Beleidsplan toekomstbestendige sportinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen
Brontekst
Versie 7e6de3a49832e252 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202630 234Toekomstig sportbeleidNr. 431 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 31 oktober 2025Het is belangrijk dat iedereen in Nederland zelf kan ervaren hoe waardevolsport en bewegen is. Een uitnodigende omgeving met goede sportvoor-zieningen maakt dat mogelijk. Met goede sportaccommodaties en eenbeweegvriendelijke openbare ruimte maken we sporten en bewegenaantrekkelijk en toegankelijk voor iedereen.Nederland kent een unieke sportinfrastructuur die bestaat uit meer dan21 duizend sportaccommodaties en ruim 26 duizend sportverenigingen.De manier waarop sport georganiseerd, gefaciliteerd en gehuisvest wordtis op veel vlakken een voorbeeld voor andere landen. Al sinds het beginvan de vorige eeuw is er aandacht voor de kwaliteit van de sportinfra-structuur en voor structurele ruimte voor sport en spel in stad en dorp.Dat heeft geleid tot een diversiteit aan sportaccommodaties, wat bijdraagtaan een bruisend verenigingsleven en sociale cohesie in de wijk. Het zorgtervoor dat wekelijks miljoenen Nederlanders sporten en bewegen. Ookwaar het gaat om ruimte voor dagelijks bewegen is Nederland eenvoorbeeld voor andere landen. Zo staat Nederland bekend om defietscultuur en de toegankelijkheid van fiets- en wandelpaden.Tegelijkertijd krijgt de sportsector de komende jaren te maken met veelveranderingen en grote opgaven. In Nederland heerst een grote druk opde ruimte omdat veel opgaven samenkomen op het beperkte grondgebiedvan Nederland. Uit onderzoek van Urhahn, Platform31 en UrbanDynamics blijkt dat de ruimte voor sport en bewegen zonder extra inzeteerder zal afnemen dan toenemen1, terwijl de vraag naar sportvoorzie-ningen en -ruimte zeker in stedelijk gebied juist stijgt.2 De opgave op hetgebied van onderhoud, renovatie en verduurzaming van verouderde1Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | Rapport2Rapport Mulier: Benodigde ruimte voor sport in 2040: Inzicht in de ruimtelijke implicaties vande ambities uit de sportagenda kst-30234-431ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4311 sportaccommodaties wordt bovendien alleen maar groter. Ruim 60% vande sportaccommodaties in Nederland is verouderd en toe aan renovatieen vernieuwing. Daar komt bij dat het huidige aanbod van sportaccommo-daties niet altijd meer aansluit bij ontwikkelingen op het gebied vandemografie en sportbehoefte. Zo sporten we niet altijd meer bij eentraditionele sportvereniging, maar vaker in de openbare ruimte of bijcommerciële aanbieders. De hoeveelheid en kwaliteit van plekken om tesporten en te bewegen staat dus onder druk. Om Nederlanders ook in detoekomst te kunnen laten sporten en bewegen, is het nodig om nu in tezetten op een toekomstbestendige infrastructuur en ruimte voor sport enbewegen.Dit zijn grote opgaven die alleen samen effectief aangepakt kunnenworden. Het toekomstbestendig maken van de sportinfrastructuur enopenbare ruimte vraagt meer dan alleen inzet vanuit het Ministerie vanVWS. Op veel vlakken ligt de primaire verantwoordelijkheid bij anderedepartementen of bij gemeenten. Gemeenten hebben bijvoorbeeld eenbelangrijke rol bij de inrichting van de leefomgeving. Ze zijn verantwoor-delijk voor (ruimte voor) sportvoorzieningen, beweegmogelijkheden enbuitenspeelruimte en staan het dichtst bij sportverenigingen zelf. Dieverantwoordelijkheid wordt ook genomen. Zo is er door gemeenten in2023 zo’n anderhalf miljard euro uitgegeven aan sportaccommodaties.Ook verenigingen zelf investeren volop in hun accommodaties. Dejaarlijkse investering van sportorganisaties in hun accommodatiebedraagt volgens Stichting Waarborgfonds Sport (SWS) ongeveer273 miljoen euro.3Daarnaast geldt voor sommige (ruimtelijke) opgaven dat andere departe-menten hiervoor aan de lat staan. Ik werk daarom nauw samen metandere ministeries, zoals het Ministerie van Klimaat en Groene Groei(KGG), Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO), Infrastructuur enWaterstaat (I&W) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Bijhet maken van beleid wil ik recht doen aan de verhoudingen tussen aldeze partijen. Ik wil een bijdrage leveren aan een gezamenlijke aanpakwaarmee we de sport- en beweegsector toekomstbestendig maken. In ditbeleidsplan schets ik de bijdrage die ik voor ogen heb.LeeswijzerIn deze brief zet ik mijn bijdrage uiteen in twee doelen. Het eerste doel iste zorgen voor voldoende ruimte waar gesport en bewogen kan worden.Hier gaat het niet alleen om voldoende sportaccommodaties, maarbijvoorbeeld ook om fiets- en wandelpaden en buitenspeelplekken.Plekken in de directe leefomgeving die het eenvoudig en aantrekkelijkmaken om te bewegen. Het tweede doel waar ik op inzet is het toekomst-bestendig maken van de sportinfrastructuur, op het gebied van verduur-zaming, toegankelijkheid en exploitatie van zowel breedte- als topsportac-commodaties. Ik zal kort schetsen waarom ik het belangrijk vind om op degenoemde doelen in te zetten en welke plannen ik daarbij voor ogen heb.Met dit plan geef ik invulling aan de motie van de leden Inge van Dijk enVan Nispen over het uitwerken van voorstellen aangaande het aanko-mende tekort aan sportaccommodaties4 en de motie van de leden Leijtenen Van Nispen die verzoekt te onderzoeken of en hoe een sportnorm kanworden vastgesteld en daarbij onder andere te bezien of deze onderdeelzou kunnen worden van de sportwet5. Zoals toegezegd in de Kamerbrief3Stichting Waarborgfonds Sport: Plan van aanpak revolverend fonds voor sportclubs4Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 123.5Kamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 352.