Stand van zaken van diverse onderzoekstrajecten binnen de maritieme sector en invulling van openstaande toezeggingen
Brontekst
Versie 7307fbabbda4d4b5 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 409Zee- en binnenvaart29 862Nationaal Zeehavenbeleid36 933Noodpakket energie, mobiliteit en economieNr. 508 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 7 juli 2026Deze kamerbrief informeert de Kamer over de actuele stand van zaken vandiverse onderzoekstrajecten binnen de maritieme sector. Daarnaast wordtinvulling gegeven aan toezeggingen en moties, wordt de evaluatie vaneen subsidieregeling aangekondigd en wordt de aanpak van de Russischeschaduwvloot toegelicht.De brief is thematisch opgebouwd en behandelt tien onderwerpen: FAMEblends in de binnenvaart, energiebelasting elektrisch varen, stikstofdepo-sitie offshore werkschepen, de visie op verduurzaming van bunkerbrand-stoffen, de evaluatie van de tijdelijke subsidieregeling verduurzamingbinnenvaartschepen, alsmede drie toezeggingen, een motie en de aanpakvan de Russische schaduwvloot.1. FAME blends in de binnenvaart Sinds 2020 is via diverse onderzoeken de impact van biobrandstoffen, enmet name FAME (een biodiesel variant), op de binnenvaartvloot verkend.Waar eerdere studies zich richtten op de theoretische impact, vult TNOmet een praktijkproef de resterende kennisleemtes in door middel vanlangdurige monitoring aan boord van binnenvaartschepen. Gedurendecirca één jaar zijn negen schepen gemonitord terwijl zij voeren opbrandstofblends met een FAME-gehalte variërend van 15% tot 30%.Het onderzoeksrapport van TNO over de monitoring van binnenvaart-schepen op FAME-blends is bijgevoegd1. Het rapport vormt het sluitstukvan een reeks onderzoeken die vanaf 2020 zijn gevoerd naar de inzet vanFAME in de binnenvaart. Met de resultaten uit deze praktijkproef wordtbeoogd de verdere toepassing van FAME-blends zo goed mogelijk tefaciliteren door de relevante stakeholders in de binnenvaart concreethandelingsperspectief te bieden voor het varen op FAME-blends.1Bijlage 1 TNO onderzoek FAME blends binnenvaart kst-31409-508ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5081 Uit de monitoring blijkt dat alle hoofdmotoren van de deelnemendeschepen gedurende de proefperiode betrouwbaar hebben gedraaid opFAME-blends tot 30%. Hoewel de technische haalbaarheid hiermee isaangetoond, deden zich incidenteel onregelmatigheden voor methulpmotoren en filterverstoppingen. Hoewel de brandstofkwaliteitgrotendeels aan de geldende normen voldoet, is bij hogere blends extraaandacht nodig voor de oxidatiestabiliteit en de concentratie vanspecifieke stoffen om problemen zoals filterverstopping te voorkomen. Uithet onderzoek bleek dat onderhoudstermijnen voor de motorolie nietgeneriek verkort hoeven te worden ten opzichte van reguliere diesel. Voorbrandstoffilters is direct na de omschakeling op FAME-blends wel extrawaakzaamheid geboden vanwege het risico op incidentele filterver-stopping.Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft de afrondingvan het rapport benut voor een gesprek met relevante stakeholders overde verdere toepassing van FAME-blends in de binnenvaart. Tijdens ditgesprek is gezamenlijk gereflecteerd op de onderzoeksresultaten en zijnafspraken gemaakt over vervolgstappen.2. QuickScan Effecten Verlagen Energiebelasting ElektrischVaren Voor gasolie voor binnenvaartschepen geldt geen accijns op grond van deHerziene Rijnvaartakte (Akte van Mannheim, 1868), die belasting opbrandstof voor de Rijnvaart verbiedt. Voor de elektriciteit die binnenvaart-schepen geleverd krijgen om op te varen, betalen