KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld (Kamerstuk 36841)

26 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 98e0efde092d7b22 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 841Initiatiefnota van het lid Dobbe over de zorgvoor slachtoffers van seksueel geweldNr. 3 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 26 mei 2026Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de initiatiefnota van hetKamerlid Dobbe (SP) over de zorg voor slachtoffers van seksueel geweld1.Ik waardeer de betrokkenheid van het lid Dobbe bij dit onderwerp enonderschrijf het belang van goede zorg en ondersteuning voor slacht-offers van seksueel geweld. Seksueel geweld heeft ingrijpende enlangdurige gevolgen voor slachtoffers en hun omgeving. Het is daaromeen gedeelde verantwoordelijkheid van overheid, maatschappelijkeorganisaties en zorgverleners om slachtoffers de best mogelijke hulp tebieden.De initiatiefnota bouwt voort op de initiatiefnota van het lid Van der Werfuit 20222 en sluit aan bij de inzet die het kabinet de afgelopen jaren heeftgepleegd op het terrein van de aanpak van seksueel grensoverschrijdendgedrag en seksueel geweld. Zo zijn er belangrijke stappen gezet met hetNationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedragen seksueel geweld, de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijvenen de versterking van de financiering van het Landelijke CentrumSeksueel Geweld (CSG) voor de jaren 2024 t/m 2026 naar aanleiding vaneen motie van de leden Van der Laan en Van der Werf (D66)3.Naast het verbeteren van de zorg voor slachtoffers, zet het kabinet in ophet voorkomen van nieuwe slachtoffers van seksueel geweld. Het ishierbij cruciaal om de grondoorzaken weg te nemen. Zo vormen gender-ongelijkheid, discriminatie en grensoverschrijdend gedrag een voedings-bodem voor seksueel geweld. Het is van belang dat ieder elkaars grenzenrespecteert, seksueel geweld tijdig herkent en beter weet hoe (potentiële)slachtoffers ondersteund kunnen worden. Met het emancipatiebeleid1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 22Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 234, nr. 33Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 234, nr. 10 kst-36841-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 31 wordt onder andere ingezet op het bevorderen van een gelijkwaardigepositie voor vrouwen in de samenleving, het bestrijden van schadelijkegenderstereotyperingen, het bevorderen van bewustwording over deenorme impact van seksueel geweld en wordt omstanders handvattengeboden om in te grijpen bij grensoverschrijdend gedrag. Dit doen wijdoet het kabinet onder andere via het Nationaal Actieprogramma Aanpakseksueel grensoverschrijdend gedrag, het programma Veilige Steden enhet programma geweld tegen vrouwen. In de Emancipatienota die deStaatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie na de zomer met uwKamer zal delen wordt uitgebreider ingegaan op de maatregelen terpreventie van seksueel geweld.Tegelijkertijd erken ik dat er nog verdere verbeteringen nodig zijn, zoalsook blijkt uit het recente rapport van GREVIO4 en de aanbevelingen vanregeringscommissaris Mariëtte Hamer5. Daarnaast stelt de EuropeseRichtlijn 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijkgeweld (hierna Richtlijn) aanvullende eisen waaraan Nederland uiterlijk injuni 2027 dient te voldoen. De implementatie van deze richtlijn biedt eenbelangrijk kader voor de verdere verbetering van de hulp en onder-steuning voor slachtoffers van seksueel geweld en zal mede richtinggeven aan de stappen die het kabinet de komende periode zet.Met deze brief reageer ik mede namens de Minister van Volksgezondheid,Welzijn en Sport (VWS), de Minister van Justitie en Veiligheid (MJenV), deStaatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie en de Staatssecretaris vanJustitie en Veiligheid (SJenV) op de initiatiefnota. Ik geef eerst eenalgemene reactie op de initiatiefnota. Vervolgens wordt ingegaan op deverschillende voorstellen die de initiatiefnemer heeft gedaan.Algemene reactieDe initiatiefnota geeft een helder overzicht van de knelpunten waarmeeslachtoffers van seksueel geweld kunnen worden geconfronteerd bij hetzoeken naar hulp en ondersteuning. De gesignaleerde problemen –waaronder wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg, capaciteitste-korten in de strafrechtketen en een tekort aan forensisch artsen enmogelijke financiële drempels – zijn herkenbaar en sluiten aan bij signalendie ook vanuit het veld worden ontvangen. De initiatiefnota geeftvervolgens een uitgebreid overzicht op het lopende beleid en biedtdaarmee een nuttig kader voor verdere discussie over verbeteringen.Steeds meer mensen weten de weg naar het CSG te vinden. De stijgingwordt waarschijnlijk verklaard door de toegenomen aandacht voor hetthema seksueel geweld in de maatschappij en de media en de inwerking-treding van de nieuwe Wet seksuele misdrijven. Maar ook door verschil-lende activiteiten gericht op het bereiken van slachtoffers om de stap naarhulpverlening te vergemakkelijken, onder meer met behulp vancampagnes. Bij beslispunt 8 wordt verder ingegaan op deze verklarendefactoren. We zien de stijging als een positieve ontwikkeling gezien deverklarende factoren. Steeds meer slachtoffers krijgen de hulp die zeverdienen. Maar, het lid Dobbe wijst er terecht op dat de stijging van hetaantal meldingen van seksueel geweld druk legt op de organisaties dieslachtoffers ondersteunen. Het waarborgen van voldoende capaciteit eneen stabiele financiering van deze organisaties verdient dan ook blijvendaandacht. De ernst van het probleem wordt breed erkend, ook in