Voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie oktober 2025
Brontekst
Versie c7b4f71164cf88e3 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 645KernenergieNr. 161 BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 oktober 2025Het kabinet kiest nadrukkelijk voor een groter aandeel kernenergie in deelektriciteitsmix om de CO2-vrije elektriciteitsproductie te diversifiëren enminder weersafhankelijk te maken. Daarmee kiest het kabinet voor eenrobuust energiesysteem met een mix van (onder andere) kernenergie,windenergie en zon-pv waardoor de strategische onafhankelijkheid vanNederland wordt vergroot.Met deze voortgangsbrief neemt het kabinet de Kamer mee in devorderingen die het de afgelopen periode maakte ten aanzien van hetnucleaire nieuwbouwprogramma. Deze brief rapporteert over deuitkomsten van de door TNO uitgevoerde analyse over de impact op deenergiesysteemkosten door het toevoegen van kernenergie in deenergiemix. In deze brief wordt ook een voorstel gedaan voor eenfinancieringsstructuur, inclusief de rol van de Nederlandse staat daarin inde vorm van een Government Support Package (GSP). Tot slot gaat dezebrief in op de voortgang van de inkoopprocedure en het Rijk-Regiopakket.In onderstaande figuur zijn de verschillende werksporen aangeduid en involgorde geplaatst om de onderlinge samenhang weer te geven. De fasevan het ophalen van informatie en het voorbereiden van besluitvormingverschuift met deze voortgangsbrief naar de fase van het nemen vanbesluiten en de uitvoering. kst-32645-161ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1611 Deze Kamerbrief gaat over het nieuwbouwprogramma voor grootschaligekerncentrales. Gelijktijdig wordt de Kamer geïnformeerd over:•Oprichting deelneming: de voorgenomen oprichting van debeleidsdeelneming NEO NL en daarbij horende kapitaalstoring;•Wijziging Kernenergiewet: aanbieding van het voorstel tot wijzigingvan de Kernenergiewet. Met het wetsvoorstel krijgt de vergunninghou-der van de kerncentrale Borssele de mogelijkheid om een aanvraag tedoen bij de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming(hierna: ANVS) voor het wijzigen van de vergunning, bedoeld inartikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet, om het vrijmaken vankernenergie in de kerncentrale Borssele na 2033 voort te kunnenzetten, waarmee invulling wordt gegeven aan de motie-Agnes Mulderen Harbers1; en•SMR-strategie: met de strategie voor kleine modulaire reactoren(SMR’s) geeft het kabinet richting aan de ontwikkeling van SMR’s inNederland.Stand van zaken voorbereiding op realisatie eerste kerncentralesDe volgende secties geven per werkspoor een update over de belang-rijkste voortgang en resultaten. Daarnaast is het een vooruitblik op dekomende periode.1. Financiering 1.1 Doel Het kabinet publiceert met deze brief de door TNO uitgevoerde systeem-kostenstudie. Hierin zijn de impact op de systeemkosten als gevolg vanhet in gebruik nemen van nieuwe kerncentrales inzichtelijk gemaakt.Hierbij is onder andere gekeken naar de relatie tot de flexibiliteitsbehoefteen investeringen in infrastructuur. Deze analyse sluit aan bij de wens totimpact- en optimalisatiestudies die door de Kamers bij verschillendegelegenheden is geuit, bijvoorbeeld in het recente commissiedebatnettarieven2 met de inbreng door het lid Bontenbal, en in de motie vanhet lid Erkens3 waarin het kabinet verzocht wordt het optimale percentagekernenergie in 2050 te onderzoeken. Het kabinet geeft met deze briefinvulling aan deze motie.Daarnaast doet het kabinet in deze brief een voorstel voor het meestpassend geachte GSP voor Nederland. Dit GSP zal de komende periodeverder worden uitgewerkt richting het investeringsbesluit.1Kamerstuk 32 813, nr. 5112Kamerstuk 29 023, nr. 571.3Kamerstuk 32 813, nr. 1358.Figuur 1: Op hoofdlijnen geschetste werksporenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1612 1.2 Stand van zaken Uitwerking systeemkostenstudieIn de studie zijn op basis van realistische aannames en de meest actueleinzichten de systeemkosten berekend voor het toekomstige Nederlandseenergiesysteem. Hierbij wordt de vergelijking gemaakt tussen eenscenario waarbij er wordt geïnvesteerd in twee of vier grootschaligekerncentrales en een scenario zonder kerncentrales. Om een robuusteuitspraak te kunnen doen over de toegevoegde waarde van kernenergie,is gekeken naar de verschillende toekomstbeelden waarin de Nederlandseenergievraag op uiteenlopende manieren wordt ingevuld, met alsconstante dat in 2050 netto klimaatneutraliteit wordt bereikt. De scenario’sbeschrijven beelden van het energiesysteem die variëren in gedrag vanburgers en bedrijven, economische structuur, de mate van