KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 (Kamerstuk 28325-299)

4 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dd36acb23c7643ca · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202628 325BouwregelgevingNr. 303 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 maart 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heefteen aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de brief van 27 oktober2025 over het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025(Kamerstuk 28 325, nr. 299).De vragen en opmerkingen zijn op 3 december 2025 aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van4 maart 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,BeckermanAdjunct-griffier van de commissie,Beekmans kst-28325-303ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3031 Antwoord / reactie van de MinisterMet belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingenvan de leden van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimte-lijke Ordening van de Tweede Kamer in het kader van de voorhang vanhet Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 (28 325, nr. 299) inverband met aanvullende eisen voor het aanbrengen van PUR-schuim, deaanpassing van de voorschriften voor tijdelijke bouwwerken, de eis omvoor een bouwwerk, anders dan een woonfunctie, verblijfsvoorzieningente realiseren voor bouwwerkafhankelijke beschermde diersoorten, deintroductie van de woonfuncties zorggeschikt en nultreden en enkeleondergeschikte wijzigingen.Hieronder bied ik u de beantwoording op de vragen en opmerkingen aan.Bij de beantwoording van de vragen wordt de volgorde van het verslagaangehouden.I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewinderspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbe-sluit bouwwerken leefomgeving 2025 en de voorgestelde introductie vande woonfuncties zorggeschikt en nultreden. Deze leden onderschrijven hetbelang van toegankelijke woningen voor ouderen en mensen met eenzorgbehoefte, maar constateren dat het voorstel geen aanvullendebrandveiligheidsnormen bevat, terwijl de beoogde bewoners naarverwachting verminderd of niet zelfredzaam zijn. Zij nemen kennis van hetfeit dat de nieuwe woonfuncties uitsluitend op bruikbaarheid zijningericht, en er nog onderzoek wordt gedaan naar de toekomst van dewoonfunctie voor zorg. Zij constateren dat hierdoor een groter risico opslachtoffers bij brand ontstaat en dat rechtsongelijkheid kan optreden tenopzichte van vergelijkbare groepen in intramurale zorginstellingen.(1)De leden van de D66-fractie verzoeken u toe te lichten waarom dewoonfuncties zorggeschikt en nultreden reeds worden geïntroduceerdzonder voorafgaande borging van brandveiligheid, terwijl duidelijk is datde beoogde doelgroep verminderd zelfredzaam is en afhankelijk vanadequate brandpreventieve voorzieningen.Er gelden al eisen voor de brandveiligheid van de woonfuncties zorgge-schikt en nultreden. Deze zullen namelijk in ieder geval moeten voldoenaan de brandveiligheidseisen in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving(Bbl) die gelden voor de reguliere woonfuncties. Daarnaast gelden deaanvullende brandveiligheidseisen voor de woonfunctie voor zorg als aande bewoners professionele zorg wordt verleend met een vanuit hetzorgaanbod georganiseerde koppeling tussen wonen en zorg. In dat gevalmoeten de woningen dus zowel voldoen aan de bruikbaarheidseisen voorzorggeschikte woningen als aan de aanvullende brandveiligheidseisenvoor de woonfunctie voor zorg. De brandveiligheidseisen voor dewoonfunctie voor zorg betreffen brandveiligheidsinstallaties en hulpver-lening bij brand.Het enige dat verandert met de introductie van de woonfuncties zorgge-schikt en nultreden is dat in het Bbl eenduidig wordt vastgelegd welkebruikbaarheidseisen landelijk gelden voor deze woningen ten behoevevan de aanstaande verplichting van gemeenten om volkshuisvestingspro-gramma’s op te stellen in het kader van de Wet versterking regieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3032 volkshuisvesting, en deze eisen leiden bovendien tot standaardisatiewaardoor (de benodigde) eenduidigheid ontstaat in de sector.Tegelijkertijd is in oktober 2024 een inventariserend onderzoek gestartdoor het Nederlandse Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) naar de«woonfunctie voor zorg» in het Bbl. Hierbij is een brede klankbordgroepbetrokken.1 Het doel van dit onderzoek is om in kaart te brengen welkeverschillende combinaties van wonen en zorg er in de praktijk voorkomen.Daarbij wordt onderzocht hoe deze combinaties zich verhouden tot de«woonfunctie voor zorg» zoals gedefinieerd in het Bbl, de bijbehorendevoorschriften, en de noodzakelijke «hulp bij brand» die bewoners mogelijknodig hebben. Dit wordt inzichtelijk gemaakt aan de hand van casestudiesvan bestaande woongebouwen waarin verschillende vormen van zorgwordt geboden. De resultaten van dit onderzoek zullen door mij wordengebruikt om samen met de zorgsector te bezien of de eisen in het Bblmoeten worden geactualiseerd. Ik verwacht Uw Kamer hierover voor dezomer nader te kunnen informeren.(2)Deze leden vragen u aan te geven hoe wordt gewaarborgd dat hetbrandveiligheidsniveau van deze woningen adequaat en gelijkwaardig isten opzichte van vergelijkbare groepen in intramurale zorginstellingen,zodat rechtsongelijkheid wordt voorkomen en de bescherming vanbewoners gegarandeerd is.Zoals in mijn antwoord op vraag 1 is vermeld, zijn voor de woonfunctiezorggeschikt ook de aanvullende brandveiligheidseisen in het Bbl voor dewoonfunctie voor zorg van toepassing als aan de bewoners professionelezorg wordt verleend met een vanuit het zorgaanbod georganiseerdekoppeling tussen wonen en zorg.Voor intramurale zorginstellingen gelden de aanvullende brandveilig-heidseisen in het Bbl voor de woonfunctie voor zorg met 24-uurszorg. Alsbij een woonfunctiefunctie zorggeschikt ook sprake is van 24-uurszorggelden dezelfde aanvullende brandveiligheidseisen die nu gelden voorintramurale zorginstellingen.