Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie bea01f4697a14fa6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 17 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 17 november 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast methet voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eerverslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daaropgegeven antwoorden.De vragen zijn op 2 oktober 2025 voorgelegd aan de Minister en deStaatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van12 november 2025 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De fungerend voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Easton kst-36800-VIII-17ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 171 1Kunt u de (verwachte) ontwikkeling laten zien van het bedrag dat per jaaruitgegeven wordt aan onderwijs voor de periode 2000–2030 in absolutebedragen en als percentage van de rijksbegroting?In onderstaande tabel wordt het bedrag dat per jaar door het Ministerievan OCW wordt uitgegeven aan onderwijs voor de periode 2009–2030weergegeven in absolute bedragen en als percentage van de totalerijksbegroting. Voor de jaren 2008 en eerder zijn de gegevens nietvoldoende compleet om een betrouwbare vergelijking uit te voeren endeze jaren zijn daarom niet opgenomen in de tabel.(bedragen x € 1.000)PeriodeAbsolute uitgaven aanonderwijs1Uitgaven aan onderwijs alspercentage van de rijksbe-groting2200928.206.80212,8%201028.714.89312,5%201129.178.91711,9%201229.310.46811,9%201330.606.30012,7%201431.128.04412,6%201531.641.35812,8%201633.733.90713,3%201733.171.35213,2%201836.965.36813,5%201937.389.52212,9%202038.283.20711,5%202142.619.76212,3%202245.930.99812,9%202347.281.72312,6%202448.116.87112,1%202551.929.18012,3%202648.799.98310,9%202751.145.10710,6%202849.194.8969,9%202948.864.7139,5%203048.666.1509,1%1 De absolute bedragen voor de periode 2002–2024 zijn weergegeven in lopende prijzen(werkelijk uitgegeven bedragen in dat jaar). Voor 2025 en verder zijn de bedragen weergegevenin prijspeil 2025.2 Voor de uitgaven van de rijksbegroting zijn de kaderrelevante netto-uitgaven gehanteerd alsdefinitie. 2Kunt u de (verwachte) ontwikkeling laten zien van het bedrag dat per jaaruitgegeven wordt aan onderzoek voor de periode 2000–2030 in absolutebedragen en als percentage van de rijksbegroting?In onderstaande tabel wordt het bedrag dat per jaar door de Rijksoverheidwordt uitgegeven aan onderzoek en ontwikkeling voor de periode2009–2030 weergegeven in absolute bedragen en als percentage van detotale rijksbegroting. Deze gegevens zijn afkomstig van de TWIN (totaleinvesteringen in wetenschap en innovatie) en TOF (totale onderzoekfinanciering) rapporten van het Rathenau Instituut. Voor het jaar 2030 zijnde gegevens nog niet beschikbaar en voor de jaren 2007 en eerder zijn degegevens niet voldoende compleet om een betrouwbare vergelijking uit tevoeren en deze jaren zijn daarom niet opgenomen in de tabel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 172 (bedragen x € 1.000)PeriodeAbsolute uitgaven Rijks-overheid aan onderzoek enontwikkeling1Uitgaven Rijksoverheid aanonderzoek en ontwikkelingals percentage van de rijksbe-groting220084.145.8002,0%20095.070.1002,3%20105.112.2002,2%20114.975.1002,0%20124.676.8001,9%20134.794.3002,0%20144.873.8002,0%20154.880.7002,0%20164.926.0001,9%20174.957.9002,0%20185.520.9002,0%20195.625.6001,9%20206.063.6001,8%20216.847.1002,0%20227.532.9002,1%20238.532.0002,3%20249.735.4002,5%20259.653.6002,3%20269.507.1002,1%20279.042.8001,9%20288.874.2001,8%20298.386.5001,6%1 De absolute bedragen voor de periode 2002–2024 zijn weergegeven in lopende prijzen(werkelijk uitgegeven bedragen in dat jaar). Voor 2025 en verder zijn de bedragen weergegevenin prijspeil 2025.2 Voor de uitgaven van de rijksbegroting zijn de kaderrelevante netto-uitgaven gehanteerd alsdefinitie. 3Hoe heeft de verhouding tussen de financiering voor mbo1, hbo2 en wo3zich over de afgelopen dertig jaar ontwikkeld?In onderstaande tabel worden de uitgaven en de studentenaantallen voorhet mbo (artikel 4), hbo (artikel 6) en wo (artikel 7) weergegeven voor deperiode 2002–2030. De uitgaven aan ontwerp en ontwikkeling in het hboen onderzoek in het wo zijn hier ook meegenomen. De cijfers voor hetmbo, hbo en wo kunnen daarom niet een op een vergeleken worden metelkaar. Voor de jaren 2000 en 2001 zijn de gegevens niet voldoendecompleet om een betrouwbare vergelijking uit te voeren en deze jaren zijndaarom niet opgenomen in de tabel.1mbo: middelbaar beroepsonderwijs2hbo: hoger beroepsonderwijs3wo: wetenschappelijk onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 173 (getallen x 1.000)Periodembo (artikel 4)hbo (artikel 6)wo (artikel 7)uitgaven(€)aantalstudentenuitgaven(€)aantalstudentenuitgaven(€)aantalstudenten20022.545.6434641.603.5693223.045.24417920032.576.2304781.634.1463353.131.64518920042.663.9344851.714.5663463.215.64219920052.828.4744821.797.7393563.337.89520520063.134.5084871.876.7983663.396.59720820073.191.6664982.025.7793743.511.53221220083.332.9525122.153.8633843.676.67822020093.503.4745152.317.6184053.781.80023320103.498.6885242.489.2314193.822.986242201113.262.3175282.466.5824253.888.29224520123.315.7505202.491.8904233.930.84924120133.381.2885072.568.7704414.015.08225020143.404.2834902.688.1384464.115.68525520153.686.7254852.756.1304424.178.62125920163.704.0634922.773.8094464.298.11626620173.786.7954962.868.1974524.416.57727820184.151.1445063.185.0404554.829.57329320194.210.1605123.310.5944635.101.09630520204.330.2005173.420.2614885.386.19832920214.605.3465104.191.1404906.034.53134220224.722.3534914.611.8194766.620.12934220235.192.1374774.476.2734607.067.56234220245.232.8504764.538.3654497.400.83034020255.485.6894774.474.8994397.394.60733620265.690.3184804.397.8574307.354.97333220275.718.4154814.217.5704257.251.76532720285.681.9604794.142.3594217.189.65732320295.680.4684754.125.2914187.135.85332020305.662.9544724.113.3314157.143.3523161 Voor de periode 2002–2010 zijn de totale uitgaven van het artikel weergegeven. Vanaf 2011 zijn de uitgaven van het instrument bekostiging vanhet artikel weergegeven. Dit betreft dus niet de totale uitgaven van het hele artikelonderdeel en verklaart de lagere bedragen voor mbo en hbo in2011 ten opzichte van 2010. 4Van welke studierichtingen is er nog maar één bestaande, erkendeopleiding in Nederland?«Studierichting» is geen gedefinieerd begrip in het hoger onderwijsbeleid. Het is daarom niet te zeggen van welke studierichtingen er nogmaar één bestaande, erkende opleiding in Nederland is. Wat we welweten uit het zogenaamde RIO-register waarin alle erkende hbo- enwo-opleidingen zijn opgenomen, is dat in het jaar 2024 er 236 opleidingenwaren die aan één hbo-instelling werden gegeven en 511 opleidingen dieaan één wo-instelling werden gegeven (Bron: Aantal opleidingen aan eenenkele instelling gegeven | Kerncijfers en indicatoren Hoger Onderwijs |OCW in cijfers). In hoeverre deze opleidingen inhoudelijke overlap ofverschillen hebben met andere opleidingen is niet uit de cijfers af teleiden. Wel zijn er enkele bekende voorbeelden van unieke studies, denkdan aan de studie dansdocent Euritmie die aan de hogeschool Leidenwordt aangeboden en diergeneeskunde bij universiteit Utrecht.5Kunt u de (verwachte) ontwikkeling laten zien van de verhouding tussenreguliere promovendi, beurspromovendi en buitenpromovendi?Onderstaande tabel geeft de absolute aantallen promovendi weer voor2021 t/m 2024, uitgesplitst naar type. Deze data staan op de website vanUniversiteiten van Nederland. Voor eerdere jaren zijn geen databeschikbaar omdat er toen nog geen universiteitsbrede registratiesys-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 174 temen voor promovendi bestonden. Er is geen informatie over verwachteontwikkelingen beschikbaar.20242023202220211a. Werknemer-promovendus22.31220.93619.11017.5911b. Promoverend medewerker2.5172.4971.5531.5142. Beurspromovendus4.4574.4964.1904.6793. Extern gefinancierdepromovendus4.7174.8554.7763.5954. Buitenpromovendus (eigenmiddelen)5.7916.0155.8456.215Onbekend14125631.8602.825Totaal40.20639.36237.33436.4191 Het aantal «Onbekend» neemt over tijd af vanwege verbeterde promovendiregistratiesystemenbij de universiteiten. 6Kunt u de (verwachte) ontwikkeling laten zien van de rijksbijdrage perstudent voor de periode 2000–2030?De hoogte van de rijksbijdrage per student is afhankelijk van een aantalfactoren.Allereerst wordt jaarlijks aan de hand van de referentieraming hetmacrobudget bijgesteld. Voor de budgettaire verwerking wordt gebruiktgemaakt van de onderwijsuitgaven per student en het verschil instudenten tussen de actuele raming en de voorgaande raming. Eenstijging van het aantal studenten bij een gelijkblijvend onderwijsbudget,kan daarom resulteren in een lagere rijksbijdrage (onderwijs enonderzoek) per student.Naast deze autonome ontwikkeling kunnen er extra middelen wordentoegevoegd aan de Rijksbijdrage of kunnen de taken van instellingenworden uitgebreid (bijvoorbeeld meer aandacht voor studievoortgang enstudentbegeleiding).In onderstaande grafiek en tabel is de (verwachte) ontwikkeling te zien vande rijksbijdrage per student voor de periode 2000–2030. Dit omvat zowelonderwijs- als onderzoeksbekostiging. De gegevens zijn afkomstig uit dereferentieramingen, de jaarverslagen en de begroting 2026 van hetMinisterie van OCW en zijn gecorrigeerd voor inflatie.Belangrijk om te vermelden is dat in de gevraagde periode twee verschil-lende berekeningsmethoden gehanteerd zijn. Namelijk:−In de jaren 2000 t/m 2010 is in de begroting uitgegaan van de totalebegrotingsomvang exclusief apparaatskosten (dus bekostiginginclusief subsidies en opdrachten).−Voor de jaren 2011 t/m 2030 is uitgegaan van de totale rijksbijdrage(alleen bekostiging) aan de instellingen.Dit maakt dat de rijksbijdrage per student over die twee periodes nietvergelijkbaar is. De rijksbijdrage per student in 2000 t/m 2010 is zeerwaarschijnlijk een overschatting, doordat hier ook subsidies enopdrachten in zitten.In de grafiek is te zien dat de rijksbijdrage per student in de eerste periodetot 2010 daalt en daarna redelijk stabiliseert. Tussen 2020 en 2022 is eenlichte stijging te zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 175 hbowo20008.21931.10520018.71631.39320028.83930.52920038.65729.48120048.68528.57820058.75728.12420068.68727.35120078.91527.34020088.89426.84320099.17826.26720109.34925.08020118.83025.30720128.80025.35920138.93424.97620149.00524.78720159.02824.36720168.98924.38020178.99323.86220189.60424.30820199.58223.81820209.40123.379202110.79323.932202211.28524.194202310.69524.514202410.17823.454202510.29423.695202610.36523.911202710.14024.035202810.10024.252202910.15324.399203010.17024.605 7Wat is de verwachte koopkrachtontwikkeling voor studenten de komendevijf jaar?Het kabinet en het Centraal Planbureau maken geen ramingen voor dekoopkracht van studenten. Daarom kan het kabinet ook geen inzicht gevenin de verwachte koopkrachtontwikkeling voor de komende vijf jaar. Welheeft het Nibud de koopkrachtontwikkeling van verschillende typenstudentenhuishoudens voor 2026 berekend. Studenten op kamers gaan ertussen 1,0% en 1,7% op vooruit. Studenten in een studio hebben te makenvan een koopkrachtstijging van 18,8%, omdat zij vanaf 1 januari 2026 inaanmerking komen voor huurtoeslag. Het Nibud brengt de koopkrachton-wikkeling van thuiswonende studenten niet in kaart. Zij maken deel uitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 176 van een huishouden, waarbij ouders veel van de uitgaven voor hunrekening nemen. Het is daarom niet mogelijk om de koopkrachtontwik-keling van individuele thuiswonende studenten in te schatten.8Kunt u een overzicht geven van alle doelgerichte subsidies die deafgelopen twintig jaar zijn opgegaan in het lumpsumbedrag van derijksbijdrage aan scholen?De afgelopen vijf jaar zijn binnen het funderend onderwijs middelenvanuit een aantal subsidieregelingen aan de bekostiging toegevoegd. Zozijn in 2025 middelen voor residentieel onderwijs aan de bekostiging vanschoolbesturen en samenwerkingsverbanden toegevoegd (€ 5 miljoen).Dit is tot en met 2028 en deze middelen houden verband met de afbouwvan de van de gesloten jeugdhulp. Daarnaast zijn in het voortgezetonderwijs in 2024 de middelen voor «voorkomen onnodig zittenblijven»(€ 5,9 miljoen) toegevoegd aan de basisbekostiging. In het sectorakkoordvo uit 2014 was afgesproken dat deze middelen aan de bekostigingzouden worden als er voldoende inspanningen gepleegd waren.Daarnaast zijn de middelen voor «professionalisering schoolleiders vo» in2024 aan de bekostiging toegevoegd (€ 10,6 miljoen). Dit omdat deVO-raad hier activiteiten voor uitvoert, die door schoolbesturen zelfworden bekostigd. Er is geen integraal overzicht dat verder teruggaat danvijf jaar.De komende tijd zullen de middelen die vanuit subsidieregelingen wordentoegevoegd aan de bekostiging aanzienlijk toenemen. Dit komt omdat ervanuit het Regeerakkoord van Rutte IV middelen zijn toegevoegd aan deOCW-begroting in 2021 die als subsidie zijn vertrekt aan scholen. In debrief over de herijking van de sturing in het funderend onderwijs (31 293,nr. 727) is het voornemen en het belang om structurele taken voorstructureel te bekostigen toegelicht. Dit voornemen is vervolgensopgenomen in het Regeerprogramma van het kabinet Schoof. Zo wordende middelen voor basisvaardigheden na ommekomst van het wetgevings-traject per 2027 als (gerichte) bekostiging verstrekt. Daarnaast wordt ergewerkt aan één aanvullende bekostigingsregeling voor huidige subsidie-regelingen school en omgeving, brugfunctionaris en schoolmaaltijden. Ditzal per 2029 zijn (31 293, nr. 828). Hiervoor is een wetswijziging invoorbereiding.9Welk aandeel van de klassen in het primair onderwijs heeft dertigleerlingen of meer?In 2024 had 5,3% van de groepen in het basisonderwijs dertig leerlingenof meer.10Welk aandeel van de klassen in het primair onderwijs heeft 24 leerlingenof meer?In 2024 had 43,7% van de groepen in het basisonderwijs 24 leerlingen ofmeer.11Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen de grootte vanklassen in het primair onderwijs en de grootte van de scholen waar dieklassen deel van uitmaken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 177 Grote scholen hebben gemiddeld grotere groepen. In de tabel hieronder iseen overzicht weergegeven van het gemiddeld aantal leerlingen per groepbij scholen van verschillende omvang. Dit is op basis van de gegevensvan 2024 en gaat alleen over het regulier basisonderwijs.Aantal leerlingen op de school0–5051–100101–150151–200201–400401+Gemiddeld aantal leerlingen per groep15,420,221,022,624,025,0 12Kunt u aangeven in hoeverre managementlagen zullen krimpen door debezuinigingen op het onderwijs?Instellingen bepalen zelf hoe zij bezuinigingen invullen. De effecten vaneen eventuele bezuiniging zullen daarom per instelling verschillen. Daarbijhoudt het Ministerie van OCW niet bij wat de omvang van een «manage-mentlaag» per instelling is. Op basis van de jaarrekeningen is wel teonderscheiden hoeveel procent van de totale lasten naar personeel,huisvesting en afschrijvingen en overige kosten gaat. Dit is gemiddeldrespectievelijk 81%, 9% en 10%. Het Ministerie van OCW werkt aan eennorm voor overhead voor het funderend onderwijs, die inzichtelijk moetmaken welk deel van de bekostiging besteed wordt aan het primaireproces. Het Ministerie van OCW laat daarvoor onderzoek uitvoeren naarmogelijke definities voor overhead en zal met het onderwijsveld ingesprek gaan over de vormgeving van een uitvoerbare norm.13Hoeveel privéscholen zijn er de afgelopen tien jaar bijgekomen en methoeveel leerlingen?In 2023 waren er 27 zelfstandige exameninstellingen, oftewel b2-scholen.Dit zijn particuliere scholen die bevoegd zijn om examens af te nemen,zoals het Luzac Lyceum of het Winford College. Dit aantal is al langstabiel. Het leerlingaantal is ook al lang stabiel rond de 900 leerlingen.Het aantal Nederlandse particuliere scholen zonder examenbevoegdheid(oftewel b3-scholen, zowel po als vo) is sinds 2015 gegroeid van 44 naar132 (waarvan één school op Bonaire). Er gaan op dit moment ongeveer3000 leerlingen naar b3-scholen.Er zijn sinds 2015 12 nieuwe internationale particuliere scholen(b4-scholen) bijgekomen. 9 daarvan bestaan uit zowel een po als een voafdeling. Het gaat dus, wanneer de po- en vo tak los geteld worden, om 21instellingen.In oktober 2025 zijn er in totaal 48 internationale particuliere scholen bijhet Ministerie van OCW bekend (zowel po als vo). Deze scholen wordenbezocht door ongeveer 8000 leerlingen. Hoeveel leerlingen het preciesbetreft, is niet met zekerheid vast te stellen omdat niet elke b4-school degegevens correct aanlevert. De Inspectie van het Onderwijs houdt enkeltoezicht op de Nederlandse les die b4-scholen verplicht zijn aan te biedenaan leerlingen met de Nederlandse nationaliteit (dit in tegenstelling tot b2-en b3-scholen waar de Inspectie van het Onderwijs wel volledig toezichtop houdt, zij het middels een ander, beknopter kader dan voor bekostigdescholen). Dit betreft dus niet iedere b4-school. Het toezicht is verdervolledig in handen van buitenlandse autoriteiten (zoals de Franse ofDuitse onderwijsinspectie) of een erkende accreditatieorganisatie (zoalsInternational Baccalaureate of Cognia).14Hoeveel geld is er structureel beschikbaar voor gastlessen in hetfunderend onderwijs gericht op tegengaan van antisemitisme?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 178 Vanaf 2026 is vanuit de kabinetsbrede Strategie Bestrijding Antisemitismestructureel € 1 miljoen per jaar beschikbaar voor extra curriculaireactiviteiten over de Holocaust. Dat bedrag wordt onder meer besteed aanscholierenbezoek aan musea en authentieke locaties, gastlessen enworkshops. Daarmee wordt tevens aangesloten bij de motie Bikker c.s.,die verzoekt om Nederlandse jongeren via scholierenbezoeken meerkennis te laten opdoen over de Holocaust4.Het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden ontvangt structurelebekostiging vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sportvoor het geven van gastlessen over de Tweede Wereldoorlog of recenteconflicten en vredemissies. Daarnaast kan er uit de reguliere bekostiginggeput worden voor dit soort activiteiten.15Voor welke subsidieregelingen zijn er afgelopen jaar meer aanvragengedaan dan dat er middelen beschikbaar waren?Voor 2025 is deze informatie nog niet beschikbaar. In 2024 zijn er voor devolgende subsidieregelingen meer aanvragen gedaan dan dat ermiddelen beschikbaar waren:−Basisvaardigheden−Brugfunctionaris−Verbinding PO-VO−Maatschappelijke diensttijd−LLO-Katalysator−De subsidieregeling instandhouding monumenten (sim).Daarnaast zijn er een aantal subsidieregelingen die op een andere maniervormgegeven zijn wanneer er meer aanvragen zijn dan er middelenbeschikbaar zijn:−Zo is in 2024 voor de Regeling Praktijkleren voor een aantal sectorende maximale subsidie van € 2.700 per leerwerkplek niet vollediguitgekeerd omdat meer aanvragen gedaan zijn dan er beschikbaarbudget was, dit in verband met een subsidieplafond. Het totale budgetin deze sectoren is verdeeld over het totaal aantal binnengekomenaanvragen.−Voor het groeifondsprojecten Biotech Booster zat in 2024 de geheleportefeuille vol. Deze regeling is zo vormgegeven dat als de porte-feuille vol zit, het consortium geen ideeën meer in behandeling neemten er geen formele subsidieaanvragen meer kunnen worden inge-diend. Bij het consortium was daardoor wel een wachtlijst aanprojecten.16Kunt u een overzicht geven van het moment waarop in andere Europeselanden in het onderwijs selectie plaatsvindt?Uit vergelijkend onderzoek van GION (De overgang van primair naarvoortgezet onderwijs in internationaal perspectief) tussen (een aantal)Europese landen komen grofweg drie soorten onderwijsstelsels naarvoren. In een aantal landen wordt gewerkt met «gedifferentieerdeonderwijsstelsels» (o.a. Nederland, Oostenrijk), waarin onderwijs opverschillende niveaus wordt gegeven en leerlingen op 10/11/12-jarigeleeftijd worden geselecteerd. In «common core curriculum»-stelsels (o.a.Engeland, Frankrijk, België) gaan leerlingen op dezelfde leeftijd naar hetvo, maar volgen leerlingen in de eerste jaren van het vo een aantal jarenhetzelfde gemeenschappelijke curriculum en wordt pas later gedifferen-4Kamerstuk 30 950, nr. 468Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 179 tieerd. Het laatste stelsel is het «single structure»-stelsel (o.a.Denemarken, Zweden, Finland), waarin leerlingen één periode po en vo inzijn geheel volgen op dezelfde school en in hetzelfde onderwijspro-gramma. In dit stelsel vindt geen overgang van het po naar vo plaats. Hetselectiemoment ligt in deze stelsels bij leerlingen op vijftien- of zestien-jarige leeftijd.17Op welke subsidieregelingen lijkt er sprake te zijn van onderuitputting?Voor 2025 wordt dit pas bekend bij najaarsnota en slotwet. In 2024 was opde volgende subsidieregelingen sprake van onderuitputting.