zij energiebelasting. Ditleidt tot een ongelijke fiscale behandeling van fossiel en elektrischaangedreven binnenvaartschepen, wat onwenselijk is in het licht van deenergietransitie. Het kabinet streeft naar een fiscaal stelsel waarinvervuiling wordt belast en duurzame alternatieven niet fiscaal wordenbenadeeld. Nederland heeft binnen de Centrale Commissie voor deRijnvaart (CCR) reeds uitgesproken de accijnsvrijstelling op termijngezamenlijk met andere lidstaten te willen afschaffen. Omdat deafschaffing van de accijnsvrijstelling niet op korte termijn wordt verwacht,verkennen IenW en het Ministerie van Financiën intussen welke vragen enoverwegingen spelen bij een eventuele aanpassing van de energiebe-lasting ten behoeve van elektrisch aangedreven schepen. Daarbij wordt debeleidseffectiviteit verkend en worden de uitvoeringstechnische enEuropeesrechtelijke aspecten betrokken.Ten aanzien van de beleidseffectiviteit heeft IenW aan het Expertise enInnovatiecentrum voor de Binnenvaart gevraagd een quickscan uit tevoeren naar het verwachte effect van een verlaging van de energiebe-lasting op het aantal extra schepen dat hierdoor batterij-elektrisch gaatvaren. In de bijgevoegde quickscan2 is voor verschillende scheepstypesverkend wat het effect is op de Total Cost of Ownership (TCO) van eenverlaging van de energiebelasting vanaf 2030.De resultaten van de quickscan zullen worden meegenomen in deverkenning, die de Ministeries van Financiën en IenW uitvoeren.3. Stikstofdepositie offshore werkschepen In de kamerbrief van 25 november 20223 reserveerde de Minister voorNatuur en Stikstof € 200 miljoen voor bovenwettelijke stikstofmaatregelenin de industrie, bouw en mobiliteit. € 46 miljoen hiervan is beschikbaar2Bijlage 2 EICB QuickScan effecten verlagen energiebelasting3Kamerstuk 34 682, nr. 108Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5082 voor aanvullende maatregelen in de zeescheepvaart en zeehavens. Met ditbudget wordt invulling gegeven aan drie subsidieregelingen: Batterij-elektrisch varen zeehavens (BEVZ), Varen op waterstof en Elektrificatiehavenmateriaal. In het kader van de ontwikkeling van de BEVZ- en devaren op waterstof regeling heeft REBEL onderzoek gedaan naar destikstofdepositie en TCO van 3 verschillende scheepstypen in combinatiemet 7 verschillende energielijnen. Het onderzoeksrapport4 is bijgevoegd.Uit het onderzoek blijkt dat de overstap naar hybride-elektrische schepenfinancieel het meest haalbaar is. Het kostenverschil met traditioneledieselschepen is bij deze techniek het kleinst. Dit geldt ook in de situatiewaarbij externe kosten worden geïnternaliseerd middels het Europeseemissiehandelssysteem ETS en de FuelEU Maritime verordening. De inzetvan groene waterstof is vooralsnog duurder dan andere duurzamealternatieven. Daarnaast zijn er voor drie scheepstypen (Crew TransferVessels (CTV), Offshore Service Vessels (OSV) en shortsea) representa-tieve vaarroutes geselecteerd om de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden te onderzoeken. Hoewel de emissies per kilometer hetlaagst zijn bij CTV’s en het hoogst bij shortsea schepen, wordt de impactvan de emissies op de depositie voornamelijk bepaald door de nabijheidvan natuurgebieden langs de route.IenW neemt deze bevindingen mee bij de verdere consultatie van desector en de vormgeving van de subsidieregelingen.4. Visie verduurzaming bunkerbrandstoffen Een van de prioriteiten van de beleidsbrief Infrastructuur en Waterstaat5betreft het afbouwen van kwetsbare afhankelijkheden in onze mobiliteit. Inde beleidsbrief is opgenomen dat IenW in dit kader in 2026 een visie op