mogelijk en wenselijk is. Zo geeft hetkabinet ook uitvoering aan de afspraken hierover in hoofdstuk 7 van hetRegeerprogramma.Aanbeveling PEFD: Introduceer een recht op persoonlijk contact.Deze aanbeveling raakt aanbeveling 4 van de Staatscommissie rechts-staat: Verbeter het contact met de burger. Met de enquêtecommissieonderschrijft het kabinet het belang van persoonlijk contact. Per 1 januari2024 is een zorgplicht aan de Awb toegevoegd (artikel 2:1 lid 1 Awb) in het30CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.31Kamerstuk 36 410 VI, nr. 51.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1317 kader van de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. Dezezorgplicht gaat over het bieden van «passende ondersteuning» bij(digitaal en niet-digitaal) contact tussen overheid en burger. Op grondhiervan moeten bestuursorganen mensen ondersteunen bij hun contactmet de overheid. Dit geldt voor zowel digitaal als niet-digitaal contact.Die ondersteuning moet passen bij de doelgroep en aansluiten op deleefwereld van mensen. Ook het niet-digitaal beschikbaar houden vandienstverlening hoort hierbij.Vroegtijdig contact draagt bij aan het voorkomen of laagdrempeligoplossen van geschillen. Persoonlijk contact is echter niet in alle gevallengewenst of haalbaar. Als de burger goed geholpen kan worden zonderpersoonlijk contact, is dat natuurlijk prima. De overheid is niet in staat omalle contactmomenten met burgers gepaard te laten gaan met persoon-lijke interactie. Bij de belastingaangifte alleen al gaat het om enkelemiljoenen contactmomenten. Bestuursorganen zouden wel kunnenworden verplicht om – waar nodig – meer te investeren in bijvoorbeeldspreekuren of telefonische bereikbaarheid. Het kabinet is echter geenvoorstander van een algemeen geldend en juridisch afdwingbaar «rechtop contact» (in de Awb). Dit zou een enorme en onverantwoorde drukleggen op de capaciteit van alle overheidsorganisaties en uitvoerendediensten. En dus leiden tot grote problemen in de uitvoering. Het kabinetzal hier verder op terugkomen in zijn reactie op het rapport van deStaatscommissie rechtsstaat.In de consultatieversie van het voorstel voor een Wet versterkingwaarborgfunctie Awb is voorgesteld dat bestuursorganen bij een besluitaltijd moeten aangeven hoe contact kan worden opgenomen ominlichtingen te vragen en om te overleggen. Dit is een uitwerking van demotie van de leden Grinwis en Leijten.32 In het wetsvoorstel is ook eenbepaling over nadelige financiële beslissingen, zoals een terugvorderingopgenomen. Degene die moet betalen krijgt vaker de kans om op eenvoornemen tot terugvordering te reageren.Daarnaast is voorgesteld dat in de bezwaarclausule onderaan een besluitbij alle bestuursorganen komt te staan op welke datum de bezwaartermijneindigt. De ontvanger hoeft dat dan niet zelf uit te rekenen. Verder isvoorgesteld dat de hoofdregel bij de behandeling van een bezwaarschriftwordt: bestuursorganen zoeken contact met de indiener van eenbezwaarschrift over waar het bezwaar precies over gaat en de verderebehandeling van het bezwaarschrift.Aanbeveling PEFD: Zorg voor een landelijk dekkend netwerk voor hulp enondersteuning bij sociaaljuridische vraagstukken.De enquêtecommissie beveelt aan te komen tot een landelijk dekkendnetwerk voor hulp en ondersteuning bij sociaal juridische vraagstukken.De Staatscommissie rechtsstaat sluit zich daarbij aan. De strekking vandeze aanbeveling is in potentie heel breed: van goede dienstverlening endoorverwijzing, via het voorkomen van onnodige juridisering in de relatieburger-overheid tot sociaal juridische hulpverlening aan burgers in hetalgemeen. Bij de uitwerking van deze aanbeveling is het van belang focusaan te brengen. In algemene zin is het belangrijk dat mensen metjuridische (hulp)vragen in hun nabije omgeving terecht kunnen voorbetrouwbare informatie en voor deskundig en onafhankelijk advies meteen persoonlijke aanpak. Hiervoor worden diverse programma’s uitge-voerd, waaronder Robuuste Rechtsbescherming (Divosa, Sociaal Werk32Kamerstuk 35 510, nr. 73.