Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie 9cc4aee166a13e65 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 706Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om een tegenbewijsregeling te introduceren bijhet bepalen van het belastbare inkomen uitsparen en beleggen (Wet tegenbewijsregelingbox 3)Nr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 16 mei 2025 Inhoudsopgave1.Inleiding2I.Vragen en opmerkingen namens de commissie22.Rondetafelgesprek23.Inleiding en achtergrond54.De voorgestelde aanpassingen55.Gevolgen voor het doenvermogen116.Uitvoeringsaspecten12II.Vragen en opmerkingen namens de fracties137.Inleiding138.Achtergrond179.De voorgestelde aanpassingen1710.Inleiding1811.Doelgroep1912.Wet rechtsherstel box 3 en overbruggingsperiode2113.Uitgangspunten Hoge Raad2314.Verdere invulling begrip werkelijk rendement2515.Bepalen vermogensaanwas2616.Grondslag en waardering3017.Toerekening van het werkelijke rendement bij fiscaalpartners3218.Formeelrechtelijke aspecten bij de tegenbewijsregeling3219.Internationale aspecten3320.Voorkoming van dubbele belasting3321.Overwogen alternatieven3422.Budgettaire effecten3523.Inkomenseffecten3924.Gedragseffecten4025.Administratieve lasten4026.Gevolgen voor het doenvermogen4127.Rechtsbescherming4128.Uitvoeringsaspecten4229.Advies en consultatie47II.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING47 kst-36706-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 71 1. Inleiding Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de commissie en de leden van de fracties vanGroenLinks-PvdA, VVD, NSC, D66, BBB, CDA, ChristenUnie en de SGP.Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk devolgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijklui-dende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.I. Vragen en opmerkingen namens de commissie 2. Rondetafelgesprek De leden van de commissie vragen om een reactie op de position papersvan experts die op 16 april 2025 hebben deelgenomen aan een rondetafel-gesprek over het wetsvoorstel. Hieronder wordt een korte samenvattingvan de position papers gegeven en vervolgens een reactie. Daarnaastwordt ingegaan op vragen van de leden van de fracties van het CDA, hetNSC en de ChristenUnie naar specifieke stellingen die zijn geuit in deposition papers en het rondetafelgesprek.De heer Boer geeft aan dat het wetsvoorstel een codificatie is van dehuidige stand van zaken op het terrein van box 3 en beperkt meerwaardeheeft ten opzichte van de arresten van de Hoge Raad. De heer Boer uitkritiek op enkele van de rekenregels van de Hoge Raad en roept dewetgever op hiervan af te wijken. Hij wijst erop dat de Hoge Raad regelsheeft gegeven om de strijdigheid van box 3 met het Europees Verdragvoor de Rechten van de Mens (EVRM) weg te nemen, maar dat dewetgever voor een andere definitie kan kiezen. Daarnaast roept hij op toteen zo snel mogelijke invoering van een stelsel op basis van werkelijkrendement.De heer Heithuis roept op om het wetsvoorstel in te trekken en zo snelmogelijk het nieuwe regime op basis van werkelijk rendement in tevoeren. De leden van de fractie van BBB hebben naar een reactie hieropgevraagd. Daarnaast geeft de heer Heithuis in overweging om het tarief teverhogen voor de noodzakelijke budgettaire derving. Tot slot geeft hij aandat een vermogensbelasting geen alternatief is.De heer Niessen geeft aan dat de procedure «massaal bezwaar plus» vooreen grote aanvullende belasting van de uitvoering kan zorgen en geeft inoverweging om de uitkomsten van deze procedure af te wachten.Daarnaast geeft hij aan dat de regeling zowel voor belastingplichtigen alsvoor Belastingdienst moeilijk uitvoerbaar zal zijn, maar vooralsnog overhet geheel genomen de enige beschikbare optie.De heer Bavinck geeft in overweging om kosten van groot onderhoud inaftrek te laten komen. Daarnaast geeft de heer Bavinck in overweging omvoordelen als gevolg van eigen gebruik ook met terugwerkende kracht tothet werkelijke rendement te rekenen met een forfaitaire regeling. Verdervindt hij het begrijpelijk dat de Hoge Raad vermogensaanwas als basisheeft genomen voor de vaststelling van het werkelijk rendement. Het gaathier niet om de bepaling van het belastbaar inkomen, maar om debepaling van een op rechtsherstel gerichte compensatie.Het kabinet onderschrijft de opmerking van verschillende experts dat detegenbewijsregeling niet bedoeld is als definitief systeem voor hetbelasten van werkelijk rendement. De regels van de Hoge Raad voor hetbepalen van het werkelijk rendement zijn enkel bedoeld om vast te stellenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 72 of het huidige forfaitaire box 3-stelsel bij een bepaalde belastingplichtigein strijd is met het EVRM. En zo ja, om de hoogte van het rechtsherstel tebepalen. De tegenbewijsregeling kan voor belastingplichtigen alleenvoordelig zijn en niet resulteren in het betalen van meer belastingvergeleken met de huidige forfaitaire systematiek. Het kabinet wil, net alsde experts, zo snel als praktisch mogelijk een stelsel op basis vanwerkelijk rendement invoeren.Het kabinet herkent de opmerking van de heer Boer dat sprake is van eencodificatie van het geldende recht. Dit is de bedoeling van hetwetsvoorstel. Omdat de regels van de Hoge Raad niet op alle mogelijkesituaties zien, voorziet het wetsvoorstel daarnaast in enkele meergedetailleerde regels voor het bepalen van het werkelijke rendement.Hiermee wordt meer duidelijkheid geboden aan belastingplichtigen en deBelastingdienst. Ook de Afdeling advisering van de Raad van State(hierna: de Afdeling) geeft aan dat de regering terecht haar verantwoorde-lijkheid neemt door de vuistregels van de Hoge Raad om te zetten in eenwettelijke regeling.Het kabinet is het niet eens met het pleidooi van de heer Heithuis om detegenbewijsregeling niet in te voeren. De Hoge Raad heeft geoordeeld dathet huidige box 3-stelsel tot een schending van EVRM-rechten kan leidenen heeft aangegeven hoe die schending moet worden opgeheven binnenhet huidige box 3-stelsel. De arresten van de Hoge Raad zijn geldend rechtwaar belastingplichtigen zich op kunnen beroepen. Dit is ook het geval alshet voorliggende wetsvoorstel niet zou worden aangenomen. DeBelastingdienst moet de tegenbewijsregeling dus hoe dan ook invoerenen uitvoeren. Zoals hierboven aangegeven biedt het wetsvoorstel meerduidelijkheid over enkele gedetailleerde regels voor het bepalen van hetwerkelijke rendement. Omdat de regels van de Hoge Raad nu al geldendrecht zijn, acht het kabinet afwijkingen van de regels van de Hoge Raadmet terugwerkende kracht ten nadele van belastingplichtigen juridischniet mogelijk. Dit zou een inbreuk op de rechtszekerheid van belasting-plichtigen betekenen waarvoor geen voldoende rechtvaardiging bestaat.Het is alleen juridisch mogelijk om in het wetsvoorstel regels op te nemendie afwijken van de Hoge Raad als deze ten gunste van belastingplichtigenzijn, zoals het toevoegen van de mogelijkheid tot kostenaftrek. Zoalsaangegeven bij de kamerbrief van 2 april 2025 zorgt toevoeging vankostenaftrek in 2026 en 2027 voor een budgettaire derving van cumulatief€ 1.135 miljoen die gedekt zou moeten worden. Ook leidt dit tot verderevertraging van de Wet werkelijk rendement box 3. In dat geval ontstaatper jaar uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 een aanvullendederving van ongeveer € 1,7 miljard vanaf 2028. Daarom heeft het kabinethier niet voor gekozen.De heer Niessen heeft geopperd om de uitkomst van de procedure«massaal bezwaar plus» af te wachten. De leden van fractie van het NSCvragen ook of dit is overwogen. Het kabinet acht het zeer onwenselijk omde uitkomsten van deze procedure af te wachten. Omdat de arresten vande Hoge Raad geldend recht zijn, kunnen belastingplichtigen zichberoepen op deze arresten. Daarom moet de Belastingdienst de tegenbe-wijsregeling voor deze belastingplichtigen uitvoeren. Alles wordt nu in hetwerk gesteld om belastingplichtigen vanaf juli de gelegenheid te gevenom tegenbewijs te leveren. Daarmee worden belastingplichtigengeholpen om het geldende recht toe te passen. De uitkomst afwachtenzou ertoe leiden dat belastingplichtigen die al recht hebben op rechts-herstel hierop langer moeten wachten. Dit is vanuit burgerperspectiefonwenselijk. Bovendien zorgt dit voor een opeenhoping van dewerkvoorraad bij de Belastingdienst. Het klopt dat sprake is van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 73 aanvullende belasting van de uitvoering als de procedure «massaalbezwaar plus» wordt verloren, maar dit vormt geen aanleiding om deuitspraak af te wachten. Dit is eerder een reden om aan anderen die nietonder de procedure «massaal bezwaar plus» vallen reeds rechtsherstel tebieden.De arresten van de Hoge Raad staan niet in de weg aan een anderevormgeving van een toekomstig definitief stelsel op basis van werkelijkrendement. Het kabinet is het met verschillende experts eens dat hetwenselijk is om zo snel mogelijk een stelsel op basis van werkelijkrendement in te voeren door middel van het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3. In dat wetsvoorstel wordt op verschillende onderdelenafgeweken van de arresten van de Hoge Raad, zoals het wel mogelijkmaken van kostenaftrek en verliesverrekening. De beoogde inwerkingtre-dingsdatum is 1 januari 2028. Het kabinet is het met de heer Heithuis eensdat een vermogensbelasting geen alternatief vormt, zoals ook toegelichtin de kamerbrief van 28 februari 2025.1 Het is niet mogelijk om eenvermogensbelasting sneller in te voeren en voor een vermogensbelastingzijn niet significant minder gegevens nodig dan voor de uitvoering van deWet werkelijk rendement box 3. Daarnaast is een belangrijke overwegingdat een vermogensbelasting – in tegenstelling tot het belasten vanwerkelijk rendement – niet aansluit bij het draagkrachtbeginsel.De leden van de fractie van het CDA vragen te reageren op de stelling datde Hoge Raad de ongelijkheid uit het stelsel met zijn uitspraak niet wegneemt en dat dit ook weer aan de rechter zal worden voorgelegd. Zoals inde memorie van toelichting van het wetsvoorstel is toegelicht klopt hetdat het hanteren van forfaits in combinatie met tegenbewijs niet neutraaluitwerkt voor de lastendruk van mensen met verschillende vormen vanvermogen binnen box 3. De mate waarin mensen gebruik kunnen makenvan tegenbewijs is namelijk afhankelijk van de mate waarin het totalewerkelijke rendement (negatief) afwijkt van het gehanteerde forfait. DeHoge Raad heeft ook onderkend dat de tegenbewijsregeling kan leiden totovercompensatie, maar dit vormt voor de Hoge Raad geen aanleiding omanders te oordelen. De Hoge Raad heeft deze omstandigheid dusmeegewogen in zijn arresten. Het kabinet acht het niet denkbaar dat deHoge Raad zal oordelen dat zijn zelf geformuleerde compensatiemethodejuridisch niet houdbaar is.De leden van de fractie van het CDA vragen te reageren op de stelling dateen echte oplossing het invoeren van een vermogenswinstbelasting is.Zoals hierboven aangegeven werkt het kabinet aan het zo snel mogelijkinvoeren van een stelsel op basis van werkelijk rendement door middelvan het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. In verschillendekamerbrieven, debatten en schriftelijke overleggen voorafgaande aan datwetsvoorstel is uitvoering ingegaan op de voor- en nadelen van eenvermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting. Het kabinetheeft hier in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een balansin gevonden door beide systematieken te gebruiken voor die vermogens-bestanddelen waar deze het meest passend zijn.De leden van de fractie van het CDA vragen te reageren op de stelling datveel gegevens niet beschikbaar zullen zijn omdat belastingplichtigen ditzelf niet hoeven te administreren. Ook vragen de leden van de commissiehoe een belastingplichtige zijn werkelijk rendement aannemelijk kanmaken, in het bijzonder wanneer het gaat om jaren verder in het verleden,en hoe een belastingplichtige waardemutaties aannemelijk kan maken. DeHoge Raad heeft geoordeeld dat sprake is van een schending van het1Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 227.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 74 EVRM als het werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendementover het gehele box 3-vermogen. Een belastingplichtige die van mening isdat dit het geval is, dient aannemelijk te kunnen maken wat de omvang isvan het werkelijke rendement. De belastingplichtige mag met allemogelijke middelen het werkelijke rendement aannemelijk te maken. In deregel zullen jaaroverzichten van banken en financiële instellingen hiervoorbehulpzaam zijn. Belastingplichtigen worden zoveel mogelijk gefaciliteerddoor de Belastingdienst bij het opgeven van het werkelijke rendement. DeBelastingdienst voert regelmatig overleg met banken en verzekeraars overde tegenbewijsregeling om hen in staat te stellen hun achterban teinformeren. De uiteindelijke verantwoordelijkheid om gegevens teverzamelen om het werkelijke rendement te bepalen ligt echter bij debelastingplichtige.3. Inleiding en achtergrond De leden van de commissie vragen of de tegenbewijsregeling de enigeverdragsbestendige optie is om tegemoet te komen aan de door de HogeRaad geconstateerde verdragsrechtelijke tekortkomingen van hetforfaitaire stelsel. Deze leden vragen of hier verschil in zit voor de jaren inhet verleden en de toekomst, en of een andere systematiek is overwogen.De Hoge Raad heeft in zijn arresten duidelijk geoordeeld op welke wijze deverdragsschending moet worden weggenomen. De arresten zijn geldendrecht. Het is in ieder geval niet mogelijk om voor het lopende belas-tingjaar of de belastingjaren in het verleden (2017 t/m 2024) een andereregeling in te voeren die nadelig zou kunnen zijn voor belastingplichtigen.Daarom is het niet mogelijk om in plaats van de tegenbewijsregelingbijvoorbeeld het forfait voor overige bezittingen aan te passen met eenvoorzichtigheidsmarge. Dit zou veel eenvoudiger zijn, maar beleggers metverliezen zouden bij ieder positief forfait een nadeel hebben. Dit is naderbeschreven in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting. Voor jaren inde toekomst (2026 en verder) is een afwijkende vormgeving van het box3-stelsel in beginsel juridisch wel mogelijk. Het kabinet werkt aan het zosnel mogelijk invoeren van een stelsel op basis van werkelijk rendement.4. De voorgestelde aanpassingen De leden van de commissie vragen of de veronderstelling juist is dat deenige groep die niet voor rechtsherstel in aanmerking komt over de jaren2017 tot aan inwerkingtreding van het nieuwe stelsel, de groepniet-bezwaarmakers betreft. Niet-bezwaarmakers zijn belastingplichtigenvan wie de aanslag al onherroepelijk vaststond op 24 december 2021 (dedatum van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad). Het klopt datde niet-bezwaarmakers voor de op 24 december 2021 onherroepelijkvaststaande aanslagen niet in aanmerking komen voor rechtsherstel. Vooraanslagen die na het Kerstarrest onherroepelijk zijn geworden kunnen zijwel gebruik maken van de tegenbewijsregeling, mits zij tijdig een bezwaarof verzoek tot ambtshalve vermindering hebben gedaan of doen. Eenverzoek tot ambtshalve vermindering is tijdig wanneer het binnen vijf jaarna het einde van het betreffende belastingjaar is ingediend.De leden van de commissie vragen hoe groot de groepniet-bezwaarmakers is. Deze groep betreft circa 6,9 miljoen aanslagenover de jaren 2017–2020.De leden van de commissie vragen naar de stand van zaken bij deprocedure «massaal bezwaar plus». De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA en het CDA vragen wanneer een uitspraak wordtverwacht. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat op grond vanhuidige wet- en regelgeving aan niet-bezwaarmakers geen op rechts-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 75 herstel gerichte compensatie hoeft te worden verleend.2 In de procedure«massaal bezwaar plus» wordt deze vraag nogmaals aan de Hoge Raadvoorgelegd. In het kader van de procedure zijn vier zaken geselecteerd dieworden voorgelegd aan de rechter. De zaken liggen momenteel bijverschillende rechtbanken. Het is nog niet bekend wanneer een uitspraakvan de Hoge Raad te verwachten is, naar verwachting is dit niet op kortetermijn.De leden van de commissie vragen of niet-bezwaarmakers, indien zij gelijkkrijgen in de procedure «massaal bezwaar plus», nog de beschikkingkunnen krijgen over gegevens om hun werkelijke rendement te stellen. Deleden van de fractie van het NSC vragen of niet-bezwaarmakers in datgeval toegang krijgen tot de tegenbewijsregeling. Voor dit geval heeft hetkabinet in 2022 toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers, net als de huidigedoelgroep voor rechtsherstel, de kans zullen krijgen om tegenbewijs televeren. Daarvoor zal een vergelijkbare termijn worden geboden als debezwaarmakers gehad hebben om een verzoek tot ambtshalve vermin-dering te doen.3 Net als de huidige doelgroep voor rechtsherstel zullenniet-bezwaarmakers in dat geval zelf het werkelijke rendement moetenopgeven.De leden van de fracties van de SGP en GroenLinks-PvdA vragen wat debudgettaire gevolgen zijn wanneer de niet-bezwaarmakers in de massaal-bezwaarplusprocedure gelijk krijgen. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA vraagt of dit gedekt gaat worden binnen het domeinvermogen en winst. De kosten van het rechtsherstel voor de groepniet-bezwaarmakers naar aanleiding van het kerstarrest zijn in 2022geschat op € 4,1 miljard. Dat bedrag omvat nog niet de kosten van detegenbewijsregeling als gevolg van de juni-arresten van de Hoge Raad.Dat zou naar schatting nog € 2 miljard tot € 3 miljard extra kosten. Overde eventuele dekking zal worden besloten op het moment dat de dervingdaadwerkelijk optreedt. Het uitgangspunt in de begrotingsregels is dateen budgettaire derving in beginsel binnen hetzelfde domein wordtgedekt. Een berekening van de uitvoeringskosten is op dit moment nietbeschikbaar, maar duidelijk is dat de gevolgen voor de uitvoeringaanzienlijk zouden zijn.De leden van de commissie en de fractie van GroenLinks-PvdA vragennaar de consequenties voor de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienstals de niet-bezwaarmakers in de massaalbezwaarplusprocedure in hetgelijk worden gesteld. Tegelijk vragen de leden van de fractie van het NSChoe de Belastingdienst zich voorbereidt op een mogelijke piekbelasting,bijvoorbeeld wanneer veel belastingplichtigen zich alsnog melden na eengunstige uitspraak in de massaalbezwaarplusprocedure. De leden vanfractie van het NSC vragen of er voldoende capaciteit is om dezetoestroom te verwerken zonder vertraging of fouten en of er een «worstcase» scenario kan worden uitgewerkt. In de situatie datniet-bezwaarmakers vanwege de uitkomsten van de massaalbezwaarplus-procedure de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van de tegenbe-wijsregeling, dan zal dit voor de Belastingdienst binnen de hersteloperatietot aanvullende werkzaamheden leiden die niet in de uitvoeringstoets bijhet wetsvoorstel zijn meegewogen. Deze aanvullende werkzaamhedenzijn van invloed op de uitvoerbaarheid van de hersteloperatie door deBelastingdienst die moeten worden bepaald door een herijking van deuitvoeringstoets. Er is op dit moment door de Belastingdienst geen «worstcase»-scenario uitgewerkt omdat hiertoe op basis van de huidige standvan zaken geen aanleiding voor is.2HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:720.3Kamerstukken I 2022/23, 36 203, C.