deverduurzaming van bunkerbrandstoffen opstelt6. Op dit moment loopt deuitwerking van deze visie, die beoogd is om in het najaar met uw Kamerte worden gedeeld.Nederland heeft, met de grote havens en Schiphol, een grote positie in deinternationale afzetmarkt voor bunkerbrandstoffen voor scheepvaart enluchtvaart. De visie maakt inzichtelijk wat de publieke belangen van dezehuidige bunkerpositie zijn. Daarnaast geeft dit een beeld van hoe debunkerpositie bij kan dragen aan de verduurzaming van scheep- enluchtvaart en wat handelingsperspectieven en/of maatregelen zijn voorhet verduurzamen van bunkerbrandstoffen.In de uitwerking van de visie worden bestaande inzichten, stakeholder-input en onderzoeken gebruikt. Daarnaast zijn in opdracht van IenW tweeonderzoeken uitgevoerd om antwoord te geven op enkele openstaandevragen. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in de visie.Vooruitlopend op de visie zelf, worden bij deze brief de genoemde tweeonderzoeken7 alvast met uw Kamer gedeeld.CE Delft heeft onderzoek gedaan naar de scenario’s voor de toekomstigebunkervraag van scheep- en luchtvaart, kansen en risico’s voor debunkerpositie van Nederlandse zeehavens en handelingsperspectievenvoor stakeholders. In het onderzoek van Erasmus UPT en Rebel Group zijn4Bijlage 3 REBEL stikstofdepositie werkschepen5Kamerstuk 36 800 XII, nr. 346Deze visie op verduurzaming van bunkerbrandstoffen is opgenomen in het definitieveontwerpKlimaatplan 2025–2035, zie Kamerstuk 32 813, nr. 15017Bijlage 4 CE Delft Toekomstbestendige bunkerpositie Nederlandse zeehavens en bijlage 5Erasmus UPT Rebel Eindrapport bunkerpositie Nederlandse zeehavensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5083 de economische positie en de publieke belangen van bunkeringonderzocht.5. Aankondiging Evaluatie Tijdelijke Subsidieregeling Verduur-zaming Binnenvaartschepen (2021–2025) IenW is het proces gestart voor een evaluatieverslag over de doeltref-fendheid en de effecten van deze regeling. Door vertraging in hetevaluatieproces verschuift de publicatiedatum naar 1 december 2026, inplaats van 1 juli 2026 zoals oorspronkelijk in de regeling was voorzien.6. Toezegging gesprek binnenvaartsector Mijn ambtsvoorganger heeft in uw Kamer aangegeven een gesprek metde binnenvaartsector te zullen voeren over de prijsontwikkelingen van debiodieselvariant HVO (TZ202601-108), naar aanleiding van vragen dieKoninklijke Binnenvaart Nederland (KBN) daarover heeft gesteld. Eengesprek met KBN heeft op 10 april 2026 plaatsgevonden. Daarin werdvastgesteld dat de prijs voor HVO dit jaar is gestegen. Dit komt doordatmet de invoering van de brandstoftransitieverplichting de kruissubsidie,waarbij het wegvervoer betaalde voor de inzet van HVO in de binnenvaart,is afgeschaft. Deze kruissubsidie heeft in de afgelopen jaren geleid totrelatief lage HVO-prijzen in de binnenvaart. Het afschaffen daarvan waseen bewuste beleidskeuze binnen de implementatie van de wijzigings-richtlijn hernieuwbare energie (RED-III). Met de brandstoftransitiever-plichting is een instrument opgezet waarbij de binnenvaartsectoreigenstandig de energietransitie kan doormaken. Tijdens het gesprek istevens afgestemd dat overheid en sector in gesprek blijven over delangetermijnvisie op de energietransitie in de binnenvaart en de invullingdaarvan.7. Toezegging gesprek Uitstempeldossier Mijn ambtsvoorganger heeft in uw Kamer aangegeven dat met hetMinisterie van Asiel en Migratie (AenM) zal worden gesproken over hetUitstempeldossier zeevarenden (TZ202601-107), naar aanleiding vanvragen van het lid Stoffer (SGP). Een ambtelijk overleg tussen