−School en Omgeving 2023–2025. De onderuitputting op desubsidieregeling school en omgeving werd met name veroorzaaktdoor minder aanvragen dan voorzien vanwege o.a. de complexiteitvan de regeling op dat moment, hoge verantwoordingslasten en debeperkte doelgroep waarvoor de regeling werd opengesteld. Daar-naast is ook een deel van de betalingen voor 2024 al in 2023 gedaanwat heeft geleid tot hogere onderuitputting in 2024. Inmiddels is deregeling herzien en vereenvoudigd. De subsidieregeling School enOmgeving 2025–2028 is overvraagd.−Schoolmaaltijden. Op het budget voor de subsidieregeling school-maaltijden waren er minder scholen die subsidie hebben aangevraagd.Daarnaast is door de scholen die deelnamen aan het programmaSchoolmaaltijden in 2024 minder budget per leerling aangevraagd danmaximaal beschikbaar was.−Bewegingsonderwijs. De subsidieregeling voor het verbeteren vanhet bewegingsonderwijs po was bedoeld ter stimulering van deverzorging van twee uur bewegingsonderwijs per week. Dit in opmaatnaar de wettelijke verplichting hiervoor vanaf 2023. In 2024 is ervoorgekozen om de subsidieregeling niet voort te zetten, aangezien detwee lesuren inmiddels verplicht zijn. Dit leidde tot een onderuitputtingin 2024. De middelen die structureel beschikbaar waren zijn ingezetvoor de subsidietaakstelling.−Lerarenbeurs. Er waren minder aanvragen ingediend dan voorafbegroot.−Zij-instroom. Er waren minder aanvragen ingediend dan voorafbegroot.−Instructeursbeurs mbo. Er waren minder aanvragen ingediend danvooraf begroot. Vanaf 2026 wordt deze regeling gebundeld in deregeling «Subsidieregeling onderwijspersoneel opleiding tot leraar».−Instroom Schoolleiders van buiten PO. Er waren minder aanvra-gen ingediend dan vooraf begroot. Vanaf 2026 gaat deze regeling op inde Onderwijsregio’s.−Nationaal Groeifonds (NGF) Ontwikkelkracht. Op het budgetvoor de subsidieregeling Ontwikkelkracht 2024/2025 ontstondonderuitputting doordat minder scholen hadden aangevraagd dan erbudget voor was. Met name in het voortgezet onderwijs waren erminder scholen die deelnamen dan dat er ruimte voor was.−Versterking aansluiting beroepsonderwijskolom vmbo/mbo/hbo (VABOK). Er waren minder aanvragen ingediend dan voorafbegroot. Vervolgens is besloten om deze regeling deels structureel tekorten met de generieke subsidietaakstelling uit het Hoofdlijnenak-koord en om hiervan een deel van de intensivering in basisvaardighe-den in het mbo van te dekken.−Regionaal Investeringsfonds mbo (RIF). Er waren minderaanvragen ingediend dan vooraf begroot. Vervolgens is besloten omdeze regeling deels structureel te korten met de generieke subsidie-taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord en om hiervan een deel van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1710 intensivering in basisvaardigheden in het mbo van te dekken. Het RIFstopt vanaf 2028 volledig.−Subsidieregeling tegemoetkoming tweede lerarenopleiding.Deze regeling zit in de afrondingsfase en 2026 is het laatste jaar dathier geld voor gereserveerd staat.−Bij de Woonhuisregeling was in 2024 de subsidievraag lager dan hetbeschikbare budget. Het resterende budget wordt dan eerst gebruiktvoor bezwaar en beroep. Conform de regeling blijft het daarnaresterende bedrag beschikbaar voor volgende aanvraagrondes,aangezien de omvang van de subsidievraag sterk fluctueert over dejaren.18Hoeveel procent van de leraren werkzaam in het primair onderwijs zijnman?Het aandeel van mannelijke leraren in het primair onderwijs bedroeg in2024 13% op basis van het aantal personen. Op FTE-niveau is het 16%,oftewel 16% van de uren worden door mannen gewerkt. Deze percentageszijn de afgelopen tien jaar op een vergelijkbaar niveau gebleven.19Hoe ontwikkelt de financiële positie van studenten zich in de afgelopen vijfjaar en in hoeverre wordt de achteruitgang van 6,6 procent over 2024gecompenseerd?Wat betreft de ontwikkeling van de koopkracht van studenten is dezevraag maar deels te beantwoorden. Het Nibud maakt namelijk pas sindsvorig jaar weer koopkrachtberekeningen van studentenhuishoudens. Datkomt doordat dit volgens Nibud tijdens het leenstelsel onvoldoendemogelijk was. In 2024 berekende Nibud dat de koopkracht van verschil-lende typen studentenhuishoudens in 2025 zou dalen met 6,2% tot 6,6%.Deze daling was het gevolg van het aflopen van de tijdelijke koopkracht-maatregel die gold in het studiejaar 2023/2024 om studenten tegemoet tekomen voor de tijdelijk hoge energieprijzen. De toenmalige Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in de kamerbrief over definanciële positie van studenten (Kamerstuk 31 288, nr. 1161) al aange-geven dat dit een uitzonderlijke maatregel was in een tijd met uitzonderlijkhoge inflatie. De energieprijzen zijn inmiddels gedaald en de jaarlijkseindexatie van de studiefinanciering is bedoeld om aan de reguliere inflatiehet hoofd te bieden. De indexatie was in 2024 zelfs 10%. In het NibudStudentenonderzoek uit 2024 gaf bovendien ongeveer 90% van destudenten aan (gemakkelijk) rond te kunnen komen. Het Nibud consta-teerde toen ook dat de herinvoering van de basisbeurs in 2023 definanciële positie van studenten had verbeterd. Het kabinet zal daaromgeen aanvullende maatregelen nemen wat betreft de financiële positievan studenten.20Op welke afspraken of beleidsdoelstellingen is het meenemen vanmasterstudenten gebaseerd, gezien het feit dat in het Hoofdlijnenakkoord5enkel over bachelorstudenten wordt gesproken?Op basis van verschillen tussen de actuele referentieraming en devoorgaande referentieraming wordt het macrobudget voor het hbo en wojaarlijks bijgesteld. Bij de budgettaire verwerking van de referentieramingis de daling van het totaal aantal EER-studenten, zowel ad-, bachelor- alsmasterstudenten, ingezet om de financiële taakstelling te realiseren. De5Documentnummer 2024D19455, bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1711 verdeling van de bezuinigingsopgave, zoals opgenomen in de ontwerpbe-groting 2026, is hiermee in overeenstemming.Dit verandert overigens niks in de afspraken over taalbeleid uit hetwetsvoorstel Wet internationalisering in balans: deze blijven zien op ad-en bacheloropleidingen.21Waarom zijn bij de uiteindelijke verdeling in de Rijksbijdragebrief 2026naast internationale EER6-bachelorstudenten ook internationaleEER-masterstudenten meegenomen?Zie het antwoord op vraag 20.22Hoeveel financiële ruimte zou het opleveren als er in het primaironderwijs gebruik wordt gemaakt van één doorstroomtoets?Vrije toetskeuze is bij wet geregeld en voor het gebruik maken van ééndoorstroomtoets is een wijziging in wet- en regelgeving nodig. Hoeveelfinanciële ruimte deze wijziging oplevert is afhankelijk van de uitwerkingdie aan de nieuwe doorstroomtoets wordt gesteld. Indien wordtovergegaan tot één doorstroomtoets, dan zijn de ontwikkelkosten voor deverschillende toetsen niet meer nodig. Dit levert een besparing op van€ 3 miljoen per jaar vanaf 2028, onder de aanname dat de kosten voor detoetsontwikkeling gelijk blijven. De uitvoeringskosten voor het aanbiedenvan de doorstroomtoets (de kosten per leerling) zullen nog steedsgemaakt worden.23Hoeveel geld zou het opleveren als commerciële onderwijsinstitutenomzetbelasting gaan betalen?Er is over de grootte en omvang van de vrijgestelde omzet van commer-ciële aanbieders geen exacte data bekend.24Met hoeveel zou de lumpsum moeten worden verhoogd als de vrijwilligeouderbijdrage wordt afgeschaft en scholen worden gecompenseerd voorgederfde inkomsten?Rekening houdend met de meest recent gemeten gemiddelden van devrijwillige ouderbijdrage uit de schoolkostenmonitor 2022–2023 in hetprimair- en voortgezet onderwijs en het huidige aantal leerlingen komteen jaarlijkse ophoging van de bekostiging – ter compensatie van hetafschaffen van de ouderbijdrage – in het po uit op een bedrag van circa€ 75 miljoen en in het vo circa € 170 miljoen (de bedragen zijn gebaseerdop de meest recente leerlingenaantallen in het po en vo). Hierbij moetworden opgemerkt dat het niet uitvoerbaar is om scholen exact tecompenseren voor hun gederfde inkomsten, er kan alleen uitgegaanworden van de landelijke gemiddelde ouderbijdrage.25Kunt u aangeven hoe het percentage vaste contracten voor leraren deafgelopen vijf jaar is ontwikkeld, uitgesplitst naar primair en voortgezetonderwijs?6EER: Europese Economische RuimteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1712 De tabel hieronder geeft het percentage vaste contracten voor leraren meteen dienstverband bij een schoolbestuur in het primair en voortgezetonderwijs weer in de afgelopen vijf jaar.Op de website www.ocwincijfers.nl worden deze percentages jaarlijksgepubliceerd.In %20202021202220232024PO89,388,588,588,889,6VO81,880,278,377,279,2 26Hoeveel werd er vorig schooljaar uitgegeven aan externe inhuur vandocenten, uitgesplitst naar het primair en voortgezet onderwijs?Op basis van de financiële jaarverslagen van schoolbesturen is bekendwelk bedrag er totaal aan personeel niet in loondienst (PNIL) wordtuitgegeven. In het po ging het in 2023 om 4,9% PNIL-uitgaven ten opzichtevan de totale personeelslasten. In het vo ging het om 4,7%. Het gaathierbij om al het onderwijspersoneel.Uit een nadere uitvraag bij schoolbesturen is gekomen dat in 2023grofweg ongeveer 50% van de PNIL-kosten in het po en vo is uitgegevenaan ingehuurde leraren. Er is ook gekeken naar het onderscheid tussencommerciële en niet-commerciële inhuur, bijvoorbeeld een gezamenlijkeinvalpool. Een globale schatting is dat circa € 245 miljoen (2%) in het poen € 205 miljoen (2,3%) in het vo van de totale personeelslasten wordtuitgegeven aan commerciële inhuur van leraren.De cijfers over het kalenderjaar 2024 worden opgenomen in de trendrap-portage die bij de lerarenbrief in december 2025 naar uw Kamer wordtverzonden.27Hoeveel zou het kosten als devices ook onder de wet Gratis Schoolboekenzouden vallen?De kosten voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn structureel€ 215 miljoen voor aanschaf en beheer, uitgaande van de prijzen van2025.28Wat zijn de meest recente cijfers op het gebied van onveiligheidvan Joodse studenten op onze onderwijsinstellingen?Zoals eerder aangegeven in reactie op vragen vanuit de Kamer, ziebijvoorbeeld de beantwoording van Kamervragen met kenmerk2025Z14661 en de bijlage met kenmerk 1206445 bij de brief «Veiligheid opUniversiteiten en hogescholen», hebben noch het kabinet, noch deinstellingen cijfers op het gebied van onveiligheid onder Joodsestudenten op onderwijsinstellingen.Vanuit overwegingen omtrent vertrouwelijkheid en privacywetgevingworden religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen van studentenniet geregistreerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1713 29Hoeveel opleidingen en onderwijsinstellingen maken op dit momentgebruik van een bsa7?Er wordt niet centraal bijgehouden hoeveel opleidingen een bindendstudieadvies (bsa) hanteren. Koepelorganisatie Universiteiten vanNederland (UNL) heeft in 2023 een factsheet over het bsa opgesteld, metdaarin een overzicht van de gehanteerde bsa-normen binnen universi-teiten. Uit dit overzicht blijkt dat, met uitzonderingen van enkele oplei-dingen bij de universiteit Maastricht, alle universiteiten een bsa hanteren.Voor hogescholen is een dergelijk overzicht niet beschikbaar.30Welke onderwijsinstellingen en/of opleidingen zijn voornemens demogelijkheid af te schaffen om cum laude af te studeren?Er is geen overzicht van onderwijsinstellingen of opleidingen dievoornemens zijn de mogelijkheid af te schaffen om cum laude af testuderen. Sinds deze vraag reeds eerder gesteld werd tijdens devaststelling van de begroting 2025 van het Ministerie van OCW eind vorigjaar, zijn bij mij ook geen (nieuwe) signalen bekend. Instellingen nemen deeisen om de aantekening cum laude te ontvangen op in de onderwijs- enexamenregeling (OER) of de Regels en Richtlijnen van de examen-commissie.31Vanuit welke sectoren komen zij-instromers veelal?Op basis van DUO-gegevens over subsidieaanvragen voor zij-instromersin beroep voor 2025 blijkt dat zij-instromers veelal uit de branchesInformatie en communicatie (4%), Gezondheids- en Welzijnszorg (16%),Onderwijs (24%) en Overige dienstverlening (32%) komen.32Hoeveel langstudeerders zijn er in het hbo en in het wo? Hoe wordtdeze berekening gemaakt?Om inzicht te geven in het aantal langstudeerders in het hbo en wo is hiergekozen om cijfers te geven van het aantal voltijdsstudenten in studiejaar2023–2024 dat minstens één jaar na afloop van de nominale studieduurnog steeds staat ingeschreven, maar nog niet beschikt over het diplomavan de desbetreffende hbo- of wo-opleiding. In de berekening is nagegaanhoeveel studenten op de specifieke peildatum van 1-10-2023 langer dande nominale studieduur+1 uitloopjaar ingeschreven stonden, zonder tebeschikken over het diploma van de desbetreffende ho opleiding. Deaantallen langstudeerders in studiejaar 2023–2024 zijn daarmee als volgt:−HBO ad: 1.026 (4,3%)−HBO bachelor: 48.904 (11,6%)−HBO master: 295 (2%)−WO bachelor: 28.601 (13%)−WO master: 14.125 (11,7%)−WO post master: 207 (17,2%)33Hoeveel procent van de studenten studeert nominaal af?O Om het percentage te berekenen van studenten die binnen de nominalestudieduur afstuderen, is uitgegaan van instroomcohort 2016–2017.7bsa: bindend studieadviesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1714 Alle (binnen de nominale studieduur van de opleiding waarin men isingestroomd) behaalde hbo- en wo-diploma’s (ongeacht soort/ typeonderwijs, en ongeacht de opleiding waarin men is ingestroomd) tellenmee in de berekening van de percentages.Studenten die tegelijkertijd stonden ingeschreven in meerdere typesonderwijs (associate degree, bachelor, (post)master) tellen niet mee indeze berekening. Alleen voltijd opleidingen tellen mee in deze berekening.De percentages per soort/ type onderwijs staan vermeld in onderstaandetabel (de kolom «Diploma binnen nominaal»), evenals de percentages diecorresponderen met een extra studiejaar uitloop (de kolom «Diplomabinnen nominaal + 1 jaar»).Soort onderwijsType onderwijsDiploma binnennominaalDiploma binnennominaal + 1 jaarhboAssociate degree34%46%hboBachelor32%52%hboMaster67%81%woBachelor35%65%wo(post)master46%81% 34Hoeveel lerarenopleidingen bieden de nieuwe onderwijstrajecten voorbasisvaardigheden aan en wat is de verwachte uitstroom van gekwalifi-ceerde leraren in 2026–2028?Het is te vroeg om aan te geven welke instellingen de trajecten gaanaanbieden en wat de verwachte uitstroom is. In het WetsvoorstelVereisten mbo-docenten basisvaardigheden zijn extra eisen opgenomenvoor huidige en toekomstige docenten voor Nederlands, rekenen enburgerschap. Docenten die geen aanverwante lerarenopleiding hebben indeze onderdelen, dienen een extra opleidingstraject van 30 ECTS tevolgen. De beoogde inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel is1 augustus 2027. De lerarenopleidingen worden meegenomen in degevolgen voor de nog op te zetten opleidingstrajecten.35Hoeveel mbo-studenten ontvangen in 2026 extra begeleiding op taal enrekenen en welk effect wordt verwacht op studie-uitval?Hoeveel mbo-studenten in 2026 extra begeleiding ontvangen op taal enrekenen en welk effect dit heeft op studie-uitval is niet te zeggen.Mbo-scholen ontvangen voor de studiejaren 2025–2026 en 2026–2027 intotaal € 47,2 miljoen euro om taal- en rekenachterstanden van startendembo-studenten weg te werken. Per studiejaar kunnen zij hiervoor bijna290 fte extra onderwijspersoneel aantrekken of behouden waarmeepotentieel ruim 20.000 mbo-studenten per studiejaar extra ondersteuningen begeleiding kunnen krijgen. Het is aan de scholen zelf om te bepalenwaar deze middelen het meeste effect hebben. De verwachting is dat dezeextra inzet bijdraagt aan het voorkomen van onnodige studievertraging enuitval. Hoe groot dit effect precies is, is lastig te kwantificeren, omdat ookandere factoren invloed hebben op studie-uitval. Monitoring vindt plaatsvia het jaarlijkse bestuursverslag, uw Kamer is hierover in mei jl.geïnformeerd (Kamerstuk 31 524, nr. 657).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1715 36Wat verstaat de regering onder een weerbare samenleving en hoe draagthet onderwijs- en wetenschapsbeleid dat zij voor ogen heeft hieraan bij?Volgens de regering is een weerbare samenleving een samenlevingwaarin overheid, publieke en private partners, maatschappelijke organi-saties, kennisinstellingen en inwoners zoveel mogelijk voorbereid zijn opmaatschappelijke ontwrichting, zoals een militair of hybride conflict, enhet vermogen hebben deze te weerstaan, op te vangen en ervan teherstellen.De OCW-sectoren vervullen hierin een essentiële rol. In het funderendonderwijs wordt gewerkt aan een aantal specifieke onderwerpen diebijdragen aan een weerbare samenleving (zoals nieuwkomersonderwijs,digitaal veilig onderwijs en burgerschapsonderwijs). Het vervolgonderwijsen de wetenschap dragen bij aan een weerbare samenleving door ondermeer te zorgen voor een goed opgeleide beroepsbevolking, metvakmensen voor cruciale processen zoals zorg en techniek.In den brede zorgen onderwijs en wetenschap voor een weerbaresamenleving door bij te dragen aan de sociale cohesie en het vermogenvan burgers om zich aan te passen en om te gaan met een crisis. HetMinisterie van OCW voert momenteel actief de dialoog met het onder-wijsveld en de kennissector over de impact van (hybride) oorlogsscena-rio’s op onderwijs en wetenschap, hoe onderwijs en wetenschap zichhierop voor kunnen bereiden en de wijze waarop onderwijs en weten-schap kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van de Nederlandsesamenleving.Alle inspanningen om de weerbaarheid van de samenleving te verhogenzijn mede gebaseerd op de recente ervaringen uit de coronaperiode en devluchtelingenstroom uit Oekraïne. Een geleerde les voor toekomstigecrises is hoe belangrijk het is voor de weerbaarheid van leerlingen enstudenten dat onderwijs en wetenschap in crisissituaties zoveel mogelijkdoor blijven gaan.37Klopt het dat een evidence-informed interventie niet hetzelfde is als eenevidence-based interventie?De term «evidence-based» kan de suggestie wekken dat er alleen wordtgekeken naar een wetenschappelijke basis. Met het gebruik van het begrip«evidence-informed» wordt benadrukt dat er bij het toepassen van eeninterventie in de school of in de klas ook andere bronnen van kennis nodigzijn dan wetenschappelijk onderzoek, zoals kennis over de specifiekeschool en de klas, en de kennis en ervaring van leraren.38Wanneer is een interventie evidence-informed en als hierin gradatiesbestaan, welke mate van evidence-informed geldt dan als voldoende enwaarom?Een interventie is evidence-informed als gebruik wordt gemaakt vanactuele en relevante kennis uit onderzoek en praktijk, rekening houdendmet de omstandigheden van de school. Hier worden geen gradaties inonderscheiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1716 39Hoe gaat de Inspectie van het Onderwijs toetsen of de interventies vanscholen (voldoende) evidence-informed zijn indien dit als norm isopgenomen in de wettelijke deugdelijkheidseisen?De inhoudelijke keuze voor methoden of leermiddelen wordt niet door deinspectie beoordeeld. Met de nieuwe norm wordt wettelijk vastgelegd datbij de uitvoering van het stelsel van kwaliteitszorg gebruik wordt gemaaktvan actuele en relevante kennis uit onderzoek en praktijk waarbij rekeningwordt gehouden met de omstandigheden van de school. Deze norm isgericht op het proces, wat betekent dat de Inspectie van het Onderwijs ophet proces toeziet. Als het proces van het gebruik van actuele en relevantekennis uit onderzoek en praktijk rekening houdend met de omstandig-heden van de school goed wordt doorlopen, is voldaan aan de norm.40Hoe borgen de kwaliteitsallianties de betaalbaarheid van de leermiddelenwaaraan ze werken?Op dit moment verkent een brede coalitie van onderwijspartijen hoe zij viaeen kwaliteitsalliantie de kwaliteit van leermiddelen kunnen versterken enhet effectief gebruik ervan in de klas kunnen bevorderen. Dit doen zij opbasis van onafhankelijk advies van ABDTOPConsult en in ronde tafels diedoor het Ministerie van OCW met onderwijspartijen worden georgani-seerd. Voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van OCW wordtde Kamer geïnformeerd over de voortgang en hoe zaken als betaal-baarheid zich verhouden tot de alliantie.41Hoeveel scholen maken gebruik van het programma Schoolmaaltijden enhoeveel leerlingen worden bereikt?Op dit moment doen er 2.409 scholen mee aan het programma School-maaltijden. Daarmee worden 392.277 leerlingen bereikt.42Wat is het doelmatige verschil tussen «gerichte bekostiging» en eengewone subsidie?Gerichte bekostiging is structurele bekostiging met tijdelijke verplich-tingen (maximaal vijf jaar), terwijl subsidie tijdelijk is met voorwaardengedurende de hele looptijd.Daarnaast geldt dat de administratieve last en verantwoordingslast vaneen subsidie voor scholen hoger zal zijn dan bij een gerichte bekostiging.Dat heeft ook te maken met het feit dat subsidies op aanvraag zijn. Deschool neemt dus zelf het initiatief. Gerichte bekostiging wordt ambts-halve, dus zonder aanvraag, verstrekt.Gerichte bekostiging is geschikt voor toepassing bij grote groepen (of alle)scholen voor een langere periode waarbij enkele verplichtingen wordengesteld. Subsidies kunnen dan vooral ingezet worden voor kortere termijndoelen die betrekking hebben op slechts een deel van de scholen, waarbijscholen zelf een aanvraag moeten doen.43Op grond van welke overwegingen worden de subsidies van School enomgeving, schoolmaaltijden en de brugfunctionaris pas in 2029 omgezetnaar structurele bekostiging?