Actualisatie collectieve warmte naar aanleiding van Prinsjesdag
Brontekst
Versie 8177067bc76fc516 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 118 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 oktober 2025Op 16 september is tijdens Prinsjesdag de Miljoenennota en Rijksbe-groting gepresenteerd. Op het gebied van collectieve warmte is een aantalonderwerpen een stap verder gebracht. Met deze Kamerbrief geeft hetkabinet een toelichting op de relevante uitgaven op drie voor collectievewarmte belangrijke onderwerpen: de nationale deelneming warmte, eengarantieregeling en de financiële tegenvaller bij het project WarmtelinQ.Met deze Kamerbrief komt het kabinet tegemoet aan een aantal moties entoezeggingen. Het kabinet gaat in op de motie van het lid Rooderkerk c.s.1,waarin het kabinet wordt verzocht de subsidiekaders van de Warmte-netten Investeringssubsidie (WIS) door te ontwikkelen en in gesprek tegaan met de Warmtealliantie. De beantwoording van deze motie isgecombineerd met de motie van de leden Rooderkerk en Erkens2, waarinde regering wordt verzocht om de subsidiëring voor de warmtetransitieintegraal te bekijken en te versimpelen.Eerder is gesproken over de onderzoeken die door het kabinet zijnuitgevraagd bij CE Delft en TNO over de kosten van collectieve warmte.Deze onderzoeken zijn afgerond en worden bij deze met de Kamergedeeld. Ook gaat het kabinet in op de ontwikkelingen die er spelen ophet gebied van de informatievoorziening bij collectieve warmte. Tot slotgaat de brief in op de inwerkingtreding van de Wet collectieve warmte(Wcw) en de onderliggende regelgeving.Voornemen tot aangaan nationale deelneming warmteHet wetsvoorstel voor de Wcw voorziet op grond van artikel 12.7 in demogelijkheid om een deelneming op te richten die kan participeren in1Kamerstukken 2024/25, 36 576 nr. 932Kamerstukken 2024/25, 36 576 nr. 94 kst-36576-118ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1181 warmtebedrijven. In de Kamerbrief van 7 oktober 20243 heeft het kabinetgeconcludeerd dat EBN de meest geschikte kandidaat zou zijn om deuitvoering op zich te nemen wanneer een deelneming het meest geschikteinstrument is voor de ondersteuning van de warmtetransitie. In detussentijd heeft het kabinet de inzet van dit instrument zorgvuldig getoetstaan de voorwaarden die gelden voor deelnemingen. In de bijlage bij dezeKamerbrief is het afwegingskader voor de nationale deelneming warmteopgenomen.Aanleiding voor de deelnemingAanleiding voor mogelijke inzet van een deelneming is het voorschrift inde Wcw dat de meerderheid van de aandelen in een warmtebedrijf in detoekomst in handen moet zijn van één of meerdere publieke partijen, zoalsgemeente, provincie of rijk. Aan het verplichte publieke meerderheids-belang kan alleen (op een goede manier) invulling worden gegeven als ersprake is van voldoende «publieke uitvoeringskracht». Overheden moetenzowel financieel als organisatorisch in staat zijn het publieke aandeelhou-derschap op zich te nemen.Gelet op de lokale transitie-opgave is directe betrokkenheid van degemeente bij een aan te wijzen warmtebedrijf wenselijk. Het ligt daaromvoor de hand dat gemeenten het initiatief nemen bij het oprichten van eennieuw warmtebedrijf of bij het participeren in een bestaand warmtebe-drijf. Er wordt voor de financiële opgave nadrukkelijk gekeken naargemeenten en provincies als aandeelhouder van warmtebedrijven.Uit verschillende onderzoeken naar de publieke uitvoeringskracht4 blijktechter dat de investeringsopgave van zodanige omvang is dat niet vanlokale overheden kan worden verwacht dat ze in alle gevallen voldoendemiddelen inbrengen om tijdig – al dan niet in onderlinge samenwerking –de meerderheid van de aandelen in een publiek warmtebedrijf teverkrijgen. Ook ontbreekt het bij sommige lokale overheden nog aanvoldoende expertise om op een goede manier invulling te geven aan hetpublieke aandeelhouderschap. Betrokkenheid van het rijk kan bovendiende totstandkoming van regionale warmtebedrijven bevorderen. Om hetmaatschappelijke belang van een betrouwbare, betaalbare, en duurzamewarmtevoorziening op korte termijn te stimuleren, is ook betrokkenheidvanuit het rijk gewenst. De publieke uitvoeringskracht komt daarmeesneller op peil. Er is dus sprake van een publiek belang dat nadereborging vergt. Interventie door het rijk is daarom gerechtvaardigd.In de Wcw is opgenomen dat de nationale deelneming alleen magparticiperen in regionale warmtebedrijven of bedrijven die naar regionaalniveau toegroeien. Regionale warmtebedrijven bieden een perspectiefvoor kleinere gemeenten met beperktere capaciteit, en bieden schaalvoor-delen, bijvoorbeeld op het gebied van kostenefficiëntie, professionaliteiten