(3)De leden van de D66-fractie vragen u wanneer het aangekondigdeonderzoek naar de toekomst van de brandveiligheidsvoorschriften van dewoonfunctie voor zorg start, wat het beoogde tijdpad is, en welkeopdrachtformulering daarbij wordt gehanteerd. Deze leden vragen u ookte verduidelijken of het toevoegen van brandveiligheidsmaatregelen aande nieuwe woonfuncties zorggeschikt en nultreden deel uitmaakt van ditonderzoek. Als dit niet het geval is, vragen zij zich af of u bereid bent deonderzoeksformulering uit te breiden met dit onderdeel.Als antwoord op de vraag verwijs ik naar de laatste alinea van mijnantwoord op vraag 1.(4)De leden van de D66-fractie vragen u daarnaast uiteen te zetten op welkewijze Brandweer Nederland betrokken is bij de totstandkoming van dewijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaastvragen deze leden op welke wijze Brandweer Nederland structureel kanworden betrokken bij de verdere uitwerking van brandveiligheidsvoor-schriften, zodat de veiligheid van de beoogde bewoners wordt geborgd.1o.a. Aedes, Woonzorg Nederland, Actiz, Brandweer Nederland en Ministerie van VWS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3033 Brandweer Nederland is deelnemer aan de klankbordgroep bij hethiervoor genoemde NIPV-onderzoek. Binnen het NIPV is ook de Neder-landse Academie voor Crisisbeheersing en Brandweerzorg betrokken bijhet onderzoek.Brandweer Nederland is verder structureel deelnemer aan het OverlegPlatform Bouwregelgeving (OPB) en de Juridische Technische Commissie(JTC). Alle wijzigingen van het Bbl worden besproken in het JTC en vooradvies voorgelegd aan het OPB. Tevens overleggen mijn medewerkersregelmatig met vertegenwoordigers van Brandweer Nederland, daar waarhet de brandveiligheidsregels betreft.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Verzamelbe-sluit bouwwerken leefomgeving 2025. Deze leden hechten aan duidelijke,uitvoerbare regels en vinden het van groot belang dat nieuwevoorschriften niet leiden tot extra of onnodige regeldruk voor gemeenten,bedrijven en woningbouwprojecten. Over meerdere onderdelen van hetbesluit hebben zij nog vragen.(5)De leden van de CDA-fractie hebben over de PUR-regelgeving enkelevragen. Deze leden vragen welke gevolgen de meldplicht voorPUR-werkzaamheden heeft voor de capaciteit van vergunningverlening,toezicht en handhaving bij gemeenten en welke extra handelingen dezemeldplicht voor en na de werkzaamheden met zich meebrengt. Zijvernemen graag welke mitigerende maatregelen beschikbaar zijn enwelke signalen er bestaan over zorgen bij gemeenten over het beoordelenvan vooropname- en nacontrolerapportages.De gevolgen voor gemeenten van de nieuwe regelgeving voorPUR-schuim zijn door Cebeon in een bestuurlijk lastenonderzoek2inzichtelijk gemaakt in het kader van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Cebeon heeft daarbij in overleg met de VNG eenoverzicht gemaakt van de nieuwe werkzaamheden voor gemeenten. Aande hand van onder andere interviews met gemeenten heeft Cebeonvervolgens de te verwachte tijdsbesteding en bijkomende kosten voordeze werkzaamheden in beeld gebracht. Cebeon komt uiteindelijk vooralle gemeenten tot een eenmalige lastentoename van minimaal€ 1.725.000 en maximaal € 2.245.000 en een structurele lastentoenamevan minimaal € 201.000 en maximaal € 262.000 per jaar (In paragraaf5.3.1 van de Bbl-wijziging zijn de bedragen voor de eenmalige enstructurele lastentoename abusievelijk omgekeerd). Overeenkomstig deFinanciële-verhoudingswet worden gemeenten voor deze lastentoenamengecompenseerd met een verhoging van het Gemeentefonds.Zoals gemeld in paragraaf 8.5 van de Bbl-wijziging heeft de VNG bij deconsultatie van het de Bbl-wijziging nog opmerkingen gemaakt over hetCebeon-onderzoek. De VNG vindt het te verwachten toezicht ter plaatse ende te verwachten kosten voor klachtafhandeling te laag ingeschat. Voortsvindt VNG dat een deel van de eenmalige kosten jaarlijks zullen terug-keren, zoals het opleiden van nieuwe medewerkers en het actueel houdenvan beleid, standaardbrieven en systemen. Op een verzoek van hetministerie om nadere informatie te sturen zodat het Cebeon onderzoekhierop mogelijk kon worden herzien, is nog niet gereageerd door de VNG.En is besloten de Bbl-wijziging verder in procedure te brengen en voor teleggen aan uw Kamer ter voorhang. Ik vind het belangrijk dat gemeenten2https://www.internetconsultatie.nl/verzamelbesluit_bouwwerken_leefomgeving_2025/b1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3034 straks daadwerkelijk in staat zijn om de nieuwe werkzaamheden uit tevoeren. Ik zal opnieuw aan de VNG vragen om nadere informatie zodatCebeon haar rapport eventueel kan aanpassen.(6)Zij vragen in hoeverre verschillen in kennisniveau tussen gemeenten totuiteenlopende handhavingspraktijken kunnen leiden en welke maatre-gelen beschikbaar zijn om dit te voorkomen. De leden van de CDA-fractievragen welke factoren u hanteert bij het bepalen of aanvullende onder-steuning nodig is en welke mogelijkheden er zijn voor regionale taakver-deling of specialisatie binnen omgevingsdiensten. Tevens vragen dezeleden hoe de handhaving in de beginfase wordt ingeschat, ofonbekendheid met nieuwe regels een rol kan spelen en hoe wordtgeborgd dat gezondheids- of arbeidsklachten niet onnodig bij gemeentenworden neergelegd.Het is aan iedere gemeente afzonderlijk hoe zij invulling geeft aan hettoezicht op en handhaving van eisen in het Bbl. Dit geldt ook voor denieuwe eisen voor PUR-schuim. In het hiervoor genoemde onderzoek isCebeon voor iedere gemeente uitgegaan van scholing van ambtenaren enhet opstellen van toezichtbeleid. De daadwerkelijke invulling hiervan isaan iedere afzonderlijke gemeente. Een gemeente kan zelf kiezen omeventueel taken voor de nieuwe eisen te beleggen bij een omgevings-dienst of te kiezen voor samenwerking met regiogemeenten. De inwer-kingtredingsdatum voor de nieuwe regelgeving is nog niet bepaald. Er zalnog voldoende tijd zijn voor gemeenten om zich hierop voor te bereiden,waardoor problemen in de beginfase kunnen worden voorkomen. De teverwachten klachtafhandeling door gemeenten is meegenomen in hetCebeon-onderzoek. Zoals hiervoor gesteld vraag ik aan VNG nog naarnadere informatie hierover.