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1318 Nederland), Stelselvernieuwing rechtsbijstand (Ministerie van Justitie enVeiligheid) en Laagdrempelige onafhankelijke, fiscale rechtshulp (Minis-terie van Financiën).Deze programma’s stimuleren de (lokale) rechtsbescherming en toegangtot laagdrempelige voorzieningen. Deze bieden informatie, advies en hulpbij (sociaal) juridische vragen en problemen.Het Juridisch Loket, de landelijke organisatie voor laagdrempeligerechtshulp, biedt informatie, advies en hulp bij juridische vragen enproblemen. Dat gebeurt telefonisch, online en persoonlijk voor mensendie vanwege hun lage inkomen of vermogenspositie in aanmerkingkomen voor gesubsidieerde rechtsbijstand («Wrb-gerechtigden»). Sinds1 januari 2023 heeft het Loket een nieuw en gratis telefoonnummer (08008020), zodat mensen geen financiële drempel meer ervaren om contact opte nemen. Het Loket streeft naar een goede spreiding door het hele land.De landelijke dienstverlening van het Loket wordt op dit momentaangeboden vanuit ruim vijftig locaties. In de komende jaren werkt hetLoket toe naar een netwerk waarbij de dienstverleningslocaties beteraansluiten op de leefwereld van mensen. Er zal daarom vaker gekozengaan worden voor gedeelde huisvesting, zoals in bibliotheken enwijkcentra.Dit kabinet investeert in het Juridisch Loket. Het Juridisch Loket kandaardoor de dienstverlening meer probleemoplossend maken en desamenwerking met bijvoorbeeld het sociaal domein versterken. Hiermeeprobeert het kabinet te voorkomen dat mensen van het kastje naar demuur worden gestuurd of in onnodige procedures terecht komen. Hetkabinet ziet ook meerwaarde in de signalerende functie die het JuridischLoket ontwikkelt. Betere registratie en analyses bieden meer inzicht inwelke (uitvoering van) wet- en regelgeving voor problemen bij burgerszorgt en in de mogelijkheden om deze problemen bij de wortel aan tepakken.Naast het Juridisch Loket verlenen ook sociaal raadslieden, rechtswinkelsen andere (lokale) aanbieders sociaal juridische dienstverlening.Hier was nog geen goed landelijk overzicht van. Daarom heeft Divosa eeninventarisatieonderzoek laten uitvoeren. De uitkomst is eind 2023 aan deTweede Kamer aangeboden33. De inventarisatie laat zien dat er een groteverscheidenheid aan sociaal juridische dienstverlening is. Maar het is nietduidelijk hoeveel mensen bereikt worden en waar problematische «wittevlekken» in het aanbod zijn. In bijna alle gemeenten is een vorm vansociaal juridische ondersteuning aanwezig. Maar dat betekent niet dat allerechtsgebieden en ondersteuningsfuncties (voldoende) geborgd zijn.Gemeenten hebben naar aanleiding van het rapport Ongekend onrechtvan de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslagextra middelen ontvangen via het gemeentefonds om de lokale rechtsbe-scherming (inclusief sociaal juridische ondersteuning) te versterken. HetProgramma Robuuste Rechtsbescherming helpt gemeenten bij hetvormgeven of versterken van de (toegang tot) sociaal juridischedienstverlening.De inzet bij de toekomstige inrichting van de loketfunctie (Ministerie vanBZK) is «geen verkeerde, altijd de juiste deur». Het moet geen verschilmaken waar de vraag wordt gesteld. De overheid zorgt achter het loketgezamenlijk voor een antwoord op de vraag of een oplossing voor het33Kamerstuk 31 753, nr. 286.