de spreiding van risico’s. Deze schaalgrootte sluit aan bij anderepublieke deelnemingen zoals het waterbedrijf, het infrastructuurbedrijf ende afvalverwerker.Deelneming geschikt instrumentOp basis van het afwegingskader is de conclusie dat een deelneming eengeschikt instrument is om de publieke belangen te borgen. De inzet vaneen deelneming verdient de voorkeur boven een subsidie of lening aanlokale medeoverheden. Zo kan het rijk naast het leveren van een bijdrageaan de doelen achter het verplichte publieke meerderheidsbelang, sturen3Kamerstukken II, 2023/24 30 196 nr. 8154Kamerstukken II, 2022/23, 30 196, nr. 800Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1182 op een doelmatige besteding van middelen. Via de nationale deelnemingkan de rijksoverheid via informatierechten een vinger aan de pols houdenbij de ontwikkelingen bij een warmtebedrijf en waar nodig haar invloed oponder meer de strategie en investeringen aanwenden om bij te dragenaan een gezonde financiële positie. De warmtemarkt is een complexemarkt, die voor een belangrijk deel nog tot stand moet komen. Dit vergtinvloed met een meer flexibel karakter dan via subsidies of leningen isvast te leggen. De deelneming kan bovendien bijdragen aan een professi-onele en zakelijke invulling van het publieke aandeelhouderschap endaarnaast kunnen lessen en ervaringen via een gedeelde aandeelhoudermogelijk eenvoudiger uitgewisseld worden tussen de verschillendewarmtebedrijven.In het afwegingskader wordt bovendien getoetst of de activiteiten zichlenen voor een vennootschap. In dat kader wordt onder meer beoordeeldof de onderneming zichzelf op de lange termijn zelfstandig kan finan-cieren. Vanwege de resterende »onzekerheid over hoe de collectievewarmtemarkt zich de komende jaren ontwikkelt en de mate waarin lokaleoverheden aan de publieke uitvoeringskracht kunnen bijdragen kan nogniet vastgesteld worden of de nationale warmtedeelneming zichzelf op delange termijn (volledig) zelfstandig kan financieren. Dit zal in een laterstadium alsnog moeten worden vastgesteld. Verder blijkt uit hetafwegingskader dat het aangaan van een deelneming in beginselrechtmatig, doeltreffend, doelmatig, uitvoerbaar en proportioneel is. Welzal voorafgaand aan de formele aanwijzing van EBN in een aanwijsbesluitnog een governance plan moeten worden opgesteld. Hierin wordt ondermeer uitgewerkt hoe de staat de beoogde invloed als (indirect) aandeel-houder op een effectieve wijze kan uitoefenen.ConclusieOp grond van deze afweging is het kabinet voornemens om direct nainwerkingtreding van de Wcw op grond van artikel 12.7 van de Wcw eennog op te richten dochteronderneming van EBN, onder het voorbehoudvan goedkeuring door de raad van bestuur en raad van commissarissenvan EBN, aan te wijzen als nationale deelneming warmte. Hoewel dezelfstandige lange termijn levensvatbaarheid van de deelneming nog nietkan worden vastgesteld en zaken als een governance plan nog nadermoeten worden uitgewerkt, ontstaat uit het afwegingskader immers eenvoldoende positief beeld over de geschiktheid van het instrumentdeelneming.Vanuit het Klimaatfonds worden, als de Wcw wordt aangenomen door deEerste Kamer, € 87 miljoen beschikbaar gesteld voor de opstartfase. Zowordt het maatschappelijke belang van een betrouwbare, betaalbare enduurzame warmtevoorziening op korte termijn gestimuleerd en komt depublieke uitvoeringskracht sneller op stoom. Aanvullend is € 137 miljoengereserveerd onder voorwaarden. Na twee jaar wordt bezien of deopbouw van de collectieve warmtemarkt op gang komt, en of ervoldoende animo is bij medeoverheden en andere medeaandeelhouders.De deelneming zal als minderheidsaandeelhouder optreden (maximaal40%), waarbij wordt aangemoedigd dat de nationale deelneming warmtevoor een zo laag mogelijk percentage instapt bij een project, zodat er nietonnodige kapitaalverstrekking en zeggenschap vanuit het rijk komt. Als ervoldoende animo is bij medeaandeelhouders voor de resterende 60%kunnen ook de gereserveerde middelen toegekend kunnen worden. Ronddie tijd zal ook de business case van EBN worden geëvalueerd door eenexterne partij om de lange termijn levensvatbaarheid van de ondernemingvast te kunnen stellen. Voor de financieringsopgave voor de periode na2030 is momenteel geen dekking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1183 Garantieregeling WarmtenettenHet kabinet heeft het afgelopen jaar de inzet van een waarborgfondsverkend om de toegang van warmtebedrijven tot de kapitaalmarkt teverbeteren. Via een waarborgfonds zou het rijk indirect garant staan voorde leningen van warmtebedrijven, zodat zij gemakkelijker vreemdvermogen kunnen aantrekken om warmtenetten