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1717 Het omzetten naar structurele bekostiging vraagt een wetswijzing en datkost tijd. Het voornemen is om een wetsvoorstel voor de zomer van 2026in internetconsultatie te brengen. De tijd tussen de lopende subsidies vanSchool & Omgeving, Schoolmaaltijden en de Brugfunctionaris tot aan destructurele vormgeving zal worden overbrugd met dezelfde (of verge-lijkbare) subsidies.44Hoe wordt de structurele € 1 miljard voor basisvaardigheden vanaf 2027verdeeld over po8 en vo9 en welke indicatoren zijn eraan gekoppeld?In het antwoord op vraag 12 van de feitelijke vragen over de eerstesuppletoire begroting van 2023 is een tabel opgenomen met eenuitsplitsing van de structurele € 1 miljard voor het versterken van deonderwijskwaliteit. Daarin is te zien dat het grootste deel van dezemiddelen is bedoeld om de basisvaardigheden van leerlingen te verbe-teren (€ 678 miljoen). Leerlingaantallen zijn bepalend voor de verdelingvan de middelen over de sectoren. De bijbehorende beleidsindicatoren diemeer inzicht geven in de effectiviteit van de middelen hebben betrekkingop de prestaties van leerlingen, te weten de behaalde referentieniveaustaal en rekenen-wiskunde aan het einde van het po en in leerjaar twee vanhet vo. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar de besteding en het effectvan deze middelen. Daarnaast wordt het resterende deel van de€ 1 miljard ingezet voor het verminderen van werkdruk in het voortgezetonderwijs (€ 161 miljoen), voor de Werkagenda «samen voor het besteonderwijs» (€ 43 miljoen), voor de curriculumherziening (€ 21 miljoen) entot slot diverse andere posten.45Betekent de omzet van ongeveer € 1 miljard aan tijdelijke subsidierege-lingen naar structurele bekostiging dat scholen er straks structureel ook€ 1 miljard euro bij krijgen?Op dit moment is voorzien dat het budget dat nu beschikbaar is voor desubsidieregelingen Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School &Omgeving in zijn geheel wordt omgezet naar aanvullende bekostiging. Desubsidieregeling «Basisvaardigheden» gaat vanaf 2027 op in gerichtebekostiging. Samen is dit ongeveer € 1 miljard. Er komt geen extra geldbeschikbaar, alleen het instrument verandert.46Kunt u per jaar aangeven welk aandeel van de begroting van scholen deafgelopen twintig jaar naar overhead is gegaan?Nee, deze gegevens zijn niet beschikbaar. Hier wordt wel aan gewerkt.Zoals aangekondigd in het regeerprogramma werkt het Ministerie vanOCW aan een norm voor overhead voor het funderend onderwijs, dieinzichtelijk moet maken welk deel van de bekostiging besteed wordt aanhet primaire proces. Het Ministerie van OCW laat hiervoor onderzoekuitvoeren naar mogelijke definities voor overhead en zal met hetonderwijsveld in gesprek gaan over de vormgeving van een uitvoerbarenorm.47Hoeveel onderwijsinstellingen zullen komende jaren met 10 procent ofmeer krimpen, uitgesplitst naar onderwijsniveau en naar regio?8po: primair onderwijs9vo: voortgezet onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1718 In het mbo krimpt het aantal studenten van 13 van de 52 instellingen met10% of meer in de periode van 2025 tot en met 2039. In dezelfde periodekrimpt het aantal mbo-studenten met meer dan 10% in negen van de 36arbeidsmarktregio’s: Achterhoek, Drenthe, Friesland, Groningen,Noord-Holland Noord, Noord-Limburg, Twente, Zeeland en Zuid-Limburg.In het hbo krimpt het aantal studenten van 13 van de 36 instellingen met10% of meer in de periode van 2025 tot en met 2038. Deze instellingenbevinden zich in de bovensectorale regio’s Noord, Oost en Zuid. In het wokrimpen in dezelfde periode acht van de 17 instellingen met 10% of meer.Deze instellingen bevinden zich in alle bovensectorale regio’s: Noord,Oost, Zuid en Randstad.De gekozen regio-indeling verschilt per sector. Voor het mbo is er gekekennaar arbeidsmarktregio’s, gezien de sterke regionale functie van het mbo.In het hbo en wo hebben instellingen een bovenregionale functie endaarom zijn deze cijfers op een hoger aggregatieniveau gepresenteerd.Ten slotte is het goed om op te merken dat alle prognoses onzekerhedenkennen. Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op de prognoses van DUOOpen Onderwijsdata. Deze prognoses zijn gebaseerd op historischemarktaandelen en demografische bevolkingsvoorspellingen, anderefactoren zoals het effect van maatregelen vanuit het Rijk of de instellingen(zoals maatregelen om de effecten van krimp juist tegen te gaan) zijnhierin dus niet (volledig) meegenomen. Mede hierdoor sluiten dezeprognoses niet altijd aan bij de voorspellingen in bijvoorbeeld jaarver-slagen van de onderwijsinstellingen zelf.48Hoe heeft het aantal buitenlandse studenten aan universiteiten zich deafgelopen tien jaar ontwikkeld en wat zijn de projecties voor de komendevijf jaar?In het studiejaar 2015–2016 studeerden er 36.100 internationale diploma-studenten aan universiteiten in Nederland. In het studiejaar 2024–2025studeren er 92.500 internationale diplomastudenten aan universiteiten inNederland. Na een aantal jaren van sterk stijgende aantallen, is er deafgelopen jaren een stagnatie van de groei waarneembaar. De prognosesvoor de komende jaren zijn met de Referentieraming 2025 naar benedenbijgesteld. Op basis van de raming wordt in het wo de komende 5 jaar eenstabilisatie van het aantal internationale studenten verwacht en binnen 10jaar (vanaf collegejaar 2024–2025) een daling van ca. 4%.49Wanneer wordt de bestedingsnorm voor middelen die in het funderendonderwijs minimaal zouden moeten worden besteed aan het primaireproces of maximaal aan overhead, waarover de Staatssecretaris spraktijdens het commissiedebat Sturing in het funderend onderwijs d.d.12 februari 2025, naar de Tweede Kamer gestuurd?Het uitwerken van een bestedingsnorm voor overhead vraagt eenzorgvuldig proces, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 46. Denorm moet namelijk echt wat zeggen over die verdeling overhead enprimair proces. Dat maakt dat er een goede uitwerking moet komen vanwelke activiteiten toegerekend mogen worden aan primair proces. Tegelijkmoet goed rekening worden gehouden met het voorkomen van onnodigeadministratieve last en verschillen tussen schoolsoorten. Een kleinvoorbeeld is een conciërge die toetsen kopieert of andere ondersteunendefuncties die docenten ontlasten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1719 Uw Kamer wordt nader geïnformeerd het opstellen van deze norm als hetwetsvoorstel gerichte bekostiging eind 2025 naar uw Kamer wordtgezonden.50Wat rekent u bij de bestedingsnorm voor het funderend onderwijs tot hetprimaire proces en wat tot overhead?Zie antwoord op vraag 46 en 49.51Wat is de stand van zaken omtrent het wetsvoorstel Versterken inspraakleraren en schoolleiders en is bij dit wetsvoorstel ook de beroepsgroepbetrokken?Het wetsvoorstel Versterken inspraak leraren en schoolleiders bevindt zichin de ontwikkelfase. In deze fase wordt nader bezien welke onderwerpener meegenomen dienen te worden in het wetsvoorstel, afhankelijk ookvan de uitkomst van de probleemanalyse. Het gaat om onderwerpen zoalsde werking van het professioneel statuut, de strategische positie van deschoolleider in de school en de betrokkenheid van leraren en school-leiders bij landelijk beleid. Hiervoor zal ook met een brede groep aanbelanghebbenden gesproken worden, via onder meer regiobijeen-komsten, met in het bijzonder leraren en schoolleiders, alsmede departijen die deze groepen vertegenwoordigen.52Wat wordt met de zin «want een stevige rolinvulling, gecombineerd metheldere normen voor overhead, onderwijspersoneel en langetermijnbe-kostiging zijn belangrijke randvoorwaarden voor goed onderwijs», diegaat over een wetsvoorstel dat verder niet in de begroting terugkomt,bedoeld en wat gaat er dan precies gebeuren?In de Kamerbrief (Kamerstuk 31 293, nr. 727) over de herijking van desturing in het funderend onderwijs en het debat daarover van 12 februari2025 is aangekondigd dat met de ontwikkeling van het wetsvoorstel Eisenstellen aan het bestuur en intern toezicht en het wetsvoorstel Versterkeninspraak leraren en schoolleiders, wordt gewerkt aan een stevigerolinvulling. Daarnaast is in het regeerprogramma van kabinet Schoofaangekondigd dat er wordt gewerkt aan normen voor overhead enonderwijspersoneel en structurele bekostiging voor structurele taken. Hetontwikkelen van normen en het bieden van structurele bekostiging voorstructurele taken sluit eveneens aan op de probleemanalyse uit de briefover de herijking van de sturing in het funderend onderwijs. Dezemaatregelen zijn dan ook nodig als randvoorwaarden voor het bieden vangoed onderwijs.53Welke maatregelen neemt de Minister van OCW om meer transparantie tescheppen in de besteding van de bekostiging in het primair en voortgezetonderwijs?Zoals bij vraag 46 en 49 toegelicht, wordt gewerkt aan normen vooronderwijspersoneel en overhead. Het bestuur zal zich hierover moetenverantwoorden.54Waarom is ervoor gekozen om het gecombineerde effect van referentie-raming 25 eerst af te trekken van de totale taakstelling en pas daarnaopnieuw te verdelen tussen hbo en wo?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1720 De referentieraming 2025 laat een daling zien van het aantal internationalestudenten ten opzichte van de Referentieraming 2024. Deze daling is naasteen wijziging in het wervingsbeleid van de universiteiten en hogescholen(naar terughoudende en gerichte werving voor (regionale) tekortsectoren)ook het gevolg van een wijziging van de ramingssystematiek zoalsbeschreven in de Referentieraming 2025. Dit is voor het Ministerie vanOCW reden geweest om de effecten uit de referentieraming in zijntotaliteit te bezien en te verrekenen met de totale openstaande bezuini-gingsopgave en vervolgens naar rato van het totaal aantal internationaleEER-studenten te verdelen tussen hbo en wo.55Klopt het dat de universiteiten in de referentieraming 2025 tot€ 156 miljoen inleveren door de bijgestelde prognose van deEER-studenten, waardoor samen met de nu toebedeelde taakstelling van€ 4 miljoen de universiteiten in de huidige verdeling € 160 miljoen van de€ 168 miljoen voor hun rekening nemen, oftewel 95 procent van de totaletaakstelling?Zoals bij vraag 54 aangegeven laat de Referentieraming 2025 een dalingzien van het aantal internationale studenten ten opzichte van de Referen-tieraming 2024. Conform de reguliere systematiek voor het verwerken vande Referentieraming leidt dit tot een bijstelling van het budget van€ 162 miljoen, waarvan het aandeel van het wo € 156 miljoen bedraagt enhet aandeel van het hbo € 6 miljoen bedraagt. Deze bijstelling is naast eenwijziging in het wervingsbeleid van de universiteiten en hogescholen(naar terughoudende en gerichte werving voor (regionale) tekortsectoren)ook het gevolg van een wijziging van de ramingssystematiek. Dit is voorhet Ministerie van OCW reden geweest om de effecten uit de Referentie-raming in zijn totaliteit te bezien en te verrekenen met de totaleopenstaande bezuinigingsopgave. Na verwerking van de referentieramingresteert er een structurele bezuinigingsopgave van € 6 miljoen vanaf2031. Hiervan is € 4 miljoen toebedeeld aan het wo op basis van het totaalaantal internationale EER-studenten in het hbo en het wo.56Klopt het dat in de OCW-begroting 2025 de taakstelling internationali-sering pro-forma werd verdeeld op basis van het aantal internationaleEER-bachelorstudenten, waarbij het aandeel voor het wo ongeveer 66procent bedroeg en voor het hbo 34 procent?Ja, het klopt dat de taakstelling voor het verminderen van internationalestudenten in de OCW-begroting 2025 pro-forma is verdeeld op basis vanhet aantal internationale EER-bachelorstudenten. Uw Kamer is hierovergeïnformeerd in de ontwerpbegroting 2025 van OCW. In de ontwerpbe-groting 2026 zijn de uitkomsten van de Referentieraming 2025 verwerkt enis deze verdeling aangepast.57Hoe wordt het geld in 2026 voor basisvaardigheden ingezet en hoe wordtdit gemonitord?Het geld voor basisvaardigheden wordt in 2026 verstrekt via een subsidie.Dit is de laatste tranche van de subsidieregeling basisvaardighedenwaarvoor scholen in 2025 een aanvraag hebben gedaan. De komendejaren houden wij zicht op de verbetering van basisvaardigheden en of dedoelen worden behaald middels het monitoringsprogramma van hetMasterplan basisvaardigheden. De implementatie en uitvoering van desubsidieregeling wordt meerjarig gemonitord met een implementatieon-derzoek. Dit onderzoek bestaat uit vragenlijsten die onder alle subsidie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1721 scholen worden uitgezet en verdiepend onderzoek in de vorm vancasestudies.58Welke onderwijsinstellingen maken op dit moment gebruik vaneen capaciteitsfixus?In studiejaar 2025–2026 zijn er in het hbo en wo 80 voltijd-bacheloropleidingen met een capaciteitsfixus. Deze opleidingen zijnverspreid over 13 hbo-instellingen en 12 universiteiten. Een actueel enmeer gedetailleerd overzicht van opleidingen met een numerus fixus is teraadplegen via https://www.studiekeuze123.nl/selectie/welke-opleidingen-hebben-een-numerus-fixus. Voor de master geldt – anders dan bij debachelor – geen meldplicht voor het instellen van een capaciteitsfixus,waardoor dit niet centraal geregistreerd wordt (artikel 7.30b lid 2 WHW).Wel monitort de Inspectie van het Onderwijs de toegankelijkheid vanmasteropleidingen. Masteropleidingen hebben de ruimte om ook zondercapaciteitsbeperking eisen te stellen aan kandidaten en hen te selecteren.Uit cijfers van de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat 12% (94 oplei-dingen) in 2023 een capaciteitsbeperking heeft. Het aandeel masteroplei-dingen dat selecteert is in 2023 36% (271 opleidingen).59Weke andere opgaven in het stelsel worden beoogd als het gaat om hetverkennen van zelfregie als bruikbare werkwijze?De hogescholen en universiteiten hebben sinds de ontwikkeling van hetwetsvoorstel Internationalisering in balans zichtbaar verantwoordelijkheidgenomen met het opstellen van zelfregieplannen en er zijn concretevoornemens om te komen tot een meer evenwichtige inzet van anders-talig onderwijs. Het meest recente zelfregieplan van de universiteiten laatzien dat zij bewuste keuzes gemaakt hebben ten aanzien van het anders-talige opleidingsaanbod en dat zij hierbij bredere maatschappelijkebelangen in overweging hebben genomen. Ook is onderling afgesprokendat de numerus fixus vaker wordt ingezet en dat bij verschillendeopleidingen die nu gebruik maken van een numerus fixus, deze fixuswordt verlaagd, waardoor de anderstalige instroom gericht zal dalen. Wijachten deze vorm van zelfregie, waarin hogeronderwijsinstellingen zichgezamenlijk inzetten voor het belang van de sector en de maatschappij,kansrijk om ook andere opgaven in het stelsel aan te gaan. Daarbij denkenwe met name aan het borgen van een macrodoelmatig onderwijsaanbod,in het licht van teruglopende studentenaantallen. Het is van belang dathogeronderwijsinstellingen gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen omte zorgen dat het opleidingsaanbod meebeweegt met de noden van demaatschappij en arbeidsmarkt. De Vereniging Hogescholen zet stappen indeze richting door het opzetten van gezamenlijke overleg- en beslisstruc-turen om de macrodoelmatigheid van nieuw en bestaand aanbod teborgen. Daarnaast werken universiteiten samen op het instrument«sectorplannen» voor het onderzoek en onderwijs met als doel om dekennisbasis te versterken. Zo hebben de universiteiten voor een aantaldisciplines en thema’s een plan opgesteld op hoe zij meer strategischekunnen samenwerken en zich onderling beter kunnen profileren. Recent isuw Kamer geïnformeerd over de positieve eindevaluatie van de eersteronde sectorplannen. De aangestelde sectorplancommissies conclu-deerden dat het een beproefd instrument is.60Hoeveel gedwongen ontslagen zijn er afgelopen jaar geweest in het hogeronderwijs?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1722 Het Ministerie van OCW beschikt niet over deze informatie.61Hoe wordt de omvorming van de kleinescholentoeslag naar een dunbe-volktheidstoeslag vormgegeven, en hoe wordt sluiting van dorpsscholenvoorkomen?Momenteel ontvangen alle scholen met minder dan 150 leerlingenkleinescholentoeslag, ook in gemeenten waar de leerlingaantallen hoogzijn en ruim voldoende scholenaanbod is. Als onderdeel van hettoekomstbestendig maken van het scholenlandschap wordt de kleinescho-lentoeslag omgevormd naar een dunbevolktheidstoeslag. Er wordt danalleen extra bekostiging uitgekeerd aan scholen in gemeentes met eenopheffingsnorm van 150 of lager. Zo behouden we in regio’s met een lageleerlingdichtheid een voldoende dekkend aanbod. Dit is op 3 juli 2025 metuw Kamer per brief gedeeld (Kamerstuk 31 293, nr. 832).62Hoeveel middelen zijn in 2026 beschikbaar voor het Nationaal Verster-kingsplan van Microchip-talent en hoeveel extra technisch talent wordthiermee opgeleid?In 2026 is er € 56,2 miljoen beschikbaar voor het Nationaal verster-kingsplan van Microchip-talent. Dit zijn de middelen die beschikbaar zijnvoor de regio’s. Vanaf 2027 ontvangen de onderwijsinstellingen via dereguliere bekostiging additionele middelen voor de verwachte extrainstroom van studenten. Op basis van de plannen van de regio’s is deverwachting dat er in 2026 een verhoging in de instroom komt van 1.345studenten totaal over mbo, hbo en wo en het aantal inschrijvingen in 2026door het Nationaal Versterkingsplan 1.911 hoger ligt. De instroom en hetaantal inschrijvingen neemt de komende jaren naar verwachting verdertoe. Vanaf 2027 is naar verwachting ook een verhoging in de uitstroom tezien doordat een deel van de instroom van studenten uit 2025 in 2027 eendiploma behaalt.63Wat zijn de meest recente cijfers van de omvang van het kwantitatief enkwalitatief lerarentekort in basis-, voortgezet en speciaal onderwijs,binnen en buiten de G5, waarover u beschikt?Onderstaande tabel geeft de meest recente tekortcijfers in het primair envoortgezet onderwijs weer. In december ontvangt uw Kamer de metingvan het tekort aan leraren en schoolleiders van 2025. Voor beide sectorengeldt dat de tekorten scheef verdeeld zijn; scholen met grotere uitda-gingen kampen vaak met grotere tekorten. Voor het vo geldt daarnaast datpersoneelstekorten zich concentreren in specifieke vakken (denk aanwiskunde, Nederlands, techniek en informatica).SectorSchooltypeNederland excl. G5G5Landelijk1%fte%fte%ftePOBasisonderwijs6,6%278515,9%21508,0%6522Speciaal basisonderwijs6,8%14414,1%867,8%315(voortgezet) speciaal Onderwijs7,0%39016,1%3318,4%893Gemiddeld tekort PO6,6%331915,8%25678,1%7729VOVoortgezet onderwijsXx5,1%38001 de landelijke cijfers zijn i.t.t. de cijfers binnen en buiten de G5 gecorrigeerd voor non-respons. De cijfers van binnen (respons 97%) en buiten deG5 (respons 63%) komen tot stand op basis van de deelnemende scholen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1723 64Hoe ontwikkelen de kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekorten in basis-,voortgezet en speciaal onderwijs, binnen en buiten de G5, zich inmeerjarenperspectief?Op basis van de ramingen van 2024 zal het tekort aan leraren en school-leiders in het primair onderwijs de komende jaren eerst licht dalen vanzo’n 5.100 fte naar 4.800 fte, waarna het tekort na 2028 weer zal stijgen omin 2034 uit te komen op 6.000 fte tekort aan reguliere banen voor lerarenen schoolleiders. Voor het speciaal onderwijs en de G5 zijn geen aparteramingen beschikbaar. Deze maken deel uit van de ramingen voor hetprimair onderwijs.In het voortgezet onderwijs tonen de ramingen, uitgaand van een neutraleeconomische conjunctuur, een stijgende lijn waarbij het tekort van zo’n2.100 fte aan reguliere banen voor leraren en schoolleiders in 2024 naar3.600 fte in 2034 zal stijgen.In tegenstelling tot de tekortcijfers die zijn genoemd bij vraag 63, nemende ramingen niet de vervangingstekorten mee. Dit zou leiden totdubbeltellingen voor dezelfde baan.In december ontvangt uw Kamer de ramingen van 2025.Figuur: Geraamde tekorten voor leraren plus directeuren in het po (boven)en vo (onder) in fte, Centerdata 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1724 65Kunt u aangeven hoe het lerarentekort zich de komende vijf jaar naarverwachting zal ontwikkelingen in het primair en voortgezet onderwijs?Zie het antwoord op vraag 64.66Kunt u een overzicht geven van de jaarlijkse uitstroom van bevoegdonderwijspersoneel in het primair en voortgezet onderwijs van deafgelopen twintig jaar?Het gemiddelde percentage leraren dat jaarlijks het primair onderwijs enhet voortgezet onderwijs verlaat is weergegeven in onderstaande tabelvoor de jaren 2015 t/m 2023. De gegevens van vóór 2015 zijn nietbeschikbaar. In de tabel zijn de leraren die naar een andere onderwijs-sector