elektrificatie(laag tot hoog) en de omvang van industriële ontwikkeling (van krimp totbeperkte groei).De voornaamste conclusie is dat het energiesysteem met twee of vierkerncentrales, met in totaal maximaal 6 GW productiecapaciteit, verge-lijkbare systeemkosten kent als een systeem waarin deze productiecapa-citeit wordt ingevuld door een additionele hoeveelheid wind op zee van9,5 GW en noodzakelijke flextechnologieën. In deze studie is dus bewusteen scenario met (een beperkte mate van) concurrentie tussen dezetwee opwektechnologieën uitgewerkt. Op het moment dat concurrentietussen de opwektechnologieën achterwege wordt gelaten en dus sprake isvan zowel meer wind- als meer kernenergie met voldoende elektriciteits-vraag (vanuit onder andere de industrie), kan dit leiden tot lageresysteemkosten dan wanneer sprake is van concurrentie.In een scenario met een aanzienlijk lagere energievraag (vooral veroor-zaakt door lagere industriële vraag) is er minder vraag naar benodigdeopwekcapaciteit vanuit zowel kernenergie als wind op zee. Wanneer in ditlage-vraagscenario toch 6 GW kernenergie aan het systeem wordttoegevoegd, resulteert dit volgens de modeluitkomsten in ongeveer 0,7%hogere systeemkosten.Voor de interpretatie van de resultaten geldt dat in de huidige doorreke-ningen de kosten voor elektriciteitsinfrastructuur – zowel op land als opzee – nog te beperkt en gesimplilificeerd worden meegenomen endaardoor worden onderschat. Het beter meenemen van infrastructuur-kosten kan tot een ander optimum leiden, waarbij wind op zee in allegevallen noodzakelijk is om tot een optimaal systeem te komen eninvulling te geven aan de energievraag.Verder volgt dat de inzet van kernenergie leidt tot een andere opbouw vande systeemkosten. Kernenergie leidt tot hogere investeringskosten inproductiecapaciteit; deze worden echter voor een groot deel of vollediggecompenseerd door lagere kosten voor onder meer netverzwaring,flexibiliteit, elektrificatie, energiebesparing en de importbehoefte vanelektriciteit en waterstof. De toevoeging van kernenergie heeft daarnaasteen stabliserend effect op de elektriciteitsprijzen, omdat het weersonaf-hankelijke productie betreft.Milieu-impactanalyse kernenergie in de Nederlandse energiemixOp advies van de Commissie mer is aanvullend onderzoek gedaan doorPondera en CE Delft naar de milieu-impact van kernenergie. Uit dezestudie blijkt ook dat kernenergie, windenergie en zon-pv uitstekend naastelkaar kunnen bestaan. Geen enkele energiebron is namelijk zonder enigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1613 milieu-impact en diversificatie heeft voordelen om de absolute impact teverlagen. De studie concludeert daarnaast dat kernenergie, wind enzon-pv alle drie op alle facetten beter en schoner scoren dan fossielebrandstoffen.ConclusieHet kabinet concludeert dat kernenergie, ook vanuit het perspectief vansysteemkosten en milieu-impact, een verantwoorde keuze is. Gezien debreedte van de uitgevoerde gevoeligheidsanalyses door TNO acht hetkabinet deze conclusie bovendien robuust onder uiteenlopende omstan-digheden. De doorslaggevende reden voor het kabinet om de rol vankernenergie te vergroten is omdat kernenergie bijdraagt aan leveringsze-kerheid en het een stabiele, CO2-vrije bron is die niet afhankelijk is van zonof wind. Daarnaast zorgt het voor strategische onafhankelijkheid doordiversificatie van technologie en toeleveringsketens, wat de weerbaarheidvan het energiesysteem vergroot. Bovendien is kernenergie een robuusteinvestering met een lange levensduur, beperkt ruimtebeslag en kansenvoor de Nederlandse economie via kennisontwikkeling, werkgelegenheiden betrokkenheid van het bedrijfsleven.VervolgDe uitkomsten van deze studies worden meegenomen in de beoogdefinancieringsstructuur, de voorbereiding van het investeringsbesluit en inde voorbereiding op de actualisatie van het Nationaal Plan Energie-systeem (NPE) 2026. Dit is in lijn met de koers zoals beschreven in deKlimaat- en Energienota 2025. In de actualisatie van het NPE zal hetkabinet ook de relatie tussen kernenergie en andere productiemiddelen,zoals windenergie op zee, verder duiden.Financiering van de nieuwe kerncentralesIn de Kamerbief van mei 20254 is een eerste bandbreedte van de totaleinvesteringsomvang van de nieuwe kerncentrales toegelicht(€ 20–30 miljard, exclusief financieringslasten) gebaseerd op detechnische haalbaarheidsstudies. Hieronder geeft het kabinet eentoelichting op de vormen van financiering en een voorstel voor de rol vande overheid via het GSP. De conclusies zijn gebaseerd op de voorberei-dende trajecten en onderzoeken van de afgelopen jaren, waaronder demarktconsultaties, het afwegingskader