te realiseren. (Publieke)aandeelhouders, zoals gemeenten maar bijvoorbeeld ook provincies,infrastructuurbedrijven en de bovengenoemde nationale deelneming,zouden daardoor minder kapitaal hoeven te investeren om invulling tegeven aan het verplichte publieke meerderheidsbelang in de Wcw.Op basis van deze verkenning kiest het kabinet ervoor om een garantiere-geling in te zetten in plaats van een waarborgfonds. Met een garantiere-geling verstrekt het rijk direct garanties aan warmteprojecten, in plaatsvan indirect via een waarborgfonds buiten de rijksoverheid. Voorindividuele projecten is er geen verschil tussen een garantie vanuit eenwaarborgfonds of een garantieregeling: met beide instrumenten dekt hetrijk het kredietrisico van banken af, wat veel zekerheid geeft en daardoorde vermogenskosten van warmtebedrijven verlaagt en hen in staat steltom meer vreemd vermogen aan te trekken.Het oprichten van een waarborgfonds acht het kabinet op dit moment omdrie redenen niet meer opportuun:1)Uit een onafhankelijke toets5 op het waarborgfonds blijkt dat er geen99% zekerheid is dat een Waarborgfonds Warmtenetten géén beroephoeft te doen op de achtervangpositie (de «achterborgstelling») vanhet Rijk. Het zekerheidsniveau van 99% geldt bij bestaande waarborg-fondsen en was een voorwaarde voor de toekenning van middelen inhet Meerjarenprogramma 2025 van het Klimaatfonds6. Het is op ditmoment onder andere niet vast te stellen dat de toegekendemiddelen met 99% zekerheid toereikend zijn, omdat veel warmtebe-drijven (met een publiek meerderheidsbelang) nog moeten opstarten.Risico’s zijn daardoor moeilijker in te schatten dan in gevestigdesectoren.2)Uit nadere verkenning blijkt dat het onzeker is of een waarborgfondsop korte termijn een groot genoeg deelnemersbestand kan opbou-wen dat voldoende kritische massa heeft voor een doelmatigewerking van de organisatie. Daarbij speelt ook mee dat deelnemersaan bestaande borgstelsels (in de zorgsector en sociale woningbouw)in aanvulling op het rijk óók garant staan voor het waarborgfonds. Debeoogde deelnemers aan een borgstelsel voor warmtenetten zijnopstartende warmtebedrijven die nog geen of weinig kasstromenhebben uit gerealiseerde warmtenetten. Onderlinge garantstelling viaeen zogenaamde obligoverplichting zou daardoor in de eerste jarennaar verwachting relatief weinig bijdragen aan risicobeheersing.3)Een garantieregeling dient in principe hetzelfde doel als eenwaarborgfonds, maar is een «lichter instrument» dat door het rijk zelfwordt uitgevoerd in plaats van door een externe entiteit buiten hetRijk. Daardoor kan doelmatig worden begonnen met een lagerdoelbereik, zodat de beschikbaar gestelde middelen met een hogemate van zekerheid toereikend zijn. Doordat de regeling wordtopengesteld vanuit RVO is er meer ruimte om de regeling insamenspraak met het Ministerie van Financiën tussentijds aan tepassen in het kader van risicobeheersing. Bij de uitvoering van deregeling wordt gemaakt van een bestaande organisatie en de bij RVOaanwezige expertise op het gebied van warmtenetten en garantstel-5Onafhankelijke Toets Waarborgfonds Warmtenetten, Rebel (2025)6https://open.overheid.nl/documenten/ef69d076-3133-4595-847b-13ac246c0ceb/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1184 lingen. Dit leidt naar verwachting tot lagere uitvoeringskosten. Ook ishet traject tot de openstelling eenvoudiger, waardoor de toegang vanwarmtebedrijven tot de kapitaalmarkt naar verwachting sneller kanworden verbeterd.Het kabinet stelt € 174,5 miljoen uit het Klimaatfonds ter beschikking aande Garantieregeling Warmtenetten (GRW). Dit bedrag zal met nameworden ingezet als risicovoorziening op de begroting. De risicoregelingwordt op zijn vroegst vanaf halverwege 2026 opgesteld voor een periodevan 5 jaar waarna de regeling wordt geëvalueerd. Als het borgingplafondvan € 434 miljoen vóór het einde de looptijd in zicht komt vindt eentussentijdse evaluatie en herijking van het borgingsplafond plaats.Conform de begrotingsregels is ten behoeve van de GRW het Toetsings-kader Risicoregelingen ingevuld, dat als bijlage is toegevoegd aan dezebrief. Het toetsingskader vormt de basis voor de nadere uitwerking van deregeling. Daarbij zal in navolging van de motie Kröger7 over het facili-terend kader en de inzetbaarheid van een waarborgfonds voor warmtege-meenschappen ook worden onderzocht hoe de GRW kan aansluiten bijwarmtegemeenschappen.Update WarmtelinQWarmtelinQ Transport Services B.V. (WTS), volledige dochteronder-neming van Gasunie, bouwt en exploiteert een warmtetransportnet dat(rest)warmte vanuit de Rotterdamse haven naar Den Haag (fase 1) enLeiden (fase 2) transporteert. Door verschillende omstandigheden