deMinisteries van Justitie en Veiligheid (JenV), Sociale Zaken en Werkgele-genheid (SZW), Economische Zaken en Klimaat (EZK) en IenW metMaritime Offshore NL en KVNR heeft op 26 maart 2026 plaatsgevonden.Daarin is gesproken over de invoering van de nieuwe Toelatingsregelingzeevarenden8 die op 1 juli in werking zal treden. Tevens is afgesproken datkomend jaar monitoring door de IND zal plaatsvinden van de Toelatingsre-geling.8. Toezegging ondermijning kleinere zeehavens Mijn ambtsvoorganger heeft in uw Kamer aangegeven de mogelijkhedente onderzoeken voor nauwere samenwerking met JenV in het PlatformKleine Zeehavens, naar aanleiding van de motie Goudzwaard (TZ202601-096). Door het Platform Ondermijning Kleine Zeehavens wordt nu, inopdracht van JenV, een probleemanalyse uitgevoerd om de drugssmok-kelmethoden in de kleine zeehavens in kaart te brengen. Naar aanleidingvan deze probleemanalyse zal worden bezien welke interventies nodig zijnom de veiligheid en weerbaarheid in kleine zeehavens te vergroten.Daarbij zal vanuit IenW rekening worden gehouden met de MIRT-systematiek. De geïdentificeerde interventies zullen in gezamenlijkheiduitgevoerd worden tussen JenV, IenW en de partners binnen het Platform8Staatscourant Nr. 43026 24 december 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5084 Ondermijning Kleine Zeehavens. Hiermee wordt invulling gegeven aan demotie Goudzwaard c.s. (Kamerstuk 36 800 A, nr. 30)9. Eerste beantwoording motie Bontenbal en Brekelmans Per motie van de leden Brekelmans (VVD) en Bontenbal (CDA) (Kamerstuk36 933, nr. 21) is verzocht om te verkennen of door middel van hetaanbieden van (her)verzekeringen als overheid, de scheepvaart onder deNederlandse vlag, die momenteel vastzit in de Perzische Golf, geholpenkan worden. Hoewel op dit moment geen sprake is van onverzeker-baarheid, worden de betreffende schepen geconfronteerd met een forseverhoging van premies voor de (verplichte) verzekeringen. Deze premieskunnen bovendien per dag veranderen.In de motie wordt specifiek verwezen naar initiatieven van Frankrijk enDenemarken. Beide landen hebben of werken aan (verschillende vormenvan) overheidsmechanismes om in te stappen als (her)verzekeraar.Momenteel wordt door beide landen geen gebruik gemaakt van demechanismes.Het Deense model wordt momenteel nog opgezet, en heeft als doel tebewerkstelligen dat Deense schepen kunnen blijven varen met debenodigde verzekering in een oorlogssituatie waarin de commerciëleverzekeringsmarkt niet meer functioneert. Indien deze situatie zichvoordoet wordt een zogenaamd War Insurance Institute geactiveerd. Bijde activering van dat instituut verstrekt de Deense overheid een garantievan ca. € 800 mln. in de vorm van een lening. Deze lening moet wordenterugbetaald via bijdragen/premiebetalingen van rederijen aan het (nogop te richten) instituut.Frankrijk kent een Centraal Herverzekeringsfonds, met een staatsgarantie,onder de Code des assurance, dat bevoegd is te voorzien in (her-)verzekering met betrekking tot risico’s die voortvloeien uit uitzonderlijkegebeurtenissen, zoals buitenlandse- of burgeroorlogen, burgerlijke onrustof industriële geschillen. Het fonds is sinds 2018 slapend, aangezien ersprake is van voldoende marktwerking.Daarnaast kent ook Noorwegen een (volledig privaat) model. Hier is DenNorske Krigsforsikring for Skib (DNK) aangewezen als scheepsverzeke-ringsmaatschappij, die in gezamenlijk eigendom is van de Noorsescheepvaartindustrie. De Noorse scheepvaartindustrie betaalt premiesaan de maatschappij die vervolgens weer voorziet in oorlogsverzekerings-dekking, met aanvullende steun aan de