en de recente doorrekeningen vanhet financiële model.5 De uiteindelijke investeringsomvang is uiteraardafhankelijk van de techniek-, leverancier- en locatiekeuze en ook devoortgang van het project.4Kamerstuk 32 645, nr. 156.5KPMG heeft een financieel model opgesteld ter ondersteuning van een doorrekening op basisvan eerste inschattingen van parameters van de investering, exploitatie en mogelijkefinanciering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1614 Tijdens de ontwikkel- en bouwfase staat de financiering van de investeringcentraal. In de operationele fase moeten deze middelen worden terugver-diend. Ook in deze fase kan de overheid een rol spelen. Het is van belangdat de maatregelen in de verschillende fasen tezamen als GSP wordenbeschouwd.Een drietal GSP-varianten is door KPMG doorgerekend:1.Naast publieke financiering een maximale inzet op het aantrekken vanprivate financiering van zowel exportkrediet (door Export CreditAgencies, ECA’s), als vanuit de bredere kapitaalmarkt;2.Enkel ECA-bijdrage aan het project, naast publieke financiering; en;3.Enkel publieke financiering.KPMG heeft deze GSP-varianten aan de criteria uit het afwegingskadergetoetst. Ze concluderen op basis van het afwegingskader dat betaal-baarheid de meest onderscheidende factor is, en dat andere elementen,zoals haalbaarheid, risicoverdeling, controle overheid en impactEMU-saldo en EMU-schuld in de verschillende scenario’s minderbepalend zijn. In de doorrekening wordt de impact van de GSP-variant opbetaalbaarheid beoordeeld aan de hand van de Levelized Cost of Energy(LCOE), inclusief de financieringslasten. De LCOE geeft een beeld van degemiddelde kosten per eenheid opgewekte elektriciteit (zoals kWh) overde gehele levensduur van een kerncentrale.Betaalbaarheid van de verschillende GSP-variantenPrivate financiering heeft mogelijk een aantal voordelen ten aanzien vanpublieke financiering, mits de risico’s van de financiering bedeeld zijn aandeze private financieringsverstrekker. Bijvoorbeeld door minder impact opde Nederlandse overheidsfinanciën en mogelijk aanvullend toezicht ophet zo efficiënt mogelijk bouwen van de nieuwe kerncentrales. Daaren-tegen zal elke vorm van private financiering het project aanzienlijkduurder maken, door hogere financieringslasten of vereist rendement.Nederland kan, door zijn hoge kredietwaardigheid, goedkoper lenen danmarktpartijen en vrijwel alle andere landen die een nucleair nieuwbouw-programma hebben. Daarnaast kan uit eerdere rapporten en buitenlandsevoorbeelden, zoals het Verenigd Koninkrijk en Polen, geconcludeerdworden dat private financiering (in de ontwikkel- en bouwfase) alleenaangetrokken wordt als dit gepaard gaat met risico-overdracht aan destaat. Concreet betekent dit dat private partijen niet, of heel beperkt,financiële risico’s op zich nemen. Gelijktijdig stijgen de financieringslastenvan het project, omdat private financiers een hogere rente rekenen voorhun financiering, wat de betaalbaarheid negatief beïnvloedt.Afwegingskader en varianten van Government Support PackagesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1615 De impact van hogere financieringslasten op de totale kosten van hetproject is bij nucleaire projecten significant, met name vanwege de langebouwtijd. Gedurende deze lange bouwtijd kan geen rente worden betaalden kunnen geen leningen worden afgelost, omdat er nog geenopbrengsten zijn. Tijdens de bouw wordt de rente daarom opgeteld bij delening en is in opvolgende jaren ook weer rente over die gekapitaliseerderente verschuldigd. KPMG laat bijvoorbeeld in hun indicatieve analysezien dat, in een variant waarin ook ECA-financiering en private schuldfi-nanciering wordt voorzien aan het project, de financieringslastensignificant hoger liggen dan in een scenario met alleen publieke finan-ciering aan het project. Deze hogere financieringslasten gelden voor zowelprivate financiering vanuit marktpartijen als vanuit ECAs.Daarentegen betekent publieke financiering van de bouw niet dat er in hetgeheel geen sprake is van risicoverdeling, omdat er in de contractueleafspraken met de opdrachtnemer van het project risico’s tussen de staat(door de op te richten beleidsdeelneming) en opdrachtnemer kunnenworden verdeeld. Bijvoorbeeld door middel van vaste prijsafspraken.Volledige publieke financiering van het project is een significant betereoptie in het kader van maatschappelijke betaalbaarheid en leidt tot delaagste LCOE voor het project.Invulling volledige publieke financieringHet voorstel om voor volledige publieke financiering (en dus eenomvangrijk GSP) in de ontwikkel- en bouwfase te kiezen wordt dekomende tijd verder uitgewerkt. Enkele richtingen kunnen