wordtWarmtelinQ geconfronteerd met een financiële tegenvaller op met namehet tweede deel van het tracé. Hierover is de Kamer geïnformeerd met deKamerbrief van 13 mei jl.8 In deze brief informeert het kabinet de Kamerover de wijze waarop hiermee zal worden omgegaan.De eerder verleende en toegezegde subsidies betreffen een maximaalbedrag aan DEVEX-, CAPEX- en OPEX-subsidie (d.w.z. ontwikkelings-kosten, kapitaaluitgaven en operationele kosten) van in totaal € 549,5miljoen, waarvan € 122,5 miljoen is beschikt. Een bedrag van € 427miljoen voor een OPEX-subsidie staat nog gereserveerd op de begrotingvan KGG. KGG en WTS (Gasunie) zijn nog met elkaar in gesprek over eenefficiënte en effectieve invulling van deze middelen. ProvincieZuid-Holland heeft een subsidie van € 81 miljoen specifiek voor fase 2beschikt.Recent heeft WarmtelinQ het project opnieuw doorgerekend. Afgezettegen het oorspronkelijke bedrag van € 644 miljoen voor de projectkostenin 2021 zijn de meerkosten ongeveer € 500 miljoen. Ondanks de tegen-valler blijft WarmtelinQ fase 2 de verduurzamingsmogelijkheid met delaagste nationale kosten voor woningen in de regio Leiden9. Om dezereden is besloten om € 195 miljoen voor een investeringssubsidie vanuithet Klimaatfonds vrij te maken zodat de realisatie van WarmtelinQ fase 2(tracé Rijswijk–Leiden) geen verdere vertraging ondervindt. In samen-spraak met WTS (Gasunie) wordt bezien hoe de overige meerkostenworden ingepast. Ook heeft het kabinet een extern onderzoeksbureauopdracht gegeven voor een review van de business case.WTS heeft meerdere acties ondernomen om kostenstijgingen te beperken.WTS heeft onder andere het tracé Rijswijk–Leiden geoptimaliseerd en deprojectscope verkleind waarbij de ontwikkeling van WarmtelinQ is7Kamerstukken 2024/25, 36 576 nr. 1078Kamerstukken 2024/25, 31 239, nr. 4219https://www.warmtelinq.nl/over-warmtelinq/nieuws/studie-warmtenetten-maatschappelijk-goedkoper-dan-warmtepompenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1185 gekoppeld aan de vraagontwikkeling. Daarnaast heeft WTS een externepartij ingeschakeld om reviews uit te voeren op het project en is deprojectbewaking op financieel vlak aangescherpt. Naar verwachting wordthet tracé Vlaardingen–Den Haag in het eerste kwartaal van 2027 in gebruikgenomen en het tracé Rijswijk–Leiden in het derde kwartaal van 2028.Voor tracé Rijswijk–Leiden en tracé Vondelingenplaat–Vlaardingen lopener momenteel nog procedures bij de Raad van State, waardoor deplanning nog kan wijzigen.Het kabinet onderkent het belang van WarmtelinQ voor de levering vanduurzame warmte in de provincie Zuid-Holland en in het bijzonder deafhankelijkheid van de warmtetransitie in de regio Leiden van de realisatievan het tracé Rijswijk–Leiden.WarmtelinQ is een project waarbij WTS (Gasunie), het Ministerie van KGGen de Provincie Zuid-Holland nauw met elkaar samenwerken. Devoorspoedige voortgang van WarmtelinQ is ook voor de ProvincieZuid-Holland van groot belang voor haar inwoners waarbij ProvincieZuid-Holland zich onder andere inzet op het vergroten van het aantaltoekomstige aansluitingen via het nationaal MeerjarenprogrammaInfrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK) warmtesysteem Zuid-Holland.Er wordt bezien of de Provincie Zuid-Holland ook een aanvullendefinanciële bijdrage zal leveren.InformatievoorzieningMomenteel is er geen centrale voorziening voor de uitwisseling vaninformatie over collectieve warmtesystemen in Nederland. De aantallen,de locaties en de basiseigenschappen van warmtesystemen en warmtene-taansluitingen worden minder structureel en uniform bijgehouden engeactualiseerd dan in de elektriciteits- en de gassector. Dit bemoeilijkt debeleidsvorming, de uitvoering en de evaluatie van beleid en instrumen-tarium door het rijk en door medeoverheden, het toezicht door de ACM,en de monitoring van de warmtetransitie door bijvoorbeeld het CBS. Hetgebrek aan de structurele en uniforme registratie van gegevens kan ookleiden tot dubbele of inconsistente informatie-uitvragen door verschil-lende publieke partijen bij warmtebedrijven en warmtegemeenschappen.Het kabinet gaat daarom verkennen of en hoe de informatievoorzieningover collectieve warmtesystemen doelmatig kan worden verbeterd. Ditwordt mede ingegeven door de informatiestromen die volgen uit deinvulling van nieuwe wettelijke taken, bevoegdheden en verantwoordelijk-heden in de Wcw door onder andere gemeenten en de ACM.Voor de verkenning van een «datastrategie voor collectieve warmte» ishet kabinet gestart met twee trajecten. Ten eerste loopt sinds kort eenhaalbaarheidsstudie10 naar een Centraal Warmtenetaansluitingenregisterbinnen het programma VIVET (Verbetering