Noorse leden ten voordele vanhun weerbaarheid en competitieve krachten.Door de Nederlandse reders wordt gepleit voor het beschikbaar hebbenvan een model dat direct of indirect gefinancierd wordt met premieaf-drachten door de sector zelf. Voor het vervolg van de in de motiegevraagde verkenning zal daarom vooral naar het Deense en het Noorsemodel gekeken worden, waarbij er ruimte gehouden wordt voor anderevergelijkbare opties.Het kabinet realiseert zich dat geen van genoemde voorbeelden voorzietin een snelle oplossing voor de huidige situatie in de Perzische Golf.Daarnaast geldt voor alle opties dat er meer duidelijkheid moet zijn overde omvang van de mogelijke opgave, dekking van de kosten en definanciële en juridische consequenties, alsmede naar de in acht te nemenvoorwaarden in geval van staatssteun. Momenteel is er geen budgetgereserveerd in de begroting voor dergelijke kosten Het kabinet ziet hiermomenteel ook geen ruimte voor op de begroting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5085 Het kabinet realiseert zich echter ook, dat in de huidige geopolitiekesituatie rekening gehouden moet worden met nieuwe crisissituaties metvergelijkbare effecten voor de zeevaart als nu in de Golfregio. De in demotie gevraagde verkenning zal daarom de komende maanden, insamenspraak met de Nederlandse redersvereniging, worden vervolgd entot een conclusie gebracht worden. Uw Kamer zal daarover dan opnieuwgeïnformeerd worden.10. Stand van zaken aanpak Russische Schaduwvloot naaraanleiding van het verzoek van VC IenW9 Het kabinet zet zich stevig in voor het aanpakken van de schaduwvloot.Het kabinet wisselt daarom voortdurend met de buurlanden informatie uiten werkt aan nieuwe Europese sanctiemaatregelen. De Ministeries vanIenW, Defensie en JenV werken daarnaast met spoed aan wetgeving ombevoegdheden te creëren ten aanzien van schepen zonder nationaliteit(waaronder vals gevlagde schepen). Daartoe worden verschillende wettenaangepast, waaronder de Wet buitenlandse schepen. Hierdoor kanrobuuster worden opgetreden. Het streven is om voor het zomerreces hetontwerpwetsvoorstel aan te bieden aan de Afdeling advisering van deRaad van State. Volgens de planning zal het wetsvoorstel dan kort ná hetzomerreces aan uw Kamer worden aangeboden. Ook zal in de eerste helftvan september 2026 een technische briefing over de aanpak van deschaduwvloot plaatsvinden. Tijdens deze briefing kan uitgebreider wordenstil gestaan bij de stand van zaken.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G. Karremans92026Z13468/2026D30919 Verzoek om brief met stand van zaken aanpak Russische schaduw-vloot, Den Haag, 18 juni 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 409, nr. 5086
Gerelateerde bronnen
- De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe aan het lid Stoffer in gesprek te gaan met de minister van Asiel & Migratie over het uitstempeldossier en
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe aan het lid Stoffer in gesprek te gaan met de minister van Asiel & Migratie over het uitstempeldossier en de Kamer daarover uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 schriftelijk te informeren.
- De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor nauwere samenwerking met het ministerie van Justitie en Ve
De minister van Infrastructuur en Waterstaat zegt toe te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor nauwere samenwerking met het ministerie van Justitie en Veiligheid in het Platform Kleine Zeehavens op het gebied van het tegengaan van ondermijning bij die kleinere zeehavens.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.