al wel aange-geven worden, omdat ook deze leiden tot zo laag mogelijke maatschappe-lijke kosten.Deur open voor private financieringPrivate financiering (zoals door banken, verzekeraars of pensioenfondsen)is voor de eerste fases van het project onwaarschijnlijk, maar privatefinanciering door middel van participatie met eigen vermogen kan in dezeeerdere fases mogelijk wel. Een externe partij wordt daarmee mede-eigenaar van het project. De meest logische kandidaten hiervoor zijn demogelijke opdrachtnemers voor het project. Het aandeel private finan-ciering via een eventuele participatie in de beleidsdeelneming zalwaarschijnlijk relatief beperkt zijn ten opzichte van de totale kosten. In eenlater stadium, bijvoorbeeld na de bouw van de nieuwe kerncentrales, kanprivate financiering mogelijk wel worden aangetrokken. Daarmee kan daneen deel van de publieke financiering worden «geherfinancierd». In deuitwerking van het GSP wordt deze mogelijkheid behouden.Eigen vermogen en leningenPublieke financiering tijdens de bouw kan zowel via een eigen vermogens-storting in de overheidsdeelneming die de kerncentrale bouwt, als viaschuldfinanciering (een lening aan de deelneming) plaatsvinden. Beideinstrumenten betreffen investeringen. Bij een eigen vermogensstortingwordt rendement verwacht in de vorm van dividend, bij schuldfinan-ciering zijn er schuldverplichtingen in termen van aflossing en rente. Hetrapport van KPMG laat zien dat een verhouding van 40% eigen vermogenen 60% lening resulteert in de meest efficiënte financieringsstructuur(laagste project-LCOE), en daardoor een (sterk) verminderde noodzaakvan prijsondersteuning gedurende de operatie. Voor deze verhoudingtussen eigen vermogen en lening is ook gekeken naar solvabiliteitsvraag-stukken. Het is daarnaast wenselijk om in te zetten op de mogelijkheid omde lening terug te betalen uit de elektriciteitsinkomsten, zonder dat hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1616 naar verwachting prijssteun vanuit de overheid voor nodig is. Datvoorkomt het onnodig circuleren van middelen tussen de staat en de op terichten deelneming.RenteLagere financieringslasten kunnen worden gerealiseerd door tijdens debouw geen rente te vragen over de overheidslening, waardoor het effectvan gekapitaliseerde rente in combinatie met een lange bouwtijd wordtvermeden. Dit instrument kent een precedent bij het Tsjechische nieuw-bouwprogramma, dat door de Europese Commissie op het gebied vanstaatssteun goedgekeurd is, en is mogelijk ook bruikbaar voor hetNederlandse GSP. Na de bouw kan dan wel een rente gevraagd wordenover de overheidslening. In de doorrekening is KPMG uitgegaan van derente op staatsobligaties + 1 procentpunt, dit is ook in lijn met deTsjechische casus.Impact op staatsschuld en begrotingssaldoDaarnaast is het, bij de verdere uitwerking van het GSP, belangrijk oog tehouden voor de impact van de verschillende scenario’s op het EMU-saldoen de EMU-schuld van de staat. Saldo- en schuldrelevantie hangen af vande exacte structurering van de financiering. Het is bijvoorbeeld mogelijkdat de impact van een kapitaalstorting anders is dan schuldfinanciering,waarbij beide een impact hebben op de EMU-schuld, maar er eenwisselend effect is op het EMU-saldo, afhankelijk van de businesscase enuiteindelijke structurering van het GSP. De uiteindelijke beoordelinghiervan is aan CBS/Eurostat. De impact op EMU-saldo en -schuld is geenop zichzelf staand doel, maar kan relevant zijn in de verdere afweging.Contract-for-DifferenceEen redelijk rendement door de op te richten beleidsdeelneming is optermijn vereist zodat zij aan haar financiële verplichtingen kan voldoen.Hierom is het wenselijk om gedurende de operationele fase een prijs-steuninstrument achter de hand te hebben. Dit zal de vorm van eenContract-for-Difference (CfD) aannemen.Met een CfD wordt een strike price afgesproken, bij een elektriciteitsprijsonder deze strike price wordt het verschil aangevuld vanuit de overheid.Bij een elektriciteitsprijs boven deze strike price wordt het verschilafgeroomd. Hiermee worden ook overwinsten voorkomen. Bij eenverhouding van 40% eigen vermogen en 60% lening laat het KPMG-rapport zien dat, als gevolg van de relatief lage financieringslasten, ergeen uitgaven noodzakelijk zijn onder de CfD. Uiteraard is dit afhankelijkvan (zeer) lange termijn verwachtingen, die in de praktijk kunnenveranderen.OntmantelingDe vergunninghouder is verantwoordelijk voor het ontmantelen van dereactor en de financiering daarvan. De ontmanteling van de kerncentraleswordt in de meeste gevallen bekostigd door een ontmantelingsfonds datdoor de vergunninghouder gedurende de operationele fase van eenkerncentrale moet worden opgebouwd. Aangezien dit fonds de eersteperiode niet volledig opgebouwd is, moet een aanvullende voorzieningworden getroffen door de vergunninghouder voor het geval de ontman-teling eerder plaatsvindt. De details van een dergelijke voorziening zullenintegraal onderdeel uitmaken van de uitwerking van het GSP.