(7)De leden van de CDA-fractie hebben ook over het digitale meldprocesenkele vragen. Deze leden vragen of gemeenten behoefte hebben aan eenuniform digitaal meldformulier, in welke mate automatische validatie inhet Digitaal Stelsel Omgevingswet de administratieve lasten kan verlagenen of mogelijkheden bestaan om automatische koppelingen metVTH-systemen te verkennen. Zij vragen welke overwegingen gelden bijhet ontwikkelen van een landelijke handreiking voor PUR-toezicht en ofbinnen het interbestuurlijk programma ruimte bestaat om uitvoerings-aspecten van PUR-regelgeving te adresseren zonder dat extra verplich-tingen voor gemeenten ontstaan. Zij vragen tevens of een overgangsfaseis overwogen waarin de nadruk ligt op begeleiding in plaats van directehandhaving.Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is een gezamenlijke ontwik-keling van de VNG, het IPO, de Unie van Waterschappen en het Rijk. Allenieuwe wetgeving wordt in overleg met de ketenpartners voor deinwerkingtreding van de regels in het DSO uitgewerkt, zo ook de nieuweinformatieplicht voor PUR-schuim. Het nieuwe meldformulier zal zijngebaseerd op hoe vergelijkbare informatieverplichtingen onder deOmgevingswet zijn opgenomen in het DSO.Vanuit het ministerie is er geen initiatief voor het ontwikkelen van eenlandelijke handreiking PUR-toezicht of toepassing van een interbestuur-lijke programma voor dit onderwerp. Het toepassen van een interbe-stuurlijk programma ligt niet in de rede, omdat de nieuwe eisen voorPUR-schuim relatief beperkte gevolgen hebben voor gemeenten. Ik zal ingesprek gaan met de VNG om te bezien welke behoefte gemeentenhebben voor een landelijke handreiking PUR-toezicht. Tussen de publicatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3035 van de eisen en de inwerkingtreding daarvan zullen ten minste 6 maandenzitten. Deze periode kan door zowel bedrijven als gemeenten wordengebruikt als een overgangsfase.(8)De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gevolgen voormkb-bedrijven enkele vragen. Deze leden verzoeken de regering inzicht tegeven in de administratieve lasten voor kleine bedrijven zonder erkendekwaliteitsverklaring en vragen of de meldtermijn van vijf werkdagen voorhen uitvoerbaar is. Zij vragen of signalen bekend zijn dat kleine isolatiebe-drijven opdrachten dreigen te verliezen doordat opdrachtgevers vooralgecertificeerde bedrijven selecteren en in hoeverre verschillen inverplichtingen voor bedrijven met en zonder kwaliteitsverklaring invloedhebben op een gelijk speelveld.In het door Sira uitgevoerde lastenonderzoek3 wordt uitgegaan van 47gecertificeerde bedrijven en 5 niet gecertificeerde bedrijven. Uit het Sirarapport blijkt dat de administratieve lasten voor niet gecertificeerdebedrijven naar verwachting 23 euro per woning zijn (0,58 uur tegenuurtarief 39 euro). Uit de MKB-toets is gebleken dat de meldtermijn vanvijf werkdagen voor bedrijven lastig is, maar niet dat deze niet uitvoerbaaris. Er zijn geen signalen bekend dat niet-gecertificeerde bedrijvenopdrachten dreigen te verliezen.(9)De leden van de CDA-fractie vragen welke mogelijkheden bestaan omondersteuning richting certificering te verkennen, welke randvoorwaardengelden voor vormen van collectieve certificering en of digitale standaard-formulieren en checklists kunnen bijdragen aan lagere uitvoeringslasten.Ook vragen deze leden in hoeverre laagdrempelige digitale hulpmiddelenkunnen bijdragen aan uniforme kwaliteitsborging en of jaarlijks praktijk-overleg tussen gemeenten, omgevingsdiensten en isolatiebedrijven kanbijdragen aan tijdige signalering van knelpunten. Zij vragen ten slotte ofrisicogerichte toezichtmodellen, waarin goed presterende bedrijvenminder frequent worden gecontroleerd, kunnen bijdragen aan lagerelasten.Reeds 90% van de betreffende branche is vrijwillig gecertificeerd. Er zijngeen signalen vanuit niet-gecertificeerde bedrijven dat zij behoeftehebben aan ondersteuning richting (collectieve) certificering. Bij degecertificeerde bedrijven is al sprake van uniforme kwaliteitsborging doorde van toepassing zijnde beoordelingsrichtlijnen voor certificering. Deeventuele toepassing van digitale hulpmiddelen is aan de certificerings-branche. Ik heb nu geen aanwijzingen van knelpunten. Na invoering vande regelgeving zal door het ministerie vinger aan de pols wordengehouden door overleg met de Vereniging Bouw- en WoningtoezichtNederland. Een risicogericht toezichtmodel kan voor gemeenten mogelijkzinvol zijn. Dit kan worden beschouwd bij een eventuele handreikingPUR-toezicht zoals hiervoor bedoeld.(10)De leden van de CDA-fractie hebben ook over de regels voor tijdelijkewoningen en verplaatsing enkele vragen. Deze leden vragen hoegemeenten en ontwikkelaars rekening moeten houden met de opwaarde-ringsplicht wanneer tijdelijke woningen langer dan vijftien jaar in standblijven en of is meegenomen dat opwaarderen in sommige gevallenfinancieel of technisch nauwelijks haalbaar is. Zij vragen of deze plichtontmoedigend kan uitwerken op langer gebruik van tijdelijke woningen.3https://www.internetconsultatie.nl/verzamelbesluit_bouwwerken_leefomgeving_2025/b1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3036 De eis dat een tijdelijke woning moet worden aangepast op nieuwbouw-eisen (opwaarderingsplicht) als deze langer dan vijftien jaar op een locatieaanwezig blijft, is nu al opgenomen in het Bbl en voorheen ook in hetBouwbesluit 2012. Deze eis is dus niet nieuw voor gemeenten enontwikkelaars en het is aan hen om hiermee rekening te houden. Hetlanger gebruik van een tijdelijke woning op dezelfde locatie is vanuit hetBbl (Bouwbesluit 2012) nooit beoogd omdat de eisen voor tijdelijke bouwlager zijn dan voor permanente nieuwbouw, wat past binnen het beoogdetijdelijke gebruik. Er geldt hierop ook geen uitzondering als de aanpassingfinancieel of technisch nauwelijks haalbaar zijn. De wijziging in het Bblbetreft woningen met een oorspronkelijke nieuwbouwkwaliteit die eerstop een tijdelijke locatie staan en vervolgens op deze locatie alsnogpermanent mogen blijven staan (bijvoorbeeld door aanpassing van hetomgevingsplan) of worden verplaatst naar een andere permanentelocatie. Onder het huidige Bbl zouden deze woningen dan eerst moetenworden aangepast (opgewaardeerd) op het dan geldende Bbl. Deonderhavige wijziging regelt dat dit niet meer nodig is.