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 76 De leden van de commissie constateren dat met het wetsvoorstel zo nauwmogelijk getracht wordt aan te sluiten bij de arresten van de Hoge Raad.Deze leden vragen of de regering hierbij nog mogelijke juridischekwetsbaarheden of ruimte ziet om een zelfstandige afweging te makenover het volgen van deze arresten. Zoals hierboven weergegeven zijn dearresten van de Hoge Raad geldend recht, waarvan voor het verleden inieder geval niet ten nadele van belastingplichtigen kan wordenafgeweken. Het volgen van de arresten van de Hoge Raad acht het kabinetjuridisch het minst risicovol, omdat het kabinet verwacht dat de HogeRaad eventuele nieuwe zaken zal beoordelen met hetzelfde rechtskader.Ook de Afdeling merkt in haar advies op dat dat de wetgever maarbeperkte ruimte heeft om in aanvulling op de door de Hoge Raad gesteldevuistregels de bepaling van het werkelijke rendement vorm te geven. Bijde vormgeving van enkele gedetailleerde vraagstukken waar de HogeRaad geen expliciete uitspraak over heeft gedaan, probeert het kabinetpraktische regels voor te schrijven. Zoals het buiten toepassing laten vande schuldendrempel en de toepassing van het kasstelsel.De leden van de commissie vragen hoe de conflictgevoeligheid van dewaardebepaling van het eigen gebruik van onroerende zaken wordtingeschat. De leden van de fractie van de BBB vragen of dit niet tot veelwerk leidt. Deze leden en de leden van de fracties van de VVD en het CDAvragen waarom niet wordt gekozen voor een forfait voor het bepalen vanhet voordeel van eigen gebruik, zoals in het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3. De leden van de fractie van de VVD vragen of eenbelastingplichtige zonder nadere onderbouwing mag uitgaan van eeneconomische huurwaarde van 5,06% van de WOZ-waarde.De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het voordeel van eigen gebruik vaneen onroerende zaak in beginsel tot het huidige rendementsbegrip in box3 behoort, maar dat het aan de wetgever is om keuzes te maken over debepaling van de omvang van het voordeel. Een forfaitaire benaderingheeft daarbij inderdaad voordelen op het gebied van de eenvoud, schrijftook de Hoge Raad. Het kabinet vindt een forfait echter niet passend bijeen tegenbewijsregeling tegen een ander forfait. De hoofdregel in box 3blijft immers een forfaitair rendement. De bedoeling van de tegenbewijs-regeling is om aan te tonen dat het rendement in werkelijkheid afwijkt vandat forfaitaire rendement. Daarom wordt het voordeel van eigen gebruikin de tegenbewijsregeling vanaf 2026 gesteld op de werkelijke econo-mische huurwaarde. Een belastingplichtige kan dan alle feiten enomstandigheden aandragen waaruit bijvoorbeeld een heel lage econo-mische huurwaarde volgt. In dat geval kan het juist aantrekkelijk zijn omtegenbewijs te leveren. In die zin vindt het kabinet het aansluiten bij dewerkelijkheid minder conflictgevoelig dan een forfaitaire benadering,omdat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om zijn werkelijkesituatie mee te nemen. Het klopt echter dat het bepalen van de econo-mische huurwaarde in de praktijk ingewikkeld kan zijn. Uit onderzoek vanSEO volgt dat de economische huurwaarde gemiddeld 5,06% van deWOZ-waarde bedraagt. De belastingplichtige kan ook dit onderzoek vanSEO gebruiken als handvat voor de waardering van het eigen gebruik.De leden van de commissie vragen om een korte weergave van delopende cassatieprocedures box 3 en waarom het kabinet verwacht datdeze procedures geen impact hebben op het wetsvoorstel. Er lopen inieder geval nog drie procedures bij de Hoge Raad over de box 3-heffingvanaf 2017. Deze procedures gaan over de berekeningswijze van hetwerkelijk behaalde rendement voor het leveren van tegenbewijs. In éénvan de procedures is sprake van een opbrengst uit de verkoop van eentweede woning en is het werkelijk behaalde rendement waartoe dieverkoopopbrengst behoort, hoger dan het (herstel)wettelijke berekendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 77 box 3-inkomen. Naar het oordeel van het gerechtshof bestaat daaromgeen aanleiding voor een verdere vermindering van de belastingaanslag.De verwachting is dat de Hoge Raad – op een cassatieberoep van debelanghebbende – het oordeel van het gerechtshof in stand laat. In tweeandere procedures heeft het gerechtshof volgens het kabinet ten onrechtegeoordeeld dat tot het werkelijk behaalde rendement niet behoren deongerealiseerde vermogensmutaties (van een tweede woning respectie-velijk een baar goud). De Hoge Raad heeft in andere zaken reeds beslistdat die opvatting niet juist is. Het kabinet verwacht dat in deze twee zakende Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof, met een verwijzing naarde reeds gewezen jurisprudentie, niet in stand zal laten.De leden van de commissie vragen in welke gevallen de inspecteur zalovergaan tot betwisting van een gesteld lager werkelijk rendement enwanneer de belastingplichtige het werkelijke rendement voldoendeaannemelijk heeft gemaakt. Ook vraagt de commissie of door deBelastingdienst het uiteindelijke oordeel van de rechter zal wordengevraagd. Binnen de hersteloperatie zal het toezicht en handhaving doorde Belastingdienst op een reguliere wijze gaan plaatsvinden. Het toezichtvindt daarmee plaats door middel van een geautomatiseerde beoordelingvan het door de belastingplichtige ingediende werkelijk rendementwaarbij gebruik wordt gemaakt van zogenaamde uitworpredenen. Opbasis van de uitworpredenen kan de inspecteur aan belastingplichtigevragen om het lagere werkelijk rendement te onderbouwen waarbij debelastingplichtige de mogelijkheid krijgt het werkelijk rendement op basisvan documenten of gegevens aan te leveren. Voor zover de gegevensvoor de onderbouwing van het werkelijk rendement tussen de inspecteuren de belastingplichtige worden betwist, dan zal dit tot een uiteindelijkoordeel van de rechter kunnen leiden.De leden van de commissie vragen hoe groot de doelgroep is die door deBelastingdienst proactief wordt benaderd door middel van een informatie-brief voor de periode dat het formulier «opgaaf werkelijk rendement» noggeen onderdeel vormt van de aangifte inkomstenbelasting. Voor deverzending van brieven ten behoeve van de hersteloperatie gaat deBelastingdienst uit van de ingediende aangiften (of bezwaar- en verzoek-schriften). Hieronder is een overzicht opgenomen van het aantal brievendie de Belastingdienst voornemens is om in kalenderjaar 2025 te gaanversturen waarbij de belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden voorhet rechtsherstel.In kalenderjaar 2025 staan in totaal 3.487.000 brieven gepland omverzonden te worden:BelastingjaarAantallen brievenReden voor de verzending van de brief:IH2020214.000De belastingplichtige die nog geen bezwaarof verzoek heeft ingediend en waarbij demogelijkheid voor het indienen van eenverzoek om ambtshalve vermindering naafloop van kalenderjaar 2025 niet meermogelijk is. De belastingplichtige kan nogin kalenderjaar 2025 een formulierindienen.IH2021239.000Brieven waarbij aanslagen ter voorkomingvan verjaring definitief worden vastgesteld,zonder rekening te houden met werkelijkrendement. De belastingplichtige kan eenformulier indienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 78 BelastingjaarAantallen brievenReden voor de verzending van de brief:IH20221.780.000De belastingplichtige kan een formulierindienen op basis waarvan het werkelijkrendement kan worden vastgesteld. Voorhet aantal van 1.022.000 (van het totaleaantal vermelde) belastingplichtigen wordteen aanslag ter voorkoming van verjaringdefinitief vastgesteld, zonder rekening tehouden met werkelijk rendement.IH2023954.000De belastingplichtige kan een formulierindienen op basis waarvan het werkelijkrendement kan worden vastgesteld.IH2017–2022300.000Brieven verzonden aan belastingplichtigendie tijdig over één of meer belastingjareneen bezwaarschrift hebben ingediend. Debelastingplichtige kan het bezwaarschriftonderbouwen door een formulier in tedienen. Voor de bezwaren en verzoeken geldt dat de Belastingdienst voornemensis om de belastingplichtige één brief te sturen met betrekking tot allebelastingjaren waarvoor die belastingplichtige een bezwaar of verzoekheeft ingediend. Voor het opleggen van aanslagen gaat belastingplichtigedie in de doelgroep valt voor ieder belastingjaar een brief ontvangen.De leden van de commissie vragen of een termijn geldt waarbinnen hetformulier «opgaaf werkelijk rendement» moet worden ingediend, en aanwelke termijnen de Belastingdienst in dit verband is gebonden. De ledenvan de commissie vragen of een termijn geldt waarbinnen het formulier«opgaaf werkelijk rendement» moet worden ingediend, en aan welketermijnen de Belastingdienst in dit verband is gebonden. Zolang deaanslag nog niet is opgelegd is de termijn voor belastingplichtige zonderfiscaal dienstverlener 12 weken na de dagtekening van de attentiebrief.Voor een belastingplichtige waarvan de aangifte door een fiscaaldienstverlener is ingediend is deze termijn 26 weken. Na deze termijnwordt in beginsel een definitieve aanslag opgelegd op basis van hetforfaitaire stelsel. De Belastingdienst is gebonden aan de driejaarstermijnvoor het opleggen van een definitieve aanslag. De belastingplichtige heeftna het opleggen van een definitieve aanslag in ieder geval demogelijkheid om binnen zes weken na de dagtekening van de aanslagbezwaar te maken. Voor een bezwaarschrift is de beslistermijn zes weken.Deze termijn kan nog eenzijdig verdaagd worden met zes weken. Als determijn om bezwaar te maken is verstreken, is er nog de mogelijkheid omhet formulier «opgaaf werkelijk rendement» in te dienen binnen vijf jaarna het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekkingheeft. Aan een verzoek is een beslistermijn van acht weken verbonden.De leden van de commissie vragen het kabinet in te gaan op deopmerking van de Afdeling dat een proactieve houding vergt dat hetkabinet op voorhand de risico’s van termijnoverschrijdingen vanbeslistermijnen in kaart brengt en adequate maatregelen treft waarbij ookwordt verzocht om een inschatting te geven van de extra kosten die naaraanleiding van dwangsommen aan belastingplichtigen worden vergoed.De Belastingdienst houdt momenteel reeds ingediende en eventueel nogin te dienen bezwaarschriften tegen definitieve aanslagen (vanaf hetbelastingjaar 2017) aan totdat deze door de Belastingdienst kunnenworden verwerkt. De belastingplichtige die een bezwaarschrift heeftingediend ontvangt van de Belastingdienst een brief waarin wordtaangegeven dat de belastingplichtige het werkelijk rendement kanaangeven door het formulier «opgaaf werkelijk rendement» in te dienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 79 Het aanhouden van de bezwaarschriften betekent dat belastingplichtigenop dit moment geen uitspraak op hun bezwaarschrift krijgen. Daarmeewordt voorkomen dat deze bezwaarschriften nu worden afgewezen, enbelastingplichtigen individueel verder moeten procederen. Daarnaastworden door de Belastingdienst ook verzoekschriften aangehouden, tenzijer geen sprake is van een belang voor belastingplichtige en deze kunnenworden afgehandeld.Het aanhouden van de bezwaarschriften betekent dat de beslistermijn vande Algemene wet bestuursrecht overschreden wordt. Als een belangheb-bende om die reden de Belastingdienst in gebreke stelt, zal wel uitspraakop het bezwaarschrift worden gedaan ingeval het werkelijk rendementhoger is dan het box 3 inkomen dat is opgenomen in de definitieveaanslag inkomstenbelasting. Dit betekent dat het bezwaarschrift inbeginsel wordt afgewezen en de definitieve aanslag in stand blijft.Daartegen kan de belanghebbende vervolgens beroep instellen bij defiscale rechter.Om het risico op ingebrekestellingen te mitigeren en belastingplichtigente informeren over hun handelingsperspectief is vanaf oktober 2024 aanalle belastingplichtigen die in aanmerking komen voor rechtsherstel eeninformatiebrief gestuurd. In deze brief staat dat zij in aanmerking komenvoor herstel, dat zij nu nog niets hoeven te doen en dat zij bericht zullenontvangen wanneer zij een formulier kunnen indienen. Op de peildatum28 april 2025 zijn het aantal van 591 ingebrekestellingen door de Belas-tingdienst ontvangen. Wanneer niet tijdig een besluit wordt genomennaar aanleiding van een ingebrekestelling, kan de belastingplichtigeaanspraak maken op een bestuursrechtelijke dwangsom. Het kabinet kanop dit moment nog geen inschatting geven van de totale extra kosten dienaar aanleiding van dwangsommen die aan belastingplichtigen wordenvergoed of in de toekomst verschuldigd zal zijn. Door zo spoedig mogelijkte starten met de hersteloperatie op basis van de tegenbewijsregelingworden de risico’s van termijnoverschrijdingen en mogelijke extra kostenzoveel mogelijk beperkt.De leden van de commissie vragen of is overwogen om de bestuurlijkedwangsom uit te sluiten en/of om beslistermijnen te verlengen. Dezemaatregelen zijn overwogen maar vindt het kabinet niet gepast. DeBelastingdienst zet erop in om het opgeven van het werkelijke rendementzo goed mogelijk te ondersteunen en faciliteren. Met het formulier«opgaaf werkelijke rendement» worden de tegenbewijsgegevens door debelastingplichtige op een gestructureerde wijze aangeleverd bij deBelastingdienst. Hierdoor kan vervolgens op een geautomatiseerde wijzerechtsherstel worden geboden. Dat wil zeggen dat de behandeling enverwerking van ingediende formulieren wordt ondersteund met automati-sering en niet geheel handmatig plaatsvindt. Dit draagt bij aan eensnellere afhandeling. De dwangsomregeling is bedoeld om rechtsbe-scherming te bieden aan burgers. De Afdeling bestuursrechtspraak van deRaad van State heeft geoordeeld dat het buiten toepassing verklaren vande bestuurlijke dwangsom in theorie is toegestaan maar dat de rechter-lijke dwangsom niet buiten toepassing mag worden verklaard. Hetinperken van de dwangsomregeling voorkomt dus niet dat eventueleverzoeken om een dwangsom bij de rechter worden ingediend. Dezeverzoeken zouden niet alleen de rechterlijke macht, maar ook deuitvoering zwaar(der) belasten. De beslistermijnen dienen de rechtsbe-scherming van burgers. Het kabinet wil daarom niet aan deze termijnentornen en ziet daartoe ook geen voldoende rechtvaardiging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 710 5. Gevolgen voor het doenvermogen De leden van de commissie vragen of de berekende regeldrukkosten ook,conform het advies van het Adviescollege toetsing regeldruk, de kostenvoor het inschakelen van adviseurs omvatten en hoe groot die kosten zijn.De berekende regeldrukkosten van € 16,3 miljoen bevatten inderdaad ookde kosten voor het inschakelen van adviseurs. Deze zijn geschat op € 13,7miljoen.De leden van de commissie vragen het kabinet of zij zicht heeft op welkemanier (fiscaal) dienstverleners zich voorbereiden en of het kabinet metde dienstverleners hierover in gesprek is. Ook vragen de leden zich afwelke rol horizontaal toezicht convenanten hierbij spelen. In voorbe-reiding op het aan belastingplichtigen ter beschikking stellen van hetformulier «opgaaf werkelijk rendement» vindt er door de Belastingdienstregulier overleg plaats met vertegenwoordigers van koepel- en belangen-organisaties waaronder bijvoorbeeld (fiscaal) dienstverleners, banken enverzekeraars en de Consumentenbond. In deze overleggen komt ondermeer aan de orde op welke wijze de (fiscaal) dienstverleners zichvoorbereiden op het beschikbaar stellen van het formulier. Voor dezestakeholders zijn door de Belastingdienst ook gebruikersdagen georgani-seerd. Tijdens deze dagen is het formulier gepresenteerd en konden dedeelnemers het formulier in een testomgeving invullen. Als een aangifteinkomstenbelasting van een belastingplichtige onder horizontaal toezichtvalt, dan kan het formulier overeenkomstig de voorwaarden vanhorizontaal toezicht worden afgedaan.De leden van de commissie constateren dat op basis van hetgeen hieroveris opgenomen in de uitvoeringstoets dat leveranciers (waaronder bankenen verzekeraars) zich zorgen maken of zij de informatie die burgers vragenom het formulier «opgaaf werkelijk rendement» kunnen invullen wel aanhun klanten of aan de Belastingdienst kunnen leveren. Daarnaast vragende leden wat dit in concrete gevallen betekent voor het doenvermogenvan de belastingplichtige en voor de uitvoerbaarheid door de Belasting-dienst, en op welke wijze burgers de ontvangst van de benodigdeinformatie bij leveranciers kunnen afdwingen.De Belastingdienst heeft regulier overleg met de banken en verzekeraars,waaronder ook de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbondvan Verzekeraars, over de benodigde gegevens en informatie die klantenvan de banken en verzekeraars mogelijk nodig zullen gaan hebben omgebruik te maken van de tegenbewijsregeling. De zorgen van de bankenen verzekeraars richten zich met name op het feit dat zij op dit momentnog niet volledig op de hoogte zijn welke uitvraag zij van hun klantenkunnen verwachten en welke gegevens zij aan hun klanten kunnenverstrekken. Om deze zorgen zoveel mogelijk weg te nemen wordt doorde Belastingdienst het formulier met hen besproken en hebben dezepartijen de mogelijkheid om het formulier in de testfase op basis van(eigen) casusposities en met ondersteuning door medewerkers van deBelastingdienst in te vullen. Daarnaast worden ook de verschillendeverzendingen van informatie- en attentiebrieven (aantallen brieven en devoorgenomen verzenddatum) door de Belastingdienst aan belastingplich-tigen in het kader van de hersteloperatie met de banken en verzekeraarsbesproken zodat zij hierop kunnen anticiperen. In hoeverre klanten vanleveranciers waaronder banken en verzekeraars de benodigde informatievan deze leveranciers kunnen opvragen is afhankelijk van de overeen-komst tussen deze partijen waar de Belastingdienst geen inzicht in heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 711 6. Uitvoeringsaspecten De leden van de commissie vragen welke datum voor inwerkingtredingwordt nagestreefd. Welke consequenties bezien vanuit uitvoerbaarheid,budgettaire gevolgen en juridische risico’s heeft een latere inwerking-treding dan 1 juni 2025, zo vragen deze leden. Het wetsvoorstel voorziet ineen inwerkingtreding bij koninklijk besluit met terugwerkende kracht. DeBelastingdienst is voornemens om het formulier «opgaaf werkelijkrendement» vanaf juli 2025 open te stellen. De Belastingdienst is op basisvan de arresten van de Hoge Raad verplicht om belastingplichtigen degelegenheid te geven om hun werkelijk rendement aannemelijk te maken.Omdat het wetsvoorstel een codificatie is van de arresten van de HogeRaad zijn er geen budgettaire gevolgen bij een latere inwerkingtredingvan het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel biedt duidelijkheid over enkelemeer gedetailleerde vraagstukken voor het bepalen van het werkelijkerendement, waar de Hoge Raad zich niet expliciet over heeft uitgelaten.Deze regels bieden meer houvast voor belastingplichtigen en de Belas-tingdienst als deze een wettelijke basis hebben.De leden van de commissie vragen het kabinet om een nadere toelichtingte geven op het aantal fte dat benodigd is voor de jaren 2027 en verder, enop basis waarvan deze eerste inschatting is gemaakt. De benodigdecapaciteitsinzet die voor de behandeljaren vanaf 2027 in de uitvoerings-toets is opgenomen is indicatief omdat deze inschatting is gebaseerd opde manier waarop door de Belastingdienst op dit moment het werkprocesvoor de hersteloperatie wordt voorbereid. Het is de verwachting dat opbasis van ervaringsgegevens de werkprocessen binnen de hersteloperatiedoor de Belastingdienst op termijn zullen gaan veranderen of wordenaangepast, bijvoorbeeld door het opnemen van het formulier «opgaafwerkelijk rendement» in de aangifte inkomstenbelasting. Daarbij wordtdan ook nagegaan of deze werkprocessen kunnen worden vereenvoudigdof in hogere mate geautomatiseerd. Daarnaast kan de Belastingdienst nogniet voorzien in welke mate en in welke aantallen belastingplichtigen intoekomstige jaren gebruik zullen gaan of blijven maken van de tegenbe-wijsregeling. Dit hangt mede af van de toekomstige economische situatieen van de vermogensmix van belastingplichtige in box 3, oftewel deverdeling van het vermogen tussen verschillende vermogensbestand-delen in box 3.De leden van de commissie vragen in hoeverre de hoeveelheid en demate van complexiteit van de burgerreacties is meegenomen in het totaalaantal fte die Belastingdienst nodig zal hebben voor de hersteloperatie,aangezien in de uitvoeringstoets wordt aangegeven dat deze aspectenvooraf moeilijk in te schatten zijn. De hoeveelheid en de mate vancomplexiteit van de burgerreacties is op basis van expertschattingenbepaald en op basis hiervan in de uitvoeringstoets opgenomen. DeBelastingdienst houdt hierbij ook rekening met het intern opleiden vanmedewerkers voor het verrichten van werkzaamheden binnen dehersteloperatie.De leden van commissie vragen in hoeverre het benodigde aantal fte voorde hersteloperatie zich verhoudt tot de totale wervingsopgave van deBelastingdienst, en of deze wervingsopgaven elkaar in de weg staan. Hetbenodigde aantal fte voor de hersteloperatie maakt – samen met devervanging van het aantal fte vanwege uitstroom door pensionering –deel uit van de totale wervingsopgave. Beide wervingsopgaven staanelkaar daardoor niet in de weg maar er is wel sprake van een hoger aantalnieuwe medewerkers dat door de