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4312 over Commissiedebat Sport en Bewegen 20256 kom ik in dit plan ookterug op de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over verenigingenontlasten op het gebied van onderhoud en verduurzaming7 en doe ikdaarmee deze motie af. De motie van het lid Mohandis c.s. overonderzoek naar een gemeentelijke zorgplicht voor zwembaden8 zalterugkomen in de verkenning van de sport- en beweegwet waar ik uwKamer in het voorjaar van 2026 over informeer. Ook doe ik de volgendetoezeggingen af:•De Staatssecretaris gaat met gemeenten, provincies en de sportsectorin overleg om te komen tot een plan van aanpak gericht op het creërenvan een toekomstbestendige sport- en beweeginfrastructuur.9•De Staatssecretaris streeft ernaar de Kamer rond de zomer een reactiete sturen op de suggesties die het Nationaal Klimaatplatform (NKP) ineen aanvullende notitie heeft gedaan wat betreft de financiering vanverduurzaming van sportaccommodaties.10•De Staatssecretaris verkent gezamenlijk met de bewindspersonen vanVRO en van KGG de mogelijkheden om sportverenigingen sneller enbeter te laten verduurzamen.111. Voldoende ruimte om te sporten en bewegen In Nederland heerst er een grote druk op de ruimte omdat veel urgenteopgaven samenkomen op het beperkte grondgebied van Nederland. Denkaan de opgaven op het gebied van woningbouw, mobiliteit, energietran-sitie, klimaatverandering, landbouw, natuur en gezondheid. Bijgevoegdefiguur uit de Nota Ruimte geeft inzicht in het bodemgebruik van onsland.12 Ongeveer een derde van het recreatieterrein is bestemd voor sport6Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 408.7Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVI, nr. 127.8Kamerstukken II 2024/25, 36 600 XVI, nr. 119.9Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 396 en TZ202412-12010Beantwoording vragen Schriftelijk Overleg over de stand van zaken met betrekking tot hetaanvragen van de Subsidieregeling Bouw en onderhoud sportaccommodaties (BOSA) in 2025,Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 400.11TZ202412-12112Kamerstukken II 2025/26, 29 435, nr. 269Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4313 en een derde voor parken, waar onder andere gesport, bewogen engespeeld kan worden. Ook in bossen en open natuurgebieden kan gesporten bewogen worden, maar de ruimte hiervoor is beperkt. De totalebeschikbare ruimte voor sport en bewegen bedraagt daarmee ongeveer2% van het grondoppervlak van Nederland.De druk op de ruimte vertaalt zich op verschillende manieren naar eenaantal specifieke gebieden waar de ruimte voor sport en bewegen onderdruk staat. In stedelijke gebieden kiezen veel gemeenten om binnenste-delijk te verdichten. Hierdoor neemt de druk op bestaande sport- enbeweegplekken toe. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van Urhahn13 en uitgesprekken met gemeenten en povincies dat ruimte voor sport, bewegenen spelen onvoldoende prioriteit krijgt in de afweging tussen concurre-rende ruimtevragen binnen gebiedsontwikkeling, onder andere op hetgebied van woningbouw. Hierdoor wordt beperkt nieuwe sport- enbeweegruimte gerealiseerd of wordt bestaande sport- en beweegruimtevervangen door woningbouw.Ook in landelijk gebied staat ruimte voor sport en bewegen onder druk. Zozijn recreanten aangewezen op een beperkt aantal aantrekkelijkelandschappen en natuurgebieden die steeds intensiever worden gebruiktals recreatie- en sportruimte. Ook verdwijnen of fuseren bestaandesportparken in landelijke gebieden door teruglopende ledenaantallen, watde afstand tot deze voorzieningen vergroot.14Op dit moment bestaan er geen (nationale) richtlijnen of beleid voor hetbepalen van de benodigde ruimte voor sport, bewegen en spelen ingebiedsontwikkeling. Gemeenten en de sport- en beweegsector gevenaan behoefte te hebben aan ondersteuning om ruimte voor sport enbewegen te realiseren. Binnen mijn mogelijkheden en verantwoordelijk-heden wil ik gemeenten via meerdere acties hierbij ondersteunen.Aandacht voor sporten en bewegen in de ruimtelijke ordeningOm te zorgen voor voldoende sport- en beweegruimte is het belangrijkdat ruimte voor sport en bewegen als noodzakelijke maatschappelijkevoorziening gezien wordt in de inrichting van dorpen en steden op delange termijn. De inrichting van de fysieke leefomgeving is namelijkbepalend voor het