InformatievoorzieningEnergietransitie). Een dergelijk register zou de efficiënte uitwisseling vanbasisgegevens over warmtenetten mogelijk maken tussen alle partijen inde warmtesector, net als het Centrale Aansluitingenregister in deelektriciteits- en gassector. Ten tweede onderzoekt het kabinet demogelijkheden voor efficiënte informatie-uitwisseling ter ondersteuningvan de uitvoering van de kavelsystematiek en het verstrekken vanontheffingen en vrijstellingen voor warmtelevering. Begin 2026 zal hetkabinet de Kamer nader informeren over de vorderingen van dezetrajecten.10https://www.programmavivet.nl/projecten/projecten+energienetten/3083607.aspx?t=haalbaarheids-onderzoek-registratie-warmtenetaansluitingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1186 Onderzoeken naar de nationale kosten en eindgebruikerskostenvan collectieve warmteBij de kamerbehandeling van de Wcw zijn meerdere vragen gesteld overde betaalbaarheid van warmtenetten voor de eindgebruiker. Dit vraagstukspeelt enerzijds in relatie tot de uitkomst van de Actualisatie Startanalyseaardgasvrije buurten 2025 van het PBL11 dat collectieve warmte voorgrofweg één derde van de woningvoorraad de optie met de laagstenationale kosten is. Zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van17 april jl.12 vindt het kabinet dat in wijken waar een collectief warmte-systeem de laagste nationale kosten heeft het aanbod voor de eindge-bruiker ook aantrekkelijk moet zijn. Dit is momenteel nog niet altijd hetgeval. Anderzijds spelen er vragen over de betaalbaarheid van kostenge-baseerde tarieven in fase 2 van de tariefregulering. Daartoe is onderandere het amendement van leden Postma en Rooderkerk13 op de Wcwaangenomen, waarmee de betaalbaarheid geborgd wordt bij de invoerenvan kostengebaseerde tarieven. Om een volledig beeld te geven van deverkenning van het betaalbaarheidsvraagstuk door het kabinet neem ik deKamer met deze brief mee in twee onderzoeken die onlangs zijn afgerond.Vanuit het Kennis voor Energiebeleid-programma heeft TNO gekeken naarverklaringen voor de verschillen tussen nationale kosten en eindgebrui-kerskosten.14 Het rapport brengt een complexe reeks aan op- en afslagenlangs de warmteketen in kaart. TNO laat daarbij vooral zien dat deze«vertroebelingen» niet eenvoudig zijn op te heffen en dat deze zowel bijcollectieve als individuele systemen voorkomen. In dat kader heeft hetkabinet CE Delft gevraagd om een verkennende inschatting van debudgettaire impact van een garantie aan huishoudens die zijn aangeslotenop een collectief warmtesysteem dat zij nooit meer betalen dan hetgangbare alternatief (zie bijlage 4). Met name op basis van de ActualisatieStartanalyse 2025 schat CE Delft in dat ongeveer de helft van de eindge-bruikers een vergoeding op basis van een dergelijke «prijsgarantie» zoumoeten ontvangen, indien het tarief voor een gasketel als referentie wordtgenomen. In combinatie met een alternatieve berekening op basis van de– eveneens onzekere – geaggregeerde kostengegevens uit de rendements-monitor van de ACM komt CE Delft uit op een eerste inschatting van € 126tot € 141 miljoen per jaar voor bestaande aansluitingen indien de gasketelals referentie wordt genomen. Wanneer de warmtepomp in plaats van degasketel als referentie wordt genomen, daalt de jaarlijkse subsidiebe-hoefte naar € 41 miljoen per jaar. Voor nieuwe collectieve warmtesys-temen zou dit, met de gasketel als referentie, gaan om cumulatief € 21miljoen (in aanvulling op bestaande subsidies (WIS en SDE++)) opjaarbasis bij ruwweg een verdubbeling van het aantal aansluitingen.15Deze ramingen gaan er vanuit dat algemene kostenkengetallen uit deActualisatie Startanalyse overeenkomen met kosten in de praktijk. Dat zalniet voor alle wijken het geval zijn. CE Delft geeft aan dat met name dekostenkengetallen bij bestaande warmtenetten van weinig voorspellendewaarde zijn voor kostengebasseerde tarieven. Kosten van bestaandenetten zijn namelijk in het verleden gemaakt. Ook gaat de Startanalyseenkel uit van duurzame bronnen. Daarnaast gaat de raming uit vansubsidiering vanuit de WIS en de SDE++, maar is er op dit moment geenstructureel budget beschikbaar voor. Voor de WIS is budget voorzien toten met 2030. Voor de SDE++ is budget beschikbaar t/m de openstelling11https://www.pbl.nl/publicaties/actualisatie-startanalyse-aardgasvrije-buurten-202512Kamerstukken 2024/25, 30 196 nr. 84513Kamerstukken 2024/25, 36 576 nr. 3314https://publications.tno.nl/publication/34644988/rL5fSF9D/TNO-2025-R12094.pdf15De meerkosten – zoals het risico van tragere groei in aansluitingen op nieuwe collectievewarmtesystemen – worden hierbij niet meegenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1187 