hetcoalitieakkoord, waarin het kabinet aangeeft specifiek in te zetten op de4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 345, nr. 2925Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 843, nr. 120Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 32 aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag, femicide envrouwenhaat en inzet op het opleiden van meer zedenrechercheurs bij depolitie.Tegelijkertijd plaatsen we bij een aantal voorstellen kanttekeningen, metname waar het gaat om de financiële consequenties en de verdeling vanverantwoordelijkheden tussen Rijk en gemeenten. De initiatiefnota bevatambitieuze voorstellen waarvan de totale kosten oplopen tot ruim € 97,5miljoen, exclusief nog nader te kwantificeren uitgaven. Dit vraagt om eenzorgvuldige afweging van prioriteiten waarbij naast de financiële kadersen begrotingsregels ook de effectiviteit en toegevoegde waarde van devoorstellen worden meegewogen.In de reactie op de afzonderlijke beslispunten wordt nader ingegaan op demate waarin de voorstellen van het lid Dobbe aansluiten bij het huidige envoorgenomen beleid.Reactie op de afzonderlijke voorstellen1. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt verzocht eenwetsvoorstel naar de Kamer te sturen waarmee de zorg voor slachtoffersvan seksueel geweld wordt uitgezonderd van het eigen risico.Het lid Dobbe stelt het kabinet voor het eigen risico voor slachtoffers vanseksueel geweld uit te zonderen. Om daarmee ook te voldoen aan deverplichting uit de Europese Richtlijn ter bestrijding van geweld tegenvrouwen en huiselijk geweld (artikel 26, 2024/1385).Het kabinet is van mening dat slachtoffers van seksueel geweld een grootonrecht en vreselijk leed is aangedaan. Voor ondersteuning kunnenslachtoffers kosteloos terecht bij een Centrum Seksueel Geweld (CSG). Alsblijkt dat medische of psychologische (vervolg)zorg nodig is vanuit deZorgverzekeringwet dan geldt het eigen risico. Het Nederlands zorgstelselis zo ingericht dat iedereen (boven de 18 jaar) die zorg gebruikt vanuit deZorgverzekeringswet een eigen risico betaalt. Daarbij wordt geenonderscheid gemaakt of de medische noodzaak voor zorg is ontstaan doorziekte, een aandoening of een externe oorzaak zoals geweld.Dat is, anders dan in uw initiatiefnota beschreven staat, niet in strijd metde Europese Richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen enhuiselijk geweld (artikel 26, 2024/1385) die stelt dat ondersteunings-diensten seksueel geweld kosteloos beschikbaar moeten zijn, passend inhet kader van de nationale gezondheidszorg. Bepalingen binnen het eigenzorgstelsel als een wettelijk eigen risico zijn volgens de richtlijn dan ooktoegestaan.Overigens is uit onderzoek, naar aanleiding van de Pilot «Vergoedingwettelijk verplicht eigen risico na seksueel geweld» in 2020/20216,gebleken dat het (deels) betalen van het eigen risico niet als zwaarwe-gende drempel wordt ervaren om hulp te zoeken. Uit het onderzoek bleekdat slachtoffers van seksueel geweld verschillende drempels kunnenervaren bij hun keuze om hulp te zoeken. Meest voorkomend zijnschaamte- en schuldgevoelens (zelfverwijt) en angst (voor negatievereacties of represailles van de pleger), niet het mogelijk moeten betalenvan (een deel van) het eigen risico vormde daarbij geen zwaarwegendedrempel.Het maken van een uitzondering van het eigen risico van de zorg vanuitde Zvw voor slachtoffers van seksueel geweld, is daarbij zeer lastig te6Zorgverzekering slachtoffers van seksueel geweld», Nederlands Studiecentrum Criminaliteit enRechtshandhavingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 33 realiseren in de praktijk. Dit komt door de huidige inrichting van onszorgstelsel. Hierdoor is het vaak niet of maar deels mogelijk om decla-raties van zorg te herleiden naar specifieke doelgroepen zoals slachtoffersvan seksueel geweld. De uitvoeringskosten die ermee gemoeid gaan omdit anders in te regelen, zullen waarschijnlijk erg hoog uitvallen. Tot slot ishet lastig uit te leggen waarom slachtoffers van seksueel geweld wel eenvergoeding zouden krijgen voor het eigen risico, maar slachtoffers vanandere vormen van geweld, of mensen die om andere redenen zorg nodighebben, niet. Een dergelijk onderscheid roept vragen op over gelijkebehandeling en kan leiden tot ongewenste precedentwerking voor anderedoelgroepen.Tot slot zal een uitzondering op het eigen risico altijd tot minder eigenrisico opbrengsten leiden, aangezien het communicerende vaten zijn, wattot een hogere premie leidt. Voor dergelijke voorstellen is dan ookdeugdelijke dekking nodig. Op basis van voorgenoemde redenen ziet hetKabinet alles overwegende geen aanleiding om een wetsvoorstel aan tebieden aan de Kamer waarmee de zorg voor slachtoffers van seksueelgeweld wordt uitgezonderd van het eigen risico.2. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister vanJustitie en Veiligheid worden verzocht om te zorgen voor structurelelandelijke financiering voor het netwerk Centrum Seksueel Geweld,bestaande uit het landelijke CSG en de regionale CSG’s vanaf 2026.De huidige financiering van het Centrum Seksueel Geweld (CSG) valtuiteen in twee delen; de financiering van de Stichting Landelijk CentrumSeksueel Geweld (LCSG) en die van de 16 regionaal georganiseerdeCSG’s. Zowel het LCSG als de regionale CSG’s worden gefinancierd doorde gemeenten. Gemeenten ontvangen hiervoor via de Decentralisatie-Uitkering Vrouwenopvang (DUVO) een bijdrage.De financiering van het LCSG verloopt via de Specifieke Uitkeringspecialistische functies aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling(SPUK HGKM). Het deel van de SPUK dat bestemd is voor het LCSGbestaat in