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1617 ConclusieHet kabinet stelt een GSP voor dat uitgaat van volledig publieke finan-ciering in de eerste fase van het project en sluit daarbij de optie voorprivate financiering (vanuit de kapitaalmarkt, of vanuit de opdrachtnemervoor het project) op een later moment niet uit. In de verdere uitwerkingwordt op basis van de conclusies uit het KPMG-rapport uitgegaan van eeneigen vermogensstorting van 40% van de investeringskosten en eenoverheidslening van 60% van de investeringskosten. Uitgangspunten zijndaarbij de continuïteit van de deelneming en het zo laag mogelijk houdenvan de rente op de overheidslening, om niet onnodig de projectkosten opte drijven. Daarnaast zal een Contract-for-Difference worden uitgewerkt,ook als dat slechts als vangnet dient en er geen prijsondersteunendeuitgaven voorzien worden. Het uitgangspunt van een overheidsgarantiebij een eventuele vroegtijdige ontmanteling wordt ook verder uitgewerkt.1.3 Planning en risico’s Het hiervoor beschreven voorstel voor het GSP is niet hetzelfde als hetinvesteringsbesluit. Het investeringsbesluit wordt verwacht bij hettekenen van het contract voor de bouw van de kerncentrales. Dit voorstelvoor het GSP is het startschot voor de verdere uitwerking, parallel aan enin interactie met het inkoopproces en het staatssteuntraject bij deEuropese Commissie. Door nu richting te bepalen voor de verdereuitwerking van het GSP, wordt voortgang behouden in het staatssteun-traject met de Europese Commissie. Goedkeuring van de EuropeseCommissie op de staatssteunaspecten van het GSP is noodzakelijkvoordat er een definitieve investeringsbeslissing genomen kan worden.Het behoud van voortgang is wenselijk gezien de steun en positie van deKamer om de kerncentrales zo snel mogelijk te bouwen.2. Werkspoor inkoopproces 2.1 Doel Het kabinet voorziet een inkoopproces om tot een opdrachtnemer voorhet project te komen. Dit inkoopproces omvat veel meer dan het productzelf, de twee kerncentrales. De opdrachtnemer wordt óók de projectont-wikkelaar die, samen met de op te richten beleidsdeelneming NEO NL, debouw zal uitvoeren en de partner die betrokken blijft tijdens de gehelelevensduur van de centrale. Het kabinet zoekt in de opdrachtnemer duseen partner, die tijdens de bouw de onzekerheden en risico’s samenbeheert, die tijdens de operationele fase (gedurende ten minste 60 jaar)ondersteunt en die naderhand ter zijde staat bij een veilige ontmantelingvan de kerncentrales. Dit is een zeer omvangrijke, langlopende verbintenisdie het kabinet niet lichtzinnig aan wil gaan.Het zorgvuldig inrichten van het inkoopproces om zo uit te komen bij dejuiste partner voor Nederland is daarom zeer belangrijk.2.2 Samenloop met parallelle werksporen De samenloop tussen het inkoopproces en de andere trajecten, zoals delocatiekeuze, het Rijk-Regiopakket en de financiering (met inbegrip van hetGSP), is op dit moment als volgt voorzien:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1618 2.3 Stand van zaken vormgeving inkoopproces Het kabinet beoogt bij de vormgeving van de inkoopprocedure snelheid tebehouden én de beperking van risico’s in acht te nemen. Daarom voorziethet kabinet een inkoopprocedure die competitief, gefaseerd en flexibel is.Ook voorziet het kabinet een inkoopprocedure waarin het mogelijk is ommet de deelnemers in samenwerking over de opdracht en de daaraan testellen voorwaarden te werken, vroegtijdig project-specifieke risico’s teidentificeren en mitigeren en zo de gemaakte snelheid te behouden. Hetkabinet voorkomt hiermee dat de deelnemers op het einde niet kunnenvoldoen aan de door de staat gestelde voorwaarden terwijl alternatievenmogelijk waren geweest. Het kabinet zet daarbij in op een gefaseerdeinrichting, waarbij de inkoopprocedure wordt gestart terwijl parallel delocatiekeuze wordt afgerond. Om te verkennen of de deelnemers met devoorziene opzet van de inkoopprocedure kunnen instemmen, organiseertde staat met hen een gesloten marktconsultatie.FaseringDe beoogde inkoopprocedure wordt onder meer gekenmerkt door devolgende aspecten:−Dialoog: in het voorziene overleg met de deelnemers worden deinitiële voorwaarden aan de opdracht besproken, voordat dezeuiteindelijk worden vastgelegd in een specificatie. Het doel is omspecifieke risico’s en eisen gedurende het proces te verkennen zodathet inkoopproces maximaal succesvol kan zijn en geen van dedeelnemers onbewust zal worden uitgesloten.