(11)Ook vragen zij welke criteria beschikbaar zijn om te bepalen wanneer eenbouwwerk bij verplaatsing ongewijzigd van samenstelling blijft en welkeinterpretatievragen kunnen ontstaan bij gedeelten die mogen wordenverwijderd of toegevoegd. Zij vragen in hoeverre verschillen in interpre-tatie tot uiteenlopende uitkomsten bij vergunningverlening kunnen leiden.De criteria om te bepalen of sprake is van verplaatsing in ongewijzigdesamenstelling volgen uit artikel 5.6 en de daarop gegeven toelichting inhet Bbl. Het moet gaan om verplaatsing in precies dezelfde samenstelling,tenzij artikel 5.6 anders aangeeft. Het verwijderen of toevoegen vangedeelten is niet toegestaan. Hierover zijn in de praktijk voor zover bekendook geen interpretatieverschillen. Wel waren er interpretatieverschillenover het vernieuwen van constructieonderdelen bij het verplaatsen. Inartikel 5.6 is in de onderhavige wijziging van het Bbl daarom opgenomendat het vernieuwen van constructieonderdelen van ondergeschikte aardniet valt onder de voorwaarde van ongewijzigde samenstelling. In detoelichting bij artikel 5.6 zijn voorbeelden gegeven wat hier onder wordtverstaan. Hiermee worden interpretatieverschillen bij vergunningver-lening voorkomen.(12)De leden van de CDA-fractie vragen om inzicht in de kostenimpact van dehoofdregel dat bij verplaatsing nieuwbouweisen gelden en of signalenbestaan dat retrofitting van flexwoningen financieel zwaar kan uitpakken.Deze leden vragen of de regels ertoe kunnen leiden dat aanbiedersstandaard op nieuwbouwniveau moeten ontwerpen en wat dit betekentvoor de betaalbaarheid.Er is geen sprake van een nieuwe regel. In de onderhavige wijziging vanhet Bbl is slechts juridisch verduidelijkt dat de hoofdregel is dat de regelsvoor nieuwbouw uit hoofdstuk 4 van toepassing zijn op het verplaatsenvan een bouwwerk. Ook in het huidige Bbl is dit al de hoofdregel. Er isdaarmee dus geen kostenimpact ten opzichte van het huidige Bbl. Vanbelang is verder dat het Bbl voor tijdelijke woningen lagere nieuwbouw-eisen stelt dan voor permanente bouw. Flexwoningen die ergens tijdelijkworden neergezet hoeven daarmee niet te voldoen aan de eisen diegelden voor permanente bouw. Ook dit is niet veranderd met de onder-havige wijziging van het Bbl en er zijn geen consequenties voor debetaalbaarheid. Er zijn in de gesprekken met producenten van flexwo-ningen geen signalen naar voren gekomen dat retrofitting van tijdelijkebouw financieel zwaar zou uitpakken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3037 (13)Zij vragen tevens hoe gemeenten het maatwerkinstrument voorgeluideisen dienen toe te passen bij verplaatsing naar geluidsbelastelocaties en of toetsing bij elke verplaatsing de procedureduur kanverlengen.Het is aan de initiatiefnemer om, gekoppeld aan de aanvraag van eenomgevingsvergunning, bij een gemeente een maatwerkvoorschrift tevragen voor zover dit voor zijn bouwplan (door verplaatsing) noodzakelijkis. Hierbij kan de gemeente het gezamenlijk buitengeluid (de waarde opde gevel) waarop men moet toetsen opnieuw bepalen of de waardewaaraan moet worden voldaan verlagen naar 38 dB. Als men kiest vooreen verlaging naar 38 dB zal geen sprake zijn van een langere procedu-reduur. Bij het op nieuw bepalen van het gezamenlijk geluid mogelijk wel.Het is echter een keuze van de initiatiefnemer hiervan gebruik te maken.Verder gelden de betreffende geluidseisen alleen in het geval de woningop een permanente locatie wordt gezet en niet bij verplaatsing naar eentijdelijke locatie.(14)Ook vragen de leden van de CDA-fractie of een landelijke vorm vantypegoedkeuring, een afzonderlijke categorie voor verplaatsbarewoningen of een uniform pakket technische eisen kan bijdragen aanminder dubbele toetsing en lagere lasten. Deze leden vragen verder ofregionale catalogi met vooraf getoetste concepten procedures kunnenversnellen en in hoeverre standaardisatie van kavelmaten en verkavelingkan bijdragen aan vereenvoudiging.Binnen het stelsel van de bouwregelgeving is het al mogelijk om met eenzogenoemde Erkende Kwaliteitsverklaring (verder: EKV) woningen ofdelen van woningen vooraf en eenmalig te laten toetsen aan de regelsvan het Besluit bouwwerken leefomgeving. Met een EKV wordt het bewijsgeleverd dat aan de regels wordt voldaan en bij het aanvragen van eenvergunning en bij bouwen onder kwaliteitsborging is aanvullende toetsingop de regels van het Bbl dan ook niet meer aan de orde. Ik stimuleer dezeontwikkeling onder meer via de inrichting van een tweetal fastlanes,waarbij niet alleen via EKV’s het voldoen aan het Bbl wordt aangetoondmaar waarin ook wordt nagegaan in hoeverre ook de vergunningver-lening aan de ruimtelijke kant kan worden versneld. Mijn ambtsvoor-ganger heeft uw Kamer hierover eerder geïnformeerd in de brief van23 juni 2025.4 Standaardisatie kan hierbij zorgdragen voor extraversnelling en dat wordt dan ook nadrukkelijk bezien in de betreffendeprojecten. In sommige gevallen kan het juist aan te raden zijn omflexibiliteit te hanteren in het stedenbouwkundig plan, zodat er mogelijkeen extra woning gerealiseerd kan worden. Op basis van de resultatenkan bezien worden in hoeverre de nu al bestaande typegoedkeuring kanworden aangepast zodat uiteindelijk ook de vergunningplicht voor debouwactiviteit – onder specifieke nog te bepalen voorwaarden – kankomen te vervallen.