sport- en beweeggedrag van Nederlanders.15Gemeenten en provincies hebben een belangrijke rol bij het inrichten vande leefomgeving. Op dit moment ontstaat steeds meer beleidsaandachten -ambitie voor een gezonde leefomgeving in ruimtelijk beleid.16 Ditkomt mede door het in werking treden van de Omgevingswet (2024)waarin een gezonde leefomgeving als maatschappelijk doel is geformu-leerd. Deze ambities worden (nog) lang niet altijd voldoende meege-nomen in afwegingen in de ruimtelijke ordening en de uitwerking vanplannen voor gebiedsontwikkeling op lokaal niveau.17 Het ontwikkelenvan een richtlijn voor ruimte voor sport en bewegen (zie hieronder) kanhelpen om de genoemde ambities wel mee te nemen in de plannen voorgebiedsontwikkeling.13Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | Rapport14Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | Rapport15Mulier Instituut (2020). Werkzame elementen van de beweegvriendelijke omgeving.16Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | Rapport17Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | RapportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4314 Ook op Rijksniveau zet ik me in om ruimte voor sport en bewegen bredervast te leggen in beleid. Verschillende departementen zoals BZK, VRO,LVVN, KGG en I&W hebben met hun beleid op het gebied van actievemobiliteit en ruimtelijke ordening grote invloed op de fysieke leefom-geving en daarmee op de mogelijkheden om te bewegen. Denk hierbij aande Nota Ruimte. Door ruimte voor sport en bewegen mee te nemen in denieuwe (ontwerp) Nota Ruimte ontstaat een solide basis voor gemeentenom keuzes te maken voor lokale omgevingsvisies en omgevingsplannenen daarmee ruimte voor sport en bewegen te realiseren. In de (ontwerp)Nota Ruimte is ruimte voor sporten, bewegen en spelen benoemd alsbelangrijke opgave: als voorziening die op peil gehouden moet worden bijverstedelijking, als onderdeel van het toekomstbeeld 2050 en alsonderdeel van het combineren van functies (multifunctioneel) ruimtege-bruik.Ontwikkelen van een richtlijn voor ruimte voor sport en bewegenHet afgelopen jaar heeft mijn ambtsvoorganger een onderzoek latenuitvoeren om vast te stellen of sport- en beweegruimte nu onder drukstaat bij ruimtelijke ordeningskeuzes, en in welke mate.18 Eén van deaanbevelingen van dit onderzoek is het vaststellen van een nationalerichtlijn voor ruimte voor sport en bewegen. Deze aanbeveling wordtonderschreven in gesprekken met gemeenten en provincies omdat hetgebiedsontwikkelaars en gemeenteambtenaren handvatten geeft bij lokalekeuzes om ruimte voor sport en bewegen te realiseren en te behouden.Over de ontwikkeling van een richtlijn ben ik in gesprek met relevantepartners als het Ministerie van VRO, Vereniging Sport en Gemeenten(VSG), het Mulier Instituut en het RIVM. Het is belangrijk dat deze richtlijnvoor ruimte voor sport en bewegen bestaat uit meetbare indicatoren, dierekening houden met zowel de hoeveelheid ruimte als de nabijheid vanruimte die geschikt is voor sport en bewegen. Beide indicatoren zijnmedebepalend in het sport- en beweeggedrag van Nederlanders.19 Hierbijzal de richtlijn rekening houden met verschillende vormen van sport enbewegen, denk hierbij aan de hoeveelheid ruimte van speelplekken ofopenbaar groen waar bewogen kan worden. Ook zal de richtlijn ingaan opde afstand tot verschillende typen formele sportaccomodaties. Dezerichtlijn zal dienen als een nationale richtlijn waar gemeenten zich aankunnen spiegelen en die zij onderdeel kunnen maken van hun lokalebeleid. Dit betekent dat gemeenten deze over kunnen nemen voor lokaleafwegingen in de ruimtelijke ordening, maar ook dat gemeenten denationale richtlijn kunnen aanpassen naar wat lokaal relevant is.Hiermee geef ik invulling aan de motie van de leden Leijten en Van Nispendie verzoekt te onderzoeken hoe een sportnorm kan worden vastgestelden daarbij onder andere te bezien of deze onderdeel zou kunnen wordenvan de sportwet.20Handreiking instrumentarium OmgevingswetUit het onderzoek van Urhahn, Platform31 en Urban Dynamics blijkt datde Omgevingswet gemeenten veel mogelijkheden biedt voor het creërenvan ruimte voor sport, bewegen en spelen. Denk aan het opnemen vanruimte voor bewegen bij het vaststellen van omgevingsplannen of hetopnemen van sport en bewegen als uitgangspunt bij tenders en aanbeste-18Kamerstukken II, 2024/25, 30 234, nr. 40219Mulier Instituut, RIVM, Kenniscentrum Sport & Bewegen, Fontys Hogeschool, Vital Cities,HOWEST. 2023. Argumenten voor een beweegvriendelijke omgeving.20Kamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 352.