−Gefaseerd: de inkoopprocedure zal gefaseerd worden opgebouwd.Parallel wordt het locatieonderzoek afgerond en wordt een keuzegemaakt voor de uiteindelijke locatie. Deelonderwerpen zullengefaseerd behandeld worden in het inkoopproces. Hierdoor wordt erniet gewacht tot alles klaar is en kan de inkoopprocedure snellerdoorlopen worden.−Interactie: parallel aan het inkoopproces, wordt een locatiebesluit, eenRijk-Regiopakket en het GSP voorbereid. Op verschillende momentenkunnen deze trajecten interacteren met het inkoopproces.Op dit moment wordt de gefaseerde aanpak verder ontwikkeld waarbij hetkabinet momenteel bezig is met het uitwerken van deze strategie en hetopstellen van het bijbehorende programma van eisen en gunningscriteria.Hier komt het kabinet op terug in de volgende voortgangsbrief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 1619 Samenhang met inkoopproces derde en vierde kerncentraleHet inkoopproces wordt tot nu toe ingericht op het bouwen van tweenieuwe grootschalige kerncentrales in Nederland. Het voornemen van hetkabinet is echter om uiteindelijk vier kerncentrales te bouwen. Daaromstelt het kabinet voor om in dit inkoopproces een optie op te nemen voorde bouw van twee additionele kerncentrales. Als in de toekomst dan eentweede locatie bekend is, kan door het huidige inkoopproces uit te breidende derde en vierde grootschalige kerncentrale worden gebouwd. Dit heeftverschillende voordelen. Zo hoeft er geen nieuw inkoopproces te wordengestart, waarmee tijd wordt gewonnen. Daarnaast is het opnemen van deoptie voor twee extra centrales ook een kans om over de gehele linie, dusook voor de eerste twee centrales, te proberen een betere prijs af tespreken. Het kabinet gebruikt de komende tijd om (juridische) analyses uitte voeren hoe dit het beste opgenomen kan worden in het inkoopproces.2.3 Planning en risico’s Het kabinet heeft tot nu toe, en bij de inrichting van het vervolgproces,constant de snelheid van het traject voor ogen gehad. Uiteraard metinachtneming van de risico’s en kosten die met het traject gemoeid zijn.Zo heeft het kabinet eerder besloten om de technische haalbaarheids-studies uit te voeren vooruitlopend op de locatiekeuze. In de opgesteldeen op te stellen planningen wordt uitgegaan van de inzet van mogelijkeversnellingsopties (deze zullen later bevestigd moeten worden) om dehuidige tijdslijn te bewaken.Het kabinet voorziet bijvoorbeeld dat vóór het afgeven van de uiteindelijkevergunning, omkeerbare werkzaamheden (zoals het ophogen van deplatformhoogte en het uitgraven van de bouwput), op de locatie kunnenworden uitgevoerd. Daarnaast kan het kabinet overwegen de reactorvatenen andere complexe producten (zogeheten long-lead items) voor de finaleinvestering al te bestellen. Het kabinet blijft deze aanpak hanterengedurende het vervolgproces. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de keuzevoor een gefaseerde uitvoering van de inkoopprocedure voor een snelleredoorlooptijd, zoals hierboven beschreven staat. In de Kamerbrief van16 mei 20256 is nog een aantal voorbeelden genoemd van versnellings-opties die dan, met de op dat moment beschikbare kennis, ook inoverweging genomen worden.GrondonderzoekenOm tot een goed bod te kunnen komen zijn deelnemers afhankelijk vanlocatiespecifieke informatie. Voor sommige locaties, zoals de locatieBorssele, is al specifieke informatie beschikbaar uit eerdere onderzoeken.Dit geldt niet voor alle locaties. Deze informatie kan deels verkregenworden met behulp van de grondonderzoeken die op locatie moetenworden uitgevoerd. Deze grondonderzoeken zijn niet nodig voor delocatiekeuze en vinden normaliter later, na de locatiekeuze, plaats.Door de grondonderzoeken eerder uit te voeren kan tijd worden bespaard.Een keuze hiervoor kan tot consequentie hebben dat het onderzoek voormeerdere locaties uitgevoerd moet worden en dat het uitgevoerdeonderzoek op de afgevallen locaties niet wordt gebruikt voor hetnieuwbouwproject kernenergie. De eerste stap is het analyseren van de albeschikbare informatie voor elke locatie en vervolgens beoordelen of hetnuttig is aanvullende informatie met grondonderzoeken vroegtijdig teverkrijgen. Op basis van deze analyse zal een zorgvuldig proces met alle6Kamerstuk 32 645, nr. 156.