overstappen niet meegenomen. Deze leraren blijven immersbehouden voor het onderwijs. In de DUO-gegevens over onderwijsper-soneel zijn alle leraren opgenomen met een aanstelling. Er is namelijkgeen registratie van enkel en alleen bevoegde leraren.Primair onderwijsVoortgezet onderwijsJaarPercentageuitstroomonderwijsJaarPercentage uitstroomonderwijs2015–20166,17%2015–20166,39%2016–20176,00%2016–20176,79%2017–20185,93%2017–20187,06%2018–20196,07%2018–20197,11%2019–20205,80%2019–20207,22%2020–20215,61%2020–20216,68%2021–20226,08%2021–20227,35%2022–20237,06%2022–20238,07%2023–20246,87%2023–20248,00%Gemiddeld6,17%Gemiddeld7,18% 67Kunt u een overzicht geven van het aantal studenten dat per jaar aan eenlerarenopleiding is begonnen van de afgelopen twintig jaar?De instroom in de hbo- en wo-lerarenopleidingen over de afgelopentwintig jaar is als volgt:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1725 StudiejaarInstroom studenten200421.880200520.683200620.838200720.392200819.734200921.143201021.456201119.604201218.478201319.816201419.475201516.637201617.048201717.278201817.657201917.620202020.586202117.831202217.168202316.760202417.241 68Kunt u een overzicht geven van het aantal studenten dat per jaar eenlerarenopleiding met succes heeft afgerond van de afgelopen twintig jaar?Het aantal studenten dat per jaar een lerarenopleiding met succes heeftafgerond de afgelopen twintig jaar is als volgt:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1726 StudiejaarGediplomeerden200411.971200511.876200611.953200711.632200811.116200911.009201011.271201111.933201210.378201310.215201410.11320159.79220169.912201710.12520189.55320199.682202010.07320219.27520229.55920239.872 69Hoeveel bevoegde leraren zijn er op dit moment niet werkzaam in hetonderwijs?Bevoegde leraren die niet (langer) werkzaam zijn in het onderwijs wordenook wel de stille reserve genoemd. In 2017 is in opdracht van hetMinisterie van OCW onderzoek gedaan om de stille reserve in beeld tebrengen. Hieruit bleek dat de stille reserve in het po ca. 31.000 personenwas en ca. 51.000 personen in het vo, een totaal van 82.000 personen.DUO doet op dit moment onderzoek naar de huidige omvang van de stillereserve in het po en vo. De resultaten worden in het voorjaar van 2026verwacht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in de briefover de lerarenstrategie van juni 2026 beschreven welke ontwikkelingener zijn tussen 2017 en 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1727 70Hoe heeft het aantal bevoegde leraren dat niet werkzaam is in hetonderwijs zich in de afgelopen twintig jaar ontwikkeld?Zie het antwoord op vraag 69. Over de periode 2005–2016 zijn geengegevens beschikbaar. In het voorjaar van 2026 wordt uw Kamergeïnformeerd over de ontwikkelingen tussen 2017 en 2026.71Hoeveel extra personeelskosten zou gepaard gaan met het instellen vaneen wettelijke klassengrootte van maximaal dertig leerlingen in hetprimair onderwijs?Dit is afhankelijk van de uitwerking. De klassengrootte op scholen hangtnamelijk ook samen met de pedagogische visie en soms ook praktischezaken. Scholen kunnen zelf kiezen welke inrichting het beste past. Dit incombinatie met een mogelijk verhoogde vraag naar leraren enhuisvesting maakt een wettelijke norm voor de klassengrootte nietwenselijk.In 2024/25 lag de gemiddelde groepsgrootte in het primair onderwijs op22,6 leerlingen en in 2024 was het aandeel groepen met meer dan dertigleerlingen 5,3% in het basisonderwijs. Bijna alle scholen kunnen dus metde huidige bekostiging groepen van maximaal 30 leerlingen bekostigen.72Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het startsalaris vandocenten in het primair en voortgezet onderwijs de afgelopen tien jaar?Werkgevers en werknemers maken afspraken over schaal en treden. Detaken van een leraar bepalen of de leraar in LB, LC of LD start. Kijkendnaar de gewogen gemiddelde beloning van de eerste trede van LB, LC enLD, wordt het volgende beeld zichtbaar. De eerste trede van de schalenvoor leraren in het primair onderwijs is in de afgelopen tien jaargemiddeld met 43% gestegen van € 2.700 naar € 3.900 bij eenvoltijdsbaan. Voor leraren in het voortgezet onderwijs is de eerste trede inde afgelopen tien jaar gemiddeld 34% gestegen van € 2.900 naar € 3.900.De loonstijging kan in de praktijk hoger zijn door, bijvoorbeeld eenmaligeuitkeringen.In de onderstaande grafiek is de toename in de afgelopen tien jaar in hetpo en vo te zien (dus op basis van de beloning in de eerste treden vanschalen LB, LC en LD).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1728 In 2022 is voor po de loonkloof met het vo gedicht. Leraren zijn een schaalhoger ingeschaald.73Hoeveel uitzendkrachten en zzp’ers10 werken er in het primair envoortgezet onderwijs?Het is niet bekend hoeveel uitzendkrachten en zzp’ers er in het funderendonderwijs werken. Uit de financiële jaarverslagen van schoolbesturenweten we welk bedrag er aan personeel niet in loondienst (PNIL) wordtuitgegeven, niet om hoeveel personen het gaat. Zie verder het antwoordop vraag 26.74Hoe staat het met de uitwerking van de motie over de stem van de leraarwettelijk verankeren door middel van een lerarentoets11?De motie snijdt een belangrijk thema aan: de betrokkenheid van leraren bijhet onderwijsbeleid. De kracht van een wettelijke verankering van de stemvan de leraar hangt af van duidelijke afspraken over reikwijdte,vormgeving en representatie. Cruciaal hierbij is dat elke leraar de kanskrijgt deel te nemen, dat de verschillende perspectieven die er in het veldzijn worden meegenomen en dat de stem van de leraar echt impact heeftop het beleid. Dit zijn wij op dit moment aan het vormgeven. We geven inde Lerarenbrief in december een uitgebreidere toelichting.75Hoe vaak worden in het po en vo onbevoegde leraren (waaronder ookvallen een «anders bevoegde» of «andere professionals») voor de klasgezet?Uit het jaarlijkse door het Ministerie van OCW uitgezette IPTO-onderzoekblijkt dat in het vo in schooljaar 2023/2024 4,4% van de lessen wordtgegeven door mensen die daar niet toe bevoegd zijn (maar wel vaak eenandere bevoegdheid hebben). Daarnaast wordt 9,9% van de lessengegeven door iemand die (nog) niet de formele bevoegdheid heeft maarwel onder de toegestane uitzonderingsregels valt. Voornamelijk zal ditgaan om mensen die in met een opleiding bezig zijn.In het po heeft DUO op basis van de beschikbare bestanden berekend datin schooljaar 2023/2024 1,9% van de leraren onbevoegd lesgeeft. Verder is6,2% niet in het bezit van het pabo-diploma maar wel benoembaar om leste geven (ook hier voornamelijk mensen in opleiding).De gegevens van beide onderwijssoorten zijn opgenomen in de Trendrap-portage arbeidsmarkt leraren po, vo en mbo. Hiervan ontvangt uw Kamerin december 2025 een nieuwe versie met cijfers over het schooljaar2024/2025.76Wanneer komt het wetsvoorstel Strategisch personeelsbeleid enarbeidsmarktmaatregelen naar de Kamer?Zoals toegezegd in het commissiedebat funderend onderwijs van30 september 2025, is het streven om het wetsvoorstel Strategischpersoneelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen in het voorjaar van 2026naar uw Kamer te sturen.10Zzp’ers: zelfstandigen zonder personeel11Kamerstuk 27 923, nr. 503Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1729 77Wat is de einddatum voor de G5-noodmaatregel?Zoals aangegeven in de Kamerbrief voortgang lerarenstrategie van juli2025 wordt de regeling «Andere dag- en weekindeling» (G5 noodmaat-regel) verlengd. Dit is onderdeel van een breder onderzoek om meer zichtte krijgen op de relatie tussen de wettelijke eisen aan onderwijstijd in hetpo en de kwaliteit, continuïteit en kansengelijkheid van onderwijs. Ook hetexperiment «Ruimte in Onderwijstijd» (ERiO) wordt verlengd. Dezeexperimenten zullen tot 2030 lopen. Door de planning van deze experi-menten op elkaar af te stemmen kan na afloop over het geheel vanonderwijstijd in het po besluitvorming plaatsvinden.78In hoeverre wordt met de G5-noodmaatregel rekening gehouden met hetbevoegdhedenstelsel in het onderwijs?De beleidsregel «Andere dag- en weekindeling» geeft scholen in de G5 diezich hiervoor aanmelden de mogelijkheid andere professionals danbevoegde leraren in te zetten, voor maximaal 22 uur per maand. Dit,omdat op een deel van de scholen in de G5 de tekorten zo hoog zijn datniet alle uren gegeven kunnen worden door bevoegde leraren. In debeleidsregel staat van welke wet- en regelgeving kan worden afgewekendoor scholen die deelnemen aan het experiment en welke voorwaardendaarbij gelden. Zo moet de medezeggenschapsraad instemmen met eenplan op schoolniveau en zijn de vakken Nederlands, rekenen, wiskunde enbewegingsonderwijs uitgesloten.79In hoeverre wordt de kwaliteit van het onderwijs geborgd door hetinzetten van de G5-noodmaatregel?Uit de evaluatie van de beleidsregel «Andere dag- en weekindeling» komtnaar voren dat de betrokken actoren (schoolleiders, bestuurders,onderwijsgevend personeel, ouders, leerlingen en andere professionals)over het algemeen tevreden zijn met de inzet van de andere professionals.Door de regeling ervaren de meeste schoolleiders en onderwijsgevendpersoneel positieve gevolgen voor de continuïteit van het onderwijs enhet verminderen van het personeelstekort. De (gerapporteerde) impactvan de regeling op de onderwijskwaliteit is deels positief. Daarnaastverzorgen andere professionals verrijkende vakken met een rijkercurriculum tot gevolg, maar daardoor kunnen leraren zich ook richten opde kernvakken.De pedagogische en didactische vaardigheden van de externe profes-sional blijken bepalend voor de kwaliteit van de lessen. De G5-gemeentenbieden daarom scholingstrajecten pedagogisch en didactisch handelenaan voor de professionals.80Is de beroepsgroep betrokken (geweest) bij de invoering en evaluatie vande G5-noodmaatregel?De beroepsgroep is en wordt op verschillende manieren betrokken. Zodient een school vóórdat zij gebruik mogen maken van de regeling eenuitgewerkt plan te hebben, waar de medezeggenschapraad mee heeftingestemd. Voor de evaluatie van de regeling zijn schoolleiders, onder-wijsgevend personeel, ouders en de andere professionals geïnterviewd,en zijn ook schoolbezoeken gebracht. Daarnaast is gebruik gemaakt vaneen begeleidingscommissie, waar ook de (georganiseerde) beroepsgroepTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1730 in deelnam. Tot slot organiseren de G5-gemeenten zelf met enigeregelmaat bijeenkomsten om met onder andere leraren en schoolleidersin gesprek te gaan over de regeling.81Waar in deze begroting is rekening gehouden met het genoemdewetsvoorstel Versterken inspraak leraren en schoolleiders?Op dit moment is nog niet duidelijk wat de exacte inhoud van hetwetsvoorstel gaat zijn, daarom is er nog geen concrete post opgenomenin de OCW-begroting. Bij het uitwerken van het wetsvoorstel zal wordenbezien op welke wijze financiële consequenties kunnen worden gedekt opde OCW-begroting.82Wat is de planning van het wetsvoorstel Versterken inspraak leraren enschoolleiders en wie uit het veld worden erbij betrokken?Het wetsvoorstel «Versterken inspraak leraren en schoolleiders» bevindtzich, zoals uiteengezet bij vraag 51, in de ontwikkelingsfase. In deze fasezal met een brede groep aan belanghebbenden en experts gesprokenworden over hoe de doelen van het wetsvoorstel te bereiken. Te denkenvalt aan leraren en schoolleiders, besturen, intern toezichthouders, socialepartners en de Inspectie van het Onderwijs. Via de halfjaarlijkse Leraren-brief zal uw Kamer geïnformeerd worden over de voorgang van hetwetsvoorstel.83Hoeveel leraren worden in 2026 via de pilot meerurenmaatwerk extraingezet en hoe wordt de effectiviteit hiervan gemeten?Dit aantal leraren is nog niet bekend. De aanvraagtermijn voor de subsidievan de pilot is op 1 september gesloten. De Dienst Uitvoering Subsidiesaan Instellingen (DUS-I) beoordeelt momenteel de aanvragen.Een onderzoeksbureau monitort en evalueert de pilot meerurenmaatwerk.Het bureau kijkt allereerst in hoeverre het aanbieden aan leraren vankeuzeopties zoals geld boven op het salaris, snipperdagen en een flexibelrooster kan bijdragen aan het behoud van leraren en hen stimuleert ommeer uren te gaan werken of te blijven werken. Ten tweede onderzoekt hetbureau welke factoren bijgedragen aan het slagen van meerurenmaatwerkals pilot instrument. De eerste tussenrapportage wordt verwacht in Q42026.84Hoeveel gewonden door ingrijpen van politie of beveiliging zijn er deafgelopen tien jaar per jaar geweest bij demonstraties op universiteiten?Het Ministerie van OCW beschikt niet over dergelijke gegevens.85Kunt u aangeven hoeveel studenten stagelopen, welk aandeel daarvaneen stagevergoeding krijgt en dit uitsplitsen naar type onderwijs?Er zijn geen eenduidige data beschikbaar over stages in het hbo en wo.Hierdoor kan niet worden vastgesteld hoeveel studenten precies stagelopen in deze sectoren en hoeveel daarvan een stagevergoedingontvangen. Onderzoek van Researchned (stages in het hoger onderwijseindrapportage) geeft een inschatting. Van de hbo- en wo-studenten diedeelnamen aan het onderzoek liep ongeveer de helft stage in de periodeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1731 september 2022–februari 2023. Van de hbo-studenten ontving 75% in 2023een stagevergoeding. Voor de wo-studenten bleek dat 65% te zijn voorstudenten die een verplichte stage liepen en 91% voor studenten die eenfacultatieve stage liepen. Het gaat bij deze data om metingen met eenbeperkt aantal respondenten.In het mbo liepen in studiejaar 2024/2025 in totaal zo’n 220.000bol-studenten stage volgens de SBB barometer. Volgens het CBSontvingen 42% van de mbo-studenten die stage liepen een stagever-goeding.86Hoeveel zou het kosten om alle stagevergoedingen gelijk te trekken methet minimumloon?Voor het hbo en wo is er geen inzicht in hoeveel en hoe lang studentenstagelopen, hierdoor is niet mogelijk om een schatting te geven overhoeveel het zou kosten om voor de gehele stagelopende populatie destagevergoeding gelijk te trekken met het minimumloon.Voor het mbo zijn de kosten ruim € 300 miljoen oplopend tot€ 700 miljoen. Dit bedrag is een schatting op basis van een aantalaannames. Zo is gerekend met het minimale aantal uren dat een mbo-bolstudent stage moet lopen. Het daadwerkelijk aantal uren stage ligt vaakhoger. Tevens weten we dat van de studenten die een stagevergoedingontvangen (42% van alle studenten) het mediaan uurloon € 3,04 is. Ditbetekent dat bedrijven op dit moment circa € 200 miljoen aan stagever-goedingen betalen. Dit is een groot verschil met circa € 500 miljoenkosten voor bedrijven als alle studenten het gemiddelde minimumloon€ 7,91 per betreffende leeftijdscategorie of de circa € 900 miljoen kostenvoor bedrijven als alle studenten een minimumuurloon voor 21-jarigenvan € 14,40 per uur ontvangen voor hun stage.87Welke mogelijkheden kent de wet zodat scholen voor praktijkonderwijshun leerlingen nog binnen hun instelling entree-opleidingen aanbieden?Op dit moment kent de wet geen mogelijkheden voor scholen voorpraktijkonderwijs om een entreeopleiding aan te bieden. In de praktijkgebeurt dit wel. Zoals reeds aangekondigd aan uw Kamer is hetvoornemen om deze praktijk wettelijk te verankeren (zie Kamerstuk 31293, nr. 743, Kamerstuk 31 524, nr. 570 en Kamerstuk 31 289, nr. 436).88Wat zijn de financiële gevolgen voor scholen van het wetsvoorstel Vanschool naar duurzaam werk als naar aanleiding hiervan verschillendebestaande regelingen worden samengevoegd in één regeling?Deze wet heeft positieve financiële consequenties voor mbo-instellingen.In de Kamerbrief van 3 oktober 2025 (Kamerstuk 31 524, nr. 677) isuiteengezet welke effecten deze wet heeft voor mbo-instellingen.89Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de genderverdelingin het hoger onderwijs onder studenten, promovendi, docenten enhoogleraren van de afgelopen twintig jaar?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1732 Studenten hbo en woIn de afgelopen twintig jaar waren in vrijwel alle studiejaren de meestestudenten in zowel het hbo als het wo vrouw (gemiddeld 52% in het hbo,en bijna 52% in het wo).Het aandeel vrouwelijke studenten is in het hbo in de jaren 2017–2023onafgebroken gestegen: van ruim 51% in 2017, naar ruim 53% in 2023. Instudiejaar 2024–2025 was 53% van alle hbo studenten vrouw.Het aandeel vrouwelijke studenten is in het wo in de jaren 2015–2024onafgebroken gestegen: van bijna 51% in 2015, naar bijna 54% in 2024.Docenten hboHet aandeel vrouwen onder het totaal aantal FTE’s van onderwijzendpersoneel is in het hbo in de jaren 2009–2023 onafgebroken gestegen: vanruim 42% in 2009, naar bijna 53% in 2023.Promovendi, docenten en hoogleraren universiteitenAandeel vrouwelijke werknemers aan de Nederlandse universiteiten (%)Bron: DUO InformatieproductenBron: DUO op basis van RAHO (Vereniging Hogescholen), geraadpleegd via OCW-in-Cijfers (link).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1733 2005200620072008200920102011201220132014Hoogleraar9,6%10,2%11,1%11,7%12,2%13,2%14,7%15,5%16,2%16,9%Universitairhoofddocent16,2%17,3%17,9%18,8%20,0%20,9%22,3%22,8%25,3%26,4%Universitairdocent30%31%32%32,4%33,3%34,1%35,3%36,3%37,1%37,9%Docent42,5%44,8%45,4%45,8%47,7%47,4%48,0%48,7%50,6%51,8%Promovendus39,0%39,9%41,2%42,5%44,2%45,0%45,4%44,7%44,6%44,0% 2015201620172018201920202021202220232024Hoogleraar18,0%18,8%20,2%22,2%23,5%25,0%25,9%27,0%28,3%29,5%Universitairhoofddocent27,0%27,9%29,0%29,1%30,0%31,2%33,1%34,3%35,9%37,0%Universitairdocent39,4%40,1%41,3%42,6%42,7%44,2%45,1%46,3%47,2%47,9%Docent52,5%53,1%51,6%51,1%51,1%52,4%53,0%53,4%53,7%53,7%Promovendus43,8%43,7%43,3%43,6%44,3%44,9%45,0%45,5%46,1%46,5% De gegevens in deze tabel zijn samengesteld op basis van personeelsdatadie de Universiteiten van Nederland (UNL) beschikbaar stelt. UNL verkrijgtdeze door een jaarlijkse gegevensopvraag personeel bij de Nederlandseuniversiteiten. Het bevat het percentage vrouwen in dienst van deuniversiteiten op peildatum 31/12 in personen. De gegevens bevattengrotendeels niet het personeel uit het wetenschapsgebied Gezondheid. Demeeste mensen werkzaam in de sector Gezondheid werken tegenwoordigbij universitair medische centra en zijn in dienst van het ziekenhuis (m.u.v.Maastricht Universitair Medisch Centrum+).De tabel geeft een totaal aandeel weer van het aantal vrouwen aan deNederlandse universiteiten en daarmee geen inkijk in de verschillen peruniversiteit of wetenschapsgebied.Bron https://www.universiteitenvannederland.nl/downloadbare-gegevens-personeel90Hoeveel gemeenten hebben op dit moment geen openbare bibliotheek?Eind 2024 hadden elf gemeenten geen volwaardige openbare bibliotheek.Dat wil zeggen: er is in het geheel geen bibliotheek of er is wel eenbibliotheek, maar deze voldoet niet aan de eisen van de Wet stelselopenbare bibliotheekvoorzieningen. Veel van deze gemeenten makengebruik van de Specifieke uitkering (Spuk) openbare bibliotheken. Zijontvangen een bijdrage om een nieuwe vestiging te realiseren of eenbestaande beperkte vestiging te verbeteren tot een volwaardige vestiging.91Hoeveel zou het kosten om een openbare bibliotheek te realiseren voorelke gemeente die er op dit moment geen heeft?Op grond van de Spuk openbare bibliotheken is voor gemeenten eenbedrag van € 440.000 beschikbaar voor het realiseren van een nieuwevestiging en van € 220.000 voor het verbeteren van een bestaandevestiging. Gemeenten zonder bibliotheek kregen voorrang bij de verdelingvan de middelen van de Spuk. Daarmee is voor iedere gemeente zonderbibliotheek een uitkering beschikbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1734 92Wordt er in 2026 bezuinigd op financiële steun die wordt geleverd aanorganisaties die zich inzetten voor emancipatie? Zo ja, om hoeveel geldgaat dit?Nee, er wordt in 2026 niet bezuinigd op de financiële steun.93Wat is het beeld van de uitvoering van de fair pay and practise code in decultuurbranche en welk bedrag is nodig om fair pay volledig voor degehele cultuurbranche uit te rollen?Het meest recente onderzoek naar de benodigde middelen ten behoevevan fair pay is het in 2023 uitgevoerde onafhankelijk onderzoek «fair paydichterbij» van PPMC in opdracht van koepelorganisatie Kunsten’92. Ditonderzoek richtte zich hoofdzakelijk op de basisinfrastructuur en de doorde cultuurfondsen meerjarig gesubsidieerde instellingen. Een analysevoor de gehele culturele sector (inclusief andere overheden en privaatgefinancierde instellingen) is niet beschikbaar. Het Rijk is in het cultuur-beleid maar een van de financiers. Gemeenten en private financiersnemen een groot deel van het cultuurbudget voor hun rekening. Hoeweler goed wordt samengewerkt met de andere financiers, ligt de verant-woordelijkheid bij álle betrokkenen.Voor de basisinfrastructuur is het onderschrijven van de fair practice codeeen voorwaarde voor subsidiëring. Alle instellingen in de basisinfra-structuur moeten zich daartoe verhouden. Onderdeel van de fair practicecode is «fair pay». Ten behoeve van fair pay zijn culturele instellingen dievanuit de basisinfrastructuur (bis) subsidie van de Rijksoverheidontvangen, vanaf 2025 verplicht tot eerlijke betaling (fair pay). Voor dezeinstellingen geldt dat zij zich per 1 januari 2025 moeten verbinden aancollectieve tariefafspraken. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aansluitenbij een CAO of honoreringsrichtlijn. Bij de rijkscultuurfondsen geldt ook deverplichting de fair practice code te onderschrijven, maar is deverplichting met betrekking tot fair pay voor een deel afhankelijk van deaard en omvang van de subsidierelatie.Per 1 januari 2025 heeft het kabinet structureel € 38,2 miljoen (loon- enprijspeil 2024) extra voor fair pay toegevoegd, verdeeld over de Rijkscul-tuurfondsen, bis-instellingen en musea in de Erfgoedwet. Tijdens hetcommissiedebat van 12 juni is aan uw Kamer toegezegd «fair pay» teevalueren in 2026–2027. Middels deze evaluatie kan een goed beeldgeschetst worden over de uitvoering van «fair pay».94Kunt u kwantificeren in hoeverre het Masterplan basisvaardighedeninmiddels heeft geleid tot een betere beheersing van de basisvaardig-heden bij de scholieren in basis-, voortgezet en speciaal onderwijs?Rond het Masterplan basisvaardigheden is een onderzoeksprogrammaopgezet waarover sinds de start in 2022 regelmatig gerapporteerd wordtaan uw Kamer. Zo geeft de jaarlijkse Monitor basisvaardigheden sinds2023 een actueel beeld van de prestaties van leerlingen en kwantificeertdeze monitor in hoeverre er sprake is van vooruitgang van leerlingen inhet basis- en voortgezet onderwijs. Daarnaast wordt de uitvoering en heteffect van specifiek de subsidieregeling «Verbetering basisvaardigheden»,op de voet gevolgd met vragenlijsten en het kwantitatief effectonderzoek.Op basis van de eindmeting onder de scholen die als eerste zijnbegonnen, weten we dat een zeer groot deel van deze scholen aan heteinde van de subsidieperiode positief is over het effect van hun extra inzetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1735 op de basisvaardigheden op de leerprestaties van hun leerlingen. Metname in het primair onderwijs zijn scholen positief: ruim 80% van descholen geeft aan merkbare of aanzienlijke vooruitgang te zien bij taal enrekenen-wiskunde. In het voortgezet onderwijs gaat het om 60% van descholen. Zij zien daarnaast ook veranderingen binnen de school dieduurzaam bijdragen aan de verbetering van de onderwijskwaliteit. Heteerste beeld is dus positief. Aan het einde van het jaar zullen we in dezevende voortgangsbrief aan de hand van nieuwe onderzoeksresultaten inmeer detail rapporteren over het effect van de subsidie en ondersteuning.95Wat is de dekking voor het terugdraaien van de onderwijskansenregeling?Het kabinet heeft in de Miljoenennota 2026 een integrale afweginggemaakt van alle uitgaven. Het terugdraaien van het afschaffen van deonderwijskansenregeling was hier onderdeel van. De dekking bestaatonder andere uit een deel van de Envelop ouderenzorg, een korting op deincidentele loonontwikkeling tranche 2029 en een deel van de prijsbij-stelling tranche 2026. Het is niet mogelijk om één op één de dekking voorhet terugdraaien van de afschaffing van de onderwijskansenregeling aante wijzen.96Wordt de volledige prijsbijstelling voor 2026 uitgekeerd?Het kabinet heeft in de Miljoenennota 2026 aangekondigd dat bijVoorjaarsnota 2026 de prijsbijstelling over de gehele Rijksbegroting met€ 380 miljoen wordt gekort. Dit betekent dat het Ministerie van OCW geenvolledige prijsbijstelling ontvangt in 2026.97Indien de prijsbijstelling voor 2026 niet volledig wordt uitgekeerd, opwelke artikelen wordt de prijsbijstelling dan niet volledig uitgekeerd enwat is het bedrag, per artikel, dat niet wordt uitgekeerd terwijl dat bijvolledige prijsbijstelling wel zou moeten?Het kabinet heeft bij de augustusbesluitvorming besloten om een deel vande prijsbijstelling tranche 2026 in te houden ter dekking van rijksbredestructurele problematiek. Het betreft een korting van € 380 miljoen vanaf2028 over de volle breedte van de Rijksbegroting. Het is nog niet bekendwelk deel daarvan neerslaat op de OCW-begroting, omdat de totaleprijsbijstelling pas in het voorjaar kan worden berekend. Daarom is het opdit moment niet mogelijk om (per artikel) te vermelden wat het bedrag isdat niet wordt uitgekeerd aan prijsbijstelling.Op het moment dat de korting voor het Ministerie van OCW bekend is zalhet Ministerie van OCW dit meenemen in de integrale afweging van deVoorjaarsnota en uw Kamer daarover informeren in de Eerste SuppletoireBegroting 2025. Onderdeel van deze integrale afweging is de manierwaarop wordt omgegaan met de wettelijk verplichte prijsbijstelling bij hetverdelen van de ontvangen prijsbijstelling over de verschillende artikelenvan het Ministerie van OCW.98Hoeveel scholen in Nederland hebben momenteel brede brugklassen enhoeveel scholen hadden de afgelopen tien jaar brede brugklassen, en isdit aantal in tien jaar toegenomen of afgenomen?Uit de evaluatie van de subsidieregeling «Heterogene brugklassen» volgtop basis van gegevens van DUO dat circa 27% van de vestigingen in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1736 vo in schooljaar 2023/2024 alleen categorale klassen heeft aangeboden inhet eerste leerjaar. Circa 29% had alleen heterogene brugklassen en 44%deels categorale en deels heterogene brugklassen. De registratie bij DUOkan echter afwijken van het feitelijke aanbod en de organisatie vanbrugklassen op een school. De exacte aantallen en percentages zijndaarmee niet volledig accuraat maar geven een indicatie. Zoals toegezegdin de behandeling van de eerste suppletoire begroting van het Ministerievan OCW 2025 in de Eerste Kamer volgt komend jaar een brief met dehuidige stand van zaken rondom brede brugklassen, waarin ook ingegaanwordt op de registratie bij DUO.Genoemde percentages zijn over de afgelopen jaren relatief constant,maar de subsidieregeling heeft er wel aantoonbaar toe geleid dat hetwerken met heterogene brugklassen in het voortgezet onderwijs (en in elkgeval bij de 738 scholen die subsidie hebben ontvangen) meer of weer isgaan leven en dat het aanbod hiervan uitgebreid en/of verbeterd is.99Klopt het beeld dat er per 2026 bijna € 800.000.000 wordt bezuinigd op deOCW-begroting?In 2026 wordt er € 793,5 miljoen bezuinigd op de OCW-begroting, sindsde start van het kabinet-Schoof. Dit betreffen alle generale bezuinigingenop de OCW-begroting (dus niet verschuivingen van budget binnen deOCW-begroting). Zie ook tabel 4 extensiveringen in de ontwerpbegroting2026 van het Ministerie van OCW. Structureel gaat het om een bezuinigingvan circa € 1,4 miljard. Als de korting van de halvering van de prijsbij-stelling tranche 2025 uit de Voorjaarsnota 2025 hierbij wordt opgeteld,betreft het een bezuiniging van structureel circa € 1,6 miljard.100Wat zijn de gevolgen van het inhouden van de prijsbijstelling voor 2026 enverder per onderwijssector en om welke bedragen gaat dit?Zie het antwoord op vraag 97.101Kunt u per artikel specificeren wat er, sinds de start van het kabinet-Schoof, op het totale bedrag per artikel is bezuinigd?In onderstaande tabel wordt per artikel gespecificeerd wat er, sinds destart van het kabinet-Schoof, per saldo is bezuinigd op het totale bedragper artikel. In de tabel zijn de generale intensiveringen gesaldeerd met degenerale extensiveringen op de OCW-begroting. Zie ook tabel 8 (saldointensiveringen en extensiveringen per artikel) in de ontwerpbegroting2026 van het Ministerie van OCW. Sinds de start van het kabinet Schoof iser structureel circa € 1,4 miljard geëxtensiveerd en circa € 0,2 miljardgeïntensiveerd op de OCW-begroting. Per saldo betreft het een structurelebezuiniging van circa € 1,2 miljard.Aanvullend heeft het kabinet bij de Voorjaarsnota 2025 besloten om deprijsbijstelling tranche 2025 te halveren en dus 50% niet uit te keren omrijksbrede problematiek te dekken. Het beschikbare budget voor prijsbij-stelling op de OCW-begroting is daardoor geen € 343,2 miljoen maar€ 171,6 miljoen structureel. Dit is niet meegenomen in de tabel hieronder.(bedragen x € 1.000)20252026202720282029Artikel 170.086– 75.653– 91.417– 113.701– 122.548Artikel 3– 118.195– 158.436– 214.969– 230.922– 233.011Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1737 (bedragen x € 1.000)20252026202720282029Artikel 4– 23.383– 49.415– 61.804– 72.594– 77.870Artikel 6– 9.523– 18.651– 49.280– 70.198– 82.174Artikel 7– 197.037– 220.807– 254.310– 290.393– 339.162Artikel 8– 231– 252– 441– 585– 598Artikel 9– 60– 62– 64– 66– 69Artikel 11– 4.122– 8.1081.284.80828.8039.202Artikel 12– 49– 51– 52– 54– 56Artikel 13– 275– 287– 296– 303– 320Artikel 14– 2.765385– 2.983– 4.245– 7.301Artikel 15– 1.868– 3.445– 156.418– 157.947– 159.066Artikel 16– 54.597– 58.979– 66.058– 69.908– 72.635Artikel 25– 750– 58– 107– 133– 151Artikel 91– 22.302– 22.302– 22.302– 22.302– 22.302Artikel 95– 16.101– 37.357– 53.636– 73.013– 80.778Totaal– 381.172– 653.478310.671– 1.077.561– 1.188.839 102Welke voortgang hebben u en uw ambtsvoorganger inmiddels geboekt bijhet Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs?Om te komen tot een herstelplan zijn het afgelopen jaar veel gesprekkengevoerd met het onderwijsveld. Met leraren, leerlingen, schoolleiders,bestuurders, ouders en vertegenwoordigende organisaties. Het iswaardevol om, samen met alle betrokken in het onderwijs, te komen totgezamenlijke doelen, prioriteiten en een aanpak die werkt. Die gesprekkenhebben écht geholpen om samen een stip op de horizon te formuleren,waarbij het structureel verstevigen van het onderwijs bovenaan staat. Wewaren ook heel ver met een gezamenlijk plan. Echter, voor de zomerhebben sociale partners zich naar aanleiding van de bezuiniging op deonderwijskansenregeling in het voortgezet onderwijs teruggetrokken uitde gesprekken over het herstelplan. Deze bezuiniging is inmiddelsteruggedraaid. Onlangs is dan ook met de vertegenwoordigende partijengesproken over wat dit betekent voor het herstelplan. De gezamenlijkeconclusie is dat het ons allen niet passend lijkt om, gezien de demissio-naire status van het kabinet, nu te komen met een herstelplan. Een breedakkoord verdient een breed draagvlak. We blijven samen met de socialepartners werken aan thema’s zoals basisvaardigheden en het leraren-tekort. Zoals door de Staatssecretaris gemeld in het commissiedebatFunderend Onderwijs van 30 september jl. is het aan een volgend kabinetom eventuele stappen te zetten richting een nieuw akkoord of niet.103Hoe vaak heeft de Reclame Code Commissie de afgelopen jarenuitspraken gedaan over lesmateriaal waar commercieel belang bij zit overmisleidende en onjuiste informatie in dat lesmateriaal?Het Ministerie van OCW houdt niet bij hoeveel uitspraken de ReclameCode Commissie (RCC) de afgelopen jaren heeft gedaan over lesmateriaalmet een commercieel belang en of deze betrekking hadden op mislei-dende of onjuiste informatie. De uitspraken van de RCC zijn openbaar enrechtstreeks te raadplegen via de website van de Reclame CodeCommissie.104Hoe verhoudt de looptijd van zeven jaar van het onderzoek naar dekwaliteit van het onderwijs zich tot de ambitie van de regering om in hetjaar 2027–2028 al het niveau van de basisvaardigheden van alle leerlingenop orde te hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1738 De looptijd van zeven jaar heeft betrekking op de Strategische Evaluatie-agenda (SEA), hierin wordt een beperkt aantal thema’s over een langereperiode sectoroverstijgend gevolgd. Kwaliteit van onderwijs is één van diethema’s. Los daarvan stelt het Ministerie van OCW voor specifiekebeleidsonderwerpen doelen vast en worden in dat verband onderzoekenuitgevoerd. Voor het Masterplan basisvaardigheden zijn specifieke doelengesteld voor de prestaties van leerlingen op taal en rekenen-wiskunde aanhet einde van het schooljaar 2027–2028. Het gaat dan om funderendonderwijs. De SEA is breder en kijkt in het kader van het thema kwaliteitvan onderwijs naar meer aspecten dan alleen de prestaties van leerlingen.De onderzoeken en monitoring in het kader van het Masterplan zijnvanzelfsprekend onderdeel van de SEA.105Hoeveel zou het kosten om het programma School en omgeving op elkemiddelbare school in Nederland uit te rollen?Het uitrollen van het programma School en Omgeving op alle scholen inNederland in het voortgezet onderwijs kost aanvullend circa € 1,6 miljardper jaar.106Hoeveel zou het kosten als alle scholen (primair en voortgezet onderwijs)mee zouden doen aan het programma Schoolmaaltijden?Om alle scholen deel te laten nemen aan het programma Schoolmaal-tijden is aanvullend circa € 683 miljoen per jaar benodigd.107Welke stappen hebben de bewindspersonen van OCW sinds hetaantreden van het kabinet-Schoof gezet om inclusief onderwijs in 2035naderbij te brengen?Per 1 augustus 2025 zijn tientallen scholen op basis van de beleidsregel«Inclusieve leeromgeving» gestart met een samenwerking die hetmogelijk maakt om leerlingen uit het regulier en gespecialiseerdonderwijs samen onderwijs te laten volgen op een reguliere school. In hetnajaar brengen themagroepen advies uit aan het Ministerie van OCW enhet Ministerie van VWS over verschillende aspecten van inclusie. Dethemagroepen bestaan uit vertegenwoordigers van het onderwijs- enzorgveld, wetenschappelijke experts en voorlopers van scholen, samen-werkingsverbanden en gemeentes. Verder worden scholen ondersteunddoor het Steunpunt Passend Onderwijs middels een subsidie van hetMinisterie van OCW. Zij hebben onder andere de website «Ruimte inRegels» gelanceerd. Ook ontwikkelt het SPO de «Toolkit InclusiefOnderwijs» met praktische hulpmiddelen voor scholen, schoolbesturen ensamenwerkingsverbanden voor de transitie naar inclusief onderwijs.108Hoe heeft de beloning van onderwijzend personeel in het funderendonderwijs en het mbo zich de afgelopen jaren ontwikkeld in euro’sgecorrigeerd op inflatie?De gemiddelde beloning van onderwijzend personeel in het po, vo enmbo is respectievelijk € 5.900, € 6.200 en € 6.100 in 2024. Dat was tienjaar geleden (2015) voor po, vo en mbo respectievelijk € 3.800, € 4.700 en€ 4.700. De loonstijging kan in de praktijk hoger zijn, bijvoorbeeld dooreenmalige uitkeringen. De correctie op inflatie ofwel de ontwikkeling vanhet «reële loon» in het funderend onderwijs, het mbo en de markt inNederland is als volgt:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1739 109Wat betekent het deels uitkeren van de loon-prijsbijstelling voor dedoelstellingen van het kabinet, gelet op de meermaals geuite zorg datdeze doelstellingen al naar aanleiding van de eerdere bezuinigingen nietexpliciet zijn bijgesteld?Er is bij Voorjaarsnota 2025 alleen gekort op de prijsbijstelling. De in deMiljoenennota 2026 aangekondigde kortingen bij Voorjaarsnota 2026betreffen de prijsbijstelling en de incidentele loonontwikkeling (ilo). Op dereguliere loonbijstelling is niet gekort. Het inhouden van de ilo betreft detranche 2029 vanaf 2029. Het is daarom niet mogelijk nu te zeggen wathier de consequenties van zijn voor doelstellingen van het Ministerie vanOCW.De consequenties voor doelstellingen van het Ministerie van OCW van derijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 bij Voorjaarsnota2025 verschillen per sector en per instelling. Uit de gehalveerde prijsbij-stelling is eerst volledige prijsbijstelling uitgekeerd aan het po, derijksbijdrage media en de studiefinanciering omdat deze wettelijk verplichtis. Vervolgens is met herprioriteringen de prijsbijstelling in het vo ookvolledig uitgekeerd. Voor deze onderdelen van de OCW-begroting zijn ergeen consequenties als gevolg van de rijksbrede halvering van deprijsbijstelling. Hierna resteerde nauwelijks prijsbijstelling voor de overigeonderdelen van de OCW-begroting, te weten het mbo, hbo, wo, cultuur,onderzoek en emancipatie. De consequentie hiervan is dat de bekostigingen subsidies voor deze artikelen nauwelijks zijn opgehoogd voor gestegenprijzen. Het verschilt per instelling hoe hier de begroting al dan niet opwordt aangepast en doelstellingen niet meer kunnen worden behaald. Inhet algemeen geldt dat als een budget niet meestijgt met de inflatie er inreële zin minder budget is.Het is niet bekend wat de consequenties zijn voor doelstellingen van hetMinisterie van OCW van de bij Miljoenennota 2026 aangekondigde kortingbij Voorjaarsnota 2026. Immers, het betreft een korting van € 380 miljoenover de volle breedte van de Rijksbegroting. Het is nog niet bekend welkdeel neerslaat op de OCW-begroting, omdat de grondslagen voor de loon-en prijsbijstelling jaarlijks in het najaar worden vastgesteld en depercentages bij Voorjaarsnota worden vastgesteld. Op het moment dat de*Bron: De cijfers zijn samengestelde reeksen. De beloning is op basis van DUO-data encao-ontwikkeling. De inflatie en loonontwikkeling zijn op basis van CPB-data, specifiek resp. hetCPI en het contractloon in de markt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1740 korting voor het miniserie van OCW bekend is, zal het Ministerie van OCWdit meenemen in de integrale afweging van de Voorjaarsnota en uwKamer daarover informeren in de Eerste suppletoire begroting 2025. Ookhier geldt dat de consequenties zullen verschillen per ontvanger vanprijsbijstelling en dat er in algemene zin sprake is van een reëlebezuiniging.110Hoe is het momenteel gesteld met de positie van vrouwen in Nederland,uitgesplitst per socio-economische klasse, leeftijd en oog hebbende voorandere factoren zoals bijvoorbeeld een beperking, taalbarrière ofmigratieachtergrond, en kan er in het bijzonder gereflecteerd worden opde positie van vrouwen wat betreft sociale veiligheid, economischezelfstandigheid en positie op de arbeidsmarkt?In de laatste Europese Gender Equality Index (2024) kreeg Nederland met78.8 punten een derde plek toegewezen, na Zweden (82) en met eenzelfdescore als Denemarken. Uiteraard betekent deze score ook dat er nog werkte verzetten is om gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen terealiseren. Om vooruitgang te boeken, dient rekening gehouden teworden met verschillen tussen vrouwen onderling. Hieronder enkelevoorbeelden ter illustratie; voor verdere inzichten verwijs ik u naar deEmancipatiemonitor, de Lhbtiqa+-monitor, en de Veiligheidsmonitor.Sociale veiligheidUit de laatste Veiligheidsmonitor (CBS) blijkt dat in 2023 ongeveerevenveel mannen als vrouwen (15 jaar of ouder) slachtoffer is gewordenvan geweldsdelicten. Het is daarbij wel belangrijk te benadrukken datvrouwen 5 keer vaker slachtoffer waren van seksueel geweld dan mannen.Vooral jonge vrouwen (15 en 25 jaar) zijn slachtoffer van geweld, en vanseksueel geweld in het bijzonder. 5% van de tweede-generatievrouwenwas slachtoffer van seksueel geweld, tegenover 3% van de vrouwen vanNederlandse herkomst. Bi+ vrouwen ervaren ook vaker dan heterosek-suele vrouwen geweldsdelicten (12,9% tegenover 6,1%).Economische zelfstandigheidVolgens het CBS is tussen 1977 en 2022 is het aandeel vrouwen dateconomisch zelfstandig is gegroeid – van 20% naar bijna 70%. Bij mannenbleef dit aandeel stabiel rond 80%. In 2024 had volgens het CBS 6% vande vrouwen geen eigen inkomen, en volgden zij ook geen onderwijs(CBS). Tien jaar eerder was dit nog 10%. Er zijn dus steeds mindervrouwen zonder eigen inkomen, al is het contrast met de mannen (2%)nog altijd groot. Uit onderzoek van de UU en het CBS blijkt dat vrouwenzonder eigen inkomen gemiddeld ouder zijn, vaker getrouwd en ook vakermoeder dan vrouwen met inkomen. Verder telt de groep zonder inkomenmet 33% meer vrouwen die in het buitenland zijn geboren dan gemiddeld(19%). Ook wonen zij vaker in minder welvarende huishoudens, en instedelijke gebieden.Positie op de arbeidsmarktDe Emancipatiemonitor 2024 noteert dat van de werkzame beroepsbe-volking (7,5 miljoen personen) 47% vrouw was. Tot de leeftijd van 45 jaarverschilt de nettoarbeidsparticipatie van vrouwen en mannen relatiefweinig als ze (nog) geen kinderen hebben. Bij paren met minderjarigekinderen komt de combinatie van een voltijd werkende man en eendeeltijd werkende vrouw het vaakst voor (55%). Vrouwen werken vooraldeeltijd om zorgtaken. Alleenstaande moeders met een kind jonger danTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1741 twaalf jaar participeren relatief weinig op de arbeidsmarkt, maar van dewerkende vrouwen die alleenstaande ouder zijn, zou 8% meer uren willenwerken, wat meer is dan onder andere groepen vrouwen en meer danonder mannen. Mannen hebben vaker een betaalde baan dan vrouwen,en dat verschil is groter bij mensen die in het buitenland geboren zijn danbij mensen die in Nederland geboren zijn. Onder die eerste groep had64,6% van de vrouwen werk in de periode 2021 tot en met 2023,tegenover 78,9% van de mannen.111Hoeveel docenten voelen zich op dit moment niet veilig op school of in deklas vanwege hun seksuele geaardheid?Uit de laatste Landelijke Veiligheidsmonitor (2022) blijkt dat 90% van delhbt-personeelsleden in het po zich veilig voelt, tegenover 97% van deniet-lhbt-personeelsleden in het po. In het vo is er geen verschil tussenbeide groepen: 95% van zowel de lhbt- als de niet-lhbt-personeelsledenvoelt zich veilig.112Wie houdt toezicht op de handhaving van het beleid wat gevoerd wordtdoor scholen omtrent sociale veiligheid, in het bijzonder de veiligheid vanlhbtiqia+ personen?De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de wettelijke eisen metbetrekking tot sociale veiligheid op scholen. Daarin wordt de veiligheidvan lhbtiqia+ personen meegenomen.113Hoe is het momenteel gesteld met de (sociale) veiligheid van transper-sonen en bi+ personen?Uit de Lhbtiqa+-monitor en de Veiligheidsmonitor blijkt dat er op het vlakvan veiligheid duidelijke verschillen te zien zijn tussen lhbtiq+ personen enniet-lhbtiq+ personen. Lhbtiq+ personen ervaren in verhouding totcisgender heteroseksuele personen tot zes keer vaker discriminatie,voelen zich vaker onveilig (42% tegenover 34%) en zijn vaker slachtoffervan geweldsdelicten (10% 6%). Ook tussen lhbtiq+ personen onderling zijner verschillen te zien. Zo hebben transgender mensen, waarvan met namenon-binaire mensen, vaker dan homoseksuele mannen en lesbischevrouwen te maken met online bedreiging (8,6% tegenover 4,8% en 2,7%)en fysieke bedreiging (8,5 tegenover 7,5 en 6,9 procent). Als het gaat ommishandeling zijn specifiek non-binaire mensen het vaakst slachtoffer(4,0% tegenover bijvoorbeeld 2,3% van de homoseksuele mannen).Daarnaast zijn met name ook bi+ vrouwen kwetsbaar. Zo voelen bi+vrouwen zich vaker onveilig in de eigen buurt (23% tegenover bijvoor-beeld 19% van de lesbische vrouwen) en worden ze relatief vaakslachtoffer van seksueel geweld (8,3% tegenover bijvoorbeeld 2,4% vande lesbische en 2,8% van de heteroseksuele vrouwen). De oorzaakhiervoor is een drievoudige marginalisering: seksisme, de heteronorm ende monoseksuele norm.114Hoeveel meldingen van discriminatie op basis van seksuele geaardheid,identiteit, beperking of gender zijn er in het afgelopen jaar gedaan?Meldingen van discriminatie worden door het Ministerie van Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Justitie enVeiligheid elk jaar in het voorjaar gepubliceerd in een rapport over hetvoorgaande jaar. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen meldingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1742 gedaan bij de politie, en meldingen bij antidiscriminatievoorzieningen(ADV’s). Binnen deze twee soorten meldingen zijn ook verschillen incategorieën van discriminatiegronden. Over 2024 zijn de volgende cijfersbekend:Meldingen bij de politieSeksuele gerichtheid: 2745Handicap: 170Geslacht: 121Meldingen bij de ADV’sGeslacht: 1502; waarvan tegen transgender personen: 771Handicap/chronische ziekte: 969Seksuele gerichtheid: 951Deze cijfers zijn terug te vinden het rapport Discriminatiecijfers in 2024.Cijfers over 2025 zijn nog niet bekend. In het voorjaar van 2026 worden dediscriminatiecijfers over 2025 gepubliceerd.115In hoeverre is de discriminatie en positie van mensen met een beperkingonderdeel van het huidige emancipatiebeleid?Het emancipatiebeleid richt zich op gendergelijkheid en het versterken vande positie van lhbtiq+ personen in de maatschappij. Om zicht te krijgen opde positie van vrouwen en lhbtiq+ personen met een beperking, wordt inkaart gebracht of bestaande monitoringsonderzoeken zoals de Lhbtiqa+-monitor voldoende aandacht hebben voor mensen met een beperking. Ditmaakt onderdeel uit van de Werkagenda VN-verdrag Handicap I2025–2030, die de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorgals coördinerend bewindspersoon heeft aangeboden aan uw Kamer op 11juli 202512.116Welke maatregelen worden er genomen om de politiek veiliger te makenvoor vrouwen en lhbtiqia+ personen?Met het programma Weerbaar Bestuur zet het Ministerie van Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) zich in om de politiek veiliger temaken voor raadsleden, burgemeesters en alle andere politieke ambts-dragers. Dit doet BZK in nauwe samenwerking met het Netwerk WeerbaarBestuur met ruim 30 partners, zoals de beroeps- en belangenverenigingenvan politieke ambtsdragers, politie, het openbaar ministerie en bijvoor-beeld Stem op een Vrouw. Het is belangrijk dat juist ook specifiekegroepen in de politiek, zoals vrouwen en lhbtiq+ personen, geen drempelsvoelen om incidenten te melden en weten dat ze er op het gebied vanpersoonlijke veiligheid niet alleen voor staan. Zo zijn er in meer dan dehelft van gemeenteraden en provinciale staten weerbaarheidssessiesgehouden wat vaak de aanleiding vormt om gezamenlijk normen vast teleggen in bijvoorbeeld agressieprotocollen. Dit om er voor te zorgen datpolitici zich veilig en zonder druk van buitenaf kunnen blijven uitspreken.Daarnaast ondersteunt het Ministerie van OCW tot en met 2027 dealliantie Politica, vanuit het emancipatiebeleid. In die alliantie zetten demaatschappelijke organisaties WO=MEN, de Nederlandse Vrouwenraad,Stem op een Vrouw en Emancipator zich in voor meer vrouwen in depolitiek. Hierbij is de aanpak van onveiligheid in de politiek onderdeel vande activiteiten.12Kamerstuk 24 170, nr. 362Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1743 117Welke maatregelen worden er genomen om de politiek toegankelijker temaken voor mensen met een beperking?BZK zet zich er onder andere via het project Politiek Actief met eenbeperking van ZorgBelang inclusief voor in dat mensen met eenbeperking actief gemotiveerd worden om de politiek in te gaan. Hierbijworden mensen met een beperking begeleid in hun wens om politiekactief te worden.In het rechtspositiebesluit politieke ambtsdragers zijn daarnaast specifiekevergoedingen en voorzieningen opgenomen voor mensen met eenbeperking om hen in staat te stellen hun politieke ambt uit te oefenen.Daarnaast heeft BZK dit jaar het Diversiteitsplein in het leven geroepen.Een digitaal platform waarin politici (met een beperking), beleidsmede-werkers en andere betrokkenen elkaar kunnen inspireren en tips kunnengeven over politiek actief zijn met een beperking. Het platform is ookbedoeld als informatievoorziening voor (kandidaat) politieke ambts-dragers met een beperking. Tot die informatie behoren onder anderebeschrijvingen per soort arbeidsongeschiktheidsuitkering en de zorg- enhuurtoeslag en hoe de verrekeningssystematiek in zijn algemeenheidwerkt. Voor meer duiding over de complexiteit van raadsvergoedingenvoor uitkeringsgerechtigde raadsleden verwijs ik u naar het onlangsgegeven antwoord van de Minister van BZK (mede namens de Ministervan SZW) op Kamervragen van de leden Chakor en Lahlah hierover.118In hoeverre voldoet Nederland momenteel aan internationale verplich-tingen, voortvloeiende uit wetgeving en verdragen, met haar huidigeemancipatiebeleid en zijn er nog eventuele verbeterpunten?Op het emancipatiebeleid zijn honderden internationale verplichtingen,voortvloeiende uit wetgeving en verdragen, direct of indirect vantoepassing. Nederland voldoet aan veel van deze verplichtingen. De mateen wijze waarop Nederland hieraan voldoet, is onder andere terug tevinden in de betreffende periodieke rapportages, zoals via de CEDAWdialoog gericht op het VN Verdrag inzake de uitbanning van alle vormenvan discriminatie van vrouwen welke Nederland in 1991 heeft geratifi-ceerd. Daar waar het Europese wetgeving betreft, is uit de notificatie vannationale implementatie af te lezen op welke wijze Nederland voldoet ofgaat voldoen aan Europese richtlijnen, zoals de Richtlijn Loontranspa-rantie of de Richtlijn ter bestrijding van Geweld tegen Vrouwen enHuiselijk Geweld. Daar waar Nederland nog niet voldoet aan interna-tionale verplichtingen is het kabinet voornemens dit alsnog te doen viamaatregelen aangekondigd in de «Emancipatienota: Veilig Meedoen!» ofwordt er op basis van nationale omstandigheden andere beleidskeuzesgemaakt.119Hoeveel stille reserve is er in het po en hoeveel in het vo?Zie antwoord op vraag 70.120Wat is de gemiddelde klassengrootte in het vo? Hoe heeft zich dit deafgelopen tien jaar ontwikkeld?Er zijn momenteel geen recente cijfers beschikbaar over klassengroottesin het voortgezet onderwijs. Tijdens het Commissiedebat FunderendTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1744 Onderwijs van 30 september is de toezegging gedaan dat er voor dezomer 2026 een verkenning wordt gedaan naar de klassengrootte.121Hoeveel zou het kosten als alle stagiairs in het primair onderwijs eenstagevergoeding krijgen van € 750 bij fulltime dienstverband?De sociale partners beslissen over de hoogte van de stagevergoeding enaan welke stagairs het wordt toegekend. Zie de Kamerbrief lerarenstra-tegie juni 2024 bijlage moties en toezeggingen. Uiteindelijk hangen detotale kosten af van deze keuzes.De totale kostenraming voor een stagevergoeding in het po van maande-lijks € 750 bedraagt naar schatting € 136 miljoen per jaar. Dit is inclusiefZvw-premie. In deze berekening is geen rekening gehouden met hetaandeel stagiairs dat al een stagevergoeding krijgt. Het Ministerie vanOCW heeft hier geen zicht op. In deze berekening worden studentenonderwijsassistenten, overig onderwijsondersteunend personeel (OOP) enPabo meegenomen. In totaal zijn er jaarlijks ongeveer 42.600 stagairs inhet primair onderwijs (o.b.v. ramingen over 2024). De berekening gaat erverder vanuit dat studenten 10 maanden stagelopen met gemiddeld 2dagen per week over de hele studie.122Hoeveel zou de bekostiging van de scholen in totaal omhoog moeten omde groepsgrootte in het basisonderwijs en de klassengrootte in hetvoortgezet onderwijs te binden aan een maximum van dertig leerlingenen hoeveel zou het kosten om hen te binden aan een klassengrootte van23–29 leerlingen?Dit is afhankelijk van de uitwerking. De klassengrootte op scholen hangtnamelijk ook samen met de pedagogische visie en soms ook praktischezaken. Scholen kunnen zelf kiezen welke inrichting het beste past. Dit incombinatie met een mogelijk verhoogde vraag naar leraren enhuisvesting maakt een wettelijke norm voor de klassengrootte nietwenselijk.In 2024/25 lag de gemiddelde groepsgrootte in het primair onderwijs op22,6 leerlingen en in 2024 was het aandeel groepen met meer dan dertigleerlingen 5,3% in het basisonderwijs.123Op grond van welke overwegingen is uw ambtsvoorganger niet in beroepgegaan tegen het oordeel van de rechtbank Midden-Nederland in begin2025 die de sanctiemaatregel op de bekostiging van samenwerkingsver-banden voor passend onderwijs in verband met een teveel aan boven-matig publiek eigen vermogen, onrechtmatig verklaarde?De rechtbank heeft geoordeeld dat de wijze waarop de generieke kortingis toegepast, juridisch niet correct is. Zoals aangegeven met de kamerbriefvan 24 april 2025 is mede op basis van juridisch advies van de Landsad-vocaat besloten om niet in hoger beroep te gaan. Dat is ook ingegevendoor het feit dat de bovenmatige reserves van de samenwerkingsver-banden de laatste jaren duidelijk zijn afgenomen waardoor het doel vande korting voor een deel is bereikt.124Wat zijn de consequenties van de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in begin 2025 die de sanctiemaatregel op de bekostiging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1745 samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs in verband met eenteveel aan bovenmatig publiek eigen vermogen, onrechtmatig verklaarde?De uitspraak heeft tot gevolg gehad dat de bedragen voor 2023 opnieuwzijn vastgesteld en de compensatieregeling is ingetrokken. Samenwer-kingsverbanden die niet of slechts gedeeltelijk zijn gecompenseerd voorde generieke korting hebben in juli 2025 een nabetaling gekregen.125Hoeveel aanvragen voor de subsidie School en omgeving van de tienprocent scholen met de hoogste onderwijsachterstanden konden dit jaarniet ingewilligd worden en hoeveel leerlingen heeft dit geraakt?Voor de subsidieregeling «School en Omgeving 2025–2028» zijn alleaanvragen van scholen binnen de 10% hoogste onderwijsachterstands-scores, die aan de subsidievoorwaarden voldeden, ingewilligd.126Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de middelen voor deaanpak lerarentekort G5 worden overgeheveld naar de onderwijsregio’s?De geïntensiveerde aanpak in de G5 po is een gezamenlijke aanpak metgemeenten, schoolbesturen, scholen, opleidingen en het Ministerie vanOCW. De ervaringen die de G5 sinds 2020 hebben opgedaan, zijnmeegenomen in de ontwikkeling van de onderwijsregio’s. De G5 isdaarmee een voorloper geweest van de onderwijsregio’s. Met deverbreding van de regionale aanpak via de vorming van onderwijsregio’sis de aanpak geharmoniseerd en ingebed, waarmee een aparte aanpakniet meer nodig is. Vanwege de grotere maatschappelijke opgave die deG5 heeft, ontvangen zij wel meer geld dan andere regio’s voor de aanpakvan de tekorten. Het bundelen van de geïntensiveerde aanpak in de G5met de regionale aanpak personeelstekorten via de onderwijsregio’s komttegemoet aan de wens van uw Kamer om versnippering van subsidierege-lingen omtrent het lerarentekort tegen te gaan.127Wat wordt door de overheveling van middelen voor de aanpak leraren-tekort G5, het budget voor de onderwijsregio’s en blijft hierdoor hetzelfdebudget beschikbaar voor de aanpak van het lerarentekort?Voor de onderwijsregio’s is in 2026 € 272,4 miljoen beschikbaar. Er is, metde eerste suppletoire begroting 2025, € 33,5 miljoen vanuit de aanpakleraren G5 naar dit budget overgeheveld. Deze € 33,5 miljoen is bedoeldvoor de geïntensiveerde aanpak van de tekorten in het po in de G5(Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Almere). Zoals eerderaangekondigd worden deze middelen vanaf 2026 via de onderwijsregio’suitgekeerd, in plaats van een aparte subsidieregeling voor de G5. Deze€ 33,5 miljoen gaat naar de onderwijsregio’s po in de G5 om de geïntensi-veerde aanpak van de tekorten voort te zetten. Dit is het volledige budgetdat voor de G5 gereserveerd stond. Het totaal beschikbare budget voor deaanpak van het lerarentekort blijft hiermee gelijk.128Leidt de overheveling (een gedeelte) van het budget van basisvaardig-heden naar directe bekostiging tot een lager totaalbedrag voorbasisvaardigheden?Nee, met de gerichte bekostiging ontvangen alle po- en vo-scholen eenbedrag van minimaal € 182 per leerling voor het verbeteren van basis-vaardigheden zoals al in de vierde voortgangsbrief Masterplan basisvaar-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1746 digheden in 2024 is gecommuniceerd. Wel is het zo dat dit bedrag perleerling lager ligt ten opzichte van het bedrag dat middels subsidie werdverstrekt, omdat alle scholen de gerichte bekostiging zullen ontvangen integenstelling tot de subsidie die aan een deel van de scholen wordtverstrekt.129Kunt u per jaar specificeren wat de totale uitgaven zijn voor basisvaardig-heden en kunt u eveneens, per jaar, specificeren in hoeverre dit achter-blijft op de inflatie?In onderstaande tabel wordt het totale budget voor po en vo voor degerichte bekostiging basisvaardigheden – en de niet-uitgekeerde loon- enprijsbijstelling getoond. Dit betreft de loon- en prijsbijstelling tranche 2024en de prijsbijstelling tranche 2025. Deze middelen zijn ingezet voor dedekkingsopgave op de OCW-begroting bij Voorjaarsnota 2025. Aanvullendzijn ook de resterende middelen van het monitoringsprogrammabasisvaardigheden die op dit budget stonden ingezet voor deze dekkings-opgave. Ook na bovenstaande inzet resteert een minimaal bedrag van€ 182 per leerling zoals is gecommuniceerd aan scholen in de vierdevoortgangsbrief Masterplan basisvaardigheden in 2024. Of dit budget in2026 en opvolgende jaren verhoogd kan worden met de loon- enprijsbijstelling is afhankelijk van de voorjaarsnotabesluitvorming 2026.202720282029Struc.Huidig budget496.944494.850496.054496.054Niet uitgekeerde loon- enprijsbijstelling0– 2.952– 29.571– 29.571Budget wanneer volledigeloon-en prijsbijstelling wasuitgekeerd.496.944497.802525.625525.625 130Kunt u voor de komende jaren een overzicht geven van de totale middelenvoor de basisvaardigheden inclusief en exclusief de bezuiniging op deloon- en prijsbijstelling van de basisvaardigheden?Zie het antwoord op vraag 129.131Klopt het beeld dat het niet indexeren van de basisvaardigheden ertoeleidt dat het bedrag gelijkt blijft dat scholen ontvangen, maar de kosten(vanwege de inflatie) ondertussen stijgen en u deze indexering nietcompenseert?De gerichte bekostiging basisvaardigheden gaat pas op z’n vroegst in per2027. Scholen hebben deze middelen dus niet eerder ontvangen. Scholenhebben wel eerder kunnen deelnemen aan de subsidieregeling «Basis-vaardigheden» met een looptijd van 2 jaar. Aan scholen is gecommuni-ceerd dat de bekostiging per 2027 € 182 euro per leerling zou zijn en dat isnog steeds het geval. Voor de indexatie van dit budget in 2026 (en verder)geldt dat er niet vooruitgelopen kan worden op toekomstige besluit-vorming over indexatie. Dit volgt bij Voorjaarsnota 2026. Zie ook hetantwoord op vraag 128.132Hoeveel procent van de scholen in het primair en voortgezet onderwijsmaken gebruik van het programma Schoolmaaltijden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1747 Ruim 32% van de scholen in het primair en voortgezet onderwijs maaktgebruik van het programma «Schoolmaaltijden».133Op hoeveel procent van de scholen in het primair onderwijs is er op ditmoment een brugfunctionaris werkzaam?Circa 15% van de scholen in het primair onderwijs ontvangt subsidie vooreen brugfunctionaris. Daarnaast zijn er ook scholen die werken met eenbrugfunctionaris, maar daarvoor geen rijkssubsidie inzetten. Hiervan zijnalleen geen gegevens bekend.134Hoeveel zou het kosten als alle stagiairs in het voortgezet onderwijs eenstagevergoeding krijgen van € 750 bij fulltime dienstverband?De sociale partners beslissen over de hoogte van de stagevergoeding enaan welke stagairs het wordt toegekend. Sociale partners in het vohebben reeds afspraken gemaakt over de stagevergoeding, die in hoogteverschilt per leerjaar. Zie artikel 13.5 in de cao vo 2024–2025 en ZieKamerbrief lerarenstrategie juni 2024 bijlage moties en toezeggingen.De totale kostenraming voor een stagevergoeding in het vo van maande-lijks € 750 bedraagt naar schatting € 108 miljoen per jaar. Dit is inclusiefZvw-premie. In deze berekening is geen rekening gehouden met hetaandeel stagiairs dat al een stagevergoeding krijgt. Het Ministerie vanOCW heeft hier geen zicht op. In deze berekening worden studentenoverig onderwijsondersteunend personeel (OOP) en leraar 1e en 2e graadsmeegenomen. In totaal zijn er jaarlijks ongeveer 33.800 stagairs in hetvoortgezet onderwijs (o.b.v. ramingen over 2024). De berekening gaat erverder vanuit dat studenten 10 maanden stagelopen met gemiddeld 2dagen per week over de hele studie.135Welke belemmeringen kent de wet- en regelgeving die in de weg staandat scholieren in Caribisch Nederland hun centrale examens – metuitzondering van dat voor het vak Nederlands – afleggen in het Spaans ofhet Engels als dit hun thuistaal is?Op St. Eustatius en Saba geldt dat zij een Engelstalig curriculum volgenen Engelstalige examens doen van de Caribbean Examinations Council(CXC). Op Bonaire wordt wel hetzelfde curriculum gevolgd als in EuropeesNederland en leggen leerlingen de Nederlandstalige centrale examens af.De belemmering voor het afleggen van het centraal examen in een anderetaal dan het Nederlands is vooral van praktische aard. De centraleexamens worden in het Nederlands opgesteld en afgenomen en hetcorrectievoorschrift beschrijft in het Nederlands welke antwoorden goedmogen worden gerekend, waarbij vaak ook specifieke, Nederlandse,terminologie benoemd wordt. Tevens is vastgelegd dat er tweedecorrectie plaatsvindt op centrale examens, door een onafhankelijketweede corrector die door DUO wordt toegewezen. Voor een degelijkecorrectie moeten zowel de eerste als de tweede corrector de taal machtigzijn die door de leerling in de beantwoording wordt gebruikt. Dit kan nietgegarandeerd worden als leerlingen het examen in een andere taalmogen afleggen.136Hoeveel geld zou ervoor nodig zijn om mogelijk te maken dat scholierenin Caribisch Nederland hun centrale examens – met uitzondering van datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1748 voor het vak Nederlands – afleggen in het Spaans of het Engels als dit hunthuistaal is?De kosten voor centrale examens in een andere taal dan het Nederlandszijn sterk afhankelijk van verschillende factoren. Primair is het de vraag ofgedoeld wordt op een geheel vertaald examen of alleen een vertaaldcorrectievoorschrift en in hoeveel talen deze beschikbaar moeten zijn.Indien het een geheel vertaald examen betreft spelen ook nog allerleiandere factoren een rol, zoals of het een papieren of een digitaal examenmoet zijn, in hoeveel tijdvakken het examen wordt aangeboden en of deexamenopgaven na afloop geheim blijven (en dus hergebruikt kunnenworden) of dat deze openbaar worden. Los van de examens en/of hetcorrectievoorschrift zouden er ook andere gerelateerde kosten zijn,bijvoorbeeld voor docentprofessionalisering als er een Engelstalige ofSpaanstalige tweede correctie zou moeten worden verricht. Derhalve is ergeen eenduidige schatting te geven van het benodigde bedrag.137Wat is het gevolg van de verlaging van de arbeidsmarkttoelage vo voorindividuele werknemers die recht hebben op deze arbeidsmarkttoelage?Het is aannemelijk dat de meeste werknemers in het vo die recht hebbenop de Arbeidsmarkttoelage (AMT) in 2026 een lagere toelage zullenontvangen dan in 2025. De selectie van vestigingen die de AMT in 