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1319 probleem. Daarbij wordt de burger zoveel mogelijk ontlast. Dit betekentniet dat men aan ieder loket ook direct sociaal juridische hulp kan krijgen.Het betekent wél dat het (lokale) netwerk zo samenwerkt, dat burgers metsociaal juridische vragen warm kunnen worden doorverwezen naar een(overheids)organisatie die hen verder kan helpen. Om dit te realiserenwerken publieke dienstverleners (uitvoeringsorganisaties en gemeenten)en BZK samen binnen het traject Inrichten overheidsbrede loketten. Opbasis van ervaringen uit onderzoek en de praktijk wordt uitgezocht hoe depublieke dienstverleners hier lokaal vorm aan kunnen geven. In dit trajectwordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande loketten voor hulp enondersteuning aan mensen.Tot slot is tijdens de behandeling van de begroting van het Ministerie vanJustitie en Veiligheid van 21 november jl. een motie ingediend door deleden Van Nispen (SP) en Palmen (NSC). Deze motie verzoekt het kabinetmet voorstellen te komen hoe een landelijk dekkend netwerk tot stand zoukunnen komen.34 Op 26 november jl. is deze motie door de Kameraangenomen. Een eerste reactie op deze motie zal worden opgenomen inde brief voortgang aanpak toegang tot het recht, die de StaatssecretarisRechtsbescherming voor het kerstreces naar uw Kamer zal sturen.Aanbeveling PEFD: Verhoog de vergoedingen voor de sociale advocatuuren verruim de criteria voor gesubsidieerde rechtsbijstand.De enquêtecommissie pleit ervoor om de vergoedingen voor de socialeadvocatuur te verhogen (om het tekort aan sociaal advocaten terug tedringen) en om de criteria voor gesubsidieerde rechtsbijstand teverruimen (om te voorkomen dat groepen mensen praktisch geentoegang hebben tot het recht). Toegang tot het recht voor alle burgers isvan essentieel belang voor het goed functioneren van onze democratischerechtsstaat. Voor mensen die niet beschikken over een hoog inkomen ofvermogen en hun rechtsbijstand niet zelf kunnen betalen, is er het stelselvan gesubsidieerde rechtsbijstand. Van belang is dat er voldoende sociaaladvocaten in het stelsel actief zijn om die rechtsbijstand te verlenen.De commissie Herijking puntentoekenning gesubsidieerde rechtsbijstand(commissie-Van der Meer II) is gevraagd een advies uit te brengen overhoe de vergoedingen beter kunnen aansluiten bij de daadwerkelijketijdsbesteding en het referentie-inkomen van advocaten. Als uitgangspuntvoor dit laatste wordt het niveau van schaal 12, trede 10 uit de cao voorRijksambtenaren genomen, conform het rapport Wolfsen.35 Daarnaastwordt er gewerkt aan een systeem om de vergoedingen hierna periodiekte herijken, zodat deze ook in de toekomst blijven aansluiten bij detijdsbesteding van advocaten en het referentie-inkomen. Voor hetantwoord op de vraag of de vergoedingen voor de sociale advocatuurverhoogd moeten worden, wordt het rapport van de commissie-Van derMeer II afgewacht. Dat rapport werd aanvankelijk voor het kerstreces 2024verwacht. Omdat twee deelonderzoeken36, die essentieel zijn voor deadvisering, langer duren dan verwacht, loopt de oplevering van het adviesvan de commissie vertraging op. Het advies wordt nu eind februari 2025verwacht.34Kamerstuk 36 600 VI, nr. 91.35Kamerstuk 31 753, nr. 110.36Ter ondersteuning van haar adviezen laat de commissie (via het WODC) een tijdbestedingson-derzoek uitvoeren door onderzoeksinstituut Cebeon beleidsadviserend onderzoek BV. teAmsterdam. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar het verdienvermogen van een sociaaladvocatenkantoor door het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1320 De voorzitter van de Commissie Van der Meer II heeft daarom verzocht deinstellingsduur van de commissie te verlengen. Uw Kamer is over hetuitstel van het advies ingelicht. Zodra het advies is opgeleverd, wordt uwKamer daarover nader geïnformeerd.In de regelgeving en in de uitvoeringspraktijk bestaan verschillendeaannames over zelfredzaamheid. Uit verschillende onderzoeken blijkt datrechtzoekenden hierdoor tussen wal en schip kunnen vallen.37 Daarom iser de Regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid 2024. Op dit momentwordt onderzocht hoe het zelfredzaamheidscriterium in de regelgevingvan de gesubsidieerde rechtsbijstand kan worden aangepast. Daarnaastwordt momenteel onderzocht of er ook anderszins een verruiming van decriteria voor rechtsbijstand nodig is, bijvoorbeeld voor mensen met eenmiddeninkomen. De uitkomsten van dat onderzoek worden medio 2025verwacht, waarna uw Kamer nader zal worden geïnformeerd.Tot slot zijn nog twee recente ontwikkelingen op het gebied van derechtsbijstand van belang. Op 1 januari 2023 is een pilot gestart waarinkosteloze rechtsbijstand beschikbaar wordt gesteld aan ouders die temaken krijgen met een procedure om het ouderlijk gezag te beëindigen.Op 1 oktober 2023 is deze pilot uitgebreid naar eerste verzoeken tot(spoed)uithuisplaatsing. De pilot en de bijbehorende regeling voorrechtsbijstand lopen door totdat een en ander in wetgeving is vastgelegd.Uw Kamer is op 18 november 2024 geïnformeerd over de contouren vanhet wetsvoorstel ter verbetering van de rechtsbescherming in dejeugdbescherming.38Per 3 september 2024 is de Tijdelijke subsidieregeling rechtsbijstand bijbeslag op inkomen of vermogen van de Raad voor Rechtsbijstand vankracht. Deze regeling moet inzicht bieden in de categorie rechtzoekendendie uitgesloten zijn van gesubsidieerde rechtsbijstand of een zeer hogeeigen bijdrage moeten betalen, terwijl er beslag is gelegd op hun inkomenof vermogen.Dat kan mogelijk leiden tot een beperking van de toegang tot het recht.Deze groep rechtzoekenden komt door deze regeling onder omstandig-heden mogelijk toch in aanmerking voor gesubsidieerde rechtsbijstand.De regeling werkt terug tot en met 1 juli 2024 en vervalt zodra hetsubsidieplafond (1.000 toevoegingen) is bereikt of uiterlijk op 1 januari2026. Medio 2025 zal een eerste evaluatie van de regeling uitgevoerdworden.Informatievoorziening aan de KamerAanbeveling PEFD: Zorg ervoor dat de Kamer over de juiste informatiebeschikt.Het kabinet is met de enquêtecommissie eens dat een goede informatie-voorziening aan het parlement van groot belang is. De commissie wijstterecht op de verantwoordelijkheid van de Kamer om de benodigdeinformatie op te vragen. Het kabinet ziet ook een taak voor zichzelf omzich doorlopend in te zetten voor een adequate en actieve informatievoor-ziening. Het kabinet blijft over dit thema graag in gesprek met uw Kamer.37WODC-rapport «Rechtsbijstandsverlening in kinderopvangtoeslagzaken». Kamerstuk 31 753,nr. 271; Adviescommissie zelfredzaamheid rechtshulp en rechtsbijstand, Zelfredzaamheid intheorie en praktijk. Evaluatie regeling adviestoevoeging zelfredzaamheid, oktober 2023.38Kamerstuk 31 839, nr. 1047.