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4315 dingen. Dit instrumentarium wordt echter nog niet altijd ingezet.21Enerzijds omdat de Omgevingswet pas per 2024 van kracht is, anderzijdsomdat gemeenten niet altijd op de hoogte zijn van de mogelijkheden diehet instrumentarium biedt. Onder gemeenten is behoefte aan eenpraktische handreiking die inzicht biedt in de mogelijkheden van deOmgevingswet voor het creëren van ruimte voor sport, bewegen enspelen. De richtlijn voor ruimte voor sport en bewegen, die hierboven istoegelicht, zal opgenomen worden in deze handreiking. Een andereaanbeveling uit het onderzoek van Urhahn, Platform 31 en UrbanDynamics betreft het ondersteunen van gemeenten door bestaandekennis over huidige financiële structuren toegankelijk te maken. Ik benmet partners als Kenniscentrum Sport & Bewegen, Platform31 en Urhahnin gesprek om te komen tot een handreiking waarin genoemde puntenworden opgenomen en de implementatie en ondersteuning richtinggemeenten.2. De sportinfrastructuur op orde Op dit moment is ruim 60% van de sportaccommodaties in Nederlandverouderd en toe aan renovatie. Het feit dat bouwkosten de afgelopenjaren flink zijn gestegen, maakt het voor verenigingen en gemeenten ergmoeilijk om accommodaties te (ver)bouwen. Bovendien beantwoordendeze sportaccommodaties niet altijd meer aan de veranderende sportbe-hoeften en demografie. Met name in wederopbouwwijken, uitbreidings-wijken en landelijke gebieden zijn sportvoorzieningen – zoals clubhuizen,sporthallen en zwembaden – toe aan renovatie en vernieuwing. Door deverouderde staat en de veranderde demografische samenstelling wordendeze nu in landelijk gebied onderbenut en dreigen ze zelfs te verdwijnen.In stedelijk gebied staan deze voorzieningen onder druk door de binnen-stedelijke verdichtingsopgave.De huidige aanpak voor het oplossen van dergelijke lokale vraagstukkenrondom sportinfrastructuur schiet tekort. De gemeentelijke sportinfra-structuur is vaak op een organische manier en op basis van lokalevoorkeuren tot stand gekomen, maar beleid hierover is daardoor vaakonvoldoende gebaseerd op data, doelstellingen en trends. Op gemeen-telijk niveau lukt het onder meer door korte bestuurscycli en beperkte dataonvoldoende om langetermijnplannen te maken die inspelen op deveranderende behoeften van inwoners, zoals demografische ontwikke-lingen en nieuwe sporten of beweegtrends. Infrastructureel beleid vraagtdaarentegen om oog voor de lange termijn, aangezien accommodaties ensportvoorzieningen niet voor vijf jaar maar eerder voor vijftig jaargebouwd worden. Daarnaast is de aanpak en inzet van middelen vaakversnipperd, waardoor er dubbel werk wordt gedaan of sportvoorzie-ningen niet optimaal worden benut. Dit heeft te maken met het feit dat ermaar beperkt planvorming plaatsvindt op regionaal niveau, terwijlbijvoorbeeld opgaven op het gebied van zwembaden of topsportaccom-modaties vragen om een bovenlokale aanpak, mogelijk in samenwerkingmet provincies. Ook is het daardoor lastig om sportinfrastructuurbeleidgoed af te stemmen op andere ruimtelijke ontwikkelingen, zeker ingebieden waar ruimte schaars is. Er is dus op dit moment te weinigaandacht voor de lange termijn en voor het integrale en bovenlokalekarakter van de opgaven voor de sportinfrastructuur.21Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | RapportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4316 Daarbij lukt het niet om voldoende te investeren in de verduurzaming vande huidige sportvoorzieningen22, terwijl juist de verduurzaming vanaccommodaties cruciaal is om de sport weerbaar en betaalbaar tehouden. Deze noodzaak wordt vergroot door Europese regelgeving op hetgebied van verduurzaming die aanstuurt op het versneld verduurzamenvan slecht presterende gebouwen.23 Concreet betekent dit dat erminimumnormen gesteld zullen worden voor energieprestaties vanutiliteitsbouw.24 Zo is vastgelegd dat per 2030 de 16% en per 2033 de 26%slechtst presterende gebouwen moeten zijn verbeterd. Gegeven de staatvan de huidige sportinfrastructuur is het aannemelijk dat dit sportaccom-modaties gaat raken.De toekomstbestendigheid van de sportinfrastructuur hangt niet alleen afvan de gebouwen zelf, maar ook van de exploitatie van sportaccommo-daties. De manier waarop sportplekken nu worden beheerd, voldoet vaakniet aan wat er tegenwoordig nodig is. Zo kampen veel sportvoorzie-ningen momenteel met een ongelijke benutting: overdag worden zeweinig gebruikt, terwijl de vraag naar gebruik in de avonden enweekenden juist groot is.25 Dit zorgt voor een flinke drukte in piekuren,wat leidt tot wachtlijsten en beperkte toegankelijkheid voor gebruikers.Ook zijn sportaccommodaties op dit moment nog lang niet voor iedereentoegankelijk26, terwijl dit een voorwaarde is om meer mensen aan hetsporten en bewegen te krijgen.Kortom, de basis voor een goed georganiseerde sportinfrastructuur komtsteeds meer onder druk te staan. Met beperkte middelen zullen we desportinfrastructuur dus slimmer, groener en efficiënter moeten inrichten.Om gemeenten en de sportsector te ondersteunen bij het aanpakken vandeze opgaven onderneem ik een aantal acties.Integrale huisvestingsplannen voor sport en bewegenHet aanpakken van veel van deze problemen begint bij strategischeplanvorming op lokaal niveau. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor delokale sportaccommodaties, kennen de lokale sportinfrastructuur het besten kunnen beter inschatten wat nodig is om opgaven op het gebied vansportinfrastructuur en ruimte aan te pakken. Dit vraagt in sommigegebieden om bovenlokale (regionale) coördinatie en samenwerking,bijvoorbeeld als het gaat om voldoende zwemwater, ijsbanen, topsport-pluskosten of recreatiegebieden. Dit kan door middel van het werken metIntegrale Huisvestingsplannen (IHP) Sport en Bewegen.In zo’n plan schetsen gemeenten hoe het geheel aan sportaccommodatiesen -voorzieningen er in de betreffende gemeente in de toekomst uit moetzien. Het woord «integraal» benadrukt dat niet alleen naar losse sportac-commodaties wordt gekeken, maar naar het totaalplaatje: hoe dehuisvesting van sport passend bij de top- en breedtesportbehoeften,22Urhahn | stedenbouw & strategie, Platform 31 en Urban Dynamics in opdracht van hetMinisterie van VWS: Ruimte geven aan sport en bewegen | Rapport23Herziene richtlijn energieprestatie gebouwen (EPBD)24Met utiliteitsbouw worden gebouwen bedoeld die geen woonbestemming hebben, maar eenandere functie, zoals kantoren, winkels, scholen, ziekenhuizen en fabrieken.25In het kader van de inzet op duurzame exploitatiemodellen van sportaccommodaties wordt opdit moment via een project binnen MOOI in Beweging het «geheim» van 28 hotspots in kaartgebracht, waar de benutting van de openbare ruimte of sportaccommodaties positief afsteektten opzichte van vergelijkbare locaties. Dat wil zeggen dat de principes worden beschrevenvan een succesvolle benutting en exploitatie van sportaccommodaties en de openbare ruimtedie zowel kosteneffectief is als maatschappelijke waarde oplevert. De uitkomsten van ditproject zullen we waar mogelijk gebruiken om onderbenutting van de sportinfrastructuurtegen te gaan.26Mulier Instituut. Factsheet 2024/53: de toegankelijkheid van sport en sportaccommodatiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4317 efficiënt en toekomstgericht kan bijdragen aan een gezonde en actievesamenleving. Deze lokale, strategische planvorming geeft ruimte omgerichter en planmatiger te werk te gaan met het oog op de lange termijn.Dit helpt gemeenten en sportorganisaties uiteindelijk om weloverwogenkeuzes te maken over waar, wanneer en hoe te investeren in sportaccom-modaties. Door het integraal aan te pakken worden versnippering,inefficiëntie en onnodige kosten voorkomen.In verschillende gemeenten zijn al positieve ervaringen opgedaan met hetopstellen van een IHP Sport en Bewegen. Ook is er al een handreikingopgesteld met een stappenplan voor hoe deze plannen tot stand kunnenkomen.27 Ik wil daarom alle gemeenten stimuleren dergelijke plannen opte stellen en hiermee te gaan werken. Daarvoor wil ik de benodigdeondersteuning en middelen organiseren. Ik vind het belangrijk dat er ineen IHP Sport en Bewegen in ieder geval aandacht is voor de onder-staande thema’s:•Inzet op toegankelijkheidHet is belangrijk dat gemeente binnen een IHP Sport en Bewegeninvulling geven aan het belang van toegankelijkheid van sportinfra-structuur voor iedereen. Hoewel veel gemeenten al verschillendemaatregelen nemen28 heeft nog altijd bijna de helft van de gemeentengeen beleidsdoelstellingen over de toegankelijkheid van sportaccom-modaties.•Verduurzaming via gebiedsgerichte aanpakEen van de sleutels voor de verduurzaming van de sportinfrastructuurligt in een gebiedsgerichte aanpak. Ook sectorale partners zoalsNOC*NSF, de VSG en het NKP onderschrijven dit. Een gebiedsgerichteaanpak betekent dat je niet naar één sportaccommodatie of éénbeleidsdoel kijkt, maar naar het geheel van opgaven binnen eenbepaald gebied of wijk. Daarmee kan de verduurzaming van sportac-commodaties verbonden worden en bijdragen aan andere lokalethema’s, zoals energie, klimaatadaptatie, gezondheid, participatie,woningbouw of mobiliteit.29 Dat leidt tot een samenhangende aanpakvan meerdere opgaven die in een gebied spelen.•Vraaggericht en datagedrevenDe lokale planvorming in het IHP dient gebaseerd te zijn op data,kennis en innovatie. Dit vraagt om inzicht in de lokale trends enontwikkelingen. Hiervoor kunnen gemeenten gebruikmaken van devele kennisbronnen en platforms die al beschikbaar zijn op het gebiedvan bijvoorbeeld ruimte, (toekomstig) sport- en beweeggedrag,sportaccommodaties en specifieke doelgroepen.•MultifunctionaliteitRuimte is schaars, en dat betekent dat een claim op ruimte voor sporten bewegen goed gelegitimeerd moet worden. Deze claim vanuit desport wordt versterkt door dezelfde ruimte op meerdere manieren tebenutten. Sportaccommodaties en sport- en beweegruimte kunnenmeer zijn dan alleen plekken waar gesport en bewogen wordt. Inverschillende gemeenten zijn al mooie voorbeelden te vinden van27Synarchis heeft in opdracht van Kenniscentrum Sport & Bewegen en met medewerking vande Sportakkoord partners (NOC*NSF, VSG, Platform Ondernemende Sportaanbieders) vanuithet Ministerie van VWS een handreiking opgesteld die de bouwstenen benoemt en deverschillende stappen beschrijft bij het opstellen van een IHP Sport en Bewegen.28Bijvoorbeeld gericht op doelgroepen zoals mensen met een (fysieke) beperking, ouderen enmensen met een laag inkomen.29NKP-rapport: Amateursport fit voor de toekomstTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4318 sport- en beweegplekken die slim worden gecombineerd met anderefuncties.30 Door dezelfde ruimte op meerdere manieren in te zettenwordt de schaarse ruimte die we in Nederland hebben effectieverbenut.VerduurzamingDe verduurzaming van de sportsector is van groot belang voor decontinuïteit, weerbaarheid en de betaalbaarheid van sport. Om sporttoegankelijk te houden zet ik daarom met andere partijen en departe-menten in op het blijvend stimuleren van het verduurzamen van desportsector. Naast de plek die verduurzaming krijgt in het IHP Sport enBewegen zet ik ook op andere manieren in op verduurzaming. Eén van deinstrumenten om dit te doen is de Subsidieregeling Duurzaam Maatschap-pelijk Vastgoed (DUMAVA). De DUMAVA is een regeling van het Ministerievan VRO en komt eigenaren van bestaand maatschappelijk vastgoedtegemoet in de kosten om te verduurzamen. Zoals al aangekondigd in deNajaarsbrief Sport en Bewegen 2024 is deze regeling sinds 2 juni 2025 ookopengesteld voor sportaccommodaties in eigendom van een amateur-sportorganisatie.31 Op deze manier proberen we de huidige druk en dekorting op de subsidieregeling bouw en onderhoud sportaccommodaties(BOSA) vanaf 2026 voor een deel op te vangen.Daarnaast werken we samen met gemeenten, sportorganisaties enkennispartners aan de verduurzaming van de sportsector via de Route-kaart Verduurzaming Sport. De ambities van de vier thema’s van deRoutekaart Verduurzaming Sport gaan verder dan alleen CO2-reductie:naast een reductie van 55% in 2030 en 95% in 2050 richt de routekaart zichop milieuvriendelijk beheer van sportvelden, circulair materiaalgebruik eneen klimaatadaptieve sportomgeving. Om deze ambities te realiseren,werken we aan een aantal nieuwe projectplannen die zich richten op hettoekomstbestendig maken en houden van sportaccommodaties.Deze projectplannen richten zich op de grootste bronnen van CO2-uitstootbinnen de sportsector, zoals zwembaden, sporthallen en fitnessaccommo-daties. Voor specifiek de zwembaden worden standaard bouwconceptenontwikkeld, variërend van renovatie tot volledig circulaire nieuwbouw.Daarnaast worden kennisproducten, rekentools en verdienmodellenontwikkeld die helpen bij voorbereiding, financiering en uitvoering vanverduurzamingsmaatregelen. Tot slot wordt ingezet op een gebiedsge-richte aanpak waarin de verduurzaming van zwembaden wordt gekoppeldaan klimaatadaptatie, multifunctioneel gebruik en lokale energie-infrastructuur.30De ontwikkelde Handreiking Integraal Huisvestingsplan (IHP) Sport en Bewegen geeft eenaantal voorbeelden van hoe (sport)plekken multifunctioneel benut kunnen worden:• Spelen en recreatie: Een buurtpark kan tegelijkertijd een plek zijn voor hardlopers, kinderendie spelen en ouderen die bewegen op fitnesstoestellen.• Actieve mobiliteit: Fietspaden en trottoirs zijn niet alleen transportverbindingen, maar ookperfecte plekken voor actieve recreatie zoals hardlopen, skaten en wielrennen. Denk aanroutes die ontworpen zijn met een dubbele functie: veilig voor dagelijks woon-werkverkeer énaantrekkelijk voor sportievelingen.• Onderwijs: Groene en open schoolpleinen kunnen niet alleen kinderen uitnodigen om tespelen en te bewegen, maar ook een bijdrage leveren aan een aantrekkelijke en functionelewijk. Denk aan speelplekken die ’s middags het schoolplein zijn en ’s avonds een ontmoe-tingsplek voor de buurt.• Klimaatadaptatie: Groene en multifunctionele ruimtes kunnen niet alleen wateroverlasttegengaan, maar ook verkoeling bieden en hittestress verminderen. Denk aan speeltuinen diefungeren als wadi’s of waterpleinen die bij droogte ruimte bieden voor sport en spel.31Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 396.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 4319 Voor sporthallen werken de partijen die betrokken zijn bij de RoutekaartVerduurzaming Sport aan een aantal gestandaardiseerde ontwerpen dieduurzaam en modulair toepasbaar zijn. Voor de fitnessbranche is een planin gang gezet dat zich richt op snelle en relatief eenvoudige maatregelen.Door gedragsaanpassingen en kleine technische ingrepen kunnenexploitanten hun energieverbruik al op korte termijn terugdringen. Ook opandere terreinen werken deze partijen aan verduurzaming. Dat gaatbijvoorbeeld om het milieuvriendelijker maken van kunstgrasvelden enhet opstellen van watermanagementplannen voor sportaccommodaties.Met deze aanpak werken we samen met de sector aan het terugdringenvan de grootste bronnen van uitstoot en milieubelasting in de sport.Tegelijkertijd zorgen we ervoor dat gemeenten en exploitanten over dejuiste kennis, instrumenten en concepten beschikken om de noodzakelijkeinvesteringen betaalbaar en uitvoerbaar te maken. Hiermee geef ikinvulling aan de toezegging om samen met de bewindspersonen van VROen van KGG de mogelijkheden te verkennen om sportverenigingen snelleren beter te laten verduurzamen.32Topsportpluskosten van trainingsaccommodatiesSamen met NOC*NSF en de VSG werk ik aan de doelen uit het strategischkader topsport, gericht op het vergroten van de