van 2026. Het kabinet zal in het voorjaar van 2026 duidelijkheid gevenover de benodigde middelen voor de openstelling van de SDE++ in 2027.Zowel het rapport van TNO als de raming van CE Delft laten zien datzowel kwalitatieve als kwantitatieve vergelijkingen tussen nationale kostenen eindgebruikerskosten op dit moment zeer complex zijn. Daarnaast is erook tijd nodig voordat dit vraagstuk volledig kan worden opgelost: deimpact van kostengebaseerde tarieven bij met name bestaande warmte-netten zal duidelijker worden naarmate de ACM haar inzicht in dekostengegevens van warmtebedrijven de komende jaren verbetert. Hetkabinet concludeert dat het vraagstuk met deze onderzoeken nog niet isopgelost, Het Ministerie van KGG zal in overleg met RVO en anderedepartementen de relatieve prijsgarantie en alternatieve oplossingsrich-tingen verder verkennen.Motie gesprek Warmtealliantie over WISIn de motie van het lid Rooderkerk c.s.16 wordt het kabinet verzocht desubsidiekaders van de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS) door teontwikkelen en in gesprek te gaan met de Warmtealliantie17 vóórPrinsjesdag. Dit gesprek heeft eind augustus jl. plaatsgevonden. Met deWIS kan het warmtebedrijf maximaal dertig procent18 van de investeringin het warmtenet dekken. Het idee is dat daarmee onrendabele projectenrendabel worden, zodat warmtebedrijven een investeringsbesluit nemen.Ook wordt het gemakkelijker om minder rendabele gebouwen aan tesluiten, zoals laagbouw. Het kabinet evalueert deze regeling jaarlijks metde sector en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), die desubsidieregeling uitvoert. Het gesprek met de Warmtealliantie ziet hetkabinet als een startpunt voor de nieuwe cyclus.Gesprek WarmtealliantieIn het gesprek met de Warmtealliantie is besproken op welke aspecten desubsidiekaders van de WIS verbeterd kunnen worden. De Warmtealliantieconstateert dat er zelfs met subsidie uit de WIS vaak geen aantrekkelijkaanbod gedaan kan worden. Het betalen van een bijdrage voor deaansluitkosten (BAK) is vooral voor particuliere gebouweigenaren eendrempel. Daarbij wordt gesteld dat het nodig is dat de kosten voor eenwarmteaansluiting lager of vergelijkbaar moeten zijn met de alternatievewarmtesystemen, en dat dit nu nog niet het geval is. Verhuurders engemengde Vereniging van Eigenaren (VvE) kunnen subsidie krijgen vooreen deel van de aansluitkosten en woningaanpassingen met de Stimule-ringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (Kröger). Eerder dit jaar werdde SAH opnieuw opengesteld met extra subsidiemogelijkheden, o.a. met€ 25 miljoen extra budget voor het verlagen van het vastrecht voorhuurders. Door deze uitbreiding steeg het aantal aanvragen snel en raaktehet budget vroegtijdig uitgeput19, waardoor een aantal projecten achterhet net heeft gevist. Conform de motie van Kröger20 zal de regering opzeer korte termijn samen met partijen als de VNG en Aedes inventariserenwelke projecten dit betreft en bezien of en hoe nog aanvullende middelen16Kamerstukken 2024/25, 36 576 nr. 9317De Warmtealliantie bestaat uit meer dan 200 partijen zoals gemeenten, koepelorganisaties enwarmtebedrijven. Samen hebben ze afgelopen januari een Warmtebod gedaan (Kamerstukken2024/2025, 30 196 nr 845, bijlage 2025D17750) met als beoogd effect dat de komende tien jaarmeer dan 500.000 huishoudens aangesloten kunnen worden op een warmtenet.18Voor kleine en middelgrote ondernemingen geldt een hoger maximum, respectievelijk 50 en40 procent.19Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1376, bijlage Verduurzaming gebouwde omgeving methandelingsperspectief en instrumenten per doelgroep.20Kamerstukken 2024/25, 33 043 nr. 123Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1188 voor de SAH beschikbaar kunnen worden gesteld zodat deze projectengeen vertraging oplopen.Aanbevelingen voor de WISDe Warmtealliantie heeft een aantal ontwikkelpunten benoemd, die hetkabinet mee zal wegen in de aanpassingen van de WIS:•Op zoek gaan naar mogelijkheden om de maximale hoogte vansubsidie verder te verruimen. De Warmtealliantie doet de suggestieom te onderzoeken of onder de nieuwe marktcondities van de Wcwmeer staatssteun mogelijk is, omdat de levering van warmte gezienkan worden als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB).•De complexiteit of het detailniveau van de gevraagde gegevens bij desubsidieaanvraag beter laten aansluiten bij de informatie die beschik-baar is op dat moment.•Beheersbaar maken van onzekerheden door de hele keten die nodig isom de overstap naar collectieve warmte te maken, die bestaat uit bron,infrastructuur én gebouw aanpassingen. Concreet gaat het omversnipperde beslismomenten over de beschikbaarheid, de hoogte entoekenning van subsidies. Dit weerspiegelt ook de constateringen in demotie van de leden Rooderkerk en Erkens.