(15)De leden van de CDA-fractie hebben ook over de natuur- en onderzoeks-lasten enkele vragen. Deze leden vragen hoe de nieuwe bouwkundigevoorzieningen voor huismus, gierzwaluw en vleermuis zich verhouden totbestaande verplichtingen onder natuurregelgeving, zodat geen extraonderzoekslasten ontstaan. In welke mate zijn deze voorzieningen bedoeldals no regret maatregelen en hoe wordt geborgd dat zij geen aanvullendevergunningplicht of onderzoeksplicht oproepen? Zij vragen hoe wordt4https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32847-1352.htmlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3038 voorkomen dat gemeenten toch aanvullend ecologisch onderzoek vragenen welke stappen worden gezet om te voorkomen dat voorzieningen inhet Bbl worden geïnterpreteerd als onderdeel van soortcompensatie.Voorafgaand aan iedere activiteit die een nadelig effect kan hebben voorbeschermde soorten geldt een onderzoeksplicht. Dat vloeit voort uit hetzorgplichtartikel en het verbod om beschermde soorten te doden,verstoren of nesten te beschadigen of vernietigen, zoals opgenomen inhet Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze onderzoeksplicht uit hetBal geldt ook voor een bouwactiviteit waarbij een nieuw utiliteitsgebouwwordt gebouwd. De nieuwe verplichting voor de verblijfsvoorzieningenzoals opgenomen in het Bbl staat hier los van.De nieuwe eisen in het Bbl leiden er toe dat in de toekomst utiliteitsge-bouwen gebouwd moeten worden met verblijfsvoorzieningen voorhuismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Deze verblijfsvoorzieningenzijn dan onderdeel van de bouwactiviteit waarvoor de onderzoeksplicht inhet Bal geldt. Er hoeft dus geen apart onderzoek te worden uitgevoerdvoor deze verblijfsvoorzieningen zelf.Als uit de onderzoeksplicht blijkt dat de bouwactiviteit een nadelig effectheeft op huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen dan moet er eenomgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten worden aange-vraagd bij de provincie. In de vergunning kan de provincie danvoorschrijven dat compenserende maatregelen moeten worden genomen.Het is vervolgens aan het oordeel van de provincie of de verblijfsvoorzie-ningen die op grond van het Bbl worden aangebracht voldoen alscompenserende maatregel of dat er iets anders nodig is.(16)Ook vragen zij of signalen bekend zijn dat onduidelijkheid overeDNA-onderzoek in bestaande bouw zich uitbreidt naar nieuwbouwpro-jecten en of richtlijnen nodig zijn om te verduidelijken dat eDNAonderzoek bij utiliteitsbouw niet noodzakelijk is. Verder vragen zij ofaanleiding bestaat om scherper te scheiden welke onderzoeksmethodenbij renovatie gelden en welke bij nieuwbouw.Er zijn geen signalen bekend over onduidelijkheid ten aanzien vaneDNA-onderzoek bij nieuwbouw. De Omgevingsregeling waarmee eDNAals erkende maatregel is opgenomen om te voldoen aan de zorgplicht vanartikel 11.27 van het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) geldt alleen bijna-isolatie en voor vleermuizen en kan dus niet worden gebruikt bijnieuwbouwprojecten.(17)De leden van de CDA-fractie hebben ook over de nieuwe eisen voortoegankelijkheid en woningplattegronden enkele vragen. Deze ledenvragen welke effecten de eisen hebben op de mogelijkheden van ouderenom langer zelfstandig te wonen en of koppeling aan gemeentelijkewoonzorgvisies is overwogen. Zij vragen welke kostenstijging wordtverwacht door ruimere minimale oppervlaktes voor sanitaire en verkeers-ruimten en welke gevolgen dit heeft voor woningdichtheid. De leden vande CDA-fractie vragen hoe de gewijzigde maatvoeringseisen zichverhouden tot het STOER principe om regels te vereenvoudigen enregeldruk te beperken en of effectberekeningen beschikbaar zijn van extrabenodigde vierkante meters. Tevens vragen zij welke gevolgen de eisenkunnen hebben voor de betaalbaarheid, in het bijzonder bij binnenstede-lijke projecten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 3039 Deze eisen zijn nadrukkelijk niet van toepassing op de gehele nieuwbouw,maar van toepassing op de woningtypes nultredenwoningen en zorgge-schikte woningen (woningen geschikt voor ouderen). De aanleiding voorhet vastleggen van duidelijke definities van ouderenwoningen enbruikbaarheidseisen is dat het werkveld hier expliciet om heeft gevraagdbij het opstellen van het programma Wonen en Zorg voor Ouderen. Hethanteren van landelijke eisen heeft verschillende voordelen. Het leidt totminder (uiteenlopende) lokale regelgeving en voorkomt dat steeds weeropnieuw veel tijd moet worden besteed aan discussies tussen bouwers,gemeenten en de zorgsector over de te stellen eisen aan nultreden- ofzorggeschikte woningen, of dat op deze eisen uiteenlopend lokaal beleidwordt gehanteerd. Door vastlegging van landelijke definities en bijbeho-rende bruikbaarheidseisen ontstaat duidelijkheid voor ontwikkelendepartijen. Bovendien bestaat hierdoor de mogelijkheid tot standaardisatievan woonconcepten en industriële bouw. Gemeenten en provinciesdienen in hun woonzorgvisies en/of volkshuisvestingsprogramma’s teprogrammeren op deze woningtypes en daarbij uit te gaan van dezelandelijke eisen.Bij de voorgestelde bruikbaarheidseisen voor nultredenwoningen enzorggeschikte woningen in het Bbl is aangesloten bij normen die in depraktijk al gangbaar zijn. Ze zijn gebaseerd op de definities uit hetprogramma Wonen en zorg voor ouderen en op de eisen van de Stimule-ringsregeling Zorggeschikte Woningen. Daarnaast is aangesloten bij deeisen die ontwikkelaars en woningcorporaties hanteren die al veelervaring hebben met het realiseren van dit type woningen. Er is dus geensprake van nieuwe eisen voor het werkveld en daarmee ook niet vanbijvoorbeeld onvoorziene kostenstijgingen of ruimere minimale opper-vlakten. Met de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen worden demeerkosten voor zorggeschikte woningen in het sociale huursegmentgecompenseerd, die in dit segment niet of nauwelijks kunnen wordenterugverdiend. Voor zorggeschikte woningen in de middenhuur is hetmogelijk de extra kosten te verdisconteren in de huurprijs via eenpuntenopslag in het WWS. De voorgestelde bruikbaarheidseisen in hetBbl zijn bovendien afgestemd met de sector in verschillende fasen van hetbeleidstraject. Het is daardoor aannemelijk dat vastlegging van deze eisenjuist leidt tot een verlaging van de regeldruk, versnelling van de realisatieen lagere bouwkosten als gevolg van standaardisatie.