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1321 Daarnaast zijn de afgelopen jaren verschillende stappen gezet om hetcontact tussen Kamerleden en ambtenaren te vergemakkelijken. Allereerstis de tekst van de Aanwijzingen voor de externe contacten van rijksambte-naren eind 2020 herzien.39 Doel van die herziening was om de onduide-lijkheid die in de loop der jaren was ontstaan aan te pakken en ambte-naren meer ruimte voor feitelijke toelichting te geven. Het uitgangspunt inde herziene Aanwijzingen is dat verzoeken om contact met ambtenarenwelwillend en zakelijk worden behandeld, binnen de grenzen van deministeriële verantwoordelijkheid.Om contacten tussen ambtenaren en Kamerleden te vergemakkelijkenheeft ieder departement naar aanleiding van deze herziening ten minsteéén parlementair contactpersoon aangesteld. Kamerleden hebben nu eenduidelijk aanspreekpunt voor verzoeken om feitelijke informatie. Hierdooris een praktijk ontstaan waarbij de parlementair contactpersoon ook opverzoek van ambtenaren contact kan opnemen met Kamerleden,bijvoorbeeld met verduidelijkende vragen bij de beantwoording vanKamervragen. Ook dit uiteraard met inachtneming van de ministeriëleverantwoordelijkheid. Het kabinet juicht deze ontwikkeling toe. Om tebenadrukken dat de Aanwijzingen reeds voorzien in de mogelijkheidhiervan, past het kabinet bij een volgende herziening van de Aanwijzingende toelichting hierop aan.Ook zet het kabinet zich in om de kennis van de Aanwijzingen onderambtenaren, bewindspersonen en Kamerleden te vergroten. Ten aanzienvan de ambtenaren en bewindspersonen is dat traject ingevuld door hetgesprek en informatievoorziening daarover in te bedden in bestaandetrajecten en structuren: het Programma Dialoog en Ethiek, de GidsAmbtelijk Vakmanschap en de actualisering van de GedragscodeIntegriteit Rijk (GIR). Daarnaast zorgen de parlementair contactpersonenvoor bekendheid van de Aanwijzingen, zowel binnen de departementenals bij Kamerleden. Zij onderhouden immers dagelijks contact metambtenaren, Kamerleden, fractiemedewerkers en griffie en kunnen hendaarbij op de mogelijkheden wijzen.Bij het aantreden van een nieuwe Tweede Kamer worden bij alledepartementen kennismakingssessies met nieuwe Kamerleden georgani-seerd, waarbij onder andere «menukaarten» worden uitgedeeld met eenoverzicht van de onder het departement vallende onderwerpen en demogelijkheden om hierover in contact te komen met het departement. Hetkabinet zet bovengenoemde inspanningen de komende periode onver-minderd voort. Het kabinet nodigt uw Kamer uit om in de praktijk (meer)gebruik te maken van de bestaande mogelijkheden en beziet graag samenmet uw Kamer of en waar er knelpunten worden ervaren. Het rapport Gripop Informatie biedt een goed uitgangspunt om hierover het gesprek tevoeren. Het kabinet streeft ernaar voor het einde van 2024 de kabinetsre-actie op het rapport te versturen.Ervaringen met de WpeIn haar verantwoording benoemt de enquêtecommissie enkele ervaringenmet de Wet op de parlementaire enquête 2008 (Wpe 2008). Mede gelet opkomende parlementaire onderzoeken en enquêtes, wil het kabinet graagde volgende aspecten ter overweging meegeven.De commissie wijst in haar verantwoording erop dat haar planning uitliep,doordat het leveren van de gevorderde informatie (veel) langer duurdedan oorspronkelijk was voorzien. De commissie stelt dat dit komt door de39Kamerstuk 28 844, nr. 221.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1322 informatiehuishouding van ministeries en uitvoeringsorganisaties. Hetkabinet onderschrijft het belang van een goede informatiehuishouding enarchivering binnen departementen volledig. In reactie op het rapportOngekend onrecht is de gebrekkige informatiehuishouding bij deRijksoverheid onderkend en zijn de nodige verbeteringen in gang gezet opde departementen. Desondanks is gebleken dat de archieven niet geheelop orde waren. Het kabinet hecht eraan op te merken dat de langedoorlooptijd maar voor een deel is toe te schrijven aan