Belastingdienst zal moeten wordengeworven. Overigens biedt de werving van nieuwe medewerkers voor dehersteloperatie voor de Belastingdienst ook mogelijkheden om dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 712 medewerkers werkervaring in deze hersteloperatie te laten opdoen zodatzij ook kunnen worden ingezet bij de inwerkingtreding van het nieuwe box3 stelsel. De wervingsbehoefte voor het nieuwe box 3 stelsel wordtdaarmee gedeeltelijk ondervangen door de vroegtijdige werving vannieuwe medewerkers voor deze hersteloperatie.De leden van de commissie vragen of medewerkers die voor de herstel-operatie worden geworven voor bepaalde of onbepaalde tijd wordenaangenomen, dit ook in verband met de totale wervingsopgave van deBelastingdienst. De vacatures voor eigen medewerkers die willenmeewerken aan de hersteloperatie worden eerst interdepartementaalopengesteld. Als daar onvoldoende respons op komt, dan wordenvacatures extern opengesteld. Sollicitanten wordt dan een jaarcontractaangeboden met het doel om het jaarcontract na afloop om te zetten ineen contract voor onbepaalde tijd.De leden van de commissie vragen het kabinet om een inschatting temaken van het aantal benodigde medewerkers dat door de Belasting-dienst geworven kan worden. Het is op dit moment nog niet mogelijk eeninschatting te maken. De Belastingdienst werkt met een mee-ademsystematiek, waarbij de wervings- en opleidingscapaciteit wordt vergrootof verkleind in relatie tot de wervingsopgave. Dit geldt altijd met terugwer-kende kracht en daarmee met een gefaseerde aanpak. Daarnaast vraagteen grote werving het nodige van het absorptievermogen van deorganisatie en speelt ook het actuele aanbod op de arbeidsmarkt een rol.De leden van de commissie vragen het kabinet wat de consequenties zijnen welke keuzes het kabinet gaat maken als er door de Belastingdienstonvoldoende medewerkers kunnen worden geworven en wat dit betekentvoor het niveau van het toezicht en dienstverlening aan belastingplich-tigen. De leden van de fractie van de SGP constateren dat voor deuitvoering van het wetsvoorstel een groot aantal fte nodig is. De ledenvan deze fractie vragen het kabinet hoe groot het risico is dat er onvol-doende fte voorhanden is voor de uitvoering, welke (praktische) gevolgendit heeft voor de uitvoering en welke herprioriteringskeuzes er in dat gevalmoeten worden gemaakt. In de situatie dat de Belastingdienst op basisvan de totale wervingsopgave niet voldoende nieuwe medewerkers zalkunnen werven dan zal dit gevolgen hebben voor het verrichten van detaken door de Belastingdienst in het toezicht en handhaving binnen deverschillende belastingmiddelen en de dienstverlening aan belastingplich-tigen. Op dit moment kan door het kabinet nog geen reële inschattingworden gemaakt of deze situatie zich bij de Belastingdienst ook daadwer-kelijk gaat voordoen. Het kabinet is bereid om de Kamer over dezeeventueel te maken afwegingen te informeren.De leden van de commissie vragen of het kabinet een inschatting kanmaken van het deel van de ingediende aangiften inkomstenbelasting datniet tijdig, onjuist of onvolledig zal zijn als gevolg van de toegenomencomplexiteit en het beroep op het doenvermogen van belastingplichtigen,en welke maatregelen het kabinet neemt om dit aantal te beperken. DeBelastingdienst heeft op dit moment geen concrete ervaringsgegevensbeschikbaar om een reële inschatting te maken van het deel van deaangiften inkomstenbelasting dat op basis van de hersteloperatie niettijdig, onjuist of onvolledig door belastingplichtigen zal worden ingedienden is deze inschatting gebaseerd op een expertschatting. De Belasting-dienst zal een belastingplichtige zoveel als mogelijk proberen te onder-steunen bij het doen van een aangifte inkomstenbelasting. Dit gebeurtdoor middel van het verstrekken van informatie op de website van deBelastingdienst of op sociale media, de BelastingTelefoon (en deBelastingdienstbus). Ook kunnen belastingplichtigen voor hulp bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 713 doen van een aangifte een afspraak maken bij een Belastingdienstkantoorof een steunpunt van de Belastingdienst.De leden van de commissie vragen het kabinet of zij kan onderbouwen opbasis waarvan de inschatting van het lage scenario (2%) is gemaakt, enwat de gevolgen zijn in termen van capaciteit in fte en kosten alsonverhoopt het midden scenario (5%) werkelijkheid wordt. De leden vande fractie van het CDA lezen in de uitvoeringstoets dat verschillendeaannames zijn gedaan voor inschatting van de uitvoeringslast voorverzoek- en bezwaarschriften. Daar wordt alleen een schatting vanongestructureerd bezwaar, dus niet via het formulier «opgaaf werkelijkrendement», gegeven. Deze leden vragen op basis waarvan dezeaannames zijn gedaan, en hoe hoog de te verwachten aantallen zijn als deverzoek- en bezwaarschriften via het formulier worden meegenomen. Deinschatting van het lage scenario is gebaseerd op een expertschatting diemede op basis van andere, bestaande werkprocessen binnen de Belas-tingdienst tot stand is gekomen. Dit laat onverlet dat deze expertschattingtot stand is gekomen op basis van bestaande werkprocessen en dat erdaarmee een bepaalde mate van onzekerheid is over het aantal mogelijkereacties door belastingplichtigen bij de invoering van de tegenbewijsre-geling. Om hierop te kunnen anticiperen is door de Belastingdienst ookhet midden en hoge scenario in kaart gebracht maar vormen deze niet hetuitgangspunt in de uitvoeringstoets. De Belastingdienst kan op ditmoment nog geen goede inschatting maken in hoeverre belastingplich-tigen voor het onderbouwen van verzoek- en bezwaarschriften gebruik-maken van het formulier.De leden van de commissie en van de fractie van D66 vragen om nadertoe te lichten waarom het verplichten van het invullen van een formulierjuridisch kwetsbaar is, ook gegeven het feit dat bij andere regelingen welformulieren verplicht worden gesteld. De leden van de commissie vragenhoe de regering de juridische risico’s ten opzichte van de uitvoerbaarheidweegt, en of bijvoorbeeld is overwogen om het formulier in bepaaldegevallen wel en in bepaalde gevallen niet verplicht te stellen. De leden vande fractie van D66 vragen waarom is gekozen om het formulier nietverplicht te stellen. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen naarde juridische risico’s bij een verplichtstelling van het formulier. Deze ledenvragen of wellicht een tussenoplossing mogelijk is waarbij wel sprake isvan verplicht gebruik van het formulier, maar waarbij daarbovenop nogalle andere gronden mogen worden aangedragen.Het kabinet waardeert het meedenken met eventuele oplossingen om deuitvoering door de Belastingdienst te helpen. Vanaf het belastingjaar 2025wordt de mogelijkheid tot tegenbewijs opgenomen in het reguliereaangifteproces voor de inkomstenbelasting. De belastingplichtige is danverplicht de gevraagde gegevens in te vullen als hij in de aangifte gebruikwil maken van de tegenbewijsregeling. Voor eerdere jaren kan demogelijkheid tot tegenbewijs niet meer worden opgenomen in hetreguliere aangifteproces, omdat de aangiftecampagnes voor deze jaren alzijn geweest. Voor deze jaren kan de belastingplichtige het formulier«opgaaf werkelijk rendement» gebruiken. Belastingplichtigen hebben opbasis van geldend recht de mogelijkheid om in bezwaar of bij een verzoektot ambtshalve vermindering het werkelijke rendement op te geven. Eenbezwaar of verzoek tot ambtshalve vermindering is vormvrij. Het metterugwerkende kracht voorschrijven van een verplichte vorm acht hetkabinet niet mogelijk gelet op algemene rechtsbeginselen, waaronder hetrechtszekerheidsbeginsel. Een dergelijke wetsaanpassing ten nadele vanbelastingplichtigen zou kunnen leiden tot juridische procedures metuiteindelijk juist een grote belasting van de uitvoering tot gevolg. Hetverplicht stellen van het formulier en tegelijkertijd de mogelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 714 openhouden van een vormvrij bezwaar of bezoek levert eveneens geenvoordelen op voor de uitvoering. De Belastingdienst moet dan alsnogzowel het formulier als het vormvrije verzoek of bezwaar behandelen.De leden van de commissie en de leden van de fracties van de SGP enD66 vragen hoe wordt gestimuleerd dat zoveel mogelijk gebruik wordtgemaakt van het formulier. Het kabinet verwacht dat dit formulier heteenvoudiger maakt voor belastingplichtigen om het werkelijke rendementop te geven, waardoor zij het formulier willen gebruiken. Door gebruik temaken van het formulier weet de belastingplichtige zeker dat hij allerelevante gegevens opgeeft en hoeft hij belastingplichtige zelf minderberekeningen te maken om het werkelijke rendement te bepalen. Op basisvan de opgegeven feitelijke gegevens kan de Belastingdienst namelijkautomatisch het resulterende werkelijke rendement berekenen. Uitgebruikerstests is gebleken dat belastingplichtigen het doorgaans zeeringewikkeld vinden om deze berekeningen zelf te maken. Om belasting-plichtigen te attenderen op de mogelijkheid om tegenbewijs te leverenverstuurt de Belastingdienst brieven waarin gewezen wordt op hetformulier.De leden van de commissie vragen of de voorgenomen herijkingen navaststelling aan de Kamer worden verzonden. De herijkingen die zullengaan plaatsvinden naar aanleiding van de uitvoeringstoets van hetwetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3 worden na vaststelling vandeze herijkingen met de Kamer gedeeld.De leden van de commissie vragen het kabinet op welke wijze deherijkingen tot stand komen en welke aspecten hierin specifiek wordenmeegenomen. Daarnaast vragen de leden of bepaalde indicatoren in deperiode tot aan de eerste herijking en in de periode tussen de eerste entweede herijking zullen worden gemonitord. Het proces van een integrale(volledige) herijking van een uitvoeringstoets is vergelijkbaar met hetopstellen van een uitvoeringstoets bij een wetsvoorstel met dienverstande dat bij een integrale herijking zoveel als mogelijk gebruik wordtgemaakt van ervaringscijfers en andere gegevens of beschikbareinformatie om de inschattingen en conclusies die in de oorspronkelijkeuitvoeringstoets zijn opgenomen, te staven of dat de noodzaak bestaat omdeze aan te passen. Bij een integrale herijking wordt ook meer specifieknaar de inrichting van het werkproces bij de Belastingdienst gekeken en ofdeze overeenstemt met hetgeen de Belastingdienst bij het opstellen vande oorspronkelijke uitvoeringstoets voor ogen stond, ook is gerealiseerd.Daarnaast wordt bekeken op welke wijze het toezicht en handhaving doorde Belastingdienst is ingericht en of dit volstaat, in welke mate deverwachte reacties van belastingplichtigen (zoals binnenkomendegesprekken bij de BelastingTelefoon, sociale media verzoeken bijdienstverlening, het indienen van verzoek- of bezwaarschriften e.d.) zichook daadwerkelijk hebben voorgedaan, of er onvoorziene omstandig-heden of situaties zich voordoen waar bij de oorspronkelijke uitvoerings-toets geen rekening mee is gehouden, of de wervingsopgave is gereali-seerd en of er voldoende nieuwe medewerkers kunnen worden geworvenen ook voldoende kunnen worden ingewerkt, en of de ICT-aanpassingenvoldoende aansluiten bij het werkproces van de Belastingdienst. Invoorbereiding op en gedurende de periode voor de hersteloperatie wordtdoor de Belastingdienst een dashboard ontwikkeld en zijn ook anderemeetinstrumenten in voorbereiding of ontwikkeling die kunnen gaandienen ten behoeve van de controle op en het monitoren van werkpro-cessen van de hersteloperatie en die ook kunnen worden gebruikt bij deverschillende herijkingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 715 II. Vragen en opmerkingen namens de fracties 7. Inleiding De leden van de fractie van het CDA vragen onder verwijzing naar dewetsgeschiedenis in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad inhoudelijkjuist is met betrekking tot het uitsluiten van kostenaftrek en het totmeerekenen van huurinkomsten bij het vaststellen van het werkelijkerendement. De leden van de fractie van het NSC vragen of de uitsluitingvan kosten in overeenstemming is met het rendementsbegrip dat dewetgever voor ogen had bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel en ofnetto- of bruto-rendementen ten grondslag liggen aan het huidigeforfaitaire stelsel.De Hoge Raad heeft expliciet geoordeeld dat huurinkomsten onderdeelzijn van het werkelijke rendement.4 Daarnaast heeft de Hoge Raadexpliciet geoordeeld dat kosten niet aftrekbaar zijn.5 Hierbij wijst de HogeRaad erop dat de met ingang van 1 januari 2017 gehanteerde forfaitairepercentages zijn gebaseerd op marktgegevens, waarin geen rekeningwordt gehouden met de kosten van een individuele belegger. Dit oordeelheeft de Hoge Raad ook in opeenvolgende arresten bevestigd. Het is nietaan het kabinet om de inhoudelijke juistheid van arresten van de HogeRaad te beoordelen. De Hoge Raad is de hoogste nationale rechter inbelastingzaken en er bestaat geen mogelijkheid tot hoger beroep. Datneemt niet weg dat er, zoals hierboven aangegeven, juridische mogelijk-heden zijn om ten gunste van belastingplichtigen af te wijken van hetoordeel van de Hoge Raad. Dat heeft echter ook budgettaire gevolgen enuitvoeringsgevolgen.De leden van de fractie van het CDA en de BBB wijzen erop dat het kabinetvoor de Wet werkelijk rendement box 3 niet kiest voor een volledigevermogensaanwasbelasting, maar voor een vermogenswinstbelastingvoor onroerende zaken. Deze leden vragen waarom in het voorliggendewetsvoorstel wel wordt gekozen voor een volledige vermogensaanwasbe-lasting. Deze leden vragen of de wetgever niet zou moeten kiezen vooreen andere vormgeving van de tegenbewijsregeling die consistent is metde Wet werkelijk rendement box 3. De tegenbewijsregeling is bedoeld omde EVRM-schending van het huidige forfaitaire stelsel weg te nemen. DeHoge Raad heeft in dat kader – het wegnemen van de EVRM-schending –geoordeeld dat zowel gerealiseerde als ongerealiseerde waardemutatiestot het werkelijke rendement behoren. De tegenbewijsregeling kan voorbelastingplichtigen alleen voordelig zijn en niet resulteren in het betalenvan meer belasting vergeleken met de huidige forfaitaire systematiek.Belastingplichtigen met een hoger werkelijk rendement dan het forfaitairerendement worden nog steeds belast op basis van het forfaitairerendement. Het forfaitaire stelsel is gebaseerd op gemiddelde rende-menten inclusief vermogensaanwas. Als bij de tegenbewijsregelingwaardemutaties pas in aanmerking worden genomen bij realisatie danontstaat een onevenwichtig systeem omdat verkoopwinstenveelongelijkmatiger optreden (in jaren van verkoop) dan de jaarlijksevermogensaanwas waar het forfait op is gebaseerd. Dit betekent dat injaren van verkoop het forfait vrijwel altijd voordeliger zal zijn en belasting-plichtigen in die jaren dus geen tegenbewijs zullen leveren waardoor deverkoopwinst niet wordt belast. In jaren waarin geen verkoop plaatsvindten er daardoor geen vermogenswinst is, zullen de werkelijke inkomsten inde regel lager zijn dan het forfait dat is gebaseerd op de waardeontwik-4Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8.5Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 716 keling. In die jaren zullen belastingplichtigen dus kiezen voor de tegenbe-wijsregeling, waardoor in die jaren de waardeontwikkeling niet belastwordt.Bovendien kunnen de regels van de Wet werkelijk rendement box 3nadeliger zijn voor belastingplichtigen dan de regels van de Hoge Raadvoor de tegenbewijsregeling. Een vermogenswinstsystematiek zalbijvoorbeeld nadelig zijn als sprake is van ongerealiseerde waardeda-lingen van vermogensbestanddelen. Het is niet mogelijk om ten nadelevan belastingplichtige met terugwerkende kracht afwijkende regels voorde tegenbewijsregeling voor te schrijven. De definitie van werkelijkrendement van de Hoge Raad staat niet in de weg aan een anderevormgeving van een definitief stelsel op basis van werkelijk rendement.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe is getoetst of devoorgenomen tegenbewijsregeling EVRM-bestendig is. De Hoge Raadheeft in zijn arresten geoordeeld hoe de geconstateerde inbreuk op hetEVRM moet worden hersteld. Als sprake is van een werkelijk rendementdat lager is dan het forfaitaire rendement dan dient de compensatie alduste worden vastgesteld dat de desbetreffende belastingaanslag zo verwordt verminderd dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven overhet werkelijke rendement. Daarmee wordt volgens de Hoge Raad eenpassend en voldoende rechtsherstel geboden. De jurisprudentie van deHoge Raad wordt met dit wetsvoorstel gecodificeerd. Daarmee wordt metdit wetsvoorstel het box 3-stelsel in overeenstemming gebracht met debepalingen in het EVRM.8. Achtergrond De leden van de fractie van het NSC vragen of de regering erkent dat deuitvoering jarenlang ten koste is gegaan van grondrechten. Vanwege deeenvoud was het forfaitaire box 3-stelsel goed uitvoerbaar voor deBelastingdienst en deed het weinig beroep op het doenvermogen van debelastingplichtige. Voor de jaren vanaf 2017 heeft het forfaitaire stelsel inbepaalde situaties op stelselniveau tot schending van EVRM-rechtengeleid. Die schending wordt nu weggenomen doordat rechtsherstel wordtgeboden met de tegenbewijsregeling.9. De voorgestelde aanpassingen De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom in detegenbewijsregeling de mogelijkheid van kostenaftrek ontbreekt. Ook deleden van de fractie van BBB vragen hiernaar. De leden van de fracties vande ChristenUnie en de SGP vragen wat de uitvoeringsgevolgen enbudgettaire gevolgen zouden zijn van het toevoegen van kostenaftrek enof een forfaitaire kostenaftrek is overwogen. De leden van de fractie vanhet CDA vragen of het toevoegen van kostenaftrek juridische procedureskan voorkomen. De leden van de fractie van de BBB vragen of de regeringhet eens is dat een belasting op rendement zonder kostenaftrek nooit alsbelasting op werkelijk rendement kan worden aangemerkt, of de regeringhet eens is dat dit ongelijkheid creëert tussen beleggers in aandelen enbeleggers in vastgoed. Ook de leden van de fractie van de SGP vragenhiernaar.Zoals hierboven weergegeven is de tegenbewijsregeling bedoeld om deEVRM-schending van het huidige forfaitaire stelsel weg te nemen en kandeze alleen voordelig uitpakken voor belastingplichtigen ten opzichte vanhet huidige forfaitaire stelsel. De definitie van werkelijk rendement van deHoge Raad staat niet in de weg aan een andere vormgeving van eentoekomstig definitief stelsel op basis van werkelijk rendement. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 717 wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt kostenaftrek welgeïntroduceerd.In het kader van de tegenbewijsregeling heeft de Hoge Raad geoordeelddat kosten niet aftrekbaar zijn. De mate waarin het wel toestaan vankostenaftrek gunstig is voor belastingplichtigen, is afhankelijk van dedaadwerkelijk gemaakte kosten. Het maken van kosten is niet alleenvoorbehouden aan beleggers in onroerende zaken. Ook belastingplich-tigen met aandelen kunnen hoge kosten maken, bijvoorbeeld kosten voorhet beheer van beleggingsportefeuilles. Het is juridisch mogelijk om in hetwetsvoorstel regels op te nemen die afwijken van de Hoge Raad als dezeten gunste van belastingplichtigen zijn, zoals bijvoorbeeld het toevoegenvan de mogelijkheid tot kostenaftrek. Zoals aangegeven bij de kamerbriefvan 2 april 2025 zorgt toevoeging van kostenaftrek in 2026 en 2027 vooreen budgettaire derving van cumulatief € 1.135 miljoen die gedekt zoumoeten worden. Dit leidt niet alleen tot verdere vertraging van de Wetwerkelijk rendement box 3 maar ook van de toepassing van de tegenbe-wijsregeling door middel van het beschikbaar stellen van het formulier«opgaaf werkelijk rendement» omdat het formulier hierop aangepast zoumoeten worden. In dat geval ontstaat per jaar uitstel van de Wet werkelijkrendement box 3 een aanvullende derving van ongeveer € 1,7 miljardvanaf 2028. Daarom heeft het kabinet hier niet voor gekozen. Eenforfaitaire kostenaftrek kent daarnaast juridische risico’s omdat er sprakeis van een grote spreiding in daadwerkelijke kosten. Het introduceren vannieuwe forfaitaire elementen die onvoldoende aansluiten bij de werke-lijkheid is juridisch kwetsbaar. In de fiches bij de kamerbrief van 2 april2025 is dit verder toegelicht.