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 16110 betrokkenen worden ingericht, waaronder in ieder geval grondeigenarenen gemeenten, om hierin de juiste afwegingen te kunnen maken.Hiernawordt een beslissing genomen over het al dan niet uitvoeren van dezegrondonderzoeken voordat de locatiekeuze gemaakt is.3. Locatiekeuze 3.1 Doel Binnen de projectprocedure wordt gewerkt aan de voorbereidingen vande (ontwerp-)Voorkeursbeslissing. Hiervoor wordt een plan-MER en eenIntegrale Effectenanalyse (IEA) opgesteld.3.2 Stand van zaken Het kabinet werkt door aan de projectprocedure ten behoeve van delocatiekeuze. De onderzochte gebieden zijn Eemshaven, Maasvlakte II,Sloegebied en Terneuzen. Op dit moment wordt gewerkt aan deverwerking van uitkomsten van de vorige fase. Op de concept-NotitieReikwijdte en Detailniveau (cNRD) zijn ruim 500 reacties binnengekomen.Deze reacties zijn van zowel voorstanders als tegenstanders vankernenergie, en ook breed vanuit de bevolking en diverse instanties, zowelnationaal als internationaal. Op dit moment wordt de Reactienota op decNRD opgesteld, waarin wordt gereageerd op de adviezen en reacties diezijn ontvangen. Deze reactienota zal samen met de definitieve NRDworden gepubliceerd. Daarnaast is een advies op de cNRD van deCommissie mer verkregen in september 2025. Hoe de adviezen van deCommissie mer, maar ook die van de reacties op de cNRD, wordenmeegenomen en verwerkt, lichten we toe in de definitieve NRD. Parallelaan het verwerken van deze reacties en adviezen is het locatieonderzoekgestart.Daarnaast worden op dit moment alle relevante onderzoeken voor hetplan-MER en voor de Integrale Effectenanalyse uitgevoerd. De inzichtenuit de reacties op de cNRD en van de Commissie mer hebben onzeonderzoeksvragen en -doelstellingen aangescherpt. Na afronding van deonderzoeken wordt de Kamer geïnformeerd over de resultaten.3.3 Planning en risico’s Het kabinet werkt momenteel toe naar twee deadlines:−De definitieve NRD: de ambitie is om deze in december 2025 gereed tehebben.−De ontwerp-voorkeursbeslissing, inclusief plan-MER en IEA: de ambitieis om deze halverwege 2026 gereed te hebben, zodat direct na dezomer de ontwerpvoorkeursbeslissing ter inzage gelegd kan worden.4. Rijk-Regiopakket 4.1 Doel Door de grote en langjarige impact van de bouw van kerncentrales streefthet kabinet gezamenlijk met de provincie en lokale overheden naar eenpakket van maatregelen voor de regio waarin de kerncentrales gebouwdworden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 16111 4.2 Stand van zaken Op 28 juli jl. heeft de heer Knops zijn tweede advies uitgebracht sinds zijnaanstelling als gebiedsverbinder Kernenergie in Zeeland. Dit advies bouwtvoort op zijn eerdere bevindingen van december 2024, waarover deKamer op 29 januari 2025 is geïnformeerd7. Zijn tweede advies bevataanbevelingen die door het kabinet, de gemeenten Borsele, Terneuzen enVlissingen en provincie Zeeland accuraat worden geacht en gezamenlijkuitgewerkt zullen worden. Die aanbevelingen zijn:1.Informeren van nog niet (direct) betrokken regionale (overheids)par-tijen.De partijen achten het van belang dat alle gemeenten die effecten vande bouw kunnen ondervinden betrokken worden bij het locatieonder-zoek en het Rijk-Regiopakket. Zodra duidelijk wordt wat de definitievelocatie voor de kerncentrales wordt, zal worden gekeken of debezetting van het kernteam voor het Rijk-Regiopakket aangepast moetworden. Bij het locatieonderzoek voor de nieuw te bouwen kerncentra-les kijkt het kabinet breder naar waar effecten worden voorzien. Omdeze resultaten te delen en af te stemmen organiseert het Ministerievan Klimaat en Groene Groei daarom ook overleggen in brederesamenstellingen van regionale en nationale overheden.2.Vormen van gemeenschappelijke informatiebasis ter input van hetproces Rijk-Regiopakket.Het proces van het Rijk-Regiopakket en de participatietrajecten lopen(deels) parallel aan de projectprocedure en de inkoopprocedure. Metde partijen uit het kernteam worden de tijdslijnen van de verschillendesporen naast elkaar gelegd om een gemeenschappelijk beeld tecreëren over welke informatie op welk moment beschikbaar is.Uiteraard zal ook besproken worden hoe deze informatie met allebetrokkenen gedeeld kan worden, waarbij rekening gehouden moetworden met de belangen van de regio en het Rijk.3.Afstemmen van de participatietrajecten en bijbehorende verwachtin-gen.Er lopen verschillende participatietrajecten met specifieke doelen. HetRijk is met alle regionale en lokale overheden die in de projectproce-dure onderzocht worden in gesprek. Op deze manier kan de informatiedie wordt opgehaald worden meegenomen in de afweging voor deontwerp voorkeursbeslissing. De Zeeuwse medeoverheden doorlopeneen participatietraject om kansen en voorwaarden te formuleren die,indien de kerncentrales in Zeeland komen, worden benut als inputvoor het Rijk-Regiopakket.Ook blikt de heer Knops terug op zijn eerste advies en de vieraanbevelingen die daarin zijn benoemd. Het kabinet