(18)Deze leden hebben ook over de overgangstermijnen enkele vragen. Zijvragen welke overwegingen hebben geleid tot de gekozen overgangster-mijnen en of is onderzocht of voor specifieke voorschriften een langereovergangstermijn wenselijk kan zijn om herontwerp in lopende projectente voorkomen. Zij vragen in welke mate de nieuwe eisen kunnen leiden totherontwerp of vertraging van reeds vergunde projecten en of is meege-wogen dat aanvullende toegankelijkheidseisen de bouwsnelheid kunnenbeïnvloeden.Indien een vergunningaanvraag is ingediend bij de gemeente of al isvergund op het moment van inwerkingtreding van onderhavig wijzigings-besluit, geldt dat de nieuwe definities en bruikbaarheidseisen voornieuwbouw niet van toepassing zijn. Een herontwerp bij lopende trajectenis daarmee niet nodig. De definities en bruikbaarheidseisen in hetgewijzigde Bbl zijn wel van toepassing op projecten waarvoor nog geenvergunning is aangevraagd. Hiervoor geldt dat de definities en bruikbaar-heidseisen zijn gebaseerd op de normen die in de praktijk wordengebruikt, en ook aansluiten op de huidige subsidievoorwaarden onder desubsidieregeling voor zorggeschikte woningen. Een (volledig ander)herontwerp is dan ook niet aannemelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30310 Overigens geldt dat de sector nog steeds woningen kan bouwen die nietaan de woonfuncties van het gewijzigde Bbl voldoen; deze eisen geldenalleen voor de bouwopgave aan nultredenwoningen of zorggeschiktewoningen zoals gemeenten deze zullen programmeren in hun volkshuis-vestingsprogramma.Bij de publicatie van het onderhavige wijzigingsbesluit in het Staatsbladwordt ook de datum opgenomen waarop de wijzigingen in werkingtreden. Omdat de wijzigingen voor de nultreden en zorggeschiktewoningen passen binnen wat nu al door de sector wordt gebouwd, kandaarbij worden volstaan met een inwerkingtredingsdatum van degebruikelijke zes maanden na publicatie.(19)De leden van de CDA-fractie hebben ook over de gewijzigde trillingsricht-lijnen enkele vragen. Deze leden vragen wat de belangrijkste verschillenzijn tussen de eerdere SBR-richtlijn en de nieuwe meet- en beoordelings-richtlijnen trillingen deel B en of de actualisatie leidt tot strengerebeoordeling van nieuwbouw nabij spoor. Zij vragen welke mogelijkekostenstijgingen trillingsisolatie met zich kan meebrengen en of isoverwogen dat strengere eisen het risico vergroten dat problemenworden afgewenteld op ontwikkelaars in plaats van bij de bron te wordenaangepakt. Zij vragen hoe de wijziging is afgestemd met het programmaMinder Hinder voor Spoor en in hoeverre het uitgangspunt blijft datbronmaatregelen leidend zijn bij het beperken van trillingen.In het huidige Bbl wordt verwezen naar de Meet- en beoordelingsrichtlijndeel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwre-search Rotterdam (oftewel de SBR-richtlijn B) uit 2006. Met de onder-havige wijziging wordt dit aangepast naar de eerdere versie van deSBR-richtlijn B uit 2002. De versie uit 2006 betreft geen actualisatie maareen herdruk en bevat slechts redactionele wijzigingen ten opzichte van deversie uit 2002. Omdat in de Omgevingsregeling voor andere regelgevingdan het Bbl wordt verwezen naar de versie uit 2002 is besloten om voorhet Bbl op dezelfde manier te verwijzen. Er verandert hiermee dus nietsaan de regelgeving.In het Bbl wordt alleen naar de SBR-richtlijn B verwezen voor eisen aantrillingen die optreden bij bouw- en sloopwerkzaamheden. In hetalgemeen gaat het hierbij om trillingen veroorzaakt door hei- en sloopma-chines. Omdat er geen inhoudelijke wijzigingen zijn tussen de versie uit2002 en de versie uit 2006 is er geen sprake van strengere eisen voor hetuitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.Uw vraag gaat echter niet over het uitvoeren van bouw- en sloopwerk-zaamheden, maar over de beoordeling van trillingen in het geval vannieuwbouw nabij het spoor. Dit is geen onderwerp van regelgeving in hetBbl. Het beleid ten aanzien van trillinghinder spoor is belegd bij hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat. In de Beleidsregel Trilling-hinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen wordteveneens uitgegaan van de SBR-richtlijn uit 2002. Ook daarbij is geensprake van strengere beoordeling van nieuwe spoorprojecten of vannieuwbouw nabij spoor. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaatblijft daarnaast gericht op bredere inzet van bronmaatregelen zoalstoegepast op druk bereden goederenroutes via het Minder Hinder-pakket.55Kamerstukken II 2022/23, 29 984, nr. 1109.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30311 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben het ontwerp Verzamelbesluitbouwwerken leefomgeving 2025 met interesse gelezen en hebben devolgende opmerkingen en schriftelijke vragen aan de Minister.Het Verzamelbesluit bouwwerken leefomgeving 2025 beoogt het Bbl aante passen op het gebied van PUR-schuim, tijdelijke bouwwerken,natuureisen en de introductie van zorggeschikte en nultredenwoonfuncties. Deze leden hechten eraan dat regelgeving bijdraagt aan dewoonopgave en de gezondheid en veiligheid van burgers waarborgt,zonder onnodige bureaucratie en kosten voor gemeenten, ondernemersen burgers.Het Verzamelbesluit introduceert een informatieplicht voor hetaanbrengen van PUR-schuim, zowel vooraf (vijf werkdagen, dan wel tweedagen met Erkende Kwaliteitsverklaring (EKV)) als achteraf. Volgens hetCebeon-rapport leidt dit tot een substantiële toename van de bestuurlijkelasten voor gemeenten, oplopend tot maximaal € 2,245 miljoen struc-tureel per jaar.