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering bereidis de hoogte van de leegwaarderatio bij te stellen en wat hiervan degevolgen zijn. Het kabinet is op dit moment niet voornemens om deleegwaarderatiotabel te actualiseren. Zoals aangegeven bij de kamerbriefvan 2 april 2025 kan actualisering van de leegwaarderatiotabel zowel toteen verhoging als een verlaging leiden. De aanpassing van de leegwaar-deratiotabel per 1 januari 2023 maakt onderdeel uit van het NederlandseHerstel- en Veerkrachtplan. Het terugdraaien van HVP-maatregelengedurende de looptijd van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) is niettoegestaan. Een besluit voor 1 januari 2027 om de leegwaarderatiotabelaan te passen kan daarmee leiden tot een korting die kan oplopen tot€ 600 miljoen.10. Inleiding De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke elementen vande wet niet direct door de rechter zijn voorgeschreven. Sommigevraagstukken die een rol kunnen spelen bij het bepalen van het werkelijkerendement worden niet expliciet beantwoord in de arresten van de HogeRaad. Voor die gevallen worden nadere regels gegeven. Daarbij wordt alsuitgangspunt genomen dat de Hoge Raad heeft aangegeven dat zoveelmogelijk moet worden aangesloten bij het rendementsbegrip dat dewetgever bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel in box 3 voor ogenhad. Voorbeelden van nadere regels in het wetsvoorstel zijn het genie-tingstijdstip, regels voor de toepassing van de schuldendrempel,toepassing van vrijstellingen met een grens of drempel, waarderings-regels en regels over het voordeel van eigen gebruik van onroerendezaken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 718 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het mogelijk is deWet werkelijk rendement tegelijkertijd met deze nota naar aanleiding vanhet verslag naar uw Kamer te sturen. Het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 zal medio mei naar uw Kamer worden gestuurd.De leden van de fractie van de SGP vragen naar de aantallen belasting-plichtigen die in een laag en hoog scenario een ongestructureerd verzoek-of bezwaarschrift in zullen dienen, en of deze belastingplichtigen in dezesituatie geen gebruik maken van het formulier «opgaaf werkelijkrendement». In de uitvoeringstoets is uitgegaan van het lage scenariowaarbij 2% van het totale aantal belastingplichtigen met box 3 inkomenjaarlijks een ongestructureerd verzoek- of bezwaarschrift bij de Belasting-dienst indienen. In de uitvoeringstoets is uitgegaan van een totaal aantalbelastingplichtigen met box 3 inkomen van omstreeks 3,6 miljoen; 2%hiervan is een totaal aantal van 72.000. In het hoge scenario wordtuitgegaan van 10% van het totale aantal belastingplichtigen met box 3inkomen die jaarlijks een ongestructureerd verzoek- of bezwaarschrift bijde Belastingdienst indient: in totaal 360.000. In de uitvoeringstoets is nietuitgegaan van het hoge scenario. De belastingplichtigen die eenongestructureerd verzoek- of bezwaarschrift bij de Belastingdienstindienen zullen naar verwachting geen gebruik maken van het formuliermaar de Belastingdienst kan dit niet uitsluiten. Bijvoorbeeld, belasting-plichtigen kunnen naast het indienen van het formulier mogelijk ook eenbrief met (aanvullende) gegevens aan de Belastingdienst sturen wat hetverwerkingsproces vertraagt en op basis waarvan het risico oponbedoelde fouten of omissies bij de Belastingdienst zal toenemen.11. Doelgroep De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre hetscenario waarin niet-bezwaarmakers gelijk krijgen is meegenomen in deuitvoeringstoets en de budgettaire raming. Ook de leden van de fractievan het NSC vragen naar deze budgettaire gevolgen. De uitvoeringstoetsen de budgettaire raming zijn gebaseerd op de huidige situatie, hierin isgeen ander scenario meegenomen.De leden van de fractie van het NSC vragen of het gebruik van detegenbewijsregeling wordt gemonitord en of burgers met minder kennisdaardoor worden benadeeld. De Belastingdienst doet gebruikersonder-zoeken om in kaart te brengen hoe doenlijk de regeling voor burgers is.De leden van de fractie van BBB vragen of niet-bezwaarmakers zullenzorgen voor een stortvloed aan tegenbewijzen als de Hoge Raad beslistdat zij toch recht hebben op rechtsherstel, en hoe de regering dezemogelijkheid weegt. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen watde gevolgen in dat geval zijn. De leden van de fractie van de SGP vragenwat de juridische risico’s zijn door het niet meenemen vanniet-bezwaarmakers. De Hoge Raad heeft eerder in een arrest van 20 mei2022 geoordeeld dat aan de niet-bezwaarmakers geen op rechtsherstelgerichte compensatie hoeft te worden verleend. De kans dat de HogeRaad in de «massaal bezwaar plus-procedure» terugkomt op dit duidelijkeeerdere arrest acht het kabinet zeer klein. Mocht dit echter toch gebeuren,dan heeft het kabinet in 2022 toegezegd dat alle niet-bezwaarmakers dekans zullen krijgen om tegenbewijs te leveren. Dit zou inderdaad tot eengrote aanvullende hoeveelheid tegenbewijzen kunnen leiden.De leden van de fractie van BBB vragen of de regering de behandelingvan niet-bezwaarmakers onrechtvaardig vindt en of het niet beter is omop voorhand alle aanslagen die onder het rechtsherstel box 3 vallen tebetrekken bij de Wet tegenbewijsregeling box 3. Ik wil allereerst verduide-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 719 lijken dat de Wet tegenbewijsregeling box 3 in beginsel geldt voordezelfde doelgroep als de Wet rechtsherstel box 3. De «niet-bezwaarmakers» vallen op basis van het geldende recht niet onder dedoelgroep van de Wet rechtsherstel box 3. De Hoge Raad heeft in eenarrest van 20 mei 2022 geoordeeld dat daartoe voor de niet-bezwaar-makers geen juridische verplichting bestaat. Het nu alsnog juridischonverplicht toevoegen van de niet-bezwaarmakers aan de doelgroep vande Wet rechtsherstel box 3 en de Wet tegenbewijsregeling box 3 zou totgrote budgettaire gevolgen en uitvoeringsgevolgen leiden.De leden van de fractie van de BBB vragen naar de kritiek van het Registervan Belastingadviseurs, dat de Wet tegenbewijsregeling box 3 alleen geldtvoor belastingplichtigen die tijdig een verzoek amtbshalve verminderinghebben ingediend. Deze leden vragen naar een reactie ten aanzien van ditgeconstateerde procesrisico. De voorwaarde dat tijdig een verzoek totambtshalve vermindering wordt ingediend geldt in alle bestaandesituaties. Voor verzoeken tot ambtshalve vermindering geldt een termijnvan vijf jaar na het einde van het belastingjaar. Deze termijn voor deinkomstenbelasting is ruim in vergelijking met andere termijnen in hetbelastingrecht en het bestuursrecht. Naar de mening van het kabinethebben alle betrokken belastingplichtigen daarmee afdoende gelegenheidgehad om tijdig een verzoek in te dienen.De leden van de fractie van het CDA merken op dat niet-bezwaarmakersniet in aanmerking komen voor het eerste rechtsherstel en dus ook geengebruik kunnen maken van de tegenbewijsregeling. Deze leden vragen ofdit voor alle jaren van 2017–2022 geldt, of ook vanaf 2023. Met «niet-bezwaarmakers» wordt gedoeld op belastingplichtigen van wie deaanslag op 24 december 2021 (de datum van het Kerstarrest) onherroe-pelijk vaststond. Dit betreft aanslagen over de periode 2017–2020. Detegenbewijsregeling geldt voor de belastingjaren 2021 en verder inbeginsel voor alle belastingplichtigen met box 3-vermogen.De leden van de fractie van de SGP vragen wat de budgettaire gevolgenzouden zijn als ook de belastingplichtigen die wel onderdeel uitmaken vande doelgroep van de wet Rechtsherstel box 3, maar geen tijdig verzoek totambtshalve vermindering hebben gedaan voor de jaren 2017 tot en met2019, in aanmerking zouden komen voor de tegenbewijsregeling. Dehuidige inschatting is dat dit eenmalig ongeveer € 250 miljoen zou kosten.De leden van de fractie van de SGP vragen of de Hoge Raad op 6 juni 2024heeft geoordeeld dat het stelsel per 2017 in strijd was met het EVRM en ofop basis daarvan de doelgroep niet moet worden uitgebreid. De HogeRaad heeft al in het Kerstarrest van 24 december 2021 geoordeeld dat hetforfaitaire box 3-stelsel zoals dat gold vanaf 1 januari 2017 strijdigheid kanopleveren met het EVRM. Als de aanslag op 24 december 2021 echteronherroepelijk vaststond, kan deze niet ambtshalve verminderd worden.In een arrest van 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad bevestigd dat aan«niet-bezwaarmakers», belastingplichtigen van wie de aanslag op24 december 2021 al onherroepelijk vaststond, geen op rechtsherstelgerichte compensatie hoeft te worden verleend.De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat eind 2025 devijfjaarstermijn voor een verzoek tot ambtshalve vermindering van eenaanslag over het belastingjaar 2020 afloopt. Zij vragen hoe de positie vanbelastingplichtigen wordt verstevigd indien het nog lang duurt voordathet wetsvoorstel wordt aangenomen. De Belastingdienst is voornemensom het formulier «opgaaf werkelijk rendement» vanaf juli 2025 open testellen. De Belastingdienst is immers al op basis van de arresten van deHoge Raad verplicht om belastingplichtigen de gelegenheid te geven omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 720 hun werkelijk rendement op te geven. Daarmee hebben belastingplich-tigen met een aanslag over het belastingjaar 2020 voldoende tijd om hunwerkelijke rendement op te geven en ontvangen zij hierover nog een briefvan de Belastingdienst.12. Wet rechtsherstel box 3 en overbruggingsperiode De leden van de fractie van het NSC vragen hoe wordt geborgd datbelastingplichtigen goed worden geïnformeerd over de verschillendeberekeningswijzen en de mogelijkheid tot tegenbewijs. Deze leden vragenverder hoe wordt voorkomen dat er ongelijkheid ontstaat tussenbelastingplichtigen die het werkelijk rendement kunnen aantonen en zijdie dat niet kunnen. Dat er een verschil in belastingdruk ontstaat tussenbelastingplichtigen die gebruik kunnen maken van de tegenbewijsregelingen belastingplichtigen die dat niet kunnen is inherent aan de regeling. DeBelastingdienst zal belastingplichtigen zo goed mogelijk informeren overde mogelijkheid van tegenbewijs, bijvoorbeeld door het versturen vanbrieven en via informatie op de website. Belastingplichtigen kunnengebruikmaken van het formulier «opgaaf werkelijk rendement» om hunwerkelijk rendement op te geven. Belastingplichtigen die extra hulp nodighebben bij het invullen van het formulier kunnen ook persoonlijke hulpkrijgen van de Belastingdienst. Hiermee wordt het opgeven van hetwerkelijk rendement zo goed mogelijk ondersteund.De leden van de fractie van BBB vragen of het klopt dat een belegger invastgoed via een transparant vastgoedfonds geen kosten in aftrek magbrengen, terwijl een belegger in vastgoed via een beursgenoteerd bedrijffeitelijk slechts het nettoresultaat in box 3 opneemt, en hoe zich ditverhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. Op basis van geldend recht wordenbezittingen en schulden van een transparant fonds toegerekend aan departicipanten naar rato van ieders gerechtigheid. In box 3 geven departicipanten daarom de bezittingen en schulden uit het transparantefonds op naar rato van hun deelgerechtigdheid. Kosten die ten behoevevan die vermogensbestanddelen worden gemaakt zijn dan niet-aftrekbareeigen kosten van de participant. Voor beleggers in fiscaal niet-transpa-rante fondsen wordt het rendement bepaald aan de hand van dewaardeontwikkeling van de belegging en eventuele reguliere voordelen.Er is bij transparante fondsen en niet-transparante fondsen geen sprakevan gelijke gevallen. De keuze voor een van beide heeft altijd fiscalegevolgen.De leden van de fracties van de BBB en SGP vragen waarom verliesverre-kening niet mogelijk is in de tegenbewijsregeling. De leden van de fractievan de SGP vragen hoe dan wordt omgegaan met situaties waar sprake isvan een negatief rendement. Als sprake is van een negatief werkelijkrendement, dan wordt de box 3-belasting verminderd tot nihil. De HogeRaad heeft geoordeeld dat het werkelijke rendement per jaar moetworden bepaald en dat geen rekening wordt gehouden met positieve ofnegatieve rendementen in andere jaren. Dat sluit aan bij het stelsel vanforfaitaire heffing in box 3, waarin de belasting wordt geheven over hetforfaitair bepaalde rendement in het desbetreffende kalenderjaar, zonderrekening te houden met werkelijke rendementen in andere jaren enzonder de mogelijkheid van verrekening van verliezen over de jaargrensheen.De leden van de fracties van de BBB en ChristenUnie vragen naar devoorgenomen verhoging van het forfait voor overige bezittingen. Dezeleden vragen hoe deze verhoging rekenkundig tot stand is gekomen, of deverhoging hoofdzakelijk is gebaseerd op budgettaire motieven en waaromis gekozen de verhoging generiek toe te passen op alle overige bezit-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 721 tingen, hoe deze zich verhoudt tot het vereiste dat een forfaitair stelsel dewerkelijkheid moet benaderen en of dit rechtvaardig is. De voorgenomenverhoging van het forfait op overige bezittingen maakt geen onderdeel uitvan het voorliggende wetsvoorstel, maar zal worden opgenomen in hetBelastingplan 2026. Deze maatregel is aangekondigd in de kamerbrief van13 december 2024 om te zorgen voor dekking voor de budgettaire dervingals gevolg van het jaar uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 tot1 januari 2028. De maatregel dient daarmee inderdaad hoofdzakelijk eenbudgettair doel.Dat neemt niet weg dat het kabinet hecht aan inhoudelijke onderbouwingvan het forfait. In het huidige forfait is impliciet (en voorzichtigheidshalve)aangenomen dat de huizenprijsontwikkeling indicatief is voor het totalerendement van onroerende zaken in box 3 inclusief de inkomsten uit huuren voordelen als gevolg van eigen gebruik van die onroerende zaken.6Hiermee is echter sprake van een onderschatting van de rendementen oponroerende zaken. Daarom wordt voorgesteld om huurinkomsten envoordelen van eigen gebruik expliciet te incorporeren in de berekenings-methode van het forfait. Uit onderzoek van Stichting EconomischOnderzoek (SEO) blijkt dat de gemiddelde (bruto) economischehuurwaarde van box 3-woningen 5,06% van de WOZ-waarde bedraagt. Debrutohuurwaarde van het 10e percentiel is 3,35%, dat wil zeggen dat 90%van de woningen een hogere huurwaarde heeft. Voorgesteld wordt omdeze brutohuurwaarde van 3,35% toe te voegen aan de berekeningsme-thode van het forfait voor overige bezittingen, zodat deze rekening houdtmet zowel de huizenprijsontwikkeling als huurinkomsten en voordelen alsgevolg van eigen gebruik. Als gevolg van de aangepaste berekeningsme-thode stijgt het forfait voor overige bezittingen met 1,78%-punt.Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement kunnen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. De Hoge Raad heeft aangegeven datbij de tegenbewijsregeling sprake kan zijn van overcompensatie. Met deaanpassing van de berekeningsmethode van het forfait wordt dezeovercompensatie van de tegenbewijsregeling enigszins beperkt. Doordatbelastingplichtigen met lagere rendementen gebruik kunnen maken vande tegenbewijsregeling wordt de budgettaire opbrengst als gevolg van deaanpassing van het forfait opgebracht door belastingplichtigen methogere rendementen.De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet van mening isdat het fiscaal-juridisch een begaanbare weg is om de verhuurders vanvastgoed in box 3 eenmalig de mogelijkheid te geven om het verhuurdevastgoed zonder overdrachtsbelasting of tegen verlaagd tarief over tebrengen naar box 2. De leden van de fractie van de ChristenUnie vrageneveneens of dit is overwogen.Een dergelijke vrijstelling of verlaagd tarief is fiscaal juridisch niet bijvoorbaat onmogelijk maar wel onwenselijk en potentieel complex endaarmee naar de mening van het kabinet geen begaanbare weg. In deeerste plaats omdat in feite box hopping zou worden gefaciliteerd. Datvindt het kabinet een vorm van onwenselijk fiscaal beleid. Ten tweede zoueen dergelijke regeling ook gevoelig zijn voor andere vormen vanbelastingontwijking en structurering. Om dat te voorkomen zoudenbijzondere voorwaarden moeten gelden die de wetgeving fiscaal-juridischzeer complex maken. Ook dat acht het kabinet onwenselijk. Ten derde isde eerste inschatting dat hier sprake is van een risico op staatssteun.Mogelijk is een regeling die deze specifieke groep een fiscaal voordeelgeeft ongeoorloofd.6Bijlage bij Kamerstukken I 2015/16, 34 302, nr. A.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 722 Daarnaast vragen de leden van de fractie van de BBB en de ChristenUnieof een dergelijke regeling naar verwachting voor de Belastingdienstuitvoeringstechnisch haalbaar is. Ook vragen zij naar de budgettaireeffecten. Meer specifiek vragen zij of het kabinet een overzicht kan gevenvan de verwachte instroom van box 3 beleggers naar box 2, de derving inbox 3, en de budgettaire opbrengst voor de vpb/box 2.Een dergelijke regeling vergt in beginsel een wijziging in de aangiftesys-temen van de Belastingdienst en van het notariaat. Zo moet de notaris bijhet indienen van de aangifte expliciet de juiste vrijstelling selecteren enook bij de Belastingdienst moeten de systemen worden aangepast. Ditzou de complexiteit van de uitvoering voor beiden verhogen. Een regelingdie effect heeft op het belastingjaar 2026 is niet haalbaar. Een dergelijkeregeling is, rekening houdende met de benodigde tijd voor het realiserenvan de benodigde systeemaanpassingen, naar verwachting pas vanaf2027 uitvoerbaar voor de Belastingdienst en zou pas dan effect hebben(gelet op de waardepeildatum in box 3 van 1 januari). Dit terwijl in 2028het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement in gaat. Wat betreftde uitvoerbaarheid wordt aangenomen dat het notariaat, waarmee noggeen verkennende gesprekken zijn gevoerd over de introductie van eendergelijke maatregel, in staat is om gelijktijdig de benodigde aanpas-singen door te voeren in hun systemen.Een dergelijke faciliteit leidt tot een budgettaire derving omdat het aanbelastingplichtigen meer mogelijkheden biedt om hun belastingdruk teoptimaliseren. De exacte budgettaire gevolgen zijn afhankelijk van demaatvoering. Bij een vrijstelling in de overdrachtsbelasting zal naarverwachting een aanzienlijk bedrag aan box 3-woningen eenmalig wordenovergeheveld naar besloten vennootschappen. Van dit effect is een eersteinschatting gemaakt. De maatregel zorgt in 2027 naar schatting voor eeneenmalige budgettaire derving van € 1.623 miljoen. Deze derving is hetsaldo van € 2,3 miljard minder box 3-inkomsten en € 0,7 miljard extrainkomsten in de vennootschapsbelasting. In latere jaren staan daarbeperkte opbrengsten tegenover wanneer dividend uit box 2 wordtuitgekeerd. Deze raming betreft nadrukkelijk een eerste inschatting enkent een hoge mate van onzekerheid, omdat onzeker is in welke matebelastingplichtigen van de faciliteit gebruik zullen maken.Tabel 1: budgettaire effecten eenmalige vrijstelling overdrachtsbelastingIn miljoeneneuro’s(– is saldoverbe-terend)202520262027202820292030Vrijstellenoverdrachtwoning box 3naar box 2 in202600– 1.623868686 13. Uitgangspunten Hoge Raad De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinetuitvoeringsproblemen voorziet bij het maken van het onderscheid tusseninvesteringen en kosten van onderhoud. Deze leden vragen hoe ditonderscheid wordt gemaakt, en of bijvoorbeeld het plaatsen van nieuwekozijnen of kozijnen met HR++-glas onder onderhoud of onder investe-ringen valt. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen naar ditonderscheid en vragen of schilderkosten niet ook investeringskostenzouden kunnen zijn. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor deafbakening tussen onderhoud en investeringen moet worden aangeslotenbij de jurisprudentie van de Hoge Raad over de monumentenaftrek, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 723 deze gold tot 2019. Dit is dus in beginsel een bekend begrippenkader.Kosten voor werkzaamheden aan een onroerende zaak zijn aan te merkenals kosten van onderhoud, voor zover die werkzaamheden ertoe strekkende zaak zoals die bij aanvang van de werkzaamheden bestond, inbruikbare staat te herstellen of te houden. Dit zal bij schilderkostennormaal gesproken het geval zijn. In gevallen waarin bij verbouwings-werkzaamheden aan een pand zowel herstel als vernieuwing plaatsvindt,moet in de regel een splitsing worden gemaakt tussen onderhoud enverbetering. Bij het vervangen van glas door nieuwe, beter isolerend glaszal in de regel zowel sprake zijn van onderhoud als verbetering.De leden van de fractie van het CDA vragen in hoeverre de waarderings-regels praktisch mogelijk en doenlijk zijn voor belastingplichtigen. Voor dewaardering van vermogensbestanddelen worden de huidige wettelijkewaarderingsregels in box 3 gebruikt. Als hoofdregel geldt daarbij datvermogensbestanddelen worden gewaardeerd op de waarde in heteconomische verkeer. Dit is naar verwachting herkenbaar en goedtoepasbaar voor belastingplichtigen. Voor de tegenbewijsregeling is debeginwaarde op 1 januari van het jaar dan namelijk dezelfde waarde die alvoor box 3 in de aangifte is opgegeven.De leden van de fractie van de SGP merken op dat voor de bepaling vanhet werkelijk rendement van een woning de WOZ-waarde wordt gebruikten vragen hoe dat in de praktijk werkt bij aan- of verkoop van een woninggedurende het jaar. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij aan- ofverkoop van een woning de waardeontwikkeling tijdsevenredig wordtbepaald. Dit wordt toegelicht met onderstaand voorbeeld. In de artikelsge-wijze toelichting zijn enkele aanvullende voorbeelden opgenomen.VoorbeeldDe WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2024 van een woning is € 300.000.De woning wordt verkocht en op 1 november 2024 wordt de woninggeleverd aan de koper. De WOZ-waarde van deze woning voor hetkalenderjaar 2025 is € 320.000. 1 november is de 305e dag van het jaar.305/366e deel van de waardeontwikkeling van € 20.000 wordt toegerekendaan de verkoper. De verkoper heeft dan een waardeontwikkeling van€ 16.667. Het restant van de waardeontwikkeling, € 3.333, wordttoegerekend aan de koper.De leden van de fractie van de SGP geven aan dat vermogen in onroe-rende zaken niet liquide is. Deze leden vragen of hierbij financiëleproblemen worden verwacht en of het bezit van tweede woningenhiermee niet ontmoedigd wordt. Deze leden vragen voorts hoe rekening isgehouden met de gevolgen voor de woningmarkt, in het bijzonderparticuliere verhuurders. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdAvragen in hoeverre in het forfaitaire stelsel de afgelopen jaren sprake wasvan liquiditeitsproblemen en of de huidige betalingsregeling voldoen omliquiditeitsproblemen te voorkomen.Op grond van het wetsvoorstel wordt het huidige forfaitaire stelsel nietaangepast. De tegenbewijsregeling kan alleen maar positief uitpakkenvoor belastingplichtigen ten opzichte van het forfaitaire stelsel. Bezittersvan tweede woningen of particuliere verhuurders kennen dus in iedergeval geen stijging van de belastingdruk als gevolg van dit wetsvoorstel.Bij de kamerbrief van 29 september 2022 is een onderzoek naar liquidi-teitsproblemen bij belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbe-standdelen in box 3 naar uw Kamer gestuurd. De conclusie van ditonderzoek is dat het overgrote deel van de belastingplichtigen metniet-liquide vermogensbestanddelen door het huidige box 3-stelsel nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 724 geconfronteerd wordt met betalingsproblemen. Bovendien bieden dehuidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen metbetalingsproblemen een uitkomst. Zij kunnen hun openstaande belasting-schuld alsnog voldoen. Dit onderzoek was gebaseerd op gegevens vanbelastingjaren 2017 en 2018. Recent heb ik dit onderzoek laten actuali-seren met gegevens van belastingjaren 2019 tot en met 2022. Die jarenlieten vergelijkbare resultaten zien.De leden van de fractie van de SGP vragen om inzichtelijk te maken watde verschuldigde belasting is bij een tweede woning met eenWOZ-waarde van 400.000 euro, die jaarlijks 20.000 euro in waarde stijgt,en waarbij er geen sprake is van andere beleggingen.Dit is hierna uitgewerkt. Hierbij is uitgegaan van het belastingjaar 2025 enis aangenomen dat er geen ander box 3-vermogen is.Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 57.684, wordt het forfaitvan 5,88% voor overige bezittingen toegepast. Dit resulteert in eenforfaitair box 3-inkomen van € 20.128. Als de woning niet wordt verhuurd,bedraagt het werkelijke rendement de waardestijging van € 20.000.Omdat dit lager is dan het forfaitaire rendement, zal worden aangeslotenbij het werkelijke rendement. Hierover wordt 36% belasting geheven. Deheffing in box 3 bedraagt dan € 7.200.14. Verdere invulling begrip werkelijk rendement De leden van de fractie van de VVD vragen naar de term «aangeganeschulden», die in de wettekst wordt gebruikt voor de negatieve regulierevoordelen. Dit suggereert dat rente over andere dan «aangeganeschulden» geen negatief regulier voordeel zou zijn, zo merken deze ledenop. Met de bewoording «aangegane schulden» wordt geen beperkingbeoogd. De door de belastingplichtige verschuldigde rente ter zake vanalle box 3-schulden kan als negatief regulier voordeel in aanmerkingworden genomen.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom boeterente niet onderde negatieve reguliere voordelen valt. Boeterente is de vergoeding dieeen geldverstrekker in rekening brengt vanwege het renteverlies dat hijlijdt over de nog resterende rentevastperiode bij het al dan niet gedeel-telijk aflossen, wijzigen of oversluiten van een schuld. Dergelijke vergoe-dingen zijn kosten van de schuldenaar.De leden van de fractie van de VVD vragen of meegekochte rente bijaanschaf van een obligatie wordt beschouwd als negatief reguliervoordeel of als niet-aftrekbare kosten. Alleen de in het belastingjaarontvangen rente vormt een regulier voordeel. De behandeling vanmeegekochte rente wordt geïllustreerd aan de hand van onderstaandvoorbeeld.Belastingplichtige koopt op 1 november 2024 een obligatie met nominalewaarde € 100.000 en aangegroeide rente van € 5.500 voor € 105.500. Derente is 6% en wordt jaarlijks uitgekeerd op 1 december. Op 1 december2024 wordt dus € 6.000 uitgekeerd. Er is sprake van een regulier voordeelvan € 6.000. De aankoopwaarde op 1 november 2024 is € 105.500 eneindwaarde op 31 december 2024 is de nominale waarde van € 100.000,een verschil van € – 5.500. Per saldo is sprake van een werkelijkrendement van € -5.500 + € 6.000 = € 500.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 725 De leden van de fractie van de SGP vragen of de lopende cassatieproce-dures nieuwe zienswijzen en/of mogelijke aanpassingen van hetwetsvoorstel hebben opgeleverd. Tijdens de totstandkoming van hetwetsvoorstel zijn er arresten van de Hoge Raad gewezen. De zienswijzevan de Hoge Raad is meegenomen in het wetsvoorstel. Een voorbeeldhiervan is hoe omgegaan moet worden met verbouwingen en metwaardering van een woning bij aan- en verkoop. De op dit momentlopende cassatieprocedures bevatten geen elementen waar de Hoge Raadzich niet eerder over heeft uitgelaten.15. Bepalen vermogensaanwas De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er juridischeruimte is om het voordeel van eigen gebruik van een onroerende zaakvoor de jaren 2017–2025 op meer dan nihil te stellen. Deze leden vragenvoorts wat hiervan de budgettaire opbrengst zou zijn. De Hoge Raad heeftgeoordeeld het voordeel van eigen gebruik van een onroerende zaak inbeginsel tot het huidige rendementsbegrip in box 3 behoort, maar dat hetaan de wetgever is om keuzes te maken over de bepaling van de omvangvan het voordeel. Bij het ontbreken van een wettelijke regeling heeft deHoge Raad bepaald dat het voordeel voor de vaststelling van hetwerkelijke rendement op nihil moet worden gesteld. Dit oordeel van deHoge Raad is geldend recht. Het is niet mogelijk om voor de jaren2017–2025 het voordeel hoger dan nihil vast te stellen omdat dat eenaanpassing ten nadele van belastingplichtigen met terugwerkende krachtzou zijn. Omdat dit juridisch niet mogelijk is, is het ook niet mogelijkhiervoor een budgettaire opbrengst te ramen.De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het aantal punten in hetwoningwaarderingsstelsel bindend is voor het bepalen van de econo-mische huurwaarde of hebben belastingplichtigen vrijheid om met eeneigen berekening te komen. Het woningwaarderingsstelsel is slechtsbedoeld als voorbeeld van een handvat dat belastingplichtigen kunnengebruiken. Een belastingplichtige mag alle relevante feiten en omstandig-heden gebruiken bij het bepalen van de economische huurwaarde.De leden van de fractie van de VVD hebben bij een vijftal praktijkvoor-beelden gevraagd hoe de economische huurwaarde moet wordenbepaald. Ook de leden van de fractie van het CDA vragen hiernaar. Devoorbeelden zijn hieronder integraal opgenomen en van een reactievoorzien.Voorbeeld 1: seizoensgebonden verhuurEen belastingplichtige bezit een vakantiewoning, welke de facto alleen inhet hoogseizoen verhuurd kan worden en voor de rest van het jaar nietgeschikt is voor verhuur. Welke economische huurwaarde geldt dan voorde periode dat de woning niet verhuurd kan worden?De economische huurwaarde is de huurprijs die bij verhuur ondernormale omstandigheden bedongen kan worden. Dit kan worden bepaalddoor de woning te vergelijken met onder normale omstandighedenverhuurde vergelijkbare woningen. Het feitelijke eigen gebruik is daarbijniet bepalend.Dat een vakantiewoning op een vakantiepark alleen in het hoogseizoenverhuurd kan worden, betekent niet dat de vakantiewoning op de anderedagen niet voor eigen gebruik ter beschikking staat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 726 Voorbeeld 2: in tijd beperkte mogelijke verhuurIn verschillende gemeentes geldt een beperking in het aantal dagen dateen woning verhuurd mag worden. Doel is te voorkomen dat de woningonttrokken wordt aan het woningaanbod voor permanente bewoning.Welke economische huurwaarde geldt voor een woning die door degemeente wettelijk in duur beperkt is voor wat betreft het aantal dagendat de woning verhuurd mag worden?De economische huurwaarde is de huurprijs die bij verhuur ondernormale omstandigheden bedongen kan worden. Dit kan worden bepaalddoor de woning te vergelijken met onder normale omstandighedenverhuurde vergelijkbare woningen. Het feitelijke eigen gebruik is daarbijniet bepalend.Dat een gemeente een beperking heeft gesteld in het aantal dagen dat eenwoning mag worden verhuurd, betekent niet dat woning op de anderedagen niet voor eigen gebruik ter beschikking staat.Voorbeeld 3: onroerende zaken en afspraken in het kader vanechtscheidingIndien een belastingplichtige in het kader van een echtscheiding afsprakenheeft gemaakt met diens gewezen partner, op grond waarvan de gewezenpartner gebruik mag blijven maken van het aandeel van de belasting-plichtige in diens voormalige eigen woning, geldt op grond van artikel3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 een overgangsregeling waardoor debelastingplichtige diens aandeel in de woning nog gedurende een periodevan twee jaar als eigen woning mag kwalificeren. Na verloop van die tweejaren, verhuist het aandeel van de belastingplichtige in de woning naarbox 3. Veelal is in het echtscheidingsconvenant een vergoeding voor hetaandeel in de woning van de belastingplichtige vastgelegd die door degewezen partner aan de belastingplichtige moet worden betaald. Dezevergoeding is in de regel (veel) lager dan die van onder normale omstan-digheden verhuurde vergelijkbare woningen. Vaak wordt namelijkaangesloten bij het eigenwoningforfait van artikel 3.112, van de Wet IB2001 over dat deel van de woning. Welke economische huurwaarde geldtdan voor de periode dat de woning ter beschikking staat aan de gewezenpartner van de belastingplichtige en de overgangsregeling van artikel3.111, vierde lid, van de Wet IB 2001 niet meer van toepassing is?In de geschetste casus krijgt een belastingplichtige van de ex-partner eenvergoeding voor het gebruik van (zijn aandeel in) de woning. De woningbehoort voor de belastingplichtige tot box 3. In deze situatie staat dewoning belastingplichtige niet voor eigen gebruik ter beschikkingwaardoor geen economische huurwaarde hoeft te worden berekend. Degebruiksvergoeding vormt onder dit wetsvoorstel voor belastingplichtigewerkelijk rendement in box 3. Deze moet in de gegeven omstandighedenzakelijk zijn.Voorbeeld 4: onroerende zaken in een onverdeelde boedel na eenoverlijdenEen belastingplichtige erft samen met anderen een onverdeeld aandeel ineen woning. Deze woning staat dan niet ter beschikking van de belasting-plichtige. Er zijn immers ook andere erfgenamen die een onverdeeldaandeel hebben in de woning. Ook zal een woning veelal niet (direct)geschikt zijn voor verhuur. Welke economische huurwaarde geldt danvoor het onverdeelde aandeel in de woning? En wat als de woningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 727 onbruikbaar is anders dan door brand of verbouwing, maar bijvoorbeelddoor achterstallig onderhoud?De economische huurwaarde is de huurprijs die bij verhuur ondernormale omstandigheden bedongen kan worden. Dit kan worden bepaalddoor de woning te vergelijken met onder normale omstandighedenverhuurde vergelijkbare woningen.De woning moet belastingplichtige voor eigen gebruik ter beschikkingstaan. Het feitelijke eigen gebruik is daarbij niet bepalend. Dat geldt ookvoor erfgenamen die een aandeel in een onverdeelde boedel hebben, metdaarin een woning. Dat betekent in beginsel dat de woning voor elk vande erfgenamen voor hun erfdeel voor eigen gebruik ter beschikking staat.Als de woning onbruikbaar is door achterstallig onderhoud, geldt net alsbij een onbruikbare woning door brand of verbouwing dat de woning nietvoor eigen gebruik ter beschikking staat.Voorbeeld 5: mede-eigendom van een vakantiewoningEen belastingplichtige is (mede-)eigenaar is van een vakantiewoning opeen vakantiepark, welke woning door het park deels verhuurd wordt aanniet eigenaren en voor een vaste periode per jaar ter beschikking staat aanbelastingplichtige en andere eigenaren. Welke economische huurwaardegeldt dan voor belastingplichtige voor de periode dat de woning nietverhuurd is en tevens niet gebruikt kan worden door belastingplichtige?De economische huurwaarde is de huurprijs die bij verhuur ondernormale omstandigheden bedongen kan worden. Dit kan worden bepaalddoor de woning te vergelijken met onder normale omstandighedenverhuurde vergelijkbare woningen. De woning moet belastingplichtigevoor eigen gebruik ter beschikking staan. Het feitelijke eigen gebruik isdaarbij niet bepalend. Dat betekent dat de vakantiewoning de (gehele)dagen dat geen sprake is van verhuur in beginsel voor eigen gebruik terbeschikking staat.Wanneer op grond van contractuele afspraken de woning door belasting-plichtige niet kan worden gebruikt staat deze belastingplichtige inbeginsel niet voor eigen gebruik ter beschikking. De precieze fiscalegevolgen van dergelijke overeenkomsten zijn echter afhankelijk van despecifieke feiten en omstandigheden. Het is aan belastingplichtige om ditaannemelijk te maken.De leden van de fractie van de VVD vragen welke onroerende zaken onderde reikwijdte vallen van de artikelen 5.27, eerste lid, onderdeel i, en artikel5.27a, eerste lid, zoals deze gaan luiden vanaf 2026. Dit betreft de artikelenvoor het voordeel uit eigen gebruik van onroerende zaken. Onderonroerende zaken worden verstaan woningen en niet-woningen. Gedachtkan bijvoorbeeld worden aan een vakantiewoning, garage, stuk grond ofeen kantoorpand. Onroerende zaken die op grond van de rangordere-geling in box 1 vallen (eigen woning) en onroerende zaken die tot eenondernemingsvermogen behoren, vallen niet in box 3. Het voordeel uithet voor eigen gebruik ter beschikking staan van een onroerende zaak ofeen deel daarvan, moet per (deel van de) onroerende zaak dat voor eigengebruik ter beschikking staat worden bepaald. Het voordeel uit het vooreigen gebruik ter beschikking staan kan van toepassing zijn op meerdereonroerende zaken van belastingplichtigen onderscheidenlijk meerderedelen van de onroerende zaak of zaken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 728 De leden van de fractie van de VVD vragen of de stijging van de actuelemarktrente de waarde in het economische verkeer van een vordering metvaste rente doet dalen, en of de daling van de actuele marktrente dewaarde in het economische verkeer van een schuld doet stijgen. Vorde-ringen en schulden worden gewaardeerd op de waarde in het econo-mische verkeer. De marktrente kan van invloed zijn op de waarde in heteconomische verkeer van vorderingen en schulden. De waardering vanvorderingen en schulden in het onderhavige wetsvoorstel is gelijk aan dehuidige wettelijke waarderingsregels in box 3. Belastingplichtigengebruiken deze dus al bij het doen van aangifte in box 3.De leden van de fractie van de VVD vragen naar het bepalen vanvalutaresultaten. De leden van de fractie van de VVD vragen of deregering bereid is toe te zeggen dat het werkelijk rendement kan wordengebaseerd op de gemiddelde jaarkoers. Ook de leden van de fractie vanhet CDA vragen hiernaar. In het kader van het aansluiten bij werkelijkrendement vindt het kabinet het wenselijk dat belastingplichtigen dedaadwerkelijke dagkoersen kunnen gebruiken, omdat daarmee het meestzuiver het werkelijke rendement wordt bepaald. Belastingplichtigenkunnen hier juist voordeel bij hebben om valutaverliezen op te geven. Uitpraktische overwegingen wordt toegestaan om in plaats van de dagkoerste rekenen met de gemiddelde maandkoers.De leden van de fractie van het NSC vragen op welke manier belasting-plichtigen fouten in het systeem van het formulier «opgaaf werkelijkrendement» kunnen herkennen en corrigeren. Daarbij vragen de leden ofde uitkomst van de berekening in het formulier transparant wordt getoondzodat zij kunnen nagaan of het systeem hun gegevens correct heeftverwerkt en wat zij kunnen doen als er iets misgaat. Na het openstellenvan het formulier zal door de Belastingdienst gedurende enkele maandeneerst worden getest of de systemen op een juiste manier zijn ingericht enwerken. Om deze reden wordt door de Belastingdienst bij het openstellenvan het formulier zoals gepland vanaf medio juli van dit jaar pas vanafnovember begonnen met het vaststellen van de verminderingsbeschik-kingen en het opleggen van definitieve aanslagen aan belastingplichtigen.In het formulier wordt niet voorzien in een volledige onderbouwing vande berekening en het formulier heeft geen zogenaamde uitklapvelden inde rekenmodule. De reden hiervoor is de urgentie waarmee het formuliertot stand is gekomen en de beschikbare ICT-capaciteit binnen de Belas-tingdienst. In hoeverre externe softwareleveranciers hierin gaan voorzienis op dit moment nog niet bekend. Mocht naar de opvatting van belasting-plichtige de definitieve aanslag of de verminderingsbeschikking – die opbasis van een ingediend formulier is berekend – op een onjuist belastbaarbedrag is vastgesteld, dan kan hiertegen door belastingplichtige tijdig eenbezwaarschrift worden ingediend. Daarnaast bestaat de mogelijkheid voorbelastingplichtige om een verzoek tot ambtshalve vermindering in tedienen binnen de daarvoor geldende termijn van 5 jaar na afloop van hetbelastingjaar.De leden van de fractie van het CDA vragen of gegevens die wordenuitgevraagd in het formulier «opgaaf werkelijk rendement» niet verge-lijkbaar zijn met de benodigde informatie die uitgevraagd zou moetenworden als de Wet werkelijk rendement box 3 in eerste instantie zondervooraf ingevulde aangifte (VIA) inkomstenbelasting zou wordeningevoerd. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveelsneller de Wet werkelijk rendement box 3 ingevoerd zou kunnen wordenals in eerste instantie wordt afgestapt van de VIA en belastingplichtigen inplaats daarvan zelf moeten invullen wat hun behaalde rendement is.Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA of deICT-technische kant van de VIA zorgt voor de lange implementatieperiodeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 729 van de Wet werkelijk rendement box 3 en of het kabinet zeer precies kanaangeven waarin hier uitvoeringstechnisch de verschillen zitten metinvoering van een inkomstenbelasting op basis van het werkelijkrendement in eerste instantie zonder VIA.Invoering per 1 januari 2028 is uitvoerig verkend en naar huidigeomstandigheden haalbaar. Er is afgesproken met de Belastingdienst enmet ketenpartners (zoals de banken en verzekeraars) dat er een implemen-tatietermijn zal zijn van een jaar en negen maanden, gerekend vanaf hetmoment dat het wetsvoorstel is aangenomen door de Tweede Kamer.Deze periode hebben de Belastingdienst en de ketenpartners nodig omzich zo goed mogelijk voor te bereiden op de inwerkingtreding van eenstelsel op basis van werkelijk rendement. Deze implementatietermijnbetekent dat inwerkingtreding per 2028 mogelijk is als het wetsvoorsteluiterlijk op 15 maart 2026 aangenomen wordt door de Tweede Kamer. Alsdeze datum niet wordt gehaald, zullen gegevensleveranciers (waaronderbanken en verzekeraars) niet tijdig, juist en volledig hun gegevens aan deBelastingdienst kunnen aanleveren. In deze situatie is de invoering voorde Belastingdienst – afhankelijk van het moment dat het wetsvoorsteldoor de Tweede Kamer wordt aangenomen – nog steeds mogelijk maarkan de aangifte inkomstenbelasting niet vooraf worden ingevuld.De leden van de fractie van het CDA vragen of de uitgangspunten voor detegenbewijsregeling niet beter helemaal in lijn gebracht kunnen wordenmet de voorgenomen Wet werkelijk rendement box 3. De regels van deWet werkelijk rendement box 3 kunnen nadeliger zijn voor belastingplich-tigen dan de regels van de Hoge Raad voor de tegenbewijsregeling. Eenvermogenswinstsystematiek, zoals voor bepaalde vermogensbestand-delen opgenomen voor in de Wet werkelijk rendement box 3, zalbijvoorbeeld nadelig zijn als sprake is van ongerealiseerde waardeda-lingen van vermogensbestanddelen. Het is juridisch niet mogelijk om tennadele van belastingplichtige met terugwerkende kracht afwijkende regelsvoor de tegenbewijsregeling voor te schrijven. Het kabinet werkt wel aanhet zo snel mogelijk invoeren van de Wet werkelijk rendement box 3.De leden van de fractie van de SGP wijzen erop dat bij rijksmonumentendoorgaans sprake is van hoge onderhoudskosten. Als hiervoor geenkostenaftrek mogelijk is zal dit volgens deze leden mogelijk grotegevolgen hebben. Deze leden vragen hoe het kabinet hier tegenaan kijkt.Op grond van het wetsvoorstel wordt het huidige forfaitaire stelsel nietaangepast. De tegenbewijsregeling kan alleen maar positief uitpakkenvoor belastingplichtigen ten opzichte van het forfaitaire stelsel. Bezittersvan rijksmonumenten in box 3 krijgen dus niet te maken met een stijgingvan de belastingdruk als gevolg van dit wetsvoorstel.16. Grondslag en waardering De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het klopt datinvesteringen in woningen alleen aftrekbaar zijn als deze investeringenaantoonbaar van invloed zijn geweest op het vaststellen van deWOZ-waarde. Deze leden en de leden van de fractie van de SGP vragenhoe belastingplichtigen dit moeten bepalen. De Hoge Raad heeftaangegeven dat bij investeringen in woningen er rekening mee moetworden gehouden dat de jaarlijkse waardeontwikkeling wordt bepaaldaan de hand van de WOZ-waarde. De investering komt in een kalenderjaaralleen tot uitdrukking in de jaarlijkse waardeontwikkeling als met deinvestering rekening is gehouden bij de vaststelling van de WOZ-waardevoor het daaropvolgende kalenderjaar. In dat geval is op deWOZ-beschikking een andere toestandsdatum opgenomen. Het deel vande eindwaarde dat kan worden toegerekend aan de uitbreiding ofverbetering blijft dan buiten beschouwing voor het bepalen van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 730 werkelijke rendement. Het is aan de belastingplichtige om aannemelijk temaken wat de waardestijging is als gevolg van de investering.De leden van de fractie van de VVD merken op dat de percentages van deleegwaarderatio in 2023 zijn gewijzigd ten opzichte van 2022. Deze ledenvragen of de waardesprong als gevolg van de gewijzigde leegwaarderatiotot het werkelijk rendement behoort. Deze wijziging van de leegwaarde-ratio zorgt niet voor een waardesprong die tot het werkelijk rendementwordt gerekend. Voor de bepaling van de waardeontwikkeling in hetkalenderjaar 2022 wordt uitsluitend de leegwaarderatiotabel voor hetkalenderjaar 2022 gebruikt.De leden van de fractie van de VVD vragen of het voor een belasting-plichtige kenbaar is dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde artikel 18,derde lid, van de Wet WOZ is toegepast. Als artikel 18, derde lid, van deWet WOZ is toegepast door de gemeente dan heeft de gemeente een(nieuwe) WOZ-beschikking afgegeven met een andere toestandsdatum.Deze beschikking gaat uit van de toestand van de woning op 1 januari vanhet belastingjaar waarvoor de beschikking is afgegeven. Deze toestands-datum (1 januari van jaar t), wijkt dan af van de waardepeildatum(1 januari van jaar t-1), op basis waarvan de toepassing van artikel 18,derde lid, Wet WOZ zichtbaar is voor belastingplichtige.Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD of er daarbij onder-scheid wordt gemaakt tussen voor de gemeente kenbare en niet kenbareverbouwingen.De specifieke informatie op de WOZ-beschikking kan per gemeenteverschillen. De reden waarom artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ, istoegepast (vergunningsvrije verbouwing of verbouwingen metvergunning) zal belastingplichtige in beginsel niet uit de beschikkingkunnen opmaken. Belastingplichtige kan bij de gemeente vragen om meerinformatie over het vaststellen van de beschikking.De leden van de fractie van de VVD vragen op welke wijze belastingplich-tigen het geïsoleerde effect van de toepassing van artikel 18, derde lid,van de Wet WOZ kenbaar is, zodat de waardeontwikkeling als gevolg vaneen investering in een woning die tot een uitbreiding of verbetering vandie woning heeft geleid, volledig buiten toepassing blijft.De specifieke informatie op de WOZ-beschikking kan per gemeenteverschillen. Een specificatie van het bedrag van de WOZ-beschikkingwaarbij artikel 18, derde lid, van de Wet WOZ, (waardestijging als gevolgvan een investeringsuitgave of waardemutatie marktontwikkeling) istoegepast zal belastingplichtige in beginsel niet uit de beschikking kunnenopmaken. Belastingplichtige kan bij de gemeente vragen om meerinformatie over het vaststellen van de beschikking.Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD hoe wordt omgegaanmet verbouwingen die een peildatum overschrijden.Bij het bepalen van het werkelijke rendement in het kalenderjaar gaat hetom waardemutaties en investeringen binnen het kalenderjaar. Eenwaardevermeerdering als gevolg van een investeringsuitgave (verbe-tering of uitbreiding van de onroerende zaak) blijft buiten beschouwing.Voor woningen geldt dat de waardemutatie moet worden bepaald opbasis van de zogenoemde «t-1 benadering». Stel dat het gaat om hetbelastingjaar 2024 waarbij de belastingplichtige een niet verhuurde box 3woning heeft en geen investeringen heeft gedaan in 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 731 De beginwaarde is de WOZ-waarde van 2024 met waardepeildatum1 januari 2023. De eindwaarde is de WOZ-waarde van 2025 met waarde-peildatum 1 januari 2024.Stel dat nu in 2024 wel investeringsuitgaven zijn gedaan en bij deWOZ-beschikking van 2025 artikel 18, derde lid, Wet WOZ, is toegepast.Dat is in het voorbeeld hierboven het geval als de WOZ-waarde van 2025,met waardepeildatum 1 januari 2024 een toestandsdatum heeft van1 januari 2025. Met investeringskosten die in 2024 en vóór 1 januari 2025zijn gedaan wordt rekening gehouden in dat jaar. Investeringsuitgaven diein 2025 zijn gedaan worden na toepassing van artikel 18, derde lid, WetWOZ, meegenomen in 2025.Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD in hoeverre hetéén-op-één aansluiten bij het arrest van de Hoge Raad op dit puntpraktisch uitvoerbaar is. Voor de uitvoerbaarheid verwijs ik naar deUitvoeringstoets.Voor wat betreft het doenvermogen voor de belastingplichtige geldt datde tegenbewijsregeling een mogelijkheid biedt om het werkelijkrendement aannemelijk te maken. Dat betekent dat de bewijslast bij debelastingplichtige rust. Belastingplichtige kan navraag doen bij degemeente over de vaststelling van de WOZ-beschikking en investerings-uitgaven (uitbreiding of verbetering) onderbouwen.17. Toerekening van het werkelijke rendement bij fiscaalpartners De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de verdeling van het box3-inkomen tussen partners plaatsvindt en wanneer het wel en niet istoegestaan om een nieuwe verdeling aan te brengen. Op basis van dehuidige wetgeving kunnen fiscale partners het gezamenlijke box3-vermogen («grondslag sparen en beleggen») onderling verdelen. Alsfiscale partners geen keuze maken, wordt aan elk van het de helft van hetgezamenlijke box 3-vermogen toegerekend. Voor toerekening van hetwerkelijke rendement wordt deze wettelijke systematiek aangehouden.Hierbij wordt het werkelijke rendement dat aan een partner is toe terekenen berekend op basis van het aandeel van die partner in degezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Als partners een andereverdeling wensen dan kunnen zij de verdeling van de gezamenlijkegrondslag sparen en beleggen aanpassen zolang de aanslag van een vande partners nog niet onherroepelijk vaststaat.De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre is onderzocht omeen aanpassing van de partnerverdeling te faciliteren in het formulier«opgaaf werkelijk rendement», dan wel de mogelijkheid om de partnerver-deling op enigerlei andere wijze aan te passen. De mogelijkheid om eenaanpassing van de partnerverdeling te faciliteren in het formulier isonderzocht. Mede door de urgentie waarmee het formulier tot stand isgekomen en de beschikbare ICT-capaciteit binnen de Belastingdienst isdeze mogelijkheid niet opgenomen in het formulier.18. Formeelrechtelijke aspecten bij de tegenbewijsregeling De leden van de fractie van het NSC merken op dat de bewijslast bij hettoepassen van de tegenbewijsregeling bij de belastingplichtige ligt. Dezeleden vragen of het redelijk is om burgers de volledige juridischebewijslast te laten dragen en of hierbij rekening wordt gehouden met hetfeit dat gegevens over eerdere jaren moeilijk terug te halen zijn en of eenandere verdeling van de bewijslast mogelijk is. Deze leden vragen naar deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 732 praktische uitvoerbaarheid voor mensen met minder fiscale kennis ofbeperkte digitale vaardigheden. De Belastingdienst probeert belasting-plichtigen zo goed mogelijk te ondersteunen bij het opgeven van hetwerkelijke rendement door middel van het formulier «opgaaf werkelijkrendement». Belastingplichtigen worden met communicatie eninformatie- en attentiebrieven gewezen op de mogelijkheid om hunwerkelijke rendement op te geven. Belastingplichtigen die extra hulpnodig hebben bij het invullen van het formulier kunnen ook persoonlijkehulp krijgen van de Belastingdienst. De Belastingdienst voert regelmatigoverleg met banken en verzekeraars over de tegenbewijsregeling om henin staat te stellen hun klanten te informeren. De uiteindelijke verantwoor-delijkheid om gegevens te verzamelen om het werkelijke rendementaannemelijk te makenligt echter, in lijn met de arresten van de Hoge Raad,bij de belastingplichtige.19. Internationale aspecten De leden van de fractie van de VVD verzoeken de regering om eentoelichting te geven, eventueel aan de hand van voorbeelden (denk aanhet bezit van een vakantiewoning in het buitenland), op de werking van deaftrek van dubbele belasting.In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is een voorbeeldopgenomen van een binnenlands belastingplichtige die een verhuurdeonroerende zaak heeft (voorbeeld 2).7 Hieronder volgt een voorbeeld vande uitwerking van de voorkoming van dubbele belasting indien dieonroerende zaak in het buitenland gelegen zou zijn en de vrijstellingsme-thode uit het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 gehanteerdwordtIn het genoemde voorbeeld heeft belastingplichtige een bankrekening eneen onroerende zaak. Het totale werkelijk rendement bestaat dat jaar uit€ 16.400. Hiervan is € 16.000 toerekenbaar aan de buitenlandse onroe-rende zaak en € 400 aan rente op de bankrekening. Bij een tarief van 36%is de verschuldigde box 3 belasting € 5.904. In dit geval wordt eenvermindering gegeven van € 5.760.De vermindering is aan de hand van de volgende breuk berekend:20. Voorkoming van dubbele belasting De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe dubbeleniet-belasting wordt voorkomen bij buitenlands bezit.Het vertrekpunt is dat inkomsten uit de wereldwijde bezittingen van eenbinnenlands belastingplichtige in box 3 in Nederland in de heffing wordenbetrokken. Indien met het andere land een verdrag ter voorkoming vandubbele belasting en voorkomen van het ontgaan van belasting vantoepassing is, dient in het desbetreffende verdrag gekeken te worden hoede heffingsrechten over de betreffende vermogens -of inkomensbestand-delen zijn verdeeld: welk land welke inkomsten mag belasten. Doorgaans(afhankelijk van het betreffende belastingverdrag) verleent Nederland bijbinnenlands belastingplichtigen verrekening van de buitenlandsebelasting over de inkomsten uit (portfolio)dividenden en ontvangenrente-inkomsten voor zover deze in de Nederlandse heffing zijn betrokken.In dat geval is dubbele niet-belasting niet aan de orde. Voor bepaalde7Kamerstukken II, 2024/25, 36 706, nr. 3, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 733 inkomsten geldt dat deze worden vrijgesteld in het land waarvan degenieter inwoner is, omdat deze inkomsten sterk verbonden zijn met hetland waaruit zij afkomstig zijn (zoals inkomsten uit onroerende zaken). Indergelijke gevallen bepaalt het laatstgenoemde land het niveau vanbelastingheffing over deze inkomsten. Om te voorkomen dat oneigenlijkgebruik wordt gemaakt van bepalingen in belastingverdragen heeftNederland onder andere maatregelen opgenomen in zijn belastingver-dragen die zijn ontwikkeld in het BEPS-project tegen belastingontwijking.Deze maatregelen werken onder meer via het Multilateraal Instrument(MLI) door in het Nederlandse netwerk van belastingverdragen. Hierbijheeft Nederland ook geopteerd voor een specifieke maatregel die dubbeleniet-belasting voorkomt in situaties waarbij Nederland bepaaldeinkomsten vrijstelt, terwijl de verdragspartner het belastingverdrag anderstoepast en deze inkomsten niet of verminderd belast. In bepaalde gevallenwordt hiermee dubbele niet-belasting voorkomen.Als er geen verdrag is, kan voorkoming worden verleend op basis van hetBesluit voorkoming dubbele belasting 2001. Onder deze regels wordtalleen voorkoming verleend als het inkomensbestanddeel in het andereland in de heffing is betrokken. Hiermee is dubbele niet-belastinguitgesloten.21. Overwogen alternatieven De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn benieuwd of eralternatieven zijn om de uitvoering te ontlasten, bijvoorbeeld door eenlager forfait en een hoger tarief. Deze leden vragen voorts om een tabeldie inzichtelijk maakt hoeveel het forfait op overige bezittingen in box 3budgetneutraal omlaag kan bij verhoging van het tarief. Ook vragen zij omdaarbij de daling van het aantal mensen te schatten dat gebruik maakt vande tegenbewijsregeling. Door de arresten van de Hoge Raad van juni 2024is in feite een tegenbewijsregeling geïntroduceerd in box 3, tot er eennieuw stelsel wordt ingevoerd. Deze tegenbewijsregeling is nu al geldendrecht en de Belastingdienst is verplicht om deze uit te voeren. Een dalingvan het aantal belastingplichtigen dat gebruik kan maken van detegenbewijsregeling kan een ontlasting zijn voor de uitvoering. Onder-staande Tabel 2 toont de gevraagde cijfers. Hierbij wordt uitgegaan van devoorgenomen verhoging van het forfait op overige bezittingen met1,78%-punt. Deze voorgenomen verhoging maakt geen onderdeel uit vandit wetsvoorstel maar zal worden opgenomen in het Belastingplan 2026.Tabel 2: Verschillende budgetneutrale vormgevingen van box 3 met daarbij degeschatte daling van het aantal verzoeken om tegenbewijs ten opzichte van hethuidige voorstel.TariefForfait bij budget- neutraleaanpassingEffect op aantallen verzoekentegenbewijs36% (huidig)7,78% (voorgenomenverhoging per 2026)037%7,50%– 12.12038%7,22%– 24.360 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of is onderzocht ofeen tijdelijke, eenvoudige vermogensheffing van bijvoorbeeld één procentover het vermogen boven het heffingvrije vermogen als overbruggings-maatregel tot 2028 uitvoerbaar zou zijn. Daarnaast vragen deze ledenwaarom het invoeren van een tijdelijke vermogensbelasting nietuitvoerbaar is per 1 januari 2026. De leden van de fractie van deChristenUnie vragen voorts of een tijdelijke vermogensbelastingrechtvaardiger zou zijn dan een forfaitair stelsel met een tegenbewijsre-geling. Deze leden vragen wat de verwachte perceptiekosten hiervanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 734 zouden zijn en of er Europese of verdragsrechtelijke belemmeringenzouden zijn voor het tijdelijk invoeren van een vermogensbelasting. In dekamerbrief van 28 februari 2025 is ingegaan op de mogelijkheid van een(tijdelijke) vermogensbelasting als alternatief. Het is niet mogelijk om eenvermogensbelasting sneller in te voeren en voor een vermogensbelastingzijn niet significant minder gegevens nodig dan voor de Wet werkelijkrendement box 3. Net als het forfaitaire box 3-stelsel mag een vermogens-belasting niet in strijd komen met het eigendomsrecht uit het EVRM.Daartoe moet worden voorkomen dat een vermogensbelasting leidt tothet interen op het vermogen doordat de belasting niet kan wordenvoldaan uit de inkomsten uit het vermogen. Daarom is een anticumulatie-regeling nodig. Deze voorkomt dat op het vermogen wordt ingeteerd alsde inkomsten onvoldoende zijn om de vermogensbelasting te voldoen.Om de anticumulatieregeling te kunnen uitvoeren is het daarom nodig omhet werkelijke rendement te bepalen. Daarmee is voor de toepassing vaneen anticumulatieregeling in een vermogensbelasting dezelfde informatiebenodigd als voor een vermogensrendementsheffing.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of in de uitvoerings-toets ook het scenario bekeken is waarin alle forfaitaire rendementen opnul worden gezet en tijdelijk een vermogensheffing wordt ingevoerd,zoals bepleit door verschillende experts. In een uitvoeringstoets wordengeen verschillende scenario’s van een wetsvoorstel uitgewerkt maarwordt enkel het onderliggende wetsvoorstel op de mogelijke uitvoerings-gevolgen getoetst.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een rekenvoor-beeld van de budgettaire opbrengst van een tijdelijke vermogensbelastingvan bijvoorbeeld 1,4 procent boven een drempel van € 50.000 perpersoon. Voor de jaren 2026 en 2027 valt niet met een opbrengst uit eenvermogensbelasting te rekenen, omdat dit niet eerder dan in 2028uitvoerbaar zou zijn. Een dergelijk rekenvoorbeeld is op 28 februari jl. metuw Kamer gedeeld als antwoord op een mondelinge vraag van het lidGrinwis tijdens het commissiedebat box 3 van 20 februari jl.822. Budgettaire effecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om één completetabel die weergeeft bij welke inkomens- en vermogensgroepen de gehelehersteloperatie box 3 van 2017 tot 2027 terecht is gekomen. Een dergelijketabel is niet beschikbaar. Wel zijn verschillende tabellen beschikbaar voorde verschillende periodes van de hersteloperatie die hieronder uiteenworden gezet.In 2022 is uitgezocht bij welke belastingplichtigen het rechtsherstel naaraanleiding van het kerstarrest terecht zou komen bij verschillendevormgevingen van dit rechtsherstel. In de budgettaire bijlage van de briefvan 15 april 20229 zijn verschillende tabellen getoond die laten zien dathet rechtsherstel op basis van de uiteindelijk gekozen «spaarvariant» metname terecht zou komen bij belastingplichtigen van wie de bezittingenvoor ten minste de helft uit spaargeld bestonden. Bovendien zoudenrelatief vermogende spaarders ook relatief veel geld terugkrijgen.Vervolgens heeft de Overbruggingswet box 3 ervoor gezorgd datspaarders, in lijn met het rechtsherstel, ook vanaf 2023 minder box3-belasting gingen betalen. Beleggers, daarentegen, gingen méérbelasting betalen; dat gold met name voor relatief vermogende beleggers8Kamerstukken II 2024/2025, 32 140, nr. 227.9Kamerstukken II 2021/2022, 35 927, nr. 125.