heeft toegezegduiteen te zetten op welke wijze invulling gegeven wordt aan het adviesom de gezamenlijke stuurgroep van Rijk en regio in te richten, omsamenhang op Rijksniveau te waarborgen. In de Kamerbrief van29 januari jl. is aangegeven dat het uitgangspunt daarbij is om gebruikte maken van bestaande overlegstructuren om extra bestuurlijkedrukte te voorkomen. Hiermee heeft het kabinet invulling gegeven aande motie-Grinwis8.De noodzaak tot samenhangende besluitvorming wordt breed onder-schreven en gaat over drie onderwerpen:−De ruimtelijke puzzel van projecten: op projectniveau concurrerenverschillende initiatieven in potentie om dezelfde fysieke- en milieu-ruimte. Onder leiding van de provincie Zeeland zijn verschillenderuimtelijke ateliers gehouden waarin alle projecten op de kaart zijn7Kamerstuk 32 645, nr. 1348Kamerstuk 32 645, nr. 109Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 16112 gezet. Besluitvorming vindt plaats op basis van integrale beelden. Voorde projecten waar de ruimtelijke inpassing onder de bevoegdheid valtvan de Minister van KGG, worden de besluiten in samenhangvoorbereid. Dit geldt bijvoorbeeld voor de projecten nieuwbouwkerncentrales, het programma VAWOZ en 380 kV Zeeuws-Vlaanderen.Als er knelpunten tussen keuzes dreigen, treden betrokken bestuursor-ganen hierover met elkaar in overleg.−Rijk-Regiopakket. Voor de regio is het van belang om breed met hetRijk afspraken te maken over de voorwaarden waaronder kerncentralesgebouwd kunnen worden en over de borging daarvan in de jaren toten met bouw. Dit beslaat vele beleidsterreinen zoals woningbouw,veiligheid, onderwijs en gezondheidszorg. Daarom leggen we alsonderdeel van het Rijk-Regiopakket de wijze van de integrale aan-spreekbaarheid van het Rijk vast. Ook is binnen de brede nucleaireoverlegstructuur van het Rijk een werkgroep opgericht voor detotstandkoming van het Rijk-Regiopakket, zodat kabinetsbredeafspraken mogelijk zijn. Het Bestuurlijk Overleg GrootschaligeEnergietransitie en Leefkwaliteit Zeeland (BO GELZ) functioneerthiermee als de gewenste stuurgroep voor het Rijk-Regio pakket.−Toekomstperspectief Zeeland 2050: de provincie Zeeland heeft hetinitiatief genomen om te komen tot een toekomstperspectief voorZeeland in 2050. Hiervoor heeft Zeeland een informeel werkverbandingesteld waarin departementen en overheden afstemming zoeken ominvulling en uitwerking te geven aan dit perspectief. Dit biedt demogelijkheid om de afspraken over de voorwaarden waaronderkerncentrales mogelijk gebouwd worden, af te stemmen met debredere sociaaleconomische beleidsontwikkelingen voor Zeeland.3.3 Planning en risico’s Het kabinet heeft op 4 september jl. een eerste inhoudelijke reactie op deBorselse en provinciale voorwaarden aangeboden aan de regio. DeZeeuwse overheden benutten deze reactie in de participatietrajecten dienu lopen om voorwaarden op te stellen of aan te scherpen voor de bouwvan de kerncentrales. Eind dit jaar zal de gebiedsverbinder de balansopmaken van alle informatie en gesprekken die gevoerd zijn over dezevoorwaarden.Parallel aan het voorbereiden van de voorkeursbeslissing (locatiebesluit)stellen de overheden een voorlopig Rijk-Regiopakket voor Zeeland op, alsde voorkeurslocatie in Zeeland ligt. Als een andere locatie dan eenZeeuwse locatie wordt aangewezen, zal er meer tijd nodig zijn om tot eenRijk-Regiopakket te komen. De andere regio’s naast Zeeland wordeninmiddels ook ondersteund om kennis op te bouwen over de mogelijkekomst van de kerncentrales en om lokale en regionale kennis in tebrengen voor een goed en zorgvuldig participatieproces.5. Vervolg Met de vaststelling van de contouren van het Governement SupportPackage zet het kabinet een significante stap richting de realisatie van denieuwe kerncentrales. Uiteindelijk draagt deze stap bij aan het robuustermaken van het energiesysteem en aan het vergroten van de strategischeonafhankelijkheid van Nederland. De eerstvolgende mijlpalen in devoorbereiding van de bouw van de kerncentrales zijn de oprichting vanbeleidsdeelneming NEO NL, de start van de «locatie-onafhankelijke» fasevan het inkoopproces en de publicatie van de nota Reikwijdte enDetailniveau (als volgende stap richting het komen tot een voorkeursbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 16113 slissing voor de locatie). De progressie op deze onderdelen en devoortgang van het staatssteuntraject met de Europese Commissie staatcentraal in de volgende Voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie.De Minister van Klimaat en Groene Groei,S.Th.M. HermansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 645, nr. 16114
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.