(20)De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister waarborgt dat dezenieuwe informatieplichten niet leiden tot onnodige bureaucratie envertraging van de verduurzamingsprojecten, gezien de omvang van debestuurlijke lasten voor de gemeenten. Deze leden vragen ook hoerealistisch het is dat gemeenten deze informatieverzoeken tijdig kunnenverwerken, gezien de huidige capaciteitstekorten in toezicht enhandhaving.Om de bestuurlijke lasten voor gemeenten te beperken is juist gekozenvoor een eenvoudige informatieplicht. En niet voor een meldings- ofvergunningsplicht. In paragraaf 5.3.1 van de Bbl-wijziging zijn debedragen voor de eenmalige en structurele lastentoename abusievelijkomgekeerd. De structurele lastentoename voor alle gemeenten is volgensCebeon maximaal € 262.000 en niet € 2,245 miljoen per jaar. Zie hierbijook mijn antwoord op de vragen van de CDA-fractie. Het gaat voorgemeenten om een beperkte structurele lastentoename voor toezicht enhandhaving. Gemeenten worden voor deze lastentoenamen gecompen-seerd met een verhoging van het Gemeentefonds.Het eventueel niet tijdig verwerken van de aangeleverde informatie doorgemeenten zal niet leiden tot vertraging van verduurzamingsprojecten.Bedrijven kunnen na het doorgeven van de informatie aan gemeentenaltijd beginnen met de werkzaamheden. Er is daarvoor geen toestemmingvan de gemeente nodig of een reactie van de gemeente op de aangele-verde informatie.(21)De Minister erkent dat de aankondigingstermijn van vijf dagen in depraktijk lastig kan zijn voor bedrijven. Dit wordt als compromis gehand-haafd, maar verkort tot twee dagen voor bedrijven die beschikken overeen EKV. De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete stappen uonderneemt om ervoor te zorgen dat dit EKV-stelsel snel breedbeschikbaar en betaalbaar wordt voor alle MKB-bedrijven die PUR-schuimaanbrengen, zodat zij in de praktijk van de verkorte termijn kunnenprofiteren en dubbel werk (naast bestaande certificeringen) wordtvoorkomen. Deze leden vragen op welke manier wordt geborgd dat ookkleinere MKB-bedrijven zonder grote administratieve capaciteit eenvoudigtoegang krijgen tot een EKV. Zij vragen hoe wordt geborgd dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30312 EKV-stelsel de kwaliteit van werkelijke PUR-toepassingen verhoogt, enniet slechts een administratieve check wordt.Reeds 90% van de betreffende branche is vrijwillig gecertificeerd. Hetaanpassen van de huidige certificeringsregelingen op de nieuwe eisen inhet Bbl en EKV-stelsel is aan de certificeringsbranche. Dit is in hetlastenonderzoek van Sira6 ook zo beschouwd. Door Sira wordt verderuitgegaan van reeds 47 gecertificeerde bedrijven en 5 niet gecertificeerdebedrijven. Er zijn geen signalen vanuit niet gecertificeerde bedrijven datcertificering voor hen niet betaalbaar is. Er zijn vanuit het ministeriedaarom geen acties voorzien.Een EKV (erkende kwaliteitsverklaring) wordt afgeven door een geaccredi-teerde certificerende instelling op basis van een beoordelingsrichtlijn diedoor de Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB) isaangewezen. De certificerende instelling beoordeelt periodiek de kwaliteitvan de werkzaamheden van een bedrijf op locatie. Er is dus geen sprakevan slechts een administratieve check.(22)De aanvullende eisen zijn gericht op het voorkomen van gezondheids-klachten van bewoners. Hoewel het meten van isocyanaat (een gevaarlijkestof) niet praktisch mogelijk blijkt, zullen in de Omgevingsregelingproceseisen worden gesteld met betrekking tot onder andere het dichtenvan naden en het juist mengen van de componenten. De leden van deBBB-fractie vragen of u deze in de Omgevingsregeling vast te leggenproceseisen voldoende acht om het doel van het Bbl, namelijk hetbeschermen van de bewonersgezondheid, afdoende te waarborgen, zekergezien het feit dat 90% van de branche reeds vrijwillig gecertificeerd is.Deze leden vragen in hoeverre er ruimte blijft voor innovaties in verwer-kingsmethoden of materialen zonder dat deze direct strijdig worden metvoorgeschreven proceseisen. Zij vragen of is onderzocht of het afdichtenvan naden en het correct mengen van componenten voldoende effectief isin situaties waar blootstelling aan isocyanaten vooral ontstaat tijdensverwerking. Zij vragen welke gevolgen voor de kosten en doorlooptijdenvan bouwprojecten worden verwacht door het invoeren van dezeproceseisen.De proceseisen die in de Omgevingsregeling worden vastgelegd, zijngebaseerd op het onderzoek van de adviesbureaus VPRC en Nieman.7Hierbij is door VPRC/Nieman nagegaan welk proceseisen leiden tot hetverminderen van het risico op gezondheidseffecten bij bewoners. Ditbetreft onder andere het afdichten van naden en het correct mengen vancomponenten. De proceseisen zijn afgeleid van de proceseisen die geldenvoor de huidige certificeringsregelingen waarop 90% van de branche alvrijwillig is gecertificeerd. Door deze proceseisen op te nemen in deOmgevingsregeling worden de eisen publiekrechtelijk waardoorgemeenten (bevoegd gezag) hierop kunnen toezien en waar nodig kunnenhandhaven. Dit is voor gemeenten nu niet mogelijk op de proceseisen diestaan in privaatrechtelijke certificeringsregelingen. Ook is het hierdoormogelijk om het voldoen aan deze proceseisen onderdeel te laten zijn vaneen EKV. Door het opnemen van deze eisen in het Bbl kan de naleving vandeze eisen hierdoor beter worden geborgd.6https://www.internetconsultatie.nl/verzamelbesluit_bouwwerken_leefomgeving_2025/b17https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/15/aanpassing-bouwregelgeving-werkzaamheden-gespoten-pur-schuimTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30313 In het lastenonderzoek van Sira zijn deze proceseisen beschouwd. Omdatde proceseisen zijn afgeleid op wat al gangbaar is in de praktijk is delastentoename beperkt tot € 165.000 per jaar voor de gehele branche.Deze toename is het gevolg van een strengere eis voor het aanbrengenvan lagen PUR-schuim dikker dan 4 cm in één keer. Er is hierdoor sprakevan 20 minuten extra tijdsbesteding per woning.