2026ontvangen blijft gelijk aan 2025, met inachtneming van fusies enopheffingen. De verlaging van het budget van de AMT vo met€ 10 miljoen betekent dat individuele werknemers werkzaam op dezevestigingen een gemiddeld lagere toelage zullen ontvangen in 2026. In2025 gaat het in het vo om een toelage van gemiddeld 9% van het salaris.In 2026 zal het in het vo gaan om een toelage van gemiddeld 8% van hetsalaris. Het bedrag dat een individuele medewerker werkzaam op eenAMT-vestiging ontvangt, verschilt. Eind dit jaar publiceert het Ministerievan OCW een rekentool waarin scholen kunnen opzoeken hoeveel AMT zein 2026 zullen ontvangen.138Hoeveel werknemers worden geraakt door de bezuiniging op de arbeids-markttoelage vo?In het vo ontvangen 273 vestigingen de arbeidsmarkttoelage. Dit bedraagtcirca 19% van alle vo-vestigingen in Europees Nederland. Het gaat om devestigingen in zowel praktijkonderwijs als overig voortgezet onderwijsmet de relatief hoogste achterstandsscores. Zie voor meer informatie deregeling voor de Arbeidsmarkttoelage in 2025. Gegevens over het exacteaantal werknemers op deze vestigingen zijn niet voorhanden. Er waren in2024 in totaal circa 89.000 voltijdsbanen in het voortgezet onderwijs inNederland. Circa 86.000 daarvan zijn in de klas of ondersteunend. Naarschatting is circa 12% daarvan op vestigingen die arbeidsmarkttoelageontvangen.139Kunt u aangeven hoeveel leerlingen langer dan een maand en langer dandrie maanden thuis zitten, uitgesplitst naar po, vo en mbo?De laatste Leerplichttelling over het schooljaar 2023–2024 is in april 2025met de Kamer gedeeld. Het aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderendat gedurende het schooljaar wel ingeschreven was op school maartenminste langer dan een maand ongeoorloofd niet naar school ging(langdurig relatief verzuim), uitgesplitst per schoolsoort, is:−po: 880 kinderenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1749 −(v)so: 719 kinderen−vo: 2.179 kinderen−mbo: 516 kinderenHet aantal leer- en kwalificatieplichtige kinderen dat gedurende hetschooljaar 2023–2024 wel ingeschreven was op school maar tenminstelanger dan drie maanden ongeoorloofd niet naar school ging (langdurigrelatief verzuim langer dan 3 maanden), uitgesplitst per schoolsoort, is:−po: 640 kinderen−(v)so: 631 kinderen−vo: 1.682 kinderen−mbo: 332 kinderenEen groot deel van deze groep, namelijk 1.952 van de 4.294 kinderen enjongeren, werd gedurende het schooljaar weer teruggeleid naar school.Uw Kamer wordt in het voorjaar van 2026, zoals gebruikelijk, geïnfor-meerd over de nieuwste leerplichttelling.140Welke overwegingen liggen eraan ten grondslag dat de middelen voorstrategisch personeelsbeleid, begeleiding starters en thuiszitters wordentoegevoegd aan de basisbekostiging en is dit geld dan ook geoormerkt?Deze middelen worden toegevoegd aan de basisbekostiging om schoolbe-sturen te ondersteunen bij het voeren van het strategisch personeels-beleid en het geven van invulling aan de vereisten uit het wetsvoorstel.Door deze toevoeging krijgen schoolbesturen meerjarig duidelijkheid overde beschikbaarheid van middelen voor deze doelen. Hiermee bieden wescholen stabiliteit en continuïteit. Geld dat schoolbesturen ontvangen viade basisbekostiging is niet geoormerkt. Het wetsvoorstel Strategischpersoneelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen wordt vijf jaar na deinwerkingtreding geëvalueerd.141Leidt de overheveling van (een gedeelte) van het budget van basisvaar-digheden naar directe bekostiging tot een lager totaalbedrag voorbasisvaardigheden?Nee, zie het antwoord op vraag 128.142Kunt u voor de komende jaren een overzicht geven van de totale middelenvoor de basisvaardigheden inclusief en exclusief de bezuiniging op deloon- en prijsbijstelling van de basisvaardigheden?Zie het antwoord op vraag 129.143Hoeveel thuiszitters zijn er momenteel, hoeveel thuiszitters waren er deafgelopen vijf jaar en wat zijn de prognoses voor de komende vijf jaar?Aan het einde van het schooljaar 2023–2024 waren dit nog 1.992 kinderen.In de Leerplichttelling vindt u de verzuimcijfers van de afgelopen 8 jaar ende ontwikkeling hiervan. Er bestaat geen prognose voor de aankomendevijf jaar. De laatste cijfers tonen een trend van een hoog en zorgelijkschoolverzuim, maar één waarbij de stijging van het langdurig verzuimafzwakt. We zien bovendien dat meer uitgevallen kinderen gedurende hetschooljaar worden teruggeleid naar school.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1750 144Wat is het equivalent in euro’s van 2026 van de € 730 miljoen per jaar(prijspeil 2019) die het tekort aan financiën voor de onderwijshuisvestingvolgens de IBO Onderwijshuisvesting funderend onderwijs13 uit 2021bedroeg?In het IBO onderwijshuisvesting uit 2021 wordt geconcludeerd dat er toten met 2050 een jaarlijks tekort is van € 730 miljoen (prijspeil 2019) om deachterstanden in onderwijshuisvesting aan te pakken en de schoolge-bouwen aan de klimaatdoelstellingen te laten voldoen. Als wordt gekekennaar de gemiddelde inflatie over de jaren 2019–2025 komt dit bedrag nuuit op € 930 miljoen per jaar tot en met 2050. De prijsontwikkeling in 2026is nog onbekend en zo ook het equivalent van dit bedrag in 2026.145Hoe wordt het bedrag voor de onderwijskansenregeling in 2026 regionaalverdeeld, en hoe wordt de effectiviteit gemeten?De middelen voor de onderwijskansenregeling worden verdeeld op basisvan de onderwijskansenscores van vestigingen. Deze scores geven eeninschatting van het risico op onbenut leerpotentieel op een schoolves-tiging. De verdeling van de middelen van de onderwijskansenregelingover vestigingen van scholen voor 2026 is nog niet bekend. Voor 2025 isde verdeling over de provincies in onderstaande tabel weergegeven.Hierin is ook het aandeel in het totaal aantal vo-leerlingen op dezelfdeteldatum weergegeven per provincie.Zoals toegelicht in de antwoorden op de feitelijke vragen van de EersteKamer over de Voorjaarsnota, beoordeelt de strategische evaluatie vanhet kansengelijkheidsbeleid Kiezen voor kansen de huidige vormgevingvan de regeling als «aannemelijk doeltreffend» en «in theoriedoeltreffend». In 2026 wordt een meerjarige monitor opgezet om de inzeten de effectiviteit van deze middelen te meten.ProvincieBedragregelingonderwijs-kansen2025 (€)Totaalaantalleerlingenvo1Bedrag als% vantotaalLeerlingenals % vantotaalDrenthe2.745.00023.513,51%2%Flevoland6.287.00025.041,03%3%Friesland3.817.00036.088,52%4%Gelderland16.237.000113.833,09%12%Groningen4.648.00031.588,03%3%Limburg9.354.00048.002,05%5%Noord-Brabant22.054.000135.972,012%14%Noord-Holland35.261.000157.712,019%17%Overijssel9.197.00067.703,55%7%Utrecht12.040.00077.585,56%8%Zeeland2.353.00017.828,01%2%Zuid-Holland61.934.000208.562,033%22%Eindtotaal185.926.000943.429,0100%100%1 Definitief aantal leerlingen op teldatum 1-10-2023. 146Hoeveel zou het kosten als mbo’ers ook aanspraak kunnen maken oprestitutie van lesgeld, net als hbo- en wo-studenten?13Kamerstuk 35 570 VIII, nr. 213, p. 48Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1751 Mbo-studenten kunnen alleen onder voorwaarden aanspraak maken oprestitutie en moeten een aanvraag doen. Als mbo-studenten (bol en bbl)en vavo-scholieren (die ook les- of cursusgeld betalen) ook zondervoorwaarden en automatisch restitutie krijgen kost dat in totaal circa€ 27 miljoen. Aanpassingen in het restitutiebeleid van het lesgeld kostdan circa 18 miljoen euro structureel. Voor het cursusgeld komt dit neerop ongeveer 9 miljoen euro structureel. Dit is berekend met de tarievenvan het studiejaar 2025–2026 en is exclusief uitvoeringkosten voor DUOen mbo-instellingen.147Wat zijn uw meest recente gegevens over de aantallen laaggeletterden,laaggecijferden en «digibeten» in Nederland?De meest recente gegevens komen uit het «PIAAC-onderzoek»(Programme for the International Assessment of Adult Competencies vande OESO), dat eind 2024 is gepubliceerd. Dit onderzoek biedt inzicht in debasisvaardigheden van volwassenen in Nederland. Hieruit blijkt datongeveer 3 miljoen mensen in Nederland lage taal- en/of rekenvaardig-heden hebben. Voor veel mensen geldt dat zij zowel moeite hebben mettaal als rekenen, maar dat is niet voor iedereen het geval. In PIAACworden digitale vaardigheden niet afzonderlijk gemeten, dus uitsprakenover het exacte niveau van vaardigheden kunnen niet worden gedaan. Erzijn wel vragen gesteld over computergebruik en het gebruik van onlinetoepassingen in het dagelijks leven. Vrijwel alle deelnemers aan hetonderzoek gebruiken in het dagelijks leven digitale apparaten: minder dan1% heeft nog nooit een smartphone, tablet of laptop gebruikt. Ookmensen die moeite hebben met taal- en of rekenvaardigheden gebruikenin veruit de meeste gevallen digitale apparaten (96,3%).148Kunt u een overzicht geven van aangekondigde reorganisaties opuniversiteiten en hogescholen voor de komende jaren en om hoeveelgedwongen ontslagen of niet verlengde contracten het hierbij gaat?Het Ministerie van OCW beschikt niet over een overzicht van reorgani-saties en gedwongen ontslagen van onderwijsinstellingen. Dit is namelijkgeen informatie die aan het ministerie hoeft te worden gemeld.149Hoeveel middelen worden in 2026 besteed aan de NAPL14 en hoe wordtde effectiviteit hiervan gemonitord?NAPL is een programma bekostigd vanuit het Nationaal Groeifonds(NGF). In de begroting van NAPL is in totaal € 73,1 miljoen beschikbaarvoor de periode van 2024 tot en met 2027. In 2026 is een bedrag van€ 16,3 miljoen gereserveerd voor de uitvoering van de NAPL. Dezemiddelen gaan in 2026 onder andere naar de subsidieregeling voor deco-creatielabs waarin professionaliseringsaanbod wordt ontwikkeld,getest en geëvalueerd. In het programma is sprake van geoormerktebudgetten en duidelijke kaders, die doorlopend gekoppeld zijn aan dedoelen en vorderingen van het programma waarop aansluitendkasschuiven mogelijk zijn.Middelen die in 2026 via de subsidieregeling voor de co-creatielabsworden verstrekt (€ 12 miljoen), kennen het regime van G2 verant-woording. Dit betekent onder andere dat de middelen alleen aan het14NAPL: Nationale Aanpak Professionalisering LerarenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1752 subsidiabele doel besteed mogen worden en de activiteiten met voort-gangsrapportages en eindrapportage worden gemonitord.Monitoring van de bestedingen en resultaten vindt op verschillendemanieren plaats op basis van Key Performance Indicators die door hetNGF zijn vastgesteld. Dit verloopt bijvoorbeeld via doorlopendemonitoring op resultaten tijdens de looptijd, via effectonderzoek na afloopen via de jaarrapportage aan het NGF. Nieuwe informatie zal jaarlijks voorde zomer met uw Kamer worden gedeeld.150Hoe heeft de verhouding tussen onderzoeksfinanciering vanuit het NWO15en vanuit Europese programma’s als Horizon Europe zich de afgelopentien jaar ontwikkeld?De verhouding tussen de onderzoeksfinanciering vanuit NWO en doorNederlandse deelnemers ontvangen financiering vanuit de Europesekaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie Horizon Europe (vanaf2021) en Horizon 2020 (2014–2020), fluctueerde de afgelopen tien jaarsterk. Een reden hiervoor is dat NWO tweejaarlijkse subsidierondenhanteert. Gemiddeld genomen is deze verhouding de afgelopen tien jaarechter niet substantieel veranderd. In de periode 2015–2020 was deverhouding tussen de financiering ontvangen uit Horizon 2020 entoegekend door NWO respectievelijk 53% en 47%. In de periode2021–2024 was de verhouding tussen de financiering van Horizon Europeen NWO 55% en 45%. Dit blijkt uit de jaarverslagen van NWO, waarin desubsidielasten verantwoord worden, en uit het Horizon Dashboard van deEuropese Commissie, met extractie door het Rathenau Instituut. De totaleonderzoeksfinanciering vanuit NWO en ontvangen uit Horizon 2020 enHorizon Europe is de afgelopen tien jaar wel toegenomen, door loon- enprijsbijstelling en investeringen van eerdere kabinetten en een toenamevan het totaalbudget van Horizon Europe ten opzichte van Horizon 2020.Daarnaast zijn er andere Europese programma’s die onderzoek finan-cieren, maar waarbij onderzoeksfinanciering niet het primaire doel is,zoals Euratom. Hiervan zijn geen exacte cijfers bekend.151Hoe heeft de financiering vanuit het NWO zich de afgelopen tien jaarontwikkeld ten aanzien van het aantal aan universiteiten werkzameonderzoekers en wat is de prognose hiervoor tot aan 2030?Hieronder staan de baten die universiteiten uit contractonderzoek vanNWO hebben ontvangen, naast de personeelsaantallen. De baten vanuniversiteiten van NWO komen uit de DUO-rapportages op basis van deuniversitaire jaarrekeningen. Deze cijfers staan op de website van hetRathenau Instituut. Ook de omvang van het wetenschappelijk personeelstaat op de website van het Rathenau Instituut. De vermelde omvang vanhet wetenschappelijk personeel is exclusief de zogenoemdeHOOP-classificatie gezondheid. Dit betekent dat de personeelsgegevensalleen het personeel bevat uit de classificaties Economie, Gedrag enmaatschappij en Onderwijs & Techniek. De cijfers zijn afkomstig van hetWOPI-bestand van UNL. Er is geen prognose beschikbaar ten aanzien vande toekomstige ontwikkeling van de omvang van het wetenschappelijkpersoneel en er is ook geen prognose beschikbaar van de toekomstigebaten van universiteiten vanuit NWO. Het ligt in de rede dat de baten vanuniversiteiten van NWO de komende jaren zullen afnemen, als gevolg vande bezuinigingen uit het hoofdlijnenakkoord.15NWO: Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk OnderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1753 JaarTotaal wetenschap-pelijk personeel infteBaten universiteitenvan NWO x 1€ miljoenBaten per fte x € 1duizend201323.470422,918,0201423.840414,617,4201524.222420,517,4201624.848431,517,4201725.482438,517,2201825.991456,717,6201927.080513,419,0202028.944479,416,6202130.494496,416,3202231.776494,415,6202333.947556,516,42024nog niet bekend658,2nog niet bekend 152Hoeveel instellingen nemen in 2026 deel aan de NPuls Centers forTeaching and Learning en hoeveel docenten worden hierbij betrokken?Het totaal aantal instellingen dat in 2026 hieraan deelneemt is pas bekendwanneer de derde aanvraagronde van de regeling is gesloten. Dit is naarverwachting in april 2026.Dan is ook het aantal docenten dat hierbij wordt betrokken bekend, omdatdit aantal uit de aanvraag blijkt.In 2025 namen in totaal 36 instellingen deel aan de CTL-regeling. Hierbijzijn 16.008 docenten betrokken.153Klopt het beeld dat er in 2026 en volgende jaren minder budgetbeschikbaar is voor de subsidie zij-instroom en heeft dit gevolgen voorhet totaal aantal subsidies dat beschikbaar kan worden gesteld voor dezij-instroom?Er is in 2026 inderdaad minder budget gereserveerd voor de Regelingsubsidie zij-instroom dan in 2025. Voor het jaar 2025 zijn eenmalig extramiddelen gereserveerd voor zij-instroom, omdat er een stijging in hetaantal aanvragers verwacht werd. Het aantal aanvragen stijgt echterminder dan eerder werd ingeschat. Op basis van de huidige trend van hetaantal zij-instromers is het budget dat komende jaren beschikbaar is,genoeg voor alle aanvragers.Het subsidieplafond voor de regeling is recent voor de jaren 2025 t/m 2028opgehoogd naar € 57,5 miljoen per jaar (gelijk bedrag in alle jaren) en isdaarmee de komende jaren gelijk en naar verwachting voldoende.154Kunt u een overzicht geven van het aantal ingediende (initiële en herhaal-)aanvragen en het aantal toegekende en afgewezen (initiële en herhaal-)aanvragen voor de lerarenbeurs per sector in 2024 (studiejaar 2024–2025)en in 2025 (studiejaar 2025–2026)?Hieronder vindt u de gevraagde cijfers. Dit zijn de meest recente cijfersvanuit DUO. De cijfers voor het PO zijn inclusief het speciaal onderwijs enhet voorgezet speciaal onderwijs, omdat deze samenvoeging ook zo isopgenomen in de subsidieregeling Lerarenbeurs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1754 Toegekende aanvragen studiejaar 2024–2025Aantal afgewezenaanvragen studiejaar2024–2025Aantal buiten behandelinggestelde aanvragenstudiejaar 2024–2025Toegekendbedrag*miljoenSectorInitieelHerhaalInitieelHerhaalInitieelHerhaalPO7376592431315€ 16,0VO115512793762819€ 27,1BVE35232615177€ 8,2HO36033915283€ 10,9N.t.b.006249495€ 0Totaal2604260315316150139Totaal: 5207Totaal: 169Totaal: 289€ 62,2(96% vanbudget) Toegekende aanvragen studiejaar 2025–2026Aantal afgewezenaanvragen studiejaar2025–2026Aantal buiten behandelinggestelde aanvragenstudiejaar 2025–2026Toegekendbedrag*miljoenSectorInitieelherhaalInitieelHerhaalInitieelHerhaalPO600642204236€ 14,5VO98112732443322€ 25,6BVE2883287466€ 7,6HO23131990710€ 8,6N.t.b.114088987€ 0,01Totaal2101256310020158131Totaal: 4664Totaal: 120Totaal: 289€ 56,3(85% vanbudget) Een leraar bij wie de aanvraag wordt afgewezen kan bezwaar aantekenen.Als het bezwaar wordt toegewezen volgt alsnog een toekenning. Ditgebeurt echter sporadisch.Afgewezen aanvragen kunnen liggen aan het feit dat een leraar niet aande eisen voldeed van de lerarenbeurs, zoals het in bezit hebben van eenbevoegdheid of al over het maximumaantal studiejaren zit of nietverbonden is aan een school. Buiten behandeling gestelde aanvragen zijnaanvragen die na bevraging niet de juiste of onvolledig ingevuldedocumenten hebben aangeleverd, zoals bijvoorbeeld een werkgeversver-klaring. Leraren van wie de aanvraag buiten behandeling is gesteld,kunnen nog wel een nieuwe aanvraag doen, mits het binnen de aanvraag-periode valt (1 februari tot en met 15 maart). Er zijn geen aanvragenafgewezen vanwege overschrijding van het subsidieplafond.155Hoeveel zou het kosten als alle zij-instromers vanaf dag één van hunopleiding betaald zouden krijgen?Zij-instromers in beroep krijgen vanaf de eerste dag van het scholings-traject betaald door het schoolbestuur waar ze in dienst zijn.Zij-instromers hebben een geschiktheidsverklaring, waarmee zij directaangesteld kunnen worden als leraar. Het is niet bekend hoeveelzij-instromers precies betaald krijgen door schoolbesturen. Dit isafhankelijk van inschaling en baanomvang. Een benadering van dehuidige salariskosten voor deze zij-instromers is € 208 miljoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1755 156Hoeveel mensen maken nu gebruik van de regeling zij-instroom in beroepen de regeling onderwijspersoneel opleiding tot leraar?Voor 2024 is er voor 2.245 zij-instromers in beroep in het po, vo en mbosubsidie toegekend.Voor 2024 zijn er 908 aanvragen ingediend voor de Subsidie Onderwijs-personeel Opleiding tot Leraar (681 po en 227 vo).Voor 2025 was het voor beide regelingen tot en met 15 oktober 2025mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen. Op dit moment wordende aanvragen beoordeeld door DUO. Daarom is het aantal voor dit jaarnog niet bekend.De Kamer wordt met de decemberbrief lerarenbeleid geïnformeerd overhet aantal toegekende subsidieaanvragen voor beide regelingen.157Kunt u melden hoeveel mensen geïnformeerd hebben naar de regelingzij-instroom in beroep en vervolgens niet als zij-instromer zijn gestart?Zij-instromers kunnen op verschillende plaatsen informatie inwinnen overzij-instroom in beroep. Dit kan bijvoorbeeld bij DUO, het Onderwijsloket,de lerarenopleidingen, de regionale loketten van de Onderwijsregio’s,maar ook bij wervingsactiviteiten vanuit bijvoorbeeld schoolbesturen enmbo-instellingen. Hier wordt geen centrale data over bijgehouden.Wel weten we dat de campagne «Werken met de Toekomst» die dit injanuari 2025 is gestart, heeft geleid tot een stijging van >50% adviesaan-vragen bij het Onderwijsloket. De meerjarige campagne is gericht op hetcreëren van een positief en realistisch beeld van werken in het onderwijs,met nadruk op ontwikkelmogelijkheden, salaris en betekenisgeving. Decampagne is te vinden op www.werkeninhetonderwijs.nl. In de eerstecampagneperiode lag de focus op potentiële zij-instromers. In septemberis er een tweede periode gestart, waarbij de focus op studiekiezers lag.158Hoe hoog is de uitval van het aantal zij-instromers tijdens de opleiding,alsook nadat zij in hun eerste jaren zijn gestart?Zij-instromers in beroep en de zij-instroom getuigschriften worden nietgeregistreerd bij DUO, zoals studenten van reguliere lerarenopleidingen.De gegevens over uitval en uitstroom zijn daarom gebaseerd op desubsidiegegevens voor de Regeling subsidie zij-instroom en deDUO-gegevens over onderwijspersoneel, de Loopbaanmonitor enonderzoek door de Inspectie van het Onderwijs. Uit de Loopbaanmonitorblijkt dat in de periode 2020 t/m 2024 gemiddeld 5% van de zij-instromersin beroep in het po is gestopt tijdens het zij-instroomtraject. Voor het vo isdit gemiddeld 4% en voor het mbo is dit gemiddeld 3%. Uit het onder-zoeksrapport van de Inspectie van het Onderwijs naar zij-instroom in hetberoep mbo blijkt dat in de periode 2021 t/m 2023 gemiddeld 7% van dezij-instromers in het mbo is gestopt tijdens het zij-instroomtraject.Bij DUO is in 2024 voor 5% van de zij-instromers een melding vanstopzetting geregistreerd. Voor 2023 is dit voor 7% van de zij-instromershet geval.Van de zij-instromers in beroep in het po, die in 2021 zijn gestart met hetzij-instroom in beroep traject, werkt na 1 jaar nog 94% in het onderwijs enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1756 na 3 jaar is dit nog 83%. Voor zij-instromers in beroep in het vo werkt na 1jaar nog 88% in het onderwijs na 3 jaar is dit 71%. Voor het mbo is na 1jaar nog 94% werkzaam in het onderwijs en na 3 jaar is dit 79%.159Hoeveel middelen zijn in 2026 beschikbaar voor de verhoging van dezij-instroom in po, vo en mbo en hoeveel nieuwe leraren levert dit naarverwachting op?Voor 2026 is in de Regeling subsidie zij-instroom € 57,5 miljoenbeschikbaar. In totaal kunnen hiermee in 2026 2.300 zij-instromers startenin het po, vo en mbo.160Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal studentenmet een aanvullende beurs de afgelopen tien jaar?In de onderstaande tabel is het aantal studenten weergegeven dat tussen2015 en 2024 een aanvullende beurs heeft ontvangen. De sterke stijgingonder hbo- en wo-studenten in 2024 komt doordat vanaf dat jaar deinkomensgrenzen voor de aanvullende beurs voor deze groep zijnverruimd.Tabel Totaal aantal studerenden met een aanvullende beurs1bolhbowoTotaal2015115.39088.88129.202233.4732016115.22686.97428.540230.7402017112.89488.37629.288230.5582018110.72488.46630.127229.3172019108.07488.96931.295228.3382020108.26489.60231.493229.3592021112.67496.18534.615243.4742022107.36793.88435.716236.967202398.99288.75535.730223.477202495.072138.29062.534295.8961 Belangrijk om te vermelden is dat de aantallen in de tabel gewogen personen betreffen. Dithoudt in dat studenten die slechts een deel van het jaar een aanvullende beurs ontvingen, naarverhouding zijn meegeteld. Bijvoorbeeld een student die drie maanden van het jaar een aanvul-lende beurs kreeg, telt in de onderstaande tabel voor 25% mee in het totaal.Bron: jaarverslagen OCW / Realisatiegegevens DUO 161Hoeveel geld zou ervoor nodig zijn om alle uitwonende en thuiswonendembo’ers in aanmerking te laten komen voor een basisbeurs op hetzelfdeniveau als studenten in het hoger onderwijs?Op dit moment is de basisbeurs voor thuiswonenden hoger voor hbo- enwo-studenten dan voor mbo-studenten. Voor het antwoord op deze vraaggaan we ervan uit dat deze voor mbo-studenten naar het niveau van hbo-en wo-studenten wordt verhoogd. De basisbeurs voor uitwonenden is nujuist hoger voor mbo-studenten dan voor hbo- en wo-studenten. Voor hetantwoord op deze vraag gaan we ervan uit dat die naar het niveau vanhbo- en wo-studenten wordt verlaagd. De extra kosten aan de basisbeursals gevolg hiervan bedragen structureel € 25 miljoen. Dit getal isgebaseerd op het normbedrag en het prijspeil van 2025. In de onder-staande tabel staan de huidige normbedragen en de wijzigingen van denormbedragen in het mbo die hieruit zouden voortkomen. Omdat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1757 overgrote deel van de mbo-studenten thuiswonend is, leidt een dergelijkemaatregel tot extra kosten, ook al wordt de basisbeurs voor uitwonendembo-studenten verlaagd.Type beursHuidignormbedrag mboHuidignormbedraghbo/woEffect maatregel opnormbedrag mboBasisbeurs thuiswonend€ 103,78€ 125,99+ € 22,21Basisbeurs uitwonend€ 338,68€ 314,00– € 24,00 162Hoeveel kost het om alle minderjarige uitwonende mbo-studenten tevoorzien van een basisbeurs?Deze vraag kan alleen beantwoord worden met een aantal aannames:−Het aantal minderjarige mbo-bol studenten wordt gebaseerd op hetaantal minderjarige mbo bol-studenten dat in 2024 gebruik heeftgemaakt van het studentenreisproduct.−Bbl-studenten worden niet meegenomen, omdat bbl-studenten niet inaanmerking komen voor studiefinanciering. Ook meerderjarigebbl-studenten niet.−Er zijn geen gegevens bekend over de woonsituatie van minderjarigembo bol-studenten. Daarom wordt als aanname de verdeling vanthuis- en uitwonendheid van meerderjarige mbo bol-studentengebruikt.−Elke student in bol 3–4 heeft recht op een basisbeurs gedurende denominale duur van de opleiding. Door deze maatregel zullen studentendie langer over hun studie doen, hun basisbeursrechten eerder in hunstudie hebben verbruikt. In dit antwoord is hiervoor niet gecorrigeerd.Op basis van deze aannames kost het structureel circa € 60 miljoen(prijspeil 2025) om minderjarige uitwonende mbo-studenten te voorzienvan een basisbeurs (€ 338,68 per maand). Er moet tevens rekeninggehouden worden met effecten op de uitvoering door DUO. Om dezeeffecten precies in kaart te brengen is een uitvoeringstoets van DUOnoodzakelijk. Naar verwachting zou een dergelijke maatregel een groteimpact hebben op de uitvoering, met hoge kosten.Een belangrijke kanttekening bij deze maatregel is dat minderjarigembo-studenten nog geen lesgeld betalen en hun ouders recht hebben opkindregelingen. Bij de weging van deze maatregel moeten deze aspectenin samenhang worden beschouwd met het studiefinancieringsstelsel ende inrichting van het mbo-stelsel.163Hoeveel zou het kosten om minderjarige mbo-studenten ook onder de wetGratis Schoolboeken te laten vallen?Een grove inschatting, gebaseerd op de huidige vergoeding in hetvoortgezet onderwijs onder de Wet gratis schoolboeken, bedraagt voorhet mbo structureel circa € 80 miljoen per jaar. Hierbij is uitgegaan van170.000 minderjarige mbo-studenten en een gemiddelde vergoeding vancirca € 450 per student per jaar. Via het amendement van het lid Hagen issinds 2023 al structureel € 10 miljoen per jaar gereserveerd voorbasisvaardighedenboeken voor minderjarige mbo-studenten. Dit bedragkan in mindering worden gebracht op de raming van € 80 miljoen.De kosten voor de aanschaf van leermiddelen in het mbo liggendoorgaans hoger dan in het vo door specialistische boeken die peropleiding verschillen. De meeste boeken worden aangeschaft in het eersteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1758 en tweede leerjaar en gaan daarna meerdere jaren mee, waardoorminderjarige studenten gemiddeld hogere kosten hebben. Een betereinschatting van de kosten vereist daarom nader onderzoek.Het faciliteren van gratis schoolboeken is één van de mogelijke maatre-gelen om de kosten voor mbo-studenten te verlagen. Er zijn meer optiesom de financiële positie van mbo-studenten te versterken en de gelijkheidmet andere onderwijssectoren te bevorderen. Nader onderzoek naar dezeopties zal met de Kamer uiterlijk in november 2025 worden gedeeld in debeleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad «Armoede enonderwijs».164Hoeveel geld zou ervoor nodig zijn om kinderen die gedupeerd zijn bij dekinderopvangtoeslagenaffaire en die daardoor met studieschulden in deproblemen geraakten, volledig te compenseren en de compensatie dusniet langer wordt gebonden aan een maximum van € 10.000?Het is niet mogelijk om op deze Kamervraag een antwoord te geven. DeStaatssecretaris van Financiën – Herstel en Toeslagen heeft op 17 oktoberin haar voortgangsrapportage over de hersteloperatie toeslagen aange-geven de motie van het lid Van Nispen c.s.16 niet uit te voeren. Wijverwijzen uw Kamer voor de uitgebreide motivering naar dezeKamerbrief.165Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van de studieschuld vande afgelopen tien jaar?In onderstaande tabel wordt voor de instroomcohorten 2014–2015 tot enmet 2019–2020 voor alle studenten, dus ook de studenten die nietshebben geleend, de gemiddelde totale leensom getoond.Het is niet zinvol om de gemiddelde leensom voor recentere startcohortente presenteren. Dit komt omdat een groot deel van deze studenten nogstudeert en dus nog resterende rechten heeft op een rentedragendelening. Hierdoor neemt de totale leensom van deze studenten nog teveeltoe om een goed beeld te geven over hun uiteindelijke studieschuld.Tabel gemiddelde totale leensom per startcohortStartcohortmbo bol 3–4hbowo14/15€ 2.697€ 13.387€ 24.17115/16€ 2.484€ 20.686€ 34.05116/17€ 2.463€ 20.698€ 33.74117/18€ 2.430€ 19.328€ 31.64218/19€ 2.268€ 15.959€ 26.00219/20€ 1.825€ 12.358€ 19.313Bron: Trendrapport HO 2025 Om deze tabel goed te begrijpen is een aantal punten van belang.−Het gemiddelde leenbedrag is berekend op basis van de totale schuldinclusief rente, die is opgebouwd door de rentedragende lening envoor hbo- en wo-studenten het collegegeldkrediet.−Schulden voortkomend uit een omzetting van een prestatiebeurs naareen (definitieve) rentedragende lening zijn buiten beschouwinggelaten. Het is op dit moment niet mogelijk om deze gegevens mee tenemen in de totale gemiddelde leensom per startcohort.16Kamerstuk 36 708, nr. 53Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1759 −De leensommen van studenten op bol 1–2 zijn in het trendrapport nietberekend en om die reden niet meegenomen in bovenstaande tabel.Doordat voor bol 1–2 studenten andere studiefinancieringsvoorwaar-den gelden, vertonen zij doorgaans ander leengedrag.−De maximale schuld van recentere instroomcohorten kan nog verdertoenemen omdat een deel van hen nog studeert en resterende rechtenheeft op een studielening.−Een uitgebreide toelichting op de cijfers en de gebruikte definitie is tevinden in het Trendrapport HO 2025.166Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van het aantal thuiswo-nende studenten van de afgelopen tien jaar?Voor de periode waarin het leenstelsel van kracht was, zijn voor hbo- enwo-studenten geen gegevens beschikbaar. Tijdens het leenstelselregistreerde DUO niet of deze studenten uit- of thuiswonend waren. Ditwas immers niet relevant voor de uitvoering. Ook weet DUO niet of eenstudent uit- of thuiswonend is wanneer de student geen recht meer heeftop een basisbeurs.In de onderstaande tabel is daarom het aantal studenten weergegeven dattussen 2015 en 2024 een thuiswonende beurs heeft ontvangen, aan zowelmbo- als ho- en wo-instellingen.*Jaarmbo-bolhbo/wo2014170.7512015180.2942016188.4502017186.5802018179.7772019175.4092020179.3952021180.2012022172.0172023161.835340.7472024156.567293.851Bron: Realisatie gegevens DUO *Het is belangrijk om te vermelden dat de aantallen in de tabel gewogenpersonen betreffen. Dit houdt in dat studenten die slechts een deel vanhet jaar thuiswonend waren, naar verhouding zijn meegeteld. Een studentdie drie maanden van het jaar thuiswonend was, bijvoorbeeld, telt inbovenstaande tabel voor 25% mee in het totaal.167Hoeveel zou het kosten om het lesgeld voor mbo-studenten geheel af teschaffen?Het afschaffen van het lesgeld voor alle mbo (bol)-studenten kost persaldo structureel € 150 miljoen. Dit bestaat uit minder lesgeldontvangstenvan structureel € 290 miljoen. Daarnaast zijn er besparingen op deaanvullende beurs omdat er een verhoging zit in de aanvullende beursvoor studenten die lesgeld betalen. Deze besparing is een structureelbedrag van € 140 miljoen. Deze verhoging – de lesgeld top-up – is voormbo-studenten die lesgeldplichtig zijn en komt bovenop de aanvullendebeurs (of lening als mbo-studenten geen (volledig) recht hebben op eenaanvullende beurs). De top-up is gekoppeld aan het betalen van lesgeld.Dit betekent dus dat als het lesgeld wordt afgeschaft, ook de top-upTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1760 verdwijnt. Alleen studenten zonder maximale aanvullende beurs zullen bijhet afschaffen van het lesgeld er financieel op vooruit gaan.BBL-studenten betalen cursusgeld aan mbo-instellingen. Het afschaffenhiervan kost circa € 70 miljoen structureel.168Kunt u toelichten waarom sociaaleconomische achtergrond dan welklasse niet meegenomen wordt in het beleid voor emancipatie?Sociaaleconomische achtergrond wordt op onderdelen wel meegenomenin het emancipatiebeleid dat zich richt op vrouwen en lhbtiq+ personen.Zo is er een verband tussen de sociaal-economische achtergrond vanvrouwen en hun positie op de arbeidsmarkt en in de samenleving. Erwordt vanuit het emancipatiebeleid specifiek ingezet op het verbeterenvan de positie van financieel kwetsbare vrouwen, zoals vrouwen zonderwerk met een uitkering, niet-uitkeringsgerechtigde vrouwen en alleen-staande moeders. Een voorbeeld hiervan is het programma gericht op hetverbeteren van de economische veerkracht van economisch kwetsbarevrouwen. Een ander voorbeeld is de subsidie «Economische zelfstan-digheid» binnen het programma «Vakkundig aan het werk» dat tot doelheeft om vrouwen die niet financieel onafhankelijk zijn op weg te helpennaar betaald werk en economische zelfstandigheid.169Kunt u de ontwikkeling weergeven van het aantal hbo- en wo-studentenzonder ouders met zelf een hoger onderwijsdiploma?In opdracht van het Ministerie van OCW is vorig jaar onderzoek gedaannaar eerstegeneratiestudenten in het hbo en wo. Eerstegeneratiestu-denten zijn studenten wiens ouders geen studie op een hogeschool ofuniversiteit hebben afgerond. Van de inschrijvingen vanaf 2008/09 tot enmet 2018/19, is in totaal 46% gedaan door een eerstegeneratiestudent. Datis dus bijna de helft. Wanneer gekeken wordt naar de ontwikkeling doorde tijd heen, is te zien dat het aandeel eerstejaars eerstegeneratiestu-denten jaarlijks wel afneemt. In 2023 is het aandeel eerstegeneratiestu-denten 32%, dus ongeveer een derde. De ontwikkeling is in onderstaandefiguur te zien. Een mogelijke verklaring voor dit kleinere aandeel inrecente jaren, is het feit dat het aantal hbo- en wo-gediplomeerden inNederland is gegroeid. Daardoor zijn er relatief minder aspirant-studentendie ouders hebben zonder hbo- of wo-diploma.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1761 170Kunt u de gedragseffecten bij leerwerkbedrijven en mbo’ers kwantificerenindien zou worden vastgelegd dat de stagevergoeding voor mbo’ers€ 750 per maand bedraagt?Nee het is niet mogelijk om de gedragseffecten te kwantificeren, de datadaarvoor ontbreekt. In een Verkennend Onderzoek Minimumstagever-goeding heeft Dialogic et. al. (2024) aangegeven dat de verschillendeverwachte positieve en mogelijk negatieve effecten van een minimumstagevergoeding op voorhand niet goed in te schatten zijn. Mogelijkeeffecten die zij aangeven zijn onder andere een positief effect op deinkomenspositie van de studenten en mogelijk minder stageplekken.171Hoeveel middelen worden in 2026 verschoven van de NPO17 naarregionale media en welke hervormingen van het publieke omroepbestelworden doorgevoerd?Er worden in 2026 geen middelen van de NPO naar regionale mediaverschoven.Momenteel wordt er gewerkt aan de hervorming van de lokale publiekeomroepen en de landelijke publieke omroep. Voor de hervorming van delokale publieke omroepen is het streven om eind 2025 het wetsvoorstelaan uw Kamer te sturen. Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel is voorzienper 1 juli 2026. De feitelijke start van het stelsel is vervolgens voorzien, naanderhalf overgangsjaar, per 1 januari 2028.18 Het wetsvoorstel voor dehervorming van de landelijke publieke omroep gaat in de loop van 2026naar uw Kamer. De planning is dat deze hervorming daadwerkelijk wordtdoorgevoerd bij het ingaan van een nieuwe concessieperiode, op1 januari 2029.172Hoeveel scholen hebben in 2026 evidence-informed interventiesingevoerd met de aanvullende middelen voor basisvaardigheden en watzijn de eerste resultaten?In 2022 is de eerste groep van zo’n 650 scholen aan de slag gegaan metde aanvullende middelen voor basisvaardigheden; in 2025 is de vierdegroep scholen aan de slag gegaan. In totaal gaat het om ruim 7.800scholen die evidence-informed werken aan de verbetering van debasisvaardigheden. Op basis van de eindmeting onder de scholen die alseerste zijn begonnen, weten we dat een zeer groot deel van deze scholenpositief is over het effect van hun extra inzet op de basisvaardigheden opde leerprestaties van hun leerlingen. Zij zien veelal ook veranderingenbinnen de school die duurzaam bijdragen aan de verbetering van deonderwijskwaliteit, zoals meer expertise binnen het team. Het eerste beeldis dus positief. Aan het einde van het jaar zullen we aan de hand van alleonderzoeksresultaten in meer detail rapporteren.173Wanneer en hoe wordt de doorstroomtoets herzien (zoals te lezen is in debegroting): voor, tijdens of na de evaluatie in 2028?Dat is nog niet bekend. Aanpassing van het beleid t.a.v. de doorstroom-toets vraagt een zorgvuldige voorbereiding. Het vraagstuk betreft insamenhang de implementatie van het nieuwe curriculum, de vergelijk-baarheid van de toets, de functie van de toets als tweede objectieve17NPO: Nederlandse Publieke Omroep18Kamerstuk 32 827, nr. 370Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1762 gegeven voor het schooladvies en de functie van de toets in het toezichtdoor de Inspectie van het Onderwijs. Hierop lopen verschillende analyses.Zo heeft het CvTE recentelijk de scenario’s voor de invoering van ééndoorstroomtoets verkend. Deze verkenning wordt spoedig naar uw Kamerverstuurd. Daarnaast publiceert de Inspectie van het Onderwijs in hetnajaar van 2025 de onderzoekskaders 2027 en verschijnen in het voorjaarvan 2026 de peiling van het onderwijsveld rondom toetsaanbod en hetadvies van de Onderwijsraad over toetsing in een vernieuwd curriculum.Met deze informatie kan vóór de zomer van 2026 het politieke debat overdit thema gevoerd worden.174Hoe beziet u het advies Herijking Bekwaamheidseisen Leraren19 mede inhet licht van het probleem dat onderzoekers in een rapport van deInspectie van het Onderwijs20 onlangs signaleerden dat bij de 47voltijdroutes die leiden tot het leraarschap in het primair onderwijs langniet altijd alle bekwaamheidseisen in de leerdoelen worden gedekt?Goed opgeleide leraren zijn van groot belang voor de onderwijskwaliteit.De kwaliteit van de lerarenopleidingen is geborgd in het accreditatie-stelsel. Voor de lerarenopleidingen zijn de wettelijke bekwaamheidseisendaarbij een belangrijk kader. Het advies Herijking BekwaamheidseisenLeraren geeft handvatten om de bekwaamheidseisen aan te scherpen enverder te concretiseren. Het advies geeft daarmee ook gedeeltelijkinvulling aan de aanbeveling van het onderzoeksrapport van de RadboudUniversiteit en de Inspectie van het Onderwijs om lerarenopleidingen teversterken en aandacht te besteden aan de bekwaamheidseisen.175Welke ontwikkelingen tekenen zich zoal af bij de schoolkosten, de(vrijwillige) ouderbijdragen en het aanvullend onderwijs?De ontwikkelingen rond schoolkosten, de vrijwillige ouderbijdragen en hetaanvullend onderwijs worden periodiek gemonitord. Zowel de Schoolkos-tenmonitor – met daarin de ontwikkeling rondom de vrijwillige ouderbij-drage – als de monitor aanvullend onderwijs zijn in 2023 voor het laatstuitgevoerd. Eind 2025 zullen de meest recent uitgevoerde monitoringson-derzoeken met uw Kamer worden gedeeld. In deze onderzoeken wordtook de wetswijziging rondom de vrijwillige ouderbijdrage – waarin devrijwilligheid is benadrukt – geëvalueerd. En wordt het effect van derichtlijn aanvullend onderwijs in beeld gebracht.Uit de laatste Schoolkostenmonitor blijkt dat de schoolkosten die doorscholen aan ouders worden gevraagd voor het grootste deel bestaan uiteen ouderbijdrage. In de door scholen gevraagde ouderbijdrage in het poen het vo is geen duidelijke stijgende trend zichtbaar t.o.v. de vorigemeting. Wel blijkt dat genoemde wetswijziging uit 2021 ertoe leidt dat deinkomsten uit de vrijwillige ouderbijdrage afnemen.Uit de laatste monitor aanvullend onderwijs blijkt dat het gebruik vanaanvullend onderwijs onder leerlingen in het funderend onderwijs niet istoegenomen. Vooral leerlingen met hbo- of wo-geschoolde ouders, ofouders met een hoog inkomen, volgen betaald aanvullend onderwijs. Inde meeste gevallen maken leerlingen echter gebruik van gratis aanbod,19Advies Herijking Bekwaamheidseisen Leraren (https://www.aob.nl/assets/Downloads/Herijking-bekwaamheidseisen-leraar.pdf)20Onderzoeksrapport: Inventarisatie Curricula Voltijdroutes naar het Leraarschap PrimairOnderwijs, 9 september 2025 (https://www.onderwijsinspectie.nl/documenten/rapporten/2025/09/09/rapport-inventarisatie-curricula-voltijdroutes-naar-het-leraarschap-primair-onderwijs)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1763 terwijl zij in het schooljaar 2018–2019 nog vaker betaald aanvullendonderwijs volgden.176Houdt de Inspectie van het Onderwijs bij hoeveel onbevoegde lerarenvoor de klas staan en zo ja wordt daarop ook door de Inspectiegehandhaafd?Dit wordt door het Ministerie van OCW bijgehouden door het onderzoekIPTO in het vo en door DUO-bestanden, zoals personeelsadministratie,zij-instroom- en diplomabestanden in het po.Uiteraard komt de Inspectie van het Onderwijs de inzet van onbevoegdeleraren wel tegen en wordt er passend opgetreden. De Inspectie van hetOnderwijs zal niet altijd direct handhaven wanneer er tijdelijk eenon(der)bevoegde voor de klas staat. Schoolleiders en besturen zijnveelvuldig op zoek naar oplossingen, bijvoorbeeld als leraren onver-wachts uitvallen. Dat leidt dan vaak tot vragen over welke oplossingen zijntoegestaan. Om daar antwoord op te geven en om handvatten te biedenhebben het Ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs eenhandreiking opgesteld.De Inspectie van het Onderwijs houdt scholen niet aan het onmogelijke.Wel moeten schoolleiders en bestuurders kunnen laten zien welkestappen ze hebben gezet om tot hun keuzes te komen. Ook wordt van hengevraagd om te blijven zoeken naar structurele oplossingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1764
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.