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 735 en voor beleggers in onroerende zaken. Onderstaande tabel toont deinschatting van dit effect uit dezelfde brief van 15 april 2022.Ten slotte toont onderstaande tabel de raming van de budgettaire kostenvan de tegenbewijsregeling en bij wie deze terecht komen voor het jaar2025. Dit jaar is representatief voor de tegenbewijsregeling als geheel.Onderstaande tabel is de inschatting gebaseerd op de gecertificeerderaming van de budgettaire effecten. De werkelijke bedragen hangen sterkaf van de rendementen die mensen daadwerkelijk gaan behalen.Tabel 4: Het aantal belastingplichtigen per inkomensgroep dat naar schatting geld terug krijgt met de tegenbewijsregeling, hetgeschatte bedrag dat zij kunnen terugkrijgen en hun gemiddelde vermogen.Inkomensgroep (verzamelinkomen per persoon1)Aantal belasting-plichtigen datgeld terug krijgt(waarvanAOW-er)Totale bedrag datzij terug krijgenin € mln (%totaal)Gemiddeldebedrag dat zijterug krijgenGemiddelde box3-vermogen vandeze belasting-plichtigen< Minimumloon63.900 (25.500)116 (7%)€ 1.800€ 281.000Minimumloon – modaal81200 (37.600)154 (10%)€ 1.900€ 260.000Modaal -2x modaal122.900 (40.700)420 (27%)€ 3.400€ 347.0002x Modaal -3x modaal47.500 (11.800)231 (15%)€ 4.900€ 443.0003x Modaal -4x Modaal18.700 (4.300)128 (8%)€ 6.800€ 599.000> 4x Modaal27.000 (5.800)521 (33%)€ 19.300€ 1.478.0001 Indeling is op basis van het verzamelinkomen per persoon, niet per huishouden. Het meeste geld komt volgens deze raming terecht bij belastingplichtigenmet een hoog inkomen en een hoog vermogen: ongeveer de helft komt bijbelastingplichtigen die meer dan 2x modaal verdienen. Ook is duidelijkdat dit rechtsherstel, anders dan het rechtsherstel naar aanleiding van hetkerstarrest, met name terecht komt bij beleggers. Omdat beleggersgemiddeld genomen meer vermogen bezitten dan spaarders, komt van ditrechtsherstel een groter deel terecht bij de meest vermogende belasting-plichtigen.Een rode draad is dat het grootste deel van de twee rondes van rechts-herstel terecht komt bij belastingplichtigen met meer dan € 250.000 aanvermogen. Dat is niet verwonderlijk, omdat deze belastingplichtigengezamenlijk 60% van het totale box 3-vermogen bezitten (cijfers 2022). Zijhebben dus relatief veel belasting betaald en krijgen daardoor relatief veelterug. Een verschil tussen de twee rondes van rechtsherstel is dat heteerste rechtsherstel met name terecht kwam bij spaarders, terwijl hettweede rechtsherstel met name terecht komt bij beleggers.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om een tabel dieweergeeft wat de hele hersteloperatie box 3 heeft gekost en hoe deze isgedekt. Het huidige en het voorgaande kabinet zijn op diverse momentengeconfronteerd met budgettaire kosten als gevolg van de verschillendeHoge Raad arresten over box 3, te beginnen bij het Kerstarrest in 2021.Tabel 3: De op 15 april 2022 geschatte budgettaire gevolgen van de Overbrug-gingswet box 3 voor 2023, uitgesplitst naar box 3 vermogen en het soort belegger.Een belastingplichtige kwalificeert als «spaarder» als het spaarvermogen groter isdan het beleggingsvermogen. De groep beleggers is onderverdeeld in beleggers metin meerderheid effecten en beleggers met in meerderheid onroerend goed.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 736 Deze kosten zijn dan ook op verschillende momenten betrokken inbudgettaire besluitvorming, te beginnen bij de Voorjaarsnota 2022. In deregel kijkt het kabinet bij deze besluitvormingsmomenten naar het geheelvan mee- en tegenvallers en beleidswensen op dat moment. Dit maakt hetniet altijd mogelijk om specifieke maatregelen 1-op-1 toe te wijzen aanspecifieke beleidswensen of tegenvallers, zoals de kosten voor box 3. Metdeze kanttekening geeft Tabel 5 zo goed mogelijk inzicht in de getroffendekkingsmaatregelen.Tabel 5: Overzicht dekkingsmaatregelen inkomstenkader box 3 per budgettaire nota (bedragen in miljoenen euro’s)202220232024202520262027Voorjaarsnota 2022 (tabel 12)Derving: Hoge Raad arrest box 3(Kerstarrest)– 2.800– 380– 380000Box 3 voornemen tot verhoging HVVterugdraaien0100200300300300Box 2 introductie twee schijven 26% en29,5% per 202407070707070Box 2 doelmatigheidsmarge van 25% naar15%0321301281260248Box 2 en 3 afbouw AHK met verzamelin-komen000352352352Miljoenennota 2023 (tabel 3.1)Derving: Uitstel invoering stelsel werkelijkrendement box 3 mfet 1 jaar000– 38500Geen specifieke dekkingsmaatregel aan tewijzenn.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.Miljoenennota 2024 (tabel 2.2.1)Derving: Uitstel nieuwe box 3 stelsel van2026 naar 20270000– 3950Box 3: Heffingvr( vermogen nietindexeren in 2024 en tarief enkel in 2024+1%-punt0023589890Miljoennennota 2025 (tabel 6)Derving: Uitspraak Hoge Raad box 3 6 juni202400– 6.385– 1.695– 1.7510Infaseren koopkrachtenveloppen(maatregel 1 HLA)0001.350800350Versnellen verhoging AWf naar 202500024500Terugdraaien verlaging box 3-tarief000100100100Verhogen AOF-premie met ca. 0,03%-punt000808080Voorjaarsnota 2025 (tabel 12)Derving: Uitstel WWR box 3 inclusief nietvoorinvullen eigen gebruik000190– 189– 2381Dekking d.m.v. verhoging forfait inclusiefverlagen heffingvr(e vermogen in 2026 en202700001.2671.267 Tegenover de kosten van het Kerstarrest in de Voorjaarsnota 2022 zijncompenserende maatregelen getroffen in box 2 en box 3. Er is hierbij ooksprake van saldo-effecten. Er is besloten niet de grote incidentele dervingin 2022 op dat moment te compenseren, maar dit te accepteren in het lichtvan de structurele overdekking van het pakket.De kosten van uitstel van de Wet werkelijk rendement van 2025 naar 2026is verwerkt in de Miljoenennota 2023. Het geheel van mee- en tegenvallersop dat moment vereiste geen aanvullende dekkingsmaatregelen.De kosten van uitstel van de Wet werkelijk rendement van 2026 naar 2027is verwerkt in de Miljoenennota 2024. Dit is gedekt binnen box 3.De (eerste inschatting van de) kosten van de uitspraken van de Hoge Raadop 6 juni 2024 zijn verwerkt in de Miljoenennota 2025. Voor de dekking toten met belastingjaar 2024 is besloten dit in het saldo te laten lopen. Dekosten in 2025 en 2026 zijn hoofdzakelijk gedekt door de voorgenomenlastenverlichting uit het Hoofdlijnenakkoord geleidelijk in te faseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 737 De kosten voor uitstel van de Wet werkelijk rendement naar 2028 zijnverwerkt in de Voorjaarsnota 2025, inclusief nadere inzichten in de kostenvan de recente arresten. Dit is gedekt met compenserende maatregelenbinnen box 3.In totaal is € 16,6 miljard aan derving ingeboekt in relatie tot box 3. Metgenoemde kanttekening als disclaimer, is voor de periode 2022–2027cumulatief circa € 10,2 miljard aan dekkingsmaatregelen aan te wijzen.Hiervan ziet € 7,3 miljard op kapitaal (box 2, box 3) en € 3,0 miljard oparbeid (koopkracht, AWf, AOF).De leden van de fractie van het CDA vragen om voor de jaren 2018 tot enmet 2022 cijferoverzichten op te stellen van het vermogen per vermogens-bestanddeel en van het aantal belastingplichtigen in box 3. Onderstaandetabel 6 geeft de ontwikkeling over de jaren weer. Tabel 7 daaronder bevatvoor het jaar 2022 een uitsplitsing naar de omvang van het totalevermogen van deze belastingplichtigen.Tabel 6: Het aantal box 3-belastingplichtigen (personen met meer vermogen dan het heffingvrije vermogen) en hun vermogenuitgesplitst per vermogensbestanddeel, van 2018 tot en met 2022.2018120192020202112022Bank- en spaartegoeden (mld.)229232246236259Aandelen/obligaties (mld.)131120137141174Onroerende zaken (mld.)129142158165178Overige vermogenstitels (mld.)4747515159Schulden (mld.)6471777988Totaal vermogen (rendementsgrondslag, mld.)4724705155145822Aantal belastingplichtigen (x dzd)3.0143.0753.2242.4572.6711 In 2018 en in 2021 is het heffingvrije vermogen verhoogd, als gevolg waarvan het aantal belastingplichtigen en hun gezamenlijke vermogendaalde ten opzichte het voorgaande jaar.2 In de Kamerbrief van 28 februari jl. (Kamerstukken II 2024/2025, 32 140, nr. 227) is abusievelijk een bedrag van € 631 miljard aan vermogen bij box3-belastingbetalers genoemd voor het jaar 2022. Deze € 631 miljard is het vermogen van alle aangifteplichtigen in box 3; dat zijn de personen metmeer vermogen dan de vermogensgrens in de huurtoeslag (€ 31.747 in 2022). Tussen 2018 en 2020 was het heffingvrije vermogen gelijk aan dezevermogensgrens; het bedrag van € 631 miljard is daarom de beste maatstaf voor de vermogenstoename die plaatsvond tussen 2018 en 2022. Tabel 7: De verdeling van het vermogen en het aantal box 3-belastingplichtigen in2022, uitgesplitst naar vermogensbestanddeel en naar de hoogte van het totalevermogen.€ 0 –€ 100.000€ 100.000 –€ 1 mln> € 1 mlnTotaalBank- en spaartegoeden(mln.)7016228259Aandelen/obligaties (mln.)107886174Onroerende zaken (mln.)1610854178Overige vermogenstitels(mln.)5312359Schulden (mln.)12472988Totaal vermogen(rendementsgrondslag,mln.)88332161582Aantal belastingplichtigen(x dzd)1.2521.355642.671 De leden van de fractie van het CDA en van de fractie van de SGP vragennaar de aannames die voor de berekening van het budgettaire effect en decertificering daarvan zijn gedaan. Ook vragen de leden van de fractie vande SGP naar de wijze waarop de raming is opgebouwd en zijn zijbenieuwd wanneer de certificering van de raming met de Kamer wordtgedeeld. De ramingstoelichting van het Ministerie van Financiën en decertificeringsnotitie van het CPB zijn op donderdag 24 april jl. met uwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 738 Kamer gedeeld.10 In deze twee documenten worden de ramingsmethodeen de daarbij behorende aannames toegelicht. Het CPB heeft de ramingbeoordeeld als redelijk en neutraal.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of recente turbulentieop de markten is meegenomen in de budgettaire raming van de tegenbe-wijsregeling. Zij vragen ook naar de budgettaire en uitvoeringsgevolgenindien meer belastingplichtigen dan verwacht gebruik zouden maken vande tegenbewijsregeling. In de budgettaire raming zijn gegevens van demarkten tot en met eind 2024 meegenomen. De meest recente turbulentieis hierin dus niet meegenomen. Het is op dit moment niet te voorspellenhoe de markten zich over het geheel van 2025 zullen ontwikkelen. Indiende markten zich negatiever blijken te ontwikkelen dan ten tijde van deraming verwacht, dan zullen meer mensen gebruik maken van detegenbewijsregeling en valt de derving groter uit dan geraamd. Indien demarkten zich positiever blijken te ontwikkelen dan verwacht, dan is ditomgekeerd. Ook het CPB benoemt deze onzekerheid in de certifice-ringsnotitie die op 24 april jl. met uw Kamer is gedeeld.11 Het trendmatigbegrotingsbeleid voorziet erin dat afwijkingen tussen geraamde engerealiseerde belastingontvangsten als gevolg van dergelijke econo-mische effecten opgevangen worden in het EMU-saldo. Dit draagt bij aande stabiliserende werking van de begroting.23. Inkomenseffecten De leden van de fractie van het NSC vragen het kabinet of belastingplich-tigen worden gewezen op de gevolgen die een vaststelling van het box-3inkomen op inkomensafhankelijke regelingen kan hebben, zoals bijvoor-beeld de hoogte van toeslagen. Momenteel wordt door de Belastingdienstonderzocht op welke manier belastingplichtigen kunnen worden geïnfor-meerd over eventuele gevolgen die een vaststelling van het werkelijkrendement als onderdeel van het verzamelinkomen op inkomensafhanke-lijke regelingen kan gaan hebben.De leden van de fractie van het NSC vragen hoe het kan dat de belasting-plichtigen die meer dan vier keer modaal verdienen naar verwachting 33procent van het herstelbedrag ontvangen, terwijl zij slechts 7,5 procentvertegenwoordigen van de belastingplichtigen die geld terugkrijgen. Debelastingplichtigen met een hoog inkomen hebben doorgaans ook eenrelatief groot vermogen. Hierbij geldt bovendien dat vermogen gemiddeldgenomen meer geconcentreerd is aan de top dan het (verzamel)inkomenis. Dat betekent dat deze groep ook relatief veel box 3-belasting heeftbetaald en nu relatief veel terug kan krijgen.De leden van de fractie van D66 vragen hoe wordt voorkomen dat hetwetsvoorstel vooral voordeel oplevert voor belastingplichtigen methogere vermogens. Deze leden vragen om een reactie op de analyse dathet merendeel van het budgettaire voordeel terecht komt bij burgers methogere inkomens. Ook vragen deze leden naar een reactie op het feit datburgers die significant meer rendement behalen dan het forfait, daar geenbelasting over betalen.Het is onvermijdelijk dat het merendeel van de budgettaire derving vanhet wetsvoorstel terechtkomt bij belastingplichtigen met hogerevermogens en inkomens. Dat zijn immers juist degenen die relatief veelbelasting betalen in box 3 en daardoor nu relatief veel terug kunnenkrijgen. Zoals in de memorie van toelichting van het wetsvoorstel is10Zie de bijlagen bij Kamerstukken II 2024/2025, 36 706, nr. 511Zie de bijlagen bij Kamerstukken II 2024/2025, 36 706, nr. 5Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 739 toegelicht klopt het dat het hanteren van forfaits in combinatie mettegenbewijs niet neutraal uitwerkt voor de lastendruk van mensen metverschillende vormen van vermogen binnen box 3 en dat de tegenbewijs-regeling kan zorgen voor overcompensatie, omdat belastingplichtigenmet hogere rendementen dan het forfait daarvoor niet belast worden. Ditis voor het kabinet mede aanleiding om te werken aan de zo snelmogelijke invoering van de Wet werkelijk rendement box 3. Bovendienheeft het kabinet voorstellen gedaan om de budgettaire derving alsgevolg van een jaar uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 op tehalen binnen box 3, op een manier waarop de overcompensatie wordtbeperkt en de budgettaire derving wordt opgehaald bij beleggers methogere rendementen.De leden van de fractie van D66 vragen om een onderbouwing enheroverweging van de voorgenomen verlagen van het heffingvrijevermogen. De voorgenomen verlaging van het heffingvrije vermogenmaakt geen onderdeel uit van het voorliggende wetsvoorstel, maar zalworden opgenomen in het Belastingplan 2026. Deze maatregel isaangekondigd in de kamerbrief van 13 december 2024 om te zorgen voordekking voor de budgettaire derving als gevolg van het jaar uitstel van deWet werkelijk rendement box 3 tot 1 januari 2028. Er is sprake van eenbeperkte verlaging van het heffingvrije vermogen van € 57.684 (in 2025)naar € 51.396 (in 2026). Daarnaast is voorgesteld het forfait op overigebezittingen te verhogen. Met de voorgestelde maatregelen wordt debudgettaire derving die optreedt door het jaar uitstel van de Wet werkelijkrendement box 3 gedekt binnen box 3. Doordat belastingplichtigen metlagere rendementen gebruik kunnen maken van de tegenbewijsregelingwordt de budgettaire opbrengst opgebracht door belastingplichtigen methogere rendementen dan het forfaitaire rendement.24. Gedragseffecten De leden van de fractie van het NSC vragen of meer vermogendebelastingplichtigen, of belastingplichtigen uit hogere inkomensgroepen inde regel meer risicodragend vermogen hebben. Belastingplichtigen meteen hoog inkomen hebben doorgaans ook een relatief groot vermogen.Gemiddeld genomen geldt daarnaast dat belastingplichtigen met hogerevermogens meer beleggingen aanhouden en relatief gezien minderspaargeld. Hierbij moet worden aangetekend dat sprake is van veelspreiding in de daadwerkelijke vermogensmix bij individuele belasting-plichtigen.De leden van de fractie van het NSC vragen in hoeverre gedragseffectenvan belastingplichtigen bij het rechtsherstel worden gemonitord. Door deBelastingdienst worden in het kader van de toepassing van de tegenbe-wijsregeling geen gedragseffecten gemonitord. Er wordt wel in diversenieuwsmedia en op de website van de Belastingdienst en middels brievenaan belastingplichtigen in de doelgroep aandacht besteed om belasting-plichtigen erop te attenderen dat zij gebruik kunnen maken van detegenbewijsregeling. Een belastingplichtige die op basis van detoepassing van de tegenbewijsregeling recht heeft op een belastingte-ruggave kan hiervoor bij de Belastingdienst het formulier «opgaafwerkelijk rendement» indienen.25. Administratieve lasten De leden van de fractie van het NSC vragen of het kabinet bereid is destructurele regeldrukkosten te monitoren en in een later stadium debalans tussen belastingdruk, rechtszekerheid en uitvoerbaarheid teevalueren. Beoogd is om per 2028 de Wet werkelijk rendement box 3 in teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 740 voeren. Vanwege de korte duur van de tegenbewijsregeling is geen sprakevan structurele regeldrukkosten en is niet voorzien in een evaluatiebe-paling van het wetsvoorstel.26. Gevolgen voor het doenvermogen De leden van de fractie van het NSC vragen of groepen belastingplichtengebruik kunnen maken van additionele hulp bij het invullen van hetformulier, bijvoorbeeld via de BelastingTelefoon. De Belastingdienstverleent ondersteuning aan belastingplichtigen bij het invullen van hetformulier «opgaaf werkelijk rendement». Belastingplichtigen kunnenhiervoor contact opnemen met de BelastingTelefoon en eventueel eenafspraak inplannen bij een Belastingdienstkantoor of een steunpunt vande Belastingdienst. Ook is er veel informatie beschikbaar op de websitevan de Belastingdienst.De leden van de fractie van de SGP vragen hoe de Belastingdienst toezichtzal houden op de juistheid van de aangeleverde gegevens door belasting-plichtigen en op welke manier de Belastingdienst de juiste berekening vanongerealiseerde waardemutaties controleert. Bij het toezicht op dejuistheid van de aangeleverde gegevens heeft de Belastingdienst debeschikking over gegevens uit het (recente) verleden en andere(algemene) gegevens waarmee de aangeleverde gegevens automatischkunnen worden vergeleken. Dit geldt ook voor ongerealiseerde waarde-mutaties maar dan voornamelijk voor waardemutaties die te makenhebben met verhandelbare activa (of passiva). Voor illiquide activa (ofpassiva) is het bepalen van een vermogensmutatie ingewikkelder en zal inmeer gevallen overleg nodig zijn tussen de Belastingdienst en debelastingplichtige (of de financiële dienstverlener) om tot een juistewaardering te komen.27. Rechtsbescherming De leden van de fractie van het NSC vragen naar de rechtsbeschermingvan belastingplichtigen, zeker wanneer de berekening van het werkelijkerendement automatisch tot stand komt via het formulier «opgaaf werkelijkrendement». Wordt de uitkomst van de berekening helder gepresenteerdaan de belastingplichtige, wordt gewaarborgd dat belastingplichtigenlaagdrempelig bezwaar kunnen maken en hoe wordt voorkomen datprocedures verzanden in technische discussies, zo vragen deze leden. Inhet formulier «opgaaf werkelijk rendement» worden per vermogenscate-gorie de relevante feitelijke gegevens uitgevraagd. Hierbij wordenbelastingplichtigen geholpen met hulpteksten en informatie op de websitevan de Belastingdienst. Belastingplichtigen die extra hulp nodig hebbenbij het invullen van het formulier kunnen ook persoonlijke hulp krijgen vande Belastingdienst. De automatische berekening van het werkelijkrendement houdt vervolgens alleen in dat de Belastingdienst op basis vande ingevulde gegevens het werkelijk rendement berekent met een aantalrekenkundige stappen. Het werkelijke rendement wordt namelijk inbeginsel bepaald met een vermogensvergelijking, waarbij beginwaarde,eindwaarde en stortingen en onttrekkingen van belang zijn. Uit verschil-lende gebruikerstests is gebleken dat een uitvraag waarbij belastingplich-tigen zelf de benodigde berekeningsstappen moeten uitvoeren zeeringewikkeld voor belastingplichtigen is. De uitkomst van de berekeningwordt helder gepresenteerd na het invullen van het formulier «opgaafwerkelijk rendement». Belastingplichtigen die het oneens zijn met deberekening van het werkelijke rendement Kunnen gebruikmaken van dereguliere rechtsmiddelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 741 De leden van de fractie van het NSC vragen of het kabinet bereid is omsignalen van structurele knelpunten in de rechtsbescherming actief teverzamelen en periodiek met de Kamer te delen. De Belastingdienst haaltal een aantal jaren signalen op over burgers en bedrijven in de knel endilemma’s in de uitvoering. Dit doet de Belastingdienst binnen de eigenorganisatie door middel van een gestandaardiseerde werkwijze waarmeesignalen worden verzameld. Daarnaast verzamelt de Belastingdienstsignalen afkomstig van externe instanties en organisaties, zoals deNationale ombudsman, de Inspectie Belastingen Toeslagen en Douane en,vanaf dit jaar, de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen entoeslaggerechtigden. Deze signalen worden jaarlijks (sinds 2021) met uwKamer gedeeld in de Stand van de uitvoering (SvdU). Hieronder vallenook signalen over rechtsbescherming. De SvdU is sinds 2021 jaarlijksverschenen en wordt als product geëvalueerd en verder ontwikkeld.28. Uitvoeringsaspecten De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen het kabinet naareerdere voorbeelden van wetsvoorstellen of amendementen die vijf rodevlaggen kregen in de uitvoeringstoets. Naast het wetsvoorstel tegenbe-wijsregeling box 3 heeft de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkomingblokaansluitingen een uitvoeringstoets met vijf rode