maatschappelijke waardevan topsport. Om te kunnen trainen op het hoogste niveau zijn voldoendeen kwalitatief goede topsporttrainingsaccommodaties nodig die op eenduurzame en kostenefficiënte manier worden ontwikkeld, geëxploiteerden in stand gehouden.Hiervoor is in 2021 het rapport «Bouwen aan topsport» opgeleverd. Uit ditrapport bleek onder andere dat er een brede behoefte is aan eenstrategische lange termijnplanning voor de (ver)bouw van sportaccommo-daties die benut worden voor topsport- en opleidingsprogramma’s.33 Opbasis hiervan is een strategisch vastgoedplan voor topsportaccommo-daties ontwikkeld. Dit plan behelst een inventarisatie van de behoeftenvan de topsporttrainingsaccommodaties- en faciliteiten voor topsport enopleidingsprogramma’s in Nederland als het gaat om de (ver)bouw-plannen.34Momenteel nemen gemeenten veelal het voortouw bij de ontwikkeling enexploitatie van deze sportaccommodaties. Gemeenten betalen kostenvoor topsportaccommodaties uit eigen beweging, zonder dat zij daar een(wettelijke) verantwoordelijkheid voor hebben. Er zijn grote verschillentussen gemeenten. De gebruikerskosten van topsportaccommodatiesworden door gemeenten doorberekend aan de topsport, de TeamNL-centra en de TeamNL topsport- en opleidingsprogramma’s. De TeamNL-centra en topsportbonden worden voor een groot deel gefinancierd vanuitde collectieve topsportmiddelen van NOC*NSF. Jaarlijks draagt VWShieraan bij via een instellingssubsidie topsport aan NOC*NSF. Daarnaastbrengen de topsportbonden en TeamNL-centra een eigen bijdrage in.Soms wordt VWS gevraagd een incidentele financiële bijdrage te leverenwanneer voor een topsportaccommodatie vanwege uiteenlopenderedenen onvoldoende dekking kan worden gevonden voor noodzakelijkeinvesteringen. Tussen 2022 en 2025 hebben Thialf en de Tongelreepincidenteel financiële ondersteuning gekregen vanuit VWS. Het Rijk vormtdan de sluitpost van begrotingen. Een dergelijke bijdrage is steeds32TZ202412-12133Kamerstukken II 2021/22, 30 234 nr. 290.34Kamerstukken II 2023/24, 30 234 nr. 386.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43110 onderdeel geweest van politieke besluitvorming, zonder structureelbudget. Hiermee blijven keuzes over de (ver)bouw van topsportaccommo-daties gestoeld op lokale ambities en de inzichten vanuit NOC*NSF en detopsportbonden. Het is echter nodig dat de topsportinfrastructuur zichblijft vernieuwen, dat er regelmatig groot onderhoud wordt uitgevoerd, endat er rekening wordt gehouden met de veranderende behoeften vanuitde topsport.Ik zal daarom de komende tijd samen met relevante partners verkennenhoe we het best invulling kunnen geven aan de verschillende rollen enverantwoordelijkheden op het gebied van de topsportpluskosten en welkeondersteuning vanuit het Ministerie van VWS daar het best bij past.Ontwikkeling financieel beleidsinstrumentariumVoor een goede basis moet ook de financiering op orde zijn. Het Rijk leverthieraan een bijdrage, maar het grootste deel van de investeringen insportinfrastructuur komt van gemeenten. In 2023 gaven Nederlandsegemeenten 2 miljard euro uit aan sport, waarvan driekwart ging naarsportaccommodaties.Om mijn plannen uit te voeren is het nodig om de financiële middelenvanuit het Rijk zo efficiënt mogelijk in te zetten. Met de huidige instru-menten worden middelen generiek verdeeld en worden doelen alstoegankelijkheid en multifunctionaliteit maar beperkt gestimuleerd, terwijldit cruciale randvoorwaarden zijn voor een toekomstbestendige sportin-frastructuur. Deze generieke verdeling leidt niet noodzakelijkerwijs tot eeninfrastructuur die bestand is tegen veranderingen van de toekomst. Ik wilde financiële ondersteuning in de toekomst daarom zodanig inrichten datdeze aansluit bij de regionale opgaven en hierboven toegelichte lokaleplanvorming. Daarbij wil ik zowel de inrichting van de huidige instru-menten als het opzetten van mogelijke nieuwe instrumenten betrekken:•Voortzetting huidige instrumenten 2026In 2026 worden de Specifieke Uitkering (SPUK) Stimulering Sport ende BOSA-regeling voortgezet. Dat betekent dat er een nieuwe SPUKopgesteld zal worden voor volgend jaar.35 Ook zal, zoals eerderaangegeven, de BOSA zodanig gewijzigd worden dat energiebespa-ringsmaatregelen vanaf 2026 niet meer subsidiabel zijn.36 Dit heeft temaken met de verruiming van de DUMAVA voor de amateursport. Bijhet opstellen van een wijzigingsregeling van de BOSA zal ik ook brederbekijken of de subsidiabele activiteiten van de regeling nog aansluitenbij de behoefte vanuit de sportsector en de strekking van de regeling.•Nieuw instrumentarium vanaf 2027 – IHP Sport en BewegenMijn inzet op het financiële instrumentarium vanaf 2027 is tweeledig.Allereerst zet ik erop in dat er vanaf 2027 een passend (financieel)instrument is om gemeenten te ondersteunen bij het uitvoeren van dehiervoor genoemde strategische planvorming in de vorm van een IHPSport en Bewegen. Dit moet een instrument zijn dat middelen gerichtverdeelt over gemeenten. Door financiële ondersteuning gericht vormte geven kunnen we middelen doelmatiger inzetten en meer rechtdoen aan de diversiteit binnen de sportinfrastructuur. Met dit instru-ment wil ik gemeenten ook ondersteunen bij het opstellen van een IHPSport en Bewegen. Voor dit instrument wil ik de middelen aanwendendie op dit moment gereserveerd staan voor de SPUK StimuleringSport. Over de vormgeving van dit instrument ben ik in gesprek met35Kamerstukken II 2024/25 36 600 B, nr. 45.36Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 396.