(23)Het Verzamelbesluit introduceert de verplichting om bij nieuwe utili-teitsbouw (niet-woningen) verblijfsvoorzieningen te realiseren voor onderandere huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. De Nota vanToelichting meldt expliciet dat het Bbl voor deze voorzieningen in deintegrale schil van het bouwwerk limitatief is bedoeld. De leden van deBBB-fractie vragen of de Minister kan bevestigen dat, nu de eis uit het Bblmet het oog op duurzaamheid is gesteld, gemeenten op grond van hetBesluit of het Omgevingsplan geen verdere «lokale koppen» aanverblijfsvoorzieningen kunnen opleggen aan utiliteitsbouw of aanwoningen.Ik kan bevestigen dat gemeenten geen verdere «lokale koppen» aanverblijfsvoorzieningen kunnen opleggen aan utiliteitsbouw of aanwoningen. Dit is door mij ook duidelijk gemaakt in artikelsgewijzetoelichting op onderdeel H, waar staat: Voor de verblijfsvoorzieningen inde integrale schil van het bouwwerk is het Bbl limitatief bedoeld. Opgebouwniveau kunnen er dus geen strengere of extra eisen in het kadervan duurzaamheid worden gesteld. Er kunnen dus ook voor woningengeen verblijfsvoorzieningen worden verplicht, omdat het Bbl die gebruiks-functie niet aanwijst.(24)Deze leden vragen of er uitzonderingen worden voorzien voor situatieswaarin het integreren van verblijfsvoorzieningen technisch niet haalbaarof disproportioneel kostbaar is.De eisen in het Bbl gelden altijd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat deeisen in bepaalde situaties technisch niet haalbaar of disproportioneelkostbaar zijn. Wel is er (zoals bij eisen in het Bbl) de mogelijkheid tot eengelijkwaardige oplossing ter beoordeling van bevoegd gezag.(25)Zij vragen welke onderbouwing eraan ten grondslag ligt dat juistutiliteitsbouw een significante bijdrage levert aan de biodiversiteit en isdeze verplichting effectief in verhouding tot de verwachte ecologischewinst. Zij vragen hoe wordt gemonitord of deze voorzieningen daadwer-kelijk gebruikt worden door de betreffende diersoortenDe keuze om de eis alleen te laten gelden voor utiliteitsbouw is nietgebaseerd op de aanname dat juist utiliteitsbouw een significantebijdrage levert aan de biodiversiteit. Er is gekozen voor alleen utili-teitsbouw omdat de verplichting bij woningbouw op gespannen voet staatmet het regeerprogramma, zoals is toegelicht in paragraaf 2.3 van de notavan toelichting. De gedachte achter de verplichting bij nieuwbouw is datbij de moderne bouwmethoden er in gebouwen veelal geen openingen/ruimten meer zijn waarin vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen zichkunnen vestigen. Door bij nieuwbouw hiervoor afzonderlijke verblijfsvoor-zieningen voor te schrijven, worden er meer mogelijkheden gecreëerdvoor deze bedreigde diersoorten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30314 Met de monitoring MUS = Meetnet Urbane Soorten van Sovon Vogelon-derzoek Nederland wordt de trend bijgehouden van vogels, waaronderhuismussen en gierzwaluwen. De landelijke trend van vleermuizen wordtvia het meetnet vleermuis transsecttellingen bijgehouden. Uit toekom-stige monitoring moet blijken wat de trend is van deze soorten. Daar isechter meer voor nodig dan alleen deze verblijfsvoorzieningen. Zo moeter voldoende voedsel aanwezig zijn en daarvoor is een natuurlijke groeneomgeving nodig die de juiste condities bevat voor deze soorten.(26)De leden van de BBB-fractie lezen dat de standaardisering van eisen voorde woonfuncties zorggeschikt en nultreden bedoeld is om de bouw vandeze noodzakelijke woningtypen te versnellen en te verduidelijken. Denieuwe, strenge eisen voor zorggeschikte woningen omvatten onder meereen brancardlift (1,10 m x 2,10 m), een vrije keerruimte in de badkamer(1,5 m x 1,5 m) en een doorgangsbreedte bij deuren van ten minste0,88 m. Deze leden vragen welke garantie de Minister kan geven dat dezespecifieke technische eisen, hoewel afgestemd op de sector, niet zullenleiden tot vertraging of onnodige kostenstijgingen in de uitvoering vanbouwplannen, zodat we, juist in deze tijd, snel kunnen voorzien ingeschikte en toegankelijke woningen voor ouderen. Zij vragen of deMinister kan aangeven hoeveel zorggeschikte woningen, die al in deplanning stonden, mogelijk vertraging oplopen als gevolg van deaangescherpte eisen.Ik deel het belang van de leden van de BBB-fractie van een voortvarenderealisatie van nultredenwoningen en zorggeschikte woningen. Bijouderenwoningen geldt dat juist vanuit het werkveld van ouderenhuis-vesting is verzocht om het vastleggen van eenduidige definities, voorzienvan duidelijke bruikbaarheidseisen. Meer duidelijkheid en voorspel-baarheid in het ontwerp en bouwproces kan juist leiden tot versnelling.Bovendien werken deze eisen standaardisering in de hand.Gelet op het voorgaande, en de omstandigheid dat deze eisen in depraktijk al vaak worden gebruikt, ligt het niet in de rede dat vertragingontstaat door het opnemen van deze eisen in het Bbl.(27)Voor zowel de woonfunctie nultreden als zorggeschikt geldt de eis dat dehoofdverblijfsruimte, toiletruimte, badruimte en keuken op één woonlaagliggen die zonder of met minimaal hoogteverschil betreden kan worden.Dit is bedoeld om de woning bereikbaar te maken voor een persoon dieafhankelijk is van een rollator of rolstoel. De leden van de BBB-fractievragen of in de artikelen van het Bbl (hoofdstuk 4) de opstelplaats voor dewasmachine wordt voorgeschreven. Zo nee, kan het ontbreken van dezeeis er onbedoeld toe leiden dat bewoners alsnog een trap moetengebruiken als de wasmachine op een toegestane, hoger gelegen tweedewoonlaag staat, waarmee het «nultreden»-principe feitelijk wordt omzeildvoor een essentiële huishoudelijke functie?Het Bbl (voorheen Bouwbesluit 2012) stelt slechts minimumeisen aanwoningen en een opstelplaats voor een wasmachine is niet voorge-schreven voor woningen. Dit is in de onderhavige wijziging beschreven inde toelichting bij artikel 4.182. Het is aan de initiatiefnemer van denieuwbouw om op de betreffende woonlaag te voorzien in een opstel-plaats voor een wasmachine. Er zijn geen signalen dat dit in de praktijkniet gebeurt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 325, nr. 30315

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ab7488c3b4dde956

14 okt 2026 · dd1de06a29c1523d

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.