de gepercipieerdegebrekkige informatiehuishouding bij departementen en uitvoeringsorga-nisaties. De grootste winst voor het tijdig en volledig kunnen voldoen aaninformatievorderingen is gelegen in de aard en omvang van de informa-tievorderingen. Hoe specifieker en gerichter een enquêtecommissie is inhaar vordering, hoe sneller en preciezer aangeschreven partijen kunnenvoldoen aan de vordering. De informatievorderingen voor de PEFD warenin de beginfase vaak niet voldoende afgebakend. Daardoor waren eerstgesprekken tussen commissie en departementen nodig om de vorde-ringen af te bakenen voordat gestart kon worden met het ontsluiten enleveren van de gewenste documenten. Tijdens deze gesprekken is deomvang van de informatievorderingen aanzienlijk ingeperkt. Toch ging hetnog steeds om vele miljoenen documenten.Het ontsluiten van dergelijke aantallen documenten kent een forsedoorlooptijd waarmee in de vordering geen rekening was gehouden. Omdergelijke enorme aantallen documenten te vinden, ontsluiten, beoor-delen en leveren, zijn honderden medewerkers maandenlang aan hetwerk geweest. Nog meer menskracht inzetten om het proces te bespoe-digen was niet mogelijk zonder forse risico’s voor de gewone bedrijfs-voering van betrokken departementen en uitvoeringsorganisaties. Met hetoog op een volledige en spoedige levering van gevorderde documentengeeft het kabinet de Kamer daarom in overweging om bij volgendeparlementaire enquêtes en parlementaire onderzoeken nog scherper tekijken naar hoe zij op een realistische wijze invulling wil geven aan devorderingsbevoegdheid.De commissie wijst in haar verantwoording ook op de rol van debijstandsverlener tijdens de besloten voorgesprekken en de openbareverhoren. Het kabinet is het met de commissie eens dat bijstand bij eenbesloten voorgesprek of openbaar verhoor een belangrijk recht is. Tevensbenadrukt het kabinet het belang dat de keuze wie een persoon mee wilnemen als bijstandsverlener geheel vrij moet zijn. De commissie merkt ophet onwenselijk te vinden wanneer dezelfde persoon bij meerderebesloten voorgesprekken als bijstandsverlener aanwezig is. Het kabinetwijst erop dat de keuze voor een bijstandsverlener primair bij degenodigde ligt en moet liggen. In de praktijk is gebleken dat meerderegenodigden hierbij uit eigen beweging hebben gekozen voor (dezelfde)personen die bekend zijn met de enquête.Tot slotDe enquêtecommissie PEFD laat in haar rapport zien dat fraudebestrijding(potentieel) diep kon ingrijpen in het leven van mensen. Niet alleen op hetterrein van toeslagen, maar ook op dat van sociale zekerheid. Het kabinetbetreurt dat. De overheid moet altijd oog hebben voor mens en recht.Zoals hierboven uiteengezet, zet het kabinet daarom in op een menselijkeen integraal opererende overheid. Wet- en regelgeving moeten aansluitenbij de leefwereld van mensen en moeten waar nodig vernieuwd envereenvoudigd worden. Een menselijke overheid die oog heeft voor demensen in de samenleving vraagt om permanente aandacht en continuewaakzaamheid. Doen we wat mensen echt nodig hebben? Is wat we doenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1323 ook uitvoerbaar? Hebben we het goed en op tijd in de gaten als iets foutdreigt te gaan? Dat gesprek moeten we met elkaar en de samenlevingvoeren en voortdurend aan blijven gaan.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumDe Staatssecretaris van Financiën,T. van OostenbruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 35 867, nr. 1324

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ec7ebdfb3a7c705b

14 okt 2026 · 1cc0f9b129172c5b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.