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43111 andere departementen zoals BZK en de VSG. Ook wil ik hierbij rechtdoen aan de behoefte van gemeenten om tijdig duidelijkheid tehebben over de voorgenomen financiële ondersteuning.•Nieuw instrumentarium vanaf 2027 – revolverend fondsUw Kamer heeft mij meerdere keren gevraagd om onderzoek te doennaar de mogelijkheid en wenselijkheid van het uitwerken van eenrevolverend fonds.37 Met dit instrument kunnen clubs voordeligeleningen afsluiten voor investeringen in hun sportaccommodaties. Eendergelijk fonds betekent een wezenlijk andere manier van financieringvan de sportinfrastructuur. Middelen vloeien bij een revolverend fondsnamelijk niet weg en kunnen herhaaldelijk en blijvend ingezet wordenter ondersteuning van investeringen in de sportinfrastructuur. Eenrevolverend fonds biedt aantrekkelijke voorwaarden voor sportclubsom geld te lenen, terwijl dit bij subsidiëring niet het geval is.Ik ben daarom aan het verkennen of we met een revolverend fondsvoor méér sportclubs een impuls kunnen bewerkstelligen dan met dehuidige BOSA-subsidie. Op basis daarvan kan in beeld gebrachtworden hoe we een dergelijk fonds vanaf 2027 zouden kunneninrichten.Hierover ben ik in gesprek met de Stichting Waarborgfonds Sport(SWS) en het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandsegemeenten (SVN). Uit de eerste gesprekken blijkt dat aansluiting bijeen al bestaand fonds een van de mogelijkheden is. Het voordeeldaarvan is dat er geen opstartkosten gemaakt hoeven te worden vooreen nieuw fonds. Ook is het mogelijk om de uitgaven binnen eenbestaand fonds specifiek voor sportdoeleinden af te bakenen. SVN zaleen aantal scenario’s uitwerken voor verschillende budgetniveaus.Daarbij zal ook verkend worden of en hoe hiervoor middelen vanuit dekapitaalmarkt aangetrokken zouden kunnen worden. Met behulp vandeze scenario’s kan worden bepaald of en in hoeverre het gebruik vaneen revolverend fonds een bijdrage kan leveren aan investeringen inde sportinfrastructuur.SlotZoals ik in de inleiding van deze brief stelde, staat de sportsector voorgrote opgaven op het gebied van sportinfrastructuur en ruimte voor sporten bewegen. Die opgaven vragen om een gezamenlijke aanpak waarbij ikde positie van de sport- en beweegsector wil versterken en mijn bijdragewil leveren om gemeenten en sportsector te ondersteunen. Tot slot wil ikdaarbij aangeven dat ik ook verken wat de rol van deze aanpak in desport- en beweegwet zou kunnen zijn. Hoe dit eruit kan komen te zien enwelke doelen op het gebied van sportinfrastructuur en ruimte daaraangekoppeld kunnen worden in de sport- en beweegwet is onderdeel vanhet vervolgproces van de wet. Hierover informeer ik uw Kamer in hetvoorjaar van 2026.In deze brief heb ik een doorkijk gegeven naar de plannen die ik heb omde sportsector toekomstbestendig te maken. Het is mooi om te zien dat erook binnen de sector al veel ideeën zijn om dit verder vorm te geven. Ditenthousiasme wil ik de komende tijd benutten door de gesprekken van deafgelopen maanden met diverse veldpartijen, gemeenten, provincies enmijn collega-bewindspersonen voort te zetten. Ook blijf ik graag ingesprek met uw Kamer om uiteindelijk samen te komen tot een toekomst-37Kamerstukken 36 410 XVI, nr. 121.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43112 bestendige infrastructuur en ruimte voor sport en bewegen. Medio 2026informeer ik uw Kamer over de verdere uitwerking en uitvoering van deacties die ik in dit plan heb geschetst.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,J.Z.C.M. TielenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 30 234, nr. 43113
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris gaat met gemeenten en de sportsector in overleg om te komen tot een plan van aanpak gericht op het creëren van een toekomstbestendige infras
De staatssecretaris gaat met gemeenten en de sportsector in overleg om te komen tot een plan van aanpak gericht op het creëren van een toekomstbestendige infrastructuur. Hij zal dit plan voor de zomer 2025 naar de Kamer sturen.
- De staatssecretaris verkent gezamenlijk met de bewindspersonen van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en van Klimaat en Groene Groei (KGG) de mogeli
De staatssecretaris verkent gezamenlijk met de bewindspersonen van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en van Klimaat en Groene Groei (KGG) de mogelijkheden om sportverenigingen sneller en beter te laten verduurzamen. Hij zal de Kamer medio 2025 informeren over de uitkomst van deze verken
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.