•Verkennen of het wenselijk en mogelijk is om binnen de WIS eenaparte faciliteit in te richten voor systeeminvesteringen, zoalsverbindingsleidingen tussen warmtesystemen die zorgen voor eenbetere bronbenutting en algehele systeem efficiency.•Onderscheid maken tussen het aanleggen van nieuwe netten enuitbreiden van bestaande netten en daar verschillende stimuleringska-ders voor opstellen.Het kabinet onderkent dat de relatieve betaalbaarheid van warmte eenrandvoorwaarde is voor een aantrekkelijk aanbod. De WIS is onderdeelvan de oplossing, maar heeft vanuit Europese staatssteunkaders ennationale subsidieregels beperkingen voor de hoogte aan subsidie diemag worden verstrekt. Het kabinet zoekt binnen die kaders naar een zooptimaal mogelijk ontwerp voor de regeling. Het kabinet zal in ieder gevalgaan onderzoeken of de subsidiekaders voor een DAEB ruimer zijn.Het kabinet werkt verder aan de WIS regeling voor een nieuweopenstelling in de zomer van 2026. Daarbij zal gekeken worden of deregeling op punten versimpeld kan worden. Een projectspecifiekebehandeling, waar vaak door de sector om gevraagd wordt, gaat echterwel vaak gepaard met hogere administratieve lasten voor zowel desubsidie ontvanger als verstrekker. Om de regeling eenvoudig te houdenwordt daarom soms juist gekozen voor minder maatwerk.De Warmtealliantie en de eerder genoemde motie Rooderkerk en Erkensvragen om een integrale behandeling. Dit zal in de gesprekken metstakeholders verder uitgediept worden, ook in het licht van een aantalacties dat inmiddels ondernomen is:•De WIS is vorig jaar overgestapt op een nieuw digitaal loket dat in demeeste andere regelingen wordt gebruikt, waarin de subsidieontvan-ger beter de voortgang kan volgen van de subsidieaanvraag en vragenen antwoorden kan uitwisselen met RVO. Dit is voor aanvragers vansubsidies een meer eenduidig en herkenbaar interface.•Voor de WIS en de Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw(SWiG) vindt interdepartementaal overleg plaats voor een goedesamenhang voor warmteprojecten die zowel glastuinbouw alsgebouwde omgeving aansluiten.•De WIS en SAH-subsidies zijn het afgelopen jaar al op een aantalpunten gewijzigd om ervoor te zorgen dat het bijvoorbeeld mogelijk isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 1189 om een lager vastrecht te bewerkstelligen. Bij de WIS is het mogelijkeen hogere BAK te betalen in ruil voor een lager vastrecht voorhuurders, zonder dat het warmtebedrijf en de gebouweigenaarhierdoor recht zouden hebben op minder subsidie. Bij de SAH was ereen extra subsidiemogelijkheid voor het verlagen van het vastrecht.•De investering in warmteopslag is toegevoegd als subsidiabeleactiviteit aan de WIS.Het zal complex zijn om alle subsidies te integreren in één projectsubsidie,omdat de geldstromen niet gaan naar één partij, maar naar verschillendedoelgroepen, zoals de Warmtealliantie ook aangeeft. Het kabinetonderzoekt met RVO in hoeverre een integrale subsidieaanpak deverschillende betrokken partijen beter kan ondersteunen vanuit één loket,wanneer bij één project verschillende regelingen bij elkaar komen.Daarover kan de Kamer naar verwachting in de zomer van 2026 verderworden geïnformeerd. Het kabinet is de Warmtealliantie erkentelijk voorde aangeleverde probleemanalyse en suggesties en gaat samen met desector de komende tijd aan de slag met de verdere ontwikkeling van deWIS. Streven is om in de zomer van 2026 een verbeterde regeling open testellen.Toezegging gesprek Warm HeegHet Ministerie van KGG is op 18 september in gesprek gegaan metbestuurders van provincie Fryslân, gemeente Súdwest-Fryslân eninitiatiefnemer Warm Heeg. Dit gesprek heeft andermaal duidelijkgemaakt dat een doorstart van het project in Warm Heeg uitdagingenkent. Het gaat met name om de financiële risico’s, mede als gevolg van denog beperkte volloop. Er is afgesproken om op enkele onderwerpen(bijvoorbeeld de mogelijke betekenis van de nationale garantieregelingwarmtenetten) door te spreken, zowel tussen de gemeente en dewarmtecoöperatie, als tussen de warmtecoöperatie en het ministerie, enwaar relevant ook met de provincie. Uiteraard zal het kabinet uw Kamerinformeren als er voortgang is te melden.Toezegging aan het lid Grinwis over warmtepompenTijdens het debat over de wijziging van de begroting Klimaat en GroeneGroei op 2 juli jl. is aan lid Grinwis een toezegging gedaan over de locatievan warmtepompen in de gebouwde omgeving. Ten aanzien van hetrisico dat warmtepompen worden gekocht in warmtenetwijken heeft deAlgemene Rekenkamer