de basis door een uitname uit de Decentralisatie UitkeringVrouwenopvang (DUVO). Vanaf 2024 zijn hieraan vanuit de rijksoverheiddiverse toevoegingen gedaan. Onderstaand zijn deze weergegeven.Naar aanleiding van de motie van de leden Van der Laan en Van der Werf(D66)7 dragen de ministeries van JenV en VWS en gemeenten, drie jaar,van 2024 tot en met 2026, financieel bij aan de versterking van het LCSG.In totaal gaat het hierbij in totaal om een bedrag van € 1.160.717 per jaar8(ongeveer een verdubbeling van het basisbedrag van 2023). Hierbijhebben de voormalig Minister voor Rechtsbescherming en de Staatsse-cretaris van VWS aangegeven dat parallel aan deze investering eenevaluatie wordt uitgevoerd, zodat in 2026 een weloverwogen besluit kanworden genomen over de mogelijkheid van een duurzame financieringvanaf 2027.Vervolgens heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor 2025 en2026 aanvullende middelen beschikbaar gesteld aan het LCSG met eenomvang van jaarlijks € 111.000 om de hogere kosten voor onder anderede chat-functie en de hulplijn te kunnen bekostigen. Naar aanleiding vaneen motie van het lid Van der Werf (D66)9 hebben de toenmalige7Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 234, nr. 108Dit bedrag is inclusief een structurele bijdrage van € 127.000 vanuit het Ministerie van Justitieen Veiligheid in verband met de verwachte stijging van het aantal meldingen sinds deinwerkingtreding van de nieuwe Wet Seksuele Misdrijven9Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 725 VI, nr. 26Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 34 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van VWSde middelen voor het LCSG in 2026 opnieuw incidenteel verhoogd meteen bedrag van € 426.194. De extra middelen worden ingezet om hetverhoogde aantal meldingen op te kunnen vangen en het LCSG alsorganisatie verder te verstevigen. Het totaalbedrag voor 2026 voor hetLCSG bedraagt € 1.791.148, exclusief de indexatie over 2026. Van dittotaal is € 1.224.140 een bijdrage vanuit de rijksoverheid.De regionale CSG’s worden door hun respectievelijke Centrumgemeentenbekostigd uit de DUVO. De indexatie over de DUVO wordt toegevoegdaan de Algemene Uitkering van alle gemeenten in Nederland. De DUVOkan dan ook gezien worden als een bijdrage en is niet bedoeld omkostendekkend te zijn. Deze financieringssystematiek geldt ook voorandere voorzieningen in het domein van huiselijk geweld die op grondvan de Wmo 2015 onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid vallen,zoals Veilig Thuis en de Vrouwenopvang. Rechtstreekse landelijkefinanciering vanuit het Rijk staat haaks op het decentrale stelsel zoals wedat in Nederland kennen en de Financiële-verhoudingswet. Bovendienbiedt het decentrale systeem de mogelijkheid om meer maatwerk (wat iser in de specifieke regio nodig?) op lokaal niveau te leveren en aan tesluiten bij de bestaande regionale zorgstructuren. Gemeenten voelen ennemen hun verantwoordelijkheid voor financiering van de regionaleCSG’s.3. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg en deStaatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport worden verzocht om samenmet de bestaande hulporganisaties te werken aan de uitbreiding van hetaanbod van laagdrempelige mentale ondersteuning en de regionaleverschillen hierbij te verkleinen en hiervoor pilots op te zetten om teonderzoeken hoe dit het beste structureel kan worden geregeld.Casemanagers die werkzaamheden uitvoeren voor het Centrum SeksueelGeweld bieden psycho-educatie aan slachtoffers van seksueel geweld.Gemeenten bieden daarnaast op dit moment voor hun inwoners ookandere laagdrempelige mentale ondersteuning aan, zoals laagdrempeligesteunpunten. Laagdrempelige steunpunten zijn fysieke locaties waariedere inwoner, zonder verwijzing of beschikking, binnen kan lopen. Eenbelangrijk kenmerk van een laagdrempelig steunpunt is dat ervaringsdes-kundigen en/ of ervaringswerkers de regie hebben. Zowel bezoekers alsmedewerkers hebben iets te halen én te brengen. De ondersteuning krijgtvorm vanuit de behoeften van de mensen en hier kan je op eigen tempoaan herstel werken. Ook slachtoffers van seksueel geweld kunnen hierterecht. In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn aanvul-lende afspraken gemaakt over laagdrempelige steunpunten. In het AZWAzijn de laagdrempelige steunpunten opgenomen als één van de basisfunc-tionaliteiten rondom mentale gezondheid. Dat betekent dat is afgesprokendat uiterlijk in 2030 deze functionaliteit in elke regio of gemeentebeschikbaar moet zijn voor inwoners. Hiervoor is financiering beschikbaartot 2035. Met de afspraak van basisfunctionaliteiten ontstaat er ook iniedere regio/gemeente een herkenbaar aanbod en wordt het bestaandeaanbod verder uitgebreid voor alle inwoners. Het kabinet ziet daarom opdit moment geen toegevoegde waarde in een aanvullend aanbodspecifiek voor slachtoffers van seksueel geweld.4. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg en deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden verzocht om het trajectnaar de gezamenlijke aanpak bij de ondersteuning van slachtoffers enbetrokkenen van (online) geweld in afhankelijkheidsrelaties blijvend teondersteunen en zo nodig extra financiering vrij te maken voor de verdereuitrol hiervan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 35 Zoals gemeld in de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk gewelden kindermishandeling, die mijn ambtsvoorganger op 18 december 2025aan de Kamer verzond10, ondersteunt het kabinet twee trajecten die totdoel hebben om de hulp aan slachtoffers van seksueel misbruik engeweld en slachtoffers van (ex)partner stalking beter te organiseren. Depraktijktest om de hiervoor (door professionals ontwikkelde) nieuwewerkwijze te testen is afgerond. Op dit moment wordt gewerkt aan deoplevering van de bijbehorende en noodzakelijke uitvoerbaarheidstoets (isde nieuwe werkwijze uitvoerbaar voor professionals?) en resultaat- eneffectmeting (is de nieuwe werkwijze doeltreffend voor slachtoffers?). Opbasis van deze resultaten zal in afstemming met de uitvoeringsorgani-saties (CSG, Slachtofferhulp Nederland, OM, politie en PerspectiefHerstelbemiddeling) voor de zomer een besluit worden genomen over hetal dan niet landelijk implementeren van deze werkwijze. Uw Kamer zalvoor het zomerreces via de voortgangsbrief Huiselijk Geweld en Kinder-mishandeling geïnformeerd worden over de voortgang van het brederelandschapstraject waar deze nieuwe werkwijze onderdeel van is.5. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt verzocht om in kaart tebrengen hoe de capaciteit bij de zedenrecherche, het Openbaar Ministerieen de rechtbanken kan worden uitgebreid om de lange doorlooptijden vanzedenzaken waar mogelijk te verkorten.In reactie op het voorstel van het lid Dobbe om de capaciteit van de teamsopsporing seksuele misdrijven (voorheen aangeduid als zedenteams)(verder) zedenrecherche (verder) te verhogen, benadrukt dit kabinet hetbelang van een efficiënte en effectieve aanpak van zedenzaken prioriteitheeft omdat elk slachtoffer van seksueel geweld alle bescherming,begeleiding en ondersteuning verdient die hij of zij nodig heeft. In deuitwerking van het Coalitieakkoord heeft het kabinet dan ook aangegevende aanpak van (online) seksuele misdrijven een impuls te willen geven.11Zoals ook genoemd door het lid Dobbe, is de formatie van de teamsopsporing seksuele misdrijven van de politie de afgelopen jaren flinkuitgebreid om de werkvoorraden terug te dringen en de verwachtestijging van het aantal meldingen en aangiften als gevolg van deinvoering van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024 te kunnenopvangen.12 Deze extra capaciteit is inmiddels geworven. Ook dit kabinetzet in op het opleiden van meer zedenrechercheurs.13 We zien echter datdoor de pensioenuitstroom (relatief veel ervaren politiemedewerkersstromen uit) en de krappe arbeidsmarkt het een uitdaging blijft om debezetting op peil te houden. In het laatste halfjaarbericht politie is eenaantal ontwikkelingen binnen het korps toegelicht die, hoewel geen quickfix voor de huidige onderbezetting, op termijn kunnen leiden tot meer(aanvullende) instroom bij de teams opsporing seksuele misdrijven.14Wat het openbaar ministerie betreft is, boven op de reguliere instroomvan officieren van justitie, in 2022 gestart met het in drie jaar lateninstromen en opleiden van 226 officieren van justitie, van wie inmiddelsallen zijn geworven. Een groot deel hiervan wordt nog opgeleid. Deverwachting is dat een deel van de nieuwe officieren van justitie wordtingezet voor de aanpak van seksuele delicten.1510Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 345, nr. 29311Coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland», D66, VVD enCDA, 30 januari 202612Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 300, nr. 11 en Kamerstukken II 2021/22, 35 925, nr.1313Coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland», D66, VVD enCDA, 30 januari 202614Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 628, nr. 1302, bijlage 315Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1816Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 36 Maar er kan, ook gezien bovenstaande ontwikkelingen, niet zonder meerworden gesteld dat verdere uitbreiding van de formatie van de organi-saties in de strafrechtketen op dit moment zal leiden tot het behalen vande streefnormen voor de doorlooptijden in zedenzaken. Er moet ookgekeken worden naar andere en creatieve oplossingen. Met het actieplanversterken ketenaanpak zedenzaken, dat per 31 december 2025 isgeëindigd, heeft de strafrechtketen gezamenlijk ingezet op maatregelendie op termijn kunnen bijdragen aan het op structurele wijze verkortenvan de doorlooptijden en tevens aan de bredere doelstelling om deaanpak van zedenzaken te versterken en verder te professionaliseren.16Voorbeelden zijn het optimaliseren en aanpassen van de werkprocessenbinnen en tussen de betrokken organisaties, het prioriteren van zeden-zaken bij het plannen van zittingen, het verbeteren van de sturing opcapaciteit en prioriteit, meer maatwerk en een passende en betekenisvolleafdoening voor het slachtoffer, of dit nu een strafzaak is, een goedebegeleiding naar hulpverlening of herstelrecht. Zoals in eerdere brievengemeld bestaat voor het verkorten van de doorlooptijden – zeker inzedenzaken – geen eenvoudige oplossing, maar de resultaten over 2024laten zien dat de gezamenlijke inspanning die de strafrechtketen deafgelopen jaren heeft verricht resultaat begint op te leveren. Zoals gemeldin de laatste voortgangsbrief over de strafrechtketen, bevestigen de cijferstot en met juni 2025 deze voorzichtige tendens.17 Dit ondanks de hogereinstroom, die mede het gevolg lijkt van de (publiciteit rondom de) WetSeksuele Misdrijven. In de laatste voortgangsbrief aanpak seksuelemisdrijven is stil gestaan bij de bereikte resultaten en de afronding enborging van het actieplan.18Om de drempel voor aangifte doen voor slachtoffers te verlagen, stelt hetlid Dobbe voor om het standaard mogelijk te maken voor slachtoffers omeen ervaringsdeskundige mee te nemen als buddy bij het doen vanaangifte. Voor hulp en advies bij de aangifte is echter al voorzien. Zoworden alle meldingen van seksuele misdrijven doorgezet door hetfrontoffice