vlaggen gekregen.Deze toets is ook gedeeld met uw Kamer.De Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen is vanaf25 april 2023 in werking getreden. Deze regeling is opgenomen in deStaatscourant 2023, 26655, met publicatiedatum 28 september 2023. Decontouren van deze regeling (29 023, nr. 393) zijn met uw Kamerbesproken tijdens het tweeminutendebat van 23 maart 2023 waarbij doorverschillende fracties moties zijn ingediend waarover in uw Kamer op28 maart 2023 is gestemd.De leden van de fractie van de VVD vragen aandacht voor situatieswaarvan het evident is dat het werkelijke rendement (fors) negatief is.Deze leden vragen of het kabinet in die gevallen bereid is een benaderingte hanteren waarbij het bijvoorbeeld volstaat dat een overzicht wordtverstrekt van het vermogensverlies zonder het gehele formulier in tevullen. Kan worden bevestigd dat geen boetes zullen worden opgelegd indit geval, zo vragen deze leden. Bij de vergelijking tussen het werkelijke enhet forfaitaire rendement wordt het werkelijke rendement op het gehelebox 3-vermogen bekeken. Zoals hierboven toegelicht wordt demogelijkheid tot tegenbewijs vanaf het belastingjaar 2025 opgenomen inhet reguliere aangifteproces voor de inkomstenbelasting. De belasting-plichtige is dan verplicht de gevraagde gegevens in te vullen als hij in deaangifte gebruik wil maken van de tegenbewijsregeling. Voor eerderejaren kan de belastingplichtige eveneens het formulier «opgaaf werkelijkrendement» gebruiken. Belastingplichtigen hebben op basis van geldendrecht de mogelijkheid om in bezwaar of bij een verzoek tot ambtshalvevermindering het werkelijke rendement op te geven. Het is dan nog steedsaan de belastingplichtige om feiten te stellen waaruit het werkelijkerendement volgt. Bij het niet invullen van het formulier «opgaaf werkelijkrendement» zal geen boete worden opgelegd omdat het feiten betreffendie strekken tot een vermindering van de belastingschuld.De leden van de fractie van de VVD lezen in de uitvoeringstoets dat deuitvoeringskosten voor de Belastingdienst met een grote onzekerheidomgeven zijn en vraagt het kabinet hoe groot zij de genoemde risico’sacht en of een onderbouwde inschatting van mogelijke toekomstigetegenvallers in uitvoeringskosten gemaakt kan worden. Tijdens eenherijking van de uitvoeringstoets worden onder meer de in de oorspron-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 742 kelijke uitvoeringstoets voor de uitvoering gesignaleerde risico’s en deopgenomen uitvoeringskosten op basis van beschikbare ervaringscijfersen andere gegevens door de Belastingdienst nader bepaald en geveri-fieerd. Voordat een dergelijke integrale herijking heeft plaatsgevonden kanhierover geen onderbouwde inschatting worden gegeven.De leden van de fractie van de VVD vragen of extra uitvoeringscapaciteitgevolgen zou kunnen hebben voor de invoering van de Wet werkelijkrendement box 3 per 1 januari 2028. De leden van de fractie van het CDAvragen in hoeverre het nog haalbaar is de nieuwe wet werkelijkrendement box 3 in 2028 in te voeren als het aantal verzoek- en bezwaar-schriften veel hoger is dan nu ingeschat. Deze leden schatten het risico opvele bezwaren immers zeer hoog in en willen graag inzicht in de scena-rio’s en de vertraging die deze zouden inhouden voor het nieuwe stelsel.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de verwachte golfvan procedures voor vertraging van het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 zorgt. Invoering per 1 januari 2028 is uitvoerig verkenden naar huidige omstandigheden wel haalbaar. De Belastingdienst heeftdat bevestigd in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 die naar verwachting medio mei 2025 tezamen met hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan uw Kamer zal wordenaangeboden. In deze uitvoeringstoets zijn uitkomsten van de massaalbe-zwaarplusprocedure of andere toekomstige Hoge Raad arresten waarbijbelastingplichtigen de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van detegenbewijsregeling of op basis waarvan andere aanvullende herstelwerk-zaamheden noodzakelijk zijn niet meegewogen. Ook kan door deBelastingdienst op dit moment nog geen duidelijke inschatting wordengemaakt over eventuele hoge aantallen verzoek- en bezwaarschriften diedoor belastingplichtigen naar aanleiding van de hersteloperatie zullenworden ingediend en in hoeverre deze van invloed kunnen zijn op deinvoering van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet op welke wijze zijvoornemens is om het risico op verdringing van reguliere werkzaam-heden bij de Belastingdienst te mitigeren gegeven de grote inzet aancapaciteit die het onderhavige wetsvoorstel vereist, en hoe dit zichverhoudt tot de beperkte beschikbaarheid van geschikt personeel. Deleden van de fractie van de ChristenUnie hebben vragen bij de uitvoe-ringsdruk als gevolg van hetgeen in het onderhavige wetsvoorstel isopgenomen. Hoe verhoudt de huidige uitvoeringsdruk zich tot eerderewaarschuwingen uit uitvoeringstoetsen en signalen van overbelastingbinnen de Belastingdienst (zoals ook klinkt in de rapporten van deAlgemene Rekenkamer), alsook de maximale negatieve score van vijf rodevlaggen bij de uitvoeringstoets door de Belastingdienst. Door devoorbereiding en het gebruik van een digitaal formulier «opgaaf werkelijkrendement» met een daaraan gekoppeld geautomatiseerd verwerkings-proces voorkomt de Belastingdienst zoveel als mogelijk dat de herstelope-ratie van invloed is op de reguliere werkzaamheden van de Belasting-dienst. Daarnaast wordt momenteel door de Belastingdienst onderzoekverricht naar andere mogelijkheden om het werkproces binnen dehersteloperatie te vereenvoudigen en waar mogelijk in hogere mate teautomatiseren of ondersteunen. Daarbij wordt door de Belastingdienstbenadrukt dat het belangrijk is dat zoveel als mogelijk door belastingplich-tigen gebruik wordt gemaakt van het formulier bij het indienen van hetwerkelijke rendement. Dit bespoedigt de afhandeling door de Belasting-dienst waarbij de belastingplichtige ook binnen een korte afhandelings-termijn op de hoogte kan worden gesteld over de uitkomst van hetingediende formulier.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 743 De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet om in te gaan ophet commentaar van de Raad van State dat de Belastingdienst voor een«onoplosbaar dilemma» wordt gesteld, omdat een tegenbewijsregelingdie niet doenbaar en uitvoerbaar is, niet bijdraagt aan rechtsherstel. Hetkabinet heeft met het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3invulling gegeven aan de arresten van de Hoge Raad in 2024 waarbij deHoge Raad heeft aangegeven dat het forfaitaire stelsel zoals in de Wetinkomstenbelasting 2001 is opgenomen, in specifieke situaties niet langergeoorloofd is. Het wetsvoorstel is de codificatie van deze arresten opbasis waarvan het werkelijke rendement kan worden vastgesteld. Hetkabinet verwacht dat op basis van deze invulling van de arrestentoekomstige (juridische) problemen zoveel als mogelijk zullen wordenvoorkomen en heeft bij de invulling van het wetsvoorstel rekeninggehouden met de doenbaar- en uitvoerbaarheid voor het bepalen van hetwerkelijke rendement. Hierbij staat voorop dat iedere berekeningswijzevan het werkelijke rendement tot complicaties zal kunnen leiden en vrijwelin alle situaties ingewikkelder is dan een forfaitair bepaald rendement. Indit opzicht heeft het kabinet geen ruimte en zal de Belastingdienstbelastingplichtigen zoveel als mogelijk ondersteuning verlenen bij hetbepalen van het werkelijk rendement op basis van dit wetsvoorstel.De leden van de fractie van het CDA vragen of het kabinet het voorge-nomen rechtsherstel voldoende acht. Daarbij wijzen zij op commentaarvan de NOB dat veel belastingplichtigen de tegenbewijsregeling onrecht-vaardig vinden. Deze leden vragen of een verantwoorde beslissing kanworden genomen over het wetsvoorstel of dat mitigerende maatregelennodig zijn, zoals het afwachten van de uitspraak van de Hoge Raad inzake«massaal bezwaar plus» of rekenregels voor vastgoed waar kritiek op isaan te passen. Zoals hierboven aangegeven is het wetsvoorstel eencodificatie van de arresten van de Hoge Raad. Deze arresten van de HogeRaad zijn geldend recht. Het wetsvoorstel biedt duidelijkheid over enkelemeer gedetailleerde vraagstukken voor het bepalen van het werkelijkerendement, waar de Hoge Raad zich niet expliciet over heeft nagelaten.Deze regels bieden meer houvast voor belastingplichtigen en de Belas-tingdienst als deze een wettelijke basis hebben. Verschillende puntenwaarover kritiek wordt geuit in vakliteratuur en door belangenorgani-saties, zoals een vermogensaanwassystematiek en het ontbreken vankostenaftrek, volgen letterlijk en expliciet uit de arresten van de HogeRaad.Het kabinet acht het zeer onwenselijk om de uitkomsten van de procedure«massaal bezwaar plus» af te wachten. Omdat de arresten van de HogeRaad geldend recht zijn, kunnen belastingplichtigen zich beroepen opdeze arresten. Daarom moet de Belastingdienst de tegenbewijsregelingvoor deze belastingplichtigen uitvoeren. De uitspraak afwachten zou eralleen voor zorgen dat belastingplichtigen die nu recht hebben oprechtsherstel hier langer op moeten wachten, en dat een nog groterewerkvoorraad bij de Belastingdienst ontstaat.De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet bij de inschattingvan personele capaciteit voor de tegenbewijsregeling, ook de ingeschattepersonele capaciteit voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3weer te geven en aan te geven in hoeverre die tijdig te realiseren is. Eenspecificering van de ingeschatte personele capaciteit is opgenomen in deuitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 endeze toets zal tegelijk met dit wetsvoorstel naar verwachting omstreeksmedio mei 2025 aan uw Kamer worden aangeboden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 744 De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet om aan te gevenwaar de grootste knelpunten zitten voor invoering van het wetsvoorstelWet werkelijk rendement box 3, of dat in wetgeving, IT, personelecapaciteit of anders is. Ook vragen deze leden heel precies het procesrichting invoering per 2028 te schetsen. De voorziene gevolgen voor deuitvoering door de Belastingdienst ten aanzien van het wetsvoorstel Wetwerkelijk rendement box 3 zijn opgenomen in de uitvoeringstoets. Dezetoets zal tegelijk met dit wetsvoorstel naar verwachting omstreeks mediomei 2025 aan uw Kamer worden aangeboden. Over de inrichting van hetproces van de invoering van het wetsvoorstel kan het kabinet op ditmoment nog geen uitspraken doen en zal mede afhangen of de TweedeKamer zal instemmen met het wetsvoorstel.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoeveel extra fte erper onderdeel structureel en tijdelijk nodig zijn voor uitvoering van de Wettegenbewijsregeling box 3 en het aanstaande stelsel Wet werkelijkrendement box 3. Daarnaast vragen de leden hoeveel fte inmiddels zijngeworven of opgeleid, hoeveel vacatures er nog open staan, wat degemiddelde opleidingsduur of inwerktijd voor deze nieuwe fte’s binnenhet box 3-domein is en hoe dit zich tot het structurele personeelstekort bijde Belastingdienst verhoudt. Het aantal fte dat naar verwachting nodig isvoor de uitvoering van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling box 3staat opgenomen in de uitvoeringstoets. Het betreft incidenteel (tijdelijk)in totaal 1.757 fte verdeeld over de behandeljaren 2024 tot en met 2026.Omdat sprake is van een hersteloperatie zijn er geen structurele personelegevolgen voor dit wetsvoorstel. Het aantal fte dat tijdelijk en structureelnodig is voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 staatopgenomen in de uitvoeringstoets bij het laatstgenoemde wetsvoorstel.Deze toets zal tegelijk met het wetsvoorstel naar verwachting omstreeksmedio mei 2025 aan uw Kamer worden aangeboden.Hieronder is een overzicht opgenomen van de huidige stand van zakenmet betrekking tot de werving met een inschatting van de gemiddeldeopleidingsduur of inwerktijd per onderdeel voor 2025. In het overzicht zijnalleen de dienstonderdelen opgenomen die te maken gaan krijgen meteen substantiële wervingsopgave. Er worden daarnaast binnen dedienstonderdelen unit box 3 en dienstverlening van de directie Particu-lieren ook vacatures tijdelijk ingevuld met behulp van uitzendkrachten. Opdit moment zijn er bijvoorbeeld binnen de unit box 3 95 medewerkers invaste dienst werkzaam en daarnaast 56 uitzendkrachten.OnderdeelInmiddelsintern ofexterngeworvenVacaturesUitzend-krachtenOpleidingsduurParticulieren – unit box 3951255612 maandenParticulieren – Toezicht enhandhaving351818 maandenParticulieren – Dienstver-lening2434 maandenMKB1236 – waarvan20 in procesvan werving.12 maandenGO1244 maanden De werkzaamheden binnen de unit box 3 zijn specifiek ingericht op dehersteloperatie. Bij de overige dienstonderdelen zullen nieuwemedewerkers worden ingewerkt in het reguliere werkproces en worden dewerkzaamheden voor de hersteloperatie integraal binnen deze dienston-derdelen uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 745 De opleidingsbehoefte is afhankelijk van de fiscale voorkennis en eerderewerkervaring van de nieuwe medewerkers. Binnen de unit box 3 is eenleer- en werktraject ontwikkeld van ongeveer een jaar en bestaat deinterne opleiding uit zelfstudie, opdrachten maken, klassikale bijeen-komsten en nadrukkelijk ook «training on the job» om werkervaring op tedoen voor de behandeling van verzoek- en bezwaarschriften in relatie methet formulier «opgaaf werkelijk rendement». De Belastingdienst heeft ookinterne leermodules over box 3 ontwikkeld.De werving en opleiding binnen de uitvoeringsdirecties (met uitzonderingvan de unit box 3) vindt plaats op de verschillende Belastingdienstkan-toren. De opleiding varieert en is afhankelijk van de fiscale voorkennis eneerdere werkervaring van de nieuwe medewerkers en duurt tussen vier enachttien maanden. Het tempo van de werving is afhankelijk van hetabsorptievermogen van de locaties waaronder ook voldoende begeleidingmoet worden bewerkstelligd. Op dit moment zijn er geen signalen dat dewerving binnen de uitvoeringsdirecties (met uitzondering van de unit box3) stagneert of tot problemen leidt.Bij klantinteractie (KI&S) worden er dit jaar 120 medewerkers van deBelastingTelefoon ten behoeve van de hersteloperatie opgeleid. Ookzullen medewerkers van het sociale media team hiervoor wordenopgeleid. Er worden door KI&S in 2025 geen nieuwe medewerkersgeworven.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de invoering van deWet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028 nog realistisch is geletop de benodigde wetswijzigingen, IT-aanpassingen, ketenafspraken enuitvoeringscapaciteit. Invoering per 1 januari 2028 is uitvoerig verkend ennaar huidige omstandigheden wel haalbaar. De Belastingdienst heeft datbevestigd in de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 die naar verwachting medio mei 2025 tezamen met hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan uw Kamer zal wordenaangeboden.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat op dit momenthet grootste knelpunt is in de planning richting 2028: wetgeving,uitvoering, IT, data-inwinning of personele capaciteit. Kan het kabinet eentijdlijn geven van de belangrijkste stappen (mijlpalen) die nog gezetmoeten worden voor een werkende uitvoering van het nieuwe box3-stelsel per 2028. Als de vraag op deze manier kan worden begrepen dathet verzoek is om inzicht te krijgen in de uitvoeringsgevolgen over deinwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3,dan kan hiervoor worden verwezen naar de uitvoeringstoets. Deze toetszal tezamen met het wetsvoorstel naar verwachting omstreeks medio mei2025 aan uw Kamer worden aangeboden.De leden van de fractie van de SGP hebben grote zorgen over deuitvoering van het wetsvoorstel en vragen welke keuzes zijn gemaakt omde uitvoering te ontlasten. Door de voorbereiding en het gebruik van eendigitaal formulier «opgaaf werkelijk rendement» met een daaraangekoppeld geautomatiseerd verwerkingsproces voorkomt de Belasting-dienst zoveel als mogelijk dat de hersteloperatie van invloed is op dereguliere werkzaamheden van de Belastingdienst. Omdat sprake is vaneen codificatie van arresten van de Hoge Raad is de ruimte voor dewetgever om de tegenbewijsregeling vorm te geven zeer beperkt, zoalsook aangegeven in het advies van de Afdeling. Binnen de kaders van deHoge Raad zijn in het wetsvoorstel verschillende keuzes gemaakt omcomplexiteit te verminderen, zoals het buiten toepassing laten van deschuldendrempel, praktische regels voor toepassing van vrijstellingen metTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 746 een vrijstellingsgrens zoals groene beleggingen en regels voor hetgenietingstijdstip (kasstelsel).De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet wat degevolgen zijn voor de uitvoeringstoets bij het wetsvoorstel en of hetkabinet een herijking van de toets met de Kamer kan delen omdat in deuitvoeringstoets is opgenomen dat een tijdige inwerkingtreding afhan-kelijk is van het feit of het wetsvoorstel uiterlijk 31 maart 2025 door deKamer en 31 mei 2025 door de Eerste Kamer is aangenomen, en dezeeerste datum reeds in het verleden ligt. In de uitvoeringstoets isopgenomen dat voornoemde datums gelden om het wetsvoorstel metingang van 1 juni 2025 in werking te laten treden. Ingeval het wetsvoorstelop een latere datum door de Kamer en door de Eerste Kamer wordtaangenomen betekent dit dat het wetsvoorstel pas op een latere datum inwerking zal kunnen treden. In de uitvoeringstoets is opgenomen dat eeneerste herijking van de uitvoeringstoets is voorzien in de periodeoktober/november 2025 nadat het wetsvoorstel in werking is getreden ende hersteloperatie is gestart.29. Advies en consultatie De leden van de fractie van het CDA vragen of de grote werklast hetsysteem van de rechtspraak onacceptabel verstoort omdat dit anderezaken verdringt en of ook al mogelijke consequenties van een uitspraakvan de Hoge Raad inzake de procedure «massaal bezwaar plus» zijnmeegenomen. De Raad voor de Rechtspraak heeft voor de berekening vande werklast gebruik gemaakt van de inschatting die de Belastingdienst inhet kader van de uitvoeringstoets heeft gemaakt over het aantal teverwachten (hoger)beroepen. Bij de uitvoeringstoets is uitgegaan van dehuidige stand van zaken, mogelijke consequenties van een uitspraak in deprocedure «massaal bezwaar plus» zijn hierin niet meegenomen. De Raadvoor de Rechtspraak verwacht een tijdelijke substantiële stijging van dewerklast. De Raad voor de Rechtspraak concludeert echter niet dat dit hetsysteem van de rechtspraak onacceptabel verstoort.De leden van de fractie van de SGP lezen dat er geen internetconsultatieheeft plaatsgevonden. Deze leden vragen hoe de adviezen van de sectorwel zijn opgehaald en meegewogen. Vanwege de wens om zo snelmogelijk rechtsherstel te kunnen bieden aan burgers is het voorstel nietaangeboden voor internetconsultatie. Hierbij speelt ook een rol dat sprakeis van een codificatie van arresten van de Hoge Raad waarbij de wetgeverbeperkte ruimte heeft. De Belastingdienst voert regelmatig overleg metbelangenorganisaties en koepelorganisaties om de opzet van de tegenbe-wijsregeling en het formulier «opgaaf werkelijk rendement» te besprekenen om signalen uit de praktijk op te halen.II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel belastingiemand met één miljoen euro bezit en 1,2 miljoen euro schuld binnen hethuidige forfaitaire stelsel betaalt. Dit is nihil. De box 3-belasting isnamelijk nihil wanneer het vermogen (bezittingen minus schulden) lageris dan het heffingvrije vermogen.De leden van de fractie van de fractie van GroenLinks-PvdA naar debudgettaire gevolgen indien mensen met meer dan € 200.000 aanbezittingen, ongeacht de hoogte van de schuld, wel aangifte in box 3zouden moeten doen. Als mensen met meer dan € 200.000 aan bezit-tingen verplicht aangifte box 3 zouden moeten doen, dan zou dit geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 747 budgettaire gevolgen hebben. De box 3-belasting blijft namelijk nihilwanneer het vermogen (bezittingen minus schulden) lager is dan hetheffingvrije vermogen, ongeacht of er aangifte wordt gedaan of niet.De Staatssecretaris van Financiën,T. van OostenbruggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 748
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.