geadviseerd21 om geen warmtepompen tesubsidiëren in deze gebieden. Het kabinet heeft eerder al toegezegd teonderzoeken hoe ongewenste overlap voorkomen kan worden, mits datop een uitvoerbare en juridisch houdbare manier geïmplementeerd kanworden.22 Het kabinet komt, mede ter invulling aan de genoemdetoezegging, begin 2026 terug op de uitkomsten van dat onderzoek engeeft dan ook een update over de ontwikkelingen met betrekking totEcodesign voor warmtepompen.Monitor Lokale WarmtetransitieGelijktijdig met de verzending van deze brief publiceert het NationaleProgramma Lokale Warmtetransitie (NPLW) voor de derde keer dejaarlijkse monitor Lokale Warmtetransitie in Beeld (LWiB)23. De LWiB geeft21Kamerstukken II 2024/25, 32 847, nr. 1376, bijlage Verduurzaming gebouwde omgeving methandelingsperspectief en instrumenten per doelgroep.22Kamerstukken II 2024/25, 32 813, nr. 1512.23https://www.nplw.nl/data-en-monitoring/rapporten/lwibTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 11810 een indruk van wat er op dit moment speelt in de lokale warmtetransitiebij gemeenten. De belangrijkste bron zijn gesprekken die accounthoudersvan het NPLW in het eerste kwartaal van 2025 voerden met ambtenarenvan ruim 110 gemeenten.Uit de LWiB blijkt dat vrijwel alle gemeenten bezig zijn een warmtepro-gramma. 75% van de gemeenten maakt hierbij gebruik van het ondersteu-ningsaanbod van het NPLW. De meeste gemeenten verwachten hetwarmteprogramma uiterlijk in 2026 vast te stellen. Met het warmtepro-gramma geven gemeenten duidelijkheid aan burgers, woningcorporatiesen andere stakeholders welke gebieden voor 2035 van het aardgas afgaan en welke mogelijke warmtealternatieven, waaronder een warmtenet,zij hiervoor voorzien. Het aandeel gemeenten dat de komende tien jaarwarmtenetten verwacht te realiseren of uit te breiden, is gedaald van 52%in 2024 naar 40% in 2025. Kosten voor bewoners, nog niet afgerondewetgeving en het imago van warmtenetten blijven grote obstakels. Welgroeit de betrokkenheid bij warmtebedrijven, en netcongestie maakt datgemeenten vaker naar warmtenetten kijken. De maatregelen uit dezekamerbrief komen ook tegemoet aan diverse kansen en belemmeringendie in de LWiB genoemd worden.Inwerkingtreding Wet collectieve warmteDe Wcw is op 3 juli 2025 door de Tweede Kamer aangenomen enverzonden aan de Eerste Kamer. Het kabinet heeft de Eerste Kamerverzocht om een voortvarende behandeling van het wetsvoorstel zodat erhelderheid komt welke regels er zullen gelden voor de ontwikkeling vancollectieve warmte waardoor alle betrokken partijen zich kunnenvoorbereiden. De Eerste Kamer heeft op 23 september verslaguitgebracht.De regels die op grond van de Wcw zullen gelden worden verderuitgewerkt in het Besluit collectieve warmte en een ministeriële regeling.De artikelen van de Wcw treden in werking op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvanop verschillende momenten kan worden vastgesteld. Voor een grootaantal artikelen geldt dat inwerkingtreding pas kan plaatsvinden als ookhet Besluit collectieve warmte (Bcw) en de ministeriële regeling zijnafgerond en in werking kunnen treden. Het Bcw wordt naar verwachtingeind dit jaar aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voorgelegd vooreen uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets en medio 2026 bij deAfdeling Advisering van de Raad van State. Ook schrijft de Wcw eenvoorhangprocedure bij beide Kamers ten aanzien van tariefreguleringvoor collectieve warmtevoorzieningen en kleine collectieve warmtesys-temen voor. Naar verwachting zullen deze stappen voor het Bcw en deministeriële regeling het grootste deel van 2026 in beslag nemen. Eenaantal artikelen zal naar verwachting onafhankelijk van het Bcw en deministeriële regeling eerder in werking kunnen treden. Het gaat hier ondermeer om artikelen die van belang zijn voor de ontwikkeling van depublieke realisatiekracht, zoals de bevoegdheid van de Minister eennationale deelneming aan te wijzen en de additionele mogelijkheden voorinfrastructuurbedrijven om actief te worden op de warmtemarkt. Ookonderzoekt het kabinet samen met de ACM hoe de regels over degestandaardiseerde activawaarde zo spoedig mogelijk in werking kunnentreden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 11811 De uitrol van collectieve warmte is van groot belang in het kader van deenergietransitie. Met de in deze brief genoemde maatregelen geeft hetkabinet verder invulling aan de randvoorwaarden welke nodig zijn voorhet opschalen van collectieve warmte.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.Th.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 576, nr. 11812
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.