van de teams opsporing seksuele misdrijven voor intake entriage. De politiemedewerkers die binnen deze frontoffices werken zijnopgeleid om in gesprek te gaan met slachtoffers van seksueel misbruik enop een sensitieve manier in kaart te brengen wat hen is overkomen. Zevormen een beeld van de strafbaarheid van de feiten en van de verwach-tingen, vragen en behoeften van het slachtoffer. Daarbij komt het doenvan aangifte ook aan de orde. Zij weten alles over aangifte doen vanseksueel misbruik. Daarnaast kunnen slachtoffers, wanneer zij dit willen,Slachtofferhulp Nederland laten helpen bij het doen van aangifte.Bijvoorbeeld door mee te gaan naar het politiebureau. Wanneer hetslachtoffer binnen zeven dagen na het misbruik bij het Centrum SeksueelGeweld komt, kan de politie een sporenonderzoek doen. Dit gebeurtalleen als het slachtoffer dat wil. Het slachtoffer kan daar ook medische enemotionele hulp krijgen. Daarnaast heeft het slachtoffer recht op bijstandvan een advocaat tijdens het doen van aangifte. Deze bijstand is, onderbepaalde voorwaarden, kosteloos voor slachtoffers van een seksueelmisdrijf of een geweldsmisdrijf. Ook heeft het slachtoffer recht opbescherming tegen de dader. Slachtoffers of nabestaanden die zich nietkunnen wenden tot het strafproces kunnen een aanvraag indienen bij hetSchadefonds Geweldsmisdrijven. Het Schadefonds verstrekt eeneenmalige financiële tegemoetkoming aan slachtoffers en nabestaandenvan een gewelds- of seksueel misdrijf die hierdoor ernstig fysiek ofpsychisch letsel hebben opgelopen. Deze tegemoetkoming is een uiting16Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 34 843, nr. 6317Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 279, nr. 100518Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 843, nr.130Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 37 van solidariteit, een blijk van erkenning en bedoeld om slachtoffers ennabestaanden weer op weg te helpen.Het kabinet deelt het belang van een efficiënte en effectieve aanpak vanzedenzaken en zet in op een bredere aanpak, waarin naast capaciteitsuit-breiding ook andere maatregelen worden ingezet om de aanpak vanzedenzaken te versterken.6. De Minister van Justitie en Veiligheid wordt verzocht om in samen-werking met toezichthouders en handhavende instanties de aanpak vanonline seksueel geweld te prioriteren, in lijn met de aanbevelingen uit hetrapport Online Seksueel Geweld en de motie Van Nispen c.s. (Kamerstuk29 279, nr. 959).De aanpak van online seksueel geweld verdient prioriteit zoals lid Dobbeterecht opmerkt. En dat krijgt het ook. In reactie op het verzoek van het lidDobbe, wordt verwezen naar de beleidsreactie op het rapport OnlineSeksueel Geweld, waarin de algemene inzet van het kabinetsbeleid en dereeds genomen maatregelen zijn toegelicht19. Zoals daarin is aangegevenis de afgelopen jaren ingezet op een integrale aanpak, met versterking vanstrafrechtelijke bescherming, preventie, slachtofferondersteuning eninformatievoorziening.Met de inwerkingtreding van de Wet seksuele misdrijven op 1 juli 2024, isde strafrechtelijke bescherming van slachtoffers tegen seksueel geweld inde digitale dimensie versterkt. Het uitgangspunt is nu dat wat offlinestrafbaar is, ook online strafbaar is. Een belangrijk onderdeel van deintegrale aanpak van JenV is onder andere de subsidie aan de StichtingOfflimits. Offlimits biedt met haar hulplijnen en meldpunten preventie,hulp en ondersteuning bij online seksueel geweld in vele vormen. DeAutoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) heeft aan Offlimits deformele trusted flagger status toegekend op basis van de Digital ServicesAct (hierna: DSA). Dit betekent dat verwijderverzoeken van Offlimitsprioritair en onverwijld door online tussenhandeldiensten behandeldmoeten worden. Offlimits is de eerste organisatie aan wie de ACM eendergelijke status heeft toegekend. Tevens dragen de Ministeries van JenVen OCW bij aan diverse preventietrajecten, waaronder de recenteactualisatie van de «Wegwijzer seksualiteit online». Het Ministerie vanJenV onderzoekt, in samenwerking met een consortium met expertorgani-saties, politie en OCW, bovendien mogelijke aanvullende gedragsinter-venties tegen het onderling doorsturen van schadelijk materiaal (zoalsseksueel beeldmateriaal) in besloten online groepsgesprekken opbijvoorbeeld Whatsapp, Snapchat of Telegram.Daarnaast zet het kabinet met het Nationaal Actieprogramma Aanpakseksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) inop de meerjarige brede aanpak om dit maatschappelijke probleem aan tepakken. Het NAP zet in op een cultuurverandering waarin dergelijkgedrag, niet wordt getolereerd. Online gedrag krijgt hierin nadrukkelijkaandacht, onder meer via publiekscampagnes, projecten zoals «SeksueleOpvoeding door Ouders» (Rutgers), de alliantie Act4Respect en onderzoekals T@CKLE (Nationale Wetenschapsagenda). Verder wordt door de bij hetNAP betrokken departementen en de regeringscommissaris seksueelgrensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld verkend hoe omstandersonline actiever kunnen worden.Nederland beschikt verder over een uitgebreid en onafhankelijk toezicht-houderslandschap, bestaande uit verschillende autoriteiten met elk huneigen expertise waarbij ieder valt onder de verantwoordelijkheid van een19Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 843, nr. 128Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 38 departement. Binnen ons toezichthouderslandschap bewaakt de AutoriteitPersoonsgegevens (JenV) onze persoonsgegevens, terwijl de ACM (EZ)zorgt voor eerlijke concurrentie en consumentenbescherming online. HetCommissariaat voor de Media (OCW) houdt toezicht op videoplatform-diensten en video-uploaders («influencers»), bevordert betrouwbaar enpluriform media-aanbod en zet zich in voor een veilige online omgevingvoor jongeren. Relatief nieuw is de ATKM: een autoriteit waar hetMinisterie van Justitie en Veiligheid het initiatief toe heeft genomen omeen verschil te maken in de hosting van materiaal van seksueel kindermis-bruik in Nederland. De ATKM is gericht op het detecteren, beoordelen enlaten verwijderen van deze specifieke content op basis van haar bestuurs-rechtelijke bevoegdheden. Hoewel de ATKM enkel kan acteren opmateriaal van kinderen, is zij wel een belangrijke speler in handhaving oponline seksueel geweld.De toezichthouders informeren burgers en bedrijven, voeren controles uiten handhaven de regels met waarschuwingen, boetes of andere maatre-gelen. De toezichthouders werken steeds vaker samen bij online kwesties.Deze samenwerking en hun autonomie zijn cruciaal voor een betrouwbaaren veilig digitaal Nederland.In de beleidsreactie wordt ook ingegaan op de verschillende aanbeve-lingen uit het rapport. Zo is, in reactie op de aanbeveling over prioriteringen samenwerking, waar het lid Dobbe naar refereert, toegelicht dattoezichthouders al effectief samenwerken in verschillende verbanden,zoals de DSA-Kamer en het multilateraal samenwerkingsprotocol. Daarbijverkennen toezichthouders hoe hun samenwerking verder kan wordenverdiept en hoe de beschikbare bevoegdheden optimaal kunnen wordenbenut voor een sluitende aanpak. De lijn uit deze beleidsreactie wordtdoor dit kabinet voortgezet en versterkt, met blijvende aandacht vooronline seksueel geweld, inclusief online vrouwenhaat en seksueleintimidatie20.7. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg wordtverzocht om met een plan te komen om het aantal opvangplekken indevrouwenopvang te verhogen naar 1.800, in lijn met het verdrag vanIstanbul.Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor deorganisatie en financiering van de vrouwenopvang. Hiervoor kunnen zijfinanciële middelen uit de DUVO en algemene uitkering gebruiken. Per2020 heeft het kabinet structureel 14 miljoen euro beschikbaar gesteld aangemeenten voor het aanpakken van knelpunten in de vrouwenopvang enzorg te kunnen dragen voor voldoende opvangplekken21. Het realiserenvan extra opvangcapaciteit bleek nodig, mede door de toegenomen vraag.Mijn ambtsvoorganger heeft per 2026 aanvullend structureel 12 miljoeneuro toegevoegd aan de Decentralisatie-uitkering Vrouwenopvang(DUVO). Met de VNG en Valente is in bestuurlijke afspraken vastgestelddat de aanvullende 12 miljoen euro daadwerkelijk wordt gebruikt voor deuitbreiding van opvangcapaciteit van de vrouwenopvang. Op dit momentwordt door gemeenten en opvanginstellingen gewerkt aan de realisatievan deze uitbreiding. Gezamenlijk met de VNG en Valente zal ik deontwikkelingen binnen de vrouwenopvang en de uitbreiding van decapaciteit monitoren. Op deze manier houden we gezamenlijk zicht op dedruk op de capaciteit van de opvang en het effect van de uitbreiding vanhet aantal opvangplekken.20Coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag, bouwen aan een beter Nederland», D66, VVD enCDA, 30 januari 202621Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 28 345, nr. 254Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 39 In het Verdrag van Istanbul is de aanbeveling opgenomen om 1opvangplek per 10.000 inwoners te organiseren. Voor Nederland zou datongeveer 1800 opvangplekken betekenen. Dit betreft een aanbeveling,waarbij wordt vermeld dat de nationale context leidend moet zijn in hetbepalen van het daadwerkelijk benodigd aantal opvangplekken. Hetuitgangspunt van 1 opvangplek per 10.000 inwoners lijkt voor Nederlandniet passend. Het bepalen van een passend aantal opvangplekken voor deNederlandse context is complex omdat dit van verschillende factorenafhankelijk is zoals bijvoorbeeld de beschikbaarheid van betaalbarewoningen voor slachtoffers na het verlaten van de opvang. Deze opgavevraagt heeft dan ook om continue afstemming met de VNG en Valente. Ikblijf hierover dan ook met de VNG en Valente in gesprek.8. De Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg wordtverzocht om met een nieuwe campagne te komen om de bekendheid vanhet Centrum Seksueel Geweld te vergroten.Steeds meer mensen weten de weg naar het CSG te vinden. Dit blijkt ookuit de significante stijging van het totale aantal slachtoffers dat in 2024 isgeholpen, zowel minderjarig als meerderjarig. In het jaar 2024 was er eenstijging van 10% in het totaal aantal geholpen meerderjarige en minder-jarige slachtoffers, naasten en professionals22. Dit is waarschijnlijk vooreen belangrijk deel te verklaren door de grotere bekendheid van het CSGonder burgers en professionals. De maatschappelijke- en media-aandachtvoor het thema seksueel geweld is toegenomen en er zijn verschillendeactiviteiten geïnitieerd om slachtoffers van seksueel geweld te bereiken ende stap naar hulp te vergemakkelijken. Zo zijn afgelopen jaren meerderecampagnes gevoerd om hulp bij seksueel geweld onder de aandacht tebrengen. Ook is vanuit het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueelgrensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) eenactielijn gewijd aan goede en makkelijk vindbare hulpverlening. Tot slothoudt de stijging mogelijk ook verband met de nieuwe Wet seksuelemisdrijven, vanaf 1 juli 2024. In de jaarcijfers is namelijk met name eenflinke stijging te zien in de aanmeldingen in de tweede helft van het jaar2024.Hoewel het positief is dat het CSG steeds beter gevonden wordt, brengtde stijging ook organisatorische uitdagingen met zich mee. Het kabinet issamen met gemeenten de afgelopen jaren tegemoetgekomen aan destijgende druk op het LCSG (waar de meldingen doorgaans binnenkomen)door in te zetten op het op orde krijgen van de basisdienstverlening, zieook het antwoord op punt 2. Het kabinet houdt vast aan deze prioriteitboven op het inzetten op het verder vergroten van de naamsbekendheid.9. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt verzocht ingesprek te gaan met media over de mogelijkheid om standaardinformatieover het Centrum Seksueel Geweld op te nemen onder nieuwsberichtenover seksueel geweld.Journalistieke redacties kunnen een belangrijke bijdrage leveren bij debekendheid van CSG’s en het is waardevol om te zien dat slachtoffers vanseksueel geweld deze centra sneller weten te vinden, mede dankzij deaandacht daarvoor bij journalistieke redacties. Het is echter aan journalis-tieke redacties zelf om te bepalen of zij een verwijzing naar CSG’sopnemen in hun producties. Vanwege de onafhankelijkheid van de mediais het niet wenselijk dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap hierop aanstuurt. Uiteraard kunnen organisaties als het CSG zelfcontact leggen met mediapartijen om met hen in gesprek te gaan en te22Jaarverslag 2024, Stichting Landelijk Centrum Seksueel GeweldTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 310 onderzoeken waar ze elkaar kunnen versterken. Op de website van hetCSG wordt nu al specifieke informatie weergegeven voor journalisten.10. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verzocht om in gesprek tegaan met onderwijsinstellingen die zorgopleidingen aanbieden over demogelijkheden om daarin meer aandacht te besteden aan het herkennenvan signalen van seksueel geweld en het bieden van goede zorg aanslachtoffers van seksueel geweld.Goede scholing van zorgprofessionals op het gebied van seksueel geweldis van groot belang. Voor verschillende zorgopleidingen zijn opleidingsbe-sluiten vastgesteld waarin eisen voor de betreffende opleiding zijnopgenomen. Zo is in het Besluit opleidingseisen arts opgenomen dat deopleiding aandacht moet besteden aan geweld in relaties tussen mensen,waaronder partnergeweld en kindermishandeling. Ook in de opleidingentot verloskundige en gezondheidszorgpsycholoog is hiervoor eenwettelijke basis aanwezig. Daarnaast geldt voor zorg- en onderwijs-instellingen een wettelijke verplichting om de meldcode huiselijk gewelden kindermishandeling te implementeren en het gebruik ervan doorprofessionals te bevorderen, wat ook gericht is op de signalen vanseksueel geweld. Binnen het mbo wordt het thema grensoverschrijdendgedrag (en waar relevant de meldcode huiselijk geweld en kindermishan-deling) expliciet benoemd in een aantal kwalificatiedossiers van zorg enwelzijn.De verantwoordelijkheid voor de concrete invulling van het scholings-aanbod ligt bij de opleidingsinstellingen zelf. Zij bepalen zelfstandig opwelke wijze zij binnen hun curriculum invulling geven aan de geldendeopleidingseisen. Het is dan ook niet aan de wetgever om rechtstreeks voorte schrijven hoe opleidingen dit onderwerp behandelen.11. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap worden verzocht om in gesprek tegaan met de Universitair Medische Centra over de mogelijkheden in bij deopleiding geneeskunde meer aandacht te besteden aan specialisatiesbuiten het ziekenhuis, zoals de opleiding tot forensisch arts.Voldoende instroom in de forensische geneeskunde is van groot belang.Daarom is via de campagne Kies voor Forensische Geneeskunde23specifiek aandacht gevraagd voor het vak van forensisch arts en demogelijkheden om hiervoor opgeleid te worden.Naast de inzet op de bekendheid en het vergroten van de aantrekkelijkheidvan het vak zet het kabinet in op de versterking van de forensischegeneeskunde door te werken aan het vergroten van de opleidingscapa-citeit en het versterken van de positie van de forensische geneeskunde.Het kabinet zet daarnaast ook breed in op het vergroten van de instroomvoor artsenberoepen buiten het ziekenhuis door het vergroten van debekendheid en aantrekkelijkheid via arbeidsmarktcampagnes, zoals NextLevel Dokter 24. Doel hierbij is om geneeskundestudenten en basisartsenbeter zicht te geven op de verschillende loopbaanmogelijkheden buitenhet ziekenhuis, waaronder de forensische geneeskunde.Tot slot zal het kabinet in gesprek blijven met de universitaire medischecentra over de aandacht binnen de opleiding geneeskunde voor speciali-saties buiten het ziekenhuis, zoals de forensische geneeskunde.23Kies voor Forensische Geneeskunde, www.kiesvoorforensischegeneeskunde.nl/24Next Level Dokter, Forensisch arts, www.nextleveldokter.nl/next-level-dokter-expertises/forensisch-arts/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 311 12. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt verzocht omervoor te zorgen dat er altijd een passende professionele tolk kan wordeningezet op plekken waar slachtoffers van seksueel geweld zich melden,zowel bij gespecialiseerde hulporganisaties als bij bijvoorbeeld dehuisarts.Om goede en passende zorg te bieden is heldere communicatie tussenzorgverleners en patiënten en/ of cliënten heel belangrijk. Tolken spelenhierin een onmisbare rol in. In verschillende wetten is heldere communi-catie richting patiënten en/ of cliënten in de zorg geborgd. Daarnaast zijner diverse ontwikkelingen waarmee wordt ingezet op het aanpakken vanknelpunten ten aanzien van de inzet van tolken in de Zvw. Onderstaandworden de relevante wetten en ontwikkelingen beschreven.De Wet Geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo) schrijft voor dateen patiënt zo begrijpelijk en volledig mogelijk is geïnformeerd voordat erzorg kan worden geleverd. Alleen dan kan de patiënt geïnformeerdtoestemming geven voor deze zorg (informed consent). Daarnaast bepaaltde Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) dat een zorgaan-bieder goede zorg moet leveren die in ieder geval veilig, doeltreffend,doelmatig en cliëntgericht is. De zorg moet tijdig worden verleend enmoet passen bij de daadwerkelijke behoefte van de patiënt. In sommigesituaties is hiervoor de inzet van een professionele tolk een randvoor-waarde. De Richtlijn «Omgaan met taalbarrières in de zorg en het sociaaldomein» biedt hiervoor een handvat. In de Kamerbrief van 16 december2024 heeft de toenmalige Minister van VWS aangegeven het belangrijk tevinden dat zorgprofessionals worden ondersteund in de randvoorwaardenvoor het leveren van zorg zoals die onder andere worden beschreven inde Wgbo en Wkkgz.25Voor de uitvoering van de motie van de leden Paulusma (D66), Ceder (CU)en Westerveld (GL/PvdA) die de regering verzoekt op de korte termijn toteen oplossing te komen voor de problemen rondom de inzet van tolken inde huisartsenzorg26, is de NZa gevraagd om advies te geven over debekostiging van de inzet van tolken binnen de huisartsenzorg. Op16 december 2024 heeft het Kabinet de Kamer geïnformeerd over hetadvies van de NZa.27 In het rapport schrijft de NZa dat ze signalen hebbenontvangen van knelpunten in de bekostiging van tolken buiten dehuisartsenzorg (namelijk paramedische zorg, wijkverpleging en farmaceu-tische zorg). Daarom geeft de NZa ook (op hoofdlijnen) enkele overstij-gende bekostigingsopties die breder zijn dan de huisartsenzorg.Voorbeelden hiervan zijn onder andere de bekostiging via een regionaaleerstelijnsamenwerkingsverband (RESV) of een «algemene dienst tenbehoeve van zorg»-prestatie (ADZ-prestatie). De NZa adviseert om debekostigingsopties die breder zijn dan de huisartsenzorg verder teonderzoeken voordat een definitief besluit wordt genomen over debekostiging van tolken in de huisartsenzorg. Dit is in lijn met de motie vande leden Paulusma (D66) en Ceder (CU) die de regering verzoekt op delange termijn te bezien of, en zo ja hoe, een algehele prestatie binnen deZvw voor de inzet van tolken mogelijk wordt28. Het proces wordtzorgvuldig doorlopen, wat in lijn is met de motie van het lid Van der Plas(BBB) die de regering verzoekt om de resultaten van relevante analyses afte wachten voordat voorstellen naar de Kamer worden gezonden29.Hiervoor wordt ook afgestemd met veldpartijen, zodat we tot eenwerkbare oplossing komen die tot daadwerkelijke verbetering leidt in depraktijk.25Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XVI, nr. 15226Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 200 XVI, nr. 22427Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2025, 36 600 XVI, nr. 15228Tweede Kamer, vergaderjaar2022–2023, 36 200 XVI, nr. 22529Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 200 XVI, nr. 230Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 312 Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor hetondersteunen van personen die niet zelfstandig aan de samenlevingkunnen deelnemen of hulp nodig hebben bij hun zelfredzaamheid.Voorzieningen binnen het kader van zelfredzaamheid, waar ook eentolkendienst onder valt, kunnen uit het Gemeentefonds worden betaald.Wanneer een taalbarrière het moeilijk maakt om de juiste ondersteuningte krijgen, is het aan de betreffende gemeente om te beoordelen of in eenspecifiek geval inzet van een tolk nodig is en om dit te regelen als datnoodzakelijk is. Gemeenten hebben daarbij de vrijheid om tolkdiensten opverschillende manieren te organiseren, bijvoorbeeld door er maatwerk ofeen algemene voorziening van te maken, deze op te nemen in contractenmet zorgaanbieders of door medewerkers met diverse (taal)achter-gronden aan te nemen in wijkteams.Voor de Jeugdwet geldt ook dat die geen specifieke bepalingen bevat overde inzet van tolkvoorzieningen in het kader van de jeugdhulp. Gemeentenkunnen zelf afspraken kunnen maken met contractpartners over hetgebruik en de vergoeding van tolken, waarbij de kosten worden gedekt uitde gemeentelijke budgetten. Voor kinderen die onder de verantwoorde-lijkheid van het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA) vallen, is desituatie anders geregeld. De kosten voor tolken voor deze doelgroepworden vergoed door het COA.Voor zorgaanbieders binnen de Wet Langdurige Zorg (Wlz) geldt dat voorintramurale zorg een integraal tarief wordt gehanteerd. Vanuit dit tariefkan, indien noodzakelijk voor goede zorgverlening, ook de inzet van eentolk worden bekostigd. Tolkeninzet is daarmee geen afzonderlijkeaanspraak, maar kan worden beschouwd als een randvoorwaarde ompassende zorg te bieden. Voor cliënten die thuis wonen geldt dat zij eeneigen huisarts hebben en zich bij gezondheidsklachten of hulpvragen,waaronder signalen van seksueel geweld, hiertoe kunnen wenden.Tot besluitSlachtoffers van seksueel geweld verdienen goede zorg en ondersteuning.De initiatiefnota biedt waardevolle inzichten en draagt bij aan de verderegedachtevorming over hoe die zorg en ondersteuning verder kunnenworden verbeterd.Ik vertrouw erop u met deze brief en de reactie op de afzonderlijkebeslispunten voldoende te hebben geïnformeerd over de inzet van hetkabinet op dit terrein en ga graag met de Kamer in gesprek over dezereactie.De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,W.R.C. SterkